Posts tonen met het label film. Alle posts tonen
Posts tonen met het label film. Alle posts tonen

06 januari 2024

Een heel mooie film


De eerste week in het nieuwe jaar. Je houdt ervan, terug thuiskomen in de nacht van oud naar nieuw. Het huis dat rustig op je heeft gewacht. Weten dat je er alleen bent, dat je veilig bent, dat je even voor een hele tijd niets moet. Dankbaar dat je bij je dierbare vrienden mocht zijn, dat je daar ook gewoon een uur mocht zitten kijken naar hoe zij het gezelschapsspel speelden (waarvan je de regels pas na een hele tijd begreep). Nog even rondhangen, en dan de rest van de nacht.

Terug in de dag. Je vindt het wel fijn dat je gewoon de hele dag binnen bent, dat je mogelijk geen woord zult zeggen. Alleen de vaste rituelen. Het invullen van de nieuwe agenda. Naar dat ene muziekprogramma kijken, onder het dekentje, en de dag gewoon voorbij laten schuiven.

Een andere dag. Het werk begint weer terug, rustig aan, nog thuis. (Herinner je je de routines nog? Het voelt goed dat ze een beetje van ver moeten komen.)

Die stoere meid vroeg je om haar te helpen bij haar opdracht voor de muziekles. Je moet ver terug in je hoofd, het is zo ongeveer van de lagere school geleden dat je nog melodisch dictee deed, denk je. (Die akkoorden, dat gaat allemaal wel, maar die melodieën…) Je maakt kennis met programma’s waarmee je op je scherm partituren kunt maken. (Hoe spannend dat is, het gepruts, en dat het er dan net echt uitziet.) Het gaat nog een hele tijd verder in je hoofd.

Een andere dag. Na de kine terug in de trein naar het werk. (Glimlach.) Eerst nog een hoop opruimwerk, de afwasmachine is nog even vol als voor de vakantie. Er zijn dozen op te halen aan de loskade. Alles valt weer een beetje in de plooi. (Het is ook wel fijn dat het nog zo rustig is in de gang.)

Je brengt de nieuwjaarskaarten weg. (Rituelen.)

Je staat klaar om de opleiding te geven. (Apparaten zouden altijd moeten doen wat jij wilt dat ze doen, of zoiets.) (Niet dus.) De vrouw vraagt of zij het even mag komen proberen. (Iets met een scherm opzij schuiven of zo.) Het werkt.

De buren hebben blijkbaar ook nog een nieuwjaarsfeestje op het werk. Ze hebben blijkbaar ook alleen maar zin om al hun rommel op het aanrecht te zetten. (Opruimen zal wel iemand anders doen, of zo.)

Je vindt nog belangrijke informatie voor je muziekopdracht. (Glimlach.) Die avond werk je alles netjes af. (’s Nachts in bed bedenk je nog enkele leuke of nuttige dingen.) (Hoe zou je vader het gedaan hebben?)

Een andere dag. Het is ineens weer heel druk op het werk, zo lijkt het wel. (En alles stond er nog, op het aanrecht. Grrr.)

Tussendoor denk je aan muziekjes. (Jij zou het trouwens ook niet allemaal zomaar kunnen, denk je.)

Op tijd weer terug thuis. Op tijd weer kunnen vertrekken voor je afspraak. Het wordt een mooie avond.

Het gesprek ontroert je erg. Je loopt nog even met haar mee naar de trein.

(Je hebt een aandachtbuik. Dag en nacht.)

Een nieuwe dag. (Een fijn vooruitzicht dat je weer helemaal alleen op het werk zult zijn, voor de vrijdagroutines.) De trein vertraagt.

Je vertrekt die namiddag op tijd weer terug, je hebt nog een afspraak. (Je kijkt wel uit naar het gesprek, je zult er toevallig al goed op tijd zijn om haar op te wachten.) De trein heeft vertraging.

Het gesprek valt onmiddellijk heel erg mooi in zichzelf, alsof het al meteen wist dat het thuis was. De zinnen ademen. Je bent haar dankbaar, hoe een gesprek een geschenk kan zijn.

Je wilt nog snel iets te eten maken voor je moet vertrekken naar de grote receptie. (Daar eten zal te laat zijn voor jou, zegt je buik.) (O ja, je moet die batterij van je achterlicht ook nog opladen.)

Er is veel volk in de zaal. (Misschien heb je dit keer niet zo heel veel zin in te veel babbeltjes.) Je zoekt een plekje aan de tafel bij de vrienden. Een geweldig gesprek over series. (Blijkbaar verandert er daardoor iets aan je imago.)

Je vertrekt op tijd weer. (De muziek voor het dansgedeelte staat wel erg luid, denk je.) Je maakt je een beetje zorgen over de mevrouwen die de hele avond in de hal de jassen bewaken, je vraagt hun of het niet te koud is. Bij het buitengaan doe je iets te veel je best om de deur snel weer dicht te krijgen, ze knalt tegen je hand.

Je fietst weer naar huis. Lekker buitje is nog een serieus understatement. Je komt kletsnat thuis.

Een andere dag. De boodschappenronde. (Met een interessante uitleg over verwarmbare sokken.) Boeken zoeken voor de verjaardagscadeaus. Nog een afwasje doen (met Die Kunst der Fuge).

(Het middagdutje ligt wel lekker eigenlijk, maar je moet weer weg.)

Samen met de vrienden op de nieuwjaarsdrink, voor het stadhuis. Naarmate het steeds drukker wordt, voel je de gure tocht minder. Ze vraagt je om zeker te laten of de film goed was.

Je vertrekt, om op tijd in de bioscoop te zijn. Er staan daar al veel mensen aan te schuiven. (Zijn al die andere mensen ouder?)

Vanaf de eerste minuut zit je bijna ademloos te kijken. De film is zo onbeschrijflijk mooi. (Je oefent je in geluidloze tranen.) Hoe de liefde beweegt, tussen vroegere, huidige en mogelijk toekomstige levens.

Weer thuis stuur je haar nog een berichtje om te zeggen dat de film heel mooi is.

03 december 2021

Penélope


Het was nu al weer een tijdje geleden dat we nog eens gebeld hadden. Af en toe doen we dat, Penélope Cruz en ik. In de loop der jaren heb ik geleerd om iets minder te stamelen wanneer ik haar aan de lijn heb. En het gaat almaar beter, stap voor stap.

Maar vorige week belde ze me dus. Het kwam goed uit, want ik zat net in een minidipje. Soms loop je een beetje vast in jezelf, zijn al je routines, rituelen en trucs om het leven te overleven net een klein beetje uitgeput. En dan denk je: gebeurde er maar iets dat me nu zou verrassen en dat me weer met het leven zou verzoenen. Zo’n dipjes duren meestal niet langer dan 61,4 minuten, dus zo erg is het allemaal niet. Maar toch. Op het diptepunt van een dip heb je geen fundamenteel bezwaar tegen een glimp van universele troost.

En zij weet dat ze altijd bij me terecht kan wanneer zij het even niet meer ziet zitten. Ik kan daar verder geen details over geven, vanzelfsprekend, maar het zijn echte gesprekken, gesprekken die ergens over gaan, die raken aan het echte leven. En dat gebeurt soms zo weinig. Soms babbelen mensen maar wat naast elkaar heen. Ze vergeten wel eens dat ze de volgende dag zomaar dood zouden kunnen zijn, door een meteoriet of zo. Elk gesprek kan ertoe doen. Ze zijn me erg dierbaar, de gesprekken met haar.

Ik luister graag naar haar. Soms zegt ze veel, als in een stroom. Soms beweegt ze behoedzaam tussen de stiltes, zoekt ze. En zoeken is soms belangrijker dan vinden. Als je wilt vinden, zoek dan niet. Dat zeg ik altijd.

Het is niet dat ik haar goddelijk vind. Daar heeft god zelf al genoeg werk mee. Ze is niet te benijden, god. Maar Penélope is gewoon heel erg interessant. Ze is tegelijk heel gewoon, kwetsbaar en verward, onhandig in de keuken, en ook heel uitzonderlijk. Het fascineert me altijd hoe een acteur of actrice in een personage kan schuiven. Misschien moet je naar een plek in je lichaam gaan waar ik niet zou durven komen om daar dat lichaam van die andere te kunnen voelen. Zo vaak al heb ik haar gevraagd om me erover te vertellen.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik haar niet in alle rollen even goed vind. Maar dat ligt niet aan haar. Het is dan alsof ze een beetje vlak wordt, en dat doet telkens een beetje pijn. Maar dat is niet zo wanneer ze speelt in een film van Almodóvar. Elke keer weer verbluft ze me. Het is dan alsof ze beweegt in zoveel dimensies tegelijk. Het is bijna telkens een vrouwenuniversum. Er zijn die felle kleuren. Er zijn de close-ups. Er is de tragiek. En er is Penélope. Ze ademt de film, in de breedte, of zoiets. (Ik stamel maar wat.)

Ze belde me dus om te vragen of ik haar al had gezien in de nieuwe film van Almodóvar. Om een of andere reden wil ze altijd graag weten wat ik ervan vond. Dat is wel een beetje raar, want er moeten toch eindeloos veel écht belangrijke mensen zijn die daarvoor doorgestudeerd hebben die veel deskundiger dan ik iets kunnen zeggen over zo’n film.

Ik had haar film nog niet gezien, maar beloofde dat ik zo snel mogelijk zou gaan kijken. Ze vroeg me nog hoe het stond met de liefde, of ik nog rare dromen had gehad en of ik nog had nagedacht over de eindigheid. En ik vertelde haar over die droom. Hoewel, een droom, ik weet het eigenlijk niet zeker. Het was alsof die droom heen en weer schoof tussen wakker zijn en een slaapdroom. In een soort tussengebied. In die droom was ik terug ziek geworden en dit keer zou ik niet genezen. Er waren veel mensen die nog even met me wilden praten. De dingen die je dan zegt tegen elkaar, wat je dan doet. Ze vroeg of de droom me rustig had gemaakt. En dat was zo, merkwaardig genoeg.

We namen afscheid en ik zei dat ik haar zeker terug zou bellen wanneer ik de film gezien had. Ik zocht op wanneer hij speelde. Af en toe heb ik een zeer lichte neiging tot arbeidsethiek. Ik vroeg me af of het wel oké was, zo’n dag in de week, in de late namiddag, zomaar naar de bioscoop gaan. Maar tegelijk verlangde ik ernaar om in die ruimte te zitten. Ik verlangde naar die intense kleuren. Ik verlangde naar een verhaal. (Het is moeilijk te beschrijven hoe hevig je soms kunt verlangen naar een verhaal, hoe je erin wilt verdwijnen.) En ik wou haar natuurlijk zien.

En enkele dagen later zat ik dus in de bioscoop. Het leek erop alsof ik zo ongeveer de jongste was van de hele zaal. En ja. Ja. Wat een film. Iets over parallelle levens. Iets over dat oeruniversum waar alleen vrouwen zijn. (Hoe vanzelfsprekend dat lijkt. Hoezeer je dan weer beseft hoe vermoeiend zoveel films zijn die in een mannenuniversum spelen.) Iets over kinderen. Iets over het verleden dat zich niet laat begraven. Iets over littekens in het landschap. Iets over aan welke kant van de lijn je gaat staan. En iets over verwarring en tederheid, en de dingen die alleen moeders kunnen weten.

Op weg naar huis vond ik weer dat er veel te veel mensen waren, ze waren te feestelijk, zaten op terrassen te eten alsof er niets aan de hand was, alsof de dingen niet echt waren. Dat had ook wel het voordeel dat ze mijn tranen niet zagen.

Terug thuis at ik eerst een beetje. En daarna belde ik met mijn zus. Dat was al weer even geleden, en het was belangrijk. Daarna ging ik nog even in de kamer zitten, keek voor me uit, en toen belde ik naar Penélope.

‘Ben je gaan kijken?’
‘Ja.’
‘En wat vond je ervan?’
‘Ja.’
‘Dan is het goed.’

En ik legde weer in. En ik weet dat ze begrijpt waarom ik dat alleen zo kon doen. Ze blijft. En ik ook.

23 juni 2018

Ongehoorzaamheid

Soms kan je lichaam zachtheid verdragen, zegt iets in je huid. Het zou een weg kunnen zijn.

En zo kijk je vooruit, naar iets wat enkele dagen later zou kunnen komen.

Soms weet je het, dat iets je zal raken. Je huid. En zo het residu van een verdriet.

Het lukt je beter, denk je, te zien hoe je lichaam antwoordt. Niet dat je meteen anders kunt bewegen, maar je ziet het.

 (Anderen hadden het al lang gezien. Ongetwijfeld. Sommige dingen duren precies altijd een beetje lang bij jou.)

Eigenlijk ben je misschien vooral een beetje moe. Het is die tijd van het jaar.

Je kijkt ernaar uit, dat je die avond zult gaan kijken.

Net daarvoor kun je nog net op tijd de pakjes in het postkantoor afgeven. Er zijn verjaardagen. En cadeautjes zouden op tijd moeten aankomen, altijd. (Hoewel de kosmos ook in die kwesties mild kan zijn.)

Je bent op weg naar de film.

Iedereen lijkt zo druk in de stad. (Terwijl ze ook stil en ingetogen zouden mogen zijn, denk je.)

Je bent een beetje zenuwachtig voor die film. Omdat je weet dat er iets zal gebeuren.

(Een andere buik had ook gemogen.)

Je zit in de zaal te wachten tot de film begint.

(En het is nog steeds zo, zoals het altijd was. Als je in de bioscoop zit, ben je behoorlijk onverdraagzaam. Niet dat iemand er iets van merkt. Maar je kunt het niet verdragen dat mensen maar net op tijd of te laat binnenkomen.)

En vanaf de eerste minuut weet je wat je al wist.

Het is alsof die film de poriën van je huid opent.

Ze zijn zo onvoorstelbaar goed, daar op het scherm.

Een niet te vermijden liefde.

Het gewicht van de tijd. En hoe ze toch de huid niet kunnen veranderen.

(De film doet iets in je lichaam zinderen. Tegelijk zou je soms gewichtloos willen zijn, niet de pijn voelen, terwijl je probeert zo onopvallend mogelijk te draaien in de zetel, tot je weer even goed zit.)

Hun ogen. En alles wat ze zien.

Ik laat je vrij. Die woorden.

Wat is verlossing?

Het is ontroerend, mooi en verscheurend. Hoe ze kijken naar die liefde.

Het haalt je overhoop.

Je doolt door de stad, recht naar huis.

Je kijkt naar je handen.

Je huid weet wat je wist, wat je zou kunnen weten. En toch verdwaal je ook een beetje.

Tot de dag zich neerlegt.

04 augustus 2016

Die andere Heimat

De box lag al zo lang te wachten. Nu leek het moment daar, om een of andere reden.

Dat hele universum van Heimat, zoveel uur film, het blijft een wonderlijke herinnering. Niet dat je je alle verhalen nog kunt herinneren. Niet dat je het zou kunnen navertellen. Maar je herinnert je nog wel hoe je al die uren zat te kijken, dagenlang eigenlijk. (Met een boek is het soms ook zo. Je herinnert je jaren later nog dat je het las, hoe je je voelde terwijl je het las, maar je zou het niet kunnen navertellen. Tot je het op een willekeurige bladzijde openslaat en meteen enkele zinnen lijkt te herkennen.)

En hoe je nadien weer voelt hoe diep dit verhaal je heeft ontroerd, hoe het onder je huid is gekropen.

Chronik einer Sehnsucht. Dat is de ondertitel.

Over het verlangen naar een ander leven. Een leven dat zich zou kunnen afspelen op een ander continent. Iets over weggaan om te kunnen blijven, en blijven om in je hoofd weg te kunnen gaan. Iets over ingehouden dromen. Iets over alles wat je niet aan mag raken. Iets over ergens geworpen zijn en over vrijheid.

Het bezwerende ritme van die beelden. Zwart-wit, met af en toe een kleur. Traag en breed, en tegelijk beweeglijk, maar op een niet uit te leggen manier.

Je voelt de hele tijd dat het een film is. En tegelijk is het alsof je heel erg dicht komt bij iets van toen, in dit geval de 19de eeuw, in dat kleine Duitse dorpje. Hoe ze bewegen, hoe ze elkaar niet aanraken, hoe alle details van de omgeving kloppen.

Dat herinner je je nog wel, hoe je met die films begon mee te ademen. Hoe je ook dichter bij iets kwam, al zou je niet uit kunnen leggen wat dat dan wel zou zijn.

(Misschien ga je dat op een bepaald moment missen, het gevoel deel te zijn van iets.)

En denken: ik zou willen dat veel mensen dit zouden kunnen zien, dat ze deel zouden kunnen zijn van.

Je ziet een interview met de regisseur, en hij spreekt zelf over Heimat als iets dat een mythe geworden is. En misschien klopt dat wel.

Je ziet interviews met de verschillende acteurs die de  hoofdpersonages spelen, en je voelt tranen van ontroering. En ook nu weet je weer niet helemaal waarom eigenlijk. Of misschien toch wel.

Hoe je altijd bij al die films een gevoel had van iets dat buiten de tijd was, en net daardoor iets over de tijd kon zeggen. Iets over hoe de tijd werkt, misschien.

Heimat is een plek. Een plek is een weefwerk van verhalen.

Misschien is het dat diepe menselijke verlangen. Het verlangen naar verhalen. De mens is een verhalen vertellend wezen.

Soms kun je verlangen naar verhalen, zo dat het pijn doet, dat je het in je huid voelt. Je zou niet kunnen zeggen wat dat is, maar dat geeft niet. Je kunt denken aan de verhalen, en je kunt ze al bijna zien, ergens in je hoofd. Zoals je aan iemand kunt vragen: vertel eens een verhaal. Of dat zou willen kunnen vragen.

Misschien is een droom ook een verhaal. De ene broer in de film, hij leeft van de droom. Hij leest over de talen van de indianen. Het is het geheime verbond met dat ene meisje. Hij vreesde haar kwijt te zijn, maar eigenlijk is ze er nog, is ze nog gebleven. Zij vertrekt, hij blijft. Misschien is het beter voor zijn droom dat hij blijft, om iets van het weggaan, van de droom, te kunnen behouden. En zij blijven.

Geheimen, het onmogelijke dat mogelijk wordt. (De andere dag dacht je het nog, toen je die fotograaf bezig zag met die twee onwennige mensen. Je vroeg je af wat jij zou gedaan hebben, en je dacht dat je hun zou vragen: vertel elkaar een geheim. Om te zien wat het met hun ogen zou doen.)

De film raakt iets van een verlangen. Misschien is dat het.

09 november 2013

Fare thee well

Wat een wonderlijke, mistige film.

Alsof je in die hoes binnenwandelt. Van de zanger die nog moest doorbreken in 1961. Van de zanger die daar met zijn vriendin door de straten van New York loopt.

Het valt je op dat het zo vaak voorkomt in de liedjes in de film: fare thee well.

Er is iets met die woorden.

Misschien ben je altijd onderweg. Met no direction home.

En de dag later luister je naar de plaat. Met die liedjes. Je wilt ze telkens opnieuw horen.

Je bent niet zo goed in afscheid, denk je. Misschien ben je beter in novemberregen.

What are you doing? Dat staat ergens op een muur in die film. Zo naakt is die vraag. Ze kan je overvallen ergens diep in een nacht.

Je kunt jezelf verliezen, ergens onderweg. In die eindeloze reis, on the road.

Je kunt elkaar verliezen, ergens onderweg. Even toch.

Ook Queen Jane duikt op in een van de liedjes. Ze dwaalt altijd ergens, door het labyrint van jouw gangen.

Er is ook november in de film, denk je.

Soms wil je ver weg blijven van de woorden. Soms doemen ze zomaar op. Soms zou je er in een wijde boog omheen willen gaan. En alles door je handen laten doen.

Misschien is dat de plaats waar de liedjes komen.

En de nachtelijke rit. Mist en sneeuw. (En een kat ook.) Je probeert wakker te blijven. (Net als in de filmzaal.) Misschien slokt de nacht je op. Je weet nog niet of je aan de andere kant van het donker zult komen. Je kunt alleen blijven rijden.

Soms probeer je met één hand de nacht op afstand te houden.

Tot het licht wordt.

De zanger van die hoes doolt door de coulissen van de film, zo voelt het. Hij is ergens, hij nadert.

Tot hij op het einde op het kleine podium plaatsneemt. Fare thee well, dat zingt hij.

Je begint in je hoofd te rekenen hoe oud hij was toen. En je denkt aan jongens van die leeftijd.

En morgen zul je die jongen nog eens in het echt zien. Daar, in de verte, op het podium. Hij is nu een oude man geworden. Al heeft hij nog iets van toen.

Zou Queen Jane er ook bij zijn? Je hoopt altijd dat ze zal komen, zomaar.

Even zal je denken aan dat kleine podium in die kleine club. En aan Fare thee well.

30 december 2011

Een geluid

Je had misschien stiekem gehoopt dat na de kerstkooporgie alle straten verlaten zouden zijn. Je zou kunnen ronddolen in de grote leegte. Het is niet zo. Er zijn nog steeds erg veel mensen onderweg. Snel wil je weer weg, naar waar het stil is.

Op weg naar het station moet je nog drie dingen doen. Zoals steeds heb je veel te veel tijd gerekend, en sta je een half uur te vroeg op het perron. Dan maar even gaan zitten om de krant nog verder te lezen. De bank is van een soort metaal gemaakt denk je. In elk geval een materiaal dat zo snel mogelijk tot zo koud mogelijke billen leidt. De koude is van plan je hele lichaam definitief in te nemen, zo lijkt het wel. De trein komt net op tijd aan.

De bus rijdt door wat al donker is, op weg naar een station. Je ziet de dingen voorbij schuiven. Drie straten verder, weg van deze steenweg, woont een vriendin. Je zwaait heel even. Niemand heeft het gezien. Zij heeft het waarschijnlijk ook niet gemerkt, hoewel ze drie dagen later belt. Veel mensen zijn onderweg. Ergens naartoe.

De warmte verspreidt zich, en beweegt zelfs mee in de zetel. (Misschien zou het inderdaad wel een kleine dans kunnen zijn.) De film op het scherm neemt je helemaal mee. Hij brengt je nog even naar een andere film, die nog steeds zoveel herinneringen bewaart, en dat altijd zal doen. Dans, dans, anders ben je verloren. Je moet alleen maar kijken om die zin te begrijpen. Het is er allemaal, alles wat voorbij de woorden is. Onvermogen, pijn, aantrekking, en zoveel verlangen. De bewegingen zijn, ze zeggen niets over, ze zijn. En dat is de troost. Er zijn de verhalen, van zij die bewegen in die bewegingen. Ze zeggen iets over noodzakelijkheid. Over alleen maar dit, er kan alleen maar dit zijn, dat zeggen ze. Het maakt je stil, je kunt alleen even het hoofd buigen.

Je loopt door de gang. En daar is het geluid weer. Het geluid van een baby. Je blijft heel even voor de deur staan. Je zou hier nog een hele tijd willen blijven staan, maar je durft het niet. Alleen om het geluid te horen, en wat het met je doet. Gelukkig regent het buiten.

In je dromen zou je lichaam soepel en zacht worden. Dat was het plan, dacht je toch. De nachten zouden alles herstellen, ze zouden een daad van genade zijn. Je zou helemaal uitgedeukt door de kamer kunnen schrijden. Alsof je alleen maar beweging zou kunnen zijn, zonder die zwaartekracht. Dat was toch wat je gedroomd had.

Je hebt het al op alle manieren geprobeerd, het fietsen over dat stuk kasseien. Traag, iets sneller, snel. Recht of zigzag. In kleinere of grotere versnelling. Zittend of zwevend boven het zadel. Het maakt allemaal niets uit. Dit moet een plek van boetedoening zijn. Al weet je niet voor welke zonde.

Je hebt een boekenbon gekregen van die winkel. Je moet dus naar die winkel. Je komt niet graag in die winkel. Maar je neemt je voor dat van je af te laten glijden, en je enkel te concentreren op enkele mooie boeken die zich hopelijk toch in die winkel zouden kunnen bevinden. Je merkt het echter al na twee minuten. Wat een vreselijke winkel. Het is een winkel die pijn doet, om een of andere reden. Elke minuut maakt je meer verdrietig en leeg. Na lang zoeken heb je toch iets gevonden. Je hoopt nog even dat de verkoopster als compensatie voor dit alles een duizelingwekkend mooie stem of zo zal hebben, iets dat je even zou kunnen doen dromen, het maakt niet uit wat. Maar het mag niet zo zijn, zo lijkt het. Uitgeput kom je de winkel weer uit. Thuis zul je zo snel mogelijk alle etiketjes van de boeken verwijderen, zodat niets nog aan die plek kan herinneren.

Je had nog een ding op je werklijstje voor het oude jaar staan. Je sleept je er een beetje door, maar het voelt toch goed dat je alles wat je wilde doen ook hebt gedaan. Je krijgt niet genoeg van dat gevoel, en leest nog snel het boek uit waarin je deze week begonnen was. Af, klaar, uit. Het is alsof er iets gelukt is vandaag.

Ergens knaagt een onrust. Misschien kan ze geheeld worden. Misschien ook niet. Je weet niet of je het antwoord wel wilt weten.

Terwijl je staat af te wassen, fietsen mensen voorbij. Ze kijken naar binnen. Waarom voelt dit veilig? Je ziet ze graag voorbij fietsen. Je staat hier graag, terwijl het buiten donker is. Je denkt aan iets.

26 december 2010

Over het nut van cultuur

Merkwaardige tijden. Bij een aantal maatschappelijke groepen groeit weer de kritiek op het cultuurbeleid, en meer in het bijzonder op het ondersteunen met overheidsgeld van cultuur. Het debat wordt momenteel in Nederland nog scherper gevoerd dan bij ons, maar gelijkaardige echo’s zijn ook hier te horen, zeker in tijden van besparingen. “Waarom zouden we geld geven aan linkse hobby’s of aan initiatieven waar weinig volk naartoe komt?” In die ene zin zit te veel onzin om er in één keer op te reageren. Je zou meteen een tegenvraag kunnen stellen. Een aanzienlijk deel van ons belastinggeld gaat naar het voetbal, direct en indirect. Bekijk maar even de hoeveelheid geld die we blijkbaar bereid waren te investeren in het wereldkampioenschap. Persoonlijk interesseert voetbal mij totaal niet. Moet ik dan mijn geld terugeisen? Moet ik dan vanaf nu voetbal als een rechtse hobby gaan beschouwen? Hopelijk niet toch. Ik ken overigens ontzettend veel mensen die nooit naar het voetbal gaan. Zijn zij dan abnormaal of staatsgevaarlijk of zo? Ik heb er helemaal geen probleem mee dat er geld gaat naar voetbal. Ik zie het maatschappelijk nut in van het hele netwerk van amateurploegjes tot topclubs, en ik vind het heel goed dat zoveel mensen er heel actief mee bezig zijn. Misschien gaan er alles opgeteld per week wel meer mensen naar alle mogelijke cultuurvormen dan naar het voetbal, maar toch wordt nooit de vraag gesteld of het bestaan van elitaire vormen van sport (de topclubs) wel aanvaardbaar is. Terwijl de meeste kunstenaars helemaal niet zo rijk zijn, worden er heel wat minder vragen gesteld bij de vaak exuberante lonen van topvoetballers.

Er zijn best heel wat nuttige en nodige discussies te voeren over cultuurbeleid. Het moet altijd mogelijk zijn om een kritisch debat te voeren over welke cultuuruitingen op welk moment meer of minder steun verdienen. Mensen die in het brede veld van de cultuur werken moeten zichzelf geen goddelijke status geven en alles wat ze zelf doen als onaantastbaar of per definitie ‘onbegrepen’ beschouwen. Het kan heel zinvol zijn ook in de cultuursector aan wat bomen te schudden en gevestigde belangen in vraag te stellen. Dat is allemaal geen probleem, integendeel. Maar in de huidige enge discussie over het (economisch) ‘nut’ van cultuur wordt soms te weinig gesproken over de ‘waarde’ van cultuur, over de redenen waarom cultuur zo onmisbaar is, zo essentieel voor wie we als mens zijn en kunnen worden, en zo onvervangbaar voor een levende gemeenschap. Het is geen toeval dat in dictatoriale regimes of in autoritaire ideologieën vrije en creatieve kunst gewantrouwd wordt. Wie vindt dat kunst vooral dienstbaar moet zijn aan de eigen waanbeelden van de ‘juiste’ gemeenschap of de enige ‘waarheid’ over wie we zijn en moeten zijn, zal uiteindelijk geen probleem hebben met de verbranding van boeken. Wie de verbeelding wil aanpakken, doet in wezen niets anders dan te proberen de gist uit het deeg te halen dat tot het brood zal leiden.

Misschien wordt het tijd dat er meer, door mensen uit de cultuursector en door cultuurliefhebbers, in positieve termen wordt uitgelegd waarom cultuur zo onmisbaar en wezenlijk is. Misschien is dat nuttiger dan enkel te praten over wie wel of niet zoveel subsidies mag krijgen, want daarmee aanvaard je impliciet het (economisch) kader waarbinnen het huidig debat gevoerd wordt.

In de weekendkrant enkele mooie interviews, die het ook hebben over cultuur. In een rondetafelgesprek over cultuur zegt een kunstenares het volgende: “Ja, men moet zich de vraag stellen waarom cultuur essentieel is. Een maatschappij zonder cultuur is als een maatschappij zonder natuur: die is dood. Cultuur is even levensnoodzakelijk als licht, lucht, voedsel, warmte.” Compacter kan het eigenlijk niet gezegd worden. Je hoort het alleen zo weinig.

Als je met die instelling naar cultuur kijkt als was het een ecosysteem, dan wordt het ook gemakkelijker om de populistische kritiek op de zogenaamde ‘elitecultuur’ te weerleggen. De topvoetballer, die de edele kunst van het voetballen tot ongekende hoogten heeft gebracht, en daar alles voor opzij heeft gezet, is ook een rolmodel voor het kleine jongetje of meisje dat elke week naar de voetbaltraining gaat en door weer en wind over het hobbelige (en in hun geval niet-verwarmde) terrein holt. Voor de relatie tussen de topkok en de amateurkok geldt hetzelfde. Het is niet anders in de muziek of het theater. Doordat er topkoren en –orkesten bestaan kun je horen hoe muziek kan klinken, wat ze in zich heeft. Door het feit dat concerten al bij al zeer toegankelijk zijn in ons land, door het feit dat heel wat muziekopnames relatief goedkoop te krijgen of te ontlenen zijn, door het feit dat je op de radio zomaar de hele dag al die wonderlijke muziek kunt horen, kunnen mensen ook gaan dromen, kunnen ze zich verbeelden dat ze zelf ook de cello zouden kunnen bespelen. En ook al worden ze misschien nooit die topmuzikant, het zal hun leven verrijken, ze kunnen op hun manier delen in het wonder. Doordat er mensen zijn die de kans kregen een degelijke muziekopleiding te volgen, zijn er ook ‘doorgeefluiken’. Ze worden misschien dirigent in de lokale fanfare of het kerkkoor, en kunnen zo andere mensen inspireren en onvermoede talenten in zichzelf leren ontdekken.

Het argument dat cultuur er alleen maar is voor hoogopgeleiden of voor de hogere middenklasse is al helemaal onzin, en eigenlijk ook heel gevaarlijk. In een goed cultuurbeleid komen op de podia van bv. een stad alle cultuuruitingen aan bod, van Will Tura tot Rosas. Goede participatie wil niet zeggen dat in elke voorstelling elke bevolkingsgroep procentueel even sterk moet vertegenwoordigd zijn als in de maatschappij. Het wil wel zeggen dat iedereen naar alle cultuuruitingen zou moeten kunnen gaan. Wie zegt dat de opera vooral voor rijken is, en dus minder steun moet krijgen, zegt daarmee impliciet dat opera alleen maar voor rijken zou mogen zijn, dat al wie niet rijk is, niet zou mogen kennismaken of genieten van opera. En dat is pas een perverse redenering. In een goed cultuurbeleid wordt iedereen uitgenodigd om kennis te maken met alle cultuurvormen. En net zoals je moet leren om naar de natuur te kijken, is het niet fout om te leren hoe je moet kijken naar kunst. Cultuur gaat in wezen altijd over het op een bepaalde, soms dwarse, soms verrassende of verstorende manier kijken naar de werkelijkheid, waardoor een heel eigen werkelijkheid ontstaat. Toen Monet zijn eerste impressionistische schilderijen maakte, betekende dat een schok in de geijkte vorm van weergeven van de werkelijkheid. Maar die schok was nuttig en nodig, ze deed ons anders kijken. We kunnen ons nu niet meer voorstellen dat Monet er niet geweest zou zijn. Toen Bob Dylan zijn Like a Rolling Stone uitbracht, sloeg dat nummer in als een bom van rauwe muzikale kracht. Je kunt de hele moderne muziek niet indenken zonder dat ene nummer, ze zou anders geweest zijn. Dylan vatte iets van de werkelijkheid van toen, maakte er zijn eigen werkelijkheid mee, en nog steeds, zoveel jaar later, kan dat lied als een pletwals over je heen gaan. Je zou ook zelf iemand anders zijn als je die muziek nooit gehoord had.

Hoe onmisbaar kunst kan zijn, wordt uitgedrukt in een ander interview in dezelfde weekendkrant. De vrouw van een voormalige premier en bovenal zangeres met een wonderlijke stem in een prachtig koor zegt het zo: “Muziek heeft zin gegeven aan mijn leven, heeft me verzoend met de weemoed van het menselijk tekort dat er altijd is.” Ook dat kan nauwelijks mooier worden samengevat. Of het nu muziek is, of literatuur, of theater, of film, of dans, of beeldende kunst, of welke vorm dan ook, het kan je leven veranderen, ten diepste. En als je voor jezelf zo enkele momenten zou nagaan, dan zou je het ook snel beseffen.

Ik herinner me onder meer nog perfect waar en hoe ik voor het eerst Van Morrison zijn And the Healing Has Begun hoorde zingen. Het was alsof er in mijn hoofd een luik open ging naar een wereld die ik nog niet kende, maar waarvan ik meteen voelde dat ik die niet meer kon missen. Ik moet alleen maar even mijn ogen sluiten om te voelen hoe verpletterd en tegelijk innerlijk vredig ik elke keer weer ben als de eerste noten van het slotkoor van de Matthaüs-Passion van Bach weerklinken. Ik zou me niet kunnen voorstellen dat ik nooit die eerste noten van de Goldbergvariaties zou gehoord hebben. Ik weet nog exact waar ik was toen ik voor het eerst de muziek van Arvo Pärt hoorde, en elk beeld van toen zal altijd bij me blijven. Ik herinner me nog hoe desolaat ik me voelde na het lezen van Disgrace van Coetzee, en even goed herinner ik me de tranen bij de film Paris Texas.

Al die dingen zijn er, en ze kunnen je leven ongelooflijk veel rijker maken. Ze kunnen je verzoenen met het leven, met de zinloosheid en de leegte van elke dag. Omdat er door de eeuwen zo oneindig veel kunstenaars geweest zijn die als het ware de wetten van de zwaartekracht van de tijd hebben uitgedaagd, en dingen hebben gemaakt die de vergankelijkheid overstegen, kunnen wij steeds opnieuw ook de kluisters van tijd en ruimte overstijgen en deel worden aan een andere werkelijkheid.

Kunst moet niet ‘dienstbaar’ zijn, cultuur moet niet weggezogen of gesaneerd worden tot grijze middenmoot, en het moet al evenmin ‘onschadelijk’ gemaakt worden. Overheidssteun op zich kan nooit goede cultuur garanderen. Er zijn altijd mensen voor nodig die de moed hebben om in hun verwondering te duiken, en bereid zijn daarvoor veel op het spel te zetten. Alles van waarde is weerloos. Een kwetsbaar natuurgebied verdient het beschermd te worden. Het mag evenwel nooit geïsoleerd worden, het moet verbonden worden met een ruim netwerk van natuurelementen. En ook als er weinig mensen zijn die poëzie lezen blijft het nodig dat die poëzie verschijnt en beschikbaar blijft. Een mooi gedicht is uit zichzelf al een daad van verzet.

De wereld zou er anders uit zien als niet, eeuwen geleden, een toneelschrijver zijn tragische prins de volgende woorden had laten uitspreken: “The rest is silence.” We hebben die woorden sindsdien gekoesterd, en telkens opnieuw uitgesproken. Daardoor hebben telkens nieuwe generaties via de tragiek en de schoonheid op het toneel de tragiek in zichzelf ontdekt en de troost die van de schoonheid uitgaat. Als we dat niet hadden gedaan, zou er inderdaad alleen maar stilte overblijven…

14 november 2010

Voorlezen

De film blijft door je hoofd gaan. Je ziet de ogen van de vrouw in die film. Hoe ze vraagt aan de jongen om voor te lezen. Hele boeken, en wat het met haar doet. De geschiedenis komt ertussen, of was er al, maar verzwegen. De geschiedenis duwt hem in de verwarring. Zij draagt haar lot. En zoveel jaar later vraagt ze het hem opnieuw. Hij aarzelt, hij gaat niet in op haar vraag, hij wijst ze misschien wel af. Hij wacht alleszins. Te lang, het is te laat. Zoveel onvermogen.

Maar de woorden, zij zijn het terrein tussen hen. De woorden maken de weg vrij voor hun lichamen, zo wordt het. De woorden die voorgelezen worden. De woorden die niet uitgesproken worden duwen hen ook uit elkaar.

Zij heeft meer schuld aan de geschiedenis, zo blijkt. Maar zij heeft minder schrik om haar verantwoordelijkheid te dragen. Wat te doen? Hij weet het niet, hij wacht.

De film gaat over zoveel meer, maar er is ook het voorlezen. Je beseft het bij het zien van de film. Wat het kan zijn. Misschien laat je de magie soms wel gewoon aan je voorbij gaan. Misschien mis je zoveel kansen.

Misschien moet je het aan iemand vragen: mag ik dit verhaal voor jou voorlezen? Misschien moet je eerst lang oefenen, om je eigen drempelvrees te overwinnen. Om te wennen aan een verhaal met jouw stem. Om te durven vertellen. Om het reliëf te aanvaarden en te zoeken.

Misschien moet je durven toegeven aan het verlangen, en aan iemand vragen: wil jij dit verhaal voor mij voorlezen?

Je mag geen schrik hebben van de tijd, bij het voorlezen. De dingen moeten hun tijd hebben. En je stem moet dat ook weten. Je moet de spanning erin houden, maar ook de tijd. Niet sneller lopen dan nodig. Misschien is dat nog wel het moeilijkst.

Misschien ben je bang van de veiligheid die uit kan gaan van het voorgelezen worden. Van het verlangen dat erin besloten kan liggen.

Het verrast je zo vaak. Je las een verhaal of een boek of een gedicht al eerder. Je zag het voor je ogen. Tot je hoort hoe het voorgelezen wordt. En ineens is er zoveel meer.

Misschien wil je je steeds opnieuw verliezen in een verhaal, omdat je zonder verhalen verloren zou zijn.

Soms doe je het als je alleen thuis bent. Bijna stiekem. Een stuk van een verhaal hardop voorlezen. Je kijkt eerst even om je heen, om te zien of er wel zeker niemand is. Waarom eigenlijk? Wat zou er te verbergen zijn?

Misschien ben je bang dat wie luistert niet bereid zal zijn om het verhaal via jouw stem tot zich te laten komen.

Bij het voorlezen moet je naar je adem kijken. Je moet het ritme zoeken, daar waar adem en verhaal zich tot elkaar verbinden.

Misschien zou je het wel willen kunnen. Mooi voorlezen.

Je hebt enkele keren geroepen naar het scherm, tijdens de film. Je had zo graag gewild dat hij iets gedaan had. Wat hij telkens niet deed. Misschien kon hij niet anders, misschien kon zij niet anders.

De film zal nog even bij je blijven. Misschien zul je het wel een keer proberen, diep in de nacht, om een verhaal voor te lezen. Alleen voor de nacht. En voor iedereen die het ergens daarbuiten in de wereld zou kunnen horen. Om iets terug te geven aan de verhalen.

13 december 2009

Een heldere ster


Hoe het je uit elkaar kan scheuren. Ingehouden en overweldigend. Hoe moeilijk het is om de beelden in woorden te beschrijven zonder ze onrecht te doen. En dat terwijl de woorden in het verhaal zo’n grote rol spelen. De noodzakelijkheid van een gedicht, en de noodzakelijkheid van een liefde. Een verhaal verteld in strelende beelden en fragmenten, niet in hoofdstukken.

Hoe je sprakeloos en verward weer de straat op komt. Daar is het koud. De winter is van plan zich even te laten horen.

Soms komt de warmte snel weer in je lichaam, soms lijkt het eeuwen te duren.

Soms ben je verbijsterd door zoveel schoonheid. Het slaat je met nederigheid. En je zou willen weten of je ooit die plek kunt benaderen waar schoonheid ontstaat. Je zou willen voelen wat er in je handen zou gebeuren, daar. Je zou de demonen willen zien die je achter je moet laten om daar te komen.

Misschien is het goed om schrik te hebben van de winter. Bij de eerste koude is het misschien goed om even het hoofd te buigen. Je weet wat er zou kunnen komen. Het duurt even eer je rust vindt in wat onvermijdelijk is. Na een tijd zal het anders zijn. De koude is gewoon geworden, en je kijkt naar het licht. Je houdt de ochtenden in het oog. Eens voorbij het kantelpunt. Je weet dat je plots zult merken dat het februari is geworden. En het licht dat daarbij hoort. Maar nu is het nog niet zo ver.

Soms wil je oefenen, terwijl je de trap op loopt of tussen tafel en aanrecht beweegt. Je zou een beweging willen vinden waarin alles van je af zou zijn gevallen. Om alleen daar nog maar te zijn.

Dromen van een grote tafel. Ooit zal ze er zijn, dat is het plan toch. Je ziet ze in het licht. Je zou eraan kunnen zitten, en naar buiten kijken. En voelen hoe daar iets een rustpunt heeft gevonden.

Iets van de kleuren uit die film blijft hangen. Al zou je niet meteen kunnen zeggen wat. Dat ze teder zijn misschien.

Er hangt een afscheid in de lucht. Het beweegt in je poriën. Het zal zijn plaats langzaam vinden.

Een extra paar dikke sokken. Eerst beschermen ze je, waar het koud is. Tegen erger. En later zorgen ze voor gloed, waar het warm is.

Trage rituelen, ze horen bij de laatste dag van de week. Opruimen om je klaar te maken, en straks met een diepe buiging iets af te sluiten. Zou de nacht de winter van de dag zijn? Er is misschien evenveel moed voor nodig. Je kunt niet anders dan je overgeven. Misschien kun je dat leren.

Als de anderen in de filmzaal verder weg zitten is het gemakkelijker om te wenen.

Het verlangen naar warm eten dat nog moet gemaakt worden. Hoe het je zal vullen en misschien wel warm houden.

Er is een stilte die enkel bij dit nu kan zijn.

Je zou het verhaal willen delen. Je zou willen zeggen: ga ook kijken, raak het verhaal aan.

Het duister heeft geoefend voor dit moment van het jaar. Het heeft zichzelf opgeladen. Een heldere ster zou goed zijn. En ook genoeg.

29 juli 2009

Ongenade


Met een beetje aarzeling ga ik de filmzaal in. De film naar het boek dat me zo overhoop haalde. Misschien is het angst voor een mogelijk mindere verfilming. Waarschijnlijk is het evenzeer angst voor het verhaal zelf. Vanaf het eerste moment is het duidelijk dat de film goed zit. De angst verdwijnt niet. De film blijft dicht bij het boek, en dat is goed. Motieven en thema’s versmelten en weerspiegelen elkaar. In steeds nieuwe bewegingen. Ze geven je nooit de kans om te ontsnappen. Er is geen veilige route die jou zal kunnen sparen. De toon blijft afstandelijk, maar niet minder aangrijpend. Er zijn geen effecten, de gebaren zijn klein, waardoor ze groter worden. De woorden lijken zo eenzaam. Het snoert je dicht en laat je zonder troost achter.

Weer een te korte nacht. Raar hoe sommige gesprekken met uren vertraging in je lichaam woelen. Soms is het alsof er een diepe grondlaag is, ergens in jou. Het is daar dat je iets van de ultieme verbondenheid of liefde kunt voelen. Het overvalt je. Het kan je nog lang doen natrillen. Maar ook daar kan op een ander moment iets anders je raken. Ook al probeerde je in dat geval om die deur niet open te zetten. Je voelt het pas nadien. Het kruipt door je heen en maakt je wankel. Misschien is het een verlangen naar iets wat goed is, en lijkt het even alsof het niet zo is. Het is niet anders te zeggen. Even ben je de weg kwijt. En nog iets later dus ook de slaap. Het is weer enkele dagen wachten om het er weer uit te laten spoelen.

Als je nog beter wakker was geweest, zou de tuin nog mooier geweest zijn. Hij heeft iets hoekigs. Sierlijk kun je hem niet noemen. Zo’n tuin zou niet uit dit lichaam kunnen komen waarschijnlijk. Fors en intens groen omringt je hier. De muren lijken erdoor te verdwijnen. En hier kun je zitten. Met een boek dat veel aandacht vraagt. Wonderlijke filosofische essays. Over literatuur, woorden, leven en dood. Soms ben je even te moe om alles goed op te nemen. Dan is er een appel. Of even wat klimop bijknippen. Je bent nooit alleen in de tuin, ook al ben je er alleen. Anderen hebben een lijn die ze zien in hun tuin. Ze begrijpen waarschijnlijk hoe dat leven beweegt. En ze hebben dat ook in hun vingers. Hier is er meer falen ongetwijfeld. En toch lijkt het soms alsof de tuin zich met jou verzoend heeft. Misschien zijn je armen te kort, zoals trouwens ook in de rest van de wereld buiten deze tuin. Misschien spreek je een andere taal. Misschien kun je alleen met woorden onder je huid deze tuin in komen. Misschien is het niet anders. En toch lijkt het alsof de tuin het niet zo erg vindt.

Het denken na het poetsen is anders dan het denken tijdens het poetsen. Tijdens blijken er nieuwe lijstjes op te doemen. Van wat nog zou moeten, na nu, ooit dus nog. En wat in welke volgorde wanneer zou kunnen aangepakt worden. De minder prettige eerst, natuurlijk. Je krijgt niets zomaar voor niets. Maar na is het anders. Na is er eerst al het liggen. Onvermijdelijk na. En dan komen de beelden. Hevige beelden die bij de zomer horen. Ze schuiven door elkaar. Ze komen gewoon. Allemaal zijn ze verbonden met deze plek in een zomer. Na een tijdje bewegen ze trager en is er heel even iets wat op dutten zou kunnen lijken. In en uit waden.

Iemand zei onlangs nog iets over je handen, over hoe ze bewegen. Zou het zo zijn? Wat zijn de dingen die zeker zouden moeten gebeuren met die handen? Naast andere was er ook het hout. Je kijkt naar het kastje dat nu naast je staat. Jouw handen hebben het gemaakt, op artisanale wijze, zou je kunnen zeggen. Je ziet het kastje dat het had kunnen worden, als er enkele machines of andere hulpmiddelen waren geweest. Nu lijkt het hout dat naar een kastje verlangt. Hij zou het resultaat niet helemaal overtuigend gevonden hebben. Eindeloos recht had alles moeten zijn. En met penverbindingen, ongetwijfeld. En wat nog allemaal. Zelfs met deze handen had je het zeker nog veel beter kunnen maken. En toch lijkt het alsof het kastje het niet zo erg vindt. Er gebeurde iets, in die kelder, tijdens het zagen en meten en passen en schroeven. Alles liep door, in eenzelfde beweging. En even kwam er een rust in je handen. Alsof ze een van hun bestemmingen gevonden hadden. Ook de andere zouden ze ongetwijfeld uit duizenden herkennen. Maar nu was er het hout. Je zou willen zeggen dat het goed genoeg is, en je denkt dat het niet goed genoeg is. En je zegt dat het goed genoeg is, voor nu toch. Het zijn jouw handen, die ergens in zich nog andere handen dragen. Maar dit keer zijn het de jouwe die voorop lopen.

14 juni 2009

De omarming


Het is dan toch gelukt. Helemaal alleen in een grote filmzaal zitten tijdens de vertoning. Alle beelden op het scherm, alle mensen in het verhaal, ik ben de enige die ze ziet.

Hoe fataal en hoe onvermijdelijk kan de liefde zijn?

En de kleuren. Alleen al daarom zou je komen. Te kunnen bewegen en leven tussen zoveel kleuren. Zou het kunnen? Stel je voor. Je zou de contouren van het verhaal kunnen zien. Je zou anders ademen, je zou anders aanraken. Zou je ook kunnen staan op het zwarte strand en alleen je eigen kleuren overhouden?

Blind zijn en meer zien. Met tastende vingers. En toch. Een universum waar zij niet meer in is mag niet gezien worden. De ene ik is gestorven, de andere neemt de plek in. Teruggetrokken in de woorden, de beelden zijn nog in het hoofd. Hij kan ze horen.

Een film moet je afmaken. Het verhaal moet verteld worden. Het is de enige bestemming.

Hoeveel eeuwigheden wonen er in die vrouw?

En thuiskomen in de muziek. Ze roept herinneringen op. Een andere film is heel even dichtbij. Die schuift voorzichtig de zaal binnen. Om plaats te nemen ergens naast me. Zolang het donker blijft in de zaal.

Alle foto’s zijn verscheurd. Een zak vol. Maar ze zijn er nog. Ze zouden terug kunnen samengevoegd worden.

Moeders en dochters. Moeders en zonen. Vaders en zonen. Zoveel spiegels.

Kun je weggaan? Kun je iemand bezitten? En waarom kun je niet blijven?

De zoon leidt de vader door de ruimte. Eerst de trap af. Daarna het strand op. En ten slotte de stad door. De vader leidt de zoon door het verhaal.

Schuld en schaamte, wraak en wroeging.

Wat is ze mooi… Ze wordt mooier met de jaren.

Ik las dat ze voor deze film moest leren hoe ze moest doen alsof ze aan het koken was, want dat kan ze niet. Kan een tomaat er nog intenser uit zien?

Soms is het alsof alles aangeraakt is. Het is het enige wat je zou doen als je naast hen zou staan daar. Aanraken. En kijken natuurlijk.

De waarheid gaat door het oog van een camera.

Je kunt schuilen achter schouders.

Zou een film meer geconcentreerd tot je komen als je alleen in de zaal zit? Zou het anders zo zijn dat alle symbolen, alle gebaren, alle verlangens meer gespreid zijn over velen, waardoor ze minder intens worden? Zouden veel ogen in een zaal iets van de kleuren opslorpen, waardoor er minder zou overblijven voor wie achteraan in de zaal zit? Ongetwijfeld.

03 januari 2009

Hoe kalm


Hoe zal het zijn, de film van het boek waar je zo van hield? Een lichte angst neemt het over. Misschien wil je de beelden liever niet zien. Misschien wil je de beelden in je hoofd voor jezelf houden. Ze niet leggen naast de beelden die je zult gaan zien.

Pas door de film te zien, zie je wat je in je hoofd ziet. Zo is het ook. Je leest veel meer details dan een film kan laten zien. En tegelijk heeft het beeld in je hoofd bij het lezen veel minder details. De personages zijn zoals je ze zag in je hoofd, ongeveer toch. De school ziet eruit zoals je dacht. Het parkje ook. Maar de omgeving is veel voller. En er zijn meer kleuren dan in je hoofd. Zou dat willen zeggen dat je leest in zwart-wit? Of zou je hoogstens tot aan enkele pastelkleuren komen? Om geen fellere kleuren te riskeren naast de woorden? Zou je een landschap bij het lezen zien als een podium bij een toneelstuk in een theater, met alleen die attributen die nodig zijn? Alsof de rest van de wereld is weggegomd?

Hoe blijft een boek in je hoofd hangen? Je kunt iedereen zeggen dat je dat boek zo mooi vond, tot ze vragen om te vertellen wat er gebeurt in het boek. En het is er niet meer. Je weet nog hoe je je voelde tijdens het lezen van het boek. Je weet nog hoe je niet wilde stoppen met lezen. Maar al die fragmenten, waar zijn ze naartoe? Tot je weer in het boek zou gaan kijken, en je merkt dat je hele passages nog herkent, dat je weet welke zin zal volgen na de zin die je leest. Zodra je het boek weer sluit, is het weg. Misschien openen de beelden van de film het boek opnieuw. Je weet weer wat het personage dacht op dat moment in het boek, ook al zie je het niet in de film.

Je kunt jezelf niet ontboeken tijdens de film. De woorden hebben iets in je huid gegrift. Het laat zich niet voelen, meestal, maar het is niet weg, nooit meer weg. Je kijkt naar de beelden, en je ziet soms de woorden. Ze verschijnen op het scherm, tussen jou en de film in. Soms is het alsof je je daardoor veiliger voelt, met meer kleren klaar voor de koude. Soms zou je willen dat je ogen naakt zijn, zonder woorden.

Je weet nooit wanneer je zult geroerd worden. Zodra je binnen zit, komen de zinnen terug. Je weet wat er waarschijnlijk zal komen, en je vermoedt dat dat of dat een moeilijk moment zou kunnen worden. En toch is het anders. De eerste tranen kunnen al binnen de eerste tien minuten komen.

Het is een mooie film. Hoe zou je dat verder uitleggen als iemand het zou vragen? Zou je niet iets zeggen over het boek, zonder dat je het beseft? Wat te zeggen als er gevraagd wordt of je het boek of de film verkiest? Wat ook gebeurt, nog voor je de filmzaal uit bent. En hoe onbeholpen je je dan voelt.

Nooit goed geweest in snel iets zeggen na een film. Sommige mensen kunnen dat, of doen dat. Onmiddellijk is er een mening klaar. Het voelt altijd verkeerd aan. Als je je langzaam overgeeft aan iets dat jou inneemt, dan kun je enkel heel langzaam terugkomen naar de normale wereld. Misschien kunnen andere mensen dat beter. Of het te geloven is, is niet zo duidelijk. Misschien is het beter om alleen naar de film te gaan. Misschien is het beter al donker buiten als je de zaal verlaat. Zodat je je nog even kunt hullen in de donkerte en maar langzaam naar het licht moet gaan. Zou dat ook willen zeggen dat woorden bij het licht horen?

Een zin in een bespreking van een boek in de krant. Dat je jezelf altijd meer identificeert met een personage dat iets is dat jij zou willen zijn, liever dan met een personage dat is zoals je bent. Soms betrap je jezelf erop, dat je je afvraagt wat jij zou doen. En meteen is het alsof je iets doet wat niet mag, want je zou alleen maar mogen kijken. Misschien is het wel niet zo erg. Misschien mag je verdwijnen in de ruimte van het verhaal. Maar is dat dan meer in het boek dan in de film, of omgekeerd? Of is dat enkel in de ruimte die het verhaal in jouw lichaam heeft ingenomen, met de kleuren en de woorden zoals ze enkel daar zijn?

Het is goed zo. Dat kwam na het lezen van het boek. Het is goed zo. Dat kwam na het zien van de film.

01 mei 2008

Modigliani


‘Ik zat daar, en ineens was het er weer. Ik had het kunnen weten. Ik wist het eigenlijk ook wel. Het kwam terwijl ik zat te praten. Alsof die woorden me opspanden. Het duurde lang eer het weer weg was. En eigenlijk was het goed.’



‘Daar zat ik, de middelste stoel in de rij. Misschien ook wel de middelste rij. Met alle muziek is het zo, maar zeker ook met die cantates. Ze gaan weg terwijl je ze hoort. Eerst is je lichaam nog onrustig, hoort het nog bij de dag, bij het hollen. En dan begint die muziek. Eerst hoor je niets. En dan begint je lichaam te reageren. Je moet erop vertrouwen dat dat overgaat. En het gebeurt telkens weer. Alleen de muziek blijft over. Of ook niet. Ze verdwijnt. Je hoort ze, je ziet ze voor je, en je zou nog eens goed willen kijken, maar ze is al weer weg. Maar daar waar ik zat, kon ik alles goed zien. Zij stond recht tegenover waar ik zat, die mooie alt. En ik ben er zeker van dat ze recht in mijn ogen keek. Het kan niet anders dan dat ze me gezien heeft. Die violiste ook trouwens, maar dat is een ander verhaal. Ze zeggen wel eens dat je op zo’n podium helemaal niets ziet, door de lampen, maar dat geloven we even niet.’



‘Ik had nog net een van de laatste stoelen denk ik. Er was zoveel volk. Ze stonden rondom mij. Zien kon ik weinig of niets. Alleen de woorden kon ik horen. Na elk stukje ging er een golf van tranen door de ruimte. Je kon er zo mee in schuiven. En dat deed ik dan maar ook. Het is raar hoe verdriet zich mengt met verdriet in je hoofd. Je zit er voor het ene, maar het andere komt er ook bij, en je schaamt je er een beetje voor. Misschien geeft het wel niet. Je hoort de verhalen. Er is zoveel leven in het leven soms, je merkt het pas als het er niet meer is. De verhalen proberen het tegen te houden. Ze maken je klein. Je kunt alleen kijken naar die mensen die zo innig verbonden zijn met dat verdwijnende lichaam dat ze proberen te stutten met hun verhalen. Je ziet hoe ze hun eigen fragmenten bij elkaar proberen te houden. Wat weet je eigenlijk van elkaar? De dood geeft je geen tweede kans.’



‘Er waren weer veel dromen. Mijn vader was er ook weer bij. Ik zat met hem in de auto. Waar we naartoe gingen weet ik niet meer. En jij was er ook, in een andere droom. Er was een verkeersongeluk gebeurd. Pas na een tijdje begreep ik wat ik zag. Drie mensen waren er gekwetst, en jij was er een van.’



‘Ik zag haar, en wist dat ik haar kende. Uit een film. Over die schilder. De film kwam terug in mijn hoofd, maar niet de naam van de schilder. Het maakte me onrustig, want ik wilde de film helemaal kunnen volgen waar ik naar zat te kijken. Mijn lichaam was onrustig, want de schilder kwam niet terug. Dat was de tweede keer al diezelfde dag. De eerste keer was het de naam van een zangeres. En ook bij de schilder kon ik enkele van de letters van zijn naam zien. Ik zag de schilderijen. En ineens, op een onbewaakt moment was hij daar. Modigliani. Wat een onvoorstelbare opluchting. Even testen of ik de zangeres nog wist. Nina Simone, dat was ze.’



‘Daar zat ik. Waren de mensen maar allemaal netjes verdeeld over de ruimte. Met overal enkele meters tussen. Dan zou je rustiger kunnen wenen. Het was meer iets als geruisloos proberen te slikken en je lippen dichtknijpen. Waarom doe je dat eigenlijk niet? Wat maakt het uit?’



‘Ik hoorde haar verhaal en het raakte me. Het hoort bij wie we zijn, denk ik. Wie we zijn en geworden zijn, in dit deel van ons leven. Het zal alleen maar meer van dat zijn. Het is niet anders.’

23 december 2007

I'm Not There


Een film over de vele levens van Bob Dylan, zo wordt de merkwaardige film I’m Not There van Todd Haynes aangekondigd. Het is een schitterende film geworden, even verstorend en ongrijpbaar als Dylan zelf is.

Het opzet van de film is riskant, maar uiteindelijk een perfect idee: zes acteurs, waaronder een vrouw, spelen verschillende fases of verschillende aspecten uit het leven van Bob Dylan. Of uit levens van hem. Sommige stukken sluiten dicht aan bij wat er werkelijk gebeurde. Andere zijn dan weer verhalen die iets zeggen over het personage Dylan of over de wereld van zijn werk. Dat alles wordt uitgewerkt in een experimentele stijl, nooit rechtlijnig, nooit uitleggend.

Er is een zwarte jongen, die zichzelf Woody Guthrie noemt. Guthrie was een van de helden van de jonge Dylan. De jongen trekt rond, fabuleert zijn eigen afkomst bij elkaar, en zoekt ook de stervende Guthrie op in de kliniek. Er is een artiest die praat over Arthur Rimbaud. Er is een folkzanger die al snel genoeg krijgt van het gevoel gebruikt te worden voor een zaak die de zijne niet is. Hij wil geen icoon zijn, kan niet tegen het hokjesdenken in de zogenaamde tegenbeweging. Diezelfde zanger is later een born-again Christian, die als een dominee de mensen toespreekt. Er is een acteur die in een ingewikkelde relatie zit, die uiteindelijk stuk zal lopen. (Een mooie Charlotte Gainsbourg roept herinneringen op aan de pijnlijke scheiding tussen Dylan en Sara Lowndes.) Er is een outlaw die teruggetrokken leeft. Zijn naam Billy The Kid komt uit een film waarin Dylan ooit meespeelde, en waarvoor hij de soundtrack maakte. Hij lijkt ook iets weer te geven van het leven in Woodstock, waar Dylan zich jarenlang terugtrok in de tweede helft van de jaren zestig. En er is natuurlijk de zanger Jude, werkelijk verbluffend geacteerd door Cate Blanchett. Die laat het hectische, psychedelische en bijna surreële leven zien van Dylan in de periode 65-66.

Voor wie een beetje thuis is in het werk van Dylan is de film natuurlijk een waar feest. Je herkent flarden tekst in de dialogen. Sommige verhaaltjes in het verhaal zijn een weergave van een specifiek nummer (b.v. Visions of Johanna, Ballad of a Thin Man). De beelden zijn herhalingen van of reflecties over beelden die je kent uit onder meer de (ook al schitterende) documentaire No Direction Home van Martin Scorsese. Maar tegelijk ben je ook verrast door de opbouw van de film, waardoor je verbanden ziet die je nog nooit zo bedacht had.

De naam Bob Dylan wordt in de hele film niet één keer genoemd. Slechts helemaal aan het einde van de film is er een concertfragment van hem zelf. Ineens zijn echte hoofd zien werkt bijna verwarrend, wat merkwaardig is na een film waarin steeds andere acteurs fragmenten van hem weergeven. Wat is echt en wat is het niet. Misschien is dat wel een van de belangrijkste sleutels om iets te begrijpen van het werk van de kunstenaar Dylan. Bob Dylan is een kameleon, die telkens opnieuw zichzelf wil uitvinden en creëren. Hij is telkens een ander persona, die zijn eigen levensverhaal maakt, en er telkens ook weer aan ontsnapt.

Wie ooit de geweldige documentaire Don’t Look Back zag, waarin D.A. Pennebaker de eerste elektrische tournee van Dylan in 1965 door Groot-Brittannië portretteert, herkent veel in deze film. Die documentaire is wat men nu ‘reality TV’ zou noemen. Je ziet chaotische persconferenties, fans die teleurgesteld zijn dat de ‘echte’ Dylan er niet meer is, een artiest die iedereen voor de gek houdt, die de dwepende Joan Baez vernedert en die nachtenlang doorratelt op zijn schrijfmachine. De beroemde beelden van de persconferentie waar allerlei suffe of zichzelf geweldig vindende journalisten proberen vragen te stellen aan Dylan, die zij per se willen zien als een jonge ‘protestzanger’, en waar Dylan op tenenkrullende maar geniale wijze op reageert, zeggen iets over ‘echt’ en ‘niet echt’. Op dat moment, en ook in de rest van de documentaire, lijkt Dylan de rare excentriekeling, een echte punker avant la lettre, die doorheen de chaos laveert. Maar je kunt er ook zo naar kijken alsof hij de enige ‘normale’ is in het hele gezelschap. Je ziet iemand die fanatiek met zijn muziek bezig is, en worstelt met alle beelden die men van hem wil maken. Een gelijkaardige indruk krijg je ook bij het bekijken van I’m Not There. In de film zegt een van de personages op een bepaald moment iets als: hoe kun je weten wie je bent, binnen tien minuten ben je al iemand anders, en ’s avonds ben je een andere mens dan wie je ’s morgens was. En net die veranderlijkheid en meervoudigheid toelaten, zou wel eens veel ‘echter’ kunnen zijn dan toe te geven aan het verlangen om mensen te kunnen bevriezen in één beeld. Mensen willen graag de indruk hebben ze dat de ‘echte’ die of die kennen, maar willen vooral dat die ander iemand is die ze kunnen vatten.

Wie niet meteen de referenties herkent aan materiaal van Dylan, maar ook aan bekende films en regisseurs, kan even goed gefascineerd en soms gefrustreerd toekijken naar deze caleidoscopische film. De acteurs die iets vertellen over Dylan, vertellen iets over ieder van ons. De zoals gezegd erg goede Cate Blanchett verbeeldt de Dylan van 65-66. Ademloos kijk je toe naar hoe ze zijn bewegingen en ticks laat zien. Maar tegelijk laat het feit dat een vrouw dit personage speelt iets zien over het androgyne karakter van Dylan in die fase van zijn leven. Maar ook krijg je een meer universeel verhaal van een artiest die op zijn manier probeert te vernieuwen in een soms chaotische soms krankzinnige omgeving waar iedereen toekijkt en een oordeel klaar heeft.

Er is nog eindeloos veel meer te vertellen over deze film. Er zijn zoveel dingen die je niet meteen begrijpt of kunt vatten. Met de artiest Bob Dylan is het niet anders. Onvatbaar, dwars, nooit beantwoordend aan verwachtingen, steeds op zoek naar een andere versie van zichzelf. De film I’m Not There zegt mee door zijn experimentele vorm iets over die enigmatische kunstenaar, maar ook over ieder van ons.

11 augustus 2007

Samsara


Deze week zag ik de schitterende en diep ontroerende film Samsara. Het is het verhaal van de boeddhistische monnik Tashi, en speelt in het adembenemende landschap van Ladakh in India. Het woord samsara staat voor de wereld waarin de gewone sterveling leeft. Daar vindt de kringloop van geboorte en wedergeboorte plaats. De andere wereld is het nirvana. In dat gewone leven wordt de mens geconfronteerd met begeerte, afkeer en verwarring. In het zoeken naar bevrijding kan de mens zich losmaken van deze drie in het boeddhisme als 'vergiften' beschouwde dingen.

Bij het begin van de film zit Tashi in een afgesloten ruimte, waar hij meer dan 3 jaar gemediteerd heeft. Hij wordt door enkele andere monniken uit die andere wereld teruggehaald naar deze. In de tijd die volgt, komt hij langzaam weer op krachten. Na deze spirituele training moet hij kiezen welke weg hij verder zal gaan. Het lijkt vanzelfsprekend dat hij verder zal gaan op dit geestelijk pad. Maar de werkelijkheid dringt zich op, een werkelijkheid die niet verwacht was of die sterker blijkt dan gehoopt. Het is zijn lichaam dat zich niet geheel laat beheersen. Hij is gefascineerd door een moeder die haar kind de borst geeft en wordt bezocht door erotische dromen. Bij een wijding van de oogst ontmoet hij Pema. Hij denkt dat hij droomt dat ze ’s nachts bij hem komt liggen. Het blijkt geen droom te zijn.

Tashi verlaat het klooster om naar het gewone wereldse leven te gaan. Hij is al sinds zijn kindertijd in het klooster, en wil nu – verwijzend naar Boeddha die ook eerst een werelds leven leidde – het andere leven leren kennen, om het later beter achter te kunnen laten. Aan de ingang van het klooster ligt een steen met de vraag: “Hoe kun je voorkomen dat een druppel water opdroogt?”

Hij trouwt met de mooie Pema, en ze krijgen een zoon Karma. Het gewone leven blijkt ingewikkelder dan gedacht. Karma stelt vragen waar hij niet altijd op kan antwoorden. Hij overtuigt zijn schoonvader om de graanoogst in de stad te gaan verkopen voor een hogere prijs, en niet aan de koopman die al jaren het graan opkoopt. Ze verdienen meer geld, maar de onderlinge relaties in het afgelegen gebied zijn verstoord. Hij krijgt ruzie met een buurman, die oorspronkelijk was aangewezen als de man van Pema. Hij kan niet weerstaan aan de verleiding voor een vrouw die elk jaar komt helpen bij de oogst. Het onheil slaat toe als een (waarschijnlijk aangestoken) brand het graan vernielt.

Terwijl Tashi heel subtiel de greep op de dingen lijkt te verliezen, of alleszins niet in staat blijkt op een voldoende vrije manier met de dingen om te gaan, is het zijn vrouw Pema die rustig en onbevangen in het leven staat. Tashi laat zijn familie achter, en keert terug naar het klooster. Wat een bewuste keuze kon lijken, blijkt meer ingegeven door vertwijfeling. Net als hij aan de ingang van het klooster komt, staat zijn vrouw plots voor hem. In de overlevering heeft de Boeddha ook zijn vrouw en kind verlaten. Pema confronteert Tashi met dit verhaal, en haalt het onderuit. Ze vertelt het verhaal van Yasodhara, de vrouw die door de Boeddha werd achtergelaten met haar kind. Het is een verhaal dat niet verteld wordt, weggeduwd in de plooien van het grote verhaal van de Boeddha die zijn vrouw verlaat om verlichting te vinden. Pema stelt Tashi voor de keuze, en wenst hem een behouden terugkeer.

Dit alles wordt verteld met werkelijk schitterende beelden. Gesproken wordt er niet zoveel in de film. Het zijn onder meer de kleuren die het verhaal vertellen. Zo hebben de kleren van Tashi verschillende kleuren naargelang zijn gemoedstoestand. En er is ook het betoverende landschap.

Wat me vooral ontroerde in de film is de manier waarop twee werelden naast elkaar worden gelegd. De monnik vergaart de wijsheid die is gegroeid in een eeuwenoude traditie. Hij oefent zich in de bevrijding door een lange meditatie. Maar die weg heeft hem afgesneden van een werkelijkheid die zichzelf aan hem opdringt. Zijn spirituele vorming zou hem in staat moeten stellen zijn lichaam te beheersen, maar blijkt niet echt te werken wat dat betreft. En toegetreden tot het wereldse, is hij niet in staat zich te verdedigen tegen de dagelijkse veruitwendiging van begeerte, afkeer en irritatie.

Het is alsof Tashi een toren in zijn hoofd heeft gebouwd, terwijl hij niets weet van wat er rondom hem gebeurt. De in alle opzichten mooie Pema blijkt veel beter in staat in de gewone werkelijkheid te leven, en daarin rust en bevrijding te vinden, ook al wordt het zo dan niet benoemd misschien. Ze heeft een natuurlijke wijsheid, die aardser is, maar haar vrijer lijkt te maken.

Tashi laat eerst het klooster achter zich en denkt de juiste weg te hebben gevonden door ook zijn familie achter te laten en terug te keren naar het klooster. Maar daardoor heeft hij vooral zichzelf achtergelaten, en daarmee ook de mogelijkheid om de weg naar zijn eigen verlichting te vinden. Die ligt in het gewone leven, en de wijsheid die daar kan gevonden worden.

Terug op dezelfde plek voor het klooster draait Tashi de steen om met de vraag. Hoe kun je voorkomen dat een druppel opdroogt? Door hem in de zee te werpen.

04 februari 2007

Paris, Texas

Er zijn van die films die in je hoofd blijven ronddolen, jarenlang. Voor mij is dat Paris, Texas van Wim Wenders. Het is een film uit 1984. Ik zag hem enkele keren vele jaren geleden, en zat tussendoor te hopen dat hij nog eens op televisie zou komen. Om te zien of de film nog paste in mijn herinnering erover. Sinds kort is de film eindelijk ook op dvd verkrijgbaar, waardoor ik niet meer hoefde te wachten.

Een beetje gespannen maakte ik me klaar om de film opnieuw te zien. Ik herinner me hoe hij toen grote emoties bij me losmaakte. Zou dat nu nog zo zijn? En zou mijn herinnering over het verhaal nog wel kloppen? Wat bleek? Sommige stukken van het verhaal had ik me anders herinnerd, maar de emoties waren er niet minder om geworden.

Voor velen zal de film een soort beeld zijn bij de muziek van Ry Cooder die ze wel kennen. Die desolate slidegitaar van Cooder versmelt met de beelden en het verhaal. En dat vanaf de beginsequentie.

Een man komt uit de woestijn gewandeld. Travis, zo heet hij, was vier jaar verdwenen. Nu lijkt hij van een andere planeet te komen. Spreken doet hij niet. Hij is op weg naar iets, maar wat het is weet je niet. Zijn broer Walt pikt hem op, en langzaam komen de woorden terug. Travis’ zoon Hunter woont bij Walt, daar achtergelaten door Travis’ ex-vrouw Jane. En langzaam begint er een soort queeste.

Op zoek naar zijn zoon, naar wat het betekent vader te zijn, naar wat hem en Jane uit elkaar dreef, en naar wat hij moet doen om iets recht te zetten wat verkeerd ging. Mensen die tekortschieten tegenover elkaar, zelfs tekortschieten in te veel liefde en hoe die zich uit. Mensen die op zoek zijn, en misschien wel nooit zullen vinden, of toch. Zoals Walt, die als vak grote reclamepanelen maakt, en die op een bepaald moment vraagt aan Travis: “Heb je hoogtevrees?” En Travis zegt: “Nee, alleen schrik om te vallen.” Of de ogen van de vrouw van Walt, als ze ziet hoe Travis en Hunter elkaar langzaam beginnen te vinden, en hoe haar dat uit evenwicht brengt.
Een van de mooiste scènes uit de film is de vertoning van het Super 8-filmpje. Mee bedoeld om het geheugen van Travis terug te voeden draait Walt een filmpje van een vakantie waar ze met zijn allen op staan. Onder die beelden is er het prachtige thema van cancion mixteca van Cooder. Het is een keerpunt in de film. Heel ontroerend. Op een bepaalde manier was het nog mooier dan ik me herinnerde.

De beelden overweldigen door enerzijds een leegte en anderzijds een verpletterende kleurenpracht. De moderne koude omgeving wordt bijna een mythisch landschap. Maar helden zijn er niet. Dromen wel. Zoals de ware betekenis van de titel van de film, die in de loop van het verhaal duidelijk wordt. Vaak moest ik denken aan de schilderijen van Edward Hopper.

Op geen enkel moment geeft de film toe aan een vorm van sentiment die je o zo gemakkelijk vindt in allerlei Amerikaanse films, integendeel. De personages zijn hoekig en gekwetst, maar tegelijk ook op een bepaalde manier licht. De dramatiek ligt in kleine bewegingen of blikken. Mensen die elkaar wel of niet aankijken, om meer te kunnen zeggen.

Mensen dreven uit elkaar door hun liefde. En het product van die liefde, de kleine jongen Hunter, blijkt hen ook weer met elkaar te verbinden. Hij lijkt bijna achteloos te bewegen tussen alle ongezegde dingen die het verhaal van deze film uitmaken.

De beroemde scènes waarin Travis en Jane elkaar weer vinden, al kunnen ze niet bij elkaar komen, blijven nog altijd even hartverscheurend. Alles gaat via een omweg, door een verhaal of door glas waardoor je niet kunt zien, door een tape, of uiteindelijk door een kind, dat nog wel kan bewegen. De lange dialoog, die ook te vinden is op de soundtrack, is verstillend mooi. Hij begint met die zinnen met de krop in de keel bij Travis.

TRAVIS: I knew these people...

JANE: What people?

TRAVIS: These two people. They were in love with each other. The girl was... very young, about seventeen or eighteen, I guess. And the guy was... quite a bit older. He was kind of raggedy and wild. And she was very beautiful, you know?

JANE: Yeah.

Een van de extra’s op de dvd is een bijkomend Super 8-filmpje, dat zich gedeeltelijk na de film afspeelt. Als je je na de film ook wat desolaat voelt, reikt het je wat warme tranen aan. Ook die beelden voegen zich toe aan de film in je hoofd, die er was en zal blijven.