Misschien speel je altijd een rol, ook al wil je dat niet of besef je dat niet. Misschien kun je een ander nooit kennen. Misschien is er geen ene plek waar je de tegenstrijdige versies van jezelf samen kunt brengen op een manier die rust en eenheid brengt. Misschien kun je vervreemding niet oplossen. Misschien hoef je niet alle vragen te beantwoorden. Die dingen blijven door je heen gaan na het lezen van Audition van de Amerikaanse Katie Kitamura. Het is een zeer goed geschreven ontregelend boek. Wie als lezer een min of meer eenduidig verhaal verwacht, in een vorm die kenbaarheid en afronding suggereert, zal misschien verward achterblijven. Als je je mee laat drijven met dit merkwaardig boek dat je de hele tijd een beetje lijkt te ontsnappen, kom je op onbekend of niet te kennen terrein. Het zet je aan het denken. Al zou je misschien ook graag wat meer gevoeld hebben.
In het eerste deel van het boek komt een vrouw, een actrice, in een restaurant. Ze heeft daar afgesproken met een jonge man. Hij zegt tegen haar dat hij ervan overtuigd is dat hij haar zoon is. Zij zegt dat dat niet kan, omdat ze geen kinderen heeft. Hij werkt zich naar binnen in het gezelschap waar zij op dat moment repeteert voor een stuk. Dat stuk bestaat uit twee grote delen, en zij moet een cruciale scène spelen die die twee delen met elkaar zal verbinden, maar ze kan in zichzelf niet vinden hoe ze dat zou moeten doen. Haar man, een schrijver, was het restaurant binnengekomen op het moment dat de twee daar zaten en had zich onmiddellijk omgedraaid en was weggelopen.
In het tweede deel blijkt dat ze de sleutel heeft gevonden om die ene scène te spelen. Het stuk is een immens succes en zij wordt geprezen voor haar acteerprestatie. Het leven samen met haar man is rustig en in balans. De jonge man, die nu ineens wel hun zoon blijkt te zijn, komt terug in hun leven en trekt in in hun appartement. Wat eerst een goed idee lijkt, als een soort helende ervaring, draait langzaam uit op een soort escalerende nachtmerrie. Wat min of meer zeker was, komt op de helling. Rollen veranderen. Iets wordt opgevoerd, voorgeschreven of als experiment. Tot ze terugkeren naar de veronderstelde realiteit.
Net als in het theaterstuk uit het eerste deel bestaat het boek zo uit twee helften met een breuk tussen de twee. Hoe zit dat juist? Je ziet immers dezelfde personages. Zijn het twee varianten of versies? Is het ene verhaal ‘echt’ en het andere een droom of fantasie? Hebben de personages in de tussentijd tussen de twee delen met elkaar iets afgesproken waardoor ze hun eigen theater worden, tot dat uit de hand loopt? Je weet het niet. En misschien hoef je het ook niet te weten. Misschien is dat het opzet van het boek.
Het hele boek wordt in de ik-vorm verteld. Andere personages krijgen een naam, de vrouw die vertelt heeft er geen. Het is alsof je de hele tijd kijkt naar haar denkproces, terwijl ze naar de dingen kijkt en die op een welbepaalde manier interpreteert. Alleen al daardoor zie je heel veel dingen niet of krijg je geen elementen die kunnen corrigeren wat je wel te zien krijgt. Het is een onbetrouwbare verteller. Je ziet hoe ze de gebeurtenissen probeert te lezen, maar daarbij schuiven de hele tijd allerlei oordelen tussen haar en de dingen. Veel heeft te maken met kijken en bekeken worden, en denken over hoe je bekeken wordt. Wanneer zij het restaurant binnenkomt neemt ze in een soort hypergevoelige stijl alles op, interpreteert wat de ober doet en analyseert het gedrag van de jonge man voor haar. Veel daarvan lijkt op een overinterpretatie, ingegeven door een interne reflectie over hoe ze bekeken wordt en hoe kleine handelingen van anderen als codes zijn die weer naar haar verwijzen. Je weet dus eigenlijk niet zo goed of het kluwen aan betekenissen waarin dingen gebeuren of gezegd worden, zoals haar man die weer weggaat of de jonge man die zegt dat hij haar zoon zou kunnen zijn, wel enigszins overeenkomen met wat er gebeurt op dat moment. Misschien is het onvermijdelijk dat je in zo’n dynamiek terechtkomt. Misschien zijn we gedoemd om elkaar niet te kunnen vatten.
Naarmate je dan verder leest, zie je hoe de meerduidigheid toeneemt. Mensen spelen rollen, misschien wel de hele tijd, onontkoombaar. Wie zijn die twee, een vrouw met een man die misschien haar zoon is, of een minnaar, of…? Wat is er werkelijk gebeurd voorafgaand aan deze ontmoeting? (Er zijn verwijzingen naar vroegere ontrouw van de vrouw, na een miskraam. Er is de stellige uitspraak van de vrouw dat er geen relatie kan komen.) Waar komt – ook al zijn ze dan geen moeder en zoon – de schijnbare gelijkenis tussen de twee vandaan? Waarom wil haar man haar ineens dringend spreken? Wie is die jonge man die blijkbaar zo soepel kan switchen in zijn eigen rol en zich kan binnenwerken in het theatergezelschap? Je weet het niet, en het is misschien niet te weten.
Met het tweede deel zie je nog meer hoe het boek reflecteert over rollen. De verteller is vrouw, partner, moeder, actrice. In elke rol moet je je op vreemd terrein in jezelf bewegen. De andere, die je dacht zo goed te kennen, of van wie je dacht dat de rol of relatie heel duidelijk omschreven was, kan ineens een vreemde lijken. In het ene deel zegt iemand jouw zoon te zijn, maar zeg je dat je geen zoon hebt, en ben je toch op een bepaalde manier aangetrokken door die persoon die ondertussen een plek inneemt in jou. In het andere deel noem je iemand je zoon, vertel je verhalen over vroeger, doe je wat je denkt te moeten doen, en lijkt het of je steeds minder weet over die persoon, die echt een vreemde lijkt te zijn. Je man en je zoon voeren iets op waarmee ze iets over jou willen duidelijk maken. Misschien ken je dus jezelf helemaal niet en is het verhaal dat je over jezelf vertelt aan jezelf evenzeer een fictie als de andere verhalen. Of misschien zijn het toch de anderen die ontsporen. De gespeelde werkelijkheid en de echte werkelijkheid raken elkaar aan, en dat gaat via een tussenruimte. Maar misschien is de belofte dat je weet hoe je moet zijn in die tussenruimte, waardoor je (weer) heel zou worden een illusie. Misschien doen we de hele tijd auditie.
Audition is een boek dat meer vragen oproept dan het beantwoordt. Daar moet je als lezer een stuk in meegaan. Je kunt alles op verschillende manieren interpreteren, en dat is waarschijnlijk de bedoeling. De kracht van het boek zit in de heel heldere taal die op een bepaalde manier kan verdichten of verdunnen, samen met wat er in het hoofd van de verteller gebeurt. Je blijft in dat hoofd en kijkt mee hoe zij de dingen leest of vertaalt. Wat je moet doen met die uitgesproken vorm van twee delen met een breuk ertussen is ook een open vraag. Er kunnen allerlei verklaringen zijn, telkens met een andere conclusie. Je blijft als lezer met een dubbel gevoel achter. Enerzijds is het een fascinerend boek. Naarmate je er meer over nadenkt en je al die dynamieken in de tekst ziet, houdt het je meer en meer bezig. Het boek is heel helder en heel ontregelend tegelijk. Anderzijds heeft het boek eerlijk gezegd ook iets dat een beetje koud is. Je zou soms meer willen voelen. Misschien ligt dat aan de personages waarmee je je toch niet zo gemakkelijk kunt verbinden. Misschien ligt het aan het vertelmechanisme (en is het de bedoeling dat je je vervreemd voelt). Misschien ligt het aan het opzet dat soms net iets te veel aanvoelt als een intellectuele oefening.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten