De eerste werkdag terug. Je hebt zin om weer onderweg te zijn in de ochtend.
(Zou je veranderd zijn tijdens je vakantie? Welke versie ben je nu?)
(Je denkt nog aan die heel erg mooie film die je de vorige dag zag. Je zus moet die zeker zien, denk je.)
Je dacht dat je alleen daar zou zijn. Rustig alles inhalen, en zo alles weer klaarzetten. De dingen. (De plek is blij dat je er weer bent.) Maar je bent niet alleen. Verhalen. (Zouden zij veranderd zijn?)
(Die brief van het ziekenhuis. Het zal nog even duren eer je beslissing in praktijk wordt omgezet. Waarom is je niet helemaal duidelijk. Misschien zul je al die tijd in een tussengebied zijn.)
Een andere dag. De treinen moeten er precies nog een beetje in komen.
De dagelijkse klus voor de vrijdagtekst. Is een beetje als een dans in je hoofd. De stappen komen langzaam terug, als in een adem.
Op tijd weer thuis, straks komt ze.
Ze is er. Je grijze krullen verdwijnen, een voor een, in een vloeiende beweging. (Het maakt je gelukkig, denk je. Iets van toen, het blijft.) En alle verhalen. Je luistert graag naar de hare. Zoals steeds ben je onder de indruk. Ze begrijpt jouw verhalen altijd meteen.
(Iets is onvoorwaardelijk.)
Die nacht. Iemand komt in je droom. Je zag haar al lang niet meer. Die ochtend. Je komt haar tegen.
(Verhalen, in je hoofd. Ze beginnen zichzelf te vertellen.)
Hoe je langzaam weer in het ritme komt.
(Misschien is iets in je ouder geworden.)
Het is stil, het mag.
(Ergens is een vermoeid verdriet.) (Je denkt aan troost.)
Het mooie gesprek met de psychiater. Hoe ze over de kinderen praat. Hoe ze beweegt in het leven.
De nacht lijkt alleen. De dromen nemen je in handen.
Een andere dag. Er is weer meer volk.
Verhalen.
Je wacht op een bericht.
Die avond. Een mooie film, over een onvervulde liefde.
Een andere dag. Even aanwezig in de vergadering, zoals elke maand. Dan de trein.
Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar, met zachte vingers. Je kijkt naar de woorden, hoe ze verschijnen. (Misschien wachtte de tekst op de woorden.)
Die ochtend zag je het voor het eerst. De plant op je tafel. (Je probeerde hem in het leven te houden. Het lag in jouw handen.) Dat nog heel kleine groene scheutje. (Ja, het leven.) (Misschien mag het, kun je.)
Berichtjes. Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou?
(Onmiddellijk een mooi antwoord, met de berg op de achtergrond. Andere antwoorden volgen later. Met vragen waarop je niet meteen het antwoord hebt.) (Misschien weet je niet of je het goed genoeg doet met je zestigjaar.)
(Hoe woorden heen en weer gaan, door de lucht of zo. Het ontroert je.)
Je zus stuurt je een beeld van een foto van jou, als jongetje. (Je vraagt je af of het jongetje op de foto ernstig, of verdrietig, of bang is.)
Je belt met je zus.
(Iets in de nacht stelt je teleur.)
Een andere dag. De weekendboodschappen. (Een verhaal dat je een beetje verdrietig maakt.)
Je vertrekt, naar die andere stad. Het is fijn om met hen onderweg te zijn, denk je. De verhalen.
Je staat bij de boekenstand, praat met veel mensen. (Je denkt even aan je vader.)
Je wilt op tijd weer terug. Je wacht beneden in het station. Je kijkt naar de treinen, naar de mensen, naar de lijnen en het licht. Een klein meisje komt voorbij. Ze heeft een groot bord in haar handen: “Welkom thuis mama!”
De trein brengt je terug.
Zodra je thuis bent, ga je weer kijken naar de plant. Nog steeds. (Ja, het leven.)