28 november 2020

Er is iets met de dood


Het komt op je weg. Dat je praat over hoe het zal zijn als iemand sterft, dan, wanneer het moment daar zal zijn. Het is iets met de tijd. Het dient zich aan, nu of iets later, het is niet anders. Je hoopt dat het in de juiste volgorde zal gebeuren, dat vaders en moeders niet hun kinderen terug moeten geven aan de aarde. Het heeft iets met de seizoenen te maken, denk je.

En dat je, tot dan, mag kijken naar het leven dat een beetje vermoeid trager begint te lopen. Klaar om zich terug te trekken in de seizoenen. Wie ben je, in dit leven? Je bent als een golf die zich even omhoog richt. Een golf als een verdichting van verlangen. Tot het tijd is om weer alleen maar zee te worden.

Dat zijn de beelden die je voor jezelf gebruikt. Ze helpen je. Ze zeggen iets van wat je voelt. Je weet niet helemaal zeker hoe de beelden en het gevoel zich tot elkaar verhouden, maar dat geeft niet.

Soms heeft de golf pijn, zoals de zee verdriet heeft.

Sommige beelden begrijp je, sommige niet. Het lijden is een deel van het leven, wat iets anders is dan dat het leven lijden zou zijn. Met zachtheid naar het lijden kijken, het proberen te vatten, het is iets anders dan een cultus van het lijden prediken. Je hebt je seizoenen in dit leven, in deze ene golf die je bent. De golf blijft niet bewaard, het leven wel. Maar de verhalen over de golf kunnen wel eeuwig verteld worden.

Er is het falen, daar waar je tekortschiet. Misschien heb je niet altijd geleerd hoe je moet bewegen in dat bos dat de liefde is. Misschien was er niemand die het je zei, waar het pad was. Misschien was je gids zelf verdwaald in het leven. Misschien duwde iemand je van de weg. De schrammen worden in dit leven geleefd, in het leven dat je doorgeeft, niet in een ander leven, op een andere plek.

En soms verlang je dat wat zwaar is zal stoppen bij jou, dat dat jouw bijdrage aan de liefde is.

Hoe je dat uit moet leggen aan Julia, je weet het niet. Zij wel, denk je. Ze heeft al lang gezegd dat het goed is. 

Als jij sterft, zul je verdwijnen in je geliefden. Dat is het beeld dat je hebt. Het is een klein beeld, maar meer dan genoeg, denk je.

Vertel nog eens dat verhaal, dat kun je niet meer vragen aan de doden. Zo lang je in dit leven bent, kun je verhalen vertellen, of eraan denken. Of erdoor geraakt worden. Misschien hebben we dat oerverlangen gekregen van de zee. Vertel nog eens een verhaal.

De mens is een verhalen vertellend wezen.

Een verhaal kan een golf een heel klein beetje veranderen. Alsof de spankracht van het water net iets anders wordt. En daardoor wordt misschien de ene golf door de andere anders gezien. Zoals iemand haar afdruk in jouw huid heeft nagelaten. Waardoor jij misschien wel net iets anders beweegt. En net iets anders verlangt in de getijden.

En er is zoveel dat ontsnapt aan de zachtheid van de beelden. Daar beweeg je stotterend.

Elke aarzeling bij elke drempel. Je kunt ze allemaal zien, daar voor je. Je loopt niet weg, je vraagt soms om ze traag te mogen doen. Al houden drempels daar niet altijd rekening mee.

Er is een eenzaamheid, in dat moment net voor de golf zich terugtrekt in de zee. Misschien, als je de tijd krijgt, kun je iets zien, is er een wijsheid in het vertrek.

Je denkt aan de oude Julia, haar hand in de jouwe. Je handen zijn zo warm, zei ze je steeds. Misschien is dat jouw verhaal voor de jonge Julia.

En er is de kwaadheid, jouw opstand tegen de dingen. En je denkt aan de brief die je toen voorlas, daar vooraan. Rage against the dying of the light.

Er is een troost, als een soort voorbereidende rouw, in het heen en weer reizen. Van hier naar daar. Je kunt alleen met de trein reizen in iets als een overgave. De trein brengt je van hier naar daar, in de tijd die nodig is. Ergens halverwege wacht je een klein half uur, het is als een meditatie, een uitnodiging tot de volle leegte. En het verse boek waarin je las. Het verhaal raakte je vanaf de eerste bladzijde, alsof het voorbestemd was, dat dat verhaal je zou vergezellen. Er was die ene zin, die je de leeuw in jou weer liet zien. Het is goed zo, dacht je. Het is jouw verhaal, en het zal ergens blijven.

Soms lijkt het landschap zo grijs, lijkt dat landschap zo grijs. Daar. Het is een deel van de reis. Dat je heen en weer gaat, van hier naar daar. Je bent ooit van daar naar hier gekomen. Iets met kleuren. Je merkt dat er een trage lichtheid is gekomen in het reizen. Het is de tijd die je zacht aanraakt.

Soms zwijgt de zee.

Je weet nooit zeker of je het goede doet. Misschien is elke dag opnieuw proberen wel genoeg. Zoals je het leven leeft. Elke dag opnieuw. Zo lang het in je handen blijft.

22 november 2020

Herfstverlangen


‘Die muziek van Leonard Cohen past heel goed bij dit moment, vind ik.’
‘Ja. Er klinkt een soort ingedikt besef van de eindigheid doorheen.’
‘Het past wel bij jou. Jouw melancholie is nog een beetje jonger, maar het is alsof ik jou ook een beetje hoor.’
‘Dat is wel een mooie gedachte.’
‘Het heeft wel iets. Hier nu binnen zitten, lekker warm, en buiten die beelden van de herfstbomen. Het is alsof je ze kunt ruiken, alleen al door ernaar te kijken.’
‘Ja, dat is inderdaad zo. Ik heb altijd gehouden van de herfst. Er is een soort moed voor nodig. Je geeft iets uit handen, je moet iets loslaten. En je hebt vertrouwen of geloof nodig om te wachten op iets dat terug zal keren aan de andere kant van de winter. Misschien moet je het loslaten om te weten dat het in een andere vorm terugkomt. En die andere vorm is anders, los van nu, en tegelijk er ook mee verbonden.’
‘Ik voel dat ook heel sterk zo. En tegelijk is het, als ik eerlijk ben, alsof mijn lichaam soms een beetje bang is van de herfst. Het is alsof het me daarin een beetje tegenspreekt.’
‘Ben je bang van de tijd in je lichaam?’
‘Misschien wel. Al wil ik dat officieel niet toegeven natuurlijk. Ik ben denk ik niet zo goed in ouder worden als jij bent.’
‘Ik weet niet of ik er zo goed in ben in ouder worden. Een vroegere geliefde zei me ooit dat ik beter was in missen dan zij. Soms denk ik dat dat klopt. Al weet ik niet goed of dat zo’n fijne gedachte is.’
‘Je bent er te goed in, denk ik. Het hoeft niet zo te zijn. Dat zei ik je al eerder.’
‘Ik heb met mezelf afgesproken dat ik die gedachte aan de herfst zal geven. Er zal dan wel een soort antwoord terugkomen naar mij, wanneer het tijd is.’
‘Je legt jezelf als het ware in de herfst.’
‘Ja, dat zou je kunnen zeggen.’
‘Ik zal het op het moment zelf vaak niet zeggen, maar een tijd later voel ik steeds dat ik het toch moeilijk heb met onbereikbaarheid. Het onvermogen om elkaar te vinden. Ik ben daar niet zo goed in. Het maakt me kwaad soms, tegen iets. Een soort muur of zo.’
‘En op een bepaald moment kunnen we daar dan met een gevoel van vrede naar kijken.’
‘Is dat nu al zo?’
‘Bijna, denk ik.’
‘Misschien blijft het wel altijd bijna. En is dat onze weg.’
‘Dat zou kunnen.’
‘Het kan zijn dat ik het altijd wel een beetje warm zal krijgen van jouw stem.’
‘En ik zal wel altijd die dingen zien die ik zo mooi vond. En vind natuurlijk. Ook al is het anders.’
‘Ook als ik lelijk zou worden?’
‘Ja.’
‘Dat stelt me wel gerust op een of andere manier.’
‘Er is nog veel voor jou daar in de wereld. Dat weet ik wel zeker.’
‘Soms maakt het me bang, maar ik geloof het ook wel. Voor jou ook trouwens. Laat je lichaam open, voor alle seizoenen. Het is ervoor gemaakt.’
‘Dat is wel een mooie gedachte. Ik zal die ook maar meteen doorgeven aan de herfst.’
‘Misschien weten we nooit helemaal zeker of wij naar de herfst verlangen, of omgekeerd. Ik weet niet helemaal zeker wat die gedachte zou willen zeggen, maar ze klopt, denk ik.’
‘De herfst vraagt ons iets, de herfst laat zich bekijken en aanraken.’
‘Zullen we nog even naar buiten gaan?’
‘Ja, dat is een goed idee. Heb je je regenjas bij?’
‘Ja, dit keer wel.’
‘Dan is het goed.’

21 november 2020

Soms ben je moe


Gekwetste jongetjes, met littekens uit hun kindertijd, verdienen wat dat betreft mededogen. Het zou wel handig zijn als ze gewoon in hun eigen kamer blijven spelen en daar al hun poppen stuk maken, zonder de hele wereld (of dat stuk ervan dat ze als de hele wereld beschouwen) erbij te betrekken.

Het zou kunnen dat het lukt om het leven te overleven zonder op skivakantie te gaan.

Soms zou je de gezichten willen zien van die tientallen mensen die die dag gestorven zijn, gereduceerd tot een cijfer dat beweegt in de ene of de andere richting.

Zelfs nu de speciale kerstwinkel in de winkelstraat gesloten is, maakt het je acuut droevig om er voorbij te lopen. Het zal wel aan jou liggen. Iets begrijp je niet, en zul je wel nooit begrijpen.

Een andere mening hebben, over alle belangrijke kwesties, het is niet zo erg. Je hebt het ook wel nodig. Maar waarom het uiten van die andere mening vaak zo giftig moet, met steeds zoveel negatieve, vernietigende energie, het ontgaat je.

Het menselijk tekort, in de verdwaalwegen van de liefde.

Die heel kleine dingetjes. Zoals dat boek dat je, zelf, net iets te ver over de rand van de tafel legt, waardoor het – hoe had het anders gekund – van de tafel valt. En dan moe worden van jezelf.

In een videovergadering zitten. In een gewone vergadering ben je soms al hypergevoelig voor mensen die de hele tijd tussenkomen en niet wachten tot de ander is uitgesproken. Merken dat je het in zo’n videotoestand dubbel zo erg merkt, en dat net na een te korte nacht. Het eigenlijk niet erg willen vinden, uit beleefdheid of zo. En toch niet anders kunnen.

De twee jonge vrouwen die voor jou lopen. Traag. Alsof ze alle tijd hebben. Ze gaan samen de winkel binnen waar jij ook naartoe gaat. Ze blijven bij elk rek staan om uitvoerig commentaar te geven. Ze praten de hele tijd door. Dat zal dus funshoppen zijn, denk je. Het maakt je in wezen niets uit. Ze zijn misschien wel heel erg gelukkig zo, voelen zich heel erg verbonden met elkaar. (Innerlijke dialoog.) Je bent eigenlijk wel gewoon blij voor hen. Misschien maak je jezelf moe, op dat moment. (Of was je het gewoon al.)

Sommige mensen roepen zo hard de hele tijd.

Die ene man die trouw doorgaat met kwetsende mails naar jou te sturen. Zelfs als je die onmiddellijk wist, blijft er toch nog iets wegen, ergens.

Heel vaak ben je niet moe, eigenlijk.

Er bestaat ook iets als een onderwereldvermoeidheid, ergens diep in je huid.

Luisteren naar wondermooie muziek. Ze komt ergens vandaan. Een geheime plek waar ze al eeuwen was. En in dat ene moment voel je de zee in je, kun je de schoonheid aanraken. En je beseft dat je net daarvoor zo moe was.

Het kleine meisje in de bakfiets. Ze wuift naar jou, met een brede glimlach. De dag daarvoor had iets dat vermoeide verdriet in je geraakt, dat met dat kind. Nu is er alleen maar dit moment. Het geschenk van die ene glimlach. Het blijft de rest van de dag.

Ooit was je bang om in slaap te vallen. Elke dag opnieuw. Het putte je uit. Wat toen zo onbereikbaar leek, is nu vaak zo normaal geworden. Voelen dat je moe bent. Dankbaar zijn voor de dag die je zomaar weer gekregen hebt. In bed gaan liggen. Een mooie herinnering die je bezoekt in die enkele momenten. Schoonheid die alleen voor jouw ogen was. En zomaar in slaap vallen. Alsof het mag.

Jezelf toestemming geven voor een middagdut. Onder het dekentje. Omdat je een beetje moe bent. Moe zijn is soms een zeer goed plan.

20 november 2020

Onderweghuid


Een stevige ochtendwandeling. Wat zich als slib had afgezet in je rug en je schouders wringt eerst een beetje, wiebelt dan, en verlaat je uiteindelijk. Of toch een beetje. Voor even.

Het is lekker om zo het huis weer binnen te komen.

(Interne gesprekken. Je kijkt. Het gaat heen en weer. Het raakt je huidfossielen. Je wacht tot wat zich zal indikken in wat blijft en wat loslaat. Waarschijnlijk.)

(Misschien heeft ook de stroom zich teruggetrokken. Een beetje.)

Die oefeningen, ’s avonds. Die harde plekken, even bevrijden met je vingers. Daar aan de schedelrand, daar tussen je ogen, daar in je schouders. Een daglaagje verwijderen.

(Oefenen in lege plekken.)

Je hoort jezelf iets uitleggen. Je denkt dat het klopt.

(Het is goed zo.)

Soms is het de tijd die je huid verwart. Iets is daar opgeslagen. Misschien was het ooit nodig, toen. Je kijkt ernaar. Het vindt wel een plek.

(Je voelt iets bewegen, het is aangenaam. Iets als het water, en wat het zich herinnert.)

Je stapt soepel, lichtjes verend, door een koele ochtend. Alles draait lekker rond. Je zou aanraakbaar kunnen zijn.

(Die ene vraag, ze is belangrijk. Voor de loop der dingen. Je mag zeker niet vergeten ze aan haar te geven.)

Je kijkt naar je handen. Je vraagt je af hoe ze zullen zijn, dan.

(Het heeft je veranderd. Wat je achterlaat, als een soort voorbarige resthuid. En alles wat zich zomaar liet zien en bekijken. Het heeft zich rustig gevestigd.)

Wat zich in je ogen heeft verankerd, wat zich laat aanraken.

Iets heeft je zacht gemaakt, die dag. Je stem heeft alle tijd. Je hoort wat je woorden doen.

(Misschien kantelt het weer in zichzelf, je denkt het niet.)

Je geeft die ene lezing voor het eerst via een scherm. Het is een beetje wennen. Je ziet niet hoe de woorden aanraken, je kunt enkel vermoeden. Je hebt je zwarte jasje aan. Waardoor je anders rechtop zit. Je stem volgt.

(Misschien kun je die jasjes laten aanpassen, zodat ze nauwer aansluiten. Dan kun je anders bewegen.)

(En dat cadeau wacht ook nog steeds, tot de tijd daar is.)

In de nacht gaat de stroom van je woorden nog altijd door, zo lijkt het wel. Je herinnert je iets.

Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou? (En wie je het nog zou willen vragen. En vertel gewoon, in lange zinnen, denk je. Zodat je kunt kijken naar de verhalen.)

De regen wacht nog even, terwijl je je klaarmaakt om te vertrekken.

(Er is een afwezigheid. Het is.)

Je staat te wachten op de trein, in het overstapstation. Het jongetje loopt je voorbij, draait zich naar je om, en zegt heel vriendelijk iets tegen je. Net daarvoor had hij al een heel gesprekje gevoerd met de treinmeneer die op het punt stond de trein te laten vertrekken. 

De ruimte waar je doorheen stapt is niet leeg, maar ze lijkt zo desolaat. (Het hoort bij deze grote plek, denk je steeds. Herinnerhuid.)

(Dat dat zal blijven tot je laatste adem, het was wel een mooie zin. Je kunt dus altijd blijven kijken.)

Je hoort je woorden stuiteren. Je huid trekt samen. Je blijft rustig zitten. Iets gebeurt, iets gebeurt niet.

Je loopt in de donkerte, aan de rand van de weg. De grote vrachtwagen rijdt voorbij. Misschien heeft god deze plek verlaten, denk je.

Je stapt uit de bus. Je moet nog even die tunnel door om naar het perron te gaan. Je ziet dat de trein die je nodig hebt niet zal rijden. Ofwel blijf je op dat lege, en desolate, perron een uur zitten. Ofwel neem je die andere bus, om door te rijden naar de stad, en daar dan de trein te nemen. Je stapt in de bus, probeert een plekje te denken.

Het lijkt al jaren geleden dat je nog die rit met de bus deed. Die weg, in het donker, heeft altijd een onleesbare lelijkheid gehad. Zoals een soort waterafstotend oppervlak dat geen schoonheid als tederheid toelaat. (Zoveel herinneringen rijden met je mee.) Er zijn soorten duisternis.

(Je bent alleen.)

De trein is blij je te zien. Je leest verder in het boek. (Al die beelden, al die zinnen die je in je schriftje zou schrijven, ze zijn er, maar ze wachten wel even.)

Iets is koud geworden.

De woorden gaan met je mee, ze lopen naast je.

(Hoe zul je je huid opwarmen?)

Je haalt de dingen van de namiddag, onverwacht op pauze gezet, nog even in. Je maakt, op vraag van de kosmos, een officieel attest. De rituelen willen wel blijven, en dat mag.

(Het is belangrijk de nacht zacht aan te raken.)

15 november 2020

Het begint en het eindigt


Waarom weet je niet, maar het begint met die ene pianist, en dat stuk van Bach dat hij speelt bij het begin van dat kleine concertje.

Iets laat je anders ademen, tussen het verdriet van een zondag.

Die ochtend had je staan aarzelen. Je had het je voorgenomen, dat je die krantjes zou gaan bezorgen. De regen zou nog wel even wachten op jou. Dus deed je het maar.

Soms heb je geen zin om mensen tegen te komen. Je weet niet waarom. Misschien wil je alleen zijn, met het ritme van de beelden die door je lichaam gaan.

Het plekje tussen je ogen, net boven je neus. Vanaf daar kan de rust zich verspreiden.

Het pak papier weegt op je arm. Er is altijd een punt, ergens onderweg. Vanaf daar wordt de stapel precies sneller lichter dan daarvoor.

Je voelt iets in je afstand nemen. Het trekt zich terug in zichzelf, het lichaam zet een stap achteruit. Het had anders kunnen zijn, denk je.

De vrouw met de baby in de kinderwagen. Misschien is ze al de hele nacht op. Hopend op de slaap van haar kind. Misschien slaapt het kind nog maar net, dankzij de wind.

Je hoort de kinderen spelen in het park. Ze gillen en lachen.

Iets in je keert terug naar een punt waar het eerder was. Misschien is het een soort uitkijkpunt.

Soms schrik je van mensen die net uit hun deur komen terwijl jij er passeert. Even ben je verlegen of zoiets. Misschien zien ze iets.

De vrouw aan de andere kant van de straat glimlacht naar je.

Toen in die nacht, de dingen die je zei.

Weer op weg naar huis. Die andere ronde is voor een andere dag.

Iets over het huis herkennen bij het binnenkomen. De dingen ademen mee in, en uit.

Je rug komt in vertraging thuis.

Je kijkt naar de dans. Die trage beweging. Het transparante gewaad. Zou het ook van kant zijn?

Dat beeld blijft.

Je leest, om te begrijpen, om je te herinneren aan begrijpen.

De regen komt bijna.

Je legt je neer, in loslaten.

Een mooi gesprek. Misschien zie je alles al, zegt ze, en weet je alles al.

Het ene licht uit, het andere licht aan. Tussen de twee ga je van de ene naar de andere kamer, door de donkerte. En je kent de weg.

Je geeft de planten water. En fluistert telkens iets. Het is goed, zeggen ze.

Je ziet het concert. Het requiem. (Ook nu weer verlang je naar een kleinere uitvoering. Alsof het je alleen maar echt zou kunnen raken als het kleiner zou zijn geweest. Alsof de muziek een beetje bedolven wordt onder de uitvoering.)

Een trage adem.

Dingen die je probeert te zeggen. Je ziet waar ze zijn. Het is goed zo.

Het regent niet meer, zie je.

Waarom weet je niet, maar het eindigt met die andere pianiste, en dat stuk van Bach dat ze speelt, als een van haar dagelijkse kleine concertjes.

13 november 2020

Rugdagen


Je kijkt rond in het huis. De ruimte verwacht iemand. Zo lijkt het wel.

Misschien maken de planten zich klaar. Ze bewaren alle verhalen. Ze kijken.

Iets maakt je rusteloos. De brief aarzelt.

Pas door het schrijven begrijp je zelf wat je schrijft.

Dingen schuiven door elkaar in je huid.

Er is ook een poetsplan. En een kookplan. Er is geen woordenplan.

Dingetjes afwerken, lijstjes leeg maken.

Jezelf een klein beetje in de weg lopen.

Je kijkt naar je handen. Je vraagt je iets af over herkenning.

Kant heeft een bijzondere plaats in je leven, stel je vast.

De woorden bereiden zich voor. Je weet dat ze zullen komen wanneer ze komen.

Iets van de liefde is onontkoombaar, dat heb je altijd geweten. Het stelt je gerust.

De stukken blijven bij elkaar.

En als je daar bent, klopt alles in de wereld.

De dans is mooi.

Kaakverhalen. En wachten in de nacht.

Dit is er voor jou, zou je willen zeggen.

En de dingen die je ook al wist, of die je woorden wisten voor jou.

Je kijkt naar wat altijd in je zal blijven.

In de ochtend, de zon vertedert het huis. De planten glimlachen.

Je ruimt een beetje op, maakt het aanrecht weer leeg.

En zoveel schoonheid in een trage ochtend. Je handen kijken.

Iets wacht. Het komt wel wanneer het komt.

Iets met laadpalen. De kosmos wil je iets zeggen over blijven en weggaan.

Iets van de liefde is onbereikbaar, het laat zich zien in spiegels.

Je lichaam luistert, trekt zich even samen in een kramp, raakt een vermoeidheid.

Dat wat je niet kunt zijn. En hoe je dat danst.

Het is tijd, om te vertrekken.

Hoeveel adem heb je nodig voor die berg?

Zal het gelukt zijn? De kosmos kijkt even een andere kant op, maar weet wel beter.

Gelukkig ligt het niet aan jullie.

En de dingen leggen zich neer, in wat zich aandiende.

Een gesprek over soorten liefde, en de liefde voor de wereld daarin. De tekst mag blijven.

De zwaartekracht van je adem.

Je schrijft een brief aan Julia. (Terwijl je schrijft, schudt je lichaam.)

De dagen omhullen het verdriet, of omgekeerd.

Er is iets met ruggen en schouders, en wat ze zeggen.

Er is iets met weggaan en blijven.

Je weet nog niets over je adem, je stroom.

De beelden blijven, en zijn veranderd. Je houdt van rimpels.

Je neemt je voor om alleen maar te kijken.

En misschien weten de woorden wat jij nog niet weet.

11 november 2020

Een brief aan Julia


Lieve Julia 

Het leek me hoog tijd om nog eens een brief naar je te schrijven. Niet dat ik zoveel belangwekkends te vertellen heb. Er zijn misschien gewoon enkele beelden die ik met je zou willen delen.

Waar sta je als kind en als papa in de ruimte? Ik weet niet goed hoe het voor jou is. Het is een gevoel dat voor veel mensen verschillend is waarschijnlijk. Dat je in een soort keten staat. Je grootouders en ouders staan voor je, als je het als een lijn in de tijd ziet. Als het goed gaat, en als ze er zijn, kun je een beetje achter hun rug schuilen, uit de wind. Soms zijn ze er niet, of maken ze er een rommeltje van, en dan is het alsof ze af en toe een beetje verdwaald zijn. Maar je kunt wel de plek zien waar ze staan, of zouden moeten staan. Als ze sterven, wordt het een lege plek daar. En dan is er de plek achter je. Daar staat iemand waarvoor jij in de wind kunt gaan staan. Dat voor en achter zou je ook om kunnen draaien, met een beeld van ouders die achter je staan, als je de wereld betreedt. Het maakt niet zo uit hoe je de lijn ziet, het lijkt alleszins op een keten, een soort natuurlijk proces. Als je ouders wegvallen en je hebt geen kinderen sta je daar ineens helemaal alleen. Er staan mogelijk nog mensen naast je, zoals een zus of broer als je die hebt. Maar de wind heeft toch een beetje vrij spel.

Misschien is dit voor jou een heel abstract beeld, of iets waar je nog helemaal niet aan toe bent. Het is niet erg. Ik vroeg het me gewoon af, hoe jij die keten voelt. Zie je een lijn die van je grootouders tot bij jou is gekomen? Voelt het goed om hen in jouw lichaam te voelen, in hoe je beweegt of hoe je naar de dingen kijkt? Heb je het gevoel soms dat je een beetje verloren loopt in de tijd als je die band niet voelt? En hoe kijk je naar je papa en je mama? Als je ons in de ruimte zou moeten zetten, hoe zou je dat dan doen, en waar zou je zelf gaan staan?

Soms als ik naar je kijk, terwijl je bezig bent met die 101 dingen die je doet, is het alsof ik de tijd uit handen kan geven aan jou. Wanneer het moment komt dat ik zal sterven, kan ik denken dat iets van het leven dat ik heb mogen dragen overgaat in jou. Misschien is het leven iets als een estafettestok. Als je geen kinderen hebt, kan het zijn dat de stok op de grond valt. Niet dat ik boodschappen heb voor jou, wijze lessen of zo, maar het voelt wel goed te weten dat de stok op een of andere manier bij jou terecht zal komen. Het heeft iets met overgave te maken. Misschien zal ik me gemakkelijker kunnen overgeven aan de dood, omdat ik weet dat de keten verder doorleeft. Ik weet dat het leven bij jou in goede handen is. En als jij zelf kinderen zult krijgen, zul je misschien ook wel zo’n gevoel hebben. Ik zou het graag van je horen, hoe je die dingen aanvoelt.

Er is een beeld dat me verwart. Het beeld van het dragen. Jouw mama droeg je in haar buik. En ik heb je daarna ook in mijn armen gedragen. Zo kon ik je het leven laten zien, in de grote wereld. Ik herinner me nog hoe je soms naar me toe kwam lopen om me te vragen je te dragen. Het liefst wou je zo tegen me aan hangen dat jouw buik tegen de mijne kwam. Ik voelde dan hoe je je vastklampte aan mij. En ik zag hoe je rustig werd. Het is een beeld. Maar als je het ruimer ziet, vraag ik het me vaak af. Of ik jou wel genoeg heb gedragen in het leven. Af en toe eventjes, wanneer het nodig was. Weet je nog hoe het voelde? Welke herinnering heb je erbij?

Soms ben ik bang om oud te worden. En het heeft iets met dat dragen te maken. Het is een mooi beeld. Te weten dat jij daar ook ergens in de buurt zult zijn, als ik op het laatste stuk van de weg ben. Net als alle andere mensen hoop ik dat ik rustig en gezond oud kan worden. En dat je dan alleen maar moet kijken. Dat je vraagt om nog eens alle verhalen te vertellen. En dat zal ik dan doen. Maar ik zou niet willen dat je me moet dragen. Ik kan niet goed uitleggen wat ik daarmee bedoel. Het zal al moeilijk genoeg zijn om je achter te moeten laten.

Na mijn dood mag je wel mijn verhalen dragen. Als ik me voorstel dat jij zelf ook kinderen zou krijgen, en dat je dan af en toe over mij vertelt, een of ander raar verhaal, dan zou dat idee alleen al me een soort veiligheid geven. In de verhalen wil ik wel verdwijnen. Stel dat jij iets aan je kinderen vertelt. En zij doen iets met dat verhaal, als ze klein zijn of later. Dan verandert er telkens iets, wordt het ene verhaal het begin van een volgend verhaal. En zo zou ik dan kunnen verdwijnen, zonder ooit echt verloren te gaan. Wat wel een mooie gedachte is.

Ik weet eigenlijk helemaal niet goed wat ik met deze brief wilde zeggen. En misschien geeft het niet. Misschien begrijp jij een beetje waar dit alles vandaan komt. Vertel me maar, ooit eens, wat je dacht. Het is mooi om te zien, hoe jij en de anderen van jouw generatie zo vanzelfsprekend met de dingen omgaan. Jij zult het dus allemaal heel goed doen, dat weet ik nu al. Het is soms een moeilijk gedachte dat ik waarschijnlijk niet jouw hele leven zal kunnen zien. Als ik heel oud word, zul jij nog altijd jong zijn.

Die plaats in de ruimte dus, daar zou ik graag met jou verder over willen praten. Misschien kan dat wel.

Je papa