29 maart 2015

Welke vragen zou je willen

‘Toch wel een beetje spannend, eigenlijk.’
‘Ja, vind ik ook.’
‘Misschien waren we wel allebei aan het wachten.’
‘Op hetzelfde.’
‘Het is aantrekkelijk en akelig tegelijk. Je denkt dat dat gemakkelijker gaat met het ouder worden, maar het is niet zo. Integendeel.’
‘Sowieso, denk ik.’
‘Ben je bang?’
‘Ja. Jij niet?’
‘Ik ook.’
‘Ik ken je nog niet zo heel goed, maar ik denk dat jij je iets meer thuis voelt in de woorden dan ik. Als ik dat mag zeggen.’
‘Je mag alles zeggen. Echt.’
‘Ik weet het allemaal niet zo goed. Het is moeilijk om bang te zijn. Maar het alternatief daarvoor is nu weglopen. En ik had me voorgenomen dat dit keer niet te doen.’
‘Lijkt me een heel goed plan.’
‘Als jij iemand anders was, zou het overigens gemakkelijker zijn om weg te lopen. Hoewel ik het bij jou liever zou doen, of zoiets. Begrijp je? Ik klink heel verward waarschijnlijk.’
‘Ik denk dat ik het wel begrijp.’
‘Hoe is het dan voor jou?’
‘Het is verleidelijk om mezelf af te sluiten. Maar ik heb beloofd, aan mezelf en aan iemand anders, om dat niet te doen. Niet meer.’
‘Weet je dan wat je wilt?’
‘Oei, dat is een heel moeilijke vraag. Iets met willen in is altijd ingewikkeld voor mij. Soms denk ik wel dat ik weet wat goed zou zijn voor mij. Die gedachte kan ik nog net aan.’
‘En hoe ziet dat er dan uit? Dat wat goed is voor jou?’
‘Iets dat me vertrouwen geeft, denk ik. Je herinnert je dingen die je meemaakte met anderen, waarvan je op dat moment al besefte, een klein beetje toch, dat ze niet goed waren. Na een tijd zie je dat nog beter.’
‘Ja, dat is wel zo. Maar op het moment zelf is dat vaak zo verwarrend, er is dan zoveel tegelijk.’
‘Soms kun je de dingen pas nadien uit elkaar halen, en zie je dan pas wat er gebeurde. Anderen zien dat vaak beter dan jezelf.’
‘Dat anderen dat zien, en ik niet, dat maakt me soms nog banger.’
‘Herkenbaar.’
‘Het is wel grappig eigenlijk, hoe we nu bezig zijn. Misschien kan er wel niets fout gaan.’
‘Wie weet.’
‘Je zei dat het iets is dat je vertrouwen geeft. Hoe moet ik me dat voorstellen?’
‘Soms zie ik het ineens voor me. Dat kan zijn op een onbewaakt moment. Op weg naar huis of zo, wanneer iemand iets deed of zei dat me pijn deed, of dat me deed beseffen dat het niet goed was. En dan zie ik soms ineens vragen voor me. En dan denk ik: iemand zou me nu, of op een moment van samen zijn, maar alleen die en die vragen moeten stellen, en het zou in orde zijn.’
‘Alleen vragen, is dat genoeg?’
‘Misschien ook iets als: blijven na het antwoord.’
‘Vooral dat, zou ik denken.’
‘Heb jij dat ook nooit? Zo’n verlangen naar vragen die je graag zou horen?’
‘Heel vaak eigenlijk, maar ik durf het niet toelaten. Het is een beetje te gevaarlijk. En aantrekkelijk tegelijk.’
‘Soms denk ik dat je een zekere vrede moet hebben bereikt, om goed vragen te kunnen stellen. Ik kan het niet zo goed uitleggen, en het klinkt zwaarder dan ik het bedoel. Maar dat bij een ander voelen, dat is wel bijzonder.’
‘En zeldzaam.’
‘Ja, waarschijnlijk wel.’
‘Maar eigenlijk vind ik het wel heel erg fijn om nu hier te zijn.’
‘Ik ook.’

27 maart 2015

Er was eens

Er was eens. Een klein prinsesje. Op sommige dagen zag ze er al bijna uit als een groot prinsesje. Op andere dagen iets minder. Maar ze bleef wel altijd een prinsesje. Kleuter of niet.

Het prinsesje hield van jurkjes met bollen op. Ze had er wel zeven. Telkens met andere kleuren. Jurkjes met bollen.

In haar klasje was het niet steeds gemakkelijk. Jongens. Daar heb je altijd problemen mee. Er was een jongen in haar klasje die zei dat hij verliefd was op haar. Ze vond hem wel leuk, maar ze wou zich nog niet binden. Ze wou ook praten en dollen met andere jongens, maar dat vond hij maar niks. Hij had het aan zijn mama verteld.

Op een dag zei ze tegen haar mama: ‘Mama, vandaag wil ik vliegen.’ Haar mama zei: ‘Maar natuurlijk wil je dat. Maar wil je dan wel eerst je tanden poetsen?’

Het kleine prinsesje hield niet altijd van tanden poetsen. Vooral niet op oneven dagen. Haar mama keek nogal boos. Het prinsesje deed of ze het niet merkte, maar poetste toch maar snel haar tanden.

Ze fietsten samen naar school. Het prinsesje had haar mama nog nooit verteld over de schoolkabouter. Die heette Leonard. Hij was groot en lief. Ze noemde hem de schoolkabouter, omdat ze hem altijd zag op school. Maar ze had hem even goed de prinsesjeskabouter kunnen noemen, want volgens haar was zij de enige die hem kon zien. Leonard wou daar geen uitspraak over doen.

Als ze zich alleen voelde op school, omdat alle andere kinderen enkel maar stomme dingen deden, ging ze naar Leonard. Ze wist nooit waar hij was. Maar als ze op weg ging, om hem te zoeken, dan was hij ineens daar.

Die dag dus zou ze zeker aan Leonard vertellen dat ze wou vliegen.

Het is niet altijd eenvoudig om een prinsesje te zijn. Mensen verwachten veel van je. Zoals dat je alles begrijpt. Meteen. Als prinsesje leer je wel een beetje te doen alsof. Je leert hoe je ernstig kunt kijken, terwijl je begrijpend knikt. Op zo’n momenten ben je toch wel een groot prinsesje, min of meer. Soms wil je geen groot prinsesje zijn. Dan wil je alleen spelen, gewoon spelen.

De nacht voor die dag had ze een akelige droom gehad. Ja, prinsesjes dromen ook. In die droom was de school ineens een doolhof geworden. Ze liep steeds meer verloren. En wat ze ook deed, Leonard was nergens. Soms stopt een droom voor het echt erg wordt. Maar deze niet, die ging maar door en door.

Ze had het maar niet aan haar mama verteld. Ze vertelde veel niet aan haar mama. Die zou alleen maar schrikken, en bezorgd zijn.

Wat ze wel had verteld, was dat ze vandaag wilde vliegen. Dat ze wou vliegen maakte haar eigenlijk bang. Maar het was alsof ze geen keuze had. Het vliegen was op haar weg gekomen, vandaag. Door het te vertellen aan haar mama hoopte ze een beetje minder bang te zijn.

In het klasje was het alsof ze er niet was. Ze was er wel, natuurlijk, maar het leek alsof ze er niet was, niet met haar hoofd dan toch. Die ene jongen zat wel de hele tijd naar haar te kijken. Dat was niet zo leuk. Aan hem zou ze het nooit kunnen vertellen, dat ze zou vliegen. En al die andere dingen die nog op haar weg zouden komen. Soms weet je het ineens, dat er zoveel dingen zijn die je nooit zult kunnen vertellen. En zij besefte het nu. Het maakte haar een beetje eenzaam. Maar ook wel rustig tegelijk.

De juf vooraan vertelde iets over de lente, die blijkbaar begonnen was. Ze hoorde het wel, ergens in de verte, maar het bleef niet plakken in haar hoofd. Het waaide erdoor, of zoiets. Ze kon niet anders dan denken aan vliegen.

’s Middags wou ze Leonard zien. Ze wist dat ze niet moest zoeken, als ze hem wou vinden. Ze had ooit eens aan haar mama gevraagd of dat met de liefde ook zo is, maar die kon daar niet op antwoorden.

En daar stond Leonard. Hij wachtte haar rustig op. Hij zei: ‘Je weet het al. Je hoeft het me niet te vragen. En ik hoef niet te antwoorden.’

Het prinsesje vroeg: ‘Hoe doe ik dat, vliegen?’

En Leonard zei: ‘Gewoon, doen.’

Het prinsesje vroeg: ‘Kun je me niet meer zeggen?’

Leonard zei: ‘Nee, dat kan ik niet. Het vliegen heeft jou gekozen. Ik kan alleen hier blijven, en kijken naar jou. Ik zal de hele tijd kijken. Er zal geen moment zijn, terwijl je vliegt, dat ik je niet zie.'

Het prinsesje vroeg: ‘Wil dat dan zeggen dat je nooit niet bij mij bent?’

Leonard zei: ‘Ja, dat wil het zeggen.’

En het prinsesje voelde nog even met haar vingertoppen aan alle bollen op haar jurk. Alle kleuren wou ze aangeraakt hebben. Anders kon ze niet vliegen.

En ze vloog. Ze vloog. Eerst aarzelend. Zoals wanneer je niet weet wat je moet zeggen tegen iemand, terwijl je eigenlijk heel erg graag iets zou willen zeggen. Ook een beetje verlegen. Omdat de lucht zo groot leek, en ontvankelijk. En ook wel een beetje bang. Wat zou er gebeuren als er ineens een regenboog zou zijn? Zou ze dan verstrikt raken in de kleuren?

Maar er was geen regenboog. En ze vloog. Tot hoog in de lucht. En beneden zag ze het schooltje. En daar een beetje verder het huis waar ze met haar mama woonde. Het was wel een klein beetje koud in de lucht.

Ze had nog niet aan haar mama verteld dat ze het woord spiegelbeeld al kende. Terwijl ze vloog, was het alsof vliegen het spiegelbeeld van die boze dromen was die soms zomaar komen ’s nachts, zonder te kloppen. Zelfs een lampje naast het bed houdt die dromen niet tegen. Maar vliegen, dat is alsof je zelf een mooie droom kunt kiezen.

Niemand had haar ooit gezegd hoe je terug naar de aarde moet gaan, als je vliegt. Ze deed het dus maar heel voorzichtig. Het kon niet echt fout gaan, want Leonard keek naar haar. De hele tijd.

Die namiddag in klasje glimlachte ze de hele tijd. De juf vroeg nog of er iets was. Het prinsesje zei: ‘Ja, er is iets. Gelukkig.’

En toen de schooldag voorbij was, stond de mama het prinsesje op te wachten aan de schoolpoort. Prinsesjes mogen nog hollen naar de schoolpoort. Ze hoeven nog niet te schrijden. En de mama vroeg: ‘Wat heb je vandaag gedaan?’

En het prinsesje zei: ‘Gevlogen, ik heb gevlogen.’

25 maart 2015

Mensen

(Even terugdenken aan de  voorbije dagen. Waren er mensen die je ontroerden? Waren er mensen die je kwaad maakten?)

Het meisje dat tegenover jou komt zitten in de trein. Of je misschien een balpen hebt? Eigenlijk, zegt ze, of je misschien een rode balpen hebt? Ze moet alle taken van haar leerlingen verbeteren, en ze heeft geen balpen. Je hebt alleen een blauwe. Je geeft haar die, en vraagt nog of alle leerlingen nu dus eigenlijk geen fout kunnen gemaakt hebben. Ze bevestigt, en glimlacht.

Zielig mannetje, 1. Die oetlul in zijn stomme dikke Hummer die midden in de stad gewoon even dubbel parkeert, recht voor de drukke garage waar de hele dag door op creatieve wijze auto’s worden gewassen. Om daarna rustig de straat over te steken om in de winkel aan de overkant even iets te halen. Strak in het pak. Zielig, dat je zo’n groot apparaat nodig hebt om blijkbaar iets over je kwetsbare mannelijke ego te zeggen…

Het meisje op de eerste rij in het leslokaal. Ze kijkt je intens aan, volgt alles wat je zegt, en noteert driftig. Ze lacht na de les een beetje schaapachtig. Je bent blij dat je iets mocht vertellen bij die mooie jonge mensen.

Het kleine meisje dat van plan is met 2 euro een heel huis te kopen.

De heel vriendelijke mevrouw van de polikliniek die je opbelt om te zeggen dat je al een maand vroeger mag komen voor je melanoomcontrole. Ze maakt je gelukkig, al kun je niet juist zeggen waarom. (Het worden wel drie dagen onderzoeken en controles na elkaar zo, maar op die manier is het controleseizoen ook in een keer voorbij en kan de lente echt beginnen.)

Zielig mannetje, 2. Die omhooggevallen arrogante bal uit dat weerzinwekkend programma over auto’s. Dat hij ontslagen wordt – het zou er nog aan mankeren – verdiende misschien een klein regeltje op pagina 734 van de krant. Daar zou je mee kunnen leven. Maar dat het ook nog eens zowaar een hoofdpunt in het nieuws moet worden. Zucht! En nog eens. Zucht!

Die man die op de radio vertelt, heel rustig, hoe bij de bom onschadelijk maakte. Hij ontroert je.

Die jongen die in het journaal op de televisie vertelt dat hij nog snel in een koffer de belangrijke dingen uit zijn leven verzamelde. Voor het geval de bom zou ontploffen. Wat dat dan wel zou zijn? Zijn knuffel. Misschien komt het toch nog wel goed met de emancipatie…

De vriendelijke man die elke dag met die grote machine staat te poetsen in het immense gebouw waar je werkt. Hoe hij elke dag ook met een brede glimlach dag zegt.

Zielig mannetje, 3. Een of andere burgemeester die meent allerlei zogenaamd dringende dingen te moeten zeggen over sommige bevolkingsgroepen van zijn stad. En zich ongetwijfeld weer voor de xste keer onheus behandeld zal voelen door iedereen die het maar waagt vragen te stellen bij die uitspraken, door elke krant en elk ander nieuwsmedium. En daarna ook nog eens zeggen dat hij het beu is om als een calimero voorgesteld te worden. Is het echt nodig, denk je, om elke keer opnieuw zoveel negatieve energie te verspreiden? En dan zijn opperminister, die in het parlement als autoriteitsargument gebruikt tegen wie kritiek durft geven dat het hier toch niet alleen een burgemeester betreft, maar zelfs de voorzitter van de grootste regeringspartij… “Beseffen jullie wel hoe belangrijk wij zijn?” (Je krijgt zin om met dingen naar het scherm te gooien, maar je bent goed opgevoed, wat dat betreft.)

De mevrouw die opduikt in je droom. Om een of andere reden moet je haar naar boven dragen, een lange trap op. Daar aangekomen heb je de indruk dat ze er ineens heel anders uit ziet. Je herkent haar niet meteen. Maar zij jou wel blijkbaar. Dat zal wel goed nieuws zijn.

De vrouw, je had haar al lang niet meer gehoord, die je een dolenthousiast berichtje stuurt. Om te zeggen dat ze jouw stukje zo leuk vond. Het voelt als een cadeau, zomaar, van de lente.

De mensen die doodserieus door de tunnel onder de sporen lopen. Met hun paraplu nog open boven hun hoofd. Een pijp mag het dan niet zijn, maar Magritte bestaat wel.

De mevrouw aan het loket die je treinabonnement vernieuwt. De wonderlijk warme versie van ‘we zullen dat even voor u regelen meneer, dan hoeft u zich geen zorgen meer te maken’. Je zou haar bijna een kus willen geven. (Er zit echter wel veel glas tussen.)

De vriendin aan de telefoon die je uitnodigt voor een koffieconcert, gepresenteerd door haar dochter. Je glimlacht nu al.

(De gelukkige vaststelling dat er meer mensen waren die je ontroerden dan mensen die je kwaad maakten.)

22 maart 2015

Archeologie


Zou je het kunnen zien? De plek in je huid waar de lagen elkaar raken. Daar waar het kind begint dat je was, en nog steeds ergens bent. Daar waar de persoon die beweegt in de grote wereld eindigt. Als je op die plek zou zijn, zou je het zien. Waarom je de dingen zo zegt, zo voelt.

Soms neemt het kleine ik het over, is er alleen toen. Wat onveilig was toen. Wat je hoopte te vinden toen.

Misschien merk je het niet eens.

Soms kun je het zien. Soms ben je transparant, misschien toch voor je eigen ogen. Ook al is het achteraf.

Iemand zegt iets, iemand doet iets, je ziet iets, en ineens weet je het. Het komt bij je binnen, en het gaat naar die plek.

Het hoeft je verder niet te doen wankelen. Je ziet het gewoon.

En wat je nodig hebt. Het is op zich al een moeilijke vraag. Een vraag die misschien niet mag gesteld worden. Aan welke kant van de lijn sta je als je die vraag beantwoordt? Kun je dat eigenlijk wel kiezen?

Mag je het vragen? Als je een ander meeneemt naar die plek. Daar waar je huid nog naakter is.

Mag je vragen te kijken? En te zien? Meer niet.

Soms doet het je wel wankelen. Het is niet anders.

Soms kun je lang aan de grote kant blijven. Zie je hoe je beweegt daar. Als je eerlijk bent, ben je misschien een beetje verbaasd over wat je ziet. Soms voelt het vrij, soms voelt het alsof je de aarde verliest.

Soms mis je het, hoe het je kan raken. Niet omdat je de pijn mist, maar omdat je huid te droog wordt.
En dan ga je voorzichtig weer terug. Naar die plek.

Misschien is dat wel goed.

Je kunt alleen zelf je thuis vinden.

En ’s nachts hebben de dingen vrij spel. Soms. Ze nemen je over.

Je ziet aan welke kant je dan bent. En je zou willen dat iemand zegt: alles komt goed. Alles komt goed, slaap nu maar.

En overdag wil je weer lopen, na zo’n nacht. Misschien wel te snel.

Tot iemand je zegt: traag.

Misschien wou je dat het afgelijnd was. Dat je er een woord op kon leggen, één woord. Alsof het daarmee voorbij zou zijn. En opgelost.

Nee, traag, zegt iemand. Het is een plek. En hoewel je lijnen ziet, je weet nooit waar een plek begint of ophoudt plek te zijn. Het is.

Soms doet het pijn, zou je zeggen. Ja, soms doet het pijn. Het is.

Je zou stilletjes willen fluisteren tegen iemand: blijf.

Heel stilletjes.

En ondertussen waait de wind verder. Je kunt niet vragen: wacht even, wacht even op mij. De wind volgt alleen zichzelf. Net als de tijd.

Soms weet je: het is een mooie plek om te zijn. Hier.

Als je hier bent, ben je ook ergens.

Als je hier bent, kun je de wind voelen, op je huid.

21 maart 2015

Een gesprek

Het is een opdracht, een beetje toch. Met de collega’s uit eten. Je hebt fijne collega’s. Je eet graag. Maar je gaat niet zo graag tijdens het werk uit eten. Het blijft altijd een beetje spannend, om allerlei redenen. Die iets met een buik te maken hebben. Of misschien enkel met de herinnering eraan, dat weet je soms niet zo goed. Het etentje is nog voor jouw verjaardag, dus jij moet een restaurant kiezen. Pas die ochtend, op weg naar het werk, krijg je een idee. Je doet je best om niet te laten merken dat het je zenuwachtig maakt. Aziatisch, dat wordt het. Het is allemaal best lekker. En vooral de als een speer rondrennende meneer die de bestellingen opneemt, alles komt brengen, de kassa doet, en ook nog de drankjes inschenkt is een belevenis. En zoals steeds, het gaat voorbij.

Na een vergadering nog snel even langs bij een vriendin. Om een boek te brengen. Ze vertelt je een verhaal. Je bent blij voor haar. Op weg naar huis denk je na over schuilnamen.

Je moet de volgende dag een les gaan geven. Of eigenlijk: tweemaal een les gaan geven. Met pauze. Je hebt al wat gewerkt aan je presentatie, een herwerking van een eerdere les. Gewoon nog even checken welke treinen je zult nemen de volgende dag. Tot je ineens ziet dat die eerste les begint om 8.30 uur, en wel in Aalst. Een lichte schok. Blijkt dat je al om 6.30 uur de trein zult moeten nemen, om nog op tijd de bus te halen. Het maakt je een beetje onrustig.

Dynamovrees. Die avond. Op weg terug naar huis, na een gelukkig nogal korte vergadering. Er is iets met je dynamo. Hij staat niet helemaal juist afgesteld. Of zoiets. Van sommige objecten heb je een beetje schrik. Je dynamo is er een van. Je denkt dat je, als je ergens op zou duwen of iets zou doen dat lijkt op wringen of zo, dat wonderlijke en onmisbare apparaat gegarandeerd naar de verdoemenis zult helpen. Maar bij elke fietsrit denk je: ik zou toch iets moeten doen aan die dynamo. Je besluit om een van de volgende dagen toch al eens uitgebreid te kijken naar het ding in kwestie, zodat je over kunt gaan tot het bedenken van een dynamostrategie.

Het was toch wel erg vroeg, denk je. De treinaansluitingen heb je gehaald. Er waren geen vertragingen. Je was op tijd in de bus. Even heb je nog de ‘hoe weet ik in godsnaam waar ik moet afstappen, zou ik het vragen aan de chauffeur, of toch maar gokken?’-vrees. In de categorie ‘laat ik maar een beetje dapper zijn’ vraag je aan enkele jongeren of zij ook aan die hogeschool uitstappen. Ja dus. (Later zal blijken dat zowat de hele bus uitstapt aan de school, je had dus toch kunnen gokken.) Je hoort allerlei verhalen rondom jou. Een meisje vertelt dat ze haar vriendje niet kan vertrouwen. Ze weet niet waar hij ’s avonds altijd uithangt. Ze zou een soort camera willen installeren, ergens bij hem, zodat ze altijd kan zien waar hij is. Twee jongens hebben het er op een rustige, bijna professionele toon over dat ze twee lesbo’s echt wel geil vinden. De bus brengt je steeds weer terug bij het echte leven.

Bij het geven van je les probeer je er – vanzelfsprekend – op te letten dat je regelmatig het woord ‘welnu’ gebruikt.

(Terwijl je ’s morgens vroeg naar de markt rijdt, denk je: ik moet stilaan toch eens naar die dynamo kijken.)

Tijdens de eclips zit je in een aula. Een kleine. Je hoort interessante verhalen van de wetenschappers vooraan. (Sommige iets interessanter dan andere.) Je probeert er niet aan te denken, maar toch gaan je gedachten naar die vorige eclips. Waar je was. Met wie. En wat er zou gebeuren in de dagen daarna. Het zal wel altijd blijven.

’s Avonds spring je op de fiets. Je rijdt snel. Je wilt snel bij haar zijn. Veel dingen gaan door je hoofd.

Soms denk je dat het voor het eerst is dat iemand in je droom verschijnt. Maar dat weet je nooit zeker natuurlijk. Maar je denkt dus dat die persoon voor het eerst in je droom verschijnt. En je vindt dat wel een klein beetje leuk. Veel leuker alleszins dan die droom van enkele nachten geleden. Waarin iemand je verplichtte om biefstuk te eten. Een nachtmerrie.

Een gesprek. Het dient zich zomaar aan. En om een of andere reden maakt het je heel gelukkig. (Als je eerlijk bent, moet je aan jezelf toegeven dat je de reden ook kent.) Je vraagt je af hoe het gesprek verder zal verlopen.

Je hebt al weken nauwelijks kunnen lezen. De boeken liggen in een grote stapel op je te wachten, nochtans. En toch. Toch wil je even in de boekhandel rondlopen. Kijken. Aanraken. Dromen. Er gewoon geweest zijn. Het maakt je een beetje rustiger.

Beelden schuiven door elkaar in je hoofd. Het zal zich wel uitwijzen.

15 maart 2015

Omwegen

Soms weet je het niet. (Zou ik dat mogen zeggen, zou ik dat mogen doen?) Het lijkt zo vanzelfsprekend, het lijkt zo gewoon het gevolg te zijn van het feit dat je hand er is.

Soms komen herinneringen zomaar opzetten. (Of waren ze nog niet weg, dat kan ook.) Een dag eerder dacht je nog: goed dat ik nu hier ben, dat ik het nu zie. Een dag later schuift het door je huid. En je zou.

Soms zou je in je droom willen blijven. Even langer toch. Om te ontdekken wat er zou gebeuren. Of alleen maar blijven. Om te voelen.

Soms vraag je je af of iemand ooit zal zeggen: had ik toen maar.

Soms vraag je je af of je ooit had moeten zeggen.

Soms vraag je je af of je die woorden toch had moeten opschrijven.

Soms denk je dat je op deze vrede moest wachten. En dat het iets met de dingen zal doen.

Soms denk je: ik vertel de laatste omwegverhalen, en dan ligt alles achter me. Dan is het alleen nog.

Soms zie je jezelf in een beeld, en voel je alles wat daar zou kunnen zijn. En het is alsof het zo zou kunnen zijn.

Soms denk je: ik zou ja zeggen, misschien wel.

Soms zie je iemand in een film. Zoals net nog. Je ziet haar, hoe ze staat te roepen, en wenen tegelijk. Hoe ze vecht. Hoe ze zichzelf volgt. En alleen daardoor iets laat zien wat jij nooit zag. Hoe je ineens van de kaart bent, en beseft: dit is het dus. Dit had het kunnen zijn.

Soms zie je het blijven, en wat het zou kunnen betekenen.

Soms zie je de kinderen, wat ze zeggen, wat ze doen. Hoe ze je iets duidelijk maken.

Soms zeg je: zal ik voor je koken. Soms zou je willen zeggen: zal ik voor je koken.

Soms denk je: iemand zou me nu zomaar kunnen doen smelten.

Soms zeg je: je bent mooi.

Soms zie je alleen die herinneringen. Het is alsof je daar zomaar verder zou kunnen gaan. Alsof je die verhalen weer op kunt pikken. Als verhalen.

Soms denk je: het is goed genoeg zo, die vraag hoeft niet meer.

Soms beweeg je traag door de kamer. Je komt dicht bij waar de dans zou kunnen zijn, zomaar, daar.

Soms doe je iets hier, in de hoop dat het daar gehoord wordt. Soms lukt dat.

Soms zie je wat de troost zou kunnen zijn.

Soms komen de woorden naar je toe. Toch enkele zinnen.

Soms is het of je iets begrijpt. Op een zondagnamiddag.

Soms zie je dat het goed was te wachten. Soms zie je dat het woord wachten niet het juiste is.

Soms kijk je naar dat lichaam. Soms vallen de dingen samen.

Soms kijk je naar een lege plek. En slaap je daarna weer verder.

Soms kijk je naar je onrust. Hoe die onder je huid beweegt. En blijf je gewoon rustig kijken. Tot het weer over is.

Soms zie je het verlangen.

14 maart 2015

Gelijk

(Fijn om de lege plek terug te vinden waar woorden zouden kunnen komen. Je durfde er nauwelijks naar verlangen, al die dagen.)

Bijna een heel weekend, en daarna een hele rij avonden na elkaar, weg van huis. Van thuis. Het is niet goed voor je. Je weet het. Je probeert er niet aan te denken. Gewoon stap voor stap de dingen doen, en aftellen. Tot de lege plek.

Ergens midden in een nacht wakker schrikken. Je lijf in een kramp, je hoofd in een soort windhoos. Uit het bed stappen, rondwandelen, zitten, ademen, afkoelen, voelen hoe je langzaam weer bij jezelf komt.

Onderweg. Je gaat een lezing geven. Op de kaart lijkt het niet erg ver weg, van het station naar het café waar je moet zijn. Op de kaart lijkt het vaak nog verder weg dan het werkelijk is. Je hebt dus weer veel te snel gestapt. Het loopt wel goed allemaal, het zijn fijne mensen. Ze blijven vragen stellen, en je zou zo graag toch die ene trein halen. Je hebt er al een laten gaan. Je antwoordt, terwijl je je jas al aandoet. Terug naar het station. Waar je dus nog veel te vroeg bent.

In de trein terug lees je een artikel over plus 50. Je mag nu officieel dingen lezen over plus 50. Je bent er na enkele weken al een beetje aan gewend. En je denkt: dit klopt eigenlijk wel. Moet je je al zorgen beginnen te maken wegens al helemaal thuis in plus 50?

In de week daarvoor wist je dat je moest wachten op de ideeën voor het verjaardagscadeau. De ideeën voor het cadeau zouden zo naar je toe komen, je wist dat je niet te zeer zelf moest zoeken. En ja. De ideeën komen zomaar bij je binnen. Nu alleen nog een strik er rond.

Je weet soms wat er zal komen tijdens een vergadering. Het is niet erg. En toch, het kan je telkens weer teleurstellen.

Er gebeuren weer spannende dingen in je dromen. Sommige mensen duiken weer op, na een lange afwezigheid.

Het is te druk, je bent te veel onderweg. Je denkt tussendoor aan die en die en die en die. En je zou het willen vragen: gaat het goed met jou? Je zou willen zeggen: ik hoop echt dat het goed gaat met jou. Maar daarvoor zou zelf even een lege plek moeten zijn.

In sommige gesprekken zou je voor jezelf soms een lijst alternatieven willen hebben voor ‘ik hoop het voor jou’. Het is wat je meent, en wat je voelt. Maar soms denk je: heb ik dat nu al niet te vaak gezegd? Velen zeggen het vaak niet, ze beginnen meteen over zichzelf. Je probeert oprecht alleen maar te luisteren, en alleen maar iets dat mooi is en vol liefde toe te wensen aan een ander. Maar het brengt je telkens zelf in de war, alsof je quotum voor de formule ‘ik hoop het voor jou’ is opgebruikt.

(Story of your life, dat je denkt dat je quotum van iets is opgebruikt.)

In een gesprek met een vriend van een vriendin. Hij vraagt je of je dan geen gelijk zou willen hebben. Je zegt dat je dat niet wilt, dat je een beetje huivert van dat woord. Hij lijkt het niet te begrijpen, of niet te geloven. Je denkt nog even na in je hoofd, of je het stiekem toch niet wilt. Je blijft bij nee. Je zou wel graag in je leven enkele schilfers wijsheid vinden. Dat zou al heel veel zijn. En het lijkt je minder eenzaam.

De resultaten van de bloedtest zijn binnen. Je bent altijd bang dat je je dokter zult storen, zelfs al zei ze dat je mocht bellen op dat uur. Moet je op basis van de resultaten iets denken over plus 50?

Je wacht tot het concert gaat beginnen. Je bent hondsmoe. Je praat met de vriendin die bij je is. Je bent een beetje bang, eerlijk gezegd. En het concert begint. Nummer na nummer is het alsof een deel van die vermoeidheid van je weg glijdt.

Jullie zijn het helemaal eens over de coolness van de gitarist. Grote muzikanten met een klein ego, die zijn altijd het interessantst.

Je probeert je proactief enthousiasme voor de geweldige zwarte zangeres die zal komen nog een beetje te temperen. Tot ze het podium op wandelt. Het is onvoorstelbaar hoe ze het doet, telkens zo’n nummer naar een climax brengen. Vooral als ze een beetje voorover buigt, met haar benen gespreid, met die ene vinger in de lucht en dan die woeste blik, … Ja dan… Je voelt je dankbaar.

En je bent weer onderweg. Het is al de derde keer in een week dat je op weg bent naar die andere stad. Nadien zul je denken: de abdijtuin was leuker dan die vergadering.

(En na de woorden volgt er iets met een dekentje, denk je.)