13 april 2014

Wat je nooit zeker weet

Of je lang genoeg hebt gewacht op je lichaam. Tot het weer soepel en zacht wordt. En of het dat wel kan worden.

Waarom sommige mensen in je dromen opduiken. En wie ze zijn, soms.

Of je ooit moedig bent geweest. En vooral: of je ooit, op het juiste moment, het juiste zult doen.

Of je dicht genoeg bent gekomen bij de woorden.

Wat je zou vragen aan Bach, als je hem tegen zou komen. Of je wel iets zou vragen.

Of je de bewegingen van je grootvader overneemt of dat het omgekeerd is.

Of je toch niet zou moeten beginnen met de edele kunst van het hout. En of het wel genoeg is als je zegt dat de woorden jouw hout zijn.

Wat er van je geworden zou zijn als je iets meer moeite had gedaan voor de pianoles, zoveel jaar geleden.

Of je die foto’s zou kunnen maken die in je hoofd rondzwerven.

Of de mensen van wie je houdt en hebt gehouden dat ook wel weten.

Waarom je niet meer frangipanetaarten bakt.

Of je trouw genoeg bent gebleven tegenover je dierbaren die er niet meer zijn.

Of dat boek er ooit nog gaat komen.

Wie anderen zien als ze je blijkbaar herkennen.

Of het mogelijk is het eten niet op het exacte uur waarop je je vrienden uitnodigde klaar te hebben.

Of je jezelf uit handen kunt geven. Misschien wel, misschien niet.

Waarom het woord misschien zo vaak opduikt in je teksten.

Of je in staat bent tot de liefde. En of het anders is als die de er niet staat.

Waar hier ophoudt en daar begint.

Of je een plek bent.

Tot waar de wind waait.

Wat je zou vragen aan Bob Dylan, als je hem tegen zou komen. Of je wel iets zou vragen.

Of er manieren zijn die je nog niet kent om soepel, in één vloeiende beweging, die draad in dat oog van die naald te krijgen.

Of je ooit zonder schrik, en zonder totale afgang, een vlot gesprek zult kunnen voeren in het Duits. (En in het Spaans in je volgende leven dan.)

Hoe diep de scheuren zijn die de tijd in je maakte.

Wat je moet doen als iemand zegt: geniet ervan.

Of je alles doet om in je hoofd soepel oud te worden. Niet krampachtig jonger dan je bent, niet angstig ouder dan je bent.

Of je je geliefden genoeg aan het lachen hebt gebracht.

Of het besef van die duizenden boeken die je niet hebt gelezen en niet meer zult lezen draaglijk zal blijven.

Of je wel genoeg hebt geluisterd naar anderen.

Of je er genoeg was voor je vrienden.

Hoe warm je je moet kleden in het tussenseizoen. En of het nu wel of niet zal regenen die dag als je ’s morgens toch maar je regenjas meeneemt. En wat je met die jas moet doen als je ’s avonds weer naar huis loopt en het dus niet regent, en veel te warm is om die jas aan te hebben.

12 april 2014

Waar het bos begint

‘Je zou bijna mijn dochter kunnen zijn, weet je dat?’
‘Bijna. Zou je dat dan gewild hebben, mij als dochter?’
‘Dat is een te moeilijke vraag. Nu zou ik zeggen: ik kan moeilijk geloven dat ik de vader had kunnen zijn die goed was geweest voor jou.’
‘Wat een onzin. Misschien kan ik het me zelfs bijna voorstellen.’
‘Als ik me zoiets probeer voor te stellen, blokkeert er iets in mijn hoofd. Maar dat is niet zo erg, er is genoeg nu om mee verder te gaan.’
‘Soms weet ik eigenlijk niet goed hoe oud je bent. Het ene moment ben je oud, bijna oud als een vader. Het andere moment ben je niets. Ik bedoel: ben je zonder leeftijd, ben je alleen maar jij.’
‘Dat is een mooie gedachte. Alsof ik ergens verloren loop in de tijd.’
‘Dat geldt voor mij dan toch nog meer dan voor jou, dat ik verloren loop in de tijd. Soms weet ik het helemaal niet, waar ik ergens thuishoor.’
‘Het is goed dat ik af en toe je verhalen mag horen. Dan weet ik weer hoe het met je gaat, welke dingen je doet. En dan probeer ik me voor te stellen hoe je door het leven gaat. Soms denk ik dat je een beetje worstelt met de dingen.’
‘Een beetje?’
‘Soms.’
‘Soms.’
‘Worstelen is ook wel mooi. Ik ben uiteindelijk ook toch nog ergens terechtgekomen. Na een hoop geworstel.’
‘Maar duurt dat dan altijd zo lang?’
‘Het duurt altijd langer dan je zou willen. Maar het verandert ook wel.’
‘Ik wil zoveel. En tegelijk weet ik niet wat ik wil. En of ik wel iets wil. Soms zou ik heel erg niets willen willen. Of zo. Ik kan het niet goed uitleggen.’
‘Ik begrijp het wel, denk ik.’
‘Dat hoort dan waarschijnlijk bij deze tijd. Dat je veel moet willen. Soms is de druk zo groot. Je moet jezelf ontwikkelen, keuzes maken, steeds vooruit gaan. En dan zie ik mensen van mijn leeftijd. Sommigen van hen doen of ze het voor zichzelf allemaal weten. En soms denk ik: wat een onzin, jullie doen maar alsof. En soms denk ik: ho, ik blijf achter. Ken je dat?’
‘O ja. Dat vind ik een van de moeilijke dingen van het ouder worden. Bij mij dan toch, misschien is het anders voor anderen, al geloof ik dat niet helemaal. Na een hele tijd, en na veel gedoe, is het alsof je denkt dat je wel stilaan klaar bent om te beginnen. En je wilt niet terug naar vroeger, helemaal niet. Maar tegelijk besef je dat er al wel veel tijd op is, dat de tijd niet mee opschuift met jouw inzichten.’
‘Maar als ik jou zie, denk ik toch vaak dat je al veel hebt gevonden. Ik weet niet of ik dat ooit zal kunnen, en nog minder waar ik het dan zou moeten gaan zoeken.’
‘Sommige dingen heb ik inderdaad gevonden. Er is meer vrede gekomen, na een lang gevecht. Maar tegelijk bots je ook tegen de dingen in jezelf die je niet kunt veranderen. Ook al zou je het willen. Het is tegelijk iets van verzoening, en toch ook een besef van eenzaamheid die niet over zal gaan.’
‘Ik heb dat nu al zo erg soms.’
‘Maar jij hebt iets ouds. En dat zal nog jonger worden. En dan komt er een andere ouderdom in de plaats, of zo. Ik kan het niet uitleggen.’
‘Als jij zoiets zegt, maakt het me niet bang. Jij hebt iets over je dat mensen gerust kan stellen. Soms denk ik daaraan, en dan word ik rustiger.’
‘Ja, is dat zo?’
‘Ja, natuurlijk. Geloof het nu maar.’
‘Ik zal proberen.’
‘Het is wel een mooie plek hier trouwens.’
‘Ja, vind ik ook. Een plek voor trage woorden. Dat dacht ik toen ik het hier voor het eerst zag.’
‘Ik hou van trage woorden. En nog van andere trage dingen. Steeds meer eigenlijk.’
‘Ik weet het. En ik wist het. Dat je zo zou worden.’
‘Jij hebt geen schrik van woorden. Wel van het uitspreken ervan, en wel van mensen soms. Dat denk ik toch, voor zover ik je ken. Maar niet van de woorden zelf, van wat ze in zich hebben.’
‘Ik wou dat het zo was.’
‘Het is zo.’
‘Ik denk dat ik steeds meer verlang naar trage gesprekken. Gesprekken alsof er geen tijd over is. Alleen tijd.’
‘Ja.’
‘Ik vind wel dat jij heel oud moet worden eigenlijk.’
‘Maar jij ook, toch nog een hele tijd. We moeten nog veel praten.’

11 april 2014

Een zaadje

Je zult het wel niet afleren. Een lichte zenuwachtigheid voor de vergadering. Die vindt bij jou thuis plaats. En het huis is niet aan kant. Hoeveel tijd heb je nog? In die tijd kun je net nog een beetje poetsen en opruimen, meer niet. En terwijl je dat doet – het was weer tijd, denk je – voel je vooral alle dingen die je niet kunt doen. Falen.

En na de vergadering sta je nog na te praten met een vriendin in je keuken. Terwijl begint ze met een doekje hier en daar nog wat schoon te maken. Zo subtiel als vrouwen dat kunnen. En je voelt je alleen nog maar schuldiger. Falen voor gevorderden.

De pre-vakantieonrust. Je was al lang aan het uitkijken naar enkele dagen vrij. Het was weer tijd, wist je. Die eerste drempel is altijd de moeilijkste. Weten dat je even door de verwarring moet.

Verwarring komt ook in je droom die nacht. Iets met heel veel matrassen die op elkaar gestapeld zijn. En jij klimt daarover, bijna tegen het plafond, samen met een vroegere collega. Hoe moet je weer naar beneden?

Je lichaam volgt een eigen tijd, tijdens de nacht. En nog daarna.

Daarna is het al ochtend, en nog vroeg. Zoals elke week gaat die mevrouw eerst nog allerlei dingen met jouw spieren en gewrichten doen. Erop duwen maakt dat nadien alles een beetje pijn doet, en dat is goed.

De meneer in de bus worstelt met zijn apparaat. Het apparaat waar je kaartjes in moet steken. Allerlei dingen falen, blijkbaar. Hij is geen volbloed expert in multitasken.

In de bus vertelt het meisje over het heelal. Jullie bespreken in alle ernst alle dingen die zomaar op de bus zouden kunnen vallen. Zoals de maan. Een flesje niet, want dat blijft in de lucht zweven. En vliegtuigen kunnen toch niet tegen dat flesje vliegen. (Ze vliegen er waarschijnlijk omheen.)
Zouden er op de maan ook pinguïns zitten?

Er staan wel twee opgeblazen pinguïns daar waar de bus stopt. Wat zouden ze tegen elkaar zeggen? Ongetwijfeld iets over de categorische imperatief.

De echte pinguïns op hun rotsje hebben het ook over de crisis in Oekraïne. Ze houden van woorden met zo van die puntjes op de i.

Er lopen waarschijnlijk wel vier triljoen mensen door het dierenpark. Sommigen doen mee aan de wedstrijd voor de breedste kinderwagen. Je kunt trouwens allerlei nuttige dingen in zo’n kinderwagen proppen. Zelfs kinderen. Woorden op muren zijn er ook. En plannen, zodat je kunt zien waar HIER is.

Hier, alleen maar hier zijn. Soms sta je even stil, om hier te kijken, naar al die kinderen die door elkaar zwermen. Het maakt je stiller dan je al stond.

(Iets over mededogen met olifanten.) Hier beweegt de hele tijd. Traag genoeg om te volgen. Te snel voor woorden.

De bus terug lijkt sneller te gaan, zoals steeds.

Terug. Je huid zou doorwaadbaarder moeten zijn, denk je. En niet meer wachtend op tranen.

Je rijdt iets trager dan anders naar de markt, en je was al iets later vertrokken dan anders. Toch wel vijf minuten. Je wacht even voor je de aardappelen uit de bak neemt.

Later, weer thuis, wil je alleen maar tijd verliezen. Voor even toch.

Later ben je nog steeds zenuwachtig voor een foto die gaat komen. Jij en je maatje. Ze is gemaakt bijna een week geleden. En als ze komt, durf je nauwelijks kijken. De foto weet iets. Jij weet iets.

Ook een beetje zenuwachtig voor het terrasgebeuren. Het is de dag van de plantjes en de zaadjes, zo had je je voorgenomen.

Voor de plantjes en de zaadjes enkele keren heen en weer rijden. Langzaam word je wat rustiger.

Alsof het niet mag, alsof het niet kan. Soms twijfel je even. Of de plantjes en de zaadjes wel thuis mogen komen in jouw huis, op jouw terras. Zouden ze niet denken: o nee, niet bij zo’n falende sufferd.

Je tart de krachten van het heelal. Dus ook de maan. De maan zou zomaar kunnen neerstorten op jouw terras, en daarmee bewijzen dat het geen thuis mag zijn voor plantjes en zaadjes. En toch doe je door, plantje na plantje, zaadje na zaadje.

Er is iets mis met jouw eigen zaadjes, dat wist je al. Maar misschien niet met die kerstomaatjes die zouden kunnen komen. En je daarmee iets uitleggen over het heelal, en jouw onbetekenende plaats daarin.

De troost van het falen.

06 april 2014

Plekloos

Een lange rit. Heen en weer. Je boek blijft de hele tijd bij je.

Beelden gaan door je hoofd. Woorden ook. Blijkbaar hebben ze hun tijd nodig. Tijd om te komen, om in je rond te dolen. Dingen die je niet weet, nog niet weet. Als het tijd is, zullen ze wel vertrekken. Het is nog geen tijd.

De trein trekt zich verder op gang. Je bent moe. Je lijf zou een hele dag niets thuis ook hebben kunnen verdragen. Maar hier wil je ook wel zijn. Als een herinnering aan huidverlangen. Je zou willen dat dit ritme, dat deze trillingen bezit nemen van je huid. Waardoor je zou verdwijnen.

Je zag een artikel in de krant dat je niet durft lezen. Ooit zag je de randen. Je wilt er nooit meer naartoe.

Je gaat ergens naartoe. Dat is het plan. En even denk je dat je bereikt zou willen worden, zoals de trein je de illusie geeft dat je je bestemming kunt bereiken.

De beweging creëert een leegte die je omhult. En in dit veilige niemandsland zou je alles kunnen zeggen, zou alles onthuld kunnen worden.

Zou die malse regen daarbuiten je stramme vermoeidheid van jou weg kunnen spoelen?

De tijd die nodig is.

Soms kun je verlangen naar woorden die zomaar naar je toe zouden komen. Ze zouden je zacht maken. Ze zouden je vergezellen. Ergens in je rug, zoals de auteur in het boek uitlegt.

Een tussenstop. Je zit te wachten. Je zoekt een bank zonder wind. Het is een tussengebied. Die woorden, ze zouden iets veranderen aan de plekloosheid van deze plek.

De trein vertrekt weer. Je kijkt naar je boek, naar de foto. En je denkt: dat het er is, dat ik ernaar kan kijken, dat ik het aan kan raken, het is als troost.

Soms ben je alleen de beweging van de trein, het verschuiven van het landschap. En soms is het alsof je leeftijd zich in je nestelt, in die beweging.

Het landschap leert je iets over alleen zijn, in een landschap.

De terugreis is al begonnen. Daarnet dacht je nog toen je jezelf zag bewegen: ik lijk op hem.

Beelden komen terug. Soms denk je dat je altijd een toeschouwer zult zijn, dat de anderen wel weten hoe ze dat goed moeten doen, in het midden staan, en zo.

Beelden komen terug. Soms ben je bang, diep in de nacht. Soms niet.

Een volgende tussenstop. Een lange vertraging wordt aangekondigd. Je zou hier rechtstaand in slaap kunnen vallen, denk je even. Je onrust zit tussen jou en waar je naartoe gaat.

Normaal kan het je niets schelen, maar nu denk je dat je aan die andere kant van de grens wilt zijn. Alsof het gemakkelijker is om daar moe te zijn.

De trein neemt je mee. Je schuift zachtjes weg in het vertrokken zijn.

Zou je ooit kunnen slapen onderweg? Zou iemand je dat ooit kunnen leren?

De trein raast door het landschap, probeert minuten in te halen. En het is alsof ze het weten, de bomen daarbuiten, alsof ze je toeknikken.

Er is een liedje met daarin iets als ‘breng me naar huis’.

Misschien mag het wel regenen, denk je, dat laatste stuk op weg naar huis. Je zou niet weten waarom, maar het lijkt te kloppen.

Je denkt nog aan het woord achterland. Waar kwam het vandaan?

Je bent bijna thuis. Misschien is dat al veel.

05 april 2014

Verdwaalde woorden

Soms verdwalen ze, de woorden. Achtergelaten. Losgelaten.

Je ziet het vanuit de trein. Daar ergens. Iemand heeft woorden op een muurtje geschilderd. Die iemand is kwaad, denk je. Die iemand zou misschien nog wat moeten werken aan de kennis van het Engels. Er staat: fuck the long arm of the law. Daar is misschien nog werk aan.

Je ziet het vanuit het raam, hoog boven de wereld. Heel veel mensen in een betoging. Een grote spandoek. Ooit komt het goed. Het verzacht je hoofd.

Je zit in de trein. Op weg terug na een les die je moest geven. Je had je voorgenomen om nog wat te lezen. Straks moet je weer aan de slag. Maar nu ben je even alleen maar onderweg. (Thuis had je lang staan aarzelen. Welk boek zou je nemen uit de stapel.) Je begint. Je begint opnieuw. En nog eens. De woorden verdwalen. Ergens onderweg in je hoofd. Ze komen niet aan. Geen woorden voor even, voor zo lang de reis duurt. Alleen kijken naar het landschap.

Even denk je: ik zou haar dit willen vragen. Maar het gaat even niet. En de vraag verdwijnt weer. Of verdwaalt, dat zou ook kunnen.

Iemand duikt op in je droom. Nadien zie je dat beeld nog. De woorden die erbij hoorden, zijn er niet meer.

Op weg naar huis, na een vergadering. Aan de andere kant van de straat lopen twee behoorlijk aangeschoten jongens. Ze roepen allerlei dingen naar jou. Gargamel. Uit het gebral maak je op dat dat iets te maken heeft met je kale kop.

Samen met je dokter lees je het verslag uit het ziekenhuis. Er is iets met die woorden. Normale woorden, dichtbij, bewegen daar samen met nogal moeilijke, veraf. Misschien verdwaal jij in de woorden. Misschien verdwalen zij in zichzelf. Misschien wilde de dokter die ze schreef wel verdwalen in woorden die veraf zijn, om niet te dicht te komen, bij iets. Nadien blijven de woorden door je hoofd spoken. (Ze verdwalen niet, blijven onder je huid.)

Soms lees je woorden die je lichaam soepel en warm maken. Soms lees je woorden die je lichaam uren later nog in een kramp trekken.

De zangeres staat op het podium. Je zit op de eerste rij. Een beetje verlegen. Je voelt je zo groot. Haar fado neemt de ruimte in. Soms versta je een van de woorden. Soms vraag je je af hoe het zou zijn als je ze allemaal zou verstaan. Soms denk je dat je het liever zo hebt. Zodat je kunt verdwalen in woorden die je niet verstaat. Nadien sta je aan te schuiven om bij haar een CD te kopen. Ze schrijft er enkele woorden op. Haar naam. Je weet niet wat je moet zeggen. Je bedankt haar voor het mooie concert.

Je komt die ochtend aan in de vergadering. Je voelt een dip opkomen. Er wordt een rondje gemaakt. Iedereen moet zichzelf voorstellen als een dier. En je moet ook een dier geven voor je linkerbuur. (Je houdt niet van zo’n methodiekjes, denk je. Je gedachten strompelen door je hoofd.) Je bent aan de beurt. De woorden komen ergens uit je lichaam. Ze klinken als elders. Je buur verwacht dat je hem als hond zult omschrijven. Je omschrijft hem als twee hondjes. (Je denkt: ik woon graag in verhalen, daar kan ik ook verdwalen.) Iemand, vier plaatsen verder, begint te glimlachen. Hij kent het gedichtje.

En met een lange treinreis in het verschiet moet je weer, mag je weer kiezen uit de stapel boeken. Je zou zo graag verdwalen. Alleen het idee al.

De stapel weekendkranten ligt op je tafel. De woorden wachten op je.

Je duwt op toetsen. Apparaten zitten tussen jou en de woorden. Soms is het alsof je niet dicht genoeg bij de woorden kunt komen. Dat, wat je ook doet, ze je zullen ontglippen. Ze zullen op de dool gaan, misschien. Terwijl je alleen maar dichterbij wilt komen. Alleen je huid zou er mogen zijn, tussen jou en de woorden, soms.

Dat het pijn doet, als je te lang van de woorden weg bent. Je zou kunnen verdwalen. Zomaar. In dat lege universum.

30 maart 2014

En de trage verhalen

Hoe de dingen langzaam gaan liggen. Een late zondagnamiddag. Hoe je je bijna uit handen zou kunnen geven.

Eerder.

En je vertelt. Traag. Je stem lijkt diep. Misschien kijk je alleen naar je woorden. Je doet je best om niet. En toch. Je slikt iets weg, hoopt dat het niet opgemerkt werd. Misschien heb je iets geleerd over je lichaam de voorbije dagen. En wat er moeilijk te delen is.

De tafel is gedekt. Het eten is bijna klaar. De gasten zullen zo wel komen. Je staat nog even tegen het aanrecht geleund. Zoals het hoort in het vaste ritueel. Je weet niet of je het goed zult doen, je weet het nooit. Zul je hen ontvangen zoals je het zou willen? Zul je de goede dingen zeggen? Zal het een warme veilige plek worden?

Als je traag genoeg spreekt, kun je iets zeggen over de littekens. Op een zondagochtend.

Je denkt terug aan hoe je het haar vroeg toen. De dag voor. Zouden ze wel weten dat ik hen graag zie? Wil jij het hun anders nog eens zeggen? Als? Misschien ben je rustiger nu. Maar je zou hetzelfde zeggen.

Hoe blijf je achter in het leven, na de dood van een ander? Je weet nooit of je de goede dingen zegt.

(Het viel je op, enkele dagen geleden, in de spiegel in de lift, dat je er kaler uit zag dan je dacht dat je was. Niet dat dat op een of andere manier erg zou zijn. Maar even leek je daar een ander dan in je hoofd, of was het omgekeerd?)

Er schuiven al dagen veel beelden en foto’s door je hoofd. Ze zeggen je iets over de tijd, over de verhalen in je huid. De woorden zijn daar ook.

Iets over eenzaamheid en de dingen.

Je zou iets willen zeggen over kwetsbaarheid en breekbaarheid. Je weet niet goed of je wel de goede woorden vindt, je weet het nooit.

Iets over kinderen.

De scheuren in jezelf. Misschien leer je er trager naar kijken.

Iets over de vrede die je zou kunnen vinden. En dat je soms denkt dat je vermoedt waar.

De verhalen die je hoort, de verhalen die je ziet. De anderen. Ze raken je traag, sijpelen bij je binnen. Ze maken je klein. En doorwaadbaar.

De woorden jij en jullie. Dat je soms niet weet welk woord je in welke zin moet gebruiken, stel je vast, na de zinnen. Terwijl je probeerde het goed te doen. Je weet het nooit.

Die ochtend, vroeg nog. Die grote afwas, in volle aandacht. Het heeft iets dat nodig is. Net als het opruimen de avond daarvoor. Heel traag de tafel weer helemaal leegmaken. De kamer weer teruggeven aan zichzelf. Je kunt niet goed uitleggen waarom je dat alleen wilt doen. Alleen moet doen.

Wat je mist en waar je blijft. En hoe het traag kan verteld worden. Iets over het leven dus.

De dingen waar je nog altijd moeilijk woorden voor vindt. Misschien leer je het ooit nog wel. En misschien vinden de anderen dat ook wel heel moeilijk.

Ze bezinken in je. Een late zondagnamiddag.

28 maart 2014

Twee meisjes op een eenwieler

Je loopt door de straat. Op weg naar huis. (Een vriendin die je even verder tegen zult komen, zegt dat je er ‘gaar’ uit ziet. Het gebruikte dialectwoord voor gaar drukt beter uit hoe je je voelt.) Je denkt na over het nog niet geschreven stukje. Een van de principes van de stukjesschrijverij, zeker stukjes op een vrijdag, is dat het stukje, of minstens de titel ervan, zomaar naar je toe komt. Onderweg dus. En ja. Twee meisjes op een eenwieler. (Een meisje per wiel. Niet twee meisjes op één eenwieler. Maar ook niet een meisje op een tweewieler.) En je denkt: zoveel evenwicht zal ik in mijn leven nooit bereiken. Ze roepen: papa, papa, kijk! En je denkt: twee meisjes op een eenwieler, dat zou wel eens een mooie titel kunnen zijn. Je loopt verder met een vrijdagglimlach.

(Die klaviersonates van Haydn, die je eerder van de week voor jezelf kocht als cadeautje voor het nog in leven zijn, zijn wel heel mooi. Ze zijn zo zacht als je nu omhuld zou willen worden.)

Twee meisjes in de trein. De overvolle trein kwam al wat aarzelend op gang. Ook dat is ongetwijfeld een gevolg van het bezoek van de Amerikaanse president, denk je. Een stukje verder vertraagt de trein. Vertraging leidt tot stilstand. Het blijft een tijd stil. De wagon hangt wat scheef, mensen schuiven ongewild tegen elkaar. Wat niet leidt tot spontaan opborrelende liefdes, voorlopig. Na een tijdje zegt de stem van de treinmevrouw dat we stilstaan (dat was al tot ons doorgedrongen, denk je) door technische redenen (wat een behoorlijk breed begrip is, denk je). Die stilstand zal nog 15-20 minuten duren. Mensen zuchten. Berichtjes worden verstuurd. De twee meisjes, die ook zonder stilstand al bijzonder luid aan het spreken waren, voeren het tempo en het volume nog een beetje op. Ze kwetteren tegen elkaar op, en beginnen alle rampscenario’s op te sommen waarin de trein – ongetwijfeld! – zal terechtgekomen zijn. En dat op basis van alle rampscenario’s waarin ze – het is altijd hetzelfde! – al eerder terechtgekomen waren. Je zou hun willen zeggen dat een dergelijk gesprek niet meteen een geniale bijdrage is aan de kalmte in de rest van de wagon. Maar je doet het maar niet. Ze zijn ongetwijfeld aanhangsters van het kwetterrecht.

(De klaviersonates zijn dichtbij, en blijven tegelijk op een voorzichtige afstand. Ze zijn soeverein. Hebben aan zichzelf genoeg. Ze laten alleen zichzelf horen.)

Twee meisjes in het leslokaal. Jij staat vooraan les te geven. Het ene meisje komt regelmatig tussen, het andere kijkt je strak aan en wacht tot de vragenronde. Misschien willen ze wel graag antwoorden horen van jou die jij zelf niet kent. (Misschien hoef jij sommige antwoorden niet meer te weten ondertussen, heb je aanvaard dat ze toch niet zullen komen.) En ze ontroeren je meer dan je zou durven zeggen. Hun verontwaardiging over die grote wereld raakt je. En je ziet ineens jezelf daar zitten, hoe jij was toen je zo oud was. Hoe je vol zat met onmogelijke vragen, waar je toch een antwoord op wilde. Net zoals zij blijven doorgaan, ze willen antwoorden. Even zie je iets van wat zij zien terwijl ze naar jou kijken. Later, weer op weg naar de trein, hoor je in je hoofd wat je hun eigenlijk zou willen kunnen zeggen. Even denk je nog: ik moet teruggaan, ik moet hun nog iets vertellen over het leven, en over hoe je het kunt overleven, om zeker te zijn dat zij het zullen doen, dat overleven. Maar je doet het niet.

(Om die sonates zo te kunnen spelen, moet je iets van een innerlijke rust hebben gevonden, denk je. Misschien moet je wel weten wat het is om egoloos te zijn.)

Twee meisjes in een foto. Je ziet de dochter, die nu een vrouw geworden is. En je denkt: ze is even mooi als haar moeder was toen die zo oud was. (Ze is het nog altijd natuurlijk, maar nu een ander mooi. Wat ook heel mooi is natuurlijk.) Een kleine rilling. In die foto zitten twee meisjes. Ze schuiven in en door elkaar. Je blijft kijken. De foto weet iets. Meer dan de meisjes in die foto kunnen weten.

(De pianist speelt met een soft touch. Je zou graag naar zijn handen kijken. Hoe ze zijn in het gewone leven. Het leven buiten de piano.)

Stel dat je twee meisjes was geworden, wat dan? Zou je dan ook arm in arm door de stad lopen, zoals alleen twee meisjes dat kunnen? Zou je eindeloos door praten over jongens, en hoe die het weer niet begrepen hadden, zoals alleen twee meisjes dat kunnen? Zou je ook die blik hebben, die met-één-oogopslag-hebben-we-alles-gezien-blik, steeds gevolgd door iets professioneels met wenkbrauwen?

Twee meisjes op een eenwieler. Gelukkig weten zij alles. Alles wat er op dit ondeelbaar moment te weten is over alles.