10 december 2017

Alsof een winterroos

Je kijkt verwonderd naar de seizoenen. Naar een roos in december. Het beeld beweegt. Misschien verlangt de roos naar de wind.

Misschien is het goed, naar verlangen te kijken met een trage sluitertijd.

Beelden schuiven soms traag, soms rusteloos, door je heen. Een week die te vol was, of zoiets.

Nog net op tijd voor het concertje. Je zit op de eerste rij. Verbergen dat je zo hard gefietst hebt zit er niet echt in, maar misschien is dat niet zo erg. Een beetje verlegen, een beetje verward, en tegelijk alsof alles klopt, alsof je hieraan zou kunnen wennen. Het grote kleine meisje komt naar voor. Met haar blinkende instrument. Samen met drie anderen speelt ze haar stukje. De juf beweegt mee met elke noot, ze ontroert je. Snel weer terug de duisternis is. Je fietst snel weer weg. Naar waar je ook nog moet zijn. Het is alsof je handen je iets willen zeggen.

De dagen schuiven in elkaar, zonder tijd om tijd te verliezen. Tijd te zijn.

Je maakt je klaar voor de avond. Alle dingen zitten in je hoofd. Alles is voorbereid. Je wilt dat de dingen goed verlopen. De nacht daarna duurt het lang eer je lichaam zich neerlegt. Het ritme bij zo’n nacht is steeds hetzelfde. In twee stappen. Een eerste slaap, verward en rusteloos. Dan weer wakker worden. En wachten. En de wonderlijke rust die dan kan komen, alsof alles rondom jou anders is geworden. Buiten lijkt de nacht rustig en veilig. Kijken naar je lichaam, hoe het zich in die nacht legt.

Een beetje hoekig nog, de dag daarna. De dingen doen die moeten gebeuren. Thuiskomen, en traag door het huis bewegen. Trager ademen. Anders kijken naar wat je eet. Je maakt je klaar voor het optreden. Samen met een dierbare vriendin stap je naar de schouwburg. Vanaf de eerste noten is het alsof er iets met je huid gebeurt. Je voelt je dankbaar. (De plekken waar je jezelf weer terug kunt vinden wanneer je jezelf dreigt te verliezen.)

De nacht daarna is anders, zoeter. Je staat enkele keren weer op. Alles lijkt eindeloos te duren, het is goed. Een droom die je niet zo goed begrijpt, met ook legoblokken erin. Een droom die nog dagen later door je hoofd gaat, met een vrouw die op de trap naar boven loopt. Iets met je handen.

Een andere dag. Het herschikken van lijstjes. Alsof je zo langzaam de dingen onder controle krijgt.

Na een avondvergadering in die andere stad in de trein weer naar huis. Dat uur om te lezen. Het doet je goed.

En de volgende ochtend naar de markt. De geur van verse wafels, terwijl je nadenkt over welke soort aardappelen je mee zult nemen. (Overzichtelijke problemen, die eenvoudig op te lossen zijn. Er zijn twee soorten. Het is anders dan sommige andere dingen eerder die week.)

Na het werk nog even bij gaan praten. Je voelt hoe rusteloos het je maakt, als de dingen je te veel opslorpen, als je niet af en toe kunt zijn bij wie je wilt zijn, als je verhalen in de lucht blijven hangen, als je niet kunt horen en zien dat het die anderen goed gaat.

Nog een vergadering. Je hoofd blokkeert soms, woorden haperen. Napraten in de koude nacht. Het is goed om even bij de verhalen te zijn. Ook al zijn ze droef.

De volgende ochtend naar de andere stad. Nieuwe dingen bij leren. Ongeveer al die Catalanen die eerder die week in de stad waren, proberen nu op de trein te stappen.

Die avond. De vragen van de quiz schuiven voorbij. De volgende tafel blijkt de hele tijd alle antwoorden goed te hebben. Maar dolle pret is er niet echt bij hen, denk je. Je bent moe, maar het is fijn, in goed gezelschap.

Een ochtend met sneeuw. Je komt traagjes op gang. Je keek uit naar deze dag. Naar de leegte, zoals het in dat boek gezegd wordt. En bijpraten. Verhalen bij de koffie. Je kijkt naar hen, het is goed hier te zijn, denk je. De plekken waar je jezelf terugvindt. Nadien is het alsof je lichaam anders beweegt.

De kranten. De middagdut. Weerloos liggen snotteren nadien bij een programma waarin mensen elkaar na eindeloos veel jaren weer terugvinden.

In de verhalen die je vertelde zie je nu enkele lijnen, nu het einde van de week nadert. Iets in je is veranderd, en het is goed.

Je leest de toneeltekst die je kreeg van een dierbare vriendin. En je ziet de zee.

En het is goed.

03 december 2017

Sporen nalaten

Een vraag die af en toe weer in je hoofd binnen dwarrelt. Misschien is het ook een van die vragen waarop je het antwoord herformuleert met het ouder worden. Hoe zit dat? Sporen nalaten?

Je dacht het een van de vorige dagen nog, hoe gelukkig je bent dat zoveel mensen zomaar in je leven zijn gekomen. Dat ze je veranderd hebben, en dat blijven doen. Het is zoals in je huis, waar je kunt zien wie met je mee ging om gordijnen te gaan kiezen, wie mee de kleuren heeft gekozen, wie mee schilderde, wie de randjes afplakte voor het schilderen, wie mee ging om het bed te kiezen, wie de keuken inrichtte, wie de kussens koos, … En dan nog alle verhalen van al die mensen, verteld daar, op die plek. En verhalen blijven altijd. Al die mensen zijn op die manier dicht bij je. Ze zijn jouw huis. En zo voelt het ook in je huid.

Je denkt aan de mensen die heel dicht bij je waren toen je ziek de rand van het leven naderde. Ze hielden je bij het leven. En nadien, toen het moeilijke stuk voorbij was, nadat de sporen zich in je lichaam hadden genesteld, besefte je dat jouw leven niet zomaar van jou alleen was. Het was alsof je het leven in je handen kon zien. Het was alsof je nog beter zag dat je heel zorgzaam moest omgaan met dat kostbare geschenk, voor hen. Jullie hadden sporen in elkaar nagelaten. En dat was goed.

Soms denk je aan al wie je dierbaar is. Je bekijkt hun plek in het landschap dat jij bent. Misschien om zeker te zijn dat ze er nog zijn. (Je bent niet zo goed in mensen laten verdwijnen uit jouw landschap.) Maar ook om te zien hoe ze jouw landschap veranderd hebben. In het landschap blijft alles, maar het landschap is ook een verhaal dat elke dag opnieuw moet verteld worden. Elke dag opnieuw vertel je jezelf samen uit de fragmenten van je leven. Het landschap herinnert zich de sporen.

Of je zelf sporen hebt nagelaten in de wereld, het is een moeilijke vraag. Misschien ben je bang voor wat het antwoord zou kunnen zijn. Of bang voor een verlangen naar het nalaten van sporen. Je had het ooit beloofd, aan de kinderen die je zou krijgen, dat je je best zou doen, om iets te helen in de wereld. (Je weet niet hoe je dat in kleine woorden moet zeggen.) (Ingewikkelde discussies met jezelf.) Dat je het probeert, dat is voldoende. Verlangen dat er sporen zijn, is niet zo goed, denk je. Hopen dat je op een onzichtbare manier, zonder dat iemand het merkte, voorzichtig mee, met anderen, de bedding wat hebt verlegd, waardoor de rivier anders zou gaan stromen, dat mag misschien wel.

Of je zelf sporen hebt nagelaten in anderen, dat is een vraag die nog moeilijker is. Het zou mooi zijn, als mensen nog af en toe aan je denken, als je er niet meer bent. Het is wat je verlangt, na je dood te verdwijnen in wie je lief is. Zoals een blad in de bodem verdwijnt, dicht bij een boom, waardoor die boom heel misschien een iets ander verhaal zal vertellen over zichzelf, waardoor het blad dus eigenlijk ook niet echt verdwijnt, wel als blad, maar niet als leven, of zoiets. Verlangen om dat blad te zijn lijkt goed, verlangen om sporen na te laten iets minder, denk je.

Het is niet moeilijk, helemaal niet, om te zien hoe een ander iemand is voor jou. Iemand zonder wie jouw landschap anders zou zijn. Het voelt alleen maar goed. Het is moeilijker te beseffen dat jij iemand bent voor een ander, om het even zo eenvoudig te zeggen. Misschien heb je wel nooit geleerd dat dat kon.

Iemand die je dierbaar is zei het je ooit: “Jij beseft niet hoe belangrijk jij in mijn leven bent geweest.” Dat ze dat zei, was een van de mooiste momenten uit je leven. Het bracht je helemaal in de war, nog steeds eigenlijk. (Iemand zou je vragen waarom je iets in de ene richting volledig normaal vindt, en in de andere richting niet. Je zou antwoorden dat dat een goede vraag is, waarschijnlijk.) Misschien is het wel een mooie gedachte, iemand te kunnen zijn in het landschap van een ander.

En nog meer sporen. Je weet niet goed wat een veilige plek is, maar misschien kun je er wel een zijn voor een ander. Ingewikkeld. Zoals je aan een kind kunt zeggen dat er een spoor is, dat je er altijd zult zijn, dat er altijd een plek zal zijn aan de andere kant van dat spoor. Het besef van zo’n sporen liet sporen na in het kind in jou. Het kind dat ondertussen omhuld is door jaarringen. En het besef dat je misschien wel zo’n spoor zou kunnen zijn, of al geweest bent, voor een kind. Het is ingewikkeld. En mooi.

En de sporen naar waar je je verbonden kunt voelen met wat groter is dan jezelf. Zijn het de woorden? Is het de muziek? En al die andere dingen? Je kunt de sporen zien, ze zijn aanraakbaar. Misschien waren ze al in je huid aanwezig, als dunne lijntjes in potlood. Toen nog uitgombaar, maar langzaam ingesleten. (Al zou ontvangen hier een beter woord zijn.) Ze laten je een weg zien, ze laten zich verlangen.

Zoveel sporen. En nog veel meer. Je dacht het nog, een van de vorige dagen: het is echt, het is allemaal echt. (Alsof je dat nog niet doorhad. Iemand begint even te glimlachen nu.) Misschien is er niet altijd vrede in het landschap, maar er is vrede in het besef een landschap te zijn. (Al zul je voor de juiste woorden nog de rest van je leven nodig hebben. Wat ook een hele geruststelling is.)

02 december 2017

Hoe dicht

‘Is het erg als ik niet heel erg veel zeg vanavond?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Het ligt niet aan jou, integendeel.’
‘Hoe bedoel je, integendeel?’
‘Ik ben gewoon blij dat je er bent. Misschien ben ik gewoon een beetje moe, of bang.’
‘Waarvoor?’
‘Ik kan het moeilijk uitleggen. Iets als: bang dat je te dicht bij zou komen.’
‘Is dit al te dicht?’
‘Nee, dit is goed.’
‘Het is raar, soms wil je dat iemand dicht bij je is, maar tegelijk niet te dicht. Ik kan het niet goed uitleggen. Misschien zou er iets scheuren, als je me nu zou aanraken. En daar schaam ik me een beetje voor.’
‘Ik ken je al langer dan vandaag, en ik zie die dingen wel aan je. Je hebt een gebruiksaanwijzing, maar zo moeilijk is die nu ook weer niet.’
‘Ik vind het fijn om gewoon te kijken naar jou, naar je stem te luisteren. Alsof ik alle stukken van jou een voor een tot me laat komen, niet allemaal samen. Dat klinkt bijna alsof jij een bouwpakket zou zijn, maar zo bedoel ik het niet.’
‘Je bent wel grappig. En je hoeft je echt niet de hele tijd te verontschuldigen, je doet dat al te vaak.’
‘Weet je nog toen we samen in de Ardennen waren? Die lange wandelingen?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Ik droomde er nog van, vorige nacht. Ik heb al een paar nachten dromen die met water te maken hebben. En in mijn droom moest ik weer denken aan dat bad daar, dat te klein was voor ons allebei.’
‘Nee, jij was te groot.’
‘Ja ja…’
‘Het heeft blijkbaar toch indruk gemaakt. Misschien zegt het iets over jouw verlangen.’
‘Een verlangen naar water?’
‘Wie weet.’
‘Misschien weet jij het, wat ik niet weet.’
‘Jij doet dat wel vaak, zo dingen terughalen uit je herinnering. En het ontroert me altijd. Misschien doe ik dat te weinig, of durf ik dat te weinig. Ineens is het daar dan weer.’
‘Ik ben vooral blij dat je de dingen nog weet, als ik zoiets vertel. Soms ben ik bang dat ze alleen in mijn hoofd bestaan.’
‘Natuurlijk niet. Maar jij durft ze wel aanraken.’
‘Soms.’
‘Je stem is rustiger geworden. Je leek een beetje rusteloos vanmiddag.’
‘Ja, dat is zo.’
‘Wat is er?’
‘Is het niet raar? Dat ik je vraag om hier te zijn, zonder mij aan te raken?’
‘Ik denk dat je me vraagt om je nog niet aan te raken.’
‘Ja, dat is het.’
‘En dat is goed. Misschien vind ik dat ook wel goed, trouwens.’
‘Ik besef het steeds meer, hoe ik me bij jou altijd veilig heb gevoeld.
‘Dat is een heel mooie gedachte. Het maakt me gelukkig dat te horen.’
‘Soms schaam ik me, maar ik heb me voorgenomen dat niet meer te doen.’
‘Dat zeg je weer met je hoofd, veronderstel ik?’
‘Bij mij loopt dat allemaal in elkaar over, dat weet je toch?’
‘Laten we zeggen dat ik daar nu nog niet op ga antwoorden.’
‘Zal ik een lekker theetje voor jou maken?’
‘O ja, dat mag je doen.’
‘En daarna kom ik iets in je oor fluisteren.’
‘Is dat dan niet te dicht?’
‘Nee hoor, ik kan zeer gericht van op een afstand fluisteren.’
‘Onnozelaar.’

30 november 2017

Ergens onderweg sneeuwt het

Naar huis rijden en de lucht zien. En denken aan een moment, toen, toen je ’s nachts naar de lucht lag te kijken. En luisterde naar een adem.

Een vraag die je diep ontroerde.

Ze vindt een plek in je hart.

De nacht lijkt stil. De regen spoelt je tranen weg.

En iets over thuiskomen. Je vertelde het, met een omweg. Je wou veel vertellen.

Eerder hoorde je al iets over hoe je lichaam bewoog, terwijl je daar stond, vooraan. Wat je handen deden, waar ze bleven, en wat het zei. Het bleef nog in je ronddolen.

Wat je lichaam zei.

En waar het woonde.

Je bent op weg naar huis. Het mooie aan op weg zijn naar huis is de gedachte dat het zou kunnen, dat je thuis zou kunnen komen.

Je denkt aan een andere plek met water, waar je ooit was. En warmte, dat was er ook. Terwijl de regen je rimpels vult met verdwijnen. Alsof je daar opnieuw zou kunnen zijn. Misschien is het verhaal genoeg.

Het zal zich neerleggen, de volgende dagen. Zoals de rivier.

Thuis kun je de gordijnen naar beneden rollen, kun je de kamer warm maken, kun je bijna verlangen naar de plek in je huid van het slapen, kun je dicht bij de dromen komen die zouden kunnen opduiken.

Ergens onderweg.

Misschien ben je dat thuis ook.

De dingen zijn echt. Het is een zin die je niet helemaal begrijpt.

En ineens zie je voor je wie je zult zijn, als je groot bent.

Thuis ondertussen. Je raakt de ruimte aan. Je bent welkom.

Die nacht denk je aan de lucht. Het is goed om even te verdwijnen in de nacht, om aan de andere kant weer terug te komen.

Het is een andere dag.

De volgende dagen bewegen zichzelf, ze volgen hun ritme, je kijkt toe.

Misschien was leegte ook goed geweest.

Je huid weet de dingen.

De trage muziek, de eindeloze beweging, op en neer. Tot alleen je adem blijft.

Wat je handen deden, waar ze bleven, je denkt er weer aan. Die plekken laten zich denken.

En je weet nog steeds niet hoe het nu juist zit, dat denken met je lichaam. (Iemand glimlacht.)

Je had de planten bij elkaar gezet, dicht bij elkaar. Je had ze afgeschermd van de koude die zou kunnen komen. Je handen kunnen dingen beschermen, ze blijven. Je had er een doek over gelegd, heel zachtjes. Je had nog iets gefluisterd.

Je was moe, en een stuk van jou was nog een beetje hoekig. Misschien was het de sneeuw in de lucht, nog lang voor die te zien was, die je huid zocht.

Je keek naar de lucht, hoe die de nacht ontving. Als na een vraag die niet eens gesteld werd.

Ergens onderweg sneeuwt het, dacht je.

26 november 2017

Jammer genoeg

Een aarzelend verhaal in verschillende categorieën.

De categorie ‘moeilijke verhalen’.

De categorie ‘verhalen die je af en toe opnieuw vertelt, om te zien hoe het verhaal zichzelf een beetje heeft verlegd’.

De categorie ‘verhalen waar je bang van bent’.

Waarom moest je eraan denken, die namiddag van die koude zondag? Je was net even gaan liggen, na een week hard werken, en ineens kwam het verhaal naar je toe. Zoals het ook al die andere keren kwam. Een beetje onverwacht. Dus misschien was het weer tijd.

En je dacht dat het weer beter was om het woord ik zo weinig mogelijk te gebruiken. (Je houdt niet zo van het woord ik, eigenlijk. Sommige mensen gebruiken dat woord iets te vaak, denk je. Maar dat heeft niets met dit verhaal te maken.)

Misschien was de aanleiding iets wat je vertelde, enkele dagen geleden. Je stelde jezelf voor, en zei: “Ik heb geen kinderen, jammer genoeg.” En enkele dagen later komt dat dan weer naar je toe, zodra je je overgeeft aan de rust.

Je hebt het jezelf aangeleerd, die woordjes. Jammer genoeg. Het is gemakkelijker als je ze erbij zegt, om een of andere reden.

Het blijft moeilijk om erover te praten, er blijft schroom. Het is raar, soms, hoe sommige mensen met kinderen, onbewust waarschijnlijk, je beginnen te overroepen als je zoiets zegt. Ze beginnen over hun kinderen, over hoe moeilijk het soms is, hoe vermoeiend het is. Ze beginnen je allerlei dingen aan te praten. Dat er nog zoveel andere dingen in het leven zijn, dat je gelukkig mag zijn zonder kinderen, dat ‘het’ nog altijd kan, dat ‘er’ allerlei oplossingen zijn. Soms krijg je verwijten. Soms voelen mensen zich aangevallen, alsof je iets zou gezegd hebben over hoe zij het doen met hun kinderen, wat je helemaal niet deed, integendeel. Soms begint men je omstandig uit te leggen, ook bijna verwijtend, wat jij allemaal wel kunt doen wat zij niet kunnen omdat zij niet de tijd en de vrijheid hebben die jij dus wel hebt. Soms lacht men het weg. Soms is die lege stilte, nadat je het gezegd hebt, blijkbaar moeilijk.

Je zegt er altijd nog een hoop dingen bij. Dat je oprecht heel blij bent (wat ook zo is) voor al die andere mensen die wel kinderen hebben. Dat je heus wel weet (wat ook zo is) dat het niet altijd gemakkelijk is. Dat je op geen enkele manier enige vorm van afgunst voelt (wat ook zo is). Dat je op geen enkele manier wat dan ook over wie dan ook wilt zeggen, dat je op geen enkele manier iets wilt zeggen over een ‘norm’. Dat je je heel erg ervan bewust bent dat jij waarschijnlijk veel dingen kunt doen die mensen met nog relatief jonge kinderen niet kunnen, en dat je dus in zekere zin in een luxesituatie zit. Je voegt er mogelijk nog enkele andere verontschuldigingen aan toe. In de hoop dat dan gewoon mag overblijven wat overblijft. Niet meer, niet minder.

Officieel heb je er vrede mee dat het zo is. Je gaat ervan uit dat je nooit vader zult zijn. (Dat klinkt iets anders dan dat je dat volledig aanvaard zou hebben of helemaal achter je gelaten zou hebben.) Het lijkt een werkbare formulering voor jezelf. Het creëert geen hoop. Het probeert ook te vermijden dat een verdriet door ontkenning een etterende wonde zou worden.

(Omtrekkende bewegingen, steeds weer. Misschien kan het niet anders.)

Er zijn de kinderen van al wie je lief is. Ze zijn allemaal zo bijzonder voor jou. Je hebt ze zien groeien. Het maakte je verlegen, en klein. Soms wist je niet of je zelfs maar een toeschouwer mocht zijn. Het mocht, denk je. Soms mocht je iemand zijn. Iemand die mocht vertellen over muziek, en tegelijk mocht laten voelen hoe bijzonder die ander voor je was. Iemand die een beetje verlegen naar een verjaardagsfeest mocht komen, met “weer een boek!?”. (Nadien kwam het steeds wel weer goed.) Soms vertelden ze je, op hun manier, hoe belangrijk je voor hen was geweest. (Je kon het nooit helemaal geloven, maar ze maakten je gelukkiger dan je kon toegeven. En verlegen. Misschien wil je het stiekem wel graag zijn, iemand zijn die zo een rimpel in de tijd heeft gemaakt.) Je houdt ervan, om naar hen te kijken, met hen te praten. Te zien ook hoe hun ouders hun best hebben gedaan, en het soms ook even niet meer weten, en hoe ontroerend dat allemaal is.

Soms werd het verhaal in je handen gelegd. Over hoe het zou zijn, als jij… In verschillende varianten. (Die verhalen blijven in je hart, breekbaar en mooi. Die deel je niet. Wie ze wil kennen, kan ze zien in je ogen.)

Soms zei iemand dat je een goede vader zou zijn geweest, of zou zijn. (Ze aarzelden misschien een beetje bij die verleden tijd, maar dat vond je niet erg.) Dat was een mooi geschenk.

Soms denk je dat het is gaan rusten in jezelf, op een veilige plek, waar het in je huid kan sijpelen, en gewoon een deel worden van je verdriet en je vrede. Soms is er plots de schrik dat ooit, later, als je groot bent, het verdriet je ineens zal overnemen. Je weet niet goed wat je zou kunnen doen om dat te vermijden. Soms denk je dat je nog iets gaat doen, soms zie je het in je hoofd, al weet je nog niet wat het is.

Door de woorden zo, traag, te schikken is het alsof ze rustiger worden. Ze verliezen de macht van het niet uitgesprokene. Wat niet gezegd is, kan macht hebben over jou. En dat wil je niet.

Je houdt van mensen, en dat is goed. Zoveel mooie mensen, groot en klein, die zomaar in je leven zijn. Misschien denken ze ooit, in een volgend leven of zo, aan de plek die jij probeerde te zijn. Het zou een doel in het leven kunnen zijn.

Het is een stille avond. Je zult niemand meer horen, en dat is goed. Je denkt aan de kinderen, ze zijn dicht bij je (en ze lopen natuurlijk snel ook weer weg, daar zijn het kinderen voor, ze hebben wel wat beters te doen). Een mooi verhaal om je uit handen te geven aan de nacht. En daarna is er weer een nieuwe week.

24 november 2017

Stranden

(Je zou willen stranden. Ongemerkt verdwijnen in het zand van een tijd. Jezelf uiteenleggen, in kleine stukjes.)

Die nacht, na de discussies in die zaal. Soms ben je in de war. Het is moeilijk om dingen over slim en moeilijk te horen, steeds weer. Je twijfelt. (Misschien gaan sommige dingen nooit over.) (Maar iemand zei ook iets over een idool.)

Die ochtend. Het is nog vroeg. Je bent nog een beetje gekreukt.

Later. Je staat aan de microfoon. Je denkt aan iemand. Je zou willen dat hij je zou kunnen zien nu.

De kleine gesprekjes tussendoor. Ze doen je glimlachen.

(Later zul je jezelf zien op de foto. Grijs.)

De trein terug. Een traag gesprek, voorzichtig. Je stem verandert. Het is goed.

De nacht hapert iets minder.

Weer op weg. De mensen in de trein maken te veel lawaai, denk je.

Het is fijn om op die plek te zijn. Je verdwaalt een beetje, tijdens de tentoonstelling over angst. Alleen weet je niet zo goed waarin.

Het is goed te vertellen, het doet je goed te luisteren. Het gaat weer te snel. Je bent een klein beetje verlegen. Dat ene verhaal telkens opnieuw vertellen maakt iets moe in jezelf.

Je rug heeft koud, in de trein die avond. Pas diep in de nacht heeft de warmte je overgenomen.

Een nieuwe week. Je sleutelt nog wat aan foto’s en teksten, zet de dingen in de juiste volgorde voor het verhaal dat je wilt vertellen die avond. Het voelt goed, wanneer alles in elkaar begint te passen. Het verhaal neemt je over.

In de trein, naar die verre stad. En weer is er een vertraging. (Je begrijpt die uitleg nog steeds niet dat er een vertraging is “door het drukke treinverkeer”. Alsof er ineens, vanop een of andere zijweg, onverwacht een trein tussen de andere is gesprongen. Of zoiets…)

Je staat op het podium te praten. Het verhaal heeft je overgenomen. De dingen kloppen. Je hoort je stem. Je vertelt iets over machteloosheid.

Daarna is het goed daar nog op het perron te zitten wachten op die trein die je zeker niet mag missen. Diep in de nacht kom je thuis. Het is koud. Snel zet je die grote plant binnen, het is tijd. (In je hoofd is de grote vakantie net voorbij, die plant lijkt te zeggen dat de winter eraan komt…)

Een volgende dag. In het kleine zaaltje luister je tussen zoveel mensen. Je brengt nog snel een koffietje naar een dierbare vriendin die net achter je zit. Het is aan jou om straks te beschouwen. In je schriftje schrijf je de puntjes op. Zou het wel ergens op slaan? Terwijl je later vooraan staat, om je zeven puntjes toe te lichten, lijkt het alsof je zegt wat je had willen zeggen.

Iets ontroert je die avond.

En weer een volgende dag. (Het is alsof er geen niemandsland is tussen de dagen van de week, alsof ze zomaar aan elkaar plakken.)

Je zit in de conferentie. Boven in het auditorium. Je kijkt naar de mensen. Je kijkt naar het hout tegen de wanden. Koffie zou een goed idee zijn.

Later beweeg je tussen de mensen. Alsof je weet hoe dat moet. En je hoort jezelf dingen zeggen. (Het is alsof je in je hoofd een soort puzzel ziet, en je de stukjes er netjes in kunt passen.)

Die avond, een traag gesprek. Over kwetsbaarheid. Je ziet ineens de jaren, in jezelf, in je handen.

Een volgende dag, weeral. Het duurt even eer je echt kunt beginnen. Weer schuif je met plaatjes en woorden, om zo de stroom in je verhaal te krijgen. Het is altijd een beetje moeilijk beginnen. Wachten op hoe de dingen het overnemen, hoe het verhaal zichzelf vindt. Het wordt goed, denk je.

Iets over de definitie van regen.

En weer een volgende ochtend. Vroeg nog. (Je zoekt nog even iets op over Black Friday. Stel je voor dat iemand je er straks iets over zou vragen.)

Je fietst de berg op. Je bent natuurlijk veel te vroeg, hoe kan het anders.

Het is een fijn weerzien. Je bent nog een klein beetje verlegen, je praat jezelf op gang.

Je kijkt naar de jonge mensen die naar je luisteren. Eerst de ene groep, daarna de andere. (Ze zouden je kinderen kunnen zijn, denk je, even.) Je ziet hoe ze kijken naar het verhaal dat zich vertelt, door jou heen. (Als je denkt dat ze naar het verhaal kijken, en niet naar jou, lukt het altijd…) Hoe ze kijken, het ontroert je. Je voelt je vereerd.

Het meisje dat nadien nog zoveel vragen heeft. Je maakt je een beetje zorgen. Je zou willen dat je langer met haar zou kunnen praten. Om haar gerust te stellen, of zoiets.

Het is goed daarna de verhalen te horen. Ze bewegen gemakkelijk, en dat is goed. (Even vraag je je tussendoor af hoe oud je bent, al weet je niet waarom.)

Hoe moe je bent, na dat alles. Iets laat je los.

Het is goed.

23 november 2017

De definitie van regen


Een beetje te moe om te schrijven. Iets zit vast in je lichaam. Het zou een beetje moeten stromen, om te kunnen schrijven.

En tegelijk verlangen naar de woorden. Naar het ritme. Naar de stilte ervan.

Ze zouden je huid zachter kunnen maken. Je zou tussen hen verdwijnen.

Je denkt aan de rivier. Hoe je soms niet meer weet waar de rivier is. Heel even. Je zou je huid uiteen kunnen leggen, zoals de woorden. En de rivier zou er weer zijn.

En misschien zou je weten wat het is, de definitie van regen.

Hoe die malse trage regen je soms natter lijkt te maken dan die felle. En hoe je zou willen dat die regen ook traag van je af glijdt. Hoe je zou kunnen kijken, naar hoe het water afscheid van je neemt, een beetje aarzelend.

Misschien is het wezen van de regen de afstand tussen de druppels. Soms denk je dat je tussen die druppels kunt bewegen. Als de sierlijke danser die je nooit was, glad en beweeglijk.

Het doet je denken aan dat boek dat je aan het lezen bent. De lege plek tussen de druppels is niet zomaar de afwezigheid van regen. Het is een deel ervan, de voorwaarde misschien wel.

Waar zou je moeten beginnen, bij het naderen van die definitie van regen?

Misschien moet je eerst om de regen heen bewegen. In een trage omtrekkende adem.

Misschien moet je wachten, tot de regen komt. Staan, ergens, en wachten. Tot de regen komt.

En wat te doen met de geur van regen? De geur die verandert met elk seizoen.

Hoe je de regen kunt omarmen, het is een kunst voor gevorderden. Het vraagt vertrouwen in je armen, dat ze klaar zullen zijn om te ontvangen. Het vertrouwen dat je littekens je niet zullen hinderen.

Als iemand je zou vragen wat de definitie van de wind is, zou je willen weten tot waar de wind waait. Misschien zou je daar naartoe willen, als naar een Patagonië van de zwijgenden. Maar hoe zou het zijn met de regen? Onwetenden zouden zeggen dat de regen begint daar, op dat punt in de lucht, waar de wolk is. Ze zouden zeggen dat de regen eindigt hier, waar de druppels de grond raken (of je huid). Ze zouden zich vergissen. Alsof de regen alleen maar regen zou mogen zijn in het vallen.

Hoe zit het met het vallen van de mens, trouwens? En is het vallen opgenomen in de definitie van de mens?

Nog over dat wachten. Als je lang genoeg wacht, en kijkt, kun je misschien zien hoe de regen soms aarzelt. Onwetenden denken dat de regen willoos is. Ze vergissen zich. De regen laat zich evenwel niet zomaar aan iedereen zien. De regen vraagt overgave van wie naar de regen kijkt. En geduld ook, natuurlijk.

Zou de regen de definitie van regen kunnen uitwissen?

Hoe zou het zelfbeeld van de regen zijn? Zou de regen in een staat van vloeien aan zichzelf kunnen ontsnappen?

Wat zou de regen verlangen?

De woorden nemen je ondertussen heel voorzichtig mee. Ze nemen je bij de hand.

Ze zeggen dat er regen op komst is, trouwens.

De volle leegte, die wacht op regen, die kun je nu al aanraken.

Je hebt nog een leven nodig, voor de definitie van regen. En ook dat is een hele opluchting.