23 februari 2020

Misschien gewoon de cello volgen

Je probeert iets uit te leggen over het schrijven. En dat het woord misschien zo vaak voorkomt. Wat waarschijnlijk klopt. Misschien.

Er is iets met het ritme van een zondag. De zondagmelancholie die komt tegen een uur of vijf. De tranen die komen tegen kwart voor zes. Zomaar. (Is het een herhaling van vroegere ritmes? Zijn je flanken op dat moment minder beschermd? Waren ze gewoon aan het wachten en hebben ze een voorkeur voor de zondag? Om kwart voor zes?)

Er was al iets die ochtend tijdens het poetsen. De oude jazzplaten van je vader, dan zijn ze er. (Je hebt nog een gigantische stapel te gaan.) Een plaat van Sweet Emma Barrett. Je stopt, luistert, kijkt door het raam naar de wind en de regen, en je bent vloeibaar. (Je ziet de afzonderlijke instrumenten. En je denkt aan iemand. Kijk, zie je de instrumenten, zou je vragen.)

(De doorwaadbaarheid is groter op een zondag, misschien.)

Je denkt nog aan die woorden. Of het twijfelwoorden zijn. Of aarzelwoorden. Of gewoon woorden die nog niet weten of ze aangeraakt willen worden. En het niet zo erg vinden om op die plek te zijn.

Je ziet beelden. Je ziet ogen.

Misschien vraagt de zondag dat je het ritme van je lichaam volgt. De lagen leggen zich neer, laten zich zien. Er is niets om voor te vluchten.

(En je denkt aan de cello. De cello gaat met je mee, terwijl je schrijft.)

(Je denkt aan de concerten die je zag, met de cello. Je weet nog waar je zat, met wie.)

En als je gewoon kijkt naar wat is, zonder te lopen. Het is alsof het gewicht in je lichaam verschuift.

Je probeerde iets uit te leggen over verdwijnen uit jezelf. Misschien is dat het omgekeerde van een zondag.

Je leest over horizontale regen. Je ziet horizontale regen.

(Je denkt aan de varenverwarring die je al de hele week voelde. Die varen die al zo lang met je meegaat. Er was iets mee. Je hebt hem verplaatst. Je zou hem willen kunnen beschermen. Je zou verhaaltjes willen kunnen vertellen in het donker. Hij staat dichter bij je, terwijl je schrijft. Je kijkt naar de varen, hoopt dat de varen de cello kan horen. Je kunt niet altijd beschermen wat je dierbaar is, denk je.)

Je denkt aan gember.

(Soms laat je been zich gemakkelijk ontspannen. Soms niet.)

De boeken die je cadeau kreeg. Ze liggen op een klein stapeltje op je tafel. Je neemt ze voorzichtig in je handen, betast ze. Je schrijft je naam erin, en van wie je ze kreeg. In potlood. Ze hebben een weg te gaan, zo lijkt het wel. Eerst op de tafel. Even wachten. Tot het tijd is voor je naam. En dan leg je ze voorzichtig op de stapel. Waar ze rustig verder wachten.

(Hoewel, rustig…? Terwijl je zit te lezen in dat dikke boek beweegt er een kleine rusteloosheid onder je huid, door de boeken die wachten.)

In de warme hoek van de kamer zitten lezen, het doet op een of andere manier een zondag kantelen.

Je had foto’s gemaakt waarin je ook de wind kunt zien als je goed kijkt.

(Je houdt van het gewicht van dat oude toestel. Het kan niet wat je zou willen dat het kan, maar het gewicht, hoe het in je hand ligt, het brengt je een klein beetje thuis.)

(De aankondiging, eerder die week, dat je radio in de kamer binnenkort niet meer zal werken lijkt een beetje op het verlies van dat gewicht.)

(Een hele tijd na deze storm zul je beslist hebben welke radiokeuze je gaat maken. En een tijd daarna zullen de dingen zich ook weer neerleggen. Misschien hebben andere mensen een lichaam dat beter geschikt is voor veranderingen in de zwaartekracht.)

En zo tussen zes en half zeven is het alsof je hele lichaam koud is. Je loopt heen en weer door de kamer. De aardappeltjes staan op het vuur te bakken. De pot pickles staat klaar. In de sla heb je een lepeltje van die heel scherpe mosterd gedaan. Die drie samen zullen straks je lichaam weer warm maken, denk je.

Je denkt aan het stukje dat je eind van de week zult schrijven. Je ziet de onzichtbare schaduw waar de woorden zich dan in zullen neerleggen. (De afwas is bijna gedaan, stel je vast.)

De cello is eenzaam en soeverein tegelijk. En misschien is dat niet erg.

Je probeerde iets uit te leggen over de dingen waarvoor je je zou willen verontschuldigen tegenover je geliefden. Alsof je sommige dingen in de tijd nu pas ziet.

(Misschien is het bijna tijd voor een nieuwe afspraak, trouwens.)

De beelden van de dans die je zag in je hoofd. Waar gaan die naartoe?

Die zachte zoete peertjes, die je bijna op kunt zuigen, traag. Ze horen bij de zondag die zich bijna neerlegt. De nacht zal ontvankelijk zijn, denk je.

22 februari 2020

Iets met de sax

Of je ook zou kunnen komen. Voor het openbaar examen. Van de grote meid en haar sax.

Oeps. Het is diezelfde dag nog.

Je had allerlei plannen, je zou bezoek krijgen. Maar het is wel te herschikken, je wilt er erg graag bij zijn, en je weet dat ze het graag zou hebben.

Je zegt haar dat je zult komen.

Nog snel eerst de laatste boodschappen doen. Met nog een merkwaardig scheermesjesmoment met veel convivialiteit aan de kassa. (En uiteindelijk een forse korting. Laat dat haar maar groeien.) En natuurlijk de mattentaartjes die je mee zult nemen. De mattentaartjesmeneer zegt iets over de wind, die wel niet weg zal gaan.

Met de fiets of met de bus? Toch maar met de bus. Het is best wel een eindje. Die steenweg is niet hyperleuk. En er is wel veel wind.

De busmeneer zal je zeggen welke halte je moet nemen. Het verhaal dat de steenweg vertelt heeft iets desolaats. Soms zie je niet-plekken, zonder verlangen.

Je bent een half uur te vroeg aan de zaal. Je kijkt naar de bewegingen, oriënteert je. Daar woont ze.

Er lijken precies weinig mensen te komen. Zou er iets mis zijn? Je wilt net bellen, een berichtje. Je had langs de achterzijde moeten komen. De stoel wacht op jou.

Je ziet de ogen van haar mama, die je op komt halen. (Hier wilde je zijn, weet je.)

In de gang hoor je in allerlei kamers allerlei geluiden. De muziek leeft.

Je zit naast haar zus en haar mama op de eerste rij. Een muntje voor de zus, belangrijk. Je bent blij hen te zien. (Je zou zoveel willen vragen en vertellen.)

(Je bent nu al ontroerd, denk je, en het moet nog beginnen.)

Op een rijtje komen ze binnen. Niet echt onopvallend zwaai je, ze lacht.

De saxofoonmevrouw vertelt hoe alles zal verlopen. Het is een toonmoment, en voor sommigen dus ook een openbaar examen. (Helemaal goed begrijpen doe je het niet, maar dat geeft waarschijnlijk niet.)

(Je herkent het okergeel.)

Ze staat vooraan, met de saxofoon. De pianomeneer zal haar begeleiden. (Ze is zo groot, denk je weer.) Even zoeken ze elkaar, halverwege het stukje, en dan gaat het weer gewoon door. Ze heeft een mooie toon, denk je. (Dat moet je haar zeggen straks, dat ze een mooie toon heeft, en dat ze die rustig mag vinden, stap voor stap.)

Later komt ze nog terug.

Jullie hier, zij daar. Tussendoor kijk je even. (Zou ze zien dat je trots bent?)

En ze komen allemaal, soms alleen, soms met anderen. Soms zie je de noten, de zin, soms vergeet je wie er staat. Soms zie je het verlangen.

(Even is het alsof je vader naast je zit, alsof je hem ziet kijken naar zijn leerlingen, alsof je hoort wat hij zou zeggen, wat hij zou zien.)

Het is mooi, denk je, hoe al die mensen hier nu zijn. Iets wankelt even, ergens in je.

(Alsof je zomaar hier mag zijn.)

Het is voorbij. Ze loopt naar haar mama, en daarna ook naar jou. En daarna zijn er ook nog stukjes cake en chocolade.

Er wordt een deskundig oordeel uitgesproken over hotelcake. En daarna over washandjes van hotelkwaliteit.

(Hoe ze bewegen, hoe ze kijken, iets in die ogen.)

En het overhandigen van de mattentaartjes.

Het is tijd om te vertrekken.

Je wuift hen nog na.

Het was goed dat je er was, denk je. Je glimlacht.

16 februari 2020

Gespreksaanraking

Je maakt je klaar voor het debat, later die avond. Een hele stapel documenten, even inwerken. Eerst wil je even naar huis gaan, om daarna daar weer te vertrekken. Dat voelt anders. Op weg naar het station en later op weg van het station stromen er zinnen door je heen. Ze zeggen zichzelf in je hoofd. Ze zouden kunnen komen.

Je zit vooraan, in het debat. Je kijkt naar de mooie jonge mensen in de zaal. Je kijkt naar de andere gasten naast je. Als de vragen komen, is het alsof je die kunt zien in je hoofd. Elke vraag verbindt zich met zinnen die je zou kunnen zeggen. Daarna nemen de zinnen het over, terwijl je beelden ziet. Je ziet de plek waar je wilt gaan staan. Daarna volg je de woorden. Je kijkt, ziet hoe het gevoel van je adem het overneemt. Je ziet de verontwaardiging. Je volgt.

Nadien in de trein op weg naar huis. Halverwege staan er veel mensen op het perron te wachten, ze stappen in. Net voor je aankomt, vraag je waar ze naartoe geweest zijn. Een optreden, in die grote zaal. Je vraagt wie het was. Ze zeggen een naam. Door een of ander stom toeval heb je die zanger net de dag daarvoor op de televisie gezien (voor het eerst). Dat je hem kent, zeg je. De twee jonge vrouwen kijken je verbaasd en met een glimp van bewondering aan. (Je bent nochtans officieel oud geworden.) Terwijl je door de stad naar huis loopt, denk je aan je allereerste concert in die zaal, toen je een jaar of zestien was.

Je zit rond de tafel, met je Europese collega’s. Je lichaam lijkt te groot voor de stoel, of de stoel is gewoon niet al te best (wat wordt bevestigd door je Nederlandse collega). Je luistert naar de sprekers. Je ziet de dingen die ze zeggen. Je ziet het punt dat je zou willen maken. Je zou nog zoveel willen vragen aan de spreekster. Je doet het maar niet, en neemt een stuk chocoladecake tijdens de pauze.
Je beantwoordt een boze mail. Nadien blijven zinnen en beelden door je lichaam stromen. Je ziet de ruimte waar je je zinnen zorgvuldig neerlegt, hoe ze een richting en een ritme kiezen.

Van een vriend krijg je een boek voor je verjaardag. Je kijkt naar het boek. Je weet even niet meer of je het een tijd geleden voor iemand anders hebt gekocht of voor jezelf. Het was voor jezelf, zie je ineens.

Een mooi gesprek. Het valt meteen in het spoor. Het is alsof het rustig ademt. Ze zegt dat je er rustiger uitziet. Het komt door de zachte tinten, denk je. Over grote dingen praten in zachte tinten van herkenning. Je bent dankbaar.

Terwijl jullie wachten tot het begint, in de schouwburg. Een mooi verhaal over kinderen die gekwetst zijn, en kunnen geheeld worden.

De schrijvers op het podium. Over de liefde. De vrouw bij het einde van het programma. Het peilloze verdriet over de dood van haar geliefde. En de woorden, als sporen in de tijd.

Op weg naar de lezing die je gaat geven, vroeg in de ochtend nog. Loslaten. Het woord loslaten. Aan dat woord doen we niet.

Je staat te praten voor de mensen die aandachtig luisteren. (Je herhaalt bij jezelf dat ze niet naar jou kijken maar naar je woorden.) Je zoekt het ritme van de beelden in je hoofd, en vanaf dan moet je enkel de stroom volgen. Bij zowat elke zin zie je tien andere zinnen die je daarover zou kunnen zeggen. Je zou willen dat ze de stroom zien, dat ze de beelden zien, dat ze zelf beelden beginnen te zien. (Je ziet het jongetje.)

Je rijdt door de stad voor de boodschappen. Je legt je spullen op de tafel. De vriendelijke mevrouw telt alles op. Je aarzelt even, vertelt dan dat je de pickles eigenlijk nog een beetje te zoet vindt. (Je weet niet goed of je dat wel mag zeggen. Ze zegt dat ze het zal doorgeven.) Je rekent af. Ze vertelt je dat ze je columns leest. Verlegen zeg je haar dat ze je die dag gelukkig heeft gemaakt. En je vertrekt weer.

In de boekenwinkel zoek je een boek, dat er blijkbaar al niet meer is. Je weet niet goed of je het zult vragen. Je doet het niet. Je kwam in de eerste plaats voor een cadeau voor een vriend.

Een warm koffiegesprek, met je maatje. Van hem krijg je het boek dat er de dag daarvoor inderdaad niet meer was, omdat hij het nog een dag eerder daar had gekocht. Hij wist dat je een lezing moest geven, had zo uitgerekend dat de kans klein was dat je nog op tijd in de boekenwinkel zou geraken. Je bent er heel blij mee. Het gesprek komt op een gevoelig punt. Wanneer jij ooit een boek zult schrijven. Het wankelt even in je hoofd, zoals steeds wanneer die vraag komt. Je probeert stotterend uit te leggen waarom je denkt dat je het niet kunt, nooit zult kunnen. Iets over de prutser die je bent. Iets over de demonen. Iets over de plek in je hoofd waar je naartoe zou moeten gaan, om er dan lang te blijven. Iemand zegt dat de auteur van het boek dat je net kreeg – je bewondert hem mateloos voor zijn weergaloze Nederlands – zichzelf ook nog altijd een prutser vindt. Wat misschien wel een heel klein beetje een troostende gedachte is. Je zegt haar dat ze je in de toekomst mag blijven kwellen met die vraag. Wat misschien nog niet echt een troostende gedachte is.

15 februari 2020

De tijger

De beelden en verhalen schuiven door elkaar. Ze vinden elkaar.

Verhalen die er de hele tijd al waren, verhalen die naar elkaar toe schuiven, zoals druppels op een glasplaat. Op het laatste moment lijken ze aan elkaar te trekken.

Sommige hebben geduldig gewacht. Ze hadden hun tijd nodig. Misschien waren de woorden gewoon geduldig, wachtend tot ze aangeraakt werden.

Je ziet die dappere mensen op de televisie. Ze vertellen rustig. Ze waren als knooppunten van pijn en machteloosheid.

Het is niet eenvoudig om het pad te zien, als het moeras je deel is. Je ziet hoe die mensen rustig blijven stappen. Ze zijn zelf het pad geworden.

Lagen raken elkaar. Je ziet de ogen. Je ziet hoe de zinnen zijn geschreven in hun huid. Je ziet waar het gevaar is.

En de eenzaamheid. En het onvermogen. In weerwil van wat er nu is. De mensen die er nu zijn. Je ziet hoe hij het vertelt. Daar waar de dingen stokken.

Beelden. Plekken van afwezigheid. Misschien kun je ernaar kijken, misschien is dat al veel. Misschien legt iets zich dan neer, om van dat nulpunt weer te beginnen.

Je ziet het verlangen. Het lijkt op het kampioenschap tegenwindfietsen. Je ziet hoe ze fietsen. Misschien zien anderen alleen de wind.

Verhalen raken elkaar. Je kijkt naar je handen. Je ziet beelden. Waar de tijd bevriest. En waar het nu wacht. En de rust die daar kan zijn.

Waar je je handen moet leggen, heel voorzichtig. Waarna je gewoon wacht. En de dingen zich terug neerleggen. Je lichaam grenst zich af.

Je ziet de eindeloze moed van die mensen. Wie het geheim verbreekt, kan nog meer verliezen. Wie de cirkel van het zwijgen doorbreekt, legt zich neer op onbekend terrein. Maar wel voor het eerst.

Misschien heeft de tijger gewacht. Wat toen niet kon, is er misschien nog steeds. Aankomen in dit nu, verward weliswaar, onvoorbereid, maar nu.

Je denkt aan de kinderen. Je ziet mensen die lijnen trekken, aan de andere kant gaan staan. In het onbekende nu. En daar hun kinderen wiegen in het leven. Met handen die langzaam minder onwetend worden.

Je ziet de leeuw in je. Hij is daar ergens. Hij hoort bij je. Iemand legde je dat uit. Je kunt er naar kijken, wanneer het moment daar is. En het is goed.

Je denkt aan hen, je zegt het. Ze zijn mooi, in het leven. Daar wilden ze zijn. En je zou het willen zeggen: ik sta hier, ik blijf hier staan.

Je hoort de verhalen. Je kent de plek waar die verhalen zijn. Het maakt je niet bang. Je luistert. Je ziet hen, en niemand anders.

Je ziet die vrouw. Je ziet haar man. Je ziet hoe ze bewegen. Zorgzaam en vertrouwd. Hij laat genoeg ruimte, en is ook altijd in de buurt. Ze hebben hun plek gemaakt.

Je ziet die andere vrouw. Hoe ze danst. Ze bepaalt zelf wat ze met de zwaartekracht doet. Ze kan het tonen aan de kinderen, die zich in het nu dansen.

Je ziet hoe een groot verdriet gedragen wordt. Wat het doet met een lichaam. Hoe je staat. Hoe het beweegt tussen rusteloze ogen. Hoe het weet.

Ze vinden elkaar, ergens op het pad. Ze worden gezien. Ze zijn er, en ze blijven. Misschien weten ze niet hoe dat moet, misschien zijn ze onhandig, maar het geeft niet.

En soms weet je niet of je het goede doet. Of je ging staan wanneer het moest. Voor hen. Of je een plek maakte waar het veilig was, ergens aan de andere kant van de wind.

Je ziet hoe ze vertellen, daar op de televisie. Ze hebben het gehaald. Op een of andere manier zou je willen zeggen dat je trots bent op hen. Misschien voelen ze het wel.

09 februari 2020

We kijken naar de wind

‘Hier kan de wind ons niet raken. Hier zijn we veilig.’
‘Mag ik zo bij je komen zitten?’
‘Ja, dat mag. Ik weet wel niet helemaal zeker hoe ik dat moet doen.’
‘Je doet het goed zo.’
‘Ik dacht aan je. Om een of andere reden dacht ik dat er bij jou te veel wind zou zijn of zo. Ik kan het niet uitleggen. Ik wou dat je hier zou zijn. En onze dochter ook.’
‘Ze is goed aan het slapen hier, ik ben net nog gaan kijken.’
‘Misschien moeten we de wind dankbaar zijn, een beetje toch. We weten weer hoe kwetsbaar we zijn.’
‘Het is raar. Er is zo weinig dat me echt rusteloos maakt. Maar als er storm is, is het weer alsof ik terug dat kleine meisje ben. Vroeger in het oude huis. Ik dacht altijd dat het huis wiebelde als er zo’n windstoot was.’
‘En was er dan niemand die even bij je kwam liggen of die een verhaaltje vertelde?’
‘Nee, eigenlijk niet. Telkens opnieuw schrok ik wakker, de hele nacht door.’
‘Wat erg voor jou. Als je wilt, kan ik straks nog altijd een verhaaltje vertellen?’
‘O ja, dat zou leuk zijn. Er is toch niemand die ons ziet.’
‘En wat dan nog?’
‘Ja, dat is wel waar eigenlijk.’
‘Vanmiddag, voor je hier was, zat ik daar in de hoek te kijken naar het licht. Ik hoorde het geluid van de wind. En de planten daar bij het raam waren zo mooi. Ze stonden er zo rustig. Alsof ze me iets wilden vertellen.’
‘En heb je toen naar mij gebeld?’
‘Ja.’
‘We hadden het net daarvoor nog over jou gehad.’
‘Ja?’
‘Over hoe je soms staat te dansen in de keuken. Waarbij het woord dansen misschien de vriendelijke versie is van onnozel doen.’
‘Maar jullie dansen toch mee soms?’
‘Natuurlijk. Maar wij dansen wel echt. Of dat vonden we toch.’
‘Als ik alleen sta te koken dans ik ook wel af en toe. Tot ik mezelf weerspiegeld zie in het raam. Nu de dagen langer worden, groeien de dansmogelijkheden dus.’
‘Onderweg naar hier moest ik nog aan die brief denken die je mij vorig jaar stuurde. Het was alsof je je wou verontschuldigen voor iets. Dat hoeft helemaal niet. Ik zie nu wel beter wat je bedoelde. Ik begrijp dat het je een beetje machteloos maakt, te weten wat je weet. Maar je was daarvoor ook altijd al gewoon jezelf, op een mooie manier. En ik was ook onhandig. Letterlijk misschien wel.’
‘Dat is wel lief. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen.’
‘Je hoeft niets te zeggen.’
‘Heb jij dat soms ook? Dat je precies terug zou willen naar een soort nulpunt, of voor het eerst bij dat nulpunt komen, om dan van daar opnieuw te beginnen?’
‘Daar moet ik eens over nadenken.’
‘Soms zie ik dat in mijn hoofd, hoe het eruit zou zien. Maar genoeg daarover voor nu. Nu zijn we gewoon hier.’
‘En de wind blijft buiten.’
‘Ik moet nu ineens denken aan toen die dag aan zee, toen er ook veel wind was. Je kon jezelf voorover laten vallen in de wind, en dan bleef je hangen.’
‘O ja, dat weet ik nog.’
‘En achter dat muurtje gingen we dan onze boterhammetjes opeten.’
‘Jij had een heel lekker slaatje gemaakt.’
‘En jij was verdrietig in de trein terug.’
‘Weet je, ik vind dat we altijd genoeg verhalen moeten hebben die we aan elkaar kunnen vertellen.’
‘Dat is wel een goed plan.’
‘Als die kleine meid die hiernaast ligt te slapen groot is, zou ze zich dat van ons moeten herinneren.’
‘En ook van dat dansen natuurlijk.’
‘Ja, dat ook.’
‘Zal ik toch maar dat dekentje pakken?’
‘Ik dacht dat je het nooit zou vragen.’

07 februari 2020

Aanloop

Naar het schijnt ga je bijna een drempel over, zegt men. Zo voelt het niet, maar zo zal het wel zijn.

(Eigenlijk denk je alleen maar aan het menu voor het etentje en de kookstress.)

Misschien is het wel gewoon even stilstaan in dankbaarheid. Het leven is al die hele tijd bij je gebleven, zomaar. Een reisgezel die zich niet altijd laat kennen.

Sommige dingen worden lichter, helderder. Van sommige dingen zie je beter de zwaartekracht. Je ziet de woorden, de zinnen in je lichaam. Je kijkt.

Je vertelde iets, over dat kijken.

Je hoorde iets over verhalen, in de nacht. De verhalen, ze namen het piekeren weg.

Het is mooi, hoe verhalen zich naast elkaar leggen, ongehinderd door zichzelf. Ze kijken naar elkaar. Er is niemand die ze opeist, ze zijn er gewoon. Ze zijn van niemand anders dan van zichzelf.

En er is het licht van februari. Die gedachte is bij je. Al weken eerder dacht je aan het licht van februari. En toch is het er ineens, merk je het terwijl je in de ochtend door de stad loopt, terwijl je wacht op de trein. Ergens, ongemerkt, is het licht van februari in zichzelf gekanteld.

Misschien is het een mooie gedachte, dat je een drempel zult overgaan, en dat er alleen maar meer licht zal zijn aan de andere kant.

En storm ook, zo zegt men. Je denkt aan de storm, terwijl je staat te koken. En je denkt aan dat plekje in de hoek van het huis, waar je zult zitten terwijl de wind waait. Het huis zal je beschermen.

Je kijkt naar haar, terwijl ze piano speelt. Je ziet het meisje, aan diezelfde piano. Je dacht er al weken aan, hoe het zou zijn. Iets met een cirkel.

Omwegen van eenzaamheid en verhalen die rustig wachten. Spiegels met geduld.

Het onvermogen in wat je zou willen beschermen.

Je loopt door de stad. Er is een lichtheid in je stap. En de tijd is nu. Voorbij die drempel ben je al.

(Soms ben je bang dat je niet lang genoeg interessant zult zijn voor een ander die naar je toe komt. Alsof je een voorraadje verhalen zou moeten aanleggen, voor lege plekken. Uiteindelijk valt het altijd geweldig mee.)

Je beschrijft iets over het verlangen dat overblijft. Iets over een nulpunt, en dan kijken. De onmogelijkheid ervan. En het zien ervan.

En dat je overal in de stad zomaar bekenden kunt tegenkomen. Misschien wil dat zeggen dat je ergens bent.

Of je nu moet oefenen in gerimpel?

Je vertelt iets over een vader zonder kind.

(Om een of andere reden had je eerst het dessert gekozen. Iets met frangipane, dat diende zich aan. Om allerlei kosmische redenen.)

En iets over helen.

Het beeld van een jongetje in het ziekenhuis. Misschien laat het iets nieuws zien.

En de dingen die je niet weet.

Het plekje dat voor jullie gereserveerd was bij het raam. En de warme zon. Ook wel de smaak van chocolade. En uitzichten. De man vraagt of alles naar wens was.

Of je nog dingen moet doen, als drempeloefening? (Misschien is die taart bakken meer dan voldoende.)

Je raakt de tijd anders aan, denk je.

Je vertelt iets over beschermen. Je ziet iets over beschermen. Je weet iets over beschermen, of beschermd worden.

Het licht omarmt je, in februari.

Een rimpel in het water van de zee, op weg naar het strand. Je kunt de rimpel zien. Je kunt iets vermoeden over een bestemming. De rimpel is het verlangen van het water. Herinnering van het water. Water.

02 februari 2020

Jemima

Ik zag haar voor het eerst in de trein. Ze kwam naast me zitten, tussen Antwerpen en Aarschot. Ze vroeg me welk boek ik aan het lezen was. Ik liet het haar zien: Limits, van Giorgos Kallis. Ik vertelde haar dat ik van een goede vriend had gehoord dat ik eerst dit boekje moest lezen voor ik zou beginnen aan een lange tekst die ik nog moet schrijven, voor een boek. En ook dat ik vind dat het boekje lekker in de hand ligt. Ik heb een bijzondere gevoeligheid voor boeken die lekker in de hand liggen en mooi mee bewegen. Net daarvoor had ik nog een artikel over zinnelijkheid gelezen, en misschien was het wel zoiets.

Ze heette Jemima. Ze had even rondgekeken in de wagon en het nog vrije plekje naast mij leek haar wel veilig. Ze zei dat ze dat altijd doet, onbewust bijna. Kijken en onmiddellijk ook inschatten waar het veilig is.

‘Het is iets dat mijn lichaam bijna autonoom of zo doet. Daar wel, daar niet. Het heeft niet zozeer met het uiterlijk te maken, het is iets anders.’

Ze vertelde dat ze net in Antwerpen bij een speciale bakker een taart was gaan halen voor haar oma. Het had iets met een verhaal van vroeger te maken, waarom die taart net daar, in die winkel in Antwerpen moest gekocht worden. Het was iets als een soort magische spreuk of zo.

‘Het is iets dat ik met mezelf heb afgesproken. Als ik die bewuste taart daar koop, dan kan er niets fout gaan. Het brengt geluk of zo. Het is als een ritueel. Straks ga ik met die taart naar mijn oma. Ze is pas 91 geworden. We gaan dan altijd bij haar in de keuken zitten, op dezelfde manier. Ze heeft al koffie gemaakt en ze weet uit welk kopje ik koffie wil drinken. Ze snijdt twee stukken van de taart. En dan legt ze eerst even haar hand op de mijne, en dan beginnen we te eten. Na enkele happen zegt ze dan dat alles goed komt. En dan eten we zwijgend verder.’

Ze vertelde me dat ze zo hield van de ogen van haar oma. Met die ogen kon ze zo helemaal kijken, alsof ze je helemaal zag. En zo voelde het ook. Als er iets aan de hand was, zoals een nieuw vriendje dat toch weer van het verkeerde soort was, dan zag ze dat meteen. Jemima moest het nooit zelf zeggen. Ze wist het soms zelf nog niet.

‘Om een of andere reden denk ik dat jij dat ook begrijpt. Ik ken je natuurlijk niet, en straks stap ik af en jij ook. Het is een beetje een gedoe, ik en de mannen. Na een tijdje merk ik telkens weer dat hij toch eigenlijk niet goed is voor mij en dat we eigenlijk ook niet goed zijn voor elkaar. Anderen zien dat altijd eerder dan ik. Ik ontken het eerst nog, probeer te rekken wat eigenlijk niet goed is en dan komt het verdriet. Ik denk wel dat ik elke keer een beetje vooruitgang maak, maar helemaal zeker ben ik daar nog niet van. Maar mijn oma blijft geduldig en ze steunt me altijd. Soms zegt ze weleens dat het niet zo erg is om alleen te zijn, zoals zij is. Misschien moet ik daar een goed voornemen van maken voor dit jaar, om daarover na te denken.’

Ik zei dat ik haar goed begreep en dat ik hoopte dat het toch echt wel goed zou komen. Ik vroeg of ze graag kinderen wilde.

‘Ja, ik denk het wel. Heel erg graag eigenlijk. Maar ik denk ook dat ik er misschien een rommeltje van zal maken. Ik zou zelf eerst mijn eigen verwarring op orde moeten hebben en liefst ook nog iemand naast me hebben die een beetje stevig in de aarde staat en samen met mij die kinderen een veilige plek in deze wereld kan geven. Ik hoorde nog een gesprek gisteren met een kinderpsychiater over wat de gevolgen kunnen zijn voor de lichamelijke ontwikkeling van kinderen van wat er thuis gebeurt. En ik zou het echt wel goed willen doen, zoals alle papa’s en mama’s waarschijnlijk.’

Ze zei dat ze zich een beetje rusteloos voelde, maar dat dat later beter zou zijn, na de taart met haar oma.

‘Vind je ook niet dat er al veel licht is? Zodra het februari is, voel je echt dat het licht aan het veranderen is. Ik kijk graag naar het licht van februari, vooral ’s morgens. Al blijft het verwarrend dat de winter op de dool is. Het zou koud moeten zijn nu. Net als de rest van de natuur hebben wij ook de koude nodig om nadien beter warmte te kunnen geven en ontvangen. Veel mensen durven dat precies niet meer, in alle seizoenen leven. Ze willen dat het altijd warm is, waardoor dat ook vanzelfsprekend zou worden. En dat is het niet. Warmte, die je ook vanbinnen warm kan maken, die is nooit vanzelfsprekend. Ik moet nog elke dag oefenen. Maar dat lijkt me net heel goed. Zo zie ik veel beter de mooie dingen die er wel zijn en die zomaar op mijn weg komen.’

Ik vertelde haar nog dat ik die ochtend had gezien dat er een bloem was opengegaan in de bak op mijn terras. Ik beloofde haar om er een foto van te maken en die naar haar door te sturen. Daar keek ze erg naar uit, zei ze. Ze zou die foto aan haar oma laten zien.

We kwamen aan in Aarschot, waar ik moest overstappen op een andere trein. Zij moest nog een stukje verder. We namen afscheid. Ik ging wachten op het andere perron. Haar trein moest nog even wachten. Het is altijd een beetje ingewikkeld of je dan de hele tijd moet blijven kijken naar elkaar of zogenaamd af en toe. Ik denk dat we de hele tijd af en toe hebben gekeken, die twee minuten.

Terug thuis maakte ik een foto van de bloem en stuurde ze door. Ik kreeg als antwoord de groeten terug van haar oma. Misschien komt vandaag alles goed met de wereld.