27 november 2014

Ergens over de helft

Een gesprek in de trein met iemand die je kent. Soms kom je haar tegen. Verhalen worden gedeeld, in dat kleine stukje, zij moet nog een heel eind verder. Over iemand die hetzelfde heeft wat jij had, ondertussen vijftien jaar geleden. Hij staat voor een gelijkaardige behandeling en operatie.

Toen, zoveel jaar geleden, was het nu bijna zo ver. Je weet niet meer de juiste datum, maar de behandeling was ongeveer voorbij. De operatie kwam stilaan dichterbij. Je zou een tijdje daar zijn, en dan weer terug thuis, voor kerstmis nog. Het moet dus bijna nu geweest zijn.

Je ziet nog de beelden, ergens in je hoofd. Hoe je ’s morgens de trein nam naar Brussel om te gaan werken. ’s Middags weer naar huis, de fiets op naar het ziekenhuis. Voor de chemo en de bestraling. Er was nog een tijdje tussen het afronden van de behandeling en de operatie. Hoeveel dagen, dat weet je niet meer. Zou je toch ergens moeten opzoeken wanneer het juist was? Is dat belangrijk?

Je ziet nog die ruimte, die zo groot leek. Waar je moest gaan liggen op de tafel, in een speciaal voor jou gemaakte mal. Als een sinterklaas van chocola, in zijn speciale vorm. Die rode laserlijnen door de ruimte. Men schoof je heen en weer tot je juist in het snijpunt lag, waar je moest liggen.

Het werkte allemaal. De dingen gebeurden. Het verliep goed, zo zou blijken.

Niet zo lang voor dat gesprek in de trein had je nog zitten lezen. Een vernieuwde website over kanker. Waar men alles beschrijft. Je had nog eens het verhaal gelezen over jouw kanker. Alsof het de jouwe was: niet aankomen, hij is van mij. Door die beschrijving zag je jezelf, van op een afstand.

Veel is verdwenen, in die tijd sinds. Verdwenen zoals een steen met woorden die je in het bos legt. Hij is er nog, de woorden zijn er nog, maar het bos neemt het een beetje over.

Het is moeilijk uit te leggen. Om een of andere reden kun je niet anders dan telkens opnieuw de vraag te stellen: waar sta ik nu? Je kijkt naar dat lichaam dat het jouwe is, in de spiegel. Je ziet en voelt het lange litteken. Misschien is je lichaam ook wel een klein beetje een bos.

Het is stilaan gemakkelijker geworden om te kijken. Traag te kijken. Een traag besef. Dat je tegelijk vrede gesloten hebt, en beseft dat je iets kwijt bent dat nooit terug zal keren. Dat je tegelijk rustiger bent geworden, en weet dat het je zomaar kan ontglippen. Dat je je tegelijk iets minder schaamt, en weet dat je geduld zult moeten vragen aan een ander.

Soms weet je niet waarom je doet wat je doet. Waarom je ineens erg kwetsbaar kunt zijn, of in de war. Waarom je plots zo rusteloos kunt worden, tot het weer overgaat.

Zoals die vraag die al weken in je hoofd zit. Die eenvoudige vraag, die ook erg eenvoudig kan beantwoord worden, en al even eenvoudig kan worden uitgevoerd: moet ik een groot feest geven voor mijn 50ste verjaardag? Dat jij over zo’n vraag een eindje weg piekert, dat is normaal voor wie je bent. Dat het een vraag is die anderen van dezelfde leeftijd doet twijfelen, dat is voor hen normaal, dus ook voor jou. Dat de praktische beslommeringen nu in je hoofd groter lijken dan nodig, dat is nooit anders geweest.

En toch duurde het een tijdje eer je het besefte. De rusteloosheid van nu heeft te maken met toen. Het is ook een litteken, daar ergens in je huid.

Het heeft jaren geduurd, na toen, om terug te leren om in de toekomst te kijken. Zo vaak hoor je dat je moet leren om in het nu te leven. Je moest het andere leren, niet alleen maar in het nu, maar ook in de plannen die je zou kunnen maken. Het heeft jaren geduurd. De toekomst was als een vijver met ijs waarvan je niet kon zien hoe dik het was. Je bent al niet zo’n held op het ijs, maar toen zeker niet. Het zijn de anderen, die je zo lief zijn, die aan de rand van het ijs stonden, en zeiden: kom maar, het is goed, en wij zijn er ook.

De vraag of je ooit 50 zou worden, kon niet gesteld worden. Misschien niet zozeer omdat je dacht dat je snel zou sterven of zo, maar omdat de vraag op zich te bedreigend was. Ze werd langzaam maar zeker minder bedreigend. Het ijs werd of bleek dikker. Het besef dat je misschien toch oud zou worden sijpelde in je hoofd binnen, als een theoretische mogelijkheid. Zonder dat je het goed doorhad, was je ergens over de helft terechtgekomen. Misschien. Hoe zit het juist? Is het een punt dat toen ergens in een onbereikbare en niet te benomen verte lag, en dat nu zomaar zou kunnen gepasseerd worden, zoals de evenaar in een reis? Of is het een punt dat in wat we als een normaal leven zien aangeeft dat je waarschijnlijk over de helft bent en dat er minder tijd overblijft dan je al hebt gehad? Nu het dichterbij komt, is het alsof je ineens weer beseft dat ijs erg glad kan zijn, en misschien ook wel is. Toen is er nog steeds, in dit nu.

En de rusteloosheid, ergens onderhuids, dat elke dag je laatste kan zijn. Je hebt in dat besef tegelijk ook een rust gevonden. En toch. Het idee dat je het vandaag moet zeggen als je iemand graag ziet, want morgen is het misschien voorbij. Het heeft je sindsdien nooit meer losgelaten. Niet dat je er altijd naar geleefd hebt, maar je hebt het toch geprobeerd. Het maakt je rusteloos, het idee dat ze er zullen zijn, de mensen in wie je ooit zult verdwijnen als de dood je bezoekt, maar dat het misschien maar net op tijd zal zijn, of dat je het misschien wel net niet meer zult kunnen halen. En hoewel die gedachte volstrekt belachelijk is, je weet het: toen is er nog steeds, in dit nu.

Je zou het willen uitleggen aan je geliefden, dat ze een beetje mededogen moeten hebben met wat rusteloos is in jou. Dat ze gewoon een beetje moeten glimlachen en je soms even in hun armen moeten nemen. Om te zeggen dat het ijs dik genoeg is, en dat ze je wel overeind zullen helpen als je zou uitschuiven.

Misschien is toen een gast geworden. Een gast die altijd bij je logeert. En zo een deel van het huis wordt. Je woont in een bos.

23 november 2014

Momenten van kanteling

Op het perron staan, vroeg in de ochtend. De trein is er nog niet. Even een klein beetje bewegen, van het ene naar het andere been. Even in een niemandsland zijn. Je zou kunnen beslissen om terug te gaan. Of te blijven staan, kijkend naar alle mensen die instappen, om dan de trein te laten vertrekken. Het besef van de mogelijkheid dat het kan.

Aan de tafel bij het eten. Tussen zoveel andere dingen. Zeggen dat je eigenlijk veel pijn hebt. Waarom nu?

Waarom vertel je ineens over dat boek? En hoe het je in de war brengt?

Je ziet iemand voorbij gaan. Je zou er naartoe willen lopen. Je weet niet waarom.

In de trein. Moe. Op weg naar huis, na een lange dag. En ineens voel je het. Het enige wat je zou willen, op dat moment, is een klein kind dat op je buik ligt te slapen. Twee mensen, één adem. Hoe het veilig warm wordt. Hoe jouw handen alle monsters buiten zullen houden. (Gelukkig kan niemand die gedachte zien.)

Net voor je de zaal binnen zult gaan. Je zet een stap vooruit, omdat je anders terug zou gaan. Na die stap is het over.

In het café. Mensen van je geboortedorp komen naast je zitten. Ze hebben je nog niet herkend. Je kantelt in de tijd.

Je probeert te vertellen – het maakt je verlegen – dat 50 worden toch een moment van bezinning is. Dat je voelt dat het goed is, even nadenken over waar je staat, of je al iets hebt bereikt in dit leven. Dat je ook een klein beetje bang bent voor de antwoorden.

Midden in een nacht wakker worden, en denken dat het enige wat je zou willen, op dat moment, het strelen van een rug van een ander is. Wachten tot het weer overgaat. En daarna wachten tot de slaap je weer aanraakt.

Ineens zie je het. In een flits. Hoe het zal zijn. Dan. Zonder. In je hoofd loop je hard weg.

Je leest een verhaal over kapot. Je handen trillen. Je weet niet wat te zeggen. Als je iets zou zeggen, zouden de woorden eruit gulpen.

Het lijkt alsof je al eindeloos lang avond na avond weg bent. Ineens slaat de paniek toe. Zijn ze er nog wel allemaal? Zal ik hen bellen, nu onmiddellijk, om te vragen of alles goed is, om hen te zeggen dat ik hen graag zie?

Twee dagen na elkaar. Mensen die je zeggen dat ze een stukje van jou hebben gelezen. Je weet nog steeds niet goed hoe je daarop moet reageren. Het ontroert je, en maakt je klein. Je probeert het een beetje weg te lachen.

Je wou er net aan beginnen. De weekendboodschappen op hun juiste plaats zetten. De kamer opruimen. De afwas doen. Net op dat moment belt een vriendin aan. Je schaamt je.

Je ziet een reportage in het journaal. Over een beurs voor 50-plussers. 50-plussers? Wat je ziet doet alle alarmseinen in je hoofd op rood slaan. Je zou weg willen vluchten. Naar ergens.

Je hoort een stem aan de telefoon. Het maakt je rustig.

Je bent op bezoek in het ziekenhuis. Je duwt de rolstoel van een vriendin. Terug naar haar kamer. Je vertrekt weer. Ineens herken je de gang waar je loopt. Bijna vijftien jaar geleden. Je beste vriend kwam je ophalen, je mocht weer naar huis. Door die gang liep je.

Je staat te wachten buiten, voor de film begint. Aan het hek. Even een klein beetje bewegen, van voor naar achter. Er is een eeuwigheid in dat moment. Beelden van voorbij en beelden van komt nog vloeien naadloos in elkaar over. Je staat stil, om te voelen of het ophoudt.

22 november 2014

Genoveva

Ik kwam haar tegen onderweg. Op de fiets. Ik kwam terug van het 11.11.11-etentje, was op weg naar huis. Die ochtend had ik de banden van mijn fiets nog eens lekker opgepompt, met die geweldige pomp van mij. Ze stonden lekker hard, en ik ging vooruit als een speer. Ik voelde me zowaar een beetje jong.

Ze kwam naast me fietsen, en ze heette Genoveva. Ik herkende haar, van in de winkel. In de winkel is ze altijd heel bedeesd. Zodra ze mij of iemand anders ziet, slaat ze direct haar ogen neer. Ze zegt amper iets.

‘Nou, u bent lekker bezig, qua fietsen, meneer. Vindt u het niet erg als ik een stukje mee fiets?’

Natuurlijk vond ik dat niet erg. Ik dacht: vandaag heb ik al met veel mensen gesproken, er kan er best nog eentje extra bij. En ik dacht ook: nou, ze is wel lekker bezig, qua praten, nu ze niet achter de winkeltoog staat, maar op de fiets zit.

‘Mag ik even vragen, meneer, de liefde, begrijpt u daar iets van?’

Daar moest ik even over nadenken. En terwijl ervoor zorgen dat ik nergens tegenaan reed. Misschien is het iets van ouder worden, maar soms heb ik echt veel last van autolampen van tegenliggers, ze verblinden me. Ik antwoordde haar dat ik er eigenlijk ook niet altijd veel van begrijp.

‘U leest dan waarschijnlijk in het weekend ook altijd die rubriek ‘lust en liefde’ in de krant?’

En ik moest andermaal bevestigend antwoorden.

‘Misschien doe ik wel alles verkeerd. Misschien zit ik gewoon ingewikkeld in elkaar. Misschien is mijn lichaam erg ingewikkeld of zo. Ik heb alleszins het gevoel, nu na de laatste relatie die ik had, dat ik minder zelfvertrouwen heb. Al weet ik tegelijk beter wat ik wil, of zoiets. Herkent u dat, meneer?’

Ik zei haar dat die meneer niet echt hoefde, dat ik daar nogal zenuwachtig van word meestal. Ik wist niet goed of ik haar moest bekennen dat ik het inderdaad herkende. Was dat niet wat te intiem? En vooral, zouden we nog wel genoeg tijd hebben om het verhaal uitgebreid genoeg te vertellen? Met die harde banden was het moeilijk om traag te fietsen. Wil dat dan zeggen dat harde banden slecht zijn voor de liefde? Ik vroeg haar of ze wat meer kon vertellen.

En ze vertelde me het verhaal van verschillende relaties, vooral dan de laatste. We hadden ondertussen afgesproken dat we gewoon zouden blijven doorfietsen. We waren nu basically blokjes rond aan het rijden in de buurt van waar ik woon. Misschien zou de magie wel wegvallen als we zouden stoppen met fietsen, je weet dat nooit. Misschien zouden we dan allebei verlegen worden, de ogen neerslaan, snel doei zeggen, en dan naar huis fietsen.

‘Soms denk ik: het hoeft niet meer. Misschien wil ik nog wel een man in mijn buurt, maar misschien ook niet. Telkens opnieuw gekwetst worden, telkens opnieuw tegen hetzelfde aan botsen.’

Ik zei haar dat het helemaal niet zo hoeft te zijn. Dat er best wel iemand zou kunnen zijn die wel tijd zal hebben voor haar, een beetje geduld, en mededogen.

‘Ja, zoals in die films altijd, als ze dan zeggen: I’m not going anywhere. Vindt u dat ook altijd zo’n mooi moment op de romantiekschaal?’

Ik moest glimlachen, want ik vind dat ook altijd een moment om innerlijk een traantje weg te pinken. Ik legde haar maar niet uit dat ik een watje ben, in het diepst van mijn gedachten. Ja, zei ik.

‘Trouwens, even tussendoor, heeft iemand u van de week een gelukkige mannendag gewenst?’

Nee, dat had niemand gedaan. Ik zei haar nog wel dat ik het een beetje raar vond dat internationale mannendag samenvalt met wereldtoiletdag. Al zal daar waarschijnlijk geen diepere bedoeling achter zitten.

‘Dan wens ik u nu een gelukkige mannendag, in uitgesteld relais. Zo zegde men dat vroeger, weet u dat nog?’

Ja, dat wist ik nog.

‘Ik vond het zeer fijn om met u te fietsen meneer. Maar nu moet ik wel naar huis. Er is een film op de televisie die ik wil zien. En misschien zegt er wel iemand in die film I’m not going anywhere, en dan moet ik erbij zijn natuurlijk. Laten we gewoon afspreken dat het voor u en voor mij nog wel goed komt, met de liefde dan.’

Dat vond ik een mooie afspraak. Het bijzondere was dat ik me had voorgenomen dat ik tussen het etentje en thuis een onderwerp zou bedenken voor een stukje. Soms gaat dat zo, dan wacht ik op een woord of een zin of wat dan ook. En dan weet ik: daar is mijn stukje. Soms heb ik er dan geen zin in, maar eens een woord of zin zich aandient, kun je niet weigeren. Het stukje komt dan op je weg. En nu had ik dus een onderwerp voor een stukje, en ook nog iemand die me zei dat het nog goed zou komen met de liefde. Ik keek er al naar uit om me met die gedachte en een dekentje in de zetel te nestelen, en te zoeken naar een of andere romantische film waarin belangwekkende zinnen gezegd worden.

16 november 2014

Kleine barstjes

Kleine barstjes. In je huid? Je echte of je denkbeeldige? Kleine momenten van verlegenheid of aarzeling.

Je wou iemand mee vragen voor de tentoonstelling. Je deed het uiteindelijk niet. En je ging zelf dan maar, ineens op die dag. Het had ook een andere dag kunnen zijn.

Een moment. Je denkt: ik zou zachter willen spreken, voorzichtiger, kleiner. Het gebeurt niet.

Een moment. Er is iets te veel pijn. Heel even denk je dat je het aan iemand zou willen vertellen. Het gaat weer voorbij.

Een moment. Je bent blij iemand te zien. Je probeert het een beetje te verbergen. Je probeert het een beetje te laten merken.

Je bent blij iets te horen over het boek van natuurlijk een boek.

Je leest woorden. Je weet niet goed of die iets meer betekenen dan ze zeggen. Misschien zijn ze een vraag. Misschien zou je ze kunnen beantwoorden, alsof ze een vraag waren.

Dingen die je moeilijk vindt en die je heel onrustig kunnen maken. En niet goed weten of het terecht is, dat wat je voelt, of gewoon een teken dat je oud wordt. Ouder dan sommige anderen. Of zo.

Je moet iemand iets  vragen. Heel eenvoudig eigenlijk. Een professionele vraag. En toch twijfel je, schuif je het stellen van de vraag voor je uit.

Soms schrik je van een van je eigen gevoelige flanken. Je observeert wat er gebeurt als iemand iets zegt, zelfs onbedoeld, dat aan die kant binnenkomt. Wat het met je doet. En hoe het je verlegen maakt.

Liggen woelen in je bed. Wachten tot de dingen je lichaam weer verlaten.

Je hebt heel even tijd, op weg naar huis na het werk, om die cadeaus te kopen. Met grote efficiëntie kies je heel erg snel uit de stapels boeken in de winkel. Je staat aan de winkeltoog, om te betalen. En het is alsof het te snel ging. Alsof je een soort traag respect had moeten hebben.

Je neemt de trein, ’s avonds, weer naar de grote stad. Heel even, ergens tussen hier en daar, is het alsof je ineens geen rugdekking meer hebt. Heel even zou je alleen maar thuis willen zijn, waar dat ook is. Het gaat snel weer voorbij.

Je gaat zitten tegenover een mooie mevrouw. Je was er niet helemaal op voorbereid. Ineens denk je dat je haar net een klein beetje te lang hebt aangekeken terwijl je je jas uit deed, een seconde of zo. Verlegen.

Een moment. Iemand die je ineens doet terugdenken aan iets, lang geleden. En even weet je niet goed wat je moet zeggen, denk je dat iets zomaar gezien zou kunnen worden.

Hopen volk. Op weg naar de zaal zie je iemand die je al lang niet meer zag. Je herkent haar niet meteen, en je schaamt jezelf. Nadien, zoveel uur later, in je bed, besef je waarom: ze had haar haar anders gekleurd.

Er is je gevraagd een woordje te doen tijdens het feest voor een vriendin. Je zit de brief te schrijven die je zult voorlezen. Je hebt nog maar weinig tijd. Je weet niet goed of de woorden, die volgens jou wel de juiste zijn, ook goed zullen vallen. In het zaaltje aangekomen ben je een beetje klein.

Later op de avond. Dansen. Je bent een klein beetje te moe, je lichaam lijkt te hoekig. Je had iets soepeler willen zijn. Je doet je best om het niet te laten merken.

Je leest het nieuwe boek. Het maakt je een beetje verlegen. Waarschijnlijk is je leven inderdaad erg saai, of ben jij gewoon heel saai, nog meer plausibel.

De trein terug naar huis. De vorige korte nacht weegt een beetje. Je schuift een beetje weg in de cocon waar jij met je boek in zit. De trein komt aan. Je staat op. Ineens zie je dat er veel mensen in de trein zaten. Even is het alsof je daar niet op voorbereid was.

Op weg naar huis. Je hoopt dat niemand je iets zal vragen onderweg. Je denkt aan de verwarming die je aan zult zetten. Je denkt aan woorden die je zou kunnen schrijven. Je denkt aan dingen die je zou willen zeggen, zou willen vragen.

14 november 2014

Het zwart en het zilver



Een klein mooi boekje over de liefde, en over de eenzaamheid. Onder meer. Het zwart en het zilver van de Italiaanse schrijver Paolo Giordano.

Het verhaal is eenvoudig. Een jong koppel, de verteller en zijn vrouw Nora. Hij werkt aan de universiteit als natuurkundige. Zij richt huizen in. Als haar zwangerschap moeilijk verloopt, haalt de verteller een huishoudster in huis, de weduwe Signora A. Ze neemt direct haar plaats in als een steunpilaar in de moeilijke maanden. Nora bevalt van Emanuele, en Signora A. blijft in het gezin. Ze wordt er in zekere zin de spil van. Ze zijn haar ondertussen Babette gaan noemen. Signora A. wordt ziek, kanker. Ze sterft. Haar dood brengt het evenwicht in het gezin helemaal in het gedrang. Het koppel komt in een lichte crisis terecht, ontheemd als het ware.

De verteller en Nora zijn jonge mensen van deze tijd. Ze zoeken hun plek in de moderne, steeds veranderende wereld, willen een carrière voor zichzelf. Ze kunnen niet terugvallen op klassieke rollen voor mannen en vrouwen, ze passen niet in het oude gezin. Ze staan als het ware op een wit blad, met alleen de belofte van de liefde. En ook die begrijpen ze niet helemaal.

Signora A. heeft sterke en vaste overtuigingen. Ze doet niet mee met verandering. Ze zorgt, met een vanzelfsprekende autoriteit. Ze krijgt een sterke band met de kleine Emanuele. Zij is als een spil of een spiegel waarin de liefde tussen de man en de vrouw zichtbaar wordt. Of misschien wel alleen maar mogelijk is. Ze kunnen elkaar graag zien, door die vrouw in het huis. Door haar aanwezigheid kunnen ze onbewust het moment van de leegte, waarin ze tegenover elkaar staan, voor zich uitschuiven. En wanneer Signora A. wegvalt, hebben ze enkel elkaar.

De titel verwijst naar de theorie van de lichaamsvochten. Het zwart van de man en het wit van de vrouw laat zich niet mengen. In de driehoekstructuur die er was met Signora A. werd die eenzaamheid niet onthuld. Na haar dood is ze niet meer te vermijden. Met drie eilanden (en nog een kind erbij) ging het blijkbaar wel, met twee is de balans zoek.

Giordano beschrijft het met een zekere afstand, hij toont de kleine gevechten, het onvermogen, het gemis en het niet weten. De nog jonge verteller in het boek klinkt soms een beetje hard in hoe hij naar de liefde kijkt. Als lezer ben je getuige, en voel je iets van angst om alleen gelaten te worden in de grote wereld, met daarin de heel kleine wereld van een gezin.

Het zwart en het zilver is een mooi boek. Over de liefde, of over een liefde. Misschien ook wel over een beetje verloren lopen in deze tijd, over een onbewust verlangen tot uitstel. En ook over eenzaamheid, en hoe die te maskeren.

11 november 2014

Nog meer kreupelhout

Tot net voor je vertrekt, aarzel je nog. Je weet niet waarom. Misschien ben je bang van dit moment, misschien van de tentoonstelling die je zult zien. Misschien van alleen.

Een dag eerder was je nog een nieuw boek gaan kopen. Je had er net een uit. Lichte onrust. Nog niet weten welk boek het volgende zou zijn. Je stapel met nog te lezen boeken herschikt. En nog eens. En nog eens. Om uiteindelijk toch naar de winkel te gaan om een nieuw boek te kopen. Iets over de liefde.

Je brengt de mevrouw aan het loket aan het lachen.

Je nestelt je in de trein. Met je nieuwe boek.

Lichte onrust. Je bent onderweg.

Soms komen er ineens zinnen door je hoofd. Zinnen waarmee je stukjes zou kunnen schrijven. Zinnen die je een beetje beschamen. Zinnen die je voor alle veiligheid in de mond van een zogenaamd personage zou kunnen leggen. Zoals.

Je bent erg aanraakbaar, stel je vast. Als nu een vrouw naast je zou komen zitten, en het juiste zeggen, zou je zomaar in de liefde kunnen vallen. Meer zou er niet nodig zijn.

Zo’n zin dus.

Je wandelt door het park naar het museum. Je doet je best om traag te stappen.

Je denkt na over welke trein terug je straks zou willen nemen. Het voelt als verraad. Een beetje.

Je zult dapper zijn, heb je je voorgenomen. Je legt je jas in een locker, je steekt er een muntstuk in. Om een of andere reden ben je altijd bang van lockers met muntstukken. (Even bang als van winkelkarretjes waar je een muntstuk in moet steken.) Alles gaat goed.

Je gaat meteen naar boven. Waar de tentoonstelling is die je wilt zien. Er is geen gewenste looprichting. Je ziet wel meteen de zaal met het kreupelhout, en je weet dat je die als laatste wilt zien.

Lichte onrust. Je moet jezelf een plaats geven in de ruimte.

De kunstenares heeft de vloer laten schilderen. Je voelt meteen dat dat juist was.

Is het het geluid van de anderen dat heen en weer galmt door de ruimtes? Of zijn het gewoon de anderen? Het duurt even eer je je ritme vindt in de zalen.

Het is anders dan je had verwacht. Je kunt er niet meteen de vinger op leggen.

De tekeningen en sculpturen komen traag bij je binnen.

(Was je toch liever niet alleen geweest hier? Om dicht bij een ander niets te zeggen? Om aanraakbaar te zijn, maar niet aangeraakt te worden? Alleen de mogelijkheid tot.)

Het is waar, wat er in het boekje staat. Je zou de hele tijd die dingen willen aanraken.

Dingen die op een gewei lijken, en tegelijk op stukken van een lichaam. Ze stralen. Je kunt ernaar blijven kijken. Tegelijk weet je niet goed of je kijkt naar iets dat dood is, of net niet.

Het beeld van de vrouw, met de lange (paarden)haren. Ze lijkt kwetsbaar, maar niet breekbaar.

En dan de grote zaal. Het beeld van het paard dat aan een poot omhoog hangt. De twee grote palen met bovenin menselijke wezens. Het is alsof die beelden zich traag in je hoofd branden, besef je later.

De kleine zaal met de menselijke figuur, op een soort piëdestal. Soeverein. Het beeld vraagt je niets, het is. Bij dit, en ook bij andere beelden, valt het je op dat het grote voeten heeft. Voelt als een geruststelling, je voelt je bijna thuis.

En dan de zaal met het kreupelhout. Een stille indrukwekkendheid. Je begrijpt meteen wat de kunstenares heeft met Coetzee, en omgekeerd. Het beeld is zoveel. Je zou hier eigenlijk alleen willen zijn nu. Het is te vroeg om veel te denken, veel te voelen. Je vindt het een beetje raar.

Misschien ga je sneller als je alleen bent. Je gaat nog eens door alle ruimtes, ziet alles nog eens opnieuw. In de zaal van het kreupelhout is er nog meer volk. Het maakt je een beetje onrustig.

Terug op weg, door het park.

Aan het station koop je nog een mattentaartje.

In de trein lees je verder in het mooie boek.

En zodra je uitstapt, komen de beelden in je hoofd. Ze hadden tijd nodig, ze zijn er nu.

Het eerste gevoel is dat je er alleen had willen kunnen zijn. Haar kunst zegt iets over verbondenheid, maar op een heel eenzame manier. Of misschien omgekeerd. Maar je voelt dat je alleen had willen zijn, geen andere mensen in die zalen. Alsof de anderen je tot iets van schaamte zouden aanzetten. Tot een ontvluchten. Terwijl er net iets van blijven in die beelden zit. (Je kunt het weer niet uitleggen.)

Terwijl je verder door de straten loopt, voel je hoe de beelden je raken. Beelden met een na-ijleffect.

Ja, het was anders dan je je vooraf had voorgesteld.

Troost. Inderdaad.

Je voelt je dankbaar. Omdat je mocht kijken, mocht zien.

09 november 2014

Het hout

Als je na een mooi Bachconcert weer naar huis gaat, heb je telkens weer dat bijzondere gevoel. Veel gevoelens samen, waaronder – nog los van de kwaliteit van de uitvoering – ook iets als een dankbaar ontzag voor zoveel muzikaal meesterschap van de componist. Het volle besef dat je muziek hebt gehoord van een componist uit de eredivisie, en tegelijk een dankbaarheid, enkel al maar omdat die muziek bestaat. Dat soort dankbaarheid kun je ook hebben na het lezen van een boek van Jeroen Brouwers. Wat hij kan doen met de taal, het blijft verbluffend. In zijn nieuwe roman Het hout zet hij op een bijna achteloos indrukwekkende wijze de woordwerkelijkheid naar zijn hand. Het boek is het wrange relaas van vreselijke toestanden in een jongenspensionaat in de jaren 50 en tegelijk een ingenieus taalkunstwerk.

De centrale figuur in het boek is broeder Bonaventura, of Eldert Haman. Het verhaal speelt in 1953, in een mannenkloostergemeenschap met jongenspensionaat in het zuiden van Nederlands Limburg, dicht tegen de Duitse grens. In het begin van het boek is Bonaventura al een met zichzelf worstelend personage. Hij is min of meer gedegradeerd tot surveillant en voelt zich – op een heel lijfelijke manier – niet thuis in zijn pij. Ontmenselijkt door het kloostersysteem, als symbool voor het instituut kerk in die tijd, is hij een willoze toeschouwer en misschien wel medeplichtige geworden.

Door zijn ogen en zijn piekerende geest ben je als lezer getuige van de verstikkende atmosfeer in het klooster en van het ware schrikbewind dat er heerst. Een groot deel van de broeders kan zijn handen niet thuishouden. De jongens zijn nergens veilig. Een van de broeders, Mansuetus, een soort nazibroeder (inclusief Duits accent) is verantwoordelijk voor een sfeer van vernedering en sadisme. Het hout staat voor het instrument waarmee de jongens worden afgeranseld. Er gebeuren vreselijke dingen, maar alles blijft netjes afgeschermd achter de muren van het hypocriete fatsoen. Kloosteroverste Benedictus, een akelige wereldvreemde man van ‘het’ systeem, houdt alles netjes in stand.

Eldert Haman was oorspronkelijk een van de weinige leken in de school, als leraar Duits. In het boek wordt duidelijk hoe hij stap voor stap in het klooster gezogen werd, waarbij hij ontdaan werd van elke wereldsheid. Haman werd Bonaventura. Een andere lekenleraar wijst hem er regelmatig op hoe hij een lafaard geworden is die niet de enige keuze durft maken die de juiste zou zijn: weggaan.  Bonaventura aarzelt geweldig. Op zijn manier probeert hij het anders te doen. Hij slaat of misbruikt de jongens niet, spreekt hen bij hun voornaam aan en laat hen zo een beetje in hun waardigheid, maar zich echt verzetten tegen wat hij ziet gebeuren doet hij niet. De situatie gaat voor hem naar een hoogtepunt in de vreselijke manier hoe er wordt opgetreden tegen twee jongens die een – volgens de broeders – iets te innige vriendschap hebben ontwikkeld.

Het is niet alleen het geweten van Bonaventura dat opspeelt. Er is ook Patricia, een jonge weduwe uit de wereld daarbuiten. Hij leert haar kennen bij een bezoek aan de tandarts. Ze voelen zich tot elkaar aangetrokken. In haar lichamelijkheid en haar woorden is zij alles wat hij niet is. Ze confronteert hem met zijn besluiteloosheid. Volgens de gestoorde manier van denken in het klooster zou Patricia kunnen staan voor al wat des duivels is. Maar in de feiten is het Bonaventura die in de onderwereld zit.

In het eerste deel van het boek, waar de beklemmende werkelijkheid in het klooster het sterkst aanwezig is, wordt er al even verwezen naar Patricia. Bonaventura komt dichter bij zijn persoonlijke moment van de waarheid. Het tweede deel schetst wat er in het klooster aan dat alles voorafging. Het derde deel brengt het licht van Patricia in het boek. Het verhaal komt uiteindelijk tot een climax, waarbij Bonaventura beslissende keuzes maakt.

Het hout is heel veel tegelijk. Het is een genadeloze afrekening met een wereld van structureel misbruik. Wat je als lezer te zien krijgt, is schokkend en weerzinwekkend. Brouwers beschrijft dat alles met gebruik van het katholieke jargon van die tijd, op een virtuoze en indringende manier die nooit grotesk wordt. De afrekening met het instituut kerk is af en toe wel behoorlijk hilarisch. Zo is er de onvergetelijke scène in de kerk die wordt klaargemaakt voor het bezoek van de bisschop op Witte Donderdag, waarbij er een en ander mis loopt.

In dat alles worden allerlei motieven als terugkerende spiegels gebruikt. Zo zijn er de talloze verwijzingen naar de idealen van Franciscus die daardoor hun pervertering bewijzen. Het is Bonaventura zelf die in hun omkering iets terugvindt van wat ze hadden moeten zijn. Er zijn ook allerlei verwijzingen naar het nazitijdperk. Het verhaal speelt zich af net na de oorlog. Een aantal mechanismen uit de donkere dagen heeft zich blijkbaar diep genesteld in het klooster, een oord van de duisternis, waar het licht ver weg is.

Er is de worsteling van het hoofdpersonage met de eigen demonen. Het gevoel van opgesloten zijn, niet kunnen handelen is typisch voor boeken van Brouwers. Er is de lijfelijkheid, in al zijn dimensies. De verstikkende kleding in de warme dagen. De lijdensweg van de tandpijn. Rammelende en desintegrerende lijven. Afzichtelijke personages. Maar ook het grote verlangen naar het andere geslacht, daar aan de andere kant van de muur. Het gestuntel met de ontluikende seksualiteit. Allemaal op en top Brouwers.

Maar er is dus ook, en bovenal misschien wel, de taal  van Brouwers. De benauwende verstikking van het klooster, de rusteloze besluiteloosheid, ze weerspiegelen zich tot op het niveau van de zinsbouw, met zinnen die in elkaar gedrukt lijken te zijn. Op andere momenten gaan de registers moeiteloos open in een genadeloze en wrange satire. Om daarna weer soepel om te schakelen naar de wereld van de vrouw, de wereld van het licht.

Brouwers heeft zelf in zijn jonge jaren een tijd doorgebracht in een dergelijk jongenspensionaat. Die periode, vooral dan de sfeer van vernedering, heeft hem erg getekend. Misschien kun je wel zeggen dat het superieure meesterschap waarmee hij sommige herinneringen van toen tot een verhaal heeft gemaakt waar hij als schrijver volledig soeverein de baas van is de ultieme afrekening en dus bevrijding is van het toen. Ze kunnen hem niet meer raken. In niets kunnen ze zijn taalkracht verstoren.

Het hout is een heel bijzonder boek. Het zuigt je als lezer in een wereld die je misschien niet wilt zien, maar die moet gezien worden. De taal die je meevoert is geen roetsjbaan, maar heeft meer van het beheerste meesterschap van Bach. Je voelt een hand die alles kan, maar het niet noodzakelijk de hele tijd moet etaleren. En na de laatste bladzijde besef je dat dit boek nog een tijd aan je zal blijven kleven.