21 januari 2018

Lichte verwarring

Dagen door elkaar.

Luisteren naar Bach tijdens het zondagochtendconcert, samen met een goede vriendin. Niet willen dat je lijf ook maar één hoest geeft. Kijken naar je ademhaling. Verdwijnen in de muziek. Wo wird in diesem Jammertale vor meinen Geist die Zuflucht Sein? 

Schrikken als je merkt dat mensen bezorgd zijn en hopen dat je snel weer beter bent. Nooit goed weten hoe dat zit, hoe wat normaal is je verwart. (En het ook wel een beetje fijn vinden.)

In die ene zondagskrant begin je altijd met het verhaal over de liefde.

Je lichaam weet iets. Het is tijd voor iets. Je weet het. Het moet nog even wachten.

Sommige woorden zijn te gemaakt. Ze raken je niet meer. Het verontrust je een beetje.

De muziek, terwijl je zit te schrijven. Soms wil je alleen maar daar zijn, waar de muziek is.

Denken aan een trui die je helemaal warm zal houden. Je ziet de trui in je hoofd. Je eindigt met een trui en een golf. Het is lekker warm. Na het concert, tijdens de receptie, duurt het even eer je handen weer warm zijn. Dat wil je niet.

Een andere dag. Op dat moment nog koortsig. Tijdens de meditatie. Een verlangen naar de rivier.

Je denkt aan een vriendin, en haar grote verdriet. Het is altijd wel ergens in de buurt. Misschien kunnen mensen elkaar een beetje dragen.

Je luistert naar de speech. Je had eigenlijk iets anders verwacht van die man. Je houdt niet van grapjes over mannelijke potentie. (Je bent niet de enige, denk je.)

Je voelt het aan het licht, ergens in de namiddag. Dat het seizoen gekanteld is. Het viel je enkele dagen geleden ineens op. Het is bijna het licht van februari.

Die knoop ergens tussen je schouders. Soms kun je hem aanraken. Soms kun je hem bewegen. Soms heb je geen idee.

De fiets die je daar al enkele dagen ziet staan met dat achterlicht dat aan blijft. Je bent al eens gaan kijken of je het niet uit kunt zetten. Je vond geen knopje of zo. Het brandt nog steeds. Je voelt je toch een beetje dom.

De deurbel gaat. Blijkt een pizzameneer te zijn. Dezelfde die je ooit al enkele keren ’s nachts uit je bed belde. Heeft blijkbaar de gewoonte om meteen op alle bellen te drukken, in de hoop dat er iemand zal antwoorden.

Toch fijn om nog even in het boek te kunnen lezen. Het brengt de zondag in balans.

Je denkt na over parels.

Tijdens de receptie geeft iemand een beschrijving van wie jij volgens hem bent. Je kunt ermee leven.

Gebakken aardappeltjes op zondag. Je denkt aan iemand.

Zouden al die bollen nu echt al aan het uitkomen zijn? Of doen ze maar alsof?

Siroop voor de luchtwegen. Als kind hoopte je dat je als volwassene dan toch minstens een soeplepel per keer ervan mocht nemen. Volgens de gebruiksaanwijzing blijkt nu dat volwassenen een koffielepel mogen nemen. (Niet dat je gelooft dat dat zal werken of enig verschil maakt, maar het is toch een groot onrecht. Minstens.)

Een lief sms’je. Net voor het dessert. (Je zult niet zomaar eenzaam sterven, dat is wel duidelijk.)

Je weet niet goed meer of die droom nu tijdens je slaap of overdag tot je kwam.

En nog zeventien andere vormen van lichte verwarring.

20 januari 2018

42.4

Soms slaat het verleden ineens als een bliksem weer in. Zoals die plotse felle bliksem enkele dagen geleden. Ineens.

Je hebt een zware verkoudheid, of zoiets. Een nacht die een heel klein beetje koortsig lijkt. Zo’n nachten hebben iets, moeilijk uit te leggen. Het is alsof je zweeft, in een of andere licht verhevigde toestand. Het zijn de spieren op je meest gevoelige plekken die pijn doen,  daar waar het altijd al zwermt.

Je hebt een goed gevulde dag voor de boeg. Drie recepties en boodschappen.

Je denkt dat je je iets beter voelt dan de avond daarvoor, toen je je lijf binnenstebuiten hoestte, zo leek het wel.

Een stemmetje in je zegt je dat je, dapper, toch misschien even moet kijken of je geen koorts hebt. Waar ligt die thermometer nu ook weer?

Je steekt de thermometer onder je oksel, en wacht op de pieptoon.

Piep.

Je kijkt, en ziet: 42.4 °C.

Een bliksem.

Gedachten razen door je hoofd. Dit kan niet, dit moet een fout zijn.

Snel opnieuw. 36.6 °C. Voor jou is dat al een verhoogde temperatuur. (Het apparaat zal daarnet gewoon even geen zin gehad hebben om te meten, of zo.)

Je vertrekt naar de eerste receptie, in Brussel.

En die bliksem komt weer in je hoofd. Die dag, toen. Ergens eind augustus, 1999. Aan zee.
Je had net die week de diagnose gekregen. Er zat een tumor in je lijf.

Het was de laatste dag van het weekend aan zee. Je zat buiten gitaar te spelen, en ineens was er die koortsbliksem. Je begon helemaal te trillen.

(Het is raar, tijdens die receptie zie je iemand terug die je al lang niet meer zag. Zij was toen de collega die je terug naar huis bracht. Het is een merkwaardig kosmisch toeval.)

En de nacht na die dag kwam het weer. De koorts sloeg in als een bliksem, en ging vlot richting 42 °C. Je lijf schokte zo dat je de telefoon niet eens goed kon vasthouden.

Je weet niet goed hoe je het moet doen, hoe het gaat. Soms is de herinnering aan de ziekte van toen ver weg. Als een eiland dat er is als je ernaar kijkt. Soms moet je jezelf uitleggen wat er toen is gebeurd, en dat het echt was.

En soms slaat het ineens in, als een bliksem. Toen is plots nu. Alles kan zomaar wankel worden, in een oogwenk. Het monster zal altijd wel ergens zijn, daar onder water. Meestal laat het zich niet zien, waardoor je zou kunnen denken dat het er niet meer is. Tot het moment daar is, en het blijkbaar nodig is dat je aan iets herinnerd wordt.

Onderweg naar de receptie probeer je in je lichaam te kijken. Koorts is normaal, is goed. Je lichaam is aan het werk. Het zal zich terug herstellen. Je mag erop vertrouwen. Het schokt niet.

Maar soms, dus, ben je bang van koorts. Je lichaam kan je in de steek laten. Dat dacht je soms, zoveel jaar geleden. Dat je lichaam je heel vertrouwd geworden was, door al die toestanden en onderzoeken en behandelingen, maar dat je het niet meer kon vertrouwen.

En terwijl je daar loopt, denk je dat het nu is, dat je je lichaam mag vertrouwen, dat koorts gewoon is, dat koorts gewoon kan willen zeggen dat je even in de zetel moet gaan liggen met een dekentje om je lichaam rustig te laten werken.

Na de receptie loop je terug naar het station. Je denkt dat de koorts is gestegen sinds de ochtend.

Je gaat nog langs de winkel voor de boodschappen.

Thuis meet je, en ja, het is meer dan die ochtend. Je zegt de twee recepties af, en kruipt onder een dekentje.

Misschien is alles wel gewoon goed.

(Je denkt even aan wat je lichaam je leerde de voorbije maanden, aan de goede voornemens. Misschien is alles wel gewoon goed. Misschien is het goed te weten dat het soms, uit het niets, kan bliksemen. En dat daarna de wereld weer rustig wordt.)

18 januari 2018

Hier, dus

‘Ik zag je in mijn droom.’
‘Kun je alles vertellen wat je zag?’
‘Nee, officieel niet.’
‘Ik was er natuurlijk zelf ook bij, ik weet het.’
‘Oeps.’
‘Maar dit is ook goed natuurlijk. Hier.’
‘Ik heb een beetje de indruk dat het beeld in mijn droom qua scherpte overeenkomt met mijn oude televisie, en in het echt met de nieuwe. Veel scherper. Ik zie al jouw details nu.’
‘Ook de vierde dimensie dus?’
‘Ja, vanzelfsprekend.’
‘Je ziet er eigenlijk wel moe uit. Mag ik dat zeggen?’
‘Ja, jij mag dat. Ik weet soms niet goed hoe ik moet reageren als men mij dat vraagt. Alsof ik me een beetje betrapt voel.’
‘Je weet natuurlijk dat ze gelijk hebben.’
‘Ja.’
‘En wat ga je eraan doen?’
‘Wachten. Iets in mij is aan het weggaan van die plek in mijn lichaam. Ik voel het, ik zie het. Zoals schaduwen die uit elkaar schuiven.’
‘Ik zie het ook aan jou. Al een tijdje eigenlijk.’
‘Maar ik moet nog even wachten. Sommige dingen moeten nog hun bestemming krijgen.’
‘En moet jij die dragen dan?’
‘Ik denk het.’
‘Je voelt het als je plicht, bedoel je.’
‘Ja.’
‘Je bent wel mooi, en een beetje verdwaald.’
‘Maar nu zijn we hier. Toch?’
‘Nu zijn we hier.’
‘En hier zijn we veilig voor de storm.’
‘Was je bang?’
‘Eigenlijk niet. Sinds ik hier ben, ben ik niet meer bang.’
‘Denk je dat we tijd hebben?’
‘Ik weet het niet. Als we het ons niet afvragen wel, denk ik.’
‘Ik blijf nog even dan nu, hier.’
‘Ja, we gingen nog iets doen trouwens, weet je nog?’
‘O ja.’
‘Ik las dat boek, over pijn, en hoe die in de tijd en in je lichaam blijft. En het maakte me droef, en tegelijk was het alsof ik het voor het eerst begreep.’
‘Nu pas? Dat zou iedereen zeggen.’
‘Ja, waarschijnlijk.’
‘Het is niet zo moeilijk om het te zien.’
‘Daar moet je me straks maar iets over vertellen.’
‘Wat denk je nu?’
‘Dit is zo’n moment.’
‘Wat voor moment?’
‘Dat ik even wacht, en daarna iets roep.’
‘Wat dan?’
‘Wit wijntje?’
‘Ja!’

14 januari 2018

Een verlangen naar klein

Een verlangen naar kleine woorden. Ze zouden zich voorzichtig neerleggen, dicht bij elkaar. En je zou kijken.

Je kijkt naar jezelf in je droom. Iets lukt in je droom. Nadien voel je je verward. In je droom. En daarna ook. In het andere leven.

Een herinnering aan een zondagavond. Adem. Stilte. En een trein in de verte. En ook een programma op de radio over Patagonië. Het woord deed je jaren later nog altijd denken aan die avond.

Blij dat een tekst weer dicht bij je is.

Je kijkt naar de zangeres op het podium. Hoe ze beweegt. Waar begint die beweging ergens in een lichaam?

In het filmpje zie je handen. Trage handen. Die alle tijd hebben. Dat is het, denk je.

Hoe kleine dingen je ineens uit je evenwicht kunnen halen. Niets is ooit verworven, denk je een seconde lang. Alles komt goed, denk je twee seconden later. Die tijd tussen die twee, misschien heb je die veroverd, in een leven.

Langzaam knutselen met woorden. Je ziet de woordgetijden die nog zullen komen, en het is goed.

Ineens lijkt het belangrijk om dat ene stukje helemaal schoon te krijgen.

Je zult nooit weten wanneer je buik je weer in de steek zal laten.

De gitarist op het podium vertelt iets over Paris Texas. En ineens zie je de noten die hij speelt.

Je zou moeten poetsen. Maar je wilt liever even bij je vrienden zijn. Het lijkt om een of andere reden heel belangrijk. Alsof er anders iets zou gebeuren.

Alleen met die ene persoon kun je naar die tentoonstelling gaan, dat wist je de hele tijd al.

Je kijkt naar de piano. En je ziet een mooie gedachte. Iets zou kunnen geheeld worden.

Iemand zegt iets over actief en passief. Het maakt je radeloos, stel je later vast.

De vaststelling dat die dierbare vriendin ook steeds in de war is bij het inschatten van welke kant even is en welke oneven in de schouwburg verzoent je met het leven.

Je ziet een traag verlangen.

De queeste naar de witte zoete aardappel.

Iemand zei het je ooit, dat je zo snel in slaap valt.

Je leest het kleine boekje opnieuw. Je wilt het verhaal dicht bij je. Twee levens. Misschien moesten ze rondzwerven, om weer dichter bij elkaar te komen. Waar ze altijd al waren, eigenlijk.

Je televisie zou smart moeten zijn. Misschien voel je je daarom zo dom.

Dat ene moment van de zondagnamiddag.

Het verhaal in je hoofd.

Nog even in het boek lezen. Daar in de warme hoek van de kamer. Daarna wordt er iets rustig.

Het personage in de serie. Ze staat op de trap. Hij staat beneden. Je hoopt dat ze iets zal zeggen tegen hem. Ze zegt het. Je glimlacht.

Je hoopt op een trage droom.

Kijk naar de woorden, zou je willen zeggen. Kijk hoe ze daar liggen. Dicht bij elkaar. Als je dat ziet, weet je alles over mij. Zou je willen zeggen.

11 januari 2018

Het Gammamoment

Dat je erg achterlijk bent, dat is algemeen geweten. Maar daarom hoef je er nog niet elke dag aan herinnerd te worden, denk je.

Je voelde het al aankomen enkele dagen geleden. Onderaan de keukenkastjes boven je kookplaat zijn tl-lampjes bevestigd die het aanrecht verlichten. Handig. Een beetje indirect. Je werkt liever zo dan met die andere lamp, die een stuk sterker is, en je iets nadrukkelijker erop wijst dat niet alles 101% proper is, of zoiets.

In het weekend begon het ene lampje een beetje te flikkeren. Je woont bijna acht jaar in dat appartement, maar het was toch een schok. (Schokje.) Het is raar, maar zo’n kleine dingetjes kunnen ineens lichtjes je gevoel van veiligheid aantasten. In filosofische zin en in het kader van je spirituele visie ben je natuurlijk erg overtuigd van de algemene vergankelijkheid der dingen. Maar zo’n lamp die zomaar beslist om stuk te gaan, het brengt toch even je existentiële fundament uit balans. Eigenlijk kun je er niet zo goed tegen dat dingen stuk gaan.

Het flikkeren was dus, geheel volgens verwachting, de voorbode van de terminale uitdooffase van de lamp. Het is zo’n dunne tl-buis, en ze hangt wel erg mooi qua lichtresultaat, maar een beetje onpraktisch qua vervangbaarheidsgehalte.

Het verwijderen van de lamp verliep een beetje suboptimaal. Geheel in de lijn van de eerder genoemde achterlijkheid. Waarschijnlijk ook niet echt bevorderlijk voor de interplanetaire uitstraling van je mannelijkheid. (Al heb je gelukkig geen rode knop op mijn bureau staan. Wel een hummeltje. En een tekening van een eenhoorn.)

Er leek geen andere oplossing dan de aanschaf van een nieuw tl-lampje.

Je schrijft dus alles netjes op. Je meet de lamp. 60 cm en 18 W. Piece of cake, denk je. (Hoewel je al wel een beetje zenuwachtig bent voor het terug indraaiklikken van die nieuwe lamp.)

Je fietst naar de winkel. Je doet of je een echte klusser bent, die recht op zijn doel kan afstappen. Bij driekwart van de andere klanten lukt dat iets minder overtuigend, eigenlijk, als je goed kijkt. Maar toch…

Een hoop tl-lampen. Van het dunnere en van het dikkere soort. Je moet van die dunne hebben. Je kijkt naar de kaartjes die bovenaan hangen, en maakt daaruit op dat je een lamp van 60 cm hebt. Wel een beetje vervelend dat ze 13W is, maar dat zal wel niet erg zijn zeker?

Bij thuiskomst blijkt de lamp zo’n 5 cm te kort te zijn. Het is niet zo eenvoudig zo’n lamp 5 cm uit te rekken. Echte macho’s zouden dat kunnen natuurlijk, maar jij niet. (Achterlijk, zoals gezegd.) Dan zie je op het doosje dat de lamp 55 cm is, wat waarschijnlijk de situatie van het te kort zijn zou kunnen verklaren.

Je spreekt jezelf toe. “Jean, je moet nu terug naar de winkel om de lamp te ruilen. Je moet nu vooral niet gaan denken dat je die lamp eigenlijk niet nodig hebt. Onmiddellijk terug, schoenen weer aan, weer op de fiets.”

Van bij een vorige toestand weet je nog dat de ruildesk zich bevindt nog voor het toegangsklapdeurtje. (Tot daar gaat alles al goed.) Een wat oudere man komt je helpen. Je moet een heel formulier invullen. Je krijgt een tegoedbon. De man is vriendelijk.

Terug naar de gang met de lampen. Je bekijkt alles grondig. En nog eens. En nog eens. Er hangen geen lampen van 60 cm. Oei. Het zou kunnen dat je hulp moet vragen. Die fantastische man van het Peulengaleis loopt er niet rond, vermoed je. Je gaat nog eens checken. En nog eens checken. Er zit niets anders op. Je zult naar de infodesk moeten gaan.

Je gaat naar de infodesk. Een jongere man dan de andere komt verveeld naar je toe. Nog voor je iets gezegd hebt, zucht hij al, en kijkt je aan met die gepatenteerde ‘ze-hebben-hier-weer-zo’n-achterlijke-nitwit-binnengegooid’-blik. Je legt uit dat je dus de verkeerde lamp hebt teruggebracht. Je wijst de lamp aan, aan de andere kant van de desk. Je vertelt dat je je had vergist, door dat kaartje. En dat je dus een lamp van 60 cm nodig hebt. En of die misschien nog binnenkomen of kunnen besteld worden. “Ja meneer, als die lamp daar niet hangt, dan hebben wij die niet.” Om een of andere reden lijkt die stelling voor jou niet helemaal overtuigend. Hij vraagt je uit te leggen wat je zoekt. Je wilt zeggen dat je dus een lamp van 60 cm nodig hebt. Hij blaft je af dat hij alleen het aantal watt moet weten. 13 W kan dus geen 60 cm zijn. 18 W kan alleen maar 60 cm zijn. Dat maak je op uit zijn tirade. (Maar dat je achterlijk was, wist je eigenlijk al.) Na een nog diepere zucht, gaat hij naar de gang met de lampen. Hij blijft lang weg. Hij komt terug. “Ja meneer, die lamp hangt daar niet, die hebben we dus niet.” Die uitspraak komt min of meer overeen met wat je zelf ook al de visu had kunnen vaststellen. Jouw vraag was of die nog binnen zou komen of kan besteld worden. Waarop hij nog eens zegt dat als ze er niet hangt, ze er dus ook niet kan hangen, omdat ze die niet hebben. In al die antwoorden is er sprake van enige circulariteit, denk je.

De man roept dan de andere man, de iets oudere, die je eerder al hielp bij het terugnemen van de verkeerde lamp. Hij gaat met jou mee naar de gang van de lampen, om daar vast te stellen dat ze die lamp inderdaad niet hebben. Hij is heel vriendelijk, weet het ook even niet goed. Hij geeft je enkele suggesties over waar je ze misschien wel zou kunnen vinden, in een andere winkel.

Aan de kassa geef je de tegoedbon aan de kassamevrouw. Schroomvol zeg je dat je de verkeerde lamp had meegenomen, wat de bon verklaart. “Och meneer, dat is niet zo erg. Dat gebeurt hier wel meer. U moest eens weten.” Met die paar woorden geeft ze blijk van een grote wijsheid in deze verondersteld mannelijke omgeving. Misschien gaf ze je wel een knipoog. Ze weet hoe ze achterlijke mannen als jij snel gerust kan stellen. Ze staat in verbinding met de universele wijsheid.

Terwijl je de winkel inkijkt, zie je her en der radeloze mannen rondlopen. Zij zien er wél uit als echte klussers. En zij zullen bijgevolg misschien wel nooit raad durven vragen. Ze zijn gedoemd om rond te dolen, een eeuwigheid, en te vertrekken straks met de verkeerde boor of de verkeerde schroeven. De mevrouw vraagt of je een muntje van 1 cent hebt, wat het teruggeven zou vergemakkelijken. Je blijkt zo’n muntje te hebben. De kosmos klaart langzaam terug uit. Er is nog hoop voor jou in dit aardse tranendal waar dingen zomaar stuk gaan. Je bedankt de mevrouw hartelijk, en krijgt een mooie glimlach terug. Zij is een vrouw van de wereld, dat zie je zo.

Op weg naar huis besef je dat je nog steeds geen oplossing hebt voor de lampenkwestie. Maar voor heel even is dat niet zo erg. Morgen is er weer een dag.

07 januari 2018

Tussen april en september

Soms voel je het, en kun je het niet uitleggen. Dit is goed. Dat gevoel. Soms voel je dat iemand traag gekookt heeft, met liefde. Het is geen gerecht met toeters en bellen, maar het lijkt aan zichzelf genoeg te hebben. De gastheer of –vrouw brengt het rustig naar de tafel, en je voelt je welkom. Je voelt nabijheid en wijsheid. Gesprekken die ertoe doen. En tussendoor vraag je je af hoe het juist komt dat alles lijkt te kloppen, op een manier die vanzelfsprekend en tegelijk onverwacht is. Je bent bij iemand die genereus, ingetogen en onvatbaar tegelijk is. Kwetsbaar, een beetje onaangepast, maar toch ook rustig in zichzelf. Iemand die geen enkele behoefte voelt om te imponeren, maar gewoon authentiek is. Dat alles lijkt ook samen te komen in het eten.

Dat gevoel krijg je bij het lezen van het erg mooie Tussen april en september, van de Noorse schrijver Tomas Espedal. Het is een boek dat erg dicht op de biografie van de auteur lijkt te zitten. Een boek over verlies. Maar het is ook een boek over taal. Wie alleen maar zou kijken naar het verondersteld echte verhaal van een vader die zijn moeder en zijn ex verloor en nu probeert te zorgen voor zijn dochter, die zou in het beeld van het eetmaal alleen kijken naar welke aardappelen gebruikt zijn en niet naar de plek die ontstaat in de tijd door het hele gebeuren rond dat eten. Die plek is als de taal in dit boek.

Het verhaal is dat van een schrijver die in een periode van enkele maanden zijn moeder verliest, en daarna zijn ex-vrouw. De man trekt in in het huis van de moeder van zijn dochter (de dochter die nog thuis woont). Ze hebben allebei een moeder verloren. Hij moet zijn plek zoeken in het huis dat hem als een soort vreemd lichaam opneemt. Hij was een vader, die ook schrijver was, of een schrijvende vader. Maar nu lijkt het ingewikkeld welke rol hij moet opnemen. Hij probeert een soort moeder te zijn voor zijn dochter, begint de regie over het huishouden over te nemen. Het bevalt hem goed, en tegelijk klopt het ook niet. De dochter vindt het maar niets. Hij lijkt haar nu ook te verliezen. Zij wil een vader. En het schrijven komt in de verdrukking, laat zich niet zomaar samenvoegen met het andere.

In het zoeken naar hoe het nu moet, komt de familiegeschiedenis in beeld. Via zijn naam gaat hij terug naar de levens van zijn grootouders en zijn ouders. Het zijn mooie maar ook tragische verhalen, over gefnuikte verwachtingen, dromen die niet uitkomen, maar ook over mensen die op hun eigenzinnige manier hun weg zoeken. Het is een wereld waarin je afkomst ook in grote mate bepaalt wat je kansen zijn en in welk soort cultuur je verondersteld wordt te zullen leven. De centrale figuur waar al die verhalen naartoe bewegen is die van zijn moeder. Zijn vader kwam uit een arbeidersmilieu, zijn moeder uit de middenklasse. Ze opent – hoewel ze dat misschien niet bewust doet – voor haar zoon de deur van de literatuur, van de taal.

Terwijl hij in dat huis zit, is het alsof hij steeds beter ziet hoe zijn moeder in hem zit. Door zelf voluit te kiezen voor de woorden heeft hij toch voor een deel een soort breuk gemaakt met de manier waarop de levens van zijn grootouders en ouders werden bepaald door afkomst en klasse. Dat reflecteert zich in de vorm van het boek. De taal zoekt zichzelf. De woorden zoeken mogelijkheden om te beschrijven, om zelf ritme te zijn, om te klinken.

De titelbladzijde vermeldt, net onder de titel, dat het hier om “aantekeningen” gaat. Dat lijkt de verkeerde indruk te geven dat je gewoon een soort dagboekfragmenten zou krijgen. In lengte bewerkt en zorgvuldig geselecteerd. Maar dat is een misleidende gedachte. Het boek werkt veel ingenieuzer. Er wordt geschoven met allerlei vormen, die soms heel subtiel in elkaar overgaan. Ritmische herhalingen. Zinnen waar de leestekens zoek lijken te zijn. Perspectiefverschuivingen, waarbij je soms even niet meer weet door wiens ogen je kijkt. Een spel met het licht. Langere beschrijvingen en korte reflecties. Het gaat niet om het beschrijven van geschiedenissen, ze zijn tot taal gemaakt. Ingedikte taal, die de tijd kreeg om zich te zetten.

In een interview met de schrijver, te vinden via het internet, zegt hij dat hij zijn boeken schrijft, met de hand. Zijn methode bestaat erin dat hij het boek telkens opnieuw schrijft, tot het goed is. De schrijver zegt dat die werkwijze tot een bepaald ritme in de woorden leidt, en tot een uitdunning van wat er eerst stond. Een zin die niet goed is, wil je niet vier keer opnieuw schrijven. En eens je dat als lezer weet, voel je nog beter de organische kwaliteit van zijn zinnen. Je ziet als het ware het ritme van zijn woorden.

Het boek ademt verlies. De woorden zijn als seizoenen. Doorheen het verdriet en de rouw krijg je zicht op hoe levens van wie voor je kwam ook het jouwe bepalen. In de manier waarop de schrijver in het boek uitlegt (en tegelijk ook heel erg laat voelen) hoe hij zichzelf via de taal veroverd heeft, voel je een grote noodzakelijkheid. De weg van de woorden, aangegeven via zijn moeder, is geen vrijblijvende weg. Het boek is dus niet iets als een verhaal dat moest verteld worden en waarvoor dan een vorm gekozen is, alsof dat een afgeleide keuze zou zijn. Het verhaal ademt in de vorm, en dat doe je als lezer ook.

Wat kun je dus zeggen over Tussen april en september? Heel eenvoudig: dit is goed.

06 januari 2018

Een trage reis

De trein is op weg naar een grens. De storm is nog niet gaan liggen.

Iemand stuurt je een belangrijk bericht, een vraag. Je antwoord lijkt verloren te gaan tussen grenzen. Je stuurt het nog eens, het moet aankomen bij de bestemmeling.

Achter je leest een mevrouw voor uit een boek, voor twee meisjes. En het is alsof ze ook voor jou voorleest.

De trilling bevrijdt je.

Wat met de grens in je lichaam?

Het landschap heeft zich in zichzelf teruggetrokken, probeert zich te beschermen tegen de wind.

Misschien kun je wel helen. Iemand zei het je.

Er zijn soorten van donker, denk je. Dit donker, deze trein, het raakt iets van rusteloosheid.

Langzaam komt je lichaam terug. Het perron tussen twee treinen. En de wind.

Dit is inderdaad een ander donker, denk je later, een veiliger donker.

Met de beweging van de trein schuif je ook verder in het boek. Het verandert je adem.

Weer aan deze kant van de grens.

En tussendoor blijft steeds dat bericht in je achterhoofd, ergens.

Een volgende dag. Je probeert lijstjes te herschikken, greep te krijgen op de hoop te doen. Het lukt maar een klein beetje.

Ondertussen is ook je tweede fiets hersteld.

(Soms zou je uren tussen de uren of dagen tussen de dagen moeten kunnen schuiven. Om rustig lijstjes af te werken, of zo, heel rustig.)

In de andere stad realiseer je je ineens dat je binnen niet heel erg lang weer thuis moet zijn voor een vergadering.

Het wordt een fijne vergadering. Ze maakt je warm vanbinnen.

Het bericht blijft in je achterhoofd.

De avond komt te snel, er is nog een lijstje dat voor de dag bedoeld was, niet voor de avond.

Je probeert vroeg op te staan. Dat nieuwe stukje moet nog geschreven worden. Niet over vliegen dit keer… Wel over hoe stilstaan vooruitgaan is.

En al die andere plekken waar je niet kunt zijn, je laat het los.

Je maakt je klaar om te vertrekken. De trein die je had voorzien heeft vertraging. Je loopt, en haalt nog net een vorige trein. Je wilt op tijd daar zijn, voor haar.

Het enige wat je wilt, is helemaal daar zijn, daar waar jullie spreken, en zwijgen. Je weet niet of je het goed doet. Je wilt alleen maar luisteren en een plek zijn. Verhalen waar de dood en het leven elkaar raken. Ze bewegen door het landschap, waar er geen grenzen zijn. Het is zo droef, en het is mooi, al zou je niet goed kunnen zeggen waarom. Misschien hebben jullie elkaar aangeraakt, op deze plek, waar het verdriet is.

De wind doet je goed.

Een mooi gesprek in de trein. Intens. Verhalen over leven en dood, pijn en hoop. En de mevrouw die omroept waar de trein zal zijn, na het stoppen. Je bent een beetje verlegen, alsof je meer woorden zou willen kunnen aanraken, alsof de trein iets trager zou moeten rijden voor een tragere reis en een trager gesprek. Maar misschien is het niet zo erg. Het is een mooi gesprek.

De gesprekken blijven door je lichaam reizen, traag. Je kijkt naar de dood in die verhalen, en het is goed dat ze bij je blijven. Ze nemen hun tijd. Misschien is het dat, wat je kunt zijn voor iemand. Een plek waar verhalen traag kunnen reizen.

Eigenlijk zou je alleen willen zijn, maar je moet nog wachten. Je beweegt tussen heel veel mensen. Heel veel gesprekjes. En af en toe praat je ook over verhalen met de dood erin. Waardoor de dingen weer hun juiste plaats krijgen.

Je besefte het niet, dat de tijd zo snel was gegaan, denk je later. Een vriendin brengt je weer naar huis. Dit donker is geduldig.

Een andere dag. Er is nog zoveel te doen. Het lijstje moet zich maar aanpassen aan de reis van deze dag, het is niet anders.

Belangrijke dingen schuiven er wel tussendoor. Een  vraag over witte zoete aardappel. Verjaardagscadeaus naar het postkantoor. (Met kerstzegels, nog steeds.)

Een mooi gesprek met de mannen. Het ontroert je. Je vertelt over verhalen in je lichaam. (En ook wel over het vliegen, even.)

Als iedereen weg is, ben je eindelijk alleen met jezelf. De dingen moeten opgeruimd worden. Het aanrecht moet leeg zijn. De kleine lichtjes moeten aan, de grote uit. Pas daarna ben je er weer, waar je wou zijn.

En de verhalen, ze reizen verder. Ze laten zich aanraken.