21 mei 2016

Zweethanden



Na het feest ligt je lijf een beetje in puin. Lijkt wat op het puin daar naast de tuin van het feest. (Tuinfeest, mooi boek trouwens…)

En ook al was er nauwelijks zon, was het nog frisjes, waren er veel wolken en was je vooral binnen: je bent weer verbrand. Er zijn nog zekerheden.

Het verjaardagsmanagement loopt goed.

Misschien ben je te efficiënt. Misschien verwacht je te eenvoudige dingen, zoals een gewoon antwoord op een vraag. (Liefst snel eigenlijk ook wel, eigenlijk.) Je vraagt aan iemand of ze wil deelnemen aan een debat, en of ze dan de doodle wil invullen. Je ziet dat ze die doodle heeft ingevuld, maar ze heeft niet geantwoord. Je belt, en vraagt of je die doodle mag interpreteren als een ‘ja, ik wil deelnemen aan het debat’. Dat dat vanzelfsprekend is, zegt ze. Ze wou je niet storen met een antwoordmail. Soms mag je gestoord worden.

’s Avonds naar de jarige. Ze is nog even in organisatiemodus voor de infoavond. Wanneer ze naast je komt zitten, vraag je of ze klaar is voor het cadeau. Ja, zegt ze. Geluk kan eenvoudig zijn, denk je.

Toch later thuis dan je had gehoopt. Een stotterende nacht.

Je mag een nieuwe oefening doen van je kinesiste. Iets met zwaaiende armen. Lekker.

Je denkt de volgende dag dat het tijd is voor magie. Een van je vriendinnen beschikt over kosmische krachten, zo kon je al enkele keren vaststellen. Tijd voor magie, denk je.

Verhalen hopen zich op in je lichaam.

(Misschien merkt ze gewoon wel dat je aan het vertellen bent, op afstand…)

Een stuk maken over dat boek. Altijd een belevenis. Pas nadien besef je wat je er eigenlijk van vond.

Magie werkt!

De volgende dag. Zoals al die keren daarvoor was je het ook nu weer vergeten. Dat jullie met de collega’s uit eten zouden gaan. (Het zijn fijne collega’s en het eten is lekker en de sfeer is gezellig, maar je doet het niet graag.) Oefenen in gedeukt leven.

Na het werk nog even de stad in om foto’s te maken. Iemand ziet je bezig en vraagt wat je fotografeert. Je probeert het uit te leggen.

Even verder zie je iemand die je kent. Ze staat te praten met twee oude mensen die in een naburige straat wonen. In die enkele minuten dat je daar staat heb je zo ongeveer hun hele leven gehoord. Ze zijn al erg lang getrouwd. En nog altijd gek van elkaar blijkbaar. Ze voegt er wel aan toe dat ze ook al in de fase ‘voorbij viagra’ zijn. (Of je die informatie echt nodig had, weet je niet.) Ze legt je uit dat ze als ze samen op stap zijn wel niet meer hand in hand loopt met hem. Zijn handen zweten te hard.

’s Avonds een vergadering met terreinbezoek. Eigenlijk ben je al te moe bij het begin, je hoopt dat het over zal gaan. Ergens halverwege de wandeling hapert er iets in je lijf, je hoopt dat niemand het ziet.

Daarna nog even iets gaan drinken. Je herkent tangomensen in het café.

Laat.

De volgende ochtend op de markt. Zouden er al aardbeien zijn? Nee dus.

Tussendoor probeer je de dingen voor te bereiden voor je avondvergadering. Je voelt enige weerstand, of zoiets. Misschien ben je gewoon moe, in het algemeen of zo. En ook iets met aftellen.

Bijna thuis. Maar eerst een belangwekkende omweg maken. Fallen Angels wacht op jou.

In dat stukje stad voor en na de platenwinkel kom je zo ongeveer om de tien meter iemand tegen die je kent. Iemand wil je iets duidelijk maken, al weet je niet wat.

De avondvergadering begint ook nog eens een beetje vroeger. Ze is gedaan net voor het einde van de dag. Je bent in de fase voorbij moe.

Een nacht als een gat, denk je ’s ochtends. (Je wou eigenlijk wel helemaal niet wakker worden met Smoke on the water… brrrr…)

Slaapachterstandhoofdpijn voor de rest van de dag.

Zoveel te doen. Maar eerst de geraniums. Het is hoog tijd voor bloemetjes. De geraniummevrouw helpt je om de potjes in je fietstassen te zetten. Ze blijft nog even staan. Het is alsof er nog een existentiële beschouwing gaat komen. Toch niet.

Tegen de avond denk je: morgen ga ik naar de film, wat een mooi vooruitzicht…

Fallen Angels. Zo mooi, zo breekbaar, zo juist…

18 mei 2016

Grief Is the Thing with Feathers

Wat een wonderlijk boek… Hoe kan het een genot zijn om een boek te lezen over een immens verdriet? Het boek is het antwoord op die vraag. Hoe kun je gracieus balanceren tussen een verwarmende lach en diepe ontroering, voorzichtig aangeraakt? Hoe kun je in een boek over de dood van een echtgenote en moeder onderhuids en niet echt bewust denken aan hoe mooi de bladspiegel is en hoe zeer je heel voorzichtig het papier wilt voelen aan je vingertoppen? Hoe kan het dat zo’n vragen je normaal erg in de war zouden brengen en dat je hier net het gevoel hebt dat het allemaal klopt? Het antwoord op die vragen is Grief Is the Thing with Feathers (vertaald als: Verdriet is het ding met veren) van de Britse auteur Max Porter.

Het verhaal speelt zich af in Londen. Een vader en zijn twee zoons zijn het noorden kwijt. Zijn vrouw, hun moeder, is plots overleden. Ze blijven verweesd achter, in de verwarring van hun verdriet. Plots staat er een grote kraai voor de deur. Hij trekt in bij hen, en zegt dat hij pas weg zal gaan als ze hem niet meer nodig hebben. De kraai wordt een hulp, een dirigent, een therapeut, een vriend, van alles een beetje, en vooral ook zichzelf. De tijd trekt voorbij. Het verdriet legt zich langzaam neer.

Dat gegeven klinkt een beetje raar, maar het klopt helemaal binnen dit boek. Met wat extra achtergrondkennis komt er nog een hele laag bij. De vader in het boek werkt aan een boek over de dichter Ted Hughes. Na de dood van zijn vrouw Sylvia Plath maakte die een dichtbundel met als titel Crow. In die gedichten is Crow een personage. Met die kennis erbij krijgt het verhaal nog een extra dimensie, maar eigenlijk werkt het ook zonder dat je die dingen weet. Het gegeven  van die kraai lijkt een beetje bizar in het begin en tegelijk ook weer niet.

De structuur van het boek is een beetje als een muziekstuk in drie bewegingen. Er zijn drie hoofdstukken. En binnen elk hoofdstuk komen na elkaar BOYS, DAD en CROW aan het woord. Elk stukje is een miniatuurtje op zich. Ze gaan alle richtingen uit, ergens tussen experimenteel woordspel en bijna-melodrama, tussen rustig beschrijvend en hilarisch. Zoveel registers worden telkens kort aangeraakt. Het is een beetje alsof een soort meerstemmigheid telkens vanuit een andere hoek wordt aangezet, heel even, om dan opnieuw te beginnen, maar anders. Het is ook allemaal erg mooi vormgegeven, met veel witruimte, stijlvolle letters, enkele illustraties. Het klinkt onnozel, maar het is alsof je het boek de hele tijd wilt aanraken (wat je natuurlijk al doet, terwijl je aan het lezen bent).

Die vorm en de toon zijn als een warme omgeving voor een verhaal over verdriet en rouw, radeloosheid en verwarring, en heel voorzichtig een vorm van hoop. Het leven legt zich neer in zichzelf en gaat verder, zonder een ‘loslaten’. De liefde verbindt de fragmenten.

Die kleine stukjes zijn elke keer momenten, over een periode van enkele jaren. Het is diep ontroerend hoe de vader en zijn jongens met elkaar omgaan. Hoe ze naar elkaar kijken. Hoe ze elkaar raken en proberen te sparen. Hoe ze het allemaal niet weten. Hoe ze kleine dingetjes doen om haar te kunnen missen, en haar zo aanwezig te voelen. Kraai laveert tussen dat alles, deels dier, deels menselijk, deels mythisch.

Vaak is het intriest, en wordt alles gezegd in de witte ruimte tussen de woorden. Vaak is het heel erg grappig. Er wordt gespeeld met verhalen, met “once upon a time”. In de rollen van trooster wisselen ze elkaar af, met de kraai als een vanzelfsprekende aanwezige in het huis, als een soort bewegend ankerpunt.

De meerstemmige fragmentarische vorm past erg goed bij een proces dat veel minder lineair en doelgericht verloopt dan een andere vorm zou suggereren. Het mooie is dat de literaire tekst – en daarin zit misschien een vergelijking met de gedichten van Hughes en hoe ze hem door het verdriet en de schuldgevoelens over de dood van Plath loodsten – op zich een vorm van troost is. Er zijn al heel veel boeken geschreven over verdriet. Soms zitten ze heel dicht op de feiten, soms is er heel veel tijd tussen. Soms gaan ze recht naar de rauwe pijn, soms nemen ze een omweg. Grief Is the Thing with Feathers doet het op zijn heel eigen manier. Je legt het neer met een zoete en trage glimlach en daarna wil je het toch nog even aanraken, om het te kunnen voelen.

16 mei 2016

Grensverkeer

Vroeg op weg naar het station. Voor een reis naar de andere kant van de grens. Een reis. Zo voelt het altijd wel in je hoofd. En zo wil je het ook.

Je staat aan te schuiven aan het loket met de vermelding ‘grensverkeer’. Een reis naar Nederland valt blijkbaar niet onder die noemer, want je moet naar het andere loket, waar er ‘internationaal’ staat. Wat voor soort grens zou je dan wel over moeten of mogen om aan dat ene loket te mogen aanschuiven? (In je hoofd gebeuren er al diverse dingen…)

Uitzicht op treingenot. Het is een redelijk lange reis, qua reis- en dus leestijd. Je hebt een stapeltje boeken bij. Twee dunnere en een dikker. Als je zou gaan voor de dunnere, zou je misschien wel twee boeken kunnen lezen op een dag. Voelt als overdreven gulzig, en toch ook wel een klein beetje fijn. (Volgens sommigen, die het kunnen weten, ben je goed in het onderdrukken van genot.) Als het ware geheel toevallig begin je met een dun boek…

Er is iets met die reis. Als een ritueel. Het trage verdwijnen, telkens weer, in dat ritme, in dat landschap.

Hoe je heen en weer schuift tussen je boek en gedachten die met je mee drijven. Je kunt er telkens even naartoe gaan.

Misschien ook wel: hoe je haar verhalen vertelt. En niemand die iets merkt.

Er is iets met die reis.

Je bent ondertussen aan de andere kant van de grens.

Het boek is zo mooi…

(Die mevrouw doet wel erg veel moeite, zoveel informatie, in zoveel talen, zo hard roepen…)

Wolken en zon en regen. Ze dansen met elkaar.

De overstap. De andere trein. In die andere trein is het telkens alsof je lichaam er niet in past. Wat je ook doet, hoe je je ook probeert te schikken.

Het boek is uit ondertussen. Zo mooi…

(Je durft het nog niet hardop denken, maar…)

Zul je nu ineens in het andere dunne boek beginnen, of toch maar het dikkere? Het dikkere dus.

(Soms merk je al snel, na enkele bladzijden: dit is het niet echt, dit boek, niet voor mij. Toch nog wat volhouden, minstens tot het eindstation van de reis. Waarom eigenlijk?)

Je bent op verjaardagsbezoek. Ze worden zo groot, die kinderen. (Niet dat ze nog langer worden of zo, ook die fase zijn ze al voorbij.) Al een beetje van ‘later als ik groot ben’.

Het maakt je verlegen. Je laat het niet merken. Het maakt je stil.

Het is tijd voor de reis terug, weer terug naar daar.

Je begint aan het andere dunne boek.

Ondertussen bewegen de verhalen ook verder in je hoofd.

Je denkt het al een beetje hardop. Dat boek van de heenreis, het is echt iets voor haar. Zul je het haar zeggen?

De terugreis doet iets met je huid.

Je zou zomaar doorwaadbaar kunnen zijn. Voorbij het ritme waar je lichaam begint te verdwijnen, waar het aanraakbaar wordt.

Bij aankomst in het thuisstation zijn er nog enkele bladzijden over in het boek. Net niet uit. Maakt je een beetje onrustig.

Op weg naar huis ga je eerst nog even helpen bij de voorbereidingen van het grote feest van de maandag.

Thuis eet je nog wat. Om een of andere reden weet je dat er iets fout zal gaan, zou kunnen gaan.

Een diepe slaap.

Iets gaat fout, erg fout.

Een diepe slaap.

Iets gaat bijna fout.

Een diepe slaap.

Vroeg eruit. Ondanks alles leek de nacht erg lang.

De dag van het feest. (Je noemt het voor jezelf een feest, dat is beter.)

Je moet er om negen uur zijn, voor het opstellen. Je maakt thuis alles klaar. Je gaat nog even de stad in om dessertjes te halen. Je hebt nog een kwartier over. Zou je? Zou dat niet een beetje? Je doet het toch. Die enkele bladzijden die nog over waren van het boek…

Tijd voor het feest.

Foto's maken tijdens het feest. Goed dat je kunt schuilen achter het toestel. De kinderen, ze maken je verlegen. En stil.

14 mei 2016

Er is in Rome iets gebeurd



Bij de boeken van de Hongaarse auteur Sándor Márai heb je vaak het gevoel dat je in een theaterstuk zit. Een confrontatie tussen personages, in een gesloten kamer, in de loop van een nacht. Door de woorden heen voel je een wereld van onderdrukt verlangen en verdriet op de achtergrond. In een ultiem moment laat het onherroepelijke zich voelen, als ingedikte tragiek.

Er is opnieuw een boek uitgegeven van deze schrijver die in 1989 stierf. Er is in Rome iets gebeurd, geschreven in 1971. Het is minder een verhaal over de liefde, zoals zijn bekendste boeken, maar je herkent meteen de hand van de schrijver in deze historische roman die zich afspeelt in de uren na de dood van Julius Caesar.

Het verhaal speelt zich in Baiae, een mondaine plaats aan de kust in de buurt van Napels, waar de rijke Romeinen zich terugtrokken. Tussen zes uur in de vooravond en zes uur de volgende ochtend komen verschillende personages aan het woord, met telkens een centraal personage per hoofdstuk. Enkele slaven, een schrijver, de lijfwacht, een prostituee, enkele eunuchen, een advocaat, een uitgever, een juwelier, de arts, … Als lezer zit je dicht op de personages, als in een theater. Soms kun je een heel gesprek volgen, soms hoor je de ene kant van een dialoog.

Het nieuws dat er ‘iets’ is gebeurd in Rome dringt langzaam door. Sommigen weten meer, anderen weten iets, maar kunnen enkel afgaan op geruchten, sommigen weten nog niets en ontdekken dat anderen meer weten. In die eerste uren na de dood van de dictator kan alles nog alle kanten op. De personages beseffen amper wat er aan het gebeuren is, maar beginnen op hun manier de evaluatie te maken van wat was en soms ook al met het nodige opportunisme een positie te zoeken voor wat komen gaat. Zullen de volgende dagen grote rekeningen vereffend worden? Zal de machtsbalans definitief veranderen en zal er dan iets te winnen zijn?

Wanneer je een verhaal als dat van de dood van Caesar bekijkt vanuit de geschiedenisboeken zie je meteen het hele verloop, wat eraan voorafging en wat er daarna gebeurde. Het is ook al snel een blik op ‘daden’ of feiten en een verhaal van ‘grote mannen’. Márai wil net een ander soort geschiedenis in beeld brengen, een meer ‘echte’ geschiedenis, gezien vanuit gewone mensen, op het moment zelf, en niet als een opeenvolging van belangrijke feiten. Dat opzet krijgt een spiegelbeeld in het boek, waar een van de personages reflecteert over wat geschiedenis is en een uitgever een schrijver ervan probeert te overtuigen om een boek te maken over de echte geschiedenis.

De opbouw van het boek is erg knap. Hoe je telkens, hoofdstuk per hoofdstuk, uur na uur, als het ware in ‘real time’ op die plek een eindje van Rome midden in een scène terechtkomt en je zo – als was het een puzzel – de stukjes in elkaar kunt passen. In de manier waarop de personages zichzelf laten zien voel je het psychologisch doorzicht dat zo kenmerkend is voor de boeken van Márai. Geholpen door de sprankelende vertaling voelt het nergens stoffig aan, maar integendeel erg modern.

Naar het einde van het boek laat de auteur via zijn personages een aantal beschouwingen over het wezen van de geschiedenis, over literatuur en dictatuur en over schrijvers en uitgevers in het verhaal doorsijpelen. Het verhaal van de Griekse lijfarts voegt nog enkele existentiële en morele elementen toe. Dat personage kijkt met een zekere onthechting en wijsheid naar het hele gebeuren. Je voelt bij hem een mededogen dat een andere toon lijkt te zetten dan wat je bij de andere personages merkt.

Sándor Márai heeft een voorliefde voor nachten, en het is in dit boek niet anders. De zogenaamd kleine waarheid van de figuren in de marge van de grotere geschiedenis beweegt de hele tijd tussen licht en duisternis. Je moet diep de nacht ingaan, in dit geval met een ontsporend feest, om dichter bij de menselijke breuklijnen te komen. De aanwezige afwezige – de naam van Julius Caesar valt nergens – is als een schim die steeds op de achtergrond ergens is. Hij is de man over wie gepraat wordt, die bestaat in het vacuüm dat hij laat.

Er is in Rome iets gebeurd is een erg knap boek. Misschien niet even intens en ‘noodzakelijk’ als zijn beste boeken. Het trekt zich een beetje traag op gang, maar wordt dan steeds meeslepender. Als lezer begin je de lege plekken in te vullen, zie je de verbanden tussen de personages, en is het alsof je naar voor schuift op je stoel terwijl je in het theater naar een tragedie zit te kijken. Het wordt langzaam donker en daarna weer lichter. Er komt een komeet voorbij. Misschien weet die meer dan de personages die in een nulpunt van de geschiedenis  op hun eigen onvermogen worden geworpen.

13 mei 2016

Rond

Je baardhaartjes zijn al zenuwachtig door het vooruitzicht van het nieuwe scheersysteem. Alleen al het idee dat het op komst is zou moeten volstaan opdat ze spontaan zouden uitvallen. Quod non.

Je observeert jezelf, tijdens de vergadering.

De film die je zag, blijft door je hoofd gaan. Waarom eigenlijk? In je hoofd test je verschillende hypotheses uit. Wetenschappelijke methode.

Je begint te vertellen, in je bericht, en de verhalen blijven precies maar komen. Je denkt: oei, is dat niet een beetje veel?

En dat je dus ook iets aan dat haar moet doen binnenkort.

Als je dan toch je regenbroek aantrekt, blijkt het ineens niet meer te regenen zodra je buiten bent.

Volgens je agenda dient zich een belangrijke week aan in het kader van het verjaardagenmanagement. Je maakt een overzichtje in je hoofd van wanneer welk cadeau waar moet gezocht worden om op tijd bij die en die te zijn. (Zou kunnen gebruikt worden als test bij sollicitatiegesprekken.) En wat dan nog, zou iemand kunnen zeggen, dat het cadeau een dag te laat zou zijn? Eigenlijk zou je dan willen antwoorden dat dat natuurlijk onaanvaardbaar zou zijn. Je zou zeggen dat dat inderdaad niet erg is.

De vriendelijke mevrouw in de winkel, bij het brood. Je vraagt een speltbrood. Er liggen er nog twee. De mevrouw neemt de twee broden uit het rek, en zegt: ‘Er zijn er twee. Ziet u enig verschil.’ Je zegt: ‘Volgens mij is het ene rond. En het andere rond.’ Ze kijkt je aan met een lichte vertwijfeling in haar ogen. Je overweegt nog even om dat raadsel te vertellen, over het verschil tussen een vogeltje. Maar je doet het maar niet. Ondertussen heeft ze door dat het een grapje was. Je schaamt je een klein beetje.

De actrice in de film trekt wel een beetje gekke bekken. Een dag later ga je het even opzoeken, het is een historische figuur. De vrouw in het echt ‘trok gekke gezichten of stak haar tong uit’, dat staat er. Hysterisch, zo noemde men dat toen nog.

De mevrouw, helemaal in het zwart, in de metro. Met haar ene arm is ze haar ene dochter aan het kietelen. Met haar andere arm beweegt ze de kinderwagen met de andere dochter heen en weer achter zich. Het betere multitasken. Ze maken zich klaar om uit te stappen. Troon. Het blijft dolle pret. De twee meisjes roepen het uit. De mama kijkt je aan met de breedste glimlach die die dag ergens ter wereld te zien zal zijn.

De vergadering van de raad van bestuur. In een restaurant. Toen je nog studeerde, was die plek zowat hét symbool van de macht, verderfelijk dus. Je bent toch nog een klein beetje in dubio. Maar je hebt het geleerd van je vader, hoe je in zo’n omstandigheden toch heel subtiel een heel klein beetje anarchistisch kunt zijn.

De avond duurt lang. Uit beleefdheid wil je niet al te vroeg vertrekken. Je wacht nog tot de koekjes. Ondertussen denk je aan een verhaaltje voor het slapengaan dat je zou willen versturen. Als je thuiskomt, is het ook daarvoor te laat.

In de trein vertel je dat je die dag helemaal alleen op het werk zult zijn. Je krijgt als advies dat je dus rustig je golfsticks kunt bovenhalen. Waar had je die nu ook weer gelegd?

Je stelt andermaal vast dat sommige collega’s van de verdieping bij het inladen van de afwasmachine niet geheel handelen volgens de enige juiste werkwijze voor het inladen van de afwasmachine. Volstrekt onaanvaardbaar natuurlijk.

Iets met gedichtjes. Je zoekt er nog enkele. Nee, toch maar geen eigen gedicht toevoegen.

Zou slenteren (door anderen) bij warm weer als nog meer onaanvaardbaar kunnen beschouwd worden?

Laat die Fallen Angels maar komen.

Het was toch hoog tijd, dat schoonmaken van de douche…

Je hebt een film opgenomen die wordt omschreven als het betere tranentrekkende werk. Zou je hem nu al bekijken? Of bijhouden voor een ander moment, wanneer je echt toe bent aan een zondvloed?

11 mei 2016

Tijd voor een gedicht

Soms loop je door de stad en komt er een zin naar je toe.

Soms wacht je op een zin. Zoals je wacht, op de dingen.

Soms vraag je je af wat je zult schrijven. Je kunt dan alleen wachten op een zin.

Terwijl je door de stad loopt, denk je ineens: nu is het soms.

Tijd voor een gedicht. Dat is de zin die jou aanraakt.

Wat zou die zin willen zeggen? Misschien wel een verlangen naar thuiskomst. Een gedicht maken. Schuiven met de woorden. Wringen. Zinnen een beetje opschudden. Zinnen ontkleden. Na een tijdje voelen dat de woorden zeggen: hier ben ik, hier blijf ik. Nog even het laatste stof wegblazen. Kijken. Denken dat het horror is. Weglopen. Terugkomen. En tot je verbazing vaststellen dat die woorden een plek gemaakt hebben. Misschien weten die woorden waar je thuis is, misschien wel beter dan jij zelf. Dat verlangen dus.

Er zijn natuurlijk nog veel andere soorten verlangen, of vormen van verlangen.

Misschien is het de zon. Misschien zijn het die mooie kleurige mensen die je voorbij lopen, in diverse graden van ontkleding. Misschien zijn het de geluiden, die halve zinnen die je oppikt terwijl je voorbij loopt. Misschien zijn het die ogen die je net nog zag, en het verhaal dat ze dragen. Misschien zijn het de plots wakker wordende herinneringen bij de plek waar je net was (hier was het dat…).

Er zijn verhalen die zich zouden willen vertellen. (En als je ze van opzij zou bekijken, zou je dan zien waar de verhalen overgaan in enkel nog woorden en waar, omgekeerd, de woorden zichzelf uit handen geven aan het verhaal?)

Niet dat het gedicht trager is, maar misschien zijn de woorden het wel, in een gedicht.

Soms verlang je ernaar. Dat je traag spreekt, dat elk woord zich laat zien, van alle kanten. Dat je zou weten welke woorden je zou moeten kiezen.  Je zou misschien zelf verbaasd zijn. Ze zouden hun plaats niet moeten zoeken in de ruimte. Ze zouden zijn.

Misschien is samenvallen met jezelf een vorm van verdwijnen. Dat nulpunt. Daar zou het gedicht kunnen zijn. Het samenvallen zou het ongekende kunnen zijn, het onverwoorde, het onaangeraakte, alles wat aan die kant van de woorden is en door de woorden heen even ontwoord blijft, maar beeldloos zichtbaar wordt.

Tijd voor een gedicht dus.

En dat je dat ook wel eens zou willen zeggen aan iemand: tijd voor een gedicht. Om te horen hoe dat zou klinken.

Als een weg. Een onderweg. Dit is waar we nu zijn. Deze fase van verdwaling. En de aanvaarding ervan. Waar je handen het niet zouden kunnen klaren. Waar je alleen zou kunnen zeggen: tijd voor een gedicht.

(Andere mensen denken waarschijnlijk: tijd voor een ijsje. Dat is hun goed recht natuurlijk.)

En zo loop je verder door de stad.

In je hoofd zie je beelden die zich zouden willen samenvoegen. In je hoofd. Die beelden.

En je ziet het gedicht, dat er zou kunnen zijn. Je wilt je niet voorstellen hoe het zou zijn. Je zou het herkennen zodra je het zou zien. Zo zie je wat je niet kunt zien.

En je denkt: ik weet waar ik naar op weg ben. Heel even weet je het. Heel even is het alsof het zich laat zien. Je zou bijna iemand kunnen bellen en zeggen: ik weet het, ik kan het zien.

En zo loop je verder.

En denk je: ik heb al een titel.

07 mei 2016

Nu dus

‘Hoe oud zijn we nu eigenlijk?’
‘Laten we doen of we het niet weten. Laten we zeggen dat we geen tijd meer hebben om daaraan te denken.’
‘We zijn nu hier, dat is het enige dat telt.’
‘Dat is het enige.’
‘Ben ik veranderd?’
‘Normaal zou ik nu nee moeten zeggen zeker? Maar ik zal zeggen: een beetje.’
‘Een beetje maar.’
‘De goede stukken zijn niet veranderd, zoals je ogen. Ze zijn wel een klein beetje droeviger geworden.’
‘Jij bent weinig veranderd, vind ik.’
‘Ik zag er misschien vroeger al oud uit.’
‘Volgens sommigen wel. Ik heb dat nooit gezegd.’
‘Dat was misschien een van die dingen van het lijstje dingen die we niet tegen elkaar zouden zeggen.’
‘Was dat een stilzwijgende afspraak?’
‘Ik vermoed het wel.’
‘Soms vraag ik me af waarom we er zo lang over deden om tot hier te komen. Maar misschien ben ik de enige die die vraag kan beantwoorden.’
‘Misschien hebben we voor die vraag ook geen tijd meer. Alleen voor het antwoord.’
‘Je handen. Af en toe kwamen ze nog wel eens in mijn dromen.’
‘Er was een tijd dat ik me afvroeg of er een dag zou komen dat jij niet mijn eerste en mijn laatste gedachte van de dag zou zijn.’
‘En is die dag gekomen?’
‘Ik heb gemerkt dat gedachten kunnen schuiven binnen de dag.’
‘Je bent nog altijd voorzichtig in je antwoorden.’
‘Misschien was dat vaak wel niet zo’n goed idee.’
‘Vroeger zou ik gezegd hebben: inderdaad, dat was niet zo’n goed idee.’
‘En nu?’
‘Ik weet het niet. Misschien zou ik meer naar mezelf kijken.’
‘Misschien heeft deze plek wel op ons gewacht, al die tijd.’
‘Denk je dat? Echt?’
‘Het is een mooie gedachte. Zo worden we een deel van ons eigen verhaal. En dat voelt wel beter, op een of andere manier.’
‘Soms ben ik zo kwaad op mezelf. Ik zou mijn spiegelbeeld kunnen slaan.’
‘Wel oppassen, die slaan altijd terug.’
‘Mijn ervaring is dat ze eerst slaan.’
‘Altijd?’
‘Bijna.’
‘En breekt de spiegel dan ook?’
‘Nee.’
‘Alle blauwe plekken zijn wel weg precies. Goed dus.’
‘Wat ik me wel eens afvraag: zijn er nu veel mooie gedachten verloren gegaan?’
‘Gedachten gaan niet verloren. Ze blijven, ergens. Ze bereiken hun bestemmeling, ooit.’
‘Of nooit.’
‘Ik wil graag geloven dat het ooit is.’
‘Daar ben jij wel goed in, geloven.’
‘Dat weet ik niet. Af en toe schreef ik een brief naar jou, maar ik verstuurde die nooit.’
‘Heb je ze nog?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Krijg ik ze nog?’
‘Dat weet ik niet. Ooit. Misschien.’
‘Hebben we nog genoeg tijd voor ooit?’
‘Dat is een goede vraag.’