23 april 2017

De wandelende berg



Het is nog vroeg, die zondag. En toch word je wakker net voor de radio.

Een beetje zenuwachtig.

Natuurlijk weer erg ruim op tijd in het station. Je neemt al maar een eerdere trein. Een groepje mensen, twee families, staat te wachten op dezelfde trein. De kinderen zijn nu al door het dolle. (En de zee is nog ver.)

Nog snel even in de trein dat kleine boekje over het boeddhisme lezen. (Hoewel je weet dat je geen examen moet afleggen vandaag.)

Je wou absoluut met de trein gaan, om het idee te hebben dat je zou afstappen in het station van Groenendaal. Van dat liedje…

Het doet pijn, dat vervallen stationsgebouw… In je hoofd blijft het een mythische plek. Dat mag niet stuk, of zoiets.

Nog dat stukje naar het bosmuseum.

De mensen komen binnensijpelen.

(Je voelt een beetje schroom. Mag je hier wel zijn? Zal het verhaal dat je straks gaat vertellen niet helemaal naast de kwestie zijn?)

De monnik vertelt zijn verhaal. (Je hoort al aanknopingspunten die je straks zou kunnen gebruiken, misschien komt het nog wel goed.) Het is een mooi verhaal. (Misschien ben je zelf nog een klein beetje onrustig.) Hij heeft het over de wandelende berg.

De stiltewandeling. In een lange rij achter elkaar lopen jullie door het bos.

De stilte heeft een beetje tijd nodig. De wereld van het lawaai is nog dichtbij.

Het is zoals altijd, het duurt even. Je moet een drempel over, in het bos. Iets met jezelf uit handen geven.

(Die mooie blauwe bloemen zijn hier ook. Hier gelukkig geen toestanden, zoals de boswachter je nog vertelde.)

Het bos is zo mooi. Soms durf je amper kijken. De bomen zijn zo hoog. De beuk, die doet het nog steeds voor jou.

(Hier is het dus dat Ruusbroec was. Het bos neemt de tijd.)

Even een pauze in het boshuisje, en dan weer terug.

De kleuren zijn zo hevig, ze bedwelmen je bijna (hoewel ze voor velen misschien niet zo opvallend zouden lijken). Het bos is soeverein, dat voel je. Het is er, gewoon voor zichzelf.

Je denkt aan iemand.

Naar het einde wordt het moeilijk. Niet de stilte, integendeel. Niet het lopen in die rij, het doet je nadenken. Maar eigenlijk is het net te traag voor jou. Je kunt je adem niet volgen. Het is waarschijnlijk omdat je zo lang bent. Je zou gewoon in je adem willen wandelen. Dan zou je dat stuk niet meer merken. Misschien is het wel goed dat het anders is, maar het doet pijn.

Terug in het museum. (Er is ook koffie.)

Je maakt je klaar voor jouw verhaal. (Er is nog schroom. Zal het wel een beetje in elkaar passen met het andere verhaal?)

Het zijn fijne mensen die naar je verhaal luisteren. Je zou bijna zeggen dat er milde aandacht is, wat een flauw grapje zou zijn.

(Het ontroert je – al doe je je best om het niet te laten merken – hoe elementen uit je eigen verhaal voor jezelf voor het eerst helemaal op hun plaats lijken te vallen.)

Het gesprek nadien gaat mooi heen en weer. Het was toch een beetje complementair denk je. (Het voelt goed, om weer te kunnen praten over actieve hoop.)

Een mooi cadeau.

Je loopt terug naar het station. Het is er nog. Het heeft op je gewacht. Zoals die andere perrongenoot zegt: het zou zo mooi kunnen zijn.

Overstappen. Een wagon met een grote groep uitgelaten kinderen, de jeugdbeweging. Ze komen terug van de zee. De leiders lijken behoorlijk uitgeput.

Het is goed om weer thuis te zijn.

(Misschien wil je rug een stiltewandeling waarbij je iets sneller zou mogen stappen. Maar ook dat zal wel weer wegvloeien.)

Je voelt je dankbaar.

20 april 2017

Een spinnetje

Een fijn feestje. Een belangwekkende discussie over de criteria waaraan een man moet voldoen, qua date. Een eminent gezelschap van bijzondere vrouwen. (Die eisen lijken nog redelijk mee te vallen, denk je. Of zoiets.) En iets met glinsterende ogen. En blauwe lippen, ook.

Een feestdag. Je bent de hele dag alleen thuis. Waarschijnlijk zul je de hele dag geen woord zeggen. Dat heeft wel iets. Tijd om te poetsen. (De ramen had je de vorige dag al gedaan.) En nog even op stap om foto’s te maken. En dan het napoetsliggen. Tot je weer helemaal op elkaar past, alle onderdelen. En dan nog het boek uitlezen. En er nog een stukje over schrijven. Alles zonder een woord, dus.

De volgende dag. Op weg naar het feest. Die ochtend de boektwijfel. Het ene boek is uit. Tijd om aan een ander boek te beginnen. Voor de stapel met boeken staan, niet weten welk boek je eerst zult nemen. Toch maar dat ene. In de trein eerst de krant opmaken, en pas daarna het boek. Een boek met een leeslint, dat leest toch anders.

In de bus, naast een bekende van vroeger. Enkele mooie verhalen. Ze ontroeren je.

Veel volk rond de tafel. (Ze zijn zo groot geworden. Dat dacht je overigens alle vorige keren ook al.) Een mooi gesprek, over hoe het is om nu jong te zijn. Het ontroert je meer dan je kunt zeggen. Je zou hun nog heel veel willen vragen.

Die avond moet je nog naar een andere stad voor een vergadering. Het boek met het leeslint is bij je.
In de trein terug. Die jonge meiden naast je maken een diepteanalyse van Temptation Island.

Terug op het werk. Toch de indruk krijgen dat je iets als vakantie hebt gehad.

Een uitermate belangwekkend gesprek over een sacoche.

Die avond, een mooi concert. (Op enkele uitzonderingen na lijk je weer een van de jongsten te zijn in de zaal.) (Eigenlijk mis je die ene muzikant wel, denk je.) Je denkt terug aan die keer toen je hen zag in dat kleine zaaltje, en toen je na het concert ineens naast die zangeres liep en een beetje in de war was. (Een mooi geel jurkje trouwens.)

(Nadien komt een herinnering aan een concert, zo lang geleden, en een berichtje.)

Het is frisjes in de nacht.

Efficiënt tijdsgebruik. Tussen werk, boodschappen, eten maken en vergadering nog snel even enkele straten doen met folders. In goed gezelschap. (Zoals steeds een momentje om even bij te praten.)

Na tienen nog de afwas doen, niet zo fijn. Maar ’s ochtends een aanrecht aantreffen dat niet leeg is, dat is nog erger.

(Allerlei dromen.)

(Denken aan een verjaardag.)

Op weg naar een conferentie. Aan het verkeerslicht zie je iemand die je kent. Je begint een heel gesprek, hopend dat je snel weer zult weten van waar je haar nu ook weer kende. Het komt gelukkig al snel terug, ongeveer aan de andere kant van het zebrapad.

Tijdens de middagpauze een heel gesprek met een van de wetenschappers. Hij vertelt over zijn onderzoek in Oeganda. Hij maakte een analyse van de aanwezige diertjes. Daarbij heeft hij een spinnetje gevonden dat nog niet bekend was. (Het was er al de hele tijd waarschijnlijk, maar het had nog geen naam.) Je vraagt of dat diertje nu zijn naam gekregen heeft. Ja dus. (Toch wel spannend, dat je daar zomaar staat naast iemand die zijn naam aan een spinnetje heeft gegeven.) (Je probeert je iets in te denken waaraan jij je naam zou kunnen geven.)

Iemand komt naar je toe, om je van dichtbij te bekijken. Hij zegt dat hij jouw columns leest, en dat hij blij is je eens in het echt te zien, van dichtbij. De vrouw die ook aan het tafeltje staat zegt dat ze je ook leest. (Even heel verlegen.) (Als mensen je lezen, ben je dan leesbaar?)

Het is bijzonder om die laatste spreker bezig te zien. Met grote begeestering vertelt hij over zijn onderzoek. (Van wat je op de slide ziet, begrijp je eerlijk gezegd geen jota. Maar dat zal ongetwijfeld geheel aan jou liggen. Je hebt de indruk dat er in de zaal nog meer mensen zijn die nu ook denken dat ze dom zijn.)

(Iets in je nek klopt nog steeds niet.)

Na alle klussen thuis, gewoon weer klaar voor woorden.

Je ziet iets, je glimlacht.

(Misschien ben je een beetje te moe voor de woorden. En toch.)

Bijna klaar voor een dekentje. En enkele gedachten.

16 april 2017

The Girls

Meisjes, ergens onderweg in het verwarrende niemandsland tussen kind en volwassene. Ze vervelen zich, in een broeierige zomer, en zijn op zoek naar aandacht en erkenning. Ze willen ‘iemand’ zijn, zoeken de spanning op, en kunnen op gevaarlijke plekken komen. Het is die complexe, fascinerende en tegelijk akelige wereld die we te zien krijgen in The Girls (vertaald als De meisjes) van de Amerikaanse schrijfster Emma Cline. Het boek is ten dele gebaseerd op wat er gebeurde met de sekte van Charles Manson, maar bekijkt die vreselijke gebeurtenissen vooral vanuit het perspectief van tienermeisjes. Emma Cline doet dat op een erg overtuigende wijze, en in een taal die subtiel en fonkelend is.

Het verhaal wordt verteld door de ogen van Evie Boyd. In de zomer van 1969 is ze veertien. Ze woont ergens in Californië, op een plek waar niets gebeurt, waar niemand haar ziet. Ze trekt op met een saaie vriendin, twee meisjes die onbeholpen kijken naar de jongens en zelf hun grote drama’s creëren. Haar ouders zijn gescheiden. Haar vader woont ergens anders, met zijn jonge vriendin. Zij woont bij haar moeder, die zichzelf op geheel macrobiotische wijze opnieuw aan het vinden is (wat niet echt lijkt te lukken).

En dan maakt Evie kennis met een aantal meisjes die er exotisch en minstens spannend uitzien. Vooral een van hen, Suzanne, oefent een hypnotische aantrekkingskracht op haar uit. Ze wil haar aandacht, wil bij haar zijn, door haar gezien en zo mogelijk ook graag gezien worden. De meisjes blijken in een soort commune te wonen, met een goeroeachtige man, Russell, als centrale figuur. Russell verkondigt een verhaal over een vrije wereld, zonder banden, zonder ego, zonder bezittingen, … maar is in de feiten niet meer dan een erg middelmatige zanger die de meisjes op gewiekste wijze aan zich bindt en zich seksueel laat bedienen. De plek waar ze wonen is groezelig, en geld hebben ze niet. Evie brengt steeds meer tijd door bij de meisjes en steelt geld in de hoop zo dichter bij de in haar ogen stralende Suzanne te komen. De toestand op de ranch van Russell zal uiteindelijk op lugubere wijze totaal uit de hand lopen. Evie is een toeschouwster die bijna te dichtbij was gekomen. Ze is dan wel aan iets ontsnapt, de rest van haar leven zal ze een toeschouwster van haar eigen leven blijven, met nog steeds dubbele gevoelens.

In het boek wordt het verhaal vanuit twee tijdsmomenten verteld. Enerzijds de gebeurtenissen in 1969. Anderzijds in het nu, met de ondertussen ouder geworden Evie. Ze brengt haar tijd door als iemand die tijdelijk in gaat wonen bij iemand anders om te helpen of die op huizen past. Ze verblijft in het huis van een vroegere vriend die weg is. De zoon van die man komt ’s nachts ineens binnenvallen, samen met zijn liefje. De jongen vertrekt al snel weer, en het meisje begint de vrouw uit te vragen omdat ze hoorde dat die zoveel jaar geleden betrokken was bij die beruchte commune die verantwoordelijk was voor een gruwelijke moordpartij. De oudere Evie wordt zo verplicht terug te kijken naar vroeger en naar haar rol in het gebeuren. Die hoofdstukken vormen een soort kaderverhaal.

Het verhaal van de zomer van 1969 wordt ongelooflijk knap opgebouwd. In zekere zin is de figuur van Russell maar iemand op de achtergrond. Het is de intense wereld van meisjesvriendschappen waar het om gaat. Als lezer kom je er middenin, je ruikt bijna de gebeurtenissen. Tegelijk verschuift het perspectief ook telkens op heel subtiele wijze. Er is een interne reflectie bij Evie (toen en doorheen de tijd). Ze is zich bewust van haar naïviteit en haar wankele verlangens, maar ze kan niet anders dan toegeven aan de aantrekkingskracht. Door haar ogen zie je als lezer dat de situatie op de ranch van Russell slechter en slechter begint te gaan, maar zelf duwt ze onaangename waarheden uit beeld. Ook de andere personages worden in hun complexiteit beschreven. Suzanne lijkt op een aantal momenten Evie te willen beschermen voor wat gaat komen, is op andere momenten dan weer koud en manipulatief, en lijkt ten slotte verloren in het moeras van de sekte. Evie zal altijd, ook zoveel jaar later, dubbele gevoelens houden. Ze bleef ver genoeg weg van het ultieme kwaad, maar lijkt later nog altijd het gevoel te hebben dat de intensiteit van toen een ultieme ervaring was, die een deel van de aantrekkingskracht van toen blijft behouden.

Vanaf het begin geeft de verteller regelmatig een hint van wat er uiteindelijk zal gaan gebeuren. Dat draagt bij tot de dreigende sfeer die al vanaf de eerste bladzijden over het boek hangt. Die dreiging wordt evenwel heel erg in balans gehouden door enerzijds de subtiele observaties van Evie en anderzijds de stijl die Cline gebruikt. De genuanceerde manier waarop we de meisjes te zien krijgen en de zelfreflectie van het hoofdpersonage zorgen ervoor dat je als lezer middenin die spannende dans zit. Een dans die zich voordoet tegen een achtergrond die voor jongeren op die leeftijd alleen maar saai kan zijn, maar die meer een wervelwind is dan ze zelf beseffen. Je ziet en begrijpt ook beter hoe je ongemerkt, op die leeftijd, kunt worden meegesleept in iets als een sekte. De schrijfster beschrijft dat alles in een taal die vaak glinstert als kristal. Op bijna elke bladzijde vind je wel een zin of een beeld dat erg mooi is. Soms lijken die beelden misschien wel net iets te mooi. Het zorgt er alleszins voor dat je de warmte van de intense ervaring van de meisjes nog beter voelt, terwijl je tegelijk op de achtergrond ziet hoe het helemaal fout gaat. Die stijl zorgt ook voor een melancholische ondertoon die iets zegt over het personage Evie als oudere vrouw, maar die vooral wijst op de kwaliteit van het schrijven van deze nog zo jonge debutante. De stijl staat centraler in het boek dan de verwijzingen naar de gebeurtenissen rond Charles Manson of dan allerlei referenties naar het tijdskader van 1969.

The Girls is een heel bijzonder boek. Als lezer heb je vaak het gevoel dat je het licht en de broeierige warmte van een zomer kunt voelen en zelfs ruiken. Het voelt als heel vanzelfsprekend aan om zo dicht bij de gevoelswereld van jonge tienermeisjes te komen, en het lijkt logisch dat de volwassen personages leger en saaier of gewoon onbelangrijk zijn. Je ziet waar onontkoombare aantrekkingskracht en gruwel elkaar raken. Emma Cline getuigt met dit boek van een groot inlevingsvermogen in de wereld van jonge meisjes, en ze doet dat met een indrukwekkende taalbeheersing.

15 april 2017

Die ogen, en

‘Hier zitten we dan.’
‘Ja.’
‘Ben je bang?’
‘Een beetje maar.’
‘Het hoeft niet. En het is goed om met jou hier te zijn. We hadden dit al eerder moeten doen.’
‘Het is raar, dat dingen die eigenlijk zo vanzelfsprekend zijn je toch ook zo bang kunnen maken. Zonder reden waarschijnlijk.’
‘Dat denk ik niet. Ik ken je al langer. Het is wel mooi.’
‘Het is een rustige plek hier.’
‘Dat zei ik je toch.’
‘Het is een beetje ingewikkeld om naar zo’n plek te verlangen.’
‘Kom je een beetje dichter bij me zitten? Dat zou ik wel fijn vinden. Het is goed.’
‘Vanmorgen dacht ik het nog. Dat ik ergens wou zijn waar ik de mensen helemaal kon zien. Ik bedoel daarmee iets als in een traag gesprek. En dat je elkaar dan helemaal kunt vertrouwen. Dat je weet dat de ander je ook ziet.’
‘Dat is nu wel zo. Minstens.’
‘Soms wil ik ook daarom gewoon alleen zijn. Weg van de dingen. Weg van dingen daarbuiten die me opeisen.’
‘Ik vond gisteren dat je zo moe leek. Je ogen waren vermoeid. Het werd beter in de loop van de avond.’
‘Ja, dat was wel zo.’
‘Wie zei dat jij alleen met je hoofd zou leven vergist zich, heel erg.’
‘Ik heb nog zitten denken aan wat je vertelde over de ogen van die man. Dat hij je niet aankeek, in je ogen, terwijl hij sprak. Het maakte me zo droevig.’
‘Ja? Waarom?’
‘Ik vond het gewoon erg voor jou. En het is ook raar.’
‘Misschien is hij gewoon raar.’
‘Soms ben ik wel bang om in de ogen van iemand te kijken. Alsof ik dan te veel laat zien of zo. Alsof ik zomaar een verbinding zou kunnen krijgen waar ik geen recht op heb.’
‘Geen recht? Wat is dat nu voor een onzin?’
‘Ik kan het niet goed uitleggen. Alsof je iets ziet dat er al is, dat er al was. Het is iets dat heel gewoon is, en daarom ook bedreigend.’
‘Ik denk dat je wel weet wat het is. En misschien is het net wel goed dat je blijft kijken, en niet wegkijkt.’
‘Maar als ik niet kan vluchten, dan zie ik wat er hier is. Dan zie ik iets als deze plek. Hoe vanzelfsprekend ze zou kunnen zijn, eigenlijk.’
‘Je bent te hard voor jezelf. En dat is niet nodig.’
‘Hoe voelde je je, toen die man niet in je ogen keek?’
‘Een beetje genegeerd. En eenzaam. En te groot, of te hoekig of te ik weet het niet.’
‘Niet kijken is ook je kwetsbaarheid vermijden. En daarmee duw je de ander wel weg.’
‘Ik heb ook nog zitten denken over het verhaal dat jij vertelde. Over die vrouw die zo reageerde op wat je zei. Het voelde als niet eerlijk aan. Jij probeerde het snel weer te herstellen, terwijl jij dat eigenlijk niet moest doen. En zij deed niets, integendeel.’
‘Tja, misschien heb ik wel veel geleerd nu.’
‘Je verdient dat niet.’
‘Ik heb een paar van dat soort inzichten gehad de voorbije weken. Dat ik dingen zie die ik tevoren misschien niet wou zien. Niet dat ik ineens kwaad ga worden of zo. Het is meer iets van een grens zien.’
‘Gelukkig is die er hier nu niet, of zoiets.’
‘We moeten dit vaker doen, denk ik.’
‘Eindelijk.’

13 april 2017

Het trekt zich terug in de tijd

De dagen ervoor ben je, toch weer, lichtjes zenuwachtig. (Geen idee waarom eigenlijk.)

Soms moet je het ook al van ver in je hoofd gaan halen. (Soms komt het zomaar naar je toe, onveranderd.)

In de spiegel kijk je naar het litteken in je buik. Je raakt het even aan.

Het trekt zich terug in de tijd. Het is geen verdwijnen. Het is geen wegsnijden. Het is veeleer iets als: verzoenen met het landschap. Het is nog aan te raken.

De avond ervoor. Je hebt nog een gesprek met iemand. Je zegt dat je het niet te laat wilt maken, omdat je de dag daarna vroeg op moet. Om naar de berg te gaan. (Hoewel je vermoedt dat je die avond niet vroeg zult gaan slapen.)

Je blijft inderdaad nog lang op. Tot je iets gevonden hebt op de televisie waarmee je rustig naar bed kunt gaan. (Een mooie documentaire in de opnamestudio.)

De volgende ochtend schrik je wakker. Even weet je niet meer welke dag het is. O ja, het is die dag.

Na al die jaren weet je het nog steeds niet. Hoe lang je erover doet om met de fiets de berg op te rijden. Wanneer je dus thuis moet vertrekken om op tijd daar te zijn. Met als gevolg dat je altijd te veel tijd rekent, en dan ook nog eens vroeger thuis vertrekt dan voorzien.

De grote hal in het ziekenhuis. Je bent bang dat je nummertje zomaar voorbij zal gaan. Je hebt nummer 148. Het is loket 5. Spoor 5, dat zeg je in je hoofd. De mevrouw aan spoor 5 is erg vriendelijk. (Aan een ander loket zag je iemand zitten die je daar elk jaar ziet. Het lijkt alsof ze elk jaar lelijker begint te kijken.)

Dus ook veel te vroeg bij de plek waar ze beeldjes maken. Maar je mag al meteen mee.

Uw handen daar meneer. Niet ademen, u mag weer ademen.

Dan naar wachtzaal L. Het kaartje in je hand met daarop een L. In het bakje met L-kaartjes. (Toch minder sexy dan The L-Word was, of zoiets. Dingen waar je toch aan lijkt te denken met je nog wat duffige kop.)

De mevrouw aan het einde van de gang roept je. Je mag op de tafel gaan liggen. Ze beginnen met het apparaat over je buik te schuiven. De fles met de koude klodder is bijna leeg. Een nieuwe. Die is ook koud, maar je zegt dat dat niet zo is. Wat zien ze allemaal in die buik? Zouden ze kunnen zien hoe dat litteken er vanbinnen uitziet?

(En hoeveel papier je ook gebruikt, er blijft altijd nog een klodder ergens achteraan je buik hangen, zo blijkt telkens weer.)

(Overigens, je bent weer niet zwanger.)

Op naar boven. Nog steeds veel te vroeg. En je wist nog dat het de blauwe pijl moest zijn.

De wachtzalen zijn helemaal opgefrist.

Je gaat zitten. Je weet niet helemaal zeker waar A ophoudt en B begint, maar dat geeft misschien niet.

Al die andere mensen. Ze zitten hier ook om dezelfde reden. De ogen zijn verschillend, bij de ene of de andere. Misschien is het voor sommigen nog heel vers. Misschien zullen sommigen pas nu voor het eerst, met zoveel woorden, horen wat hun te wachten staat. Misschien zullen ze aarzelend dat woord uitspreken, of niet. (Zoals jij, zoveel jaar geleden, beneden in de hal, bij een koffie. Toen je vroeg aan je dokter: “Heeft die man daarnet nu dus eigenlijk gezegd dat ik kanker heb?” Dat had hij inderdaad gezegd, zoals je wel ongeveer wist. Maar je wou dat het woord werd gezegd. Zoals je zou doen, zodra je weer thuis was: op de bank gaan zitten, en de mensen een voor een opbellen, en telkens dat woord zeggen, heel bewust, opdat het zou klinken, en opdat je het zelf zou geloven.)

Even lees je nog in je krant. Daarna kijk je gewoon wat rond. Denk je. Zie je al die beelden terugkomen, van toen. (Je haalt ze weer terug uit de tijd. Of: je raakt ze gewoon weer aan.)

(Je herinnert je nog die avond. Die ene verpleegster. Ze was niet meer heel jong. Ze had de wijsheid van de jaren. Ze vroeg je of het goed was als ze jou als laatste in de gang zou komen verzorgen. Ze wilde tijd hebben, om het rustig en zorgvuldig te doen. En hoe mooi het was, eigenlijk. Ze deed iets met de tijd, ze bleef in haar tijd. En je was alleen maar dankbaar.)

Die ene vrouw gaat het kamertje binnen. De angst in haar ogen.

(Je probeert je zoals elk jaar voor te bereiden op de vraag over de klachten. Of alles goed gaat en of er klachten zijn. Je spreekt met jezelf af dat je nog eens zult proberen het uit te leggen.)

Iemand roept je naam. Helemaal aan het einde van de gang. Je loopt nog door twee andere wachtzalen, om dan via een soort verboden deur in het kleine kamertje te komen. De dokter zegt dat ze van de verpleging niet de binnenweg naar jouw wachtzaal mag gebruiken. Strikte orders.

Ze vraagt hoe het met je gaat, en of er klachten zijn. Je aarzelt nog even, en legt het dan nog eens uit. Dat je niet weet wat je moet doen met dat woord klachten. Iets over ‘normaal’ voor jou, en klacht voor een ander. En nooit zeker weten hoe je een en ander moet inschatten. En nog iets over goede en slechte buikweken. Ze lijkt het een beetje te begrijpen, denk je. Dan zegt ze dat het eigenlijk misschien niet nodig is dat je elk jaar komt voor een consultatie. (Je begrijpt niet zo goed hoe dat samenhangt met wat men je vorig jaar zei.) Dat je ook alleen kunt komen als er klachten zijn. (Zucht!) Je legt het nog eens uit. (Ze is eigenlijk best wel ok, maar ook dit jaar zal het weer niet lukken om niet in de war buiten te komen.) Ze laat je via de verboden binnenweg terug naar de wachtzaal gaan.

Je denkt dat je het had moeten zeggen. Dat je het ook een belangrijk ritueel vindt, om daar elk jaar te komen. En alles weer even dicht bij je te voelen. In jouw tijd. Waarin toen en nu in elkaar schuiven.

De verpleegster neemt bloed, en maakt een afspraak voor volgend jaar. Dan zal het weer de XL-versie zijn.

Het is weer voorbij. Je loopt naar buiten.

Je wou altijd lid blijven van de familie, zei je ooit. Het is goed, dat je dat kunt zijn. Het is goed dat je de ogen van die andere mensen weer even kon zien. Het is ook goed te voelen hoe je huid veranderd is, en toch ook hetzelfde is gebleven.

Je pinkt even een traan weg. Je wacht even voor je op de fiets stapt om naar beneden te bollen. (De anderen, zijn ze er allemaal nog? Ook al denk je het niet zo letterlijk, later komt het zo in je hoofd, dat moment.)

En voor je weer naar het werk gaat, maak je nog een omwegje. Ook dat hoort bij het ritueel, zoals elk jaar. Een cadeautje voor jezelf. Als dank voor het leven. En al die dagen die je sinds toen zomaar cadeau hebt gekregen. En die je zomaar mocht delen met al wie je lief is. Hoe wonderlijk dat is.

09 april 2017

Een andere reis

Klaar voor de reis, naar het andere land. Naar waar je graag wilt zijn op deze dag.

Dit keer een andere route. Eerst naar beneden, om daarna weer naar boven te gaan. Die route nam je nooit eerder. Het voelt meteen al spannend.

Het is zo mooi, die stad in het ochtendlicht. (Je kunt de stad denken in de regen, met een grijze lucht, maar nu is alles anders.)

Het is zo wonderlijk, zo naast de brede rivier rijden. (Alsof iets blij is om zich aan jou te laten zien.)

(Hoe zou het zijn als je nu een brief zou schrijven?)

(Je gaat nog even verder in de kranten. Het verse boek is voor na de volgende overstap.)

Je hebt het amper gemerkt, waar je over de grens ging. Je zag het toen je aan de andere kant was. Misschien wou je het niet juist weten.

Het landschap. Je zou de verhalen willen zien, die bij dit landschap horen.

(De man die de tickets komt controleren lijkt gekleed te zijn alsof er elke dag terroristen in de trein zitten.)

Je komt langzaam binnen in het nieuwe boek. (Met de grens ben je ook van taal gewisseld.)

(Je denkt aan iemand. Wat mis je eigenlijk?)

Langs deze weg bewegen de herinneringen anders, denk je.

(Het landschap buiten lijkt stiller en rustiger dan de harde en scherpe stemmen rondom jou.)

(Hoe zou het zijn om nu niet alleen te reizen? Zou de bestemming anders zijn?)

Aangekomen. (Het blijft altijd een beetje akelig om van die hoge trap naar beneden te gaan. De man naast je verstijft even, en gaat daarna heel behoedzaam naar beneden.)

Het deed zo goed om daar te zijn, daar waar je wilde zijn. Je bent ondertussen weer op weg. Terug naar van waar je kwam.

(Misschien ben je ouder geworden. En daardoor vrijer. Van iets.)

(Je denkt aan het woord grens.)

Je vertrekt met de zon in je gelaat.

(Zoveel informatie in de trein. Wil je dat echt allemaal weten? Mag er niets betoverd blijven?)

(Je zou iemand een bericht willen sturen. Dat je hier bent. Wat dus daar zal zijn voor die ander.)

De reis terug is anders, zoals steeds. Ga je van de ene naar de andere wereld?

Het landschap wordt vriendelijker, dichter bij de grens.

(Iets met je huid.)

De zon blijft bij je.

Even denk je dat de trein naar het einde van iets gaat. Naar Patagonië misschien. En dat je daar, bij dat einde, zou kunnen stranden.

De trein versnelt, naar dat eindpunt. Het is misschien enkel een punt waar de trein stopt, waar het ene land bijna stopt. Je zou er kunnen stranden, maar je kunt er ook de volgende trein nemen, weet je, of zou je moeten weten.

(Welke brief zou je nu schrijven?)

(Een verlangen om veel weg te doen, ineens.)

(Een verlangen om aan de andere kant van de grens te zijn. Misschien een verlangen om niet te stranden. Misschien een verlangen naar andere herinneringen, hoewel je dat nog niet beseft.)

De andere trein brengt je over de grens, volgt de brede rivier. Nu met het avondlicht.

Je wacht in het grote station. Als je naar de sporen kijkt, is het niet zo immens. Als je naar de overkapping kijkt, is het meer dan groot. Het is een beetje magisch, kijken naar hoe de mensen bewegen.

En ineens zijn de herinneringen er. Reizen die met deze plek iets hebben. Ze komen weer bij je. Je hoort stemmen zeggen, dat het jammer is dat iets voorbij is.

De trein vertrekt weer. De stad ziet er anders uit, nu in het licht van de avond. Of ligt het alleen aan de vertrekkende trein? Die lichte droefenis die over de stad hangt. Een andere wijsheid.

(Het zijn de herinneringen. Ze horen bij deze rit, bij deze trein, bij dit ritme, dit bewegen, dit landschap.)

De zon is de hele tijd bij je gebleven, nu nog steeds. Van daar naar hier. (Onderweg de hele tijd bij hier, dus.)

(Herinneringen. Dit stukje van de reis. Waar onherroepelijk een vakantie voorbij was. Waar je hoopte dat de trein trager zou rijden. En de trein die zich daar niets van aantrok, integendeel.)

Je leest in je boek. Je zou willen dat de trein trager zou rijden, zodat je nog net iets meer uit kunt hebben, voor je weer thuis bent.

Het is stil in de trein. Er zijn alleen de zachte geluiden van de beweging. De tintels onder je huid. (Alsof iedereen het weet, dat van die herinneringen.)

Je komt aan. En de zon is er nog. Ze glimlacht even naar je.

Het was een andere reis. (Het zal nog even duren eer je weet wat dat betekent.)

08 april 2017

Het absurde idee je nooit meer te zien

Wat is dit nu eigenlijk voor een boek? Als je die vraag niet probeert te beantwoorden, en je er gewoon aan overgeeft, ben je meteen vertrokken voor een boek dat je meeneemt en niet meer loslaat. Het absurde idee je nooit meer te zien van de Spaanse schrijfster Rosa Montero is geen gewone roman, is geen autobiografie, is geen biografie, het is geen dagboek, maar eigenlijk maakt dat ook niet zo uit. Het boek is zichzelf, en dat is heel goed.

Het boek beweegt tussen het leven van de auteur, het leven van Marie Curie en het schrijven zelf. Rosa Montero verliest in het echte leven haar man aan kanker. De gebeurtenis maakt haar sprakeloos, de pijn blijft ver weg van de woorden. En op dat moment komt een onderwerp, een boek naar haar toe. Alsof de dingen zo horen te zijn. Ze krijgt de vraag een voorwoord te maken bij het dagboek van Marie Curie. Het onderwerp fascineert haar, en het is alsof die vraag een geschenk is. Ze raakt helemaal gefascineerd door het leven van Marie Curie. Het voelt alsof ze door het vertellen van het leven van Curie, die ook haar man verloor, iets zal kunnen vertellen over haar eigen leven. Het is alsof ze door het schrijven van dat voorwoord woorden kan verkennen, de kracht van woorden kan (her)vinden. Ze zegt dat ze wil schrijven zoals je ademhaalt.

Het boek voelt heel organisch aan. De schrijfster spreekt je als lezer rechtstreeks aan, ze neemt je mee in haar beschouwingen en inzichten. Ze vertelt je het leven van Marie Curie op een warme en betrokken manier. Het beeld van Curie als een koele harde vrouw wordt helemaal bijgestuurd, onder meer door de verwijzingen naar de dagboekfragmenten. Je krijgt een heel ander beeld van die bijzondere vrouw die twee Nobelprijzen won, op jonge leeftijd haar geliefde man verloor, twee kinderen had, moest opboksen tegen vooroordelen en haar plaats moest veroveren in een heel mannelijke wereld, de verwoestende effecten van de radioactiviteit op haar eigen lichaam leek te negeren, een voorbeeld werd voor velen, maar zelf een heel zwaar leven had. Zonder voorkennis zou je spontaan misschien niet meteen uitkijken naar een boek over Marie Curie, maar in dit boek is het alsof ze op een ‘ademende’ manier dichterbij komt.

Rosa Montero schrijft via Marie Curie over de dingen die haar bezighouden: hoe mannen en vrouwen in het leven bewegen, hoe de maatschappij omgaat met vrouwen, hoe sociale druk en een opvoeding kunnen wegen op een leven, hoe je omgaat met rouw en verdriet. Niet ten koste van het verhaal van Marie Curie, wel als er omheen cirkelende verhalen. Soms komt ze als vertelster bijna te dicht bij. Soms is het spel met de woorden (via het opnemen van hashtags) net iets te geforceerd. Maar eigenlijk werkt het boek in die hybride vorm net heel goed, als je je als lezer uit handen geeft aan de adem ervan.

Het is heel aangrijpend hoe de gestorven man van de auteur over het boek hangt door zijn afwezigheid. Ze schrijft heel erg veel over Marie Curie, over het vreselijke verdriet waar zij mee geconfronteerd wordt als haar man Pierre verongelukt, maar je leest heel erg weinig over Pablo, haar eigen man. Ze schrijft over haar eigen leven en over vrouwen in het algemeen. Maar het is alsof ze in woorden niet dichterbij kan komen bij het peilloze verdriet om de dood van haar eigen man, bij de woordeloosheid ervan. De omweg van het schrijven over een dagboek van een bekende vrouw die haar man verloor, maakt het schrijven mogelijk, als een soort spiegel van de immense pijn waar geen woorden voor zijn. Het is heel ontroerend om te zien hoe Marie Curie, die naar de buitenwereld nauwelijks iets liet merken van haar verscheurende verdriet, in haar eigen dagboek wel woorden vindt die laten zien dat ze helemaal geen koele tante was, integendeel. Het schrijven over Marie Curie diende zich aan als een soort noodzaak en ook als een manier om de kracht van het schrijven terug te vinden.

Wat een voorwoord bij een bestaand dagboek had kunnen zijn, krijgt uiteindelijk een heel ander karakter. Achteraan in het boek kun je het echte dagboek van Marie Curie lezen, hier nu een soort bijlage bij het verhaal van Rosa Montero. En ook dat klopt binnen dit boek. Het is alsof de echte woorden van Marie Curie, ook al door het gebruik van veel fragmenten doorheen het boek, beginnen te gloeien en zinderen van leven net onder de oppervlakte. En het is alsof bij het lezen van dat echte dagboek Marie Curie iets lijkt te zeggen over Rosa Montero.

Het absurde idee je nooit meer te zien is een boek dat je als lezer heel dicht bij echte levens brengt. Bij het lezen begrijp je wat de auteur bedoelt met dat ademend schrijven, natuurlijk en licht. Tijdens het lezen voel je je ergens middenin, niet aan de rand van. De auteur zegt dat ze zich baseert op zoveel mogelijk echte bronnen, waarbij ze enkele lege plekken zelf inkleurt. Het zorgt er alleszins voor dat Marie Curie als een erg boeiende en sterke vrouw uit dit boek komt. En via die omweg zegt Rosa Montero ook veel over haar eigen verdriet. Een heel aangrijpend en zinderend boek.