27 juli 2015

Ook dit gaat voorbij

Gaat het verdriet om een overleden moeder voorbij? Gaat het wachten op het beginnen van het leven voorbij? Het zou een omschrijving kunnen zijn van het Ook dit gaat voorbij, van de Spaanse schrijfster Milena Busquets. Het is een boek over een heftige vrouw die in de war is. De kracht van het boek zit in dat personage. Het boek zelf zit op een bepaalde manier te dicht op het personage, of misschien te dicht op de schrijfster.

Het hoofdpersonage Bianca is veertig. Haar moeder is net gestorven. Die moeder was een imposante en dominante persoonlijkheid, een vrijgevochten dwarse vrouw. Bianca heeft zelf al een redelijk turbulent leven achter de rug. Twee huwelijken, twee kinderen, een getrouwde minnaar. Ze leeft passioneel en intens, maar is ook op de vlucht voor het zwarte gat dat ze is, uit de schaduw van haar moeder. Seks geeft haar een tijdelijke ervaring van uit de tijd zijn. Het is alsof ze een deel van haar volwassen leven voor zich uit heeft geschoven, en dat zal nu niet meer kunnen. Haar erg aanwezige moeder gaf haar als kind veel vrijheid, maar dat maakte haar tegelijk in zekere zin onvrij.

Na de begrafenis vertrekt ze naar het  familiehuis in het kustplaatsje Cadaqués. Ze neemt iedereen mee: haar twee zoons, de twee vaders, haar vriendinnen. Ook haar minnaar zal nog opduiken. Het wordt een soort panische roes, met vrijen, drinken, drugs, ruzie, praten, feesten, … De afwezige moeder is heel erg aanwezig. Het hele gebeuren is tegelijk een vieren van het leven, en ook een vlucht vooruit, een poging om het besef van het verlies nog uit te stellen.

Bianca volgt haar eigen grillen, doet stoer en zelfverzekerd, maar is duidelijk ook erg in de war en bang. Ze loopt alle kanten uit. En het is alsof ze overal een beetje vastloopt, hoewel ze dat nog niet aan zichzelf wil toegeven.

Als personage is Bianca intrigerend en irriterend tegelijk. Soms voel je haar verwarring en paniek, nu ze zelf een plek zal moeten innemen en in zekere zin echt volwassen zal moeten worden. Soms zie je iemand die erg zelfingenomen en vermoeiend is. Soms wil je weten waar ze naartoe gaat, en of ze eigenlijk wel ergens naartoe gaat. Misschien verwacht je een soort verzoening, die nog niet komt, die misschien nooit komt. Je voelt een energie die het personage en het verhaal voortdrijft, maar daarachter voel je die heel complexe relatie van de dochter en haar moeder. Soms ben je ook kwaad op die moeder.

Het boek is in de ik-vorm. Het is een beschrijving van de dagen in en om dat huis, gezien door de ogen van Bianca. Regelmatig spreekt ze haar moeder rechtstreeks aan, als in een brief. Dat alles loopt in elkaar over. Die vorm stuwt het verhaal voort, en zorgt er ook voor dat je Bianca in ongefilterde vorm krijgt.

De vorm van het boek werkt op een bepaalde manier goed en niet goed. Er zit een grote vaart in het boek, en je wilt ook verder lezen, zien hoe het verder gaat. Je ziet dat personage voor je, met al haar energie. Soms ben je vertederd, soms ben je kwaad. De roes van verwarrende gevoelens die je kunt voelen achter alles wat er aan de oppervlakte gebeurt zit ook in het ritme van het boek.

En tegelijk is er iets dat niet werkt. Het is niet eenvoudig er de vinger op te leggen. Stilistisch is het boek niet altijd een hoogvlieger. Er is geen troost te vinden in mooie woorden of zinnen. De wijsheid zit in het personage (of zit er net niet in). En op een of andere manier zit het verhaal te dicht op het personage. Soms verlang je naar een of andere kritische afstand, in de vorm van een soort zelfreflectie of een literaire vorm die wat tegengewicht zou geven. Of anders zou het verhaal paradoxaal genoeg nog meer van binnen in het personage moeten beschreven worden, waardoor de roes van de verwarring zich meer zou uiten in een stroom van woorden en beelden. Het is alsof je als lezer soms verwacht van het personage dat ze ofwel meer het onaffe van een dagboek zou aanbieden of anders dat ze wat langer zou gewacht hebben om dit verhaal te vertellen.

Voor die wat rare verwachting tegenover een personage is misschien een heel logische verklaring. In het boek zijn blijkbaar veel ervaringen verwerkt van de schrijfster, die ook haar moeder verloor. Die moeder was een bekende uitgeefster, ook een vrijgevochten vrouw. Als lezer heb je, met dit besef in het achterhoofd, soms het gevoel dat de schrijfster beter iets langer zou gewacht hebben om dit boek te schrijven. Het is een verwarrend gevoel, want tegelijk blijft het hoofdpersonage wel heel erg aanwezig in je hoofd, zou je haar in het echt willen zien, en denk je soms dat je al de film in je hoofd ziet die ongetwijfeld van dit boek zal worden gemaakt.

26 juli 2015

Waar het hapert

‘Ik ben dat boek nu ook aan het lezen. Kijk, daar ligt het.’
‘Ja? En wat vind je ervan?’
‘Beetje heftig wel. Ik ben nog maar halfweg. Het klopt wel, hoe zij in elkaar zit, en hoe ze de dingen doet. Maar dan denk ik: ik zou dat niet kunnen, zo.’
‘Ik ook niet, denk ik. Misschien lijken we wel op elkaar, wat zo’n dingen betreft.’
‘Ik ben blij dat je er weer bent. Het was tijd, of zoiets.’
‘Dat is wel een mooie gedachte. Denk je dat we te veel zwijgen? Of te veel niet zeggen?’
‘Ik heb er nog veel over nagedacht, nadat je dat zei onlangs. Het is misschien wel zo.’
‘Er was een droom eergisteren. We waren samen. Ergens. Ik weet niet meer goed wat het was. Een groot feest of zo, of een museum, of een of ander groot gebouw. En ineens was ik je kwijt. Of ik zag je niet meer. En ineens was ik in paniek. Eigenlijk wou ik door die ruimtes rennen, om je te zoeken. Maar ik deed het niet, zoals gewoonlijk. Ik verborg het, en deed of ik heel rustig verder ging. Al keek ik wel de hele tijd rondom me.’
‘Heb je me nog gevonden?’
‘Nee.’
‘Wat jammer. Ik had weer eens een droom met schoenen. Ook in een groot gebouw trouwens, en weer met erg veel kamers en gangen. En ineens moest iedereen naar buiten lopen. En toen merkte ik dat ik geen schoenen meer aan had.’
‘Wat is dat toch met jou?’
‘Tja, ik weet het ook niet.’
‘Ik heb dus aan je gedacht.’
‘En heb je gemerkt dat ik ook aan jou gedacht heb?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Dan is het goed.
‘Ik moest nog denken aan die brief van je, van een tijd geleden. Soms is het alsof je je bijna verontschuldigt voor jezelf. Wordt het geen tijd dat je dat stilaan achter je laat?’
‘Ik kan natuurlijk volmondig ja antwoorden, maar zo simpel is het niet. Het gebeurt zo.’
‘Jij zegt dat altijd, maar dat klinkt zo alsof het jouw lot is, alsof het zo hoort, om een of andere reden.’
‘Iets in mij zegt dat waarschijnlijk zo.’
‘Ja, dat is wel duidelijk. Soms zou ik je door elkaar willen schudden. Uit liefde natuurlijk.’
‘Het mag hoor.’
‘Zie je? Dat bedoel ik dus. Zoals je daar nu zit. Ik zie je denken.’
‘Ik moet toch over alles nadenken? Als ik de dingen goed wil doen.’
‘Misschien moet je niet alle dingen goed willen doen.’
‘Oei, dat is een moeilijke gedachte. Haha.’
‘En misschien moet ik niet zo vaak het woord moet gebruiken. Haha.’
‘De vorige keer klonk je nogal verdrietig. Het was alsof je je ineens oud voelde. Iets als de tijd die aan je voorbij was gegaan. Of het besef dat er niet zo heel veel meer overbleef. Denk je daar nog aan?’
‘Heb jij dat nooit?’
‘Ja, maar daar gaat het nu niet over.’
‘Soms krijg ik ineens schrik. Dan is het alsof ik te braaf ben geweest of zo. Ik dacht het nog toen ik dat boek aan het lezen was.’
‘Zou het niet gewoon het temperament van die vrouw zijn in dat boek?’
‘Ja, waarschijnlijk. Maar misschien heb ik ook wel een temperament.’
‘Diep vanbinnen?’
‘Ja, lach maar.’
‘Ik lach niet. Ja.’
‘Wat ja?’
‘Ja. Dat is het antwoord.’
‘Grrrr.’

25 juli 2015

Tegenwindje

Denken: nu is ze normaal gezien op haar bestemming, daar.

Een dag later: en nu vertrekt zij ook, naar ver.

Zou zij al terug zijn ondertussen? Je weet het niet. En zij?

Iemand vraagt je of je weet of zij al terug is. Je weet het niet. Het maakt je onrustig.

(Je bent er niet goed in, mensen die weggaan.)

Een belangwekkend punt op het lijstje met nuttige dingen: de aankoop van een moppenboek voor een klein meisje. Na lang zoeken blijkt dat nog steeds te bestaan. Megaboek, met duizend moppen. De allerbeste, zo staat er. Als dat dan toch zo is, waarom is er dan ook nog een deel 2, deel 3 en deel 4?

De afspraakjes krijgen stilaan vorm, goed zo.

Ook vakantie, avond na avond een hele reeks op dvd uitkijken. Bij elke aflevering denken: mag er ook iets goed gaan? Personages met een hoog gehalte aan disfunctionaliteit. (Gewone mensen dus.)

In het kader van ‘ik moet nog wel 100 jaar worden’ vraag je via de website een afspraak aan voor het maken van oordoppen op maat. (Stel je voor dat je op je 85ste zomaar ineens zou gedropt worden op een concert van AC/DC…) Amper iets meer dan een uur later krijg je al telefoon. Er blijkt een gaatje te zijn, qua potentiële afspraak. (Je staat op dat moment in de boekhandel, vanzelfsprekend.) De mevrouw aan de telefoon vraagt nog waar die oordoppen voor moeten dienen? Even totale paniek, dienen die dingen niet om bepaalde niveaus van geluid tegen te houden, of is dat een te evident antwoord? Gelukkig denk je net op tijd aan AC/DC (je hoopt overigens dat je nooit in dit leven, en ook niet in alle volgende, naar een concert van AC/DC zult moeten gaan, maar dat is een andere discussie). Voor concerten, mevrouw. OK, dat was het goede antwoord blijkbaar. Oef!

Wat een mooi boek… (Boeken van die schrijver hebben een soort ingebouwd vertragingseffect. Enkele uren of dagen later zul je ineens tranen in je ogen krijgen.)

Hee, daar loopt een muis op het terras. Ziet er schattig uit. Terugkomen hoeft toch ook weer niet.

Aan de mevrouw in de winkel nog eens het concept van ‘nuttige’ dingen uitleggen.

Zou dat ook in de categorie ‘wild’ horen? Zomaar op basis van dat nieuwe kookboek zelf even een soort pizza in elkaar knutselen. (Met ook artisjok, is ergens goed voor.) Lekker ook nog, trouwens.

Ingewikkelde dromen.

Je hebt afgesproken met een dierbare vriendin. Het is de bedoeling dat je daar om 11 uur aan zult komen. (Zoals elk jaar trouwens, bij het zomerbezoekje.) Eerst nog even de bandjes een beetje extra oppompen. Schatten hoe lang het fietsen zal duren. (En dan halverwege vaststellen dat je, ook dit jaar, weer een stuk te vroeg zult aankomen. Er niet in slagen om trager te fietsen.) Gedurende de hele rit is er een tegenwindje.

De mevrouw van de oordopdinges belt, om te vragen of ze de afspraak mogen verzetten naar een andere dag. Geen probleem. (Je vraagt je al de hele tijd af hoe men dat gaat doen, zo’n dop op maat maken. Gaan ze daar dan een gipsje in gieten of zo?)

Onderweg piekeren over het stukje dat je morgen zou moeten inleveren. Het onderwerp van een stukje moet normaal altijd gewoon naar je toe komen. Je hebt alleen een sterk gevoel bij het landschap. (Uren later – zoals zo vaak – denken: zou dat wel een goed onderwerp zijn? En eigenlijk al weten dat je alleen een stukje over dat landschap zult kunnen schrijven. Het stukje zal jou wel uitleggen waar het over gaat of waar het naartoe gaat.)

Terug naar huis fietsen, na het mooie bezoekje. Het windje is gedraaid, is dus nog steeds een tegenwindje. Je had het kunnen denken…

Het voordeel van vakantie, je kunt met nog minder scrupules naar domme programma’s kijken, gewoon om nog even voor de tv te kunnen blijven hangen. (Jui! Ik mag lang opblijven!)

Hoe zou het nu zijn, ginder?

Hoewel het vakantie is, toch even vroeg opstaan als tijdens de niet-vakantie om naar de markt te gaan. (Als iemand je zou vragen waarom precies dat zo belangrijk is dat dat ook in de vakantie zo vroeg dient te gebeuren, zou het kunnen dat je antwoord niet 100% overtuigend is. Die mensen die dat zouden kunnen vragen, zijn nu in vakantie.)

Het stukje schrijft zichzelf. Het landschap is niet te ontwijken. (Je voelt hoe je niet naar bepaalde woorden wilt gaan, het is alsof je lichaam zich ertegen verzet. Vakantie, dus.)

Wat een mooi boek… (Al een beetje zenuwachtig omdat je er ook nog een stukje over gaat schrijven. Elke keer denk je dat je dat niet zult kunnen, of zoiets.)

Boodschappen doen. Het regent hevig (dat is een vrij accurate omschrijving). Eigenlijk zou je gewoon graag binnen willen blijven. Maar dat kaartje voor die vriendin die verjaart moet echt vandaag nog naar de post. (Anders dreigt er kosmisch onheil.)

Je mag weer aan een vers boek beginnen. Zou je nu eerst dat lezen? Of toch dat? Of nog een ander?

Niet alle experimenten in het kader van het wild koken zijn even geslaagd.

24 juli 2015

Dept. of Speculation

Stel dat je een rivier helemaal zou kunnen volgen door telkens netjes op een steen te kunnen stappen die boven het stromende water uitsteekt. En bij elke steen zou je even kunnen wachten, want je zou zien hoe elke steen als een miniatuur is. Elke steen zou een klein schilderijtje zijn, een gedicht of een wijze gedachte. Je zou tegelijk iets zien van de stroom, begrijpen waar die naartoe gaat en hoe die beweegt, en ook iets voelen van de eenzaamheid van elke steen. En de verstilde, gecomprimeerde schoonheid van die tocht zou je erg ontroeren, niet op een uitbundige wijze, maar wel alsof je een kostbaar geschenk had gekregen. Zo zou je het erg mooie boek Dept. of Speculation van de Amerikaanse schrijfster Jenny Offill kunnen omschrijven (in het Nederlands vertaald als Verbroken beloftes).

Misschien is het verhaal van dit boek op zich niet zo opzienbarend of nieuw, de manier waarop het is uitgewerkt is dat wel. Samengevat is het het verhaal van een jonge vrouw. Ze woont in Brooklyn. Ze schreef ooit een eerste boek, maar het tweede laat op zich wachten. Ze geeft creative writing. Ze leert een man kennen, ze worden een koppel, gaan samenwonen en krijgen een kind. Het moederschap is mooi, verwarrend en afstompend. Rollen verschuiven. De vrouw neemt er een job bij als ghost writer voor een boek over ruimtevaart. Met de jaren verschuift de balans in het gezin. De man krijgt een affaire met een andere vrouw. Dat zet het huwelijk onder zware druk. Ze zoeken een nieuwe balans.

De vorm van het boek is opmerkelijk. Offill heeft telkens korte, gebalde paragrafen gemaakt. Alsof ze zich heeft afgevraagd hoe ze met zo weinig mogelijk informatie zoveel mogelijk zou kunnen zeggen. Soms zijn het gedachten, soms observaties, soms stukjes van een dialoog, soms citaten, soms herinneringen. Elk blokje tekst is ingedikt, met een geconcentreerde smaak. Het verhaal beweegt in de witruimtes tussen die blokjes. Die gefragmenteerde vorm zorgt toch voor een grote coherentie. Het is de vorm die dit boek maakt wat het is.

Als lezer beleef je alles door de ogen van het vrouwelijk personage. Je ziet wat zij ziet. Er is geen alwetende verteller die je informatie geeft die zij niet heeft, integendeel. Je merkt de dingen die zij niet ziet, je kunt dingen vermoeden die ze niet heeft opgemerkt, je zit soms vast in haar opgesloten zijn.

Die vorm past wonderwel bij waar het in dit boek over gaat. Misschien leven we chronologisch, onze ervaring van dat leven is alles behalve lineair, zoals het in meer klassieke romans vaak wel is. Ervaringen en gevoelens kunnen van de ene naar de andere plek bewegen. De  verwarrende en tegenstrijdige emoties die horen bij het moederschap vinden in die vorm een indrukwekkende uitdrukking. De ervaring dat je met zo’n klein kind de controle over je tijd verliest, en nauwelijks nog kunt ervaren hoe het voelt om bv. een hele tijd (langer dan kort) iets voor jezelf te doen, iets te maken, iets te lezen, in deze vorm komt het sterker over dan het had gekund in een lineaire verhaalstructuur. Je voelt ook hoe het vrouwelijk personage heen en weer botst tussen de reële ervaring en de verwachtingen die horen bij het moederschap.

Je ziet ook hoe ze haar man niet helemaal ziet. Misschien is ze meer en meer gaan samenvallen met haar rol als moeder. Misschien is wat ze aantrekkelijk vond vanzelfsprekend geworden, of gewoon minder interessant. De afstand groeit tussen beide personages, en de vrouw heeft het niet zien gebeuren. De woorden wel. Waar het verhaal in het begin wordt verteld met I en You,  verschuift het later naar the wife en the husband.

Het is ook het verhaal van een depressie, en wat die met iemand kan doen. De pijnlijke maar ook verhevigde waarneming, moeizaam maar intens. De afstand tot de anderen, tot de dingen, tot alles. De energie die het vraagt om je hoofd boven het rivieroppervlak te houden. De woorden die er staan zouden de geconcentreerde restanten van een dagboek kunnen zijn. Wat er beweegt, voel je in de witte plekken.

Elk blokje tekst is wondermooi geschreven. Heel zorgvuldig gepolijst. Als lezer wil je de hele tijd dingen onderstrepen of zou je stukjes willen voorlezen aan anderen. Je moet veel lege plekken invullen, maar dat is niet erg, integendeel. Veel stukjes zijn hilarisch, bij andere voel je hoe er net onder de huid iets zou kunnen ontploffen. Doorheen het hele boek voel je vaak twee kanten: hoe je kunt verdwalen en eenzaam kunt worden in een relatie, maar ook hoe mooi het uiteindelijk kan zijn, hoe het krijgen van een kind je helemaal onderuit kan halen, maar ook hoe wonderlijk het kan zijn.

Dept. of Speculation is een heel bijzonder boek, dat terecht erg veel lof heeft gekregen. De slimme gefragmenteerde vorm werkt wonderwel en geeft een perfecte bedding aan de thema’s van het boek. De erg mooie woorden, geserveerd in blokjes, als kleine potjes geconcentreerde chocomousse, maken het lezen tot een heel bijzondere ervaring. Er rust veel breekbare wijsheid in dit boek, je kunt de pijn en de eenzaamheid voelen, maar toch blijft de toon licht genoeg, met veel ademruimte. Na de laatste bladzijde van dit relatief dunne boekje zou je meteen opnieuw willen beginnen. Heel erg mooi!

22 juli 2015

Komt een paard de kroeg binnen

De bevrijdende lach. De lach die het mogelijk maakt om verder te gaan in een onmogelijke situatie. Een lach die bij sommigen kan grenzen aan de ontvluchtende lach, een lach die voorkomt dat je dichtbij te veel waarheid zou kunnen komen. Een lach die al dan niet tegemoetkomt aan wat mensen van je willen, je al dan niet in één rol vastzet. Kan de nar uit zijn rol stappen om zijn eigen verhaal te vertellen? En wie is er dan bereid dat verhaal te horen? Een lach die beweegt op de rand van de vulkaan, in een werkelijkheid die misschien wel surreëler is dan de verhalen. Het zijn sleutels naar het prachtige nieuwe boek van David Grossman, Komt een paard de kroeg binnen.

Het boek gaat over een avond, ergens ten noorden van Tel Aviv. Dov Grinstein is een stand-upcomedian die die avond zijn programma brengt voor een publiek met daarin alle segmenten van de Israëlische samenleving. Hij vliegt erin, met harde grappen, die niemand sparen. Hij spaart zichzelf ook niet, zal zich af en toe heel hard in het gelaat slaan. Hij loopt over het podium alsof zijn leven ervan afhangt. Soms lokt hij zijn publiek in de val, door hen ver mee te nemen in harde grappen over het conflict met de Palestijnen, om dan ineens de focus om te draaien. Hij beantwoordt soms wel, soms niet aan de verwachtingen van het publiek. Het is constant lopen over het slappe koord.

Tussen de regels voel je meer onrust dan cynisme. Het is alsof de comedian ergens anders naar toe zou willen, en toch ook weer niet. Een aantal mensen in het publiek is gekomen voor de grappen, en voor niets anders. Alsof daardoor de werkelijkheid zou kunnen verdwijnen. Alsof daardoor onbewust de eigen tunnelvisie van die werkelijkheid overeind kan blijven. Misschien is Dov in dat spel in het spiegelpaleis van de comedy zichzelf verloren, weet hij niet meer wie hij echt is. Misschien is hij of was hij op de loop voor zichzelf. Af en toe suggereert hij iets over een ziektetoestand, over een mogelijke laatste fase.

Twee personen in het publiek zullen zijn ankerpunt worden. Er is de verteller, een rechter die sinds kort vervroegd gepensioneerd is. De rechter draagt een groot verdriet, na de dood van zijn vrouw. Dov heeft de rechter gevraagd om die avond te komen luisteren, om te komen zien wie hij is, of om te zien of hij iemand is. De twee mannen zijn in een ver verleden vrienden geweest, en delen een beslissend moment. En er is een vrouw die zegt dat ze als kind het buurmeisje was van Dov. Ze spreekt hem rechtstreeks tegen, tijdens de voorstelling. Het is alsof ze de hele tijd het harde beeld wil corrigeren dat de comedian van zichzelf geeft. Zij zag hoe de kleine Dovele zijn moeder, getekend door de Shoah, wilde beschermen.

Het is door de tussenkomst van die vrouw dat Dov tijdens de voorstelling ineens het roer omgooit, om een verhaal over zichzelf te vertellen, om het verhaal te vertellen dat zijn leven heeft bepaald. Als kleine jongen was hij het voorwerp van spot, werd hij letterlijk heen en weer gegooid. Hij had zijn overlevingsstrategieën, zoals: op zijn handen lopen.

Op een bepaald moment is hij op een soort premilitair trainingskamp, waar de latere rechter ook aanwezig is. Die laatste kijkt toe, neemt het niet op voor zijn vriend. De jonge Dov wordt ineens weggeroepen. Hij moet dringend naar een begrafenis. Hij is nog nooit op een begrafenis geweest. Iemand is gestorven, alleen weet hij niet wie, en zegt niemand het hem. Is het zijn vader? Of zijn moeder? In de lange tocht naar Jeruzalem reconstrueert hij het beeld dat hij heeft van zijn beide ouders. Het is een bijna ondraaglijk denkproces, dat zijn eigen tragiek voltrekt.

Naarmate hij dit verhaal vertelt, begint een deel van het publiek te morren. Ze willen grappen, daar zijn ze voor gekomen. Een na een verlaten mensen de zaal. Dov zet telkens een streepje op een bord, voor wie vertrekt. De rechter, die eerst ook wilde vertrekken, blijft, en spreekt de rest van het publiek op een beslissend moment toe. Iets wordt rechtgezet. Dov gaat verder in zijn existentiële hellevaart. Het verhaal wordt verteld, tot het einde.

Wat Grossman in dit boek doet, is zonder meer indrukwekkend. Het boek drijft op het pulserende ritme van een avond comedy. Als lezer zit je mee in de zaal, ben je medeplichtig, ben je deelgenoot aan alle verwarrende gevoelens. Je voelt de rusteloosheid bij het publiek als de man op het podium begint af te wijken van het verwachte pad en ruimte vraagt voor een andere waarheid. Een waarheid die voor velen in dat publiek te dichtbij komt. Lachen met de grappen die er nog tussendoor komen voelt wrang, niet meer bevrijdend. Het is alsof je op enkele meters zit van de man die met zijn laatste krachten een bovenmenselijke inspanning levert om het verhaal te vertellen dat zijn leven verscheurde. Je voelt de visionaire kracht van de nar, en tegelijk het gekwetste en verdwaalde kind in de man die misschien wel aan zijn laatste levensfase bezig is.

Tragedie en komedie liggen dicht bij elkaar. Hoe gaan mensen om met verdriet en met het verlies van geliefden? Het is een terugkerend thema bij Grossman. En opnieuw raakt hij je diepste lagen met dit hartverscheurende verhaal. Hij doet dat tegelijk in een toon die zacht en vol mededogen is. Het is een verhaal van troost. Mensen die elkaar op een cruciaal moment in hun leven loslaten, terwijl ze dat ook niet hadden kunnen doen. En zoveel jaar later, opnieuw op een cruciaal moment kan dat weer hersteld worden, daar in de duisternis. Verhalen vertellen is als lopen op je handen. In het boek blijkt hoe dat handenlopen bevrijdend en tragisch tegelijk is. Het is te weinig en alles tegelijk.

Met Komt een paard de kroeg binnen heeft David Grossman opnieuw een diep ontroerend boek gemaakt dat met zijn eigen milde schoonheid het antwoord geeft op grote existentiële  vragen in een wereld die de pedalen kwijt is.

18 juli 2015

Vakantiepaniek

De vakantie is nog maar een dag bezig, en je hebt al een minuut vakantiepaniek gehad. Vergeleken met het aantal minuten dat zo nog overbleef, lijkt dat misschien verwaarloosbaar, maar toch…

Het basisconcept van je vakantie is: geen plannen maken. Of ook: niets moeten. Maar hoe doe je dat?

Eerst enkele dagen extreme dwarsigheid beoefenen. Tegenover jezelf. Het lichaam staat nog in moetstatus. Niet aan toegeven dus. Zoeken naar goede instrumenten. Zoals tranerige en voorspelbare films op WijfTV en Vitaya, bij wijze van middagdutje. Om jezelf te wennen aan het acuut verliezen van tijd. Waardoor die paar dagen dat elke plek van je lichaam pijn zal doen ook een beetje sneller voorbij zijn. Of is dat een idee dat impliciet toch weer van het vermijden van tijdverlies uitgaat? Twee seconden vakantiepaniek.

Sommige mensen zeggen dat je een zeer lichte neiging tot controle en orde hebt, en een eveneens zeer lichte mate van discipline. Ze dwalen vanzelfsprekend. Toch moet je toegeven dat je een organisatieprincipe hebt voor de vormgeving van een vakantiedag, weliswaar op geheel associatieve wijze. Het principe is dat je één nuttig ding per dag doet, waarbij je zelf mag beoordelen wat er nuttig is. In principe kan iemand een kus geven ook zeer nuttig zijn, in het licht van de eeuwigheid. Of de wereldvrede. De existentiële vraag is echter: mag je een lijstje maken van potentieel nuttige dingen die zouden moeten gebeuren? Zoals: dat muurtje aan het aanrecht nog eens schilderen, het terras schoonmaken, kastgewijze opruimplannen, een nieuw hoeslaken kopen, leren koken met die nieuwe tajine, … (En nog veel andere dingen die hier ongezegd moeten blijven.) Twee seconden vakantiepaniek.

Met een zekere gretigheid en gulzigheid en nog iets met een g zul je je spoedig storten op een stapel boeken. Diverse vormen van verwarring dienen zich aan. Er ligt daar al een stapel boeken, nog deels het resultaat van je verjaardagsfeest enkele maanden geleden. Wat te doen als heel je lijf hunkert naar een vers boek en als je toch geen zin hebt in een van de boeken in die stapel? Is het dan toegestaan om over te gaan tot de aankoop van nieuwe boeken, en zo ja, hoeveel per keer? Is het niet in tegenspraak met het vakantiebeginsel dat je toch stiekem bijhoudt hoeveel boeken je zult gelezen hebben in je vakantie? Is het toch niet een beetje in strijd met je zenbeginselen dat je op die manier na de vakantie achteloos zult zeggen: och, ik heb x boeken gelezen? En – eveneens in het kader van het vakantieprincipe – waarom zouden die afwegingen je ook maar één ruk kunnen schelen? Twee seconden vakantiepaniek.

Dat je je toch een beetje een sukkel voelt, en dat in je vakantie. Je dacht meteen goed te beginnen op je eerste vakantiedag. Een nuttig ding? Ja hoor, eindelijk eens naar de solden gaan kijken en uiteindelijk een mooi hemd gekocht. Tijdens het hemdaankoopproces aan de mevrouw vragen of het volgens haar XL of XXL moest zijn. Waarop ze antwoordde, niet geheel onlogisch, dat het best zou zijn het gewoon aan te trekken om te zien wat het zou worden, en ook dat het regular fit was. (Even dacht je: misschien ben ik wel irregular, wat dan?) Hemd gepast, en toch nog maar eens aan die mevrouw gevraagd, waarop zij kon bevestigen dat het inderdaad XXL moest zijn. Ok, een nuttig ding dus. Na de middag toch maar even een middagdutje, met een romantische film. Na vijf minuten voelen dat je wel eens in slaap zou kunnen vallen, en toch ergens denken dat je moet blijven kijken. In slaap vallen dus, wakker worden, naar de klok kijken, en denken dat het toch tijd is om iets te gaan doen. Iets als: een boek lezen. Op een substapel liggen enkele kookboeken. Een daarvan had je na aankoop maar heel even bekeken, omdat je meteen merkte dat de dingen in dat kookboek te lekker waren. Daarom had je dat boek nog een hele tijd laten liggen. Denken dat het misschien wel dapper is om dat boek toch even ter hand te nemen op je eerste vakantiedag, buiten op het terras. (Eigenlijk ook wel omdat je te moe bent om aan een van die nieuwe boeken, surplusboeken tegenover de stapel die er al lag, te beginnen.) En na enkele bladzijden jezelf een sukkel voelen. Omdat je eigenlijk  ook zo geïnspireerd zou willen en kunnen koken als in dat kookboek. Twee seconden vakantiepaniek.

En dan ook nog existentiële kwesties. Je hebt aan je dierbare voormalige geliefde beloofd dat je iets wilds zult doen, terwijl zij bijna twee weken weg zal zijn. Meteen na die uitspraak was er al sprake van lichte innerlijke stress. Zou denken aan wilde dingen ook tellen? Zou het vertellen van een geheim wild verlangen dat jammer genoeg weer niet is uitgevoerd, omdat het waarschijnlijk beter ook een geheim wild verlangen blijft, tellen? Zou het opleuken van je voor anderen ongetwijfeld saaie bestaan tot een enigszins wild stukje tellen? Zou je een lijstje moeten maken van potentieel wilde dingen? En zo ja, telt het maken van dat lijstje dan als een activiteit in de categorie nuttig? Het leven is ingewikkeld, en de vakantie is nog maar net begonnen. Twee seconden vakantiepaniek.

17 juli 2015

Ja, zelfs ja!

(Heel zachtjes heel hard roepen: ja, het is vakantie!)

En nog wat beelden van de week.

(Merken dat je eigenlijk zo moe bent dat de beelden maar met moeite komen. En daar een klein beetje schrik van hebben.)

Achteraan in een tuin op een bankje zitten praten. Ezels op de achtergrond, iemand is aan het werk. Het is alsof je op leeftijd bent, of zoiets.

Je lijstje bekijken. De dingen die nog moeten gebeuren om geheel uitgewerkt binnen enkele dagen het kantoor te verlaten.

Toch nog een avondvergadering. Er huist poëzie in onooglijke momenten. Iemand zegt dat de Watergroep op zoek is naar liquide middelen. Liquide? Heb je hem? Het duurt even eer iedereen rond de tafel begint te lachen. Later in de vergadering maak je nog een verwijzing naar het ‘potje over’, van de gebroeders Temmes. Niemand lacht. Verwijzen naar stukjes van Koot en Bie is blijkbaar een onomstotelijk bewijs van het feit dat je oud bent. Ouderdom inroepen om de gebroeders Temmes niet te moeten kennen, het is een onaanvaardbaar argument. (Iets in je begint te twijfelen…)

Daarna wegsnellen naar de echt belangrijke dingen. De verjaardag van je maatje. Heel veel zin in 50 worden heeft hij niet, blijkbaar. Hij is waarschijnlijk bang dat hij vanaf nu gesprekken zal moeten voeren over dingen van mensen van 50. Zoals over cholesterol. Met jou. Volgens jou is het wel feest. Een boek over boeken. Alvast één reden waarom hij zeker 100 zou moeten worden. Minstens.

De vertaling nalezen van weer een hoofdstuk van dat boek dat in november uit zal komen. Ofwel denkt die auteur een beetje ingewikkeld, ofwel schrijft hij een beetje ingewikkeld, ofwel ging er iets lost in de vertaling van het Italiaans naar het Engels. Op basis van al die mogelijkheden probeer je mee te zoeken naar een goede vertaling van dat alles naar het Nederlands. Een oplossing die er hopelijk voor zal zorgen dat de lezers begrijpen wat de auteur oorspronkelijk bedoelde. En zo.

Rustig aan een tafeltje in een park. Links van je zijn enkele fijne mensen op ingenieuze wijze dikke stokken in elkaars richting aan het gooien. Iets in je is te moe om de finesses van het spel te begrijpen. Je hebt zin om alleen gelukzalig te zitten glimlachen.

De laatste vergadering voor het werk. Het is een beetje ernstig, en interessant. Even heb je zin om iets onnozels te zeggen. Maakt niet uit wat. Iets disruptiefs. Zo heet dat tegenwoordig. Schijnt bij te dragen tot creatief leiderschap of zo. En zo.

Op tijd naar huis, om te koken. Je krijgt bezoek. Je staat te wachten aan de toog in de winkel, tot het jouw beurt is. De mevrouw voor je stelt wel erg veel vragen, alsof ze op alles recht heeft. Iets in je, ergens, denkt: doe eens normaal mens! Je laat het niet merken. Je glimlacht extra naar de mevrouw aan de andere kant van de toog. Ze lijkt opgelucht als je twee brownies vraagt.

Na de brownies ook nog de stad in voor een ijsje. En het is nog niet eens vakantie. Wild! Met de hoed op. De zon is verzengend, vanzelfsprekend. Het uitstapje kan op eenvoudige wijze worden samengevat: ijsjes met de smaak lemon cake zijn bijzonder lekker, bijzonder lekker.

Een heel ingewikkelde complexe droom, met erg veel personages. Welk stuk van jouw onbewust brein kan zo’n ingenieuze plot bedenken?

Je bent een beetje in de war, zoals elk jaar. Mensen die dicht bij je zijn en nu ver weg gaan in de vakantie. Het maakt je onrustig.

’s Morgens vroeg op de markt. Dé druiven zijn er nog niet. Misschien volgende week al wel. Aan de kassa bij de groenten is er een nieuwe mevrouw. Ze slaat een beetje tilt bij het in het apparaat tikken van jouw rode paprika.

Je had voor die laatste werkdag een lijstje in je hoofd: dingen die ik nog moet doen om met een volstrekt clean desk te kunnen vertrekken in vakantie.

Enkele uren later kun je niet anders dan vaststellen dat dat lijstje volledig is afgewerkt. Dus…

Terug thuis, nog een beetje onwennig. Is het echt?

(Heel zachtjes heel hard roepen: ja, het is vakantie!)