02 september 2015

Knuf

Ik zag haar voor het eerst in het station. Ik stond aan te schuiven aan het loket om een ticket te kopen voor twee dagen later. Kwestie van goede organisatie of zoiets. Als natuurlijk in de dag tussen die aankoop en de dag van de voorziene reis de wereld zou vergaan, zou het wel jammer zijn dat ik dat ticket van tevoren gekocht had.

In elk geval, ze stond voor mij, ook aan te schuiven. En ze zag er, ik kan het niet anders zeggen, fleurig uit. Sommigen zouden haar kleren omschrijven als heksenkleren, anderen als godinnenkleren. Ze had lang haar, en ook een brede haarband. Donkergroen. Ik moet bekennen dat ik niet bestand ben tegen zo’n haarband. Ze stond zachtjes een liedje te neuriën. Ik wou haar vragen welk liedje het was. Of beter: als ik dapper genoeg zou zijn geweest, zou ik het haar hebben willen vragen.

Het was ondertussen mijn beurt. De mevrouw aan het loket was opgewekt en hielp me in een vloeiende beweging en met een mooie stem. Ik wou nog zeggen dat die bril haar goed stond. Of beter: als ik dapper was geweest, zou ik hebben overwogen haar te zeggen dat die bril haar goed stond.

De mevrouw met de haarband stond een meter of twee verder naar me te kijken. Ze leek een beetje verlegen. Toen ik klaar was, en wou vertrekken, sprake ze me aan. Ze heette Galatea.

‘Mag ik u even aanspreken meneer?’

Ik antwoordde iets als ‘ja natuurlijk’, met een poging tot uitstralen van vanzelfsprekendheid of zo. Alsof ik altijd voorbereid was op een dergelijke vraag.

‘Het is eigenlijk een beetje om te oefenen. Mijn vriendinnen hebben een soort blind date voor mij georganiseerd. Ze vinden dat ik wat dapperder zou moeten zijn, en dat soort dingen. Eigenlijk wilden ze er een blind saunadate van maken. Maar dat vond ik er wel een beetje over, eerlijk gezegd.’

De gedachte alleen al maakte me een beetje zenuwachtig, dat iemand voor mij een blind saunadate zou kunnen organiseren. Mijn ervaring met het saunagebeuren is relatief beperkt. Net als de glorieuze uitstraling van mijn kathedraal van een lichaam. Om het vriendelijk te zeggen. Maar gelukkig was de kwestie van hoe ik zogenaamd als een man van de wereld een dergelijke uitdaging zou overleven niet aan de orde. Oef.

‘Ze hebben hun plan aangepast gelukkig. Plan B was om mij in te schrijven voor dat programma op tv, dat vind je lief. Maar daarvoor was het gelukkig al te laat. Anders had ik ook zo’n relatietest moeten doen met een IKEA-kast. Plan C is dat ik nu gewoon binnenkort een avond iets  ga drinken met een man die zij voor mij hebben uitgekozen. Maar ik ben eigenlijk niet zo goed in spontane gesprekken, denk ik toch. Stel dat ik na twee zinnen al niet meer weet wat ik moet zeggen, dan duurt die avond wel lang. Ik had al een hele tijd gezien dat u achter mij stond. En ineens dacht ik dat u wel een fijne man bent om op te oefenen, als ik dat zo onbeschaamd mag zeggen.’

Ik heb al wel eens vaker gedacht dat de kosmos iets dergelijks met mij voorheeft qua lotsbestemming: een man om op te oefenen. Voor alle zekerheid vroeg ik toch nog even wat dat oefenen inhield. Het bleek gelukkig enkel om een gesprek te gaan.

We zochten buiten een plekje op een bank. Er zijn niet zoveel banken op het stationsplein. Die ene die er is, was gelukkig vrij.

Ik ben geen expert of ervaringsdeskundige in daten, van de variant speed of blind. In dat programma vind je lief had ik wel gezien dat sommige kandidaten vol vertrouwen heel directe vragen konden stellen. Als ik dapper was geweest, zou ik haar iets gevraagd hebben als: welke toekomst zie je voor jezelf? Of: wat vind je belangrijk bij een man? Ik hield het daarom maar bij: wat maakt je verdrietig?

‘Dat is een mooie vraag, die krijg je nu eens nooit zomaar. Even denken. Ja, ik weet iets. Weet u, ik heb soms de indruk dat veel mensen steeds banger worden van verbinding, van raken en geraakt worden. Ze zijn te bang om zich kwetsbaar op te stellen. Liever een veilige sms als iemand verjaart dan gewoon even bellen of langslopen. Zo is er niet te veel intermenselijk contact, en kan men altijd controle houden over de situatie. Wat ik bijvoorbeeld heel erg vind, is dat veel mensen sommige verbindende woorden niet eens meer volledig uitspreken. In Nederland hoor je de hele tijd alstu zeggen. Stel je voor, dat je gewoon alstublieft zou zeggen… Of van die mensen die dan ergens bij schrijven knuf. Het woord helemaal schrijven, knuffel, dat zou wel eens te intiem kunnen zijn.’

Ik zei haar dat ik onlangs net hetzelfde had gedacht. In het jargon, of als dit nu voor het echt was, zouden wij dus ‘een klik’ hebben, of misschien wel ‘een match’. Maar ik was maar om te oefenen. Ik vond overigens dat ze dat geweldig deed, in de categorie spontane babbel.

Ze zei dat ze bijna moest vertrekken. Bijna had ik alsnog gevraagd welk liedje het nu eigenlijk was, daar in het station. Bijna. Ik wenste haar nog veel succes voor haar date. Eigenlijk vind ik dat zo stom, dat woord succes. Maar iedereen zegt dat de hele tijd. Ik aarzelde even, en zei toen: ‘Nee, ik wens je geen succes, en ook geen succ. Ik wens je alleen een wonderlijk mooie avond, met een zoete droom nadien. Minder mag niet.’

Ze glimlachte en liep weg. Ik bleef nog even op de bank zitten, wachtend op een liedje in mijn hoofd.

30 augustus 2015

Het wassende water

Daar sta je. Daar.

De zee is wonderlijk mooi. Ze draagt al haar geheimen. En de jouwe.

Daar sta je. Het water komt dichterbij, dat voel je.

Als je lang genoeg blijft staan, zal het tot bij jou komen. Zal het je aanraken.

Daar zou je uit de tijd kunnen vallen. Heel zachtjes. In dat moment van bijna aanraken.

Je had het al gezien, een dag eerder, toen je haar voor het eerst weer zag. Onrustig was je, omdat je bij haar wilde zijn. Je wou kijken. (Soms zou je alleen maar willen kijken, eindeloos.) En het was alsof je een glimlach zag.

Dat was een dag eerder.

In dat moment hoor je woorden, in je hoofd. Je hoort jezelf dingen zeggen aan iemand. Misschien gaan die woorden naar haar, in deze plooi van de tijd.

En je ziet de beelden. Hoe het zou zijn. Het schuift voor en achter hoe het was.

Daar te staan, je huid zou net zo doorwaadbaar zijn als die plek.

Hoe het is, geheeld te worden, je kunt het bijna zien.

En wat je zou neerleggen.

En je zou kijken naar je handen, je zou alleen maar moeten kijken naar je handen. Met je handen.

Misschien zou je dichter bij de verhalen zijn.

Ben je daar? Ben je daar altijd? Aan de buitenkant van de tijd. Waar je niet meer moet vluchten.

Je hebt genoeg gevlucht. Je fluistert de woorden, er is weinig wind, bijna geen. Niemand mag het horen. Alleen deze plek.

Het water komt dichterbij, dat voel je. Hoe dicht het al is, je wilt het niet weten.

Iets met verlangen. Van de zee mag het.

Misschien kun je je dromen aanraken, in dat moment, in die scheur.

Misschien is de scheur er altijd wel. Is het een kwestie van vertrouwen. Dat je niet zult vallen.

Het is het water, het is de plek. Waar daar en hier in elkaar verdwijnen.

Het zou een verlossing kunnen zijn.

En de geuren. De geuren van een glimlach.

Iemand zegt je: ik ga niet weg.

En daar, uit de tijd, worden die plekken weer zacht. Je wacht al zo lang.

Woorden fluisteren zich, tot bij jou.

En het water heeft je bereikt. Het spoelt zachtjes om je heen, en trekt zich even terug. Om daarna weer.

Alsof het je zou willen zeggen: ja.

En je laat het je aanraken. Heel even.

Tot het tijd is om weer te gaan.

Je kijkt nog even om.

Daar stond je. Wat je achterliet, in het zand, het zal verdwijnen.

27 augustus 2015

De kunst van het crashen

Eigenlijk zou je niet veel mogen vertellen over dit boek. Eigenlijk kun je alleen zeggen: geef jezelf uit handen aan dit boek, het is de enige manier om het te lezen, en vertrouw erop (zonder te vertrouwen) dat je aan de andere kant zult komen. Aan die andere kant is het overigens meer dan warm thuiskomen. De kunst van het crashen, van Peter Verhelst, daarover gaat het.

Het boek gaat terug op een gebeurtenis in de echte wereld. Peter Verhelst kreeg op de snelweg tussen Gent en Brussel een ongeluk met zijn auto. Hij ging over kop, en overleefde op merkwaardige wijze de crash. In die enkele seconden gebeurt het. We kennen allemaal die ervaring, dat op een moment van crisis de tijd lijkt te veranderen. Seconden duren veel langer, je beleeft die momenten heel intens. Het is alsof je ze uit elkaar kunt halen in afzonderlijke beelden. En op die plek, daar waar tijd en ruimte ineens uit elkaar getrokken worden, daar gebeurt het, dit boek.

Stel dat je op die plek, dat nulpunt, uit de tijd zou kunnen vallen, door een scheur. Je zou in een soort parallelle ordening terechtkomen waar de dingen gebeuren onttrokken aan de tijd. Vergelijkbaar met wat gewichtloosheid is tegenover zwaartekracht.

Net zoals je je in dat nulpunt van een crash ongewild uit handen moet geven aan wat gebeurt, aan waar je geen controle over hebt, zo moet je iets van jezelf loslaten om dit boek te kunnen lezen. Na een korte inleiding, waarin de auteur vertelt over het ongeluk, kom je in een wereld van verhalen terecht. Die andere wereld, waar Verhelst een glimp van opving, is er een van in en door elkaar schuivende verhalen. Het lezen van die verhalen duurt eindeloos veel langer dan de seconden van het ongeluk, en zo krijgt het uit elkaar trekken van de tijd meteen een vorm.

Die verhalen, ze lijken op nachtmerries. Een man die in contact komt met een ondergrondse organisatie in een land waar een dictatuur is gevestigd. Een man die een vliegtuigcrash overleeft en ronddoolt op een eiland. De schaduw van die man die zich voortbeweegt op hetzelfde eiland. Het eiland dat een soort toevluchtsoord is voor mensen en dieren die uitgestorven of uit de tijd gevallen zijn. Sommigen zullen kunnen terugkeren, anderen niet.

Die verhalen lezen is een beetje als de ervaring tijdens een nachtmerrie. Je bent getuige, maar je hebt geen greep op wat er gebeurt. Het is alsof beelden en verhalen ergens uit een plek in je hoofd gevallen zijn. Een plek waarvan je niet wist dat die bestond. Elk verhaal is een beetje als een schilderij, met een eigen taal, een eigen logica, een eigen sfeer. Je merkt wel hoe motieven, personen, gebeurtenissen in de verschillende verhalen terugkeren. (Een beetje zoals dat in de verschillende dromen die uit hetzelfde hoofd komen ook is.)

Soms weet je niet goed waar de verhalen naartoe gaan. Als je ze zou willen grijpen, voel je hoe ze je ontglippen. Je kunt niet anders dan je overgeven aan die beelden, aan hun ritme, aan hun eigen logica, en aan de doorgeefluikjes tussen het ene en het andere verhaal.

In het laatste deel van het boek valt alles netjes op zijn plaats. De auteur is weer thuis, en beschrijft hoe hij na het ongeluk terugkijkt op wat gebeurde. Hij plaatst de dingen. Een beetje alsof je heel omzichtig de spullen in je kamer weer op hun plaats zet nadat er een wervelwind is doorheen gegaan. Je neemt je tijd, en bekijkt alles nog even voor je het weer terugzet.

Een centrale plaats in die beschouwingen is weggelegd voor een schilder en een fotograaf. De schilder Francis Bacon speelt een centrale rol. Terwijl je leest wat Verhelst over hem zegt, zie je telkens in een flits dingen terug uit die verhalen die je eerder las. Je ziet hun samenhang, je ziet hoe ze literair bij elkaar gehouden worden. En er is ook een rol voor Muybridge, de fotograaf die voor het eerst beweging kon vastleggen in afzonderlijke beelden, als minuscule schelletjes van de werkelijkheid.

Dat laatste deel voelt na wat er aan voorafging als een warme thuis. Poëtisch, breekbaar en helder. Je ziet het licht binnenvallen. Thuis is waar de liefde is. Wie terug mag of kan vertrekken van het eiland aan de andere kant van de tijd, wil naar huis, waar de liefde is.

Toch nog veel woorden om iets te vertellen over een boek waarover je eigenlijk niet zoveel kunt of mag vertellen. Het is een wonderlijk boek. Pas na een tijd besef je hoe de literaire constructie van dat boek als het ware verbeeldt of tot woorden maakt (niet beschrijft) wat onvatbaar is. Je zou kunnen zeggen dat kunst ook een ‘andere’ werkelijkheid is die naast de gewone werkelijkheid staat. Kunst nodigt uit tot overgave. Kunst kan zo iets zeggen over een ontheemd moment als een crash. In kunst kun je thuiskomen, zodat je nadien weer weet wie je was en wie je bent.

Dat soort dingen dus. Je kunt ze beleven, door het lezen van De kunst van het crashen.

23 augustus 2015

Saenredam

Het is een beetje vroeg, opstaan om 5.15 uur…

Je haalt de trein van half zeven nog ruim op tijd. Alles bij de hand. Kranten en een boek. En zelfs een beetje wakker.

De trein gaat de grens over. Daarop heb je gewacht, zo lijkt het, om enkele berichtjes te versturen. Je pinkt een traan weg.

Amsterdam. Heel veel mensen komen naar boten kijken, zo blijkt.

Kun je ook eens een keer zo’n chipkaart gebruiken, op de tram (nee, de trem).

De stad voelt horizontaal.

Het mooie plein voor het Rijksmuseum. Een koffie en een robuust stuk appeltaart.

(Hopelijk houdt die al enkele dagen aanwezige buik zich wat rustig vandaag.)

Alleen al die immense hal.

Langs de mooie trappen naar boven. Van zaal naar zaal. (Zijn er nu veel mensen? Nee, het is rustig. Goed om te weten.)

Het is alsof je iets dichterbij voelt komen.

Je bent in die eeuw, toen.

Veel mensen zijn blijkbaar Europa aan het ‘doen’ op drie dagen…

En dan sta je ineens oog in oog met de Nachtwacht. (Hoe lang is het geleden dat je hier de vorige keer stond.) Je begint een beetje te trillen. Door de andere grote schilderijen die er omheen hangen, zie je nog beter hoe anders dat ene is. Het licht. En hoe het schilderij lijkt te bewegen.

De melancholie van Het Joodse bruidje.

En dan Saenredam. Het is als een schok. Ontsnapt uit de tijd.

Vermeer. Het zou bij wet moeten verplicht worden dat gidsen in de nabijheid van zoveel schoonheid minstens een heel mooi Engels zouden spreken. Minstens. (Zwijgen mag ook.)

(Sommige mensen kijken meer naar het schermpje van hun telefoon dan naar de echte schilderijen.)

Verder wordt het weer wat rustiger.

Ineens zie je een klein papiertje liggen in de kast. Een soort kwitantie voor een voormalige slaveneigenaar, om de afschaffing van de slavernij te compenseren.

Kaartjes kopen. Van Saenredam.

De stad in. (Er zijn wel heel veel mensen. Er zijn veel mooie mensen. De fietsers zijn bijzonder assertief. Gelukkig zijn er veel mooie fietsers.)

De mevrouw van het eethuisje die als taak heeft te zeggen waar jullie mogen zitten heeft een kapsel dat studeert voor Selah Sue.

Verder wandelen langs de grachten. Er is een muziekfestival bezig.

Mensen schuiven aan bij het Anne Frank Huis. (Het zou fijn zijn als hier in de buurt minder toeristen waren, of zoiets.)

Nog even gaan kijken naar die legendarische boekhandel.

De meisjes op het caféterras zijn suboptimaal georganiseerd.

In de trein schuiven beelden door elkaar.

Het wordt nog een mooie avond. Dingen worden gezegd.

Je slaapt iets langer dan de vorige nacht.

Op weg naar een andere stad. Je bent al preventief een beetje verlegen. Zoveel.

Rotterdam.

De stad voelt verticaal.

De mensen zijn inderdaad anders.

Het Museum Boijmans Van Beuningen. Het voelt meteen anders dan dat andere museum.

Van zaaltje naar zaaltje. Iedereen is er. (Saenredam is er ook.)

Je wordt helemaal doorwaadbaar.

Ineens sta je voor De toren van Babel, van Pieter Bruegel. Je kunt niet beschrijven wat het met je doet. Uit de tijd, je bent uit de tijd.

Nadien ben je week en huiderig.

Dankbaar.

De trein terug naar huis. Je schuift weg in je boek. Buiten regent het. Het landschap schuift voorbij. De grens ook.

Zoveel beelden zullen blijven bewegen, ergens in je.

20 augustus 2015

Bijna had ik het gedaan

‘Grappig dat je nu langs komt.’
‘Ja, ik dacht zo: ik moet nu even langs gaan. Ik voelde het. Haha.’
‘Gaat het goed met jou vandaag? Eergisteren keek je zo bezorgd.’
‘Ja? Het gaat wel. Denk ik. Of niet. Soms. Goed dus.’
‘Goed dus…’
‘Nou ja. Heb je vandaag al iets spannends gedaan? Want dat kan natuurlijk altijd nog een beetje beter.’
‘Oei. Ik ben begonnen met een plan van aanpak voor de reorganisatie van dit deel van de keukenkast. Die ene schuif eigenlijk, basically.’
‘Heel spannend… En nog iets gedroomd of zo?’
‘Euh, ja, eigenlijk wel. Laten we zeggen dat jij erin voorkwam. Je kwam me iets influisteren. En toen was je weer weg.’
‘Spannend. Maar wel leuk.’
‘Gisteren was het een moeilijke dag. Heel moeilijk eigenlijk.’
‘Ja? Waarom heb je dan niets laten horen?’
‘Ik weet het niet. Of, ik weet het wel eigenlijk.’
‘Wat was er dan? Soms denk ik dat je een beetje schrik hebt van mij.’
‘Ja, dat is zo. Ik heb soms een beetje schrik van jou. Maar goed. Ik was heel verdrietig.’
‘Door dat verhaal dat je maandag hoorde?’
‘Ja, ik denk het. En het deed zo’n pijn gisteren. Pijn, of iets anders, ik weet het niet goed. Is een beetje gênant.’
‘Vertel maar. Ik kan alles aan vandaag. Of toch veel, denk ik.’
‘Vooral in de namiddag was het moeilijk. Ik kon me niet concentreren, wist geen blijf met mezelf. Het was alsof mijn lichaam op zich pijn deed. Bijna had ik je gebeld. Zo van: wil je komen, of mag ik komen, ik wil alleen even tegen je aan liggen, even heel lang. Ik weet dat het onnozel klinkt. Maar dat gevoel was eigenlijk het enige dat er was. Alsof ik wist dat het alleen daardoor beter zou gaan. Heb jij dat ook soms?’
‘Ja, toch wel.’
‘En doe je daar dan iets mee? Zou jij dan bellen?’
‘Oei, dat weet ik niet. Misschien niet.’
‘Bijna had ik het gedaan.’
‘Eigenlijk is dat wel lief. Misschien had ik wel ja gezegd, wie weet.’
‘Nu ben ik veel te verlegen. Vergeet maar snel dat ik dit gezegd heb.’
‘Ik zal doen alsof. Maar niet echt.’
‘Ander onderwerp, haha. Weet je wat ik echt heel leuk vind? Hoe jij hier in huis beweegt. Gewoon, alsof je een beetje thuis bent. En dat maakt me heel gelukkig, of zoiets.’
‘Ja? Jij bent wel een rare vogel. Dingen die zo normaal zijn, die vind je bijzonder. Ik doe maar gewoon.’
‘Ja, maar toch.’
‘Als we nu gewoon afspreken dat je niet bang bent. Is dat iets?’
‘En jij ook niet dan, natuurlijk.’
‘Dat valt te overwegen.’
‘Ik zal toch maar die fles openen, zou dat geen goed idee zijn?’
‘Ik denk het wel.’

18 augustus 2015

Lektest

Er gebeuren belangwekkende dingen in het leven.

De mevrouw van het hoorcentrum belt om te zeggen dat je de oordoppen, van het gepersonaliseerde type, mag komen ophalen. Ze hebben nog een gaatje (niet in de doppen, maar in hun agenda). En je mag niet vergeten je kleefbriefjes mee te brengen.

Op dat moment ben je op weg naar het trekken van een nummertje. Een dierbare vriendin vroeg je of je dat wilde doen. In het kader van het inschrijven voor de academie. Er is dus eerst een nummertje, en daarna een mogelijke inschrijving. De mensen op de trappen vragen aan elkaar of dit wel degelijk de rij voor de nummertjes is. Dat blijkt het geval te zijn. (Je maakt nu eindelijk eens mee wat zoveel anderen die wel papa of mama zijn al zo vaak meemaakten.) Allerlei stoere verhalen komen boven. Er komen mensen voorbij gewandeld om mensen die verderop in de rij staan een drankje te brengen. Ineens komt er een mevrouw met een stok met daarop een nummertjesapparaat, zoals bij de slager of zo. Honderd mensen zullen een nummertje krijgen, zo is ondertussen geweten. Je probeert in te schatten hoeveel mensen er voor je staan. De rij komt in beweging. De mevrouw bedient zelf het hendeltje van het nummertjesapparaat (die pret is voor haar). Het is gelukt, wat het nummertje betreft.

(Er staan ondertussen trouwens nog maar enkele puntjes op het lijstje ‘nuttige dingen uit te voeren tijdens de vakantie’. Wie weet komt het nog goed. Er is nog wel een heftig punt bij dat misschien toch mag verschoven worden naar een herfstzondag.)

Later op de avond krijg je het bericht dat het gelukt is. Twee meisjes zijn ingeschreven voor de academie. Je hebt dus écht eens iets nuttigs gedaan.

In de winkel ga je op zoek naar de verf die je nodig hebt. Je bent trots op jezelf dat je de kleur zomaar uit het blote hoofd hebt onthouden. (Als dat niet het geval was geweest, was het trouwens nog altijd uit het blote hoofd. Inzending voor deel 5 van het moppenboek.) Siena. Dat is de kleur. Het muurtje aan het aanrecht krijgt een nieuw laagje. Eigenlijk alleen voor die onderkant. Lijkt een soort bermudadriehoekstrook, die de verf opzuigt. De mevrouw in de winkel vraagt wat voor Siena het moet zijn. Al of niet halftoon. O jee. Had je toch dat briefje mee moeten nemen. Je fietst snel even naar huis om te checken. Halbton staat er op de emmer van vorige keer. Onderweg terug naar de winkel denk je dat dat iets te maken moet hebben met Das wohltemperierte Klavier.

Enkele dagen geleden had je, met enige nervositeit, met een klik op je scherm aangegeven dat je de nieuwe Windows 10 wel wilde. Die klik zou dan door het universum gaan, om binnen enkele weken of zo ervoor te zorgen dat die 10 bij je binnen zou komen wandelen. Blijkt dat die nu al is aangekomen. Lichte paniek. Zo’n nieuw ding downloaden is voor de rest van de mensheid gegarandeerd dolle pret, voor jou is het toch wel spannend. Ongetwijfeld zal je hele computer straks in een groot zwart gat herschapen worden dat ook jou door het scherm zal opzuigen. Het proces begint. Op je scherm komen allerlei mededelingen die je moeten geruststellen. Uiteindelijk moet je inloggen. Je paswoord wordt niet aanvaard. Middelzware paniek. De oertijdmethode gebruiken: weer opstarten en nog eens proberen. Het lukt wel. Er komen nog allerlei mededelingen op het scherm. “Nog enkele kleine dingen doen.” Of iets in die aard. Hoe kun je nu weten of dat klopt, of dat echt kleine dingen zijn, of misschien toch middelgrote?

In de zorgwinkel, waar je moet zijn voor het hoorcentrum, is het erg druk. Erg veel mensen die een nieuwe rollator moeten bestellen waarschijnlijk. Er staat eveneens een nummertjesapparaat. Er hangt een papier dat zegt dat mensen voor het hoorcentrum geen nummertje moeten nemen, maar gewoon zullen geholpen worden. Hoe kun je gewoon geholpen worden zonder de nummertjesmensen de indruk te geven dat je voorkruipt? Gelukkig roept een van de vrouwen, op voldoende luide toon, dat de mensen met een afspraak voor het hoorcentrum zullen opgehaald worden. Iets op deze plek maakt je een beetje droevig. De mevrouw van het hoorcentrum roept je naam, je mag mee in de lift. In de lift hangen affiches met daarop de zomercollectie van de (waarschijnlijk aan iets aangepaste) badmode. (Hoezo zomercollectie, denk je. Wat ongetwijfeld een domme gedachte is.) Je wordt binnengeleid in een kamertje waar vooral de zomercollectie van allerlei bikini’s en badpakken aanwezig lijkt te zijn. Voor je de oordoppen mee mag nemen, moet je eerst een lektest ondergaan. Blijkbaar zijn het de oordoppen die de test moeten ondergaan, nadat ze in je oor zijn gedraaid. Een apparaat duwt druk of zoiets in je oor, en dan moeten alle rode lampjes gaan branden. Geen lek. De mevrouw zegt dat je die lektest elk jaar opnieuw mag komen laten doen. Of die oordoppen dan zo snel verslijten, vraag je. Nee, je oren groeien, zegt ze. Zelfs op mijn leeftijd, vraag je. En ineens voel je je even oud als die man die daarnet beneden kwam vragen of het nieuwste type personenalarm al beschikbaar was. Bij thuiskomst zul je in je agenda invullen bij augustus volgend jaar: lektest oordoppen. En zo zul je zeker nog honderd worden. Of toch bijna.

16 augustus 2015

Het tekort

(Alleen maar heel af en toe erover schrijven. Dat zal wel meer dan voldoende zijn. Of niet?)

Het tekortschieten. Of het denken dat.

Het is een moeilijk onderwerp, denk je.

In de weken die achter je liggen heb je zoveel mensen gezien, opnieuw gezien. Telkens was er tijd voor de verhalen. Of toch voor enkele. Ze zijn je dierbaar, die mensen die al zoveel jaar in je leven zijn. Je denkt dat je probeert om hen nooit ver weg te laten drijven, dat je probeert om hen dicht genoeg bij je te houden. En toch.

En toch zijn er zoveel verhalen. Zo vaak dacht je: ik had er eerder moeten zijn. De dingen zijn gebeurd, zonder dat je het wist. Je had misschien iets kunnen zeggen, iets kunnen doen. Er zijn, ergens in de buurt.

En ze zeggen dat het niet zo is, dat er geen reden is om. En toch.

Dat de dingen zomaar voorbij gaan, gebeuren. Achteloos.

Dat je het niet had kunnen merken.

Soms weet je het niet. Of je iets gezegd hebt. Net wanneer het een verschil had kunnen maken. Of je iets gedaan hebt. Net wanneer dat een rimpel had kunnen zijn op het wateroppervlak.

Misschien weet je het nooit.

Of je dapper was, wanneer je het ook niet had kunnen zijn.

En ze zeggen het, dat je niet zoveel moet denken. En toch.

Soms twijfel je over dat lichaam. Over hoe kwetsbaar het is. Over pijn. Of je genoeg doet. Voor hen dan.

Het is een moeilijk onderwerp.

Of je het genoeg hebt gezegd, wanneer het moment daar was. Dingen over graag zien, in de woorden zoals ze zich op dat moment voor je konden openen.

Over gelukkig zijn, en dankbaar.

Of je iemand hebt doen glimlachen, wanneer dat ervoor zou gezorgd hebben dat de loop van de dingen daardoor een millimeter zou verschuiven.

En ze zeggen dat je al meer dan genoeg. En toch.

Of je zult doen wat je zou moeten doen, kunnen doen, als het moment daar is. Welke drempels je zult overschrijden. Je dacht eraan toen je dat boek las. Je zag het ineens voor je. En je zag het onvermogen. De verleiding van het wachten tot.

Wat je doet met je zorg. Wat je doet na een nacht woelen in het bed.

En de moeilijke vragen.

Wat ze je zei, over het verlangen en wat ermee te doen.

En de brieven die je nog niet schreef.

Soms weet je niet of je de goede woorden kiest. Of je de zinnen laat ontstaan die op je wachtten. Misschien is er nog tijd. Je merkt hoe de woorden veranderd zijn, in de loop van de jaren. Misschien nauwelijks waarneembaar, maar toch. Je had die hele weg nodig, maar misschien was het nog een omweg, soms.

Iets met een tekst en een plek.

En ze zeggen dat je. En ze hebben waarschijnlijk gelijk.

En toch. Toch weet je het nooit echt. Eigenlijk.