31 augustus 2014

En de zee zei

Opnieuw een wat onrustige nacht. Ergens halverwege wakker worden. Lawaai op de gang. Draaien in bed. Uitgestelde indrukken tollen door je hoofd.

Onderweg naar zee. Liever had je je trager voorbereid. Met meer tijd om alles klaar te leggen. Alsof het een ritueel had moeten zijn. Met alleen maar de zee in je hoofd.

Het zal iets met een kind te maken hebben. De eerste glimp van de zee. En je zou een klein sprongetje willen maken, of zo. Je doet het maar niet.

En wachten op de slaap. Alsof je je lichaam in een omweg zou willen krijgen. Waarna je de slaap zou voelen naderen. Weten dat je alleen kunt wachten.

Zoveel herinneringen in dit kabbelende ritme. Verhalen die hier telkens weer op je wachten. En toch. Soms lijkt het alsof je iets achtergelaten hebt. Ergens.

Je had je voorgenomen om te gaan slapen. Je zou alleen nog even langs de zee gaan. Om iets te fluisteren. Maar mensen onderweg, bij wie je te graag nog even blijft. Verhalen.

Stukken lijf die je zacht zou willen kunnen strelen. Met een enkele beweging. Als een overgave aan het water dat je zou kunnen zijn.

Er is een nabijheid die je als een zoete mist omgeeft. Aanraakbaar. Iets smelt een beetje. Het maakt je verlegen. Een verhaal dat hier op je wachtte.

Hoe je er soms nog steeds niet op voorbereid bent dat iemand je naam noemt. Alsof je daardoor iemand anders zou worden. Heel even.

Je zult het pas merken als je er weer uit bent. Een droom waar je in zit. Dromen zijn anders op deze plek.

Je hoort je woorden. Een avond. En even de tijd voelen die aan deze woorden vooraf ging. Iets over een weg samen afgelegd. En stilletjes beseffen hoe trots je bent.

Als een onverwacht geschenk. Traag op weg. En verhalen. Het is goed zo, denk je. Misschien ben je wel onhandig. Het is niet erg.

Een wekker gaat, besef je na even. Iets in jou zou willen blijven liggen. Iets in jou weet dat je moet opstaan. Veel in jou denkt: ik moet zeker nog…

Heen en weer lopen om de dingen goed te zetten. Je wilt zo graag dat alles goed loopt, dat je gasten zich welkom zullen voelen, dat alles goed lijkt.

Even vraag je jezelf af: wat zit dit kleine jongetje hier op deze plek te doen tussen die grote mensen? En al die lampen, die grote mensen die mooi antwoorden op je vragen. Misschien is het een droom.

Maar eerst nog even onder het warme water. Dingen onder je huid uitspoelen. Dingen zacht maken, een beetje toch.

Nadien voel je je een beetje onzeker. Het hoeft waarschijnlijk niet. Je hoort de woorden. Je laat ze zachtjes aanschuiven. Doordringen is voor straks.

Wie je geworden bent. Ook hier. Wat je hebt achtergelaten. Soms zou je de tijd uit elkaar willen kunnen trekken.

Op weg nu. Een beetje rusteloos. Je zou bijna willen rennen. Voor alle andere dingen beginnen kan er nu alleen maar de zee zijn.

En later wil je alleen maar alleen zijn. Voor een tijdje. Reizen door het landschap. Als een terugkeer naar jezelf.

Je denkt nog even aan de liedjes van de avond daarvoor. Ze ademen om je heen. Ze zouden je bijna kunnen optillen. Een beetje.

Je kijkt. Hoe lang heb je nog? Hoe lang kan je hier blijven? Hoe dicht kun je komen? Bij de zee. Je loopt over de pier. Zo ver mogelijk, daar, wil je zijn. Waar het water is.

Je beweegt weg van de zee. Je bent kwaad op je buik, maar dat haalt niets uit. En toch ook daarom wou je alleen met de trein. Om alleen met je buik te zijn.

Je blijft bij de woorden. Je wacht op de woorden. Tot ze bij je binnen schuiven. En je overnemen. Als iemand die zegt dat je thuis kunt komen.

Je bent daar. Je kijkt naar de golven. Alleen maar kijken. Je wankelt even. Er is zoveel, daar. En de zee? De zee zegt: zacht, je bent zacht.

27 augustus 2014

Augustus

Borgen bij de Romeinen. Daar moest ik soms aan denken bij het lezen van de schitterende roman Augustus van John Williams (nu ook in Nederlandse vertaling). Vooraf was er enige aarzeling. Williams was ook de auteur van het overrompelend mooie boek Stoner. Misschien was die aarzeling vooral een soort schrik om teleurgesteld te worden. Gelukkig bleek die schrik geheel onterecht. Het boek is heel anders, én heel erg gelijkaardig. In Stoner lazen we beschouwingen van een man die naar zichzelf keek in een ‘kleine’ setting, een kleine universiteit, een klein leven, grote vragen in kleine gebaren. In Augustus zien we een groot man, aan het hoofd van een groot rijk, met grote gebeurtenissen, maar in wezen worstelend met dezelfde vragen, in dezelfde fundamentele eenzaamheid.

Augustus is het verhaal van het leven van de Romeinse keizer Augustus (63 v. Chr. – 14 n. Chr.). Na de moord op Julius Caesar komt Octavius, zoals hij dan nog genoemd wordt, stap voor stap aan het hoofd van wat het grote Romeinse rijk zal worden. Na een erg woelige periode zal zo een lange Pax Romana aanbreken.

Wie was Augustus? Stel dat je als journalist een boek zou moeten maken over de figuur van de keizer, dan zou je op zoek gaan naar allerlei bronnen. In dit geval zouden dat allemaal geschreven bronnen zijn, de man leeft immers al een tijdje niet meer. Via die bronnen zou je dan een beeld bij elkaar puzzelen. En zo lijkt het in dit boek ook een beetje te gaan. Al is het natuurlijk een roman. En al blijft Augustus (ook voor zichzelf trouwens) als persoon onvatbaar, niet te herleiden tot één beeld. De mechanismen van de macht worden beschreven, samen met de prijs die mensen betalen voor die macht. De keizer die bijna ironisch vaststelt dat men van hem een god maakt, en dat voor het hogere goed ook wel wil aanvaarden, kijkt tegelijk bijna ongelovig naar zichzelf als naar een vreemde. Een toeschouwer van zijn eigen voorbij schuivende leven.

Het boek is opgevat als een briefroman. Je krijgt de ene na de andere brief, met af en toe een officieel besluit of verslag van de Senaat. De brieven zelf zijn grotendeels fictief, de personages niet. Die vorm doet in veel opzichten heel modern aan. Via de brieven, met beweeglijke chronologie, kom je wel de nodige feiten te weten, maar krijg je vooral allerlei gezichtspunten. Er is geen alwetende verteller. Als lezer kun je zelf de spelletjes achter de schermen reconstrueren, en dat in een vorm die werkt als een snel gemonteerd docudrama.

De stem van Augustus zelf komt pas helemaal naar het einde van het boek aan het woord. Je ziet hem dus de hele tijd door de ogen van anderen. En wel als een complexe figuur die door de omstandigheden in een bepaalde rol terechtkomt en dan zijn bestemming uitvoert, en dat met een soort pragmatische hardnekkigheid. Je zou hem kunnen vergelijken met een moderne politicus die een beetje tegen zijn eigen verwachting in ineens in een situatie zit waarin hij eerst de omstandigheden volgt, en langzaam de omstandigheden naar zijn eigen hand zet. Niet zozeer op basis van een afgelijnd ideologisch programma, niet door een indrukwekkend charisma of een briljante geest, maar wel met een ijzeren ambitie en een groot plichtsgevoel.

Het is uitermate fascinerend om al die gebeurtenissen die beschreven worden van zo dichtbij mee te maken (het Borgen-gevoel). Maar het zijn vooral de vragen die dat alles bij je oproept die je als lezer aan het boek kluisteren. Het is soms schokkend, schrijnend en tragisch te zien welke menselijke prijs betaald wordt voor het hogere doel. Kon het alleen zo? Was dat het waard? Wat is vriendschap? Wat is liefde?

Zo is het mooi doorheen alle verhalen de vriendschap te voelen tussen Augustus en Agrippa. Ze staan zij aan zij in hun grote project, maar uiteindelijk zijn ze echte vrienden, in een vriendschap ondergesneeuwd door plicht. Heel erg mooi is de relatie tussen Augustus en zijn dochter Julia. Hij houdt zielsveel van haar, en moet haar toch in ballingschap sturen. Het breekt zijn hart, al mag niemand het zien.

In het laatste deel van het boek kom je heel dicht bij Stoner. De oude keizer, aan boord van een schip, tijdens zijn laatste reis, schrijft een brief naar een vriend. Hij blikt als oude man terug op zijn leven, bijna nederig, en vol twijfel. Hij heeft dan officieel zijn hoger doel gerealiseerd, maar beseft dat het allemaal zeer tijdelijk is. Hij heeft gedaan wat hij dacht te moeten doen, maar heeft daar menselijk een zeer zware prijs voor betaald. Hij klinkt niet bitter of cynisch, maar je voelt een loden eenzaamheid tussen de regels.

Augustus is een heel sterke roman. Je moet er als lezer even inkomen bij de eerste hoofdstukken. Het is handig om nog snel even wat dingetjes op te zoeken over de personen die aan bod komen. Maar na een tijdje ben je helemaal mee, en wordt het allemaal bijzonder spannend. Elke brief heeft een eigen klank, passend bij de persoon. In die meerstemmigheid zie je de persoon van Augustus (gedeeltelijk) uit de mist van de geschiedenis komen. Niet als een bovenmenselijke figuur of eendimensionale held. Maar vooral als een complexe en tragische mens die door de omstandigheden in een rol geworpen wordt, doet wat hij denkt te moeten doen, en daardoor iets van dat menszijn moet achterlaten, onherroepelijk.

24 augustus 2014

Oregano

Ze kwam naast me lopen, in de winkelstraat. Ik was op weg naar huis, nadat ik een lezing was gaan geven in het verre Voeren.

Wat was het mooi daar trouwens. De gids bij de wandeling nadien had andermaal, zoals zovelen voor hem, zijn best gedaan om mij de namen van planten en bloemen te leren. Bij het einde van de wandeling had hij het bij een welbepaalde plant nog zo gezegd, dat ik die zeker niet zou vergeten. Het mocht niet baten. Mijn hoofd is geschikt voor het onthouden van onbenullige details, zoals het telefoonnummer van de vriend met wie ik vroeger, meer dan 30 jaar geleden, samen gitaar speelde. Maar niet voor de namen van bloemen en planten. Ik laat me die graag steeds weer opnieuw uitleggen, bij voorkeur door mooie vrouwen. In dit geval was de gids een man, maar dat geheel terzijde.

Ze heette Octavia. Een bijzondere naam. Voor ik het besefte, had ik haar allerlei vragen gesteld: 'Ik ben nu bezig in dat boek over Augustus. Ik heb het bijna uit trouwens, geweldig boek. Ik vroeg me nog af daarnet in de trein – het stond in een van die hoofdstukken – hoe dat nu eigenlijk juist weer zat met die Vestaalse Maagden. Kun jij me dat uitleggen?'

Ze keek me met een doordringende blik aan, en kon alleen iets zeggen als: ‘Huh?’

Oeps, foutje natuurlijk. Ze was daar niet bij toen, in de tijd van Augustus. ‘Maar je hebt wel een heel mooie naam, mag ik dat zeggen?’ Het mocht.

‘Weet je, eigenlijk hoor ik dat niet zo vaak. De meeste mensen vinden het een rare naam.’

Ik legde haar uit dat ik bij de Octavia uit het boek meteen een heel sterk beeld kreeg van hoe ze eruit zag. En het beeld klopte nog ook, met de echte Octavia die naast me liep. Ze had iets strengs over zich. Dat lag zeker aan die donkere, en vrij forse wenkbrauwen. (Erg mooi trouwens.)

‘Ik zou u iets willen vragen. Ik zag u voorbij lopen, en dacht: die is niet zo heel dom, die kan ik wel iets vragen.’

Ik zei nog dat ik niet zo’n slimme mens ben (maar besefte net op dat moment dat iemand me onlangs nog zei dat ik dat niet mag zeggen, omdat dat op zich misschien niet zo slim zal zijn, of zoiets).

‘Ik was gisteren aan het zeggen tegen mijnen Eddy dat hij dringend eens The Waste Land zou moeten lezen. Maar hij had al te veel gedronken. Hij heeft eigenlijk, eerlijk gezegd, bijna altijd wel te veel gedronken, al beseft hij dat zelf niet. Ik maak me daar een beetje zorgen over, en ik zoek manieren om er iets aan te doen. En The Waste Land lezen, dat is misschien wel iets.’

Ik zei iets over april, de wreedste maand.

‘Zie je wel? Ik wist het! Niet dat ik dat allemaal begrijp wat er in dat gedicht staat, helemaal niet. Maar ik lees het graag. En dan probeer ik me er iets bij voor te stellen. En vooral, dan kan ik dromen. Dromen dat ik de rest van mijn leven verder kan blijven lezen, en telkens een beetje meer ervan zal begrijpen. Het heeft iets met de liefde te maken, maar hoe dat juist zit, weet ik ook niet.’

Ik vertelde haar over mijn droom om tegen het eind van mijn leven de twee boeken van Das Wohltemperierte Klavier te kunnen spelen. Dat het waarschijnlijk niet zal lukken, omdat ik daarvoor minstens 116 zou moeten worden. Maar de droom is wel mooi.

‘Ja, die droom, daarover gaat het. Ik denk soms dat Eddy geen dromen meer heeft. Vroeger had hij er wel. Misschien besefte ik dat toen nog niet zo goed. Ik vond hem knap, en mannelijk, een beetje woest ook. Maar nu zou ik misschien voor een andere man kiezen. Een man die mijn droom kan begrijpen.’

Ik zei dat iemand die je droom begrijpt misschien ook wel je verdriet begrijpt.

‘Voilà, zo is dat. Soms zie ik hem daar zitten, met die rij lege bierflesjes, en dan denk ik: wat is er van jou geworden? En dan ga ik maar wat strijken, of in de tuin een boek lezen. Gelukkig zijn er nog veel mooie boeken.’

Of ze dat ook zo erg vond, wou ik weten. Het besef dat je in heel je leven maar een fractie zult kunnen lezen van de boeken die je zo graag zou willen lezen, en die daar zomaar op jou wachten in de boekenkasten.

‘Ja, natuurlijk. En misschien is het ook wel omgekeerd. Dat die boeken maar wachten en wachten, en denken: wanneer komt ze nu eindelijk? En dat ze dan toch niet komt.’

Ik vroeg haar of ik even iets praktisch mocht vragen tussendoor. Of bij haar de oregano ook zo woekert?

‘Ja, bij mij ook. Ik zei het nog gisteren tegen Eddy, maar hij pikte het niet echt op. Er was iets over formule 1 op de televisie.’

Zelf vind ik formule 1 behoorlijk vreselijk, om het vriendelijk te zeggen. Maar ik zei maar niets. Ik dacht nog even aan de oregano. Ik hoopte dat dat woekerding op mijn terras wel degelijk oregano was, anders zou ik wel helemaal afgaan als een toeter. Tijdens de wandeling had de gids trouwens ook nog wilde kruiden laten ruiken. Ik schaamde me eigenlijk een beetje over dat plantennaamgebrek, een van mijn vele afwijkingen. Ik vroeg haar of dat iets was dat ze zou kunnen vergeven in een man, dat gedinges met het niet onthouden van die namen, en zo.

‘Ik kan veel vergeven in een man. Dat zeker ook. Sommige dingen iets minder. Maar dan zou ik daar een ander woord dan vergeven voor moeten zoeken.’

Ik zei haar dat ik hoopte dat ze heel erg oud zou worden.

Ze glimlachte, en bleef staan terwijl ik verder liep. Ik zwaaide nog even naar haar. Ze zwaaide terug, en draaide zich om.

23 augustus 2014

Zoals een dans

Zoals een dans. Of misschien de aarzeling. Het moment net voor. Misschien ben je roekelozer als je jong bent. Misschien maakt het dan wel minder uit. De aarzeling. Aan de ene kant het verlangen. Verdwijnen in een dans. In die eindeloze beweging. Aan de andere kant de twijfel. Dat het lichaam zal haperen, ergens. Dat het hoekig zal zijn. Dat het teleur zal stellen. En dat je niet zult weten wat te doen.

Zoals een dans. Soms denk je eraan. Op een onbewaakt moment. Zomaar, op weg naar huis, terwijl je door de straten loopt. Af en toe sluit je je ogen. Drie stappen met je ogen dicht. Soms wel vier. En je ziet iets als een dans. Alsof het binnen bereik zou zijn.

Zoals een dans. Verlangen naar gewichtloosheid. Zoals je iemand in je armen kunt dragen in het water. Gedragen worden door gewichtloosheid. En wat er dan zou gebeuren.

Zoals een dans. En wat het met je huid zou kunnen doen. In die kamer ga je niet binnen. Daar waar de dans zou kunnen zijn. Ze zouden je kunnen zien.

Zoals een dans. Dat het je over een drempel zou kunnen dragen. Weg van waar  je gebaren te klein zijn. Het in de dans stappen. Misschien moet het wel zo omschreven worden.

Zoals een dans. De schaamte die je zou voelen. Voor de afstand tot de dans. Het falen van handen.

Zoals een dans. Het kijken. Het eindeloze kijken. Even eindeloos als de beweging. Soms zou je alleen dat maar willen. Kijken. Naar elke dans, daar. Naar de bewegingen, daar. Soms zou je ze misschien heel even willen aanraken, die bewegingen. In een verzoek tot streling.

Zoals een dans. Zo dicht zou je bij de woorden willen komen. Zo dicht dat je er bijna doorheen kunt waden. Zo dicht dat je niet meer weet waar zij beginnen, en jij eindigt. Zo dicht dat je het zou kunnen vergeten.

Zoals een dans. En de troost die erin besloten ligt. Soms denk je eraan, die dans, op een onbewaakt moment. En dan zie je de troost. Als een belofte. Misschien durf je daarom niet dichterbij komen. Misschien blijf je daarom staan, aan de rand van die plek.

Zoals een dans. Soms kun je je ogen sluiten. En denken aan die wals. And I’ll dance with you in Vienna, I’ll be wearing a river’s disguise. Alsof het zou kunnen. Een laatste wals. Altijd weer een laatste wals.

Zoals een dans. Dat het zou kunnen. Dat je niets moet zeggen tegen die ander. Dat je niets moet vragen, niets moet vrezen. Misschien zelfs niet moet verwachten. Dat er alleen maar de dans is, die dans. Dat het zo eenvoudig zou zijn.

Zoals een dans. Dat je het zou kunnen vragen. Mag ik deze dans van u? En dat het antwoord zomaar ja zou kunnen zijn.

Zoals een dans. Dat je soms door de ruimte kunt bewegen alsof. Misschien is het al laat, en is het buiten stil. Misschien is het overdag, tussen veel mensen, en zag niemand het. Misschien heeft iemand het wel gezien.

Zoals een dans. Dat je het soms niet weet, of iemand het aan jou zou vragen. Mag ik deze dans van u? En dat je iets zou willen zeggen van dat hoekige lichaam. En dat je zou willen zeggen: ja, graag.

Zoals een dans. Dat het soms even zo kan zijn. In de trein. In het landschap. In een niemandsland van een seconde. Dat je het bijna zou geloven.

Zoals een dans. Dat je je zomaar uit handen zou kunnen geven. Dat je het zou kunnen. En dat je dan niet zou vallen. Alleen maar bewegen. Zoals een dans.

17 augustus 2014

Verhaaltje voor de laatste dag

‘Aan jou wou ik het vragen om mee te gaan, voor dit moment, voor de laatste dag. Ik wou er een bijzonder moment van maken. En dat wou ik graag met jou doen. Morgen gaat alles weer gewoon verder, het gewone leven en zo. Maar nu, nu is het nog even bijzonder.’
‘Ik ben blij dat je aan mij dacht. Ik had bijna gezegd: dat is nuttig.’
‘Je ziet dat soms in een film of een serie, dat ze zo op een bank zitten boven op een berg. En dan kijken ze naar de stad of wat dan ook daar beneden. En daar hebben ze dan altijd mooie gesprekken.’
‘Zullen we dat doen? Een mooi gesprek?’
‘Minstens. Zit je goed? Niet te koud?’
‘Nee, alles is goed. En je hebt lekkere dingen meegebracht.’
‘Weet je, dat we na al die jaren dit kunnen doen, nog altijd, dat betekent heel veel voor mij. Wist je dat?’
‘Ja hoor, je bent heel duidelijk in dat soort dingen. Misschien ben jij er wel beter in dan ik.’
‘Ik moest nog denken vanmorgen aan die foto’s die ik van je maakte, daar aan de rand van dat riviertje. Weet je dat nog?’
‘Ja, het was heel warm in het huisje waar we waren, maar daar bij het water was het koel.’
‘We waren nog zo jong op die foto’s. Ik schrik er elke keer van.’
‘Nu zijn we beter, denk ik. Jij bent beter met die rimpels, ze passen beter bij jou dan dat zo jonge gezicht.’
‘Het valt me op dat je ogen niet veranderd zijn. Je hebt heel beweeglijke ogen. Ze kunnen heel diep zijn, ze kunnen vlammen, ze kunnen gesloten zijn. Maar je kunt je niet verbergen.’
‘Nee, al zou dat soms wel handig geweest zijn.’
‘Wat is er? Is er iets?’
‘Nee, niets. Een klein beetje verdrietig. Gewoon. Dat heb ik wel vaak als ik bij je ben. Misschien is het omdat ik je zo goed ken. En omdat ik altijd blij ben met je woorden.’
‘Waarom ben je dan verdrietig?’
‘Gewoon. Ik kan het niet uitleggen.’
‘Het is wel goed.’
‘Je moet niet te veel twijfelen aan jezelf. Dat dacht ik nog, na ons vorig gesprek. Je wilt de dingen altijd zo goed doen. En je stelt altijd eerst jezelf in vraag. Eigenlijk hoeft dat niet. Je bent geen sukkel, om nu maar even dat woord te gebruiken.’
‘Dat is lief. Als je zo’n dingen zegt, kan dat nog dagen door mijn hoofd gaan.’
‘Soms zou ik zoveel willen voor jou. Weet je dat?’
‘Ja, dat weet ik. Al durf ik dat niet goed toelaten, die gedachte.’
‘Doe het maar gewoon.’
‘Als je hier zit, lijkt de stad zo vredig.’
‘Soms zou ik willen dat ik de tijd trager kon laten lopen. Af en toe. Voor de momenten tussen woorden, tussen bewegingen. En om meer te kunnen zeggen. Dingen die blijven.’
‘Is het nu soms?’
‘Ja, nu is het soms. En ik hoop dat het nog lang duurt.’
‘Hoe weet je eigenlijk wanneer je oud bent? Ik denk soms: als ik oud ben, ga ik haar dat en dat vertellen.’
‘Mag dat alleen als je oud bent?’
‘Ik weet het niet, zo had ik het me voorgenomen.’
‘We kunnen ook afspreken dat we niet oud worden. En dan kunnen we elkaar nog altijd vertellen wat we van plan waren te zeggen als we oud zouden zijn.’
‘Dat zou als voordeel hebben dat je dan kunt zeggen: maar je moet dat dan later nog wel eens opnieuw zeggen.’
‘Lijkt me een heel goed plan.’
‘Zal ik dan toch maar die fles bubbels openen? We gingen toch een beetje wild doen?’
‘Jij? Wild?’
‘Ja, ik. Om te oefenen. Tegen dat ik oud ben.’
‘In dat geval zou ik zeggen: laat maar komen.’

16 augustus 2014

Erg nuttig

Aan jezelf merken dat sommige dingen terugkeren. De vakantie heeft effect gehad.

Op het lijstje met nuttige dingen staan klusjes die je heel lang had uitgesteld. Eens ze achter de rug zijn, ben je heel erg gelukkig, een beetje onnozel gelukkig zelfs. Je vraagt je af waarom je ze eigenlijk zo lang had laten liggen. Mysteries van de mensheid.

Voor sommige klusjes ben je vooraf een beetje zenuwachtig. Je ziet allerlei dingen die fout kunnen gaan. Fout zou hier kunnen staan voor: jezelf een beetje belachelijk maken omdat je iets moet vragen wat waarschijnlijk voor alle normale mensen ook heel normaal is. Het valt telkens op dat het in wezen geweldig meevalt. De mensen aan wie je je vragen moet stellen zijn geweldig goed getraind blijkbaar in het niet laten merken hoe onnozel je bent. Er is misschien nog wel hoop voor jou.

Je had aan iemand beloofd dat je het zou navragen hoe het nu zat met dat mogelijk idee voor het mogelijk eventueel maken van een misschien mogelijk eventueel boek met jouw stukjes. En aangezien je dat beloofd hebt, zul je er niet onderuit kunnen, vrees je. De interne politie is streng in dat soort zaken.

Er zijn mensen die zeggen dat je te streng bent voor jezelf, heb je andermaal gemerkt.

’s Morgens wakker worden in een wensdroom, en daar nog de hele dag mee verder kunnen.

Soms schrik je van jezelf. Je vertelt een verhaal over een jongen die een kaartje naar huis stuurde tijdens een van je eerste kampen met de jeugdbeweging. Je weet nog exact wat hij op dat kaartje schreef, je weet nog wie het was. Het is ongeveer veertig jaar geleden. (Je telt die veertig voor alle zekerheid nog eens enkele keren na.) Is toch een beetje raar.

In je kast de filmmuziek zoeken van die ene Spaanse film. Hoort bij augustus.

Vaststellen dat je beste vriend ook zijn vragen heeft bij dat artistiekerige koffielepeltje. Het zou kunnen dat het gewoon design is, en niet echt functioneel. Altijd geruststellend als andere mensen dezelfde dingen ook niet begrijpen. Je voelt je meteen een beetje minder verloren.

Een erg boeiende documentaire over een actrice en dansers. Zij werkte altijd met woorden. Ze werkt nu met vijf dansers, zij werken met hun lichaam. Hoe de twee talen elkaar vinden. De choreograaf probeert bruggen te maken tussen de talen. De actrice komt over zo’n brug naar een andere plek dan de haar vertrouwde.

De mevrouw op de markt zegt dat het precies al zo lang geleden is dat jullie nog over de politiek hebben gesproken. Je lijf zegt ergens in je: het is basically half acht ’s morgens en het is een vakantiedag, en je bent nog niet goed wakker. Ze heeft allerlei vragen. Je legt haar de inzet uit van de federale regeringsonderhandelingen en de rol van de verschillende (Franstalige) partijen daarbij. Of zoiets. Je hoort het jezelf zeggen. Je stem valt nog niet helemaal samen met jezelf.

Die ene plant in je woonkamer groeit iets te enthousiast. Je weet niet goed wat je moet doen.

Vaststellen dat het met die rozemarijn op je terras uiteindelijk elke keer wel weer goed komt. Min of meer dan toch. (Vaststellen dat je trouwens nog steeds niet in staat bent de namen van al die dingen op je terras te onthouden, maar dat is een andere zorgwekkende kwestie. Vooral in het besef van het wel kunnen onthouden van twee woorden op een kaartje veertig jaar geleden.) Hoe vaak heb je al gedacht dat een of andere godheid je probeert te straffen voor een erfzonde, of voor je algehele saaiheid, door het telkens weer laten sterven van sommige planten, zoals de rozemarijn (of de salie, maar die kwam er niet bovenop).

Vaststellen dat de bovenbuurvrouw nog steeds lang ruzie kan maken aan de telefoon.

Merken hoe die druiven je heel gelukkig maken. Ze doen iets met je buik. Iets als vrede sluiten.

Aan mensen denken, zou dat ook nuttig zijn?

14 augustus 2014

Wat leer je

Misschien is de vakantie een goede periode voor diepgaand zelfonderzoek. The full option. Je kunt met jezelf afspreken dat je je niet zult verliezen in allerlei afspraken, en in druk druk druk. Je kunt ook afspreken dat je moeilijke vragen die zomaar uit het niets (of uit het struikgewas) ineens voor je neus staan welwillend toelaat. En zo kan dan een vruchtbare dialoog ontstaan.

Je zorgt dus voor genoeg leegte. En dan ga je voor de spiegel staan. Geen hulplijnen inroepen. Geen excuses. Geen make-up.

Je begint er nog vol optimisme aan. Het zelfonderzoek is een deel van de zelfopvoeding. Een element van dat alles is het concept ‘leren’. Het idee dat je kunt leren uit de fouten die je maakt, uit het dagelijkse kleine, of het meer structurele grotere falen. Dat je dus kunt zien wat er gebeurde, en dat je zelfs dingen zou kunnen doen die ervoor zorgen dat je het anders gaat doen. Wat die ‘het’ ook moge wezen.

Verschillende methodes kunnen gebruikt worden.

Je kunt het meteen relatief groot aanpakken. ‘Leef ik wel echt, en altijd, en overal, volgens de waarden die ik belangrijk vind?’ En dan leg je een of andere situatie op de ontleedtafel. Je kunt je dan afvragen: ‘Heb ik toen wel echt egoloos gereageerd? Was ik wel bescheiden genoeg? Heb ik niet te veel toegegeven aan de verleiding om kwaad te worden, enkel omdat iemand op een of andere egoteen had getrapt? Heb ik niet op een of andere manier in mijn reactie die ander gebruikt ter opvulling van de kwetsbare plekken in mezelf? Ben ik wel echt met die ander omgegaan zoals ik wilde dat zij/hij met mij omging?’ Boeiende vragen, waarbij je je al heel snel afvraagt waarom je in godsnaam aan het zelfonderzoek bent begonnen. In het kader van het dialectisch proces laat je meteen de advocaat van de duivel toe in de arena. ‘Ja, allemaal goed en wel, al dat gedoe over de waarden, maar het kan ook zijn dat je zo te veel over je heen laat lopen, ook al zeg je dat je dat concept wilt ontstijgen, of zoiets.’ Je loopt dus behoorlijk vast. Het besef van het prutserzijn.

Je kunt ook de lichaamstest doen. ‘Bij welke gangbare activiteiten of domeinen van mijn leven voel ik eigenlijk in mijn lijf een zekere aarzeling tot lichte weerzin?’ Niet in de zin van angst of onzekerheid, maar meer iets als: ik wil hier eigenlijk niet zijn, op deze plek, dit zorgt ervoor dat er dingen wegdruppelen uit mij die er beter zouden blijven. De eerlijke antwoorden, voor zover je die tot je hoofd toelaat, ze zijn toch een beetje brrrr. En wat zou je dan nog moeten doen met die antwoorden? Je probeert met jezelf te onderhandelen om te bekomen dat je je in deze zittijd mag beperken tot de contouren van de antwoorden. Het trekken van conclusies, gericht op een of andere vorm van verandering, kan dan worden doorgeschoven naar een volgende zittijd. Of zoiets.

Je kunt uitgebreid praten met al wie je lief is. Daarbij kun je putten uit je privécollectie ‘fijne vragen die ik niet zo graag in de groep werp’. Je probeert te laten doordringen wat die fijne mensen je zeggen. Je kunt daarbij vaststellen dat je er tegelijk warm en moe van wordt. Warm door het besef dat je omringd wordt door mensen die je graag zien. Moe omdat je in de spiegel ziet hoe je er af en toe een rommeltje van maakt, omdat je de dingen zo graag goed zou willen kunnen doen. Iets als het warme besef van het sukkelzijn.

Je kunt kijken naar de patronen. Een redelijk genadeloze oefening. Je ziet patronen in hoe je de dingen doet, hoe je geeft, in de liefde, in de vriendschap, in de wijde wereld (je kunt de lijst naar believen korter of langer maken voor jezelf, afhankelijk van welke dag van de week het is, sommige dagen zijn meer geschikt voor zelfonderzoek dan andere, blijkbaar). Je hebt jezelf voorbereid door eerst de nodige vakliteratuur tot jezelf te nemen. De afspraak met jezelf is: alleen kijken. Waar komen ze vandaan? Hoe zijn ze zo geworden? Hoe werken ze nu? En verklaringen zijn niet meer dan dat. De vraag is alleen hoe je verder gaat met deuken. Je hoort iemand op de radio zeggen wat je zou moeten doen, en je denkt: ja ja, je hebt waarschijnlijk gelijk, maar hoe doe je dat? Je voegt die vraag ook toe aan het lijstje ‘fijne vragen die ik niet zo graag in de groep werp’.

Je kunt ook een vraag aan jezelf voorleggen tijdens het fietsen. Met de afspraak dat je er alleen aan denkt tijdens die rit. Zodra je op je bestemming bent, is het afgelopen met denken (en kun je weer gewoon aan mooie vrouwen denken, of aan dat ene liedje dat vorige nacht door je hoofd bleef gaan, of aan de vraag welk nuttig ding je vandaag zult doen). Er zijn veel mogelijkheden. ‘Stel dat iemand iets zegt of doet wat me niet bevalt, en lichtjes kwaad maakt. Stel dat ik ervan uitga dat een deel van mijn reactie meer met mezelf dan met die ander te maken heeft, wat blijft er dan nog over?’ ‘Stel dat ik over iets vind dat het nu toch stilaan uit de hand loopt of zo, kan ik dan bij mezelf weten of ik gewoon een oude zeur geworden ben, of dat het echt uit de hand loopt? En als ik dan toch een beetje een oude zeur geworden ben, maar terecht dan, hoe lang kan ik dat dan nog volhouden zonder echt een oude zeur te worden?’ ‘Stel dat ik eerlijk zou zijn over mijn verlangens, en stel dat ik met een vingerknip van een of andere godheid nu – na het fietsen dus – op een plek zou terechtkomen waar al die verlangens zouden kunnen gerealiseerd worden, wat zou er dan gebeuren?’ Het voordeel van in de stad wonen, is dat de afstanden vaak nogal kort zijn. En een beetje ervaren stadsfietser kan ook snel fietsen. Je kunt dus snel op je bestemming zijn.

Je staat daar nog steeds voor die spiegel, ondertussen. Terwijl je daar toch staat, ga je nog even stiekem op de weegschaal staan. Zie je dat goed dat er een kilootje of twee af is? Je glimlacht even.

Je denkt: het antwoord op al die vragen is een vraag. Je denkt: het is mogelijk om al die vragen door je heen te laten stromen, en dat is ook al wat. Je denkt: ik wil wel graag een rivier zijn.

En daarna denk je: nu is het wel weer tijd om verder te lezen in dat geweldige boek, of toch nog een aflevering mee te pikken van die geweldige serie, met die actrice die het zo geweldig doet dat je aan haar denkt tijdens het fietsen, waardoor je vergeet om jezelf moeilijke vragen voor te leggen.

En er is natuurlijk ook nog altijd chocolade.