12 augustus 2018

Kleine aarzelingen


In de war zijn. Proberen uit te leggen dat je op een of andere manier kunt zien in je lichaam dat het weet waar het naartoe zou moeten, nog voor jij het weet. Je afvragen of dat wel ergens op slaat. Horen dat het helemaal duidelijk is. Dankbaar, uitgesteld.

Soms is er een verlangen naar niets. Soms is er een verlangen naar troost. Soms is er een verlangen naar verhalen die naar je toe komen.

In de trein terug, na het festival. Soms ineens overvallen worden door een licht verdriet. Iets trilt, ergens in je lichaam. Het is welgekomen.

Je lichaam is hoekig. Je rug wil niet mee, je ziet je buik, ergens in je hoofd. Het is wachten tot het thuiskomen.

Je zit te werken, iets moet dringend af. Het stoort je tegelijk. Je wilt het wel af hebben, maar je zou eigenlijk vooral ginder willen zijn. Bij je vriend, voor de koffie. Het is inderdaad niet jouw aard (en dus volstrekt onaanvaardbaar) om te laat te komen. Het wringt. Misschien wil je dit wringen niet meer.

Later, bij de koffie. (Onderweg was er ook nog eens tegenwind, de kosmos maakt het je niet gemakkelijk.) Je stem hapert even.

Op het veld. Je loopt terug van de tent, waar het woordoptreden was. Iemand vraagt je of je kinderen hebt (nadat iemand anders eerder al vroeg of de jonge vrouw naast je misschien je dochter is). Je probeert het uit te leggen. Soms gaat het gemakkelijk.

Even later, op het veld. (Je bent al een uur aan het vertrekken.) Je hebt een belangwekkend gesprek, met die twee jonge mensen die je zo waardeert. Je kijkt naar je eigen hevigheid. Iets tussen trots en schaamte, een beetje in de war. Hoe de dingen het van je overnemen, of gewoon hoe belangrijk het voor je blijkt te zijn.

Je denkt aan iemand. Je zou haar verhaal willen horen. Het lijkt te lang geleden. Je weet niet goed hoe je dat moet zeggen.

Die trui, in die zachte stof. Je houdt ervan, hoe het voelt. Alsof het je zachter maakt.

Eigenlijk ben je gewoon heel erg gelukkig met die oude platenspeler, die nieuw in je huis is. Je herkent de geur, die misschien wel veertig jaar teruggaat.

In de trein. Je leest het artikel in het weekendmagazine van de krant. De vragen. Een vraag is wat je favoriete geur is. Je denkt na. Veel geuren komen door je hoofd, herinnergeuren. (Ook die van de platenspeler.)

Weer daar zijn, waar je vandaan komt. De gezichten zien. Mensen herkennen je. Ze lijken blij je te zien, na al die jaren. Het ontroert je.

Gesprekjes. Misschien kun je dat wel. Ze vragen naar je kinderen. Die er niet zijn.

Je beweegt in en uit verhalen.

Hoe de tijd beweegt. Waar je was, waar je naartoe bent gegaan.

Je begrijpt iets meer over hoe je beweegt. En waar je staat.

In de trein. Een vraag. Wat je met je leven gedaan hebt. 

Je ziet voor het eerst de klok. Het raakt je. Diep.

Je dacht het al enkele dagen, dat je die plant kwijt was. Het maakte je droef. Je ziet dat de plant misschien wel terug zal komen. Iets van genade. Je terras wil je iets leren.

Misschien is het goed geweest, voor een zondag. Misschien mag het regenen.

11 augustus 2018

Hardcore

Het is nog warm, bij het begin van de week.

Na het maken van de foto ga je snel weer naar huis, om daarna weer te vertrekken. De trein, voor een bezoek bij een goede vriendin, in een andere stad. Het is een mooie gewoonte, er is iets van rust in, hoe de tijd beweegt. Mooie gesprekken, over kinderen en ouders, over waar je machteloos bent. Je wenst haar zoveel. Het is warm buiten. De soep is lekker. Je ziet iets van de tijd die jullie delen. Het maakt je dankbaar.

Die avond. Je moet nog een stukje schrijven. Het zit al een paar dagen in je hoofd te wringen. Het is er nog niet helemaal. Het zal moeten komen in het schrijven. De woorden zullen je meenemen naar wat je zult schrijven. Iets in jou roept het uit van kwaadheid. Terwijl je schrijft, voel je waar je naartoe gaat. Het is klaar. Het zal twee dagen later gepubliceerd worden. Je weet niet helemaal zeker of het wel goed is, of je iets nieuws gezegd hebt. Er mag een nacht over gaan.

De warmste dag van de week.

Je doet het tijdschrift open, begint erin te bladeren. Ineens zie je iemand die je kent. Tot je beseft dat je het zelf bent. (Het is onnozel, maar zo is het echt, er zit een soort herkenningstraagheid in je hoofd, zeker voor afbeelding van jezelf.) Het is wat, met die vliegtuigen. (Het maakt je eigenlijk een beetje verlegen. Misschien moet je proberen het te omarmen, of zoiets.)

Je stuurt het stukje door, het is uit je handen. Het is telkens een beetje raar, wat er daarna gebeurt. Dan is het daar, ergens. Mensen gaan het lezen, misschien, misschien een paar. Het zal bewegen in hun hoofd, misschien. Het gaat ergens naartoe. Het blijft een mysterie, hoe dat werkt. Het verwart je, steeds.

Die nacht sta je op om naar de wind en het onweer te kijken. De bomen voor het raam zwiepen heen en weer. Je ziet de dreiging, daar. Je voelt je veilig, hier. Het is ooit anders geweest.

Een andere dag. De ochtend is anders dan de vorige, de ochtend ademt anders dan de vorige.

Je bladert door de ene krant. Je ziet een groot stuk, waar jij een groot stuk van schreef. Het is wel fijn dat jouw naam er dit keer niet bij staat. Je bladert door de andere krant. Je ziet iemand die je kent, je bent het weer zelf, stel je vast. Je kijkt naar die man op die foto en probeert te geloven dat jij dat bent. (Misschien is het fijn, maar je weet niet goed of je het wel fijn vindt. Hopelijk zien de mensen alleen je woorden, en niet jouw hoofd.)

Je vertrekt naar de trein. De buurvrouw roept iets over meer lucht in de lucht. Ze heeft gelijk.

Je bezoekt een vriendin. Jullie wandelen door de stad. Haar verhalen ontroeren je. Soms weet je even niet of je genoeg vraagt, om nog meer te kunnen luisteren. Soms ben je een beetje klein. Soms zie je herinneringen, aan de tijd, aan vormen.

Terug thuis. Je ziet dat het stukje, daar, begint te bewegen. Het beweegt langs mensen, daar. Misschien deelt het iets, op het juiste moment. Je hoopt dat je het ooit zult kunnen, de juiste woorden vinden om te zeggen wat je zoekt, door het te zeggen. Dat jouw woorden daar bewegen, het maakt je hier een beetje verlegen. (Soms is het alsof de woorden tegen jou zeggen dat het mag, dat je hen mag aanraken, dat je niet bang moet zijn.) Dat die mensen daar allemaal jouw naam zien, het verwart je.

De affiches uitladen en op mooie stapeltjes leggen. (Je bent wel blij, eigenlijk, dat jouw hoofd er niet tussen ligt. Dat kunnen anderen beter, hoofd zijn.)

Een andere dag. Je werkt in een stilte, het voelt goed.

Een vergadering. Je probeert uit te leggen wat je hebt voorbereid, de voorbije weken. Terwijl je het vertelt, zie je het. Het legt zich goed neer, ergens.

Je worstelt een beetje met wat je zou willen zeggen en  vragen bij de dokter, maar je ziet het, terwijl jullie praten. Je weet wat je moet doen.

Een avondgesprek, in wat een sauna lijkt. Soms zie je de woorden in je hoofd. Soms zie je het veld waarbinnen ze bewegen. Je luistert graag naar de anderen. Bij het nagesprek besef je ineens hoe lang je dit al doet, ondertussen. Een goede vriend zegt dingen waar je nog nooit aan had gedacht.

De nacht is kort.

Een andere dag. Je maakt je klaar om te vertrekken, bijna tot aan de zee. Men heeft je gevraagd om te gaan spreken, op een festival. Hardcore. Dat staat erbij. In de trein lees je alles nog eens goed door. Je presentatie heb je de voorbije dagen gemaakt. Je bladert door het boek waarover je gaat spreken.
Je wandelt van het station naar het festivalterrein. Het kaartje dat je in je hoofd had, blijkt met de werkelijkheid overeen te komen. Terwijl je op die weg loopt, komt het lawaai dichterbij. Je bent op de goede weg.

Je loopt het terrein op. Het is een wereld die je nog niet kende tot nu toe. Misschien ben je wel een van de enigen hier die niet deels in het zwart is en geen tattoos of piercings heeft. Je bent ongetwijfeld je saaie zelf. Misschien ben je een beetje bang. Je moest er op tijd zijn, maar het tijdschema ligt al behoorlijk door elkaar. Je bent er nu toch, je kunt ook gewoon kijken. Je staat aan de rand van de tent, waar jij straks moet spreken. Op een of andere manier voelt het rustig, terwijl een stukje verder het zware geluid dendert. De mensen zijn eigenlijk allemaal heel lief. Je begint te praten. Je luistert naar je stem, in het Engels. Je was bang dat de woorden niet zouden komen, ze komen wel. Enkele mensen zitten aandachtig te luisteren. Je onderwerp is niet zo hip waarschijnlijk als dat van de mevrouw van Animal Rights die voor je kwam. Maar het geeft niet, je bent er nu toch. Je vertelt rustig verder, binnen de tijd die je voorzien had.

Bij het buitengaan vraagt de jongen aan het onthaal waarover je lezing ging, en of je de zaal gevonden had. Hij was graag komen luisteren zegt hij.

Op weg terug naar het station begint het steeds harder te regenen. Je hebt nog een lange reis terug voor de boeg. Je bent blij dat je niet te lang moest blijven, maar je voelt je dankbaar dat je die andere wereld, die je nog niet kende, hebt mogen zien.

Je reist terug in het boek dat je aan het lezen bent. Ergens in Italië, tijdens de oorlog.

05 augustus 2018

Iets met idioot of zo

Je krijgt bericht dat het artikel in de Nederlandse krant dan toch zal verschijnen. Normaal op maandag. (De mevrouw in de krantenwinkel blijft erg nieuwsgierig.) Uiteindelijk op dinsdag. Waarschijnlijk. Of toch – nu zeker – op woensdag. Je zou kunnen zeggen dat het een grote foto is bij het artikel, qua understatement.

Een avond eerder. Een fijn gesprek. Soms is er een lichte bries, ergens, merkbaar. Soms begrijp je je eigen verhaal maar door het te vertellen. Je stottert een eind weg, in je hoofd toch. Je ziet brokken van wat het zou kunnen zijn. Op een of andere manier voelt het goed.

Een volgende ochtend. (Ondertussen met die krant.) De fiets staat klaar om te vertrekken. Je hebt alles netjes uitgerekend. Als alles goed gaat, zul je om 10.30,00 uur aankomen op je bestemming. onderweg kom je nog een vriendin tegen. (Je laat even de krant zien, zij vindt het wel leuk. De hoofdredacteur had gezegd dat je op Herman Van Veen lijkt.) En er is ook nog redelijk veel wind. Normaal zou je onderweg nog een berichtje moeten sturen dat je zeven minuten te laat zult zijn. Je doet het toch maar niet. Wild leven…

Een wonderlijke dag. Mooi hoe een gesprek gewoon door kan gaan, jaar na jaar. Het ontroert je diep. Je stottert verder in het verhaal. Ze begrijpt alles, meteen. Zoals steeds. Het is mooi, zo ouder worden. En dat dansen, dat komt er nog van.

Zou er iemand gemerkt hebben, ergens, dat je in de krant staat? Eerst terug naar huis fietsen. En de wind is gedraaid, natuurlijk… Het is een beetje ploegen.

Enkele mooie reacties. En ook iemand die je een bericht stuurt om je te zeggen dat je een achterlijke idioot bent en dat je jezelf best zo snel mogelijk zou moeten ophangen. (En dat allemaal door die vliegtuigen…) Na rijp beraad met jezelf beslis je dat toch maar niet te doen. (Anders zou dat dansen niet meer kunnen natuurlijk.)

(Fascinerend toch, dat iemand de moeite doet om je ergens online op te zoeken om te zeggen dat je een idioot bent.)

En alle klussen die nog moeten gebeuren. (Soms schuift de vakantie naar de achtergrond, ergens.)

Eindelijk kunnen schrijven over dat boek. Pas tijdens het schrijven ontdek je of je het boek eigenlijk goed vond. Het is telkens een avontuur. (Je begint er altijd met een beetje tegenzin aan.)

Tussendoor hoop je dat iemand veilig en wel uit het verre zuiden terug zal komen.

Een andere dag. De schilderwerken beginnen. Eerst de randjes, daarna het stuk ertussen.

En thuis nog de teksten. Het was genoeg, voor een dag.

(Schrijven over dansen brengt het weer in balans.)

Een andere dag. Je leest een stuk in de krant. Het maakt je meer dan rusteloos. Het zal nog de hele dag duren, en de nacht daarna. (Roepen in je hoofd, telkens opnieuw. Een rusteloze kramp in je lichaam. Je moet wachten tot die weg zal gaan.)

Nog een stukje schilderen. Soms zijn er zwarte gaten in een muur. Ze lijken de kleur op te zuigen. Het gesprek over ronde en platte borstels, en hoe je grootvader dat deed.

Op weg voor de boodschappen enkele gesprekken. Iets over boeken.

In de winkel kijk je naar een beweging.

Een mooie namiddag. Het is lekker fris in het museum. Mooie gesprekken. Keuzestress bij het kiezen van welke smaak van frozen yoghurt je wilt en welke van de 400.000 toppings je erbij wilt. Je verhaal gaat langzaam liggen. Treinafscheid.

(Tussendoorverdrietjes, de hele week al. Misschien is het door het verhaal dat zich neerlegt.)

Een vroege zondagochtend. Licht wrakkig sta je op, na een woelnacht. Het is lekker koel buiten. De koelte verkent het huis. Je schrijft je woelwoorden in een ruk uit. Daarna zijn ze een beetje weg.

De voorziene tocht valt weg. Poetsen dan maar. Dat moet ook gebeuren.

En eigenlijk zou je de korte nachten wat moeten wegslapen. Het lukt maar een beetje.

Een nieuw boek beginnen. Het is lekker buiten.

(Zondagsverdriet.)

Zouden die sandalen het na al die jaren dan toch gaan begeven?

Misschien ga je werk maken van het pianoproject.

(Je buik wil je iets zeggen, denk je.)

De wind gaat door het huis.

Even de planten nog.

03 augustus 2018

Zullen we dansen

‘Moet ik hier gaan staan?’
‘Het woord moeten is hier niet van toepassing, zoals je zou moeten weten.’
‘Moeten weten.’
‘Dat begint al goed hier.’
‘Ik ga dus hier staan, en dan kijk ik naar jou. Even, voor een tijdje.’
‘Ik moet dus beginnen?’
‘Misschien ken jij de weg voor de eerste stappen.’
‘Nee, dus.’
‘En we gaan dus buiten het kader, een beetje, toch?’
‘Dat is wel het plan.’
‘Het enige beeld dat ik al had in mijn hoofd was er een van het zoeken van evenwichten. Heel traag.’
‘Dat wil zeggen dat je dus niet alleen mag dragen, maar ook gedragen worden.’
‘Met dit grote lichaam?’
‘Ja, en dat ken ik toch al trouwens.’
‘Ik herinner me nog onze worstelpartijtjes van vroeger. In het begin won jij altijd, en na een tijdje niet meer.’
‘Hihi, geweldig. Jij had wel een grootlijfvoordeel misschien. Of misschien liet ik je wel winnen.’
‘Het is al goed.’
‘Kom maar naar hier. Ik denk dat je bang bent.’
‘Een klein beetje maar.’
‘Misschien kunnen we beginnen met dansende handen. Die elkaar net niet raken.’
‘Ze verkennen de lucht. Of zuiveren de lucht, dat kan ook.’
‘De lucht aanraken, alleen jij bedenkt zoiets. Ik glimlach nu al.’
‘Er is veel geschreven in mijn lichaam, dat zie ik steeds beter. Er zijn ook woorden in dit lichaam geschreven. Denk je dat die naar buiten zullen komen als we traag dansen?’
‘Misschien zou het mooi zijn als de woorden wel in je lichaam blijven maar dat het gewicht ervan, dat wat gevoelig is voor de zwaartekracht, zou verdampen bij het dansen.’
‘Dat is een mooie gedachte. Ik wil niet dat de woorden, als ze opduiken, tussen ons in zouden komen, als troebele lucht of zo.’
‘Denk je dan dat je maar één kans krijgt om te dansen? Dat het meteen goed moet zijn? De bedoeling is misschien wel dat het nooit af is, en dat het ook niet goed moet zijn.’
‘Ik zou eens graag voelen hoe het is als ik je draag.’
‘Zal ik hier komen staan zo?’
‘Ja, doe maar. Gebruik me maar als een soort klimrek of zo.’
‘Dat zal ik doen, maar het komt erop aan dat je je niet zomaar laat gebruiken, ook niet door mij. De balans is niet alleen of je mij kunt dragen, het is ook zoeken naar het kantelpunt tussen waar je mij draagt en waar jouw pijn beweegt. En dat je dus het dragen ook een beetje loslaat.’
‘Maar laat ik jou dan niet los?’
‘Nee, je verschuift de balans. En misschien kan ik jou dan overnemen.’
‘Maar ik wil eerst helemaal weten wat jij kunt dragen voor ik me kan laten dragen door jou, zeker door jou.’
‘Dat zul je nooit helemaal weten. Het is een kwestie van vertrouwen, en goed luisteren.’
‘Ben jij niet bang?’
‘Een beetje maar.’
‘Het is alsof ik in mijn hoofd vaag beelden zie van een beweging of zo, maar iets in mijn lichaam is blind, of onwetend. Het is onbekend terrein.’
‘Maar onbekend terrein hoeft geen vijandelijk terrein te zijn.’
‘Maar om daar te komen heb je een grammatica nodig, denk ik, en die ken ik niet.’
‘Waarschijnlijk heb je gelijk. Maar misschien kun je overwegen dat we mogelijk erg op elkaar lijken, wat dat betreft.’
‘Jij valt daar samen met jezelf. Misschien val ik alleen uit elkaar.’
‘Wie weet is dat wel hetzelfde. Voor jou toch.’
‘Ja, maak me maar nog banger.’
‘Hihi. Je bent echt grappig.’
‘Laat me dan gewoon even voelen hoe zwaar je weegt als ik je draag. Eerst zonder en dan met wiebelen. Kwestie van enkele referentiepunten te hebben in het landschap.’
‘En daarna wil ik jou dan eens vooruit rollen, en je mag niet helpen.’
‘Ik heb wel veel scherpe kanten.’
‘Maar die ken ik dus al. En dan nog, dat is niet zo erg.’
‘En daarna beginnen we dus opnieuw, maar dan met de handen.’
‘Ja, dat doen we.’
‘Ik denk dat ik het durf. Ik moet nog even denken wat ik voel, en daarna voelen wat ik denk.’
‘Maar ondertussen ben ik er al, voel maar.’
‘We zijn begonnen.’
‘Nee, we waren altijd al bezig.’

02 augustus 2018

The Only Story

Mooi en intriest. Voorbij melancholisch. Onontkoombaar en beklemmend. Iets over de liefde, over wat we zelf graag willen geloven. En hoe een boek kan laten zien wat personages niet zien, willen zien, kunnen zien. In een beweging van de eerste naar de derde persoon. En in een schitterende taal, zoals altijd. The Only Story van de Britse auteur Julian Barnes (vertaald als Het enige verhaal) is een boek waaruit je soms zou willen ontsnappen, en dat je daarom tot het einde moet lezen.

Vanaf de eerste pagina heb je een thuisgevoel, zoals altijd in een boek van Barnes. Thuis in de zin dat je het gevoel van zijn ingehouden fonkelende zinnen herkent. De superieure manier waarop hij de taal beheerst. Maar ook een thuisgevoel in de zin dat je op je hoede bent. Iets wacht op je onder het wateroppervlak. Wanneer je even denkt dat de vorm vrij klassiek lijkt, weet je al dat er later een omslag zal komen in de vorm. Wanneer je troost verwacht, weet je dat die niet zomaar zal komen. De setting van een oudere man die terugkijkt op zijn leven in het naoorlogse Groot-Brittannië en vooral op de illusies die hij had. Hij deed het al in eerdere boeken, zoals The Sense of an Ending. Een verteller die niet erg betrouwbaar blijkt.

Het is een thuisgevoel, maar eigenlijk meteen ook een onrustig thuisgevoel. Vanaf de eerste pagina heb je een onderhuids gevoel dat de verteller meer een werkelijkheid bezweert dan beschrijft. Onheil zal komen, denk je. En stiekem hoop je dat het voorzichtig zal komen, als een warme herfstige melancholie. Maar dat zal je niet gegund worden. Een verteller die bitter wordt en wild om zich heen slaat zou je de omweg van dat vuurwerk gunnen. Maar de briljante taal trekt zich in zichzelf terug, van persoonlijk naar meer afstandelijk. Je blijft in de cocon van de verteller, terwijl je soms zo graag het perspectief van de andere personages zou kennen, wat je enige verlichting zou geven.

Het verhaal is relatief eenvoudig. Een jonge man van negentien, Paul, begint een relatie met een vrouw van een stuk in de veertig, Susan. Hij was door zijn moeder naar de tennisclub gestuurd, ergens in de buurt van London. Dat zou een soort sociale toegangsdeur worden tot de betere milieus. Hij speelt dubbelspel met Susan in de tennisclub. Hij wordt een vaste gast in het huis van Susan en haar echtgenoot. Hun huwelijk is al lang uitgebloed. Er zijn nog twee dochters. Paul vindt het allemaal wel spannend, wil graag de goegemeente uitdagen. Paul en Susan worden uit de club gezet. Maar hij laat zich niet doen. Hun liefde ontwikkelt zich. In zijn hoofd gaat het over DE liefde, alsof dat gewoon een verhaal – het enige verhaal – zou zijn, los van tijd, plaats en milieu. De werkelijkheid moet zich schikken naar het verhaal dat hij in zijn hoofd vertelt. Paul en Susan gaan er uiteindelijk samen vandoor en verhuizen naar de stad. Hij gaat rechten studeren, zij blijft thuis. De barsten in het vertelde verhaal worden duidelijk. Susan raakt niet over een drempel in zichzelf, begint te drinken en komt in een neerwaartse zelfvernietigende spiraal. Tijd, plaats en milieu beginnen steeds meer in te hakken in hun werkelijke leven. Maar de verteller Paul wil toch zijn verhaal voor zichzelf overeind houden. Hij plooit zich zo in de feiten ook naar de sociale druk van wat een liefde zou moeten zijn. En zo gaat het verhaal verder, stap voor stap.

Would you rather love the more, and suffer the more; or love the less? That is, I think, finally, the only question. Zo begint het boek. Het klinkt tegelijk een beetje romantisch, als je dat zo verkiest, en  ook tragisch. En het geeft iets weer van het cerebrale karakter van hoe het verhaal zich opbouwt. In het eerste deel van het boek, in de ikvorm, is er het liefdesverhaal. De verteller kiest vaak voor stellingen over de liefde, vormen van wijsheid, die hij dan becommentarieert. Alsof hij een algemene waarheid over de liefde zou kennen, en alsof zijn eigen liefde daaraan afgemeten kan worden. Al snel laat hij blijken dat hij als verteller een selectie van de feiten weergeeft, waarbij je voelt dat die dus in een verhaal moeten passen dat hij – ondanks al die wijze stellingen – vooral tegen zichzelf lijkt te vertellen. Later in het boek zal blijken dat hij voor zichzelf een klein notitieboekje heeft bijgehouden met allerlei stellingen over de liefde, die hij een voor een begint weg te strepen op basis van zijn ervaring. De verteller zegt dat alle mensen uiteindelijk maar één verhaal te vertellen hebben. In elk leven is er maar één verhaal dat er echt toe doet. Dat is meteen een beetje dubbel. In het grote romantische ideaal is er één overweldigende liefde die een heel leven kan vervullen. Omgekeerd zou het kunnen zijn dat een mens maar één verhaal aan kan in een leven, en als dat dan niet goed is, heb je pech. Als je van het begin tegen jezelf zegt dat die ene liefde dé liefde is en moet zijn, kun je niet anders. En ook als je denkt dat de concrete liefde die je had de enige grote liefde van je leven was (en misschien is dat ook wel zo), dan kun je niet anders dan jezelf blijven overtuigen dat dat is waar je moet zijn. Het tragische gevolg daarvan is dan natuurlijk dat jouw liefde net helemaal niet ontsnapt aan tijd, plaats en milieu.

In het tweede deel van het boek komt de tweede persoon naar voor in de vertelling. Die heeft tegelijk een soort universele toon en spreekt je als lezer direct aan. Je wordt naar het gebeuren getrokken, en je ziet hoe alles uit elkaar valt. Je ziet het nog beter dan de verteller zelf, die hardnekkig iets overeind wil houden dat niet te redden is. Je zou willen ontsnappen soms, omdat het zo onvermijdelijk is, en omdat je weet dat het verhaal nog een heel stuk langer zal duren. Je weet dat er geen troost zal komen.

In het derde deel gaat het boek grotendeels over naar de derde persoon. De verteller is een oude man ondertussen, en kijkt terug op zijn leven. De derde persoon is afstandelijk. De taal trekt zich terug in zichzelf, en dat doet ook de verteller. Je voelt geen opstandigheid, geen echte bitterheid, veeleer een berusting waarvan de pijn wordt gedempt door de beschrijving. Soms flakkeren er dingen op. Maar even vaak lijkt het alsof de verteller niet meer begrijpt wat er eigenlijk gebeurd is. Het is uiteindelijk zijn enige echte verhaal geworden, maar het is tegelijk een vreemd lichaam. Verschuivingen weg van de derde persoon doen je als lezer heel sterk voelen waar de breuklijnen zitten.

Als lezer moet je meegaan tot het einde. Soms zou je echt graag hebben dat je het perspectief zou mogen kennen van Susan, haar man of haar kinderen. Je kunt vermoeden wat er met hen gebeurt, maar je weet het niet. Misschien bestaat het grote enige verhaal alleen in het hoofd van Paul, en heeft hij zichzelf daardoor afgesneden van wat er echt gebeurde. Misschien was de relatie, door het gewicht van de tijd en door allerlei kwetsuren, gewoon te moeilijk en hadden ze geen kans. Misschien heeft de houding van Paul ervoor gezorgd dat Susan wegzonk in zelfvernietiging. Misschien heeft Paul uiteindelijk meer gehouden van het verhaal dat hij zichzelf wilde vertellen over de liefde dan van Susan. Misschien werd hun liefde veel te snel te echt, waardoor ze geen kans kreeg. Misschien heb je geen kans als er maar één verhaal mag zijn. Soms zou je als lezer een klassieker verhaal willen, dat goed afloopt, maar dat zegt iets over jezelf. Soms zou je graag uitkomen bij een zoete melancholie, maar die kans is bij het begin van het derde deel voorbij, dat voel je meteen.

Een citaat bij het begin van het boek stelt dat een roman een klein verhaal is dat meestal over de liefde gaat. Met The Only Story heeft Julian Barnes een roman geschreven die de liefde eindeloos laat spiegelen in een vorm waarbij je als lezer door drie kamers beweegt. In de kamer zie je wat je getoond wordt en weet je tegelijk wat je niet ziet. Soms zou je naar buiten willen kunnen kijken, soms zou je van buiten naar binnen willen kunnen kijken. De schitterende taal blijft je voortstuwen, waardoor je toch niet kunt weglopen van de eenzame tragiek. De titel sluit aan bij de veronderstelde wijsheid die uit zoveel stellingen over de liefde spreekt. Maar die stellingen verdwijnen een voor een, en daarmee misschien ook hun aanspraak op wijsheid. Misschien is de roman een illusie over de illusie van de liefde. En misschien is de roman mee daardoor het enige verhaal dat we telkens opnieuw vertellen.

29 juli 2018

Gewoon doen, dus

Het is algemeen geweten dat mijn intellectuele vermogens beperkt zijn, om het vriendelijk te zeggen. Er gaan werelden aan mij voorbij, zomaar, omdat ik boodschappen niet begrijp. Gelukkig zal dat voor de rest van de wereld anders zijn.

Vanmorgen was ik op weg naar het ouderlijk huis (in het kader van het dossier ‘platenspeler’, een van de nuttige dingen op mijn lijstje met nuttige dingen te doen in de vakantie). Het laatste stuk van de reis gaat per bus. En onderweg zag ik op verschillende plaatsen borden staan met woorden erop. (Als ik het me goed herinner, waren het blauwe borden.) De woorden waren: Genieten van de zomer? Gewoon doen. Er stond nog een naam van een politieke partij bij, die dus blijkbaar verantwoordelijk is voor deze boodschap.

Ik ken verschillende mensen van deze partij, en het zijn fijne collega’s. Geen kwaad woord daarover. Maar die woorden op die borden… Ze brachten me andermaal helemaal in de war. En ik zal het maar meteen toegeven: ik begrijp er helemaal niets van. Het zal gelukkig geheel aan mij liggen, wat een hele geruststelling is.

Ik bleef piekeren, tijdens de hele busreis. Misschien bevatten deze woorden subliminale boodschappen, die dus onderhuids bij mij allerlei processen in gang zouden moeten zetten. Maar er was dus alleen maar verwarring.

Is er een algemeen gevoel bij brede lagen van de bevolking dat je niet zou mogen genieten van de zomer? Is er – gezien de partij in kwestie – een of ander gevoel dat een te sterke overheid ons, via allerlei ongetwijfeld te hoge belastingen, zou beletten om te genieten van de zomer? Hebben we het gevoel dat je hooggeschoold, vol van competenties of in het bezit van een dikke portemonnee moet zijn om te kunnen genieten van de zomer? Zouden mensen die niet in die categorieën vallen schroom of een drempel voelen omdat genieten van de zomer niet voor hen zou zijn weggelegd? En wat houdt dat gewoon doen in? Is genieten eigenlijk verboden en krijgen we de boodschap Het is eigenlijk verboden, zoals we weten, maar doe het nu maar gewoon? Is iedereen eigenlijk gewoon te bang en horen we een vertrouwenwekkende stem die ons zegt dat het mag, dat we het kunnen, dat het wel mee zal  vallen, dat we gewoon die ene stap moeten zetten? Denken we dat er overal mensen stiekem naar ons zitten te kijken om ons te berispen omdat we niet genoeg doen voor het klimaat en dat we daardoor ook niet meer durven genieten van de zomer en dat we ingefluisterd krijgen dat we het toch gewoon moeten doen, als een daad van verzet?

Terwijl die borden maar bleven verschijnen, los in het landschap, bleven al die vragen maar rondtollen in mijn hoofd. Ik heb het maar opgegeven. Ook vandaag gaf het besef dat ik heel erg abnormaal ben mij weer een groot gevoel van innerlijke rust. In de zomer geniet ik van erg veel dingen, denk ik. Het is fijn om na een tot nadenken aanzettende film nog een glas te drinken met een goede vriendin en dan een mooi gesprek te hebben over de belangrijke dingen van het leven. Daar geniet ik wel van, door het gevoel van tijd, door het besef van samen te kunnen zijn met iemand die je dierbaar is. Maar daar heb ik wel dat bord in die akker niet voor nodig. En ik voel ook geen enkele aandrang om rond te gaan toeteren via diverse soosjal miedia dat ik aan het genieten (!) ben.

Genieten is een ingewikkeld woord. Genot is een ingewikkeld woord. (Het uitstellen van allerlei vormen van genot is een van mijn specialiteiten, dat zal wel mee de verwarring verklaren.) Blijkbaar moet je om een of andere reden genieten, GENIETEN, dus. Ik heb het even nagevraagd bij de kosmos, en zij is in dat verband geen vragende partij. Genieten heeft niets met moeten te maken, zei ze, misschien wel met aanvaarden en loslaten. (Soms maakt de kosmos mij heel zenuwachtig, maar dat is iets voor een ander stukje.) Dat moeten genieten begrijp ik niet zo goed.

Onlangs zag ik op feesboek een foto van een man die met zijn vrouw een ijsje aan het eten was”. Er stond bij, als ik het me goed herinner: “Dit is genieten!” Zo’n boodschap brengt mij dus ook in de war. Ik was op zich natuurlijk heel blij voor hen – het zijn fijne mensen – omdat ze een lekker ijsje konden eten. Ik voelde geen enkele jaloezie, gunde het hun van harte. Maar die boodschap begreep ik niet. Er moest blijkbaar iets bewezen worden. Er lijkt sprake te zijn van enige maatschappelijke druk. GIJ ZULT GENIETEN!!! In de reacties op het bericht waren denk ik ook veel hoofdletters te zien.

Je hoort het zo vaak en zo gemakkelijk, dat je ervan moet genieten (!). Het maakt me altijd zenuwachtig. Alsof ik van de eerste seconde na die boodschap moet kunnen bewijzen dat ik aan het genieten ben. (Zoals we ook allemaal gelukkig MOETEN zijn, de hele tijd, anders falen we.) Ik zal dan wel een sukkel zijn, maar ik denk dat genieten iets te maken heeft met breekbaarheid. Het is een geschenk dat naar je toe komt, op een onverwacht moment. Je kunt het binnenlaten wanneer het aan je deur staat, als je dat durft. En dan kun je het voorzichtig bekijken in je handen, of in de ogen van iemand die bij je is. En misschien fluister je het nog eens tegen elkaar, en dan komt er een mooie glimlach.

En nu gaan we KEIHARD genieten. Dat lees je ook wel eens. Vanaf dag 1 van de vakantie of van het festival of zo, moeten we blijkbaar zo nodig. Dat keihard is op zich al erg ingewikkeld. Maar het lijkt me zo vermoeiend, en zo niets, dat altijd en dat moeten. Misschien zijn we als mens af en toe een beetje bang van de existentiële leegte die ons overvalt. Misschien durven we die niet zachtjes laten binnenstromen. Om die stilte te elimineren roepen we hard. DIT IS GENIETEN! Terwijl genieten misschien maar mogelijk is na het doorwaden van die stilte. Of zoiets.

Misschien was dat de diepere filosofische betekenis van die woorden op dat blauwe bord. Dat je het vooral niet moet rondtoeteren, met begeleidende lachende foto’s, op al je profielen. En dat je het dus gewoon mag doen, af en toe, wanneer het zich aandient, als een geschenk.

Het zou kunnen dat ik me vergis, want bij dat doen denk ik dan ook weer aan dat enigszins enge woord doener. Stel je voor… Een trosje doeners, samen op een hoopje. Ze fokken elkaar op, met telkens nieuwe berichten over hoe KEIHARD ze wel aan genieten zijn, en hoezeer ze gewoon aan het DOEN zijn. Waarna ze hopen dat er vooral bij hen heel erg veel likes komen, die dan weer de existentiële leegte zouden kunnen verzachten. Die vorm van moetgenieten zorgt er vooral voor dat je bij het einde van vakantie totaal uitgeput bent.

Terug thuis na mijn reis naar het noorden heb ik met hulp van een dierbare vriend de oude platenspeler kunnen installeren in mijn huis. In mijn jonge jaren heb ik eindeloos veel uren, dagen, doorgebracht bij die platenspeler. En nu staat hij bij mij. Ik had er de vorige nachten zelfs van gedroomd, hoe het zou zijn, als alles gewoon zou werken. Ik was lichtjes opgewonden, of zo. Het wonderlijke gevoel dat je tegen jezelf kunt zeggen dat je nog eens de tweede plaatkant van Abbey Road gaat opzetten. Of dat je even kunt zoeken tot je weer The Thrill is Gone van B.B. King Live in Cook County Jail kunt horen, luid door de boxen die je vader zelf nog bouwde. Ik was heel diep ontroerd, tot de tranen. Maar ik kan nog altijd niet zeggen of ik nu eigenlijk stond te genieten van de zomer. Ik heb dan maar gewoon een stukje geschreven, dat lukt me nog net…

27 juli 2018

De dagen en meer

Je komt langzaam in het ritme van de vakantie.

Je lichaam aarzelt nog een beetje. (Misschien heeft het nog iets met die hoofdmens te maken. Dat woord blijft ergens in de ruimte bewegen.)

En stukjes. Er dienen nog stukjes geschreven te worden. Sommige stukjes woelen al een tijd door je hoofd. Je probeert eraan te ontsnappen, door andere onderwerpen aan te trekken. Alsof ze naar je toe zullen komen, die andere. Soms lukt dat niet en heb je geen keuze. Eigenlijk wist je het al langer, dat je niet zou ontsnappen. De tekst laat zich schrijven.

Het blijft je fascineren, waar zo’n tekst naartoe gaat, eens die in de wereld is losgelaten. Er is altijd een verrassing.

Zoals die mevrouw aan de kassa in de winkel. Ze buigt een beetje naar je toe en zegt dat ze een stukje van jou gelezen heeft. Ze lijkt enthousiast. Je doet je best om te verbergen dat het je een beetje verlegen maakt.

Ik lees jou. Dat hoor je ook wel eens iemand zeggen. Of beter: in je oor fluisteren.

De publicatie van het interview in de Nederlandse krant is een week uitgesteld. De journalist stuurt de tekst door. Dat ene woord zou je eigenlijk graag veranderen, denk je ’s nachts, in een woelbed. Het blijkt geen enkel probleem te zijn. Het was beloofd voor de weekendkrant. Je krijgt bericht dat het nog een keer is uitgesteld. Naar de maandagkrant.

En ondertussen belt er nog een mevrouw van een Nederlands actualiteitenprogramma. Zij is de researcher. Ze zoekt, dus. Ze heeft jou gevonden, blijkbaar. (Het blijft een raar gevoel.)

Door wie zou je gevonden willen worden? Dat is wel een existentiële vraag…

Dat het warm is, waarschijnlijk ook. Eigenlijk kan je er echt niet zo goed tegen, maar dat is niet zo erg. Misschien is het wel een goede oefening voor je. Soms heb je meer last van het eindeloze gezeur over het weer. (En diep vanbinnen is er een stem die woest heen en weer holt. Dit is wat al jaren voorspeld is, denk je. Kijk naar het plaatje van de hele wereld, wij zijn nog bij de gelukkigen, denk je. Hoeveel records moeten er nog sneuvelen, denk je. Wie zal zoals steeds de prijs betalen, denk je. Iets in je, diep vanbinnen is zo eindeloos kwaad en verontwaardigd.) Het is goed voor jou, leren omgaan met dingen waarover je geen controle hebt, of maar een klein beetje, of zoiets…

Iets met boekverlangen. Je hebt het ondertussen al twee keer meegemaakt. Dat je hoopte dat het boek beter zou zijn. Een wat zeurderig voorgevoel, bij de eerste bladzijden al. Je hebt ze allebei uitgelezen, en nadien bleef er dat onbestemd gevoel. Dat je over die boeken geen stukje zult schrijven, dat is het compromis.

Op het lijstje nuttige dingen. Het bekijken van de boekenbonnen. (Je krijgt regelmatig boekenbonnen. Die komen dan terecht op een stapeltje, daar op de kast. Ze hebben blijkbaar ook een houdbaarheidsdatum.) Die ene boekhandel waar je echt niet graag komt, twee bonnen van die boekhandel. (Je moet je eerst mentaal voorbereiden om er binnen te gaan. Als je zen kunt blijven bij de warmte moet dat ook bij die winkel kunnen, denk je.) Het zoeken voelt nooit lekker, het wringt altijd. Je vindt toch twee boeken.

Een vers boek. En na twee bladzijden weet je het al, hoe anders het voelt.

De eerste zomerafspraakjes worden gemaakt. Zomerafspraakjesverlangen.

Die pompoenplant op je terras is wel heftig bezig…

Je krijgt bericht van een nieuw kindje op deze wereld. Brede glimlach, en een beetje smelten bij de foto.

Je krijgt bericht dat de vrachtwagen met verkiezingsaffiches onderweg is. Hij gaat leveren op een voor jou nog mysterieuze plek. Iets als: na diverse codes kom je terecht bij een soort lege garage die op je ligt te wachten. De vrachtwagenmeneer stelt je helemaal gerust, de bewaarboxenmeneer ook. Je sorteert alles netjes uit. (Wie goed kijkt, zou nagelaten zweetdruppels kunnen zien…) Weer een nieuwe ervaring.

Onderweg terug naar huis nog een andere bon op gaan maken voor die over tijd is, ook in een winkel waar je niet graag komt. En jij bent dus iemand die altijd die glazen deuren weer dichttrekt, in een koude winter of een warme zomer. Sommige mensen kijken je aan met een boze onverschillige blik (als die combinatie zou kunnen). Ze willen blijkbaar op geen enkele manier gehinderd worden, op geen enkele manier moeten nadenken, of zoiets. (Misschien zijn ze gewoon te loom door de warmte, kan ook natuurlijk.)

En tussen alles door bewegen allerlei gedachten, van licht existentiële aard, minstens. Iemand zou je zomaar in tranen kunnen doen uitbarsten, met de juiste vraag. Ze mogen komen, het is vakantie.

En misschien zal de regen je wel wekken in een nacht. Misschien ga je dan wel gewoon kijken naar de regen.

En een rode maan.