De trage bewegingen van je handen. Als een op- en neergaande zon. Je lichaam draait telkens mee. En raakt zo het vermoeden aan van een eeuwigdurende beweging. Je adem legt zich neer. De fossielen onder je huid maken zich klaar om je te verlaten. Je zou het elke dag kunnen doen, en toch.
Je krijgt een klein berichtje. En je zou willen bellen, je zou op weg willen gaan. Je zou willen zeggen: luister heel even naar dit verhaal, ook al is het een lang verhaal, ik wou het je al zo lang vertellen. Je ziet jezelf, hoe verlegen je zou zijn, hoe kwetsbaar. Hoeveel beter het zou zijn na het verhaal. Misschien ook eenzamer, maar wel beter. Je doet het niet.
Hoe weet je wanneer je oud genoeg bent, ver genoeg in het leven? Soms lijkt die vraag je te besluipen. Alsof je onbewust aan het wachten was op een of ander teken. En hoe het langzaam tot je doordringt dat dat teken niet zal komen. En hoe je dat ook al eerder had kunnen weten. Of misschien toch niet.
Jezelf blijven oefenen in niet oordelen. Af en toe lijkt het een opgave. Hoewel je weet dat het woord opgave hier het verkeerde woord is. Hoewel je weet wat het oordelen met jezelf kan doen. Dat het niet altijd eenvoudig is. Misschien is dat een betere formulering. Alsof je in die woorden niets moet bereiken.
Soms verlang je naar het trage verdriet. Het maakt je zachter vanbinnen. Het neemt het slib mee. Het maakt je meer doorwaadbaar. Het komt van ergens diep in je buik. En neemt daarna de rest van je huid over. Als een fluisterende bezoeker. Die even stilletjes weer van je weggaat. Misschien zou je de adem die dat verdriet uitnodigt beter moeten beluisteren.
Durven verlangen. Alsof het zou mogen. Alsof er geen muren zullen instorten. Alsof het gewoon een deel van je adem is. Alsof het gewoon is wat het is. En de woorden die je ervoor zou kunnen gebruiken. Hoe ze gewoon bij je zouden blijven. Als een ochtend die ook gewoon naar je toe komt. En het licht.
Iemand zei je iets over routines. Iemand zei je iets over het onverwachte doen, wanneer nu eindelijk eens. Weten dat ze gelijk hebben. Kijken naar de dingen, een beetje in de war. Hoe moeizaam verworven, hoe lang verhoopt. Ze zullen niet meer van je weggaan, ze zullen wel blijven, maak je geen zorgen. Bijna, soms.
De woorden blijven verplaatsen. Misschien langzaam, maar met vaste hand. Zoals je met een omheining doet, midden in het grasland. Telkens de rand een beetje verplaatsen. Nieuwe plekken toelaten. Is het toelaten tot de woorden, toelaten van de woorden of toelaten in de woorden? Dat voorlopig nog niet willen weten.
Soms de schaamte achter je laten. Als een nodeloos omhulsel. Niet om trots te zijn of ijdel, vooral niet. Alleen om te zijn, alsof je dat zou kunnen zijn. En op dat moment, in die staat van onbeschermdheid, horen wat er gezegd wordt. Zonder verweer, en vooral ook zonder gretigheid. Maar alleen om wat er gezegd wordt.
Weet je ooit goed genoeg hoe dankbaar je moet zijn voor alle mensen die in je leven zijn. Die zomaar in je buurt komen, naast je komen zitten, naar je verhalen luisteren, je verhalen vertellen, en ook zwijgen. Alsof ze zomaar bij je willen zijn. Hoe je niet altijd weet hoe je dat geluk zou moeten vieren.
Jan Mertens
26 februari 2012
Eulalie
Ik zat op de bank te wachten op een trein die misschien wel nooit meer zou komen, zo leek het wel. Ze kwam naast me zitten. Ze leek wat verward en verlegen. Bijna fluisterend vroeg ze of ze wat dichter tegen me aan mocht komen zitten, voor heel even.
‘Ik wil graag heel even dicht bij iemand zitten. Je moet niet bang zijn, ik blijf niet lang. Tot de trein komt.’
Ik zei dat er uiteindelijk altijd wel weer een trein komt, een volgende en een volgende. Je zou dus lang kunnen blijven zitten. Iets als het leven zelf, of zo.
‘Ik zou graag hebben dat je niet naar me kijkt. Gewoon een beetje zitten hier, en niet weglopen. Geen moeilijke vragen waarop ik het antwoord wel nooit zal weten.’
Ik vroeg haar alleen naar haar naam, en die was Eulalie.
‘Het is een naam die heel weinig voorkomt, ik weet het. Maar ik ben er wel blij mee, ondertussen. Al heeft het even geduurd.’
Na elke zin liet ze een lange pauze, zo leek het toch. Misschien wou ik gewoon sneller de volgende horen, ik weet het niet.
‘Weet je, ik was al even naar je aan het kijken. Je hebt iets, al kan ik niet zeggen wat het is. Ik wist alleen zeker dat dit een veilige plek zou zijn.’
Ik bleef zwijgen, en keek nog even om me heen om te zien of ze niet toevallig iemand anders bedoelde.
‘Heb je dat soms ook? Dat het is alsof je onbereikbaar bent voor jezelf. Dat je zou willen dat de dingen zo of zo verlopen, dat je ernaar verlangt, en dat er toch iets anders gebeurt. Dat je lichaam een andere richting uit gaat, of dat de dingen gewoon anders zijn dan je zo hoopte. En dat je dan jezelf van jezelf ziet wegdrijven. En dat je alleen maar kunt toekijken.’
Ze verwachtte denk ik niet dat ik zou antwoorden. Dus ik knikte alleen maar, hopend dat ze die knik zou voelen, zonder te kijken.
‘Op sommige dagen heb ik er niet zoveel last van, en dan voel ik iets van verzoening. Op andere dagen is het dan weer een beetje moeilijk. Alsof ik zo machteloos ben.’
Stilaan begon ik te geloven dat er een diepere zin zit in sommige treinvertragingen. Dat ze er zijn om je iets te laten zien.
‘Gisteren zag ik op de televisie een reportage over een of andere kerk. Het is normaal mijn ding niet, kerken en priesters en geloof en zo, helemaal niet. Maar soms maakt het me bijna een beetje jaloers, al klopt dat woord niet helemaal. In die reportage was een oude priester, en hij leek een beetje te stralen. Hij zei dat als je daar kwam, in die kerk, dat je dan vergiffenis kon krijgen, vergiffenis voor al je zonden. Er is iets met dat woord, vergiffenis. Met het woord zonden kan ik niets, daar krijg ik rillingen van. Maar vergiffenis, dat is iets anders. Het leek me ineens zo’n aantrekkelijke gedachte, dat ik naar die man zou kunnen gaan en vragen dat hij iets van mijn schouders zou nemen, dat hij me zou vergeven.’
Ik moest ineens denken aan een vriendin die me onlangs vroeg of ik de vogels kon horen. Terwijl we daar zaten, waren er vogels, ergens, in de buurt. En heel even was het alsof ik moest bellen, om te zeggen: hoor je de vogels, hoor je ze? Maar ik deed het niet, voelde me een beetje schuldig dat ik was afgeleid.
‘Zou dat kunnen, dat iemand je vergeeft? Niet voor je zonden, maar gewoon voor het leven, of iets in die aard? Het maakt niet zoveel uit.’
Ik besefte dat ik het eigenlijk wel fijn vond, hoe ze naast me zat. Ik wilde graag naar haar kijken, maar deed het niet.
‘Het is een mooie plek om te zijn hier, je bent een goede man. Geloof het niet als iemand iets anders zegt. De rimpels in je hoofd doen me denken aan iemand die ik ook op de televisie zag. Soms zie je iemand, en weet je ineens: ik ken hem of haar, ik weet wat er gebeurt in dat hoofd. Soms is het gemakkelijker bij een ander dan bij jezelf.’
Ik wou bijna iets zeggen. Ze merkte het, en draaide haar hoofd naar me toe. Ik zag haar mooie droeve ogen, diep als een trage rivier. Ze legde haar vinger op mijn lippen. Ik mocht niets zeggen.
‘Jij moet straks je trein nemen, en ik moet weer vertrekken. Zo zijn de dingen, en zo zijn ze goed. Ik kan je stem wel dromen, dat is genoeg. Vanavond moet ik nog even zwerven, voor ik weer thuis zal komen. En dit moment zal in mijn hart blijven.’
Ze kuste me heel voorzichtig op mijn slaap, stond geruisloos op, en vertrok. Ik keek haar na, en zag hoe de trein aan kwam rijden. Het was tijd om te vertrekken.
‘Ik wil graag heel even dicht bij iemand zitten. Je moet niet bang zijn, ik blijf niet lang. Tot de trein komt.’
Ik zei dat er uiteindelijk altijd wel weer een trein komt, een volgende en een volgende. Je zou dus lang kunnen blijven zitten. Iets als het leven zelf, of zo.
‘Ik zou graag hebben dat je niet naar me kijkt. Gewoon een beetje zitten hier, en niet weglopen. Geen moeilijke vragen waarop ik het antwoord wel nooit zal weten.’
Ik vroeg haar alleen naar haar naam, en die was Eulalie.
‘Het is een naam die heel weinig voorkomt, ik weet het. Maar ik ben er wel blij mee, ondertussen. Al heeft het even geduurd.’
Na elke zin liet ze een lange pauze, zo leek het toch. Misschien wou ik gewoon sneller de volgende horen, ik weet het niet.
‘Weet je, ik was al even naar je aan het kijken. Je hebt iets, al kan ik niet zeggen wat het is. Ik wist alleen zeker dat dit een veilige plek zou zijn.’
Ik bleef zwijgen, en keek nog even om me heen om te zien of ze niet toevallig iemand anders bedoelde.
‘Heb je dat soms ook? Dat het is alsof je onbereikbaar bent voor jezelf. Dat je zou willen dat de dingen zo of zo verlopen, dat je ernaar verlangt, en dat er toch iets anders gebeurt. Dat je lichaam een andere richting uit gaat, of dat de dingen gewoon anders zijn dan je zo hoopte. En dat je dan jezelf van jezelf ziet wegdrijven. En dat je alleen maar kunt toekijken.’
Ze verwachtte denk ik niet dat ik zou antwoorden. Dus ik knikte alleen maar, hopend dat ze die knik zou voelen, zonder te kijken.
‘Op sommige dagen heb ik er niet zoveel last van, en dan voel ik iets van verzoening. Op andere dagen is het dan weer een beetje moeilijk. Alsof ik zo machteloos ben.’
Stilaan begon ik te geloven dat er een diepere zin zit in sommige treinvertragingen. Dat ze er zijn om je iets te laten zien.
‘Gisteren zag ik op de televisie een reportage over een of andere kerk. Het is normaal mijn ding niet, kerken en priesters en geloof en zo, helemaal niet. Maar soms maakt het me bijna een beetje jaloers, al klopt dat woord niet helemaal. In die reportage was een oude priester, en hij leek een beetje te stralen. Hij zei dat als je daar kwam, in die kerk, dat je dan vergiffenis kon krijgen, vergiffenis voor al je zonden. Er is iets met dat woord, vergiffenis. Met het woord zonden kan ik niets, daar krijg ik rillingen van. Maar vergiffenis, dat is iets anders. Het leek me ineens zo’n aantrekkelijke gedachte, dat ik naar die man zou kunnen gaan en vragen dat hij iets van mijn schouders zou nemen, dat hij me zou vergeven.’
Ik moest ineens denken aan een vriendin die me onlangs vroeg of ik de vogels kon horen. Terwijl we daar zaten, waren er vogels, ergens, in de buurt. En heel even was het alsof ik moest bellen, om te zeggen: hoor je de vogels, hoor je ze? Maar ik deed het niet, voelde me een beetje schuldig dat ik was afgeleid.
‘Zou dat kunnen, dat iemand je vergeeft? Niet voor je zonden, maar gewoon voor het leven, of iets in die aard? Het maakt niet zoveel uit.’
Ik besefte dat ik het eigenlijk wel fijn vond, hoe ze naast me zat. Ik wilde graag naar haar kijken, maar deed het niet.
‘Het is een mooie plek om te zijn hier, je bent een goede man. Geloof het niet als iemand iets anders zegt. De rimpels in je hoofd doen me denken aan iemand die ik ook op de televisie zag. Soms zie je iemand, en weet je ineens: ik ken hem of haar, ik weet wat er gebeurt in dat hoofd. Soms is het gemakkelijker bij een ander dan bij jezelf.’
Ik wou bijna iets zeggen. Ze merkte het, en draaide haar hoofd naar me toe. Ik zag haar mooie droeve ogen, diep als een trage rivier. Ze legde haar vinger op mijn lippen. Ik mocht niets zeggen.
‘Jij moet straks je trein nemen, en ik moet weer vertrekken. Zo zijn de dingen, en zo zijn ze goed. Ik kan je stem wel dromen, dat is genoeg. Vanavond moet ik nog even zwerven, voor ik weer thuis zal komen. En dit moment zal in mijn hart blijven.’
Ze kuste me heel voorzichtig op mijn slaap, stond geruisloos op, en vertrok. Ik keek haar na, en zag hoe de trein aan kwam rijden. Het was tijd om te vertrekken.
25 februari 2012
De mug
Het is laat. Na de zoveelste avondvergadering op rij ben je blij dat iedereen weer vertrokken is. Het is tijd om terug te plooien. Tijd om terug te trekken. Tijd om te verdwijnen in de oksel van de dag. Je lichaam protesteert nog. Zoals wanneer de trein vertraagt, en je lijf nog verder wil gaan. Je kunt het alleen ondergaan, alleen wachten.
Thuiskomen van het werk en zien hoe licht het nog is. Als een geschenk. Je kijkt nog een keer extra, om zeker te weten dat het zo is. Het is zo. Zomaar.
De woorden lijken te ver weg, net buiten handbereik. Er is nood aan eb, eerst.
De vrouw in het artikel in de boekenbijlage. Ze is de laatste nog levende persoon die Kafka heeft gekend. Ze overleefde Theresienstadt. 108 is ze, maar die ogen, ze blinken zo. Inzichten in het leven: “Als je alleen leeft, is het lastig, en als je met anderen samenleeft, is het ook lastig. Ach, eigenlijk maakt het niet zoveel uit: het leven is altijd lastig.” Ooit was ze een gevierde pianiste. Of ze nog steeds piano speelt? Ja natuurlijk. ’s Morgens twee uur en ’s avonds twee uur. Haar dokter zegt dat piano spelen beter is voor je hersenen dan honderd pillen slikken. Het verhaal maakt je stil vanbinnen. Deemoedig je hoofd buigen, iets anders is er niet.
Even te veel werk, even te druk. Even te veel verlangen naar te veel boeken die je ongelezen moet laten. En hoeveel pijn dat doet.
Tussen agendapunt zoveel en zoveel zie je ineens de mug. Er is een mug die rustig boven de tafel vliegt. Alsof het niets is. Alsof het al lente zou kunnen zijn. Een mug kan je doen glimlachen. Een kleine geut warmte door het stramme lijf. De mug doet rustig verder. Als een kind dat voor het eerst zonder aanhangwieltjes kan fietsen, maar nog niet weet hoe te stoppen, en dat nog niet beseft.
Soms niet opgewassen tegen lichtjes sentimentele verhalen over kinderen in films. Soms treffen ze je waar je flanken onverdedigd zijn. Soms liggen alle flanken open, naakt.
Soms sijpelt het verdriet langs de poriën van je huid langzaam naar binnen. Waarneembaar. Je voelt het bewegen. Je voelt hoe het zich voorzichtig maar vastberaden verspreidt. Dat het net die ruimtes inneemt waar de verzoening zich had genesteld. Misschien is het beter zo, probeer je te denken. Maar dat helpt niet.
Soms moet je alleen maar denken aan muziek om te voelen hoe ze je zou kunnen helen. Je zou aan de rand van het water alles in het zand kunnen schrijven, alles wat niet te zeggen is, alles wat bij je blijft, waar je ook gaat. En dan kijken naar de trage uitlopers van de golven. Hoe ze een beetje aarzelend en bijna teder die woorden met zich meenemen. Naar de grote thuishaven. Er is iets in die muziek dat je meeneemt. Naar waar je zou willen zijn.
Het kleine jongetje loopt naast zijn grootvader. Ze komen terug van de zaterdagavondmis. Het is koud buiten. De grootvader neemt de hand van het jongetje en stopt die diep in zijn jaszak. Daar is het warm. Aan de voordeur wordt de sleutel gezocht. Die zit in zijn zwarte portefeuille. Er is iets met die sleutel. Halverwege lijkt hij bijna gebroken. Je moet hem eerst helemaal in het slot steken, en dan een klein beetje terugtrekken, anders krijg je de deur niet open. Hij duwt de deur open. Achteraan de gang, te zien door het diffuse glas, met een purperen schijn, daar is het licht, daar brandt de kolenkachel.
Je gaat niet meer naar buiten vanavond, denk je. Je blijft binnen. Je sluit de gordijnen, zoekt het dekentje. Je zult een film zoeken met een verhaal dat je helemaal mee zal nemen. Je alles met zich mee zal nemen. Om leger achter te blijven, en zo voller te kunnen worden.
19 februari 2012
Ruik je het
‘Het was tijd, hoog tijd, om weer naar de zee te gaan.’
‘Ik voelde het aan je, al de hele week, dat je weg moest daar.’
‘Mag ik je hand? Je mag hier niet lopen zonder handen vast te houden.’
‘Dat zal wel.’
‘Ruik je het? Ruik je het? Zo is het altijd geweest hier.’
‘Je ziet er zo anders uit als je hier bent. Het is alsof er iets van je schouders en uit je ogen weg is.’
‘Is dat zo?’
‘Hier lijk je anders droevig. Met meer rust.’
‘Droeve rust, dat is wel een mooie gedachte.’
‘Ik heb al een tijdje het gevoel dat er iets is. Ik weet niet goed wat het is, maar het is alsof je je weer aan het sluiten bent. Zoals twee schelpen, die langzaam weer dicht gaan.’
‘Denk je dat het echt zo is?’
‘Ja, eigenlijk wel. Het gaat heel langzaam, en het is al een tijdje bezig. En het is alsof ik er niets aan kan doen.’
‘Ik weet niet of het zo is, maar als het zo zou zijn, dan kun je er waarschijnlijk niets aan doen.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik begin mezelf ondertussen wat te kennen. Soms is het ook alsof ik van mezelf weg ga, en dan kan ik er ook niet zoveel aan doen.’
‘Ik wil niet dat je weg gaat, niet nog eens.’
‘Ik doe mijn best om te blijven, altijd. Aan jou ligt het zeker niet. Ik begrijp het zelf niet zo goed.’
‘Wou je daarom naar de zee? Nu, zo snel?’
‘Misschien wel.’
‘Ben je kwaad?’
‘Nee, misschien alleen op mezelf, maar dat is niet zo nieuw.’
‘Je hebt me ooit gezegd dat je wou dat je nog meer helemaal bij mij kon zijn, niet gewoon veel, maar helemaal, al was het maar voor soms. Ondertussen begrijp ik wat je daarmee bedoelde. En ik vind het niet erg. Voor mij is het ook wel zo, maar ik denk dat ik het niet zo erg vind.’
‘Is dat zo? Dat heb je me nooit gezegd.’
‘Ja, het is zo. Maar het geeft niet.’
‘Ik kan me er soms moeilijk bij neerleggen. Het is alsof ik tekortschiet, niet ben wie ik zou moeten zijn voor jou. Je verdient beter van mij, of beter in het algemeen, ik weet het niet.’
‘Ligt het dan toch niet aan mij?’
‘Nee, ik denk het niet. Misschien zou ik het bij iedereen hebben. Bij anderen waarschijnlijk nog meer.’
‘We zijn nu een paar dagen hier, we hebben alle tijd. Laten we erover praten, je hoeft geen schrik te hebben. Ik ken je goed genoeg ondertussen. We zien wel waar we uitkomen.’
‘Ja, dat is goed.’
‘Kijk eens naar mij? Kijk eens in mijn ogen.’
‘Zo?’
‘Niet wegkijken, blijven kijken.’
‘Ik ben een beetje verlegen.’
‘Sssjjjjt, niet doen.’
‘Ik heb altijd een beetje schrik, en tegelijk ben ik blij, als je me vraagt om in je ogen te kijken.’
‘Soms ben ik een beetje streng, maar het is dan ook nodig af en toe.’
‘Dat is goed, je moet streng zijn.’
‘Sneeuw, wie had dat gedacht?’
‘Het zijn zo van die kleine brokjes, bijna hagel, bijna sneeuw. Misschien om ons wakker te maken.’
‘En straks moeten we dan bij elkaar schuilen, om het weer warm te krijgen.’
‘Minstens.’
‘Wat is er?’
‘Weet je, als we dat doen, samen warm krijgen, dan is het vaak alsof alles goed is, zoals het moet zijn.’
‘Ja, dan is alles goed.’
‘Ik heb nog zitten luisteren naar die plaat die ik gisteren kocht, die nieuwe opname van de Missa in h-moll. De tranen liepen zo over mijn gezicht.’
‘Wat denk je dan?’
‘Als ik dat hoor, en in deze uitvoering nog meer dan in de vorige, dan is het alsof daar, in die muziek, alles geheeld kan worden. Alles wat buiten die muziek niet kan.’
‘Wil je ze mij laten horen? Zoals jij ze hoort?’
‘Wil je dat dan?’
‘Ja, natuurlijk. Als ik je zie, met die muziek, dan zijn je ogen zoals hier, aan de zee.’
‘Dat zou wel kunnen.’
‘Ik ben blij dat je handen altijd zo warm zijn.’
‘Ze zijn warm voor jou.’
‘Dat zou ik toch erg missen, die handen.’
‘Ik voelde het aan je, al de hele week, dat je weg moest daar.’
‘Mag ik je hand? Je mag hier niet lopen zonder handen vast te houden.’
‘Dat zal wel.’
‘Ruik je het? Ruik je het? Zo is het altijd geweest hier.’
‘Je ziet er zo anders uit als je hier bent. Het is alsof er iets van je schouders en uit je ogen weg is.’
‘Is dat zo?’
‘Hier lijk je anders droevig. Met meer rust.’
‘Droeve rust, dat is wel een mooie gedachte.’
‘Ik heb al een tijdje het gevoel dat er iets is. Ik weet niet goed wat het is, maar het is alsof je je weer aan het sluiten bent. Zoals twee schelpen, die langzaam weer dicht gaan.’
‘Denk je dat het echt zo is?’
‘Ja, eigenlijk wel. Het gaat heel langzaam, en het is al een tijdje bezig. En het is alsof ik er niets aan kan doen.’
‘Ik weet niet of het zo is, maar als het zo zou zijn, dan kun je er waarschijnlijk niets aan doen.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik begin mezelf ondertussen wat te kennen. Soms is het ook alsof ik van mezelf weg ga, en dan kan ik er ook niet zoveel aan doen.’
‘Ik wil niet dat je weg gaat, niet nog eens.’
‘Ik doe mijn best om te blijven, altijd. Aan jou ligt het zeker niet. Ik begrijp het zelf niet zo goed.’
‘Wou je daarom naar de zee? Nu, zo snel?’
‘Misschien wel.’
‘Ben je kwaad?’
‘Nee, misschien alleen op mezelf, maar dat is niet zo nieuw.’
‘Je hebt me ooit gezegd dat je wou dat je nog meer helemaal bij mij kon zijn, niet gewoon veel, maar helemaal, al was het maar voor soms. Ondertussen begrijp ik wat je daarmee bedoelde. En ik vind het niet erg. Voor mij is het ook wel zo, maar ik denk dat ik het niet zo erg vind.’
‘Is dat zo? Dat heb je me nooit gezegd.’
‘Ja, het is zo. Maar het geeft niet.’
‘Ik kan me er soms moeilijk bij neerleggen. Het is alsof ik tekortschiet, niet ben wie ik zou moeten zijn voor jou. Je verdient beter van mij, of beter in het algemeen, ik weet het niet.’
‘Ligt het dan toch niet aan mij?’
‘Nee, ik denk het niet. Misschien zou ik het bij iedereen hebben. Bij anderen waarschijnlijk nog meer.’
‘We zijn nu een paar dagen hier, we hebben alle tijd. Laten we erover praten, je hoeft geen schrik te hebben. Ik ken je goed genoeg ondertussen. We zien wel waar we uitkomen.’
‘Ja, dat is goed.’
‘Kijk eens naar mij? Kijk eens in mijn ogen.’
‘Zo?’
‘Niet wegkijken, blijven kijken.’
‘Ik ben een beetje verlegen.’
‘Sssjjjjt, niet doen.’
‘Ik heb altijd een beetje schrik, en tegelijk ben ik blij, als je me vraagt om in je ogen te kijken.’
‘Soms ben ik een beetje streng, maar het is dan ook nodig af en toe.’
‘Dat is goed, je moet streng zijn.’
‘Sneeuw, wie had dat gedacht?’
‘Het zijn zo van die kleine brokjes, bijna hagel, bijna sneeuw. Misschien om ons wakker te maken.’
‘En straks moeten we dan bij elkaar schuilen, om het weer warm te krijgen.’
‘Minstens.’
‘Wat is er?’
‘Weet je, als we dat doen, samen warm krijgen, dan is het vaak alsof alles goed is, zoals het moet zijn.’
‘Ja, dan is alles goed.’
‘Ik heb nog zitten luisteren naar die plaat die ik gisteren kocht, die nieuwe opname van de Missa in h-moll. De tranen liepen zo over mijn gezicht.’
‘Wat denk je dan?’
‘Als ik dat hoor, en in deze uitvoering nog meer dan in de vorige, dan is het alsof daar, in die muziek, alles geheeld kan worden. Alles wat buiten die muziek niet kan.’
‘Wil je ze mij laten horen? Zoals jij ze hoort?’
‘Wil je dat dan?’
‘Ja, natuurlijk. Als ik je zie, met die muziek, dan zijn je ogen zoals hier, aan de zee.’
‘Dat zou wel kunnen.’
‘Ik ben blij dat je handen altijd zo warm zijn.’
‘Ze zijn warm voor jou.’
‘Dat zou ik toch erg missen, die handen.’
Wat zoek je in de foto
Het toestel in je hand heeft een verlangen onder de huid. Je voelt hoe het zich aanpast aan je vingers. Je leert iets over de lens. Je probeert te wennen aan hoe het zich scherpstelt. Je hoofd, je handen, je ogen, ze zijn nog analoog, en zullen dat wel altijd blijven.
Soms schrik je van jezelf. Hoe iets je kwaad kan maken. En pas achteraf denk je: waarom? Hoe zit het? Waarom zo? Iets begrijp je dan wel, en ook weer niet. Zou je anders willen zijn? Of net niet?
Er is iets in het kijken. Een belofte. Dat je iets zou kunnen zien dat zich enkel in dat ene moment zal onthullen. Iets dat nog bevrijd moet worden uit een zee van mogelijkheden. Maar het is er wel, het wacht alleen.
Het verhaal van een ander die je lief is kan zich zo diep in je lichaam verankerd hebben dat stamelende tranen je enige weg zijn. Het is niet anders. Het is daar, en het zal er blijven. Het is ook het jouwe geworden.
De foto’s in je hoofd. Ze zijn er altijd. Je kunt ze dromen. Misschien zijn er ook in die anderen. Misschien dragen ze die in zich. Misschien is er een kloof tussen die twee die nooit overbrugd kan worden.
Hoe doe je dat? Spontaan kennismaken met iemand die je niet kende en die aan dezelfde tafel zit bij het feest. Er zullen wel regels zijn voor het soepele contact. Er zullen wel mensen van de wereld zijn die het in zich hebben. Je doet je best. Ben je soepeler dan je bent? Of is enkel het beeld dat je had verkeerd? Het loopt wel los.
Soms zou je het willen vragen: wil je met mij wachten op die foto die daar moet zijn? Je durft het niet.
Nooit passen de beelden van wie je bent, wie je denkt te zijn, wie je denkt te moeten zijn, wie je hoopt te kunnen zijn, in elkaar. Altijd schuren ze als tektonische platen tegen elkaar. Ze vinden elkaar nooit.
En het licht. Je zou het willen kunnen aanraken. Je zou het mee willen kunnen nemen. Naar die ene plek waar die ene foto gemaakt zou kunnen worden. Je zou het zachtjes de kamer binnen willen leiden, om de sacrale warmte niet te verstoren. Je zou het de huid willen influisteren: laat dit licht jou omhullen en zo onthullen.
Restanten van vermoeidheid of dwarsheid of onvervuldheid of angst of herinnering of onaangepastheid. Ze bewegen in je lichaam. Je merkt het als je weer thuis komt en gaat liggen. Misschien zul je nooit meer zijn dan brokstukken, op zoek naar een verhaal.
Soms is het alsof in een foto de stukken vrede gesloten hebben. Alsof de wind even is gaan liggen. In een moment van verzoening, een moment van genade.
Hoe leg je dat uit, aan jonge mensen, wat het is om vrede te sluiten? Met jezelf. Misschien moet je dat niet uitleggen, misschien is het niet te beschrijven, alleen maar te vinden, door niet te zoeken.
Hoe moeilijk het blijft, foto’s van jezelf te zien. Elke keer zijn er weer die ogen van je grootvader. Hoe ze waren toen hij de laatste foto zag van hem gemaakt.
17 februari 2012
Ontroerjong
Je moet vroeg de deur uit, die ochtend. En zelfs dan, nog voor om half zes de radio op springt, ben je wakker. Netjes vijf minuten te vroeg. Hoe zou het lichaam dat weten?
Je was al gewend ondertussen aan licht dat zichzelf vindt als je naar de trein loopt. Maar die ochtend is het nog donker. Enkelen lopen lichtjes zwijmelend over straat. Ze zijn op weg naar huis, als ze dat ooit vinden tussen de nevels in hun hoofd.
In de wagon een groep mensen die elkaar hier elke ochtend opnieuw weer vinden. Iedereen wordt gekust. Er wordt hard gelachen. Lijven dicht bij elkaar. Verhalen worden verteld. Ze kunnen de wereld aan.
De jongens in de tram oefenen in cool zijn. Ze staan naast elkaar, kijken voor zich uit, zeggen niets. Handen worden gedrukt, op een rituele manier.
Op weg naar de school waar je die dag moet zijn maak je, zo zal blijken, een omweg. Het lijkt alsof het kaartje fout is. Je bent zelf fout, niet het kaartje. Een geruststellende gedachte.
De scholieren komen de zaal binnen waar je zo een verhaal gaat brengen. Het lijkt wel een kleine theaterzaal, met de mensen mooi in oplopende rijtjes. Je denkt er niet aan dat zij jou op dit podium zullen zien staan. Je zegt tegen jezelf dat ze alleen jouw verhaal zullen zien. Het verhaal trekt zich op gang. De woorden die je zegt, trekken je in het verhaal. Je kunt erin verdwijnen. En zo kun je beter kijken naar wie in de zaal zit.
Na de presentatie loop je mee door gangen. Hevige aanwezigheid, wriemelend. Zoveel leven. Het gaat alle richtingen uit. Alsof het hier altijd lente is.
Tijdens de film daarna voel je hoe moe je bent. Het overvalt je even. De zeurende pijn ergens achteraan je hoofd. Vermoeidheid opent soms ook deuren. Je moet enkele keren een traan wegduwen als je de verhalen op het scherm ziet. Bij de reacties nadien merk je hoe je stem van ver moet komen. Ze moet terug haar plaats zoeken.
Je merkt het weer, hoe in schoolgebouwen een leegte aanwezig kan zijn, ook al loopt iedereen door elkaar, de hele tijd. Ze zijn zo gemaakt dat iedereen er is, de hele tijd. En daardoor lijkt er geen nulpunt, geen plek die je heel even voor jezelf kunt innemen. Iedereen kan altijd overal zijn. Je ziet hoe de leerkrachten bewegen in die ruimte, hoe ze het kunnen. Hoe ze iets hebben dat jij niet hebt. Misschien zou je een plek zoeken, als je hier zou werken. Misschien vruchteloos. Misschien moet je het leren hier, om overal en nergens te zijn.
Na de middag zit je samen met die mooie jonge mensen. Ze vertellen de hele tijd door. Hoe ze nadenken en zoeken bij elke vraag die wordt gesteld. Ze zitten op de rand van het grote leven dat weldra gaat beginnen. Ze praten over een wereld die misschien niet zo vriendelijk zal zijn voor hen. En toch lijkt het alsof jij banger bent daarvoor dan zij.
Verhalen over geluk. Wat het betekent. Wat je echt nodig hebt om het te zijn. Ze ontroeren je meer dan je durft toegeven met hun verhalen, en hoe ze die vertellen. Je ziet een vage schim van wie jij was toen je zo oud was. Tussen hen in zou je verbleken waarschijnlijk. Ze weten zoveel, beseffen zoveel, leven in zo’n andere wereld dan de jouwe van toen. Een beetje verlegen voel je vooral iets van dankbaarheid, dat je dat alles zomaar mocht horen.
Je kijkt hen nog even na, en begint te tellen. Ze zouden je kinderen kunnen zijn. Het zal wel nooit helemaal wennen. Misschien is dat zo slecht nog niet.
In de tram terug andere jongens die proberen cool te zijn. Buiten is het nu gewoon licht, anders dan die ochtend. De dingen zien er anders uit. Die omhulling door wegebbende duisternis had ook wel iets, denk je. Een aarzelende koestering.
De mensen op het perron. Je bekijkt ze een voor een. Ze zijn allemaal ooit zo jong geweest. Bij sommigen van hen zie je nog wie ze toen waren. Bij anderen lukt het niet.
Je trekt je terug in het halletje van de volle trein. Een plekje aan de deur. Met je rug naar de ruimte. Zoals je vroeger zat te spelen op de grond. Even een plekje dat het jouwe is. Zo lang het duurt.
Je loopt iets trager weer naar huis dan die ochtend in de andere richting. Je hoort en ziet de verhalen nog. Ze zullen nog wel even blijven. En dat is wel goed.
Je was al gewend ondertussen aan licht dat zichzelf vindt als je naar de trein loopt. Maar die ochtend is het nog donker. Enkelen lopen lichtjes zwijmelend over straat. Ze zijn op weg naar huis, als ze dat ooit vinden tussen de nevels in hun hoofd.
In de wagon een groep mensen die elkaar hier elke ochtend opnieuw weer vinden. Iedereen wordt gekust. Er wordt hard gelachen. Lijven dicht bij elkaar. Verhalen worden verteld. Ze kunnen de wereld aan.
De jongens in de tram oefenen in cool zijn. Ze staan naast elkaar, kijken voor zich uit, zeggen niets. Handen worden gedrukt, op een rituele manier.
Op weg naar de school waar je die dag moet zijn maak je, zo zal blijken, een omweg. Het lijkt alsof het kaartje fout is. Je bent zelf fout, niet het kaartje. Een geruststellende gedachte.
De scholieren komen de zaal binnen waar je zo een verhaal gaat brengen. Het lijkt wel een kleine theaterzaal, met de mensen mooi in oplopende rijtjes. Je denkt er niet aan dat zij jou op dit podium zullen zien staan. Je zegt tegen jezelf dat ze alleen jouw verhaal zullen zien. Het verhaal trekt zich op gang. De woorden die je zegt, trekken je in het verhaal. Je kunt erin verdwijnen. En zo kun je beter kijken naar wie in de zaal zit.
Na de presentatie loop je mee door gangen. Hevige aanwezigheid, wriemelend. Zoveel leven. Het gaat alle richtingen uit. Alsof het hier altijd lente is.
Tijdens de film daarna voel je hoe moe je bent. Het overvalt je even. De zeurende pijn ergens achteraan je hoofd. Vermoeidheid opent soms ook deuren. Je moet enkele keren een traan wegduwen als je de verhalen op het scherm ziet. Bij de reacties nadien merk je hoe je stem van ver moet komen. Ze moet terug haar plaats zoeken.
Je merkt het weer, hoe in schoolgebouwen een leegte aanwezig kan zijn, ook al loopt iedereen door elkaar, de hele tijd. Ze zijn zo gemaakt dat iedereen er is, de hele tijd. En daardoor lijkt er geen nulpunt, geen plek die je heel even voor jezelf kunt innemen. Iedereen kan altijd overal zijn. Je ziet hoe de leerkrachten bewegen in die ruimte, hoe ze het kunnen. Hoe ze iets hebben dat jij niet hebt. Misschien zou je een plek zoeken, als je hier zou werken. Misschien vruchteloos. Misschien moet je het leren hier, om overal en nergens te zijn.
Na de middag zit je samen met die mooie jonge mensen. Ze vertellen de hele tijd door. Hoe ze nadenken en zoeken bij elke vraag die wordt gesteld. Ze zitten op de rand van het grote leven dat weldra gaat beginnen. Ze praten over een wereld die misschien niet zo vriendelijk zal zijn voor hen. En toch lijkt het alsof jij banger bent daarvoor dan zij.
Verhalen over geluk. Wat het betekent. Wat je echt nodig hebt om het te zijn. Ze ontroeren je meer dan je durft toegeven met hun verhalen, en hoe ze die vertellen. Je ziet een vage schim van wie jij was toen je zo oud was. Tussen hen in zou je verbleken waarschijnlijk. Ze weten zoveel, beseffen zoveel, leven in zo’n andere wereld dan de jouwe van toen. Een beetje verlegen voel je vooral iets van dankbaarheid, dat je dat alles zomaar mocht horen.
Je kijkt hen nog even na, en begint te tellen. Ze zouden je kinderen kunnen zijn. Het zal wel nooit helemaal wennen. Misschien is dat zo slecht nog niet.
In de tram terug andere jongens die proberen cool te zijn. Buiten is het nu gewoon licht, anders dan die ochtend. De dingen zien er anders uit. Die omhulling door wegebbende duisternis had ook wel iets, denk je. Een aarzelende koestering.
De mensen op het perron. Je bekijkt ze een voor een. Ze zijn allemaal ooit zo jong geweest. Bij sommigen van hen zie je nog wie ze toen waren. Bij anderen lukt het niet.
Je trekt je terug in het halletje van de volle trein. Een plekje aan de deur. Met je rug naar de ruimte. Zoals je vroeger zat te spelen op de grond. Even een plekje dat het jouwe is. Zo lang het duurt.
Je loopt iets trager weer naar huis dan die ochtend in de andere richting. Je hoort en ziet de verhalen nog. Ze zullen nog wel even blijven. En dat is wel goed.
12 februari 2012
De geuren
De vrouw die je voorbij loopt op de straat. En de geur die ze achter zich laat. Echte kenners zouden het parfum meteen thuis kunnen brengen. Het is iets te veel. Er blijft te veel dat niet zomaar weer verdwijnt in de wind. Zou er angst zijn? Angst om geen sporen na te laten.
De geuren van de winter. Ergens is een houtkachel aan het werk. Alsof die geur een kleur heeft. Een soort diepbruin.
Nadien aan je kleren de geur terugvinden van iemand bij wie je op bezoek was. Alsof die geur bij je wilde blijven. Nog even. Ver weg van waar de wind zou kunnen komen.
Je geuren herinneren en toch ook niet. Weten dat je de geur die ergens in je herinnering is opgeslagen zonder twijfel en onmiddellijk zult herkennen. Maar die niet kunnen oproepen in je hoofd, of ergens anders in je lichaam.
Een geur zoeken. Om weer daar te zijn, waar je zou willen zijn. Een plek die niet hier is. Maar daar ergens. Hopen dat die geur je naar daar zal brengen.
Zoals men zegt ‘dat smaakt naar meer’ een geur merken die naar meer geurt. Tijdens het koken even het deksel van de soep lichten. Er wordt zachtjes gesudderd daar. Je ziet het. En dan ruik je het. Een geur die iets belooft. Iets dat elders is, iets dat gedroomd kan worden.
Naar foto’s kijken van vroeger, en de geur erbij zien. Het maakt ze toegankelijker. Het brengt ze dichterbij. Dichter terug in jezelf.
Een stroom aan herinneringen in je hoofd. Je kunt ze ruiken. Bijna.
Hoe het landschap zal veranderen, als de dooi zich door zal zetten. Hoe het anders zal gaan ruiken. Opgespaarde geuren. Ze hebben gewacht. Ze dromen al van een lente die ooit weer zal komen.
En de zee. De zilte oorsprong. De zilte bestemming. En tussen de twee is het niet de geur die je verzoent. Het is iets anders.
Weet je ooit hoe je blijft in de herinnering van een ander? Wat zijn de sporen? Hoe is de weg?
Je merkt het aan het bed, hier was je al eerder. Iets maakt dat een ander jou zou herkennen, ook zou weten dat jij hier was. Als een vingerafdruk in de tijd.
Je herinnert je de geur van het haar. Hoe je probeerde te begrijpen wat het was. Hoe je wou dat het bleef.
En natuurlijk de geur van het hout. Die zal er altijd zijn. Die moet altijd bij je blijven. Ergens in de buurt. Dicht genoeg bij je. Je moet altijd de weg kunnen vinden.
Toen je ziek was. Toen het gif in je lichaam zat, om iets te lijf te gaan, ergens in dat lijf. De geuren. Die herinner je je. Hoe ze allemaal net een klein beetje verschoven waren. Hoe alles net anders rook. Hoe wat je anders niet opmerkte nu ineens hevig aanwezig was. Hoe wat je anders lekker vond nu ineens niet meer herkenbaar was. Het is een herinnering die je af en toe nog overvalt, en je even doet sidderen. Ze zal wel nooit weggaan.
Hoe de geur van brood in de oven je huis kan vullen. Er is iets groots in het moment van die geur. Iets van belofte. Iets van wijsheid.
En hoe je kunt dromen van een geur.
De geuren van de winter. Ergens is een houtkachel aan het werk. Alsof die geur een kleur heeft. Een soort diepbruin.
Nadien aan je kleren de geur terugvinden van iemand bij wie je op bezoek was. Alsof die geur bij je wilde blijven. Nog even. Ver weg van waar de wind zou kunnen komen.
Je geuren herinneren en toch ook niet. Weten dat je de geur die ergens in je herinnering is opgeslagen zonder twijfel en onmiddellijk zult herkennen. Maar die niet kunnen oproepen in je hoofd, of ergens anders in je lichaam.
Een geur zoeken. Om weer daar te zijn, waar je zou willen zijn. Een plek die niet hier is. Maar daar ergens. Hopen dat die geur je naar daar zal brengen.
Zoals men zegt ‘dat smaakt naar meer’ een geur merken die naar meer geurt. Tijdens het koken even het deksel van de soep lichten. Er wordt zachtjes gesudderd daar. Je ziet het. En dan ruik je het. Een geur die iets belooft. Iets dat elders is, iets dat gedroomd kan worden.
Naar foto’s kijken van vroeger, en de geur erbij zien. Het maakt ze toegankelijker. Het brengt ze dichterbij. Dichter terug in jezelf.
Een stroom aan herinneringen in je hoofd. Je kunt ze ruiken. Bijna.
Hoe het landschap zal veranderen, als de dooi zich door zal zetten. Hoe het anders zal gaan ruiken. Opgespaarde geuren. Ze hebben gewacht. Ze dromen al van een lente die ooit weer zal komen.
En de zee. De zilte oorsprong. De zilte bestemming. En tussen de twee is het niet de geur die je verzoent. Het is iets anders.
Weet je ooit hoe je blijft in de herinnering van een ander? Wat zijn de sporen? Hoe is de weg?
Je merkt het aan het bed, hier was je al eerder. Iets maakt dat een ander jou zou herkennen, ook zou weten dat jij hier was. Als een vingerafdruk in de tijd.
Je herinnert je de geur van het haar. Hoe je probeerde te begrijpen wat het was. Hoe je wou dat het bleef.
En natuurlijk de geur van het hout. Die zal er altijd zijn. Die moet altijd bij je blijven. Ergens in de buurt. Dicht genoeg bij je. Je moet altijd de weg kunnen vinden.
Toen je ziek was. Toen het gif in je lichaam zat, om iets te lijf te gaan, ergens in dat lijf. De geuren. Die herinner je je. Hoe ze allemaal net een klein beetje verschoven waren. Hoe alles net anders rook. Hoe wat je anders niet opmerkte nu ineens hevig aanwezig was. Hoe wat je anders lekker vond nu ineens niet meer herkenbaar was. Het is een herinnering die je af en toe nog overvalt, en je even doet sidderen. Ze zal wel nooit weggaan.
Hoe de geur van brood in de oven je huis kan vullen. Er is iets groots in het moment van die geur. Iets van belofte. Iets van wijsheid.
En hoe je kunt dromen van een geur.
Abonneren op:
Berichten (Atom)