26 juli 2014

Ondertussen

Toch ook enkele nuttige dingen doen. Het zal wel plichtsgevoel zijn. En toch voelt het ook goed om als het ware terrein terug te winnen. Of zoiets.

Te vroeg wakker worden. Dat was niet de bedoeling.

Het lichaam begint zich langzaam te schikken naar het andere ritme. Met enkele horten en stoten. (Ook daarna blijven er nog genoeg zere plekken over.)

Je oordeelt dat het zeer nuttig is om naar de winkel te gaan. Op zoek naar een nieuwe broek. Je past er een. De pijpen zijn te smal, denk je. Dat wordt lastig bij het fietsen. (Heb je dan zo’n gespierde benen? Was je nog niet opgevallen. Mag je zoiets denken?) Geen broek. Wel een kleurig hemd. (Je neemt je voor om het nieuwe hemd dit keer meteen aan te doen, en niet nog eens drie weken te laten liggen.)

Pas na enkele dagen met middagdutjes zit de leesnamiddag goed. En kun je dus enkele uren doorlezen.

Je krijgt zin om een lange brief te schrijven. Het is niet geheel duidelijk aan wie.

Het blijkt andermaal niet eenvoudig om een nectarine zonder deuk van de markt tot bij jou thuis te krijgen.

En ja, de lekkere druiven zijn er weer. Je laat ze eerst enkele uurtjes liggen vooraleer je de eerste proeft. Je zou het bijna willen uitroepen, maar je doet het niet. (Je kijkt nog even om je heen, er is niemand, dus waarom niet eigenlijk? Heeft iemand je ooit gezegd dat je braaf moest zijn? Misschien was je zelf wel die iemand?) Lekkere druiven dus. (En ze doen iets met je buik, merk je blij.)

Boeken uitlezen, het maakt je intens gelukkig. (Er ligt nog een stapel te wachten. Eigenlijk zou je zo nog een stapel extra willen kopen.)

Kleine stukjes opruimen. Hoekjes waar al te lang dingen waren blijven liggen. (Met telkens: dat doe ik volgende keer wel, of ooit.) Misschien zullen anderen het niet eens zien, maar jij wel.

(Een lijstje maken met nuttige dingen uit te voeren tijdens de vakantie, is dat er niet een klein beetje over? Een heel klein beetje?)

Je kijkt naar de bezoekafspraakjes in je agenda. Mmm.

Onherroepelijk. Herinneringen aan liefdes, ze horen bij de vakantie. De goede en de kwade dagen, ze doemen op in de vakantie, telkens weer. Iets als een trage rivier door je heen. (Dingen laten stromen, dat is misschien ook wel vakantie.)

Je had ook nog een stapel DVD-boxen met mooie reeksen die je allemaal in je vakantie ging bekijken. Bij het opruimen van de kleine stukjes, en het op een stapel leggen van de desbetreffende boxen denk je dat je misschien iets te ambitieus was. (Gelukkig zijn DVD-boxen niet biodegradeerbaar. In tegenstelling tot nectarines.)

(En de boze wereld daarbuiten ademt door je adem heen. Hij is er altijd, nooit weg. Die knop zet je niet uit.)

Het blijft een mysterie, wat de rest van de mensheid doet met de slang van de stofzuiger als je niet aan het stofzuigen bent, als je even de stekker uit moet trekken om verderop in het huis weer te beginnen, of als je het stofreservoir moet losklikken om het leeg te maken. Je hebt al allerlei dingen geprobeerd, zoals over een stoel hangen, aan een klink hangen, om de slang maar niet op de grond te moeten leggen. Het gaat altijd fout.

(Niet dat de politiek ver weg is, maar je wilt hem even aan deze kant van de woorden houden. Het lichaam verzet zich tegen die woorden. Voor een tijdje.)

Buiten op het terras. Je kijkt naar de zonnebloem die al open is. Een andere is op komst. Ze bezoeken jou. Je voelt je meer dan vereerd.

De kranten netjes helemaal uitlezen, en daarna ook weer netjes dichtvouwen en mooi op de tafel leggen. Het hoort bij het ritme.

Bij het koken CD’s draaien die je al lang niet meer hoorde. Je staat mee te dansen. Het leven kan soms overzichtelijk zijn.

Door de stad fietsen en kijken naar mooie mensen. En je afvragen wat hun verhalen zijn.

Je leert steeds iets over jezelf. Zoals: wat er aan residu overblijft in jezelf na het ontspannen, ergens tussen hoofd en de rest van het lichaam.

Buiten op het terras. Ineens denk je aan x. Zou x nu ook aan jou denken? Hoe verplaatsen gedachten zich door de lucht?

(Weten dat er binnenkort een verhaal zal komen over een zomer, in 1999, toen de zon verduisterde, en toen je te weten kwam wat er al maanden aan de gang was. Het zal wel komen, je moet er geen moeite voor doen. Het hoort bij augustus waarschijnlijk.)

(Je ziet een filmpje over een massage. Ja, dat is het, denk je, dat wat je niet uit kon leggen.)

Je mag niet vergeten ijs te halen in de winkel voor het bezoek dat je zult krijgen binnen enkele dagen.

Gedachten gaan door je hoofd. Dingen die je zou moeten zeggen. (Je neemt je voor dat ook te doen.)

(Soms zie je in een flits hoe zacht je zou willen zijn.)

(Soms zie je in een flits waar je naartoe zou kunnen gaan. Soms zie je in een flits hoe het zou kunnen zijn. Soms denk je: het stroomt, het is goed zo. Soms weet je het niet helemaal zeker, ook dat is goed, denk je.)

Een interview op de radio. Tegelijk eten, en de krant lezen, en toch ervoor zorgen dat je helemaal niets mist. Het blijft nadien nog door je hoofd gaan. In allerlei richtingen.

Hoe je van woorden kunt houden. Voorzichtige woorden. Voorzichtig geschreven, voorzichtig gelezen.

25 juli 2014

Ik denk

“Nadenken is een soort van ordenen.” Dat zegt Bart Moeyaert in het voorwoord van het prachtige boek Ik denk, met portretten door Ingrid Godon en teksten van Toon Tellegen.

Eigenlijk kun je nauwelijks iets zinnigs zeggen over dit boek. Je moet het ervaren. Een beeld dat opkwam, was dat van een wip. Zo’n wip in de speeltuin. (In het dialect van mijn jeugd was dat een ‘kwikkwak’.) En als lezer zit in het midden, waar de as is. Aan de ene kant heb je de teksten, aan de andere kant de tekeningen. De twee kanten lopen niet in elkaar over, jij zit ertussen als lezer, net als de naad in het boek. De twee kanten zijn verschillend. En hoe het juist zit, dat kun je niet uitleggen, maar ze kunnen niet zonder elkaar.

De tekeningen zijn bevreemdend en vertederend tegelijk. Je ziet mensen, je vermoedt mensenlevens. Soms zijn ze herleid tot hun rafelige essentie. Soms verschuilen ze zich in het papier. Ze lijken meestal een beetje in zichzelf gekeerd. Waar denken ze aan? Dat denk je regelmatig. Ze zijn niet de illustratie van de teksten, ze zijn.

De teksten zijn puntgave beschouwingen, bewegingen, overwegingen, vragen, herinneringen… Ze cirkelen rondom het denken. Ze stellen iets, en daarna stellen ze zichzelf weer in vraag. Ze denken en kijken naar dat denken. Denken beweegt op een andere plek dan weten. Denken gaat door, de hele tijd. Denken gaat zijn eigen weg. En het is de enige weg. Je kunt er niet aan ontsnappen, toch niet in dit leven, je kunt er niet omheen, en je kunt het niet vatten. Denken opent een wereld, en denken sluit je in.

Als lezer beweeg je de hele tijd tussen de woorden en de beelden. De woorden staan steeds netjes in het midden van een blad, met veel wit eromheen. Daardoor lijken ze iets van hun autonomie te bevestigen. De portretten bewegen in een andere ruimte. Soms nemen ze veel plaats, soms niet. Soms zijn ze gedrukt op doorzichtig rood kalkpapier. De kleur rood houdt het hele boek bij elkaar.

Je kijkt naar die mensen, zij kijken naar iets, je weet niet wat het is. Ze lijken toeschouwers, misschien wel een klein beetje verloren gelopen in het leven. Van de kinderen denk je soms dat ze iets gezien hebben, iets te veel. Waar zullen ze terechtkomen later? Misschien zijn ze verdrietig, durven ze niet laten zien dat ze bang zijn. Misschien zijn ze gewoon een beetje in zichzelf gekeerd. Soms zie je mensen die erg alleen lijken. Soms zie je mensen dansen en springen.

En bij dat alles, door die teksten, door die beelden, zie je zoveel in je hoofd. Soms denk je: ja, het is die persoon die die woorden zegt, het kan niet anders. Soms drijft het uit elkaar. Eigen herinneringen komen terug. Soms voel je je een beetje betrapt, misschien dacht je wel dat jij de enige was die zo de hele tijd aan het denken was.

Gelukkig hoef je niet te weten voor welke leeftijd dit boek bedoeld is. Het zit ook op de wip tussen jong, heel jong, en oud, heel oud.

Een ander beeld dat opkwam, was dat van de schoolfotograaf. Hoe het vroeger was. De schoolfotograaf kwam. Op zoveel van die foto’s hangt een onwezenlijke sfeer. Te vaak werd je als kind in een pose gezet. Er werd te veel moeite gedaan om haren te kammen of te borstelen, waardoor je er ineens anders uit zag. Je moest stil blijven staan, serieus kijken. En zo vaak zag je nadien die lichte, bijna existentiële, angst in de ogen van dat kind op de foto. Je zag een kind met een soort breuklijn. Er hing al een zweem van het grote kind dat het ooit zou worden, maar dat was nog onbereikbaar. Op die foto’s zag je ook iets van die wip. De kinderen in de portretten van Ingrid Godon zouden misschien wel voor zo’n schoolfotograaf kunnen staan. De teksten van Toon Tellegen zijn vragen die door een kinderhoofd kunnen gaan, maar even goed door het hoofd van een grote mens. Misschien verdwijnt die blik in je ogen niet met het ouder worden, misschien leer je die gewoon beter verbergen. Misschien beweeg je wel steeds op de grens tussen jong en oud.

Denken is een vorm van ordenen van de chaos die het leven is. Je blijft ermee bezig. Het is een mooie manier van zijn. Dat besef je eens te meer terwijl je het wonderlijke boek Ik denk leest.

24 juli 2014

Een kort oponthoud op de weg van Auschwitz

Het kan zo anders lijken, maar soms halen de schaduwen je onherroepelijk in. Wat je hebt achtergelaten, het is er niet meer. Meer beschadigd dan velen vermoeden kom je terecht op een volstrekt nieuwe plek. Je wilt vooruit, want ook dat ben je verplicht aan zij die er niet meer zijn. Maar je lijkt wel vastgezogen in de spraakverwarring. De wereld draait door, anderen vinden dat er wel lang genoeg over toen is gesproken, ze willen vooruit. Er zijn geen woorden voor het onuitspreekbare, en al helemaal niet als je aan het apparaat moet verwoorden hoe beschadigd je bent. En het overleven van te veel gruwel en te veel plekloosheid leidt enkel naar de dood.

In het intens mooie en aangrijpende Een kort oponthoud op de weg van Auschwitz van de Zweedse auteur Göran Rosenberg probeert de schrijver te ontrafelen waarom zijn vader uit het leven stapte, zoveel jaar geleden. De Plek, dat is het Zweedse Södertalje, waar Rosenberg geboren wordt en opgroeit. Ergens opgroeien, dat is ook die plek veroveren, samen met alle verhalen die zo ontstaan. Je groeit in relaties, in verhalen, in een ruimte die zich ontwikkelt, in een gezin van mensen die je koesteren en alle kansen willen geven. Zo is het voor Göran. Voor zijn vader David was het een plek van aankomst, op 2 augustus 1947. Een plek waar alles zou beginnen, het nieuwe leven. Het werd een eindpunt, als een tijdelijk uitgestelde dood.

De auteur heeft het boek volledig in de tegenwoordige tijd geschreven. Hij loopt als het ware naast zijn vader, langs de verschillende haltes van diens tragische leven. Hij wil niet de toekomst (die in werkelijkheid al een verleden is ondertussen) er al bij halen. Hij wil zijn vader nog niet belasten met die toekomst, maar naast hem lopen, om zo te begrijpen wat hij als zoon nooit helemaal had kunnen vatten. Regelmatig spreekt hij zijn vader rechtstreeks aan, maar die antwoordt nooit.

Het verhaal van de Poolse Jood David Rosenberg begint in het getto van Łódź. Het is al bijna aan het einde van de oorlog als David vanuit het getto wordt weggevoerd naar Auschwitz. Vrij snel zal hij van daar weer worden verplaatst naar een werkkamp van de vrachtwagenfabriek Büssing in Braunschweig. Als de fabriek wordt gebombardeerd volgt nog een hele tocht, onder meer via Ravensbrück, tot hij aankomt in het nog in opbouw zijnde concentratiekamp van Wöbbelin. Het is daar dat de Amerikanen hem zullen bevrijden. Na verdere omzwervingen komt David uiteindelijk aan in Södertalje, waar hij al snel gaat werken in een vrachtwagenfabriek (van Scania).

Voor Göran begint de tocht van zijn vader op het station, waar de trein naar Auschwitz vertrekt. Dat is het punt waarop de definitieve breuk wordt gemaakt met de wereld van toen, de plek van toen. Voor dat moment was er nog een wereld waarin David opgroeide, met al zijn familieleden, een wereld met verwachtingen die – ondanks de werkelijkheid van de oorlog – zouden voortvloeien uit die plek. Na dat moment is er geen terugkeer meer mogelijk. Bijna al zijn familieleden zullen sterven in Auschwitz. Zijn jeugdliefde Hala ligt met haar hoofd op hem te slapen in de beestenwagon die hen naar Auschwitz brengt. Bij aankomst worden ze gescheiden. De twee zullen uiteindelijk weer herenigd worden in Södertalje.

Het is ongelooflijk knap hoe de auteur dit alles opbouwt. Als een observerende journalist wordt elk element van de tocht gereconstrueerd. Göran heeft al die plaatsen bezocht en via uitgebreid onderzoek in archieven elk puzzelstukje van het verhaal bij elkaar gezocht. Maar nooit wordt het een academisch onderzoek. Je voelt de hele tijd hoe hij naast zijn vader loopt, en samen met hem ontdekt hoe de dingen lopen. Stukken uit de brieven van David worden verwerkt, en die komen naast stukken uit kranten van die tijd. Het woordgebruik van de nazi’s wordt subtiel genadeloos ontleed. De auteur kijkt soms met meer afstand vanuit het nu naar toen, en brengt nuances in gangbare beeldvorming. Zo is het heel aangrijpend te lezen hoe hij kijkt naar het verhaal van de voorzitter van de Joodse Raad in het getto van Łódź. Die gedroeg zich in veel opzichten als een medeplichtige van de nazi’s, maar heeft er misschien mee voor gezorgd dat een aantal mensen pas later in Auschwitz terechtkwam, waaronder David. Er is de kwestie van de ‘slavenarbeid’ in de Duitse fabrieken. Toen er in de bezette landen geen dwangarbeiders meer te pakken te krijgen waren, onder meer door het oprukkende Russische leger, werden Joden uit het vernietigingskamp gehaald om in de fabriek te gaan werken. Wat de Duitse bedrijven deden, was moreel verwerpelijk, maar in het geval van David betekende het dat hij niet stierf.

En tussen al die beschrijvingen door gebruikt de auteur enkele sterke beelden, die steeds terugkomen: de plek, de schaduwen, de scherven, de brug, de spraakverwarring, … Die houden alles bij elkaar en onthullen op hun manier, voorbij de woorden, hoe David bijna onherroepelijk op zijn dood afstevent.
En als lezer zie je hoe David ogenschijnlijk goed begint aan zijn nieuwe leven in Zweden, hoe hij iets begint op te bouwen. David ziet een ‘project’ voor zich. Hij komt uit het duister, en in Zweden is er zoveel licht. Göran is een kind van dat licht. Maar David raakt niet uit de tentakels van de duisternis, de schaduwen liggen op de loer, en komen bijna geruisloos dichterbij. In de fabriek krijgt David steeds maar geen promotie. Het eigen huis komt er niet. Allerlei plannen komen niet van de grond. Wanneer hij een dossier moet indienen voor het verkrijgen van een compensatiepremie van de Duitse overheid (de Wiedergutmachung) gaat het fout. Hij kan, volgens de bureaucratische machinerie, onvoldoende bewijzen dat hij echt gekwetst is. En hoewel hij er voor de buitenwereld goed uitziet, wankelt hij vanbinnen steeds meer.

Als je het boek uitgelezen neerlegt, zie je die beelden weer voor je, en begrijp je waarom gebeurde wat er gebeurde. Er is geen plek meer van toen voor David, hij kan zijn kinderen niet meenemen om te zeggen: hier was het. Alles is weg. En zowat alle mensen die er nog overbleven  van toen, zijn ook weg uit die nieuwe plek in Zweden. De nog levende broer van David is naar Israël getrokken. De jaren na de oorlog zijn de jaren van de grote vooruitgang van de welvaartstaat Zweden. En hoe hij ook zou willen, het lukt niet voor David om niet weg te zinken in die nieuwe plek. De wereld rondom hem praat niet meer over de oorlog, wil vergeten en vooruitgaan. David is vanbinnen veel harder getraumatiseerd dan de buitenwereld ziet, of wil zien. Er is letterlijk en figuurlijk geen plek voor zijn wonden, er zijn geen woorden voor. Zijn psychische problemen worden groter en groter. Uit het leven stappen is voor hem de enige uitweg. De schaduwen hebben hem ingehaald…

Göran Rosenberg heeft met Een kort oponthoud op de weg van Auschwitz een indrukwekkend mooi boek gemaakt. Het is het verhaal van een vader en een zoon. Tussen hun beider werelden zit een kloof die nauwelijks te overbruggen bleek, een kloof geslagen door de tijd. Het boek is een teder eerbetoon aan een kwetsbare man die probeerde te overleven, maar te zeer geraakt was vanbinnen. Voor Göran, die een gelukkige jeugd had op de plek die zijn hele wereld was, is het boek als een brug in woorden naar de plekloosheid van zijn vader.

23 juli 2014

De hel



Sommige momenten denk je: misschien ben ik wel een beetje raar. Ik zou een lijstje kunnen maken met ‘rare dingen van de Jean’. Ik heb me ondertussen trouwens al lang verzoend met dat raarzijn. En misschien geldt dat ook wel voor mijn dierbaren.

En dan ineens lees je een artikel, en denk je dat het eigenlijk allemaal nog best meevalt. Er blijken mensen zo maar los rond te lopen die pas echt weird zijn… Zo is er ene Ken Ham, een creationist, die CEO is van Answers in Genesis. In zijn woorden ben ik een secularist, en dat zou dan het hardnekkig niet willen zien van gods schepping moeten zijn, of zoiets.

In elk geval, de heer Ham heeft ook uitgesproken ideeën over buitenaardse wezens. (Hij vindt dat hij verkeerd geciteerd wordt, maar wie zijn zogenaamd verhelderende teksten leest, kan alleen maar denken dat de marsmannetjes al onder ons zijn, in de figuur van de heer Ham.) Nu moet ik eerlijk bekennen dat ik dat zoeken naar buitenaards leven eigenlijk een beetje onnozel vind. Statistisch gezien zou het best kunnen dat er ergens anders nog leven is (it’s life Jim…). En dan? Fijn toch. Verandert dat iets aan hoe ik mezelf zou moeten zien als mens? Ik zou niet weten waarom. Het hoeft niet. Als we al onze immense collectieve intelligentie en onze schaarse middelen zouden gebruiken om alle mensen op deze planeet een waardig leven te geven, dan zou dat al geweldig zijn. En dat we de ultieme vragen over wat er voorbij de oerknal was niet kunnen beantwoorden, dat lijkt me helemaal niet erg. Dat de mens misschien niet meer is dan een schitterend ongeluk (zoals in de mooie VPRO-reeks van jaren geleden), dat lijkt me ook helemaal niet erg. En dat anderen die wel geloven zich beter voelen bij de gedachte dat er een grotere orde is en dat zij een unieke persoon zijn, die niet zomaar verloren kan gaan, daar heb ik geen moeite mee, en ik gun hun die hopelijk rustgevende gedachte van harte.

De heer Ham vindt dat zoeken naar buitenaards leven ook onzin, zij het om diametraal tegengestelde redenen. Volgens hem is die zoektocht ingegeven door de rebellie van de mens tegen god, in een wanhopige poging om de veronderstelde evolutie te bewijzen. Oeps. De aarde is volgens hem speciaal geschapen voor de mens. De zonde van Adam had betrekking op het hele universum, maar alleen de nakomelingen van Adam kunnen gered worden. Aliens zijn dus wel geraakt door de zonde van Adam, maar - mochten ze bestaan - ze kunnen niet gered worden.

Ik heb hem dus maar even opgebeld met enkele prangende vragen. Het werd een klein beetje een dovemansgesprek, zoals te verwachten.

‘Het zijn toch mensen die de verhalen in dat boek hebben geschreven. Misschien is dat wel een grote blijk van liefde van god dat hij/zij het aan de mens heeft toevertrouwd om in menselijke woorden verhalen op te schrijven. Verhalen kunnen bedoeld zijn om inzicht te geven, via symbolen, via verhaaltechnieken, en misschien krijg je zo zicht op iets moois. Als god bestaat, zou dat toch een mooi geschenk zijn. Ik kan me niet voorstellen dat god zou willen dat woorden in dat boek letterlijk moeten genomen worden, integendeel eigenlijk. Dat zou anders toch van weinig liefde voor de mens getuigen, en god is liefde, hebben ze mij altijd gezegd.’ Nou, de heer Ham begon daar even te razen aan de telefoon. Je merkte goed dat hij zijn best deed om niet te vloeken. Dat ik vervloekt was, dat was wel duidelijk…

‘Ik heb ook nooit goed begrepen dat mensen kunnen zeggen: dit stuk grond is van ons, want het staat in het boek. Of dat ze zeggen: jij bent een minderwaardige mens, omdat jij niet aanvaardt wat er in het boek staat. Dan zeg je zo eigenlijk toch: jij moet dood omdat jij niet vindt wat ik vind dat jij moet vinden. Dat gaat volgens mij weer over mensen. En misschien wou god met een verhaal zeggen: ik ben het symbool van de hoop, de hoop dat jullie ooit veilig en thuis zullen zijn, niet meer verdwaald in de chaos van deze wereld. Dat is toch mooi, maar is die hoop niet genoeg? Dat zou toch een mooie god zijn? Als ik, die niet in god geloof, mijn hele leven mijn best doe om een goed mens te worden, en om andere mensen als mijn gelijken te behandelen, dan doe ik toch hetzelfde als mensen die hun inzet kunnen motiveren door die hoop? Maar toch zal ik niet gered worden, en ga ik dus naar de hel. En die andere moet dan blijkbaar vooral een godvrezende mens zijn. Dat is toch een rare vorm van liefde? En dat mensen met elkaar vechten over letters, is dat niet raar? Dat mensen eindeloos met elkaar kunnen discussiëren over de hoop, zonder ooit het definitieve antwoord te vinden, dat zou mooi zijn, en daar zou god dan toch alleen maar heel blij mee moeten zijn.’ Van de heer Ham kreeg ik andermaal een eindeloze reeks citaten uit het boek die volgens hem bewijzen dat het is zoals het is (volgens de heer Ham, overigens ook een mens, veronderstel ik toch). Het gaat volgens hem over een onwankelbare waarheid, en ik weiger dus systematisch die waarheid met een grote W te aanvaarden.

‘Ik begrijp ook niet goed waarom je zo hardnekkig wilt dat de geschiedenis van de aarde is gelopen zoals dat in een verhaal in een boek staat. Als we via de wetenschap dingen te weten komen over hoe de evolutie is gelopen, en dat we daarbij terug kunnen gaan tot aan de oerknal, en dat we via die weg niet weten wat er dan voor die oerknal was, dat maakt toch voor god niets uit, denk ik dan. Als je dan toch in god gelooft, dan heb je het toch niet nodig om elk element van de werkelijkheid met alle geweld zo te interpreteren dat het ondubbelzinnig past in een schema dat komt uit een verhaal dat geschreven is door mensen. Dat lijkt me zo ongelooflijk krampachtig. Iemand die gelooft, en die daar rust in vindt, die heeft zoveel krampachtigheid toch niet nodig? Dat je kiest voor een aantal rituelen, als menselijke uiting van je verbondenheid met iets dat groter is dan jezelf, dat is mooi, en het is de taal van mensen, net als de woorden in een boek. Als er een god bestaat, een god die van de mens houdt, dan zou die toch vragen aan de mens om zichzelf te ontstijgen (de zoon heeft het voorgedaan, zou je kunnen zeggen) en meer mens te worden dan hij of zij was, en zich over te geven aan universele goedheid, aan liefde en vergeving, aan mildheid en nederigheid, aan een open en ruimdenkende geest (dat is ook eenvoudiger te begrijpen dan die vurige tongen trouwens).’ De heer Ham zat zo ongeveer te schuimbekken aan de andere kant van de lijn. Hij riep me toe dat ik totaal verloren was, gedoemd om te branden, door mijn onwil om de hogere orde der dingen te zien. Er was geen twijfel mogelijk: ik was een slechte mens.

Ik had altijd gehoord van mijn vrienden die geloven dat het geloof hen gelukkiger maakt, soms toch. In het geval van de heer Ham begon ik er toch een beetje aan te twijfelen. Zelf voelde ik me nog gelukkiger dan voor het telefoongesprek. Misschien valt dat raarzijn van mij nog wel heel erg mee.

20 juli 2014

Een volle maan

De avond ruikt anders, bij volle maan.

‘Bijna een uur heb ik daar gestaan, bij de brievenbus. Met die brief aan jou in mijn handen. Wel of niet versturen, ik wist het niet.’
‘En weet je het nu al? Kijk hier ligt hij, en je ziet dat ik hem al vaak gelezen heb. Ik hield hem de voorbije dagen dicht bij me. Hier.’
‘Ik werd ’s nachts wakker uit een woelige droom. Even wist ik niet meer waar ik was. En toen kwam het als in een flits: ik moet haar een brief sturen, het kan niet wachten. Soms ben ik ineens bang dat jij niet zult weten hoeveel ik van je gehouden heb. Het zou zomaar verloren kunnen gaan, in de plooien van de tijd.’
‘Het is niet verloren gegaan. Ik wist het, en je hebt het nog eens geschreven in je brief.’
‘Het was het licht bij de brievenbus. Pas later besefte ik het, dat ik had staan wachten op het licht. Tot het goed was, tot het ja zei.’

Ze kijkt naar buiten.

‘Vroeger, toen we nog samen waren, moest ik bij een mooie lucht vaak aan jou denken. Dan zag ik de lucht, en wou je meteen bellen of zo, om te vragen of jij de lucht ook had gezien. Maar eigenlijk hoefde ik niet te bellen, ik wist het altijd. Nu is het de volle maan. Als ik in bed lig, en het is volle maan met een heldere nacht, dan denk ik aan jou. Maar nu weet ik niet meer of jij de volle maan ook hebt gezien.’
‘Misschien moet je eens bellen dan?’
‘Ja, misschien wel. Of misschien ook niet.’

Hij slaat zijn ogen neer.

‘Wat zouden de mensen denken die daar voorbij lopen en ons hier aan dit tafeltje zien zitten? Wie zouden ze denken dat wij zijn?’
‘Hopelijk zien ze de volle maan niet. Want die is van ons.’
‘Er zijn van die woorden die ik niet meer kan gebruiken sinds we niet meer samen zijn. Woorden die hoorden bij jou, bij jouw lichaam, bij hoe ik je in mij voelde.’
‘Wie weet zijn die woorden daar wel ergens, in die heldere nacht.’

Zij streelt zijn wang.

‘Dat ik zelf verdwijn, dat ik zomaar dood zou kunnen gaan midden in de nacht, alleen thuis, daar kan ik mee leven. Maar dat ik niet zou weten of onze liefde is opgemerkt door de tijd, dat is een moeilijk te dragen gedachte. Daarom wou ik die brief maken, denk ik.’
‘Vorige week vond ik nog een brief van jou terug uit die tijd. Ik herinner me hoe het was toen. Als er een brief kwam van jou, wou ik die eerst voelen op mijn buik. Ik was altijd ongeduldig, maar toch moest het zo.’
‘Om de woorden op te warmen?’
‘Misschien zijn het de woorden die blijven. Je hebt gelijk, ik herinner me de woorden die van ons waren. Het is goed dat je ze niet meer gebruikt, dat wij ze niet meer gebruiken. Ze zijn aangeraakt, en dat moet zo blijven.’

Even lijkt het of zijn ogen vochtig worden.

‘Wist jij dat het vanavond volle maan zou zijn toen je dit moment voorstelde?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Bij de vorige volle maan lag ik trouwens ook wakker ’s nachts.’
‘Waarom heb je me dat niet verteld?’
‘Ik weet het niet.’

Zij kijkt naar de maan.

18 juli 2014

De plot van de liefde

Je bent een beetje in de war. (Misschien is dat overigens wel jouw normale manier van zijn, een beetje in de war.)

Je had een vraag gekregen om een verhaal te schrijven voor een site met verhalen. Na enige aarzeling had je dat toch maar gedaan. Helemaal goed voelde het niet vooraf, maar je weet niet waarom.

Het duurde allemaal een beetje lang, maar je kreeg ondertussen het bericht dat je verhaal niet zal gepubliceerd worden. Om verschillende redenen.

Op zich is dat allemaal niet zo erg. De dingen die men blijkbaar niet goed vond, waren de dingen die je net beoogde met je tekst. Dat wil natuurlijk nog niet zeggen dat het ook gelukt was. En het zal ook best wel kunnen dat je verhaal niet goed genoeg was, en dat zij andere verhalen beter vonden.

(Soms denk je overigens ook zelf dat je helemaal niet kunt schrijven. Dat heeft iets te maken met wie je bent. Iets met een drempel.)

(En soms denk je dat je heel goed weet wat je zoekt, in de tekstjes die je schrijft. Ze falen dan wel vaak, maar ergens in je hoofd zie je de tekst van je verlangen. Als je nu nog de rest van je leven oefent, kom je misschien een klein beetje dichter.)

(En soms heb je moeite met verhalen die iets te opzichtig een verhaal willen zijn. Je ziet hoe ze zijn opgebouwd. Je ziet het bordkarton van het decor. Maar je voelt niets trillen aan de achterkant van de woorden. Je voelt niet hoe ze noodzakelijk zijn.)

(Misschien zoek je dat. Woorden die als stipjes net boven het water uitkomen. En wat er gebeurt, het verhaal, dat bevindt zich aan de andere kant. Het verhaal zit als het ware niet al te zeer in de woorden zelf, maar voorbij, of achter de woorden. Daar waar de dingen niet uitgesproken worden, of kunnen worden.)

(Maar, zoals je zegt, het is een verlangen. Het verlangen van een falend en zeer onvolmaakt en ook wel een beetje bang jongetje. Als de tekst het niet doet, als de tekst geen plek kan zijn, dan werkt het gewoon niet, natuurlijk.)

Een van de dingen die je te horen krijgt als blijkbaar een minpuntje van je verhaal is dat er geen plot is. Daar moet je even over nadenken.

(Je denkt: trouwens, een kort verhaal is geen roman, het mag een flard zijn. Je denkt: doe niet onnozel, probeer jezelf er niet uit te praten.)

(Het verhaal gaat over een ontmoeting tussen twee voormalige geliefden. De volle maan speelt er een belangrijke rol in. Ze zijn onwennig. Er is de afstand, van de tijd, en van andere levens ondertussen. En er is de herkenning, van dat wat gebleven is. De herinnering van de droom. Er is het onvermogen, het onvermijdelijke onvermogen. Ze praten een beetje naast elkaar. Verlegen. Ze zeggen veel dingen niet, waarschijnlijk. Sommige dingen mogen niet gezegd worden. Het verhaal is een moment. Alsof je als lezer binnenkomt in een café, en de tafel naast hen neemt. Je hoort flarden van een gesprek, je zou daarmee een verhaal kunnen maken.)

Je houdt van dat soort verhalen, merk je. Je houdt van teksten die zich niet prijsgeven. Waarschijnlijk is de voormalige liefde ook jouw echte specialiteit. Misschien wel de enige.

Heb je iets geleerd van de liefde? Misschien wel een paar dingen. Zoals: de liefde verloopt niet volgens een plot. Het blijft toch geweldig, hoe mensen in boeken of films tegen elkaar praten in volledige zinnen. Het is mooi, en het sluit aan bij een diep verlangen, dat er in boeken of films een lijn zit in de liefde. Met hindernissen, en hier of daar een crisis, vinden ze elkaar. Of vinden ze elkaar niet, terwijl je als lezer weet dat het wel zo zou moeten zijn.

In het echt merk je dat je zelf niet in zo’n mooie volzinnen kunt spreken. Soms oefen je er wel eens eentje in, die je dan op het juiste moment in de groep kunt gooien. En alles wat niet lukt in die drassige werkelijkheid, dat kun je soms wel in een brief. Daar kun je de woorden netjes naast elkaar zetten. Een zin met een punt.

De echte liefde rammelt en schuurt. Verlangen en onvermogen vergezellen elkaar. Wat je zou willen kunnen zeggen, het zwerft door je hoofd. Als je je eigen falen al zou begrijpen, dan heb je er daarom nog niet de woorden voor. De ander kan je sprakeloos maken, en met warmte vervullen. En soms heb je geen idee wie die ander is, en vraag je je af op welk eiland je gestrand bent.

En de tijd gaat wel verder. In de liefde zit een belofte. De belofte van tijd, van een liefde die de tijd zal duren. En misschien zelfs overleven. De belofte dat je zo een lijn zult voelen in de dingen, een zin, een richting. Van een vertrekpunt naar een bestemming. Een plot als het ware.

Tegelijk is je ervaring, in de liefde, in het leven, veel rommeliger. Je ervaring is vaak veeleer een hier en nu, zonder enig idee waar je bent, zonder besef waar je naartoe gaat. Het spreken gaat veel meer via flarden, woorden die op elkaar afketsen, die onvolmaakt en stuntelig zijn. Het lijkt alsof je zelf ook regelmatig in het fragment woont waarvan de lezer aan de andere tafel getuige is.

En op een of andere manier zweeft er wel een verhaal boven dat rommeltje waar je in zit. Het rust soms meer in de lege plekken tussen de woorden. Het is een naakte en stille versie van de verhalen die we elkaar vertellen. Het is een mooi verhaal.

Misschien is dat je droom wel, een verhaal schrijven dat dat zwevende verhaal niet is, maar het wel laat vermoeden, en het bijna onthult. Bijna.

(Je denkt: dat heb je weer sierlijk gezegd, maar dat wil nog steeds niet zeggen dat je het ook zou kunnen. En zo blijven we bezig…)

16 juli 2014

Beatmuziek

Woorden zijn werelden.

In een of ander gebied in de nabije verte wil een burgemeester een groep zigeuners verjagen. Met inzet van gesofisticeerde middelen. Die dragen de naam van DJ Jos. DJ Jos dient over te gaan tot het uitvoeren van een geluidsbombardement. Bij navraag denkt hij eraan te beginnen met enkele Vlaamse schlagers. Aan de burgemeester wordt ook gevraagd welke muziek hij verwacht dat ingezet zal worden voor deze speciale missie. Zijn antwoord is: “Beatmuziek.” Je leest het nog eens opnieuw, en er staat wel degelijk beatmuziek. Je kijkt voor alle zekerheid na of we nog steeds leven in het jaar 2014. Dat blijkt het geval te zijn. Even dacht je terug aan het legendarische optreden dat je met je neef bracht, toen je een jaar of acht of zo was. Uitgevoerd met diverse metalen deksels. Boven op een afdakje, ter hoogte van het kippenhok. Het nummer was enigszins repetitief van aard, en bestond basically uit één zin: “Ik zen nen Beatle zonder haar.” Gelukkig bestaan er van dat nummer geen demo’s. Ze zouden evenwel erg nuttig zijn als antiterroristisch wapen.

Het woord vernedering wordt door sommige mensen iets te gemakkelijk gebruikt. Het aantal personen van het mannelijk geslacht bij die sommige mensen is buitenproportioneel hoog. Onlangs zag je er nog een op de televisie. De gruwel in kwestie is ooit nog een tijdje president van Frankrijk geweest. In real life is hij van het korte type. Sommige gezagsdragers van het enigszins korte type ontwikkelen soms een redelijk hoog brulgehalte. De man in kwestie was opgepakt in het kader van een gerechtelijk onderzoek naar corruptie. Hij was een beetje lang ondervraagd. Iedere normale mens zou na zo’n zaak een klein beetje beschaamd in een hoekje kruipen, en aan zijn of haar vrouw vragen: “Schat, kun jij vandaag even naar de winkel gaan voor een flesje melk? Ik zie het niet echt zitten.” Maar niet het vilein heerschap in kwestie. Nee, die laat zich uitnodigen voor een tv-programma, in prime time. Die man is zo’n zielige übermacho dat er zelfs al testosterondampen uit de krant opstijgen als enkel nog maar zijn naam genoemd wordt in een artikel op pagina zeven. (Hij gebruikt ongetwijfeld Tabac als aftershave…) Die ondervraging was volgens hem alleen politiek gemotiveerd, en het was bovenal… een vernedering. Een vernedering van een groot staatsman, van een belangrijke mens quoi. Dat hij mensen ooit als tuig omschreef dat met een hogedrukreiniger moest worden verwijderd, was misschien ook wel een beetje kwetsend, maar dat mocht dan misschien of zo, want dat waren geen belangrijke mensen. Voortgedreven door een interstellair ego gaat hij verder, en zegt dat hij wel wil terugkeren “als het volk hem roept”. Mensen die van zichzelf geloven dat ze een messias zijn, en in al hun goedheid bereid zijn de veronderstelde achterlijkheid van de rest van de schepping nog even te tolereren, tot ze ‘geroepen’ worden, er moet daarover in de DSM een omschrijving te vinden zijn.

De formulering gemiste kans kan mooi zijn. Misschien heb je de ultieme kans gemist om aan die mooie vrouw te zeggen dat je haar in je dromen zou willen toelaten. Misschien heb je de kans gemist om te zeggen dat het je spijt wat je die dag eerder deed of zei, waardoor de liefde tussen je vingers glipt. Het zullen litteken blijven op je hart. Dat zou een gemiste kans kunnen zijn. Maar een schepen die zegt dat de Vlaamse beweging een fout maakte door geen merchandising te maken op basis van de Vlaamse Leeuw rond het WK en de Rode Duivels, dat is – laten we zeggen – van een andere orde qua existentiële dimensie. Het WK zou zo een Belgisch verhaal geworden zijn, terwijl het even goed een Vlaams verhaal had kunnen zijn, nog steeds volgens die man. En dat is dan “een gemiste kans”. Die gemiste kans wordt dan weer goedgemaakt, want burgers die een leeuwenvlag aan hun raam hangen kunnen “schone prijzen” krijgen. Die DSM ligt nog ergens in de buurt waarschijnlijk? In de goede oude communistische traditie zijn er mensen die vinden dat als hun schema niet op de werkelijkheid past de werkelijkheid maar moet worden aangepast aan hun schema. De man in kwestie is geen lid van een of ander communistisch fanclubje, maar van een partij die steevast beweert namens ‘de’ Vlamingen te spreken. Dat hij wel zal bepalen aan welke criteria je moet voldoen om als een ‘echte’ Vlaming te worden beschouwd, en dat gelukkig toch heel wat mensen helemaal niet door anderen willen gemodelleerd worden als echte Vlaming, dat zal ook wel een gemiste kans zijn waarschijnlijk?