20 augustus 2017

De tijd krijgen

Wat een mooie namiddag, denk je. Hoe de dingen in elkaar passen. Hoe vanzelfsprekend het lijkt. En misschien wel is.

Dat jurkje staat jou goed, kijk maar. Bij dat jurkje zou je je haar best zo doen. En die kleur staat wel bij jou. (Je hoort het jezelf zeggen.)

En zo door de straat lopen.

Het is zo raar dat je ’s avonds ineens weg moet gaan.

Het heeft iets met tijd te maken, met de tijd.

Ergens in de nacht lig je wakker. Beelden komen in vertraging. Het eiland in de nacht ontroert je.

Een beetje wrakkig nog de ochtend.

Tussen de boodschappen en de andere dingen door heb je nog klussen te doen, verslagen te maken, en zo. En je zou eigenlijk graag de tijd voelen. En je lichaam is eigenlijk te moe, en een beetje in de war, ook.

Op weg naar de begrafenis. Je rijdt traag.

In de kerk ga je opzij zitten. Je denkt dat er nog wel veel mensen zullen komen. Die mensen die komen zullen wel allemaal familie of dichtere vrienden of zo zijn, en zullen dus zeker graag in het midden zitten. Net voor de dienst begint is dat ene plekje aan de rand van het midden nog altijd open. Je gaat er toch maar zitten, en bent blij dat je er dichter bij bent.

Je hoort een verhaal dat je erg raakt. Ze vertelt over de negen maanden die ze extra kreeg. En je bent blij voor haar.

Een dierbare vriendin gaat naar de microfoon. Je bent er ook een beetje voor haar. Je weet en voelt hoeveel verdriet ze heeft. Je tranen zijn voor haar.

Buiten zie je iemand die zo lang geleden heel erg belangrijk was in je leven. Hij komt naar je toe en vraagt of je hem nog kent. Natuurlijk. Je bent een beetje verlegen, nog altijd. Je probeert zo spontaan mogelijk te zeggen dat je nog steeds heel erg dankbaar bent voor wat hij voor je deed. (Nadien vraag je je af of je het wel duidelijk genoeg hebt gezegd.) Iets met de tijd.

Je begint aan de verslagen. Het klopt niet helemaal met wat je lijf zegt en vraagt.

Je vertrekt naar die andere stad.

Je buik zit in een andere tijd. Of jij zit in de verkeerde, dat zal het zijn. (Je weet al wat er zou kunnen gebeuren.)

De reis bevestigt iets.

Je loopt rond op het terrein. Overal zijn mensen aan het dansen. Het is heerlijk om hen te zien. Een stukje van je is moe. Een ander stukje zou willen meedansen. Je denkt aan iemand. (En net dan komt ze naar je toe, zo ongeveer.)

Waar je voor kwam. Je zit vooraan om het stuk te zien. De twee vrouwen bewegen over het zwarte vlak. Ze dansen. De tranen overmensen je. (Eigenlijk zijn er te veel mensen rondom jou, denk je. En eigenlijk moet iedereen stil zijn. En eigenlijk mag er niemand een sigaret roken, of te vroeg klappen. En eigenlijk mag niemand iets negatiefs denken over haar.) Je bent trots op haar.

Je gaat het haar nog even zeggen, en dan verdwijn je.

Buikmachteloosheid.

Na middernacht is het weer beter. (Je moet de tijd nemen.)

De volgende ochtend is het weer vroeg.

In de trein. (En je zou zoveel aan iemand willen vertellen, en zo.)

Die treinrit op zondagochtend is de tijd voor een hele weekendkrant. (En je weet weer waarom je die ene weekendkrant altijd op zaterdag en die andere op zondag wilt lezen.)

(Weer een beeld over samen de krant zitten lezen.)

De meneer van de bus laat de zingende kinderen in zijn bus komen. Ze lopen door de gang om geldstukjes op te halen.

Je ziet iets van het dorp, weer.

Een mooi bezoek. Trage verhalen. Je hoort jezelf zeggen dat je gelukkig bent.

(In de bus denk je een beetje rusteloos aan iemand, het is alsof je te ver weg bent.)

In de trein. Je leest het boek uit waarin je de vorige dag begonnen was. Iets van je zou willen dat de andere mensen in de trein alleen maar stil zouden zijn.

Op weg naar huis zie je de wielrenners nog.

Het verslag moet nog af.

Na het eten kun je eindelijk de keuken weer opruimen. Iets valt terug in de juiste plooi.

Straks zijn alleen de verhalen er nog, en de tijd voor de verhalen.

17 augustus 2017

Glorieus

Aarzelende omwegen.

Handen zijn soms onhandig.

Je kunt bang zijn van niet bang zijn.

Het ritme van de voetstappen, en hoe lekker dat is.

Je kijkt naar je handen.

Soms vergeet je dat je zenuwachtig was.

Je had een woord gezocht, en het is het juiste.

Je kunt ook traag giechelen.

Het licht als een zoete gloed.

Hier zijn, terwijl de tijd daar is.

De geur van het bos.

De woorden herwoorden zich.

Nadien denk je aan een partita van Bach.

Oud genoeg zijn om nieuw te zijn.

Wachten op een adem.

En hoe mooi het gesprek is.

Je oefent ook in zakelijke mededelingen, naar het schijnt.

En iets over schoonheid.

Het water.

Er valt geen meteoor uit de lucht.

Het wonderlijke herkennen.

Het is goed.

Hoe kort kan een samenvatting zijn.

Alleen maar hier willen zijn.

Ook nog denken aan wonderlijke toepassingen van rugzakhoesjes.

(Nadat je er jaren over gedaan had om te ontdekken dat die aanwezig waren.)

Het mag.

Het litteken legt zichzelf uit.

Kijken.

Spinazie is lekker.

Je hoopt dat je buik je metgezel zal zijn.

Alles is er.

Beelden gaan dagen door je huid.

Je kale hoofd voelt niet zomaar kaal.

In de golf zijn, de golf zijn.

Feilloos de weg terugvinden, nummer 76.

Het is echt.

Wel nog die teken vergeten, en of dat een teken is.

Voorzichtig.

Blauw sijpelt weg.

En iets met geluk.

14 augustus 2017

Idaho

Een troostend mooi boek over een verschrikkelijke gebeurtenis. Een kind sterft, in vreselijke en niet te begrijpen omstandigheden. Je zou er een lineair chronologisch verhaal van kunnen maken. Wat ging vooraf aan dat moment, waarom gebeurde het, wat gebeurde er juist, wat gebeurde er daarna, … Het zou lijken alsof dat ene moment een knoop is in een lange rechte lijn. Je zou er ook voor kunnen kiezen om op allerlei plekken in de tijd te gaan staan en daar te kijken naar de verhalen die rond de personages zwermen. Alsof je het landschap zou beschrijven waarin iets gebeurde. Dan krijg je een web van verhalen, lijnen die allerlei richtingen uit lijken te gaan en elkaar toch raken. Mensen die stamelend en zwijgend omgaan met verlies, schuld, liefde, onvermogen en het verlangen om iets te helen. Idaho (ook vertaald in het Nederlands), het indrukwekkende debuut van de Amerikaanse schrijfster Emily Ruskovich is een boek waarin je het zwijgende landschap kunt ruiken en waarin de woorden uit de mist komen en je verwarmen.

Bij het begin van het boek maken we kennis met Ann en Wade. Ann is het personage waar – gezien vanuit de lezer – de meeste verhalen omheen cirkelen. Al onmiddellijk merk je dat er iets ergs gebeurd is, enkele jaren geleden. Wade was toen nog getrouwd met Jenny. Ze hadden twee kinderen: May en June. Om een onverklaarbare reden heeft Jenny haar dochter May gedood. June vluchtte weg en is nooit meer gezien. Jenny gaat naar de gevangenis. Ann is ondertussen getrouwd met Wade en probeert grip te krijgen op wat er gebeurde en op haar eigen plaats in het kluwen.

In het boek gaan de hoofdstukken heen en weer door de tijd, voor en na het incident. Bij elk personage krijg je verhalen. Fragmenten vullen zo beetje bij beetje de plekken in het landschap in. Heel veel blijft onuitgesproken.

Ann had Wade leren kennen via de pianoles die ze gaf, nog voor de verschrikkelijke gebeurtenissen. Als ze jaren later samen in hun huis in het bergachtige landschap wonen is het alsof zij de herinneringen moet beheren. Ze probeert voorzichtig van Wade te weten te komen wat er op dat specifieke moment gebeurde. Ze probeert de meisjes dichter naar zich toe te halen. Wade verdwijnt langzaam. Hij kan weinig zeggen over dat ene moment en schuift weg in een vroegtijdige dementie, een familiekwaal. Uiteindelijk leven de meisjes alleen nog in het hoofd van Ann. Het is ingewikkeld voor haar, omdat ze ook denkt dat ze op een of andere manier een rol zou hebben gespeeld in de dood van May.

In de sprongen door de tijd maak je kennis met de levens van de verschillende personages. Je ziet hoe Jenny en Wade elkaar leerden kennen. Er is het verhaal van de vader van Wade, met zijn verzwegen geschiedenis. De complexe relatie tussen de twee zusjes wordt erg ontroerend beschreven. Er is een jongen die door een ongeluk een been verliest. Er is een man die tekeningen maakt van ouder wordende verdwenen kinderen. Er is zelfs de prachtige beschrijving door de ogen van de hond die in het bos het spoor probeert te vinden van de gevluchte June.

Ann laveert tussen dit alles door en probeert om te gaan met haar eigen twijfels en machteloosheid. Ze probeert iets te herstellen van de pijn van Wade, terwijl hij stap voor stap verdwijnt in een zacht vergeten.

En dan is er Jenny. Zij heeft zich in de gevangenis toegelegd op een extreme boetedoening. Ze wil zwijgend verdwijnen in haar schuld. In de loop van de jaren komt ze uiteindelijk terecht in een cel met een andere vrouw, Elizabeth. Ze worden, op een heel stille manier, vriendinnen. Ze vinden een soort van genade in zichzelf.

Ook Ann kan zich uiteindelijk verzoenen met de tijd. Ze vindt een nieuwe plek voor zichzelf in dat landschap dat ondertussen zoveel seizoenen verder is. Ze kan op een ontroerende manier enkele verhaallijnen samenbrengen en zo enkele wonden helen.

Wie als lezer een spannend, rechtlijnig moordverhaal verwacht met duidelijke antwoorden op de waaromvraag, is eraan voor de moeite. Als de vreselijke dood van het meisje de steen is die in de vijver wordt gegooid, dan beschrijft het boek de rimpels op het water en het nog gladde oppervlak voor de steen kwam. En elk fragment, elk verhaal, lijkt dan weer een vijver op zichzelf. Het landschap is een stille getuige.

Het is zonder meer indrukwekkend hoe Emily Ruskovich het verhalenweb laat bewegen, in prachtige zinnen met een grote, ingehouden, intensiteit. Wat doen herinneringen met mensen en wat doen mensen met herinneringen, misschien is dat wel een van de stuwende thema’s. Het is eindeloos mooi hoe doorheen het hele boek mensen die herinneringen in hun armen dragen en langzaam een vorm van genade vinden in de tijd. De prachtige vorm van het boek draagt troost uit. De lege plekken, de dingen die niet gezegd worden, niet eens gesuggereerd, zijn even mooi als wat wel gezegd wordt. De onbeantwoorde vragen blijven onbeantwoord en dat is niet eens zo erg. Het leven verloopt niet als een lineair verhaal, is vaak meer als een modderig en mistig landschap, met daarin stotterende verhalen.

Idaho is een heel erg mooi boek.

10 augustus 2017

De ruimte

‘Ik houd er wel van, wat jij met de ruimte doet.’
‘Doe ik iets dan?’
‘Ja. Je neemt de ruimte mee in. Hoe je beweegt, hoe je hier rondloopt. Het brengt me in de war, en het troost me. Misschien voel ik nu ineens hoe deze plek daarvoor alleen mijn plek was. Alle bewegingen, alle routines, de tijd, het ritme.’
‘Heeft een plek een ritme dan?’
‘Ja, wist je dat dan niet?’
‘Nee, maar je blijft me verbazen.’
‘Oef.’
‘Onnozelaar.’
‘Ook in mijn hoofd. Misschien is mijn hoofd hetzelfde als dit huis. Doordat jij er beweegt, en plek inneemt, besef ik ineens hoe de ruimte is, en was. Het verwart me, dus, en dat is een heel goede zaak.’
‘Weet je, het is niet zo moeilijk. Deze plek heeft me ontvangen. En dat was jij, alleen geloof je dat zelf niet.’
‘Het maakt me verlegen, als je zoiets zegt.’
‘Dat hoeft niet.’
‘Is dit echt allemaal?’
‘Ja.’
‘Als ik soms even niet weet wat te zeggen, dan is het omdat ik probeer te kijken, en tegen mezelf zeg dat het waarschijnlijk echt is.’
‘Kijken, dat doe je wel graag.’
‘Oei, valt het op?’
‘Ja.’
‘Is dat erg?’
‘Nee.’
‘Haha.’
‘Ik zal het ook even zakelijk zeggen: er zijn diverse fijne plekjes hier.’
‘Vergeef me als ik soms toch een beetje ver weg lijk of zo. Geluk is soms een beetje veel voor mij, of zoiets. Nadien komt dan alles weer terug, keer op keer. En dan zie ik het beter, rustiger.’
‘Je bent niet ver weg hoor, maak je maar geen zorgen.’
‘Nadien, of in de nacht, komen dan de woorden. Dan zie ik de woorden die ik had moeten kunnen zeggen, dan komen ze dichterbij.’
‘Maar je bent wel gebleven, de hele tijd.’
‘Tijd is goed. Trage tijd is goed, heel goed. Zeg ik dat wel genoeg?’
‘Je doet het toch nu.’
‘Ja, misschien wel. Als je trager stapt, zie je al de stappen. Alle tinten tussen de ene kleur en de andere. Het lijkt soms gemakkelijker om van de ene in de andere kleur te springen, omdat je dan niet moet kijken. Maar als je traag gaat, zie je hoe al die kleine stukjes van de ruimte worden ingevuld. Van elk stukje zou je kunnen weglopen. Omdat elk stukje je kan ontroeren. Omdat elk stukje zomaar echt zou kunnen zijn.’
‘We doen dat goed.’
‘Ik merk het, als je weg bent hier, telkens. Dat de ruimte is veranderd. De lijnen lopen anders. Er lijken knooppunten te zijn, waar dingen bewegen. Daar was een beweging, en de ruimte herinnert zich dat. En daar zijn verandert de lagen onder mijn huid.’
‘Als ik hier ben moet ik dus veel bewegen?’
‘Vooral juist bewegen.’
‘Hoe moet dat dan?’
‘Dat weet jij alleen.’
‘Dat is bijna nuttig.’
‘Bijna.’

06 augustus 2017

De plek waar je misschien niet durft komen

Je leest het mooie dubbelinterview in de bijlage bij de weekendkrant. Met de acteur en de choreografe, zo worden ze aangekondigd. Met twee dansers.

En het raakt je erg.

Het is heftig, en intens, echt. Het maakt je klein.

Je voelt iets van de noodzaak die hen drijft. Kunst kan onvermijdelijk zijn. Er is moed voor nodig.

Het valt je zo vaak op, als je verhalen leest over kunstenaars. Of het nu dansers, schrijvers, acteurs, beeldhouwers, schilders, of wat dan ook zijn. Het zoeken, het verlangen. En het besef dat er een plek is waar ze naartoe moeten gaan, een plek waar ze dat kunnen aanraken wat ze zoeken. En de moed die daarvoor nodig is. En dus ook de angst.

Het gaat je niet om een of ander romantisch beeld van een getormenteerde kunstenaar, het gaat je om de moed.

Je zag haar nog dansen, enkele maanden geleden. De voorstelling raakte je heel erg.

Je moet iets kunnen loslaten om daar te kunnen komen, denk je altijd. Je moet jezelf in iets kunnen loslaten. Daar waar je in het licht staat en waar het duister aanraakbaar zou kunnen zijn. Daar waar het pijn zou kunnen doen. Daar waar je jezelf misschien wel zou kunnen verliezen.

Kunst kan gevaarlijk zijn.

Je dacht er nog aan, enkele dagen geleden. Je wou iets vertellen over de moed om op die plek te gaan staan, daar – als het ware – vooraan op het podium. Je durfde het niet goed zeggen. En nu staat het gewoon allemaal in dat artikel, denk je.

Je wou uitleggen dat je die plek soms kunt zien, dat je soms weet waar ze zou kunnen zijn. En dat jij het, waarschijnlijk, niet durft, om daar te gaan staan.

(Een lange aanloop nemen om iets te zeggen dat waarschijnlijk enkel in jouw hoofd beweegt. De aanloop klinkt aanmatigender dan bedoeld.)

Soms krijg je de vraag waarom jij geen roman schrijft.

Het is op zich een fijne vraag, natuurlijk.

Alle eerste, en waarschijnlijk enige, antwoorden klinken als: ik heb daar geen talent voor. Je denkt dat dat ook zo is. Het zou te moeilijk zijn, het zou jou niet gegeven zijn.

Eigenlijk is daarmee de discussie gesloten.

Er is één klein stukje in dat antwoord dat te maken heeft met die plek, denk je.

(Je hebt het al vaak geprobeerd, te verwoorden wat je zou willen zeggen. Het lukt meestal niet.)

Soms denk je dat je weet wat je zou moeten doen om het te proberen. (Waarmee je niet zegt dat je het zou kunnen, verre van.) Soms kun je zien wat je achter je zou moeten laten om eraan te beginnen. Welke zekerheden je zou moeten loslaten. Soms kun je de plek zien in je hoofd waar je naartoe zou moeten gaan. Je zou er naartoe moeten gaan opdat je personages dat ook zouden kunnen.

Misschien ben je bang dat je zult vallen, als je daar bent. (Misschien ben je ooit te dicht bij het duister gekomen.)

Misschien heb je gewoon de moed niet. De moed die die beangstigende vrijheid kan laten zien.

(Er zijn nog allerlei andere verklaringen die helemaal niet groots klinken, maar die eigenlijk op hetzelfde neerkomen.)

Je kunt er soms wel een klein beetje omheen cirkelen. Iets even aanraken, en dan snel weer weg. (Misschien mag het niet, van iets.)

Je kunt dus ook zeggen dat wie je die moeilijke vraag stelde gewoon even dat interview zou moeten lezen, om iets te begrijpen van wat je niet uit kunt leggen.

Gelukkig zijn de dansers er. Gelukkig mag je naar hen kijken. En nederig ontroerd en blij zijn.

05 augustus 2017

Nuttige dingen

De dagen volgen hun ritme. Soms zijn ze nog een beetje op zoek. Een beetje.

Tijdens het lezen besef je pas hoezeer je dit miste, dit toch een beetje gulzig lezen. Weer een boek uit. En dan wat wringen om er een stukje over te schrijven. Is altijd een beetje puffen, denk je. Tot het klaar is, en je blij bent.

Ook enkele onrustige nachten. Uitlopend gepieker, misschien. Een lijf met restanten van tijd, en dingen. Het lijkt te aarzelen om overal zacht te worden. Misschien.

Een verlegen gesprek.

En mooie woorden, de volgende dag.

Fijn dat mensen ook weer terug komen uit vakantie. En zo weer dichter bij je zijn. Je denkt aan iemand, hebt net een verjaardagscadeau gevonden, en daar zit hij. Goed van de kosmos.

Enige zenuwachtigheid, zo merk je bij jezelf. Die nieuwe televisie die je besteld hebt, zou zo stilaan moeten geleverd worden. Eigenlijk vind je het wel heel spannend, eigenlijk.

Is dat ook een puntje dat op je lijst ‘nuttige dingen’ mag staan? (Het staat er eigenlijk al op, zeg je tegen jezelf. Heeft de officiële nuttigheidsjury daar al een uitspraak over gedaan?)

Toch nog maar een nieuw boek.

Test voor jezelf. Een film bekijken, en je voornemen diezelfde film op de nieuwe televisie opnieuw te bekijken, om te zien of je een verschil ziet. (Wetenschappelijke methode met relatief voorspelbare resultaten, waarschijnlijk.)

Verhalen gaan door je hoofd. Lichte onrust. En licht verlangen. Iets met licht alleszins.

Net voor je gaat vertrekken naar de trein voor je bezoekje wordt de televisie geleverd. Je had de kamer al proactief gedeeltelijk ontruimd.

(Een lichte mate van zenuwachtigheid, dat je niet alles juist aan zult sluiten. Lichte vormen van kabelangst, waarover in het kader van de schaamtepreventie geen verdere details kunnen gegeven worden.)

Een fijn bezoek, een warm gesprek. Mooie verhalen, over risico’s, onder meer.

Een lichtjes verontrustend telefoontje nadien in de trein. Rilling.

Een nacht die nog niet in de plooi valt.

De mooie woorden komen dichterbij in de nieuwe dag.

Of je nu toch maar niet met de trein zou gaan voor dat bezoekje? Je zegt tegen jezelf dat het niet zal gaan regenen. Of toch niet meer dan 1,2 druppels of zo. Dus gezwind op de fiets springen, met vers opgepompte banden. En toch maar 2,1 keer een buitje trotseren onderweg. Maar je fietst tussen de druppels door, vanzelfsprekend.

Een warm bezoek. Voor haar zul je je nooit kunnen verbergen, zij weet alles, altijd. (Je bent ook wel benieuwd naar hoe het met die wagen in de tuin gaat aflopen.)

De weg terug naar huis is samen te vatten als: tegenwind voor gevorderden.

Als uiteindelijk de laatste kabel correct is aangesloten merk je pas echt het, laten we zeggen, geweldige verschil van je nieuwe televisie. Het is eigenlijk redelijk overweldigend, om het voorzichtig te zeggen. Die avond ben je nog helemaal hyper.

En je kijkt uit naar de volgende dag.

(De druiven zijn er niet, op de markt. Misschien komen ze wel echt niet meer dit jaar. Het maakt je verdrietig.)

Bij aankomst blijkt het truitje in oud roze allerlei fijne gevolgen te hebben. Ga maar gewoon door, zou je willen zeggen. Maar je bent beleefdverlegen, of zoiets.

Tafelbladafschuurromantiek.

Het is wel lekker, een boek zitten lezen, en terwijl mensen in strakke pakjes sierlijk voorbij zien lopen. Je laat het ook weer niet te hard merken.

En een mooi verhaal, dat enkele uren later nog steeds verder gaat. Over een jongetje en een boog. En dat je kunt vertellen wat je daarover leerde van je grootvader. Het ontroert je meer dan je durft laten zien.

Badmintonverhalen. En dingen die lekker ruiken.

Het is een wonderlijke dag, denk je al de hele tijd.

En een verlegen jongetje.

Je lijf hangt nog steeds een beetje pijnerig in elkaar, of zoiets.

En toch is het een ander ontwaken.

Hoog tijd om na te denken over nieuwe nuttige dingen.

01 augustus 2017

Het einde van de eenzaamheid

Je beseft pas na een tijd dat je gulzig aan het lezen bent en dat er uren voorbij zijn gegaan. Zo dicht blijf je bij het boek. Stoppen met lezen wil je niet. Het einde van de eenzaamheid van de jonge Duitse auteur Benedict Wells is een heel mooi boek over de grote thema’s van verlies, liefde, eenzaamheid en geluk. Het is het verhaal dat je als lezer meeneemt, waardoor je misschien niet altijd opmerkt hoe mooi het gemaakt is. Het boek voelt glashelder aan, komt nooit te dicht bij wat een melodrama had kunnen worden, en blijft ver weg van de ironie.

Het boek wordt verteld door de ogen van Jules Moreau. Bij het begin van het boek ligt hij in het ziekenhuis, na een zwaar motorongeluk. Hij ontwaakt uit een coma en gaat in zijn herinneringen terug naar de bepalende momenten uit zijn jeugd en alles wat sindsdien gebeurde. Jules, Marty en Liz zijn drie kinderen uit een warm gezin. Ze zijn nog jong als hun ouders verongelukken. De drie kinderen komen in een internaat terecht. Jules is de meer introverte van de drie. Zijn broer Marty is meer een soort nerd. En zijn zus Liz zoekt het wilde leven op, en zal bewegen in een wereld van seks en drugs.

Jules vindt niet echt zijn plek in de wereld. Hij voelt zich eenzaam in het internaat. Hij worstelt met de herinneringen aan zijn vader die uit zijn leven verdween op een moment dat het tussen vader en zoon niet echt goed liep. Het verleden weegt op zijn schouders. De kwetsuren van de vader leven door in zijn zoon. Daar in het internaat leert hij Alva kennen. Zij wordt zijn beste vriendin, ze zijn onafscheidelijk terwijl ze daar zijn. Ze delen hun ongelukkig zijn, en lijken zelf niet te beseffen hoeveel ze van elkaar houden.

De drie kinderen gaan op hun eigen manier met het verlies om. Ze hebben elkaar eigenlijk nodig, maar ze drijven uit elkaar. Ze zullen elkaar telkens weer opzoeken, maar de tijd heeft tijd nodig.
Jules heeft grote dromen, maar loopt uiteindelijk vast in zichzelf. Alva is uit zijn leven verdwenen. Marty heeft financieel niet slecht geboerd en is getrouwd met een lieve vrouw. Liz doolt rusteloos verder.

Op een bepaald moment komen Jules en Alva elkaar weer tegen. Zij blijkt ondertussen al een tijd getrouwd met een oudere schrijver. Hij trekt bij hen in. Het wordt een complexe maar ook mooie dans tussen de drie. De man sterft, en Jules en Alva worden ook echt een koppel. Ze krijgen een tweeling.

Het lijkt alsof Jules niet voorbereid is op het geluk. Dat hij de eenzaamheid zomaar achter zich zou kunnen laten, het verwart hem. De drie kinderen zijn ondertussen volwassen, hebben stilaan genoeg gevochten met het leven. Maar het noodlot laat hen nog niet los.

In de tragische momenten bij het einde van het boek komen de lijnen die teruggaan tot de pijnlijke momenten uit de kindertijd en die het hele boek bij elkaar hebben gehouden samen. Jules beseft dat hij de volle verantwoordelijkheid moet nemen voor zijn leven, voor zijn kinderen. Hij ziet dat hij mag vertrouwen dat hij het ook zal kunnen. De ervaring van het verlies heeft hem doen inzien en aanvaarden dat hij een deel van de eenzaamheid achter zich mag laten en dat hij iets heeft ingelost dat nog tussen hem en zijn vader stond.

Met het verhaal in dit boek zou een mindere schrijver iets kunnen maken dat dicht bij een soap zou kunnen komen. Maar dat gebeurt gelukkig niet. Benedict Wells trekt de aandacht niet naar poëtische zinnen en kiest voluit voor het verhaal. Als lezer verdwijn je zo sterk in dat verhaal dat je misschien niet altijd opmerkt hoe ingenieus de auteur het opbouwt. De complexe relaties tussen kinderen en hun ouders, tussen broers en zussen, tussen min of meer geliefden, tussen vrienden, ze krijgen allemaal een plaats. Het mooie is dat Wells onbevreesd die thema’s opzoekt, maar dat volstrekt zonder ironie doet. Er is wel veel mededogen. Tragische gebeurtenissen worden ingetogen en met net genoeg details verteld. Soms valt de verteltechniek net iets te zeer op, en zijn de vooruitwijzingen en motieven iets te zichtbaar. Maar meestal valt de beheersing sterk op, omdat ze niet opvalt.

Hoewel de gebeurtenissen in het boek vaak niet echt licht zijn, voelt het niet zwaar aan. Er is veel tragiek, maar toch heb je het gevoel dat je lichte kleuren zou zien als dit boek zou verfilmd worden. En tot je verbazing stel je als lezer ineens vast dat je het boek al uit hebt…