24 juli 2016

Het blijft

Soms ben je een beetje in de war door je eigen verlangens. (Dat is op zich waarschijnlijk niet zo raar. Misschien hoort het wel bij het concept verlangen. Zeker in jouw geval.)

Verlangen naar iets dat blijft.

Dat is een moeilijk verlangen.

Je kunt het verlangen wegrationaliseren. Door allerlei wijze stellingen, meestal van enigszins boeddhistische aard. Dingen over de plek waar worden en zijn elkaar opheffen. Dingen over de volle leegte. Dingen zoals dat verandering het enige is dat blijft. Dingen over verlangen, en hoe dat tot lijden kan leiden, als het uitgaat van een kwetsbaar ego. En nog een hoop van die dingen.

(Er zijn heel wat mensen die je meteen nog een hele verzameling van dergelijke wijsheden kunnen overmaken. Vaak zelfs in licht dwingende vorm. Waardoor je algehele existentiële falen nog beter in beeld komt. Je probeert voorzichtig te opperen dat mensen die iets te hardnekkig iets te stellig geformuleerde wijsheden doorgeven zelf niet helemaal verlicht zijn, misschien. Maar dat helpt niet echt helemaal.)

Resultaat van dat alles is dat je tot het einde der tijden het verlangen naar iets dat blijft nog fluisterender zult uitspreken.

(Is het trouwens niet een heel erg diep menselijk verlangen? Is het trouwens niet een heel klein beetje moedig dat jij, als niet-gelovige, dat verlangen – fluisterend – uitspreekt? Je weet immers dat je je daarmee onvermijdelijk waagt op een plek waar het niets is. Ook die gedachte helpt niet echt.)

Je kunt het verlangen psychologiseren. Je zou in detail kunnen ontrafelen welke deuken, door de tijd in je huid geduwd, hebben geleid tot wat je nu verlangt. (Heel stiekem en fluisterend dus ondertussen.) Die oefening is niet zo moeilijk. Je weet ondertussen, na zoveel jaar nadenken, hoe dat zit met die deuken.

(Ook hier zouden heel wat mensen allerlei vormen van bijzonder nuttig advies kunnen formuleren. Ze zouden je kunnen uitleggen dat achter een blijkbaar onschuldig verlangen een dieper verlangen schuilgaat, iets dat ongetwijfeld nog niet uitgeklaard is, iets dat je nog niet echt in de ogen hebt gekeken. Op dit punt zouden de wijze en de psychologische adviezen elkaar raken, waarschijnlijk. Het helpt ook niet echt, integendeel.)

Het zij zo, denk je, iedereen heeft gelijk met haar of zijn advies.

En na dat alles, wat blijft? Een verlangen naar iets dat blijft.

Misschien kun je leren dat verlangen te observeren.

Soms kom je er dichtbij. In die ene seconde net voor Wir setzen uns mit Tränen nieder begint. Dan is het alsof je heel even iets kunt aanraken dat buiten de tijd is. Een seconde later begint het mysterie van de muziek. Tonen die voorbijgaan, en wat ze onthullen. Net in dat vergankelijke, die opeenvolging van tonen, die zodra ze er zijn er al niet meer zijn, net in dat verdwijnende kun je iets horen, iets  vermoeden van de plek die blijft. Schoonheid opent die deur.

Het is nog steeds een intellectueel verantwoord antwoord. Het is een vorm van troost. IJle troost, troost die in je handen uit elkaar zou kunnen vallen, maar troost.

Maar troost heft het verlangen nog niet op, het troost het enkel.

Het verdriet dat je voelt wanneer er iets stuk gaat. Kan eender wat zijn. Een ding dat als trouwe bondgenoot meegaat in je leven. En je weet het, dat dingen stuk kunnen gaan, dat dingen onderhevig zijn aan de wetten van de natuur, en al die andere dingen. Je weet het. En toch. Toch zou je soms willen voelen dat er dingen zijn die onvoorwaardelijk bij je blijven. Misschien is het dat woord, onvoorwaardelijk, dat je nog even doet aarzelen. Je moet enige schroom overwinnen om het uit te spreken, want zodra je dat doet, kan het al te laat zijn, kan net dat mechanisme geactiveerd worden dat ervoor zorgt dat het niet zal blijven.

En het onvermogen tegenover mensen. Liefde is iets als die ene seconde voor dat slotdeel van de passie begint. Liefde is een aanraken van tijdloosheid, een aanraken dat er enkel kan zijn in de veranderlijkheid. Liefde hoort meer bij de zekerheid van het sterven dan bij een geloof in eeuwigheid. (Anderen zullen daar ongetwijfeld een andere mening over hebben, dat is  niet erg.)

En in het volle besef van al die tijdelijkheid, fluisterender dan ooit, met veel schroom en vol inzicht in de eigen deuken en onvolmaaktheid, blijft aan het einde nog altijd een verlangen naar iets dat blijft. Iets als de roekeloze droom dat er mensen zijn die altijd bij je zullen blijven, in een of andere vorm. Ook als je zelf niet elke dag de beste versie van jezelf was. Ook als je zelf in de war was, door je verlangen naar iets dat blijft. Ook als een stem in jezelf zou kunnen zeggen dat je er geen recht op hebt.

Je observeert dat verlangen, dat heb je ondertussen geleerd. Je ziet met open ogen wat zich boven het wateroppervlak bevindt, en met gesloten ogen wat zich daaronder laat vermoeden. En je observeert. Ook in die momenten waarop de angst toeslaat, en de dingen flikkeren in je oog.

En daarna kijk je verder, naar het einde van de dag.

Mannen zonder vrouw

Op een of andere manier moet er veel licht zijn voor de melancholie van Murakami. Als je zijn boeken leest in de zomer is het alsof de woorden iets verder uit elkaar staan, waardoor je adem beter past in het ritme van zijn tekst. Volle zon is niet aangewezen. Wel het gevoel van een zoete overdaad aan melkachtig wit licht. Je mag aan een boek van Murakami ook geen vragen stellen. Het zou niets uithalen. In zijn verhalen binnenkomen, het is een beetje als thuiskomen. Een beetje. Je herkent wel zijn typische universum, of vooral hoe dat voelt. Maar enkel thuis willen komen zou ertoe kunnen leiden dat je als lezer niet al die kleine details opmerkt die laten zien hoe goed hij wel schrijft.

Mannen zonder vrouw, het nieuwe boek van de Japanse schrijver Haruki Murakami, is een verhalenbundel. Zeven verhalen, over mannen zonder vrouw. Vederlicht desolaat, en tegelijk troostend in hun onuitgesproken zwaarte. Verhalen als afgebroken fragmenten van een werkelijkheid. Misschien zijn we dat wel als mens… Verhalen die rond elkaar heen cirkelen, en door het titelverhaal naar elkaar toe getrokken worden.

Het eerste verhaal is Drive my car. Een acteur is op zoek naar een chauffeur, omdat hij zelf niet meer mag rijden. Een jonge vrouw wordt zijn nieuwe chauffeur. Ze hebben allebei hun leven geordend of afgeschermd in routines of zwijgen. Maar toch komt het levensverhaal van de man aan de oppervlakte, daar in die auto. Zijn vrouw is dood. Hij hield erg veel van haar. Zij had af en toe andere minnaars. Hij wist het, maar was – wat dat betreft – een goed acteur. Na haar dood wordt hij min of meer bevriend met een van haar minnaars. Waar de grens is tussen acteren en vriendschap weet hij zelf niet meer zo goed. Bijna lijkt het alsof er iets zou kunnen gebeuren tussen de man en zijn chauffeur, bijna komen ze aan de rand van iets.

Daarna komt Yesterday. Een man leert als student een andere man kennen. Ze worden min of meer vrienden, allebei een beetje ontheemd, ergens op de dool tussen waar ze vandaan komen en wie ze denken te willen zijn of worden. Al weten ze niet zo goed waar ze dan wel naartoe zouden moeten. Eigenlijk zijn ze vooral heel erg eenzaam. De andere man heeft een vriendin, al ziet hij haar nauwelijks. Hij stelt voor dat de eerste man met zijn vriendin uit zou gaan. Die doet dat uiteindelijk ook. Het worden mooie momenten, waarbij heel voorzichtig dromen worden geopend. De twee mannen verdwijnen uit elkaars leven. Jaren later komt de verteller de vrouw weer tegen. Even zijn ze terug bij toen, maar: “We zijn allemaal aan een eindeloze omweg bezig.”

In Een onafhankelijk orgaan komt een dokter in beeld. Hij woont alleen, en heeft alles netjes op orde, zo lijkt het. Een goed georganiseerd leven. Getrouwd is hij niet, maar hij heeft wel een ingenieus beheerd systeem van vrouwen met wie hij het bed deelt. Het lijkt alsof dit alles perfect past bij wie hij is. Hij voelt zich niet eenzaam, heeft nooit de behoefte gevoeld om in een vaste relatie te zitten. Tot hij op een bepaald moment echt verliefd wordt op een vrouw en zijn illusies in elkaar stuiken. De overrompelende liefde eet hem leeg, van binnenuit.

Sheherazade is een moderne variant op Duizend-en-een-nacht. Een man is om een niet nader toegelichte reden verplicht de hele tijd thuis te blijven. Er is een vrouw, die hij dus Sheherazade noemt, die tweemaal per week op huisbezoek komt en alle boodschappen doet voor de man. Zij is zijn enige verbinding met de buitenwereld. Zodra alle boodschappen zijn ingeladen, belanden ze in bed. Het vrijen is niet onaangenaam, maar verloopt vooral nogal functioneel. Na de seks vertelt zij verhalen, die ze telkens afbreekt wanneer het tijd is voor haar om te vertrekken. Ze vertelt dat ze in een vorig leven een lamprei was, een soort van kaakloze vis, die zich vastzuigt aan andere vissen en die beetje bij beetje opeten. Ze vertelt een verhaal over hoe ze als meisje binnendrong in het huis van een jongen op wie ze verliefd was. Hij klampt zich vast aan haar verhaal. Heel even komt er echte passie tussen hen, heel even zijn ze geen eilanden meer. Hij krijgt schrik om te verliezen wat alleen een vrouw hem kan geven: “Een speciaal soort tijd, die met de werkelijkheid verweven is en hem tegelijkertijd tenietdoet…”

In Kino betrapt een man zijn vrouw met een andere man. Hij geeft zijn ontslag en begint een tijdje later een bar in wat daarvoor een koffieshop van een tante was. Er is een vaste gast die altijd op hetzelfde plekje zit, als een soort beschermengel. Er is een poes, die zich helemaal op haar gemak voelt. Langzaamaan komen de klanten. Het lijkt alsof Kino een soort van evenwicht heeft gevonden in zijn nieuwe leven, zonder zijn vrouw. Een beetje onverwacht slaapt hij met een vrouw van wie hij meteen voelt dat ze gevaarlijk is, ze draagt de wonden van een (gevaarlijke) liefde. Niet snel daarna begint er iets fout te gaan. Misschien heeft hij onvoldoende onder ogen gezien wat het betekende voor zijn hart om niet meer met zijn vrouw samen te zijn, misschien had hij het verdriet nooit toegelaten.

Samsa verliefd is geïnspireerd op een verhaal van Kafka. Een man wordt wakker, in een voor hem vreemd huis, en beseft dat hij een mens is, Gregor Samsa. (In het verhaal van Kafka wordt een man wakker en beseft hij dat hij een kever geworden is.) Het huis is leeg, de bewoners zijn afwezig, of gevlucht. Alles is nieuw, via dat vreemde lichaam, hoewel er diep vanbinnen wel een soort besef of identiteit is. Een meisje met een bochel belt aan. Ze was gebeld door de bewoners van het huis om een slot te komen repareren. Buiten in de stad (Praag) is er een oorlogssituatie, maar voor Samsa is de jonge vrouw als een wonder. Hij wordt verliefd op haar, en zij is de poort naar het echte leven.

Het slotverhaal Mannen zonder vrouw verbindt als het ware alle vorige met elkaar. Een man krijgt ’s nachts ineens te horen dat een vrouw die vroeger een geliefde was uit het leven is gestapt. Zij stond voor een prille en pure liefde, die definitief uit zijn leven verdween toen ze hem verliet. En met haar dood lijkt nu ook de mogelijkheid van de droom van zo’n liefde verdwenen. De eenzaamheid is compleet. “Op een dag word je opeens mannen zonder vrouw. Zonder ook maar enige aankondiging of hint, zonder voorgevoel of voorbode, een klop op de deur of een waarschuwend kuchje, word je er opeens mee geconfronteerd. (…) Als je eenmaal die hoek bent omgeslagen, wordt dat de enige wereld die voor jou mogelijk is.” Ingehouden verdriet en uitzichtloosheid wasemen uit elke zin.

Haruki Murakami raakt op onnavolgbare wijze de existentiële eenzaamheid aan in deze nieuwe verhalenbundel. Wie al andere boeken van hem las, zal meteen zijn universum herkennen. Tegelijk lijkt het of die wereld met elk boek steeds meer uitgepuurd wordt. Het zijn die kleine zinnetjes, die achteloze observaties, die telkens een diepte openen in zijn verhalen. Zijn verhalen zijn fragmenten van levens, en levens zijn blijkbaar gedoemd om fragmenten van zichzelf te zijn. In het slotverhaal wordt die machteloosheid erg intens verwoord. De tragische eindeloze omweg van de liefde beweegt in die woorden die je toch in helder zoet licht ziet verschijnen. Daardoor dragen ze ook een voorzichtige troost in zich. Misschien zul je die niet voelen als je dit boek leest op een duistere en koude winteravond.

22 juli 2016

De volle maan was er

‘Dit had ik al lang graag eens willen doen. Maar ik durfde het niet te vragen.’
‘Waarom niet? Vertrouw je me niet dan?’
‘Toch wel, denk ik. Het is anders, zo praten. En dat wou ik wel, eigenlijk.’
‘Je moet niet altijd bang zijn. Is niet nodig.’
‘Jij ook niet.’
‘Ssssjjjjttt.’
‘Heb je de volle maan gezien van de week?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Er was ook een volle maan in het boek dat ik nu aan het lezen ben. Een vrouw die droomt over een volle maan. Een heel breekbare volle maan.’
‘Ik denk dat je de volle maan niet mag aanraken, want dan zou die verpulveren, voor onze ogen.’
‘Mag je er alleen maar naar kijken dan?’
‘Ja. En erover dromen.’
‘Doe jij dat dan?’
‘Als ik over mijn dromen praat, verpulveren ze misschien ook wel.’
‘Je mag ze straks in mijn oor fluisteren.’
‘Dat weet ik nog niet.’
‘Ik droomde over jouw handen. Min of meer toch. In die droom liep ik over straat. Het was warm. Ik zag mezelf in de etalages, en ik schrok van het beeld. Ik wou ineens weg, weer naar huis. Maar ik wist niet zeker waar dat was, en hoe ik moest lopen. En toen dacht ik aan jouw handen, ik probeerde me het beeld te herinneren van jouw handen.’
‘En lukte het?’
‘Ik denk het wel.’
‘Soms ben ik bang van de tijd. Ik jaag mezelf op, zo vaak. Om de tijd niet te voelen. Alsof ik eraan zou kunnen ontsnappen. Alsof ik op een pechstrook van de tijd zou kunnen gaan staan. Om meer tijd te hebben, of zoiets.’
‘Meer tijd hebben om niet in de tijd te moeten zijn. Is dat het?’
‘Ja, dat denk ik wel.’
‘Ben je nooit bang dan dat je ineens zult merken dat de tijd aan jou voorbij is gegaan? Dat je nog wel roept, maar dat niemand je hoort?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Heb je gevonden wat je zocht?’
‘Wat denk je?’
‘Zeg het maar.’
‘Nee, ik ga niet zeggen wat jij al weet. Je wist het altijd al.’
‘Is dat zo?’
‘Ja. Begrijp je nu waarom ik deed wat ik deed?’
‘Ik begreep dat toen ook al.’
‘Ik weet het, ik wist het. Maar dat weten was te veel.’
‘Het maakte me zo opstandig toen. En machteloos.’
‘Je had er niets aan kunnen veranderen, denk ik.’
‘Ik weet het niet.’
‘Ik kon het niet.’
‘Ik kon zo eindeloos kwaad zijn op die littekens. Je kon doen wat je wou: vechten als een leeuw, proberen door een muur te lopen, nadenken tot je hoofd begon te kraken, hopen dat je aan een andere kant van de tijd zou terechtkomen. En eigenlijk lukte dat maar een beetje.’
‘Hoe jij vocht, dat was eigenlijk wel mooi. Ik kon je dat niet zeggen.’
‘Waarom niet?’
‘Iets met de volle maan, denk ik.’
‘Hoe gaan we dat nu doen met dat oud worden?’
‘Volgens mij zijn we al oud.’
‘Wil dat zeggen dat daarmee de vraag beantwoord is?’
‘Nee, dat je me de vraag moet stellen zonder me een vraag te stellen.’
‘Nog altijd.’
‘Wat dacht je?’

21 juli 2016

Het is een begin

De vakantie beginnen met een concert, het is goed. Bach. Je bent in goed gezelschap. En dat ene stuk dat ze speelt, die mevrouw op het podium. Het gaat al een eeuwigheid met je mee. En je gaat er altijd weer terug naartoe. Je denkt aan iemand, terwijl ze het speelt. En het is goed.

Een mooie middag. Je zoekt het volgens jou enige koele plekje van de stad op. Er is nog iemand die hetzelfde dacht.

Je verhalen. Heb je niet te veel gepraat? Je schrikt een beetje van de verhalen. Als je ze hardop hoort, klinken ze nog anders. Je bent een beetje verlegen. En een beetje machteloos. En een beetje gewoon rustig. Of zoiets.

Je went er niet goed aan. Niet eigenlijk. De mensen die weg zijn, vertrokken naar ergens, daar. Ze blijven een tijd weg. Ver van hier, waar jij bent. (Rituelen worden stiekem uitgevoerd.)

(Je bent altijd een beetje bang bij het begin van de vakantie. Wat er met je lichaam zal gebeuren, die eerste dagen. Iets met jezelf uit handen geven. Sommigen zouden zeggen dat je daar niet altijd erg goed in bent.)

(Die eerste dagen denk je nog altijd dat je dingen moet ‘doen’. Je begint dus al maar met een lijstje van nuttige dingen die je zou kunnen doen in de volgende weken. Stiekem natuurlijk, niemand ziet het.)

(Alleen thuis zijn, en jezelf een beetje in de weg lopen, dat is educatief verantwoord.)

De krant gewoon uitlezen. Tot ze uit is. Niet tot wanneer het tijd is om te vertrekken.

Toch al maar meteen enkele nuttige dingen doen, en streepjes zetten op een lijstje. (Stiekem natuurlijk, niemand ziet het.)

Even de stad in om foto’s te maken. Je blijft staan om te kijken naar iets dat bij de zomer hoort. Misschien mag het wel.

(Beseffen dat je moe bent. Eigenlijk.)

Op het terras dat ene boek uitlezen. (Het eerste van de vakantie.) Beetje verward gevoel. Je had er zoveel van verwacht. En het is goed, om allerlei redenen. Maar je had het zo graag beter gevonden, denk je. Het maakt je onrustig. Je bekijkt nog een lang gesprek met de schrijfster, alsof dat je een soort vonk zou geven. Het gebeurt niet. (Misschien beslis je alsnog om er een stukje over te schrijven, maar het zou kunnen van niet.)

Daarna begin je aan die dichtbundel. Binnen een aantal weken zal ze in een literair panel zitten dat jij organiseert. Je leest haar gedichten. Iets sprankelt in je ogen terwijl je leest. Wat is ze goed.

Verhalen van de vorige dag blijven nog door je hoofd gaan. Je bladert nog even in een boek, leest sommige stukken opnieuw, om beter te begrijpen. (Wat had je daarover nu weer met jezelf afgesproken?)

Je denkt aan dingen die je nu in een brief zou schrijven. (Of misschien niet.)

Je staat bij het raam, en kijkt naar alle plekken daar. Elke daar waar iemand is. (Je wuift even, of zoiets.)

(De woorden komen trager, iets moeizamer. Misschien is dat wel goed.)

Herinneringen over zomers. (Telkens begin je in je hoofd te tellen hoeveel jaar het geleden is. Je schrikt een beetje.) Denken aan handen.

Nieuwe afspraken maken voor bezoekjes.

Ergens de volgende dagen zal het andere ritme de dingen overnemen.

17 juli 2016

Bijna

Het is bijna vakantie. Je mag dat niet te hardop denken, denk je. Stel je voor dat er iets zou gebeuren. Een officiële mededeling van de VN-Veiligheidsraad die zegt dat er jammer genoeg geen vakantie zal zijn dit jaar.

Gewoon doorgaan, denk je. Niet al even alles loslaten, anders zul je niet meer op kunnen staan.


Je merkt het aan alles, al enkele dagen. Het is moeilijker je watjesgehalte te onderdrukken. (Ook allerlei andere lagen van net onder de oppervlakte laten zich meer zien, trouwens. Maar dat zou andere verhalen opleveren.)


Dus af en toe gewoon naar andere mensen kijken in de straat. Ze zijn niet altijd geluidloos. Zoals die ene mevrouw die loopt te roepen in haar telefoon. Misschien had ze een klein ruzietje met haar geliefde. Misschien was er eerder een relatief groot ruzietje waardoor haar geliefde haar geliefde niet meer helemaal is. Misschien is het haar normale communicatiepatroon. Ze roept: ‘Er komt alleen maar kak uit uwe mond!!!’ Na snel maar rijp beraad met jezelf kom je tot de conclusie dat het misschien geen goed plan is om haar te gaan vragen wat ze daar exact mee bedoelt.

Een ingewikkelde droom. Met zolderkamers die gerenoveerd worden.

’s Nachts na het feest weer naar huis fietsen. Je hebt al altijd een hekel gehad aan die steenweg, vooral ’s nachts. De auto’s zoeven voorbij. Je bent hier niet graag.

Het kleine jongetje in de trein vindt het zo wonderlijk dat hij kan lopen dat hij er maar geen genoeg van krijgt. Hij loopt door de gang, met zijn papa achter hem. Minstens een keer of twintig. De verwondering in zijn ogen wordt niet kleiner. Na die twintig keer lijkt hij het beu te zijn. Tot daarna de papa komt, met de jongen in de draagzak. Zo gaan ze ook nog enkele keren op en neer. Later, als hij kan praten, zal hij tegen zijn papa zeggen dat hij graag onderweg is.

Die eerste dagen van de vakantie zullen weer moeilijk zijn, denk je. Enkele dagen zul je in puin liggen. Daar kijk je niet naar uit.

In het kader van de algehele voorspelbaarheid zul je ook dit jaar een lijstje met nuttige dingen voor in de vakantie maken. Maar het concept blijft onveranderd: één nuttig ding per dag, en je mag geheel zelf bepalen wat nuttig is.


Gedachten lopen door, terwijl je aan het poetsen bent. De weke plekken zijn niet weg, integendeel.
Iets met dingen die blijven. En dingen die veranderen.  En een verlangen naar enkele dingen die onvoorwaardelijk zijn. En wat dat alles met je huid doet.

En misschien ook iets over mensen die weggaan, in deze tijd van het jaar.

Zouden er lessen zijn? Zou je iets te leren hebben? (Je bent er even te moe voor.)

Iemand zegt je dat je hoofd een beetje wallig is en dat je blijkbaar echt wel aan vakantie toe bent. Je denkt even na, in de hoop een intelligent aandoend antwoord te vinden, maar je kunt enkel zeggen: ja. (Ze heeft gelijk dus.)

Je zou ook een lijstje kunnen maken van ‘wilde dingen te doen tijdens een staycation’. Aan te vullen met een geheim lijstje van ‘wilde dingen die je zou kunnen doen tijdens een staycation’. (Zelfs het tweede lijstje zou lichtjes lachwekkend kunnen zijn voor de zelfverklaarde wilden.)


De Spaanse mevrouw schuin tegenover je in de trein zou zo uit een film van Almodóvar kunnen komen, met dat zwarte haar en die fluorescerend roze lippenstift.

Wat een fijne wandeling. Aan het einde ervan nog veel verhalen over hebben. En van sommige verhalen die je wel vertelde dan nog enkel de gecondenseerde versie gegeven hebben.

Iets denken over waarom je op sommige momenten dicht bij je vrienden wilt zijn. Daar waar je hen bijna kunt aanraken.

Bijna.

16 juli 2016

Beetje snotteren

En ondanks alles, ondanks alle verwarring in de wereld, en zo, zijn er ook andere momenten.

Vandaag zal ze trouwen. Dat wist je al lang. Je was dus voorbereid.

En toch.

Je merkte het al, de vorige dagen. Dat het je week maakte. Of zoiets.

Eigenlijk alleen omdat je blij bent voor haar.

Omdat je zo graag wilt dat alles goed zal gaan voor haar.

En dan ineens, is het nu.

Nu dus, vandaag.

Het is echt. En zo.

Je staat zenuwachtig te wachten.

Heb je wel je beste gezicht opgezet?

Had je niet nog iets moeten proberen te redden, iets waardoor je jonger zou zijn, of mooier, of minder lelijk? Of zoiets.

Zo zal het moeten zijn, en het is goed zo.

(Je kunt wel wat Bach gebruiken, in deze dagen, denk je.)

En daar is ze.

Alles is echt. Iedereen is groot. Je voelt je klein en verlegen.

En je wilt een beetje onnozel doen, een klein beetje maar.

Omdat je eigenlijk zelf een beetje in de war bent. Omdat het je zoveel doet.

Even, terwijl jullie naar binnen lopen, naar de zaal waar het zal gebeuren, zie je alles, in een flits.

Iets over de weg die jullie als vrienden zijn gegaan, om het een beetje pompeus te zeggen.

Je ziet het allemaal, in die paar meter stappen.

Je weet niet goed hoe het zit. Het is tegelijk iets dat doorloopt, en iets dat verandert.

Iets verandert niet, en zal gewoon doorlopen, zoals het altijd al was, en zoals het zal blijven.

En iets is anders. Iets wordt afgesloten, terwijl iets anders begint.

En even ben je bang voor dat afsluiten, eigenlijk alleen omdat je wilt dat het zo is, en dat je hoopt dat het zo is, dat afsluiten. Of zoiets. (En dat je tegelijk ook niet weet wat dat is, dat gelukverdriet dat je in een flits voelt.)

Zoals je soms niet kunt geloven dat je het weerloze in je handen draagt, net omdat je het weerloze in je handen draagt.

Dus allemaal in die paar meter.

Ze zitten even. Ze wachten nog. Ze moeten rechtstaan nu.

Je bent blij, en trots, en alles. En heel verlegen.

Ze zeggen ja. En je kunt alleen snotteren.

(Je bent een watje, definitely. Je bent zo blij voor haar.)

Je weet niet goed hoe dat moet, deftig en onnozel zijn tegelijk. (Of misschien weet je dat wel.)

Je verbergt het, maar je blijft snotteren.

Je mag haar eindelijk feliciteren. Je bent onhandig. Je gaat even door haar haar, en dat mag natuurlijk niet. Daarom doe je het. Iets moet dwars zijn, denk je, zodat het echter wordt.

Later blijf je nog lang staan kijken.

Het is goed.

Je loopt traag naar huis. Mooi rechtop. En je denkt: ik ben zo oud als ik ben. En je denkt nog iets, maar je zegt het niet hardop in je hoofd.

En straks is er het feest. (Waarschijnlijk zul je nog steeds onhandig zijn. Ze zal het wel niet erg vinden, ze kent je wel.)

15 juli 2016

Buiig verdriet

Zoveel verdriet.

Sprakeloos en verbijsterd.

En ergens kwaad. Op iets. Al weet je niet wat dat iets zou kunnen zijn.

En stil, heel stil.

Veel schroom.

En je denkt, weer, zoals die andere keren: kunnen we alsjeblieft even zwijgen?

(En je hoort al iemand roepen ergens dat we vooral niet moeten zwijgen. En je bent te moe om het uit te leggen, denk je.)

Je probeert. Zwijgen. Niet noodzakelijk als zwijgen. Maar wel een zwijgen dat het hoofd buigt. Deemoedig. Met respect. En de stilte laat, voor wie geraakt is.

Je zult het nooit begrijpen, denk je. Al die mensen die binnen enkele uren na de feiten al hun analyses en verklaringen klaar hebben.

(Je denkt: het is alsof ik dit stukje al eens eerder geschreven heb.)

Die snelle woorden, die net iets te groot zijn, ze lijken een vorm van toe-eigening. Iets als een soort gebruik.

(En je hoort iemand roepen dat we radeloos zijn, dat we niet meer weten wat we moeten zeggen of denken, en dat we nood hebben aan woorden die ons heel even iets van een houvast geven, even het gevoel dat we verder zullen kunnen gaan. En je begrijpt het best. En toch, denk je.)

Kunnen we niet heel even gewoon radeloos zijn? Kunnen we niet heel het niet meer weten?

Kunnen we niet heel even aan al die dappere mensen de tijd geven om te proberen gebroken lichamen te helen, waar dat nog kan? Kunnen we niet heel even aan papa’s en mama’s, broers en zussen, vrienden en geliefden, en alle categorieën die er nog zijn, de kans geven om omringd te zijn door een warme stilte die alleen van hen is?

(Misschien is je eigen reactie gewoon een andere vorm van emotionaliteit. Zou kunnen. Het geeft niet.)

En laat de verhelderende woorden morgen maar komen, heel voorzichting. Niet al te roepend, als het even zou kunnen.

(Je woorden twijfelen. Misschien is dat ook een vorm van stilte.)

Misschien is het ook het discussiëren. Mensen die nog allerlei waarheden in de discussie willen brengen, en die hevig reageren op anderen. Niet dat wat ze zeggen zo zinloos is altijd, vaak integendeel. Maar je denkt: lieve mensen, kunnen we met die woorden niet gewoon even wachten? Even wachten tot alle mensen die geraakt zijn een verband hebben gekregen, tot er iemand is gekomen die hun hand vasthoudt.

Je weet het eigenlijk niet zo goed. (Allerlei gedachten jagen heen en weer door je hoofd.) (Misschien is dat niet zo erg, dat niet weten.)

(Het is trouwens niet de eerste keer deze week dat je dat denkt: zoveel verdriet.)

(En tussendoor denk je ook: ik moet haar iets zeggen, maar dat mag nu waarschijnlijk niet meer.)

Als iets zo onbegrijpelijk is, is het misschien goed om het even niet te begrijpen. Heel even nog geen antwoorden. Misschien helpt dat wel om later een beter antwoord te hebben, of zoiets. (Het heeft ook iets te maken met hard, denk je. Iets gebeurt dat hard is, heel hard. En als er dan te snel antwoorden komen die hard klinken, alsof dat zou moeten, dan lijkt het op een of andere manier of we hetzelfde doen. En om een of andere reden klopt dat niet.) De man die vertelt hoe hij bij iemand bleef, en zei dat het goed zou komen, en dat ze daarna stierf. En hoe hij het daarna aan haar ouders probeerde uit te leggen. En je denkt iets als: laat die stille antwoorden hun plaats vandaag, smoor ze niet met je grote antwoorden, niet vandaag. Of zoiets.

(Zijn deze woorden zacht genoeg, vraag je je af? Misschien worden ze alleen maar heel zachtjes gelezen. Zoals je met je vingertoppen de bladzijde van een boek eerst moet aanraken voor je die bladzijde mag lezen.)

Zoveel verdriet.

De mevrouw op de radio zegt dat er zondag mogelijk buiige regen zou kunnen zijn. Dat klinkt een beetje als: relatief nat water. Het zou natuurlijk kunnen, dat het ene water je natter maakt dan het andere.