24 mei 2015

So take heed, take heed of the western wind


Pogingen tot blijven. Op de rand van het verdwijnen.

Wat zou er gebeuren, als je de woorden in je huid zou schrijven? Met inkt die maar een klein beetje weerstand biedt aan de tijd. Waar zouden ze naartoe gaan? Zouden ze, na lange omzwervingen, in je boek terechtkomen?

Eigenlijk waren ze er al, onder je huid. Soms kun je ze aanraken. Zou je het kunnen vertellen aan iemand? Kijk, daar zijn ze. Daar zou je ze kunnen aanraken.

Misschien is het goed je eigen strand te zijn. De zee over je heen laten gaan. Telkens weer. Misschien spoelt er iets weg, misschien komt er iets terug.

En ergens in de nacht zou je alles afleggen. Alleen een trage beweging. Die zou blijven. Je zou wachten tot je enkel dat was, dat bewegen.

En ergens in de dag zou je verhalen vertellen, en verhalen ontvangen. Elk verhaal zou zijn tijd nemen. Tot elk woord is gezegd.

Iemand zou je kunnen aanraken. Daar. Misschien.

Je zou ook kijken naar het water. Hoe het zachtjes stroomt. Sommigen denken dat de rivier de voorwaarde is van de zee. Ze vergissen zich. Er is geen grens.

Je zou durven weten. Dat je alleen maar water bent.

Wat zou er gebeuren als je zou blijven? Je zei het ooit zelf, dat je lang genoeg gevlucht had.

Enkel de wind voelen. In een nu. Hoe je poriën de wind ontvangen.

Wat zou er gebeuren met het verdriet?

Het is deel van het water. Meer niet. Misschien.

Iemand zou je kunnen zeggen dat je de dingen herhaalt. Je zou zeggen dat het niet zo is. Je hebt gewoon veel tijd nodig om te voelen hoe de dans zich neerlegt in je lichaam, hoe je adem en het ritme elkaar vinden. Iemand zei je ooit dat dat het voordeel van dansen is, dat je het nooit zult kunnen. Onderweg zijn is genoeg.

En een andere nacht zou de spiegel vriendelijk kijken naar je littekens. En glimlachen.

Soms lijk je rusteloos. Is het alsof je lichaam niet warm wil worden, tot in de uithoeken. Dat wachten, soms lukt het.

En soms ben je, ongemerkt, zomaar thuisgekomen. Er zijn woorden van het onderweg zijn. Zijn er woorden van het aangekomen zijn?

Misschien is het dit keer een trage wals, die dans. Misschien ligt het antwoord wel in telkens opnieuw die drie passen. Dat je na elke drie moet beslissen om de volgende te zetten. En dat je, eens je in het ritme zit, nog nauwelijks moeite moet doen, om dat telkens weer te doen.

En hoe je in die dans je eigen volle leegte kunt zien.

Hoe je even naar buiten kunt gaan. Om voorzichtig en zwijgend naar de bloemen te gaan kijken. Hoe ze aan zichzelf genoeg hebben.

Zou je er dichter bij komen? Het neerleggen, het uit handen geven.

Wat de tijd met je doet. De getijden.

En als je je ogen sluit, kun je het liedje horen.

23 mei 2015

De zinnen

Om een of andere reden wist je het ineens. Doorlopende zinnen, zo moest het zijn. Wat ze zouden gaan zeggen, dat wist je nog niet. Toen je die namiddag op het terras zat. En dat boek in een ruk aan het uitlezen was. Misschien is je hoofd een doorlopende zin. Met alle indrukken, alle beelden, alles wat je verborgen zou willen houden, alles waarvoor je je schaamt. En voor je uiteindelijk besliste om in een nieuw boek te beginnen, een boek uit de grote stapel wachtboeken, wist je het even niet. Er leek alleen een onbestemd namiddagverdriet. En een pijnlijk lichaam. Dralen. Niet weten. Nog even teruggaan naar die avond voordien. De zanger en de andere muzikante. Die merkwaardige zaal waar je vroeger nog les had gekregen. Een klein podium gebouwd, voor een kleine voorstelling, die groots was. Je zag hem al enkele keren, en elke keer vroeg je je af: waar komen die woorden vandaan? Wat hij met die woorden doet, hoe hij ze zingt. Ze bewegen tussen tedere melancholie en zoet noodlot. Je zou iets van die woorden willen zijn. Iets van wat ze met je doen, hoe ze je doen dromen. Of zo. Het is niet uit te leggen. Iets met de liefde. En je dacht nog even, soms, de voorbije dagen: het verdriet huist in mij. Of daarom je lichaam zo weerbarstig was? Misschien durf je de verhalen wel niet meer vertellen. Misschien ben je bang. Toen je het toch deed, voorzichtig, enkele keren, vielen enkele stukjes in elkaar. Misschien zul je toch conclusies trekken. Je zei het nog. Terwijl je door de nacht liep, na het concert. De lucht was nog mooi. De verleiding van de terugtocht. En toch ook gewoon weer naar huis gaan. Hoe zit het met de nachten? Die ene was erg diep, en iets ging fout. En toch wou je snel terug, naar waar de nacht je koesterde. Alsof dat een andere plek was dan waar je in slaap was gevallen. En later, jezelf traag de dag in hijsen. Jij en je brokstukken. En je denkt aan woorden, hoe ze je kunnen doen dromen. Eerder van de week dacht je nog: een massage van een uur of drie, dat zou ook een bevrijding kunnen zijn. Je fietst door de stad. Je denkt aan verhalen. Je denkt aan mensen die je op dat moment graag zou willen tegenkomen. Sommige anderen liever niet. Je kiest niet altijd wat er in je hoofd gebeurt. Je was de teksten nog gaan opzoeken, van die zanger, met de mooie woorden. De zinnen lopen door. Heb je iets geleerd over de liefde? Je denkt aan verhalen. Je denkt aan verhalen waarin je leefde. Later, op het terras, is het alsof je snel wilt lezen. Gulzig. Je ziet beelden. Je denkt terwijl: het is net niet warm genoeg buiten. Uiteindelijk ga je binnen zitten om verder te lezen. Niemand ziet het, waarom zou je niet stiekem ook nog dat dekentje bij je nemen, daar bij jou in de leeszetel? Niemand ziet het. Misschien wil je soms warm hebben, vanbinnen. Later loop je door het huis. Dit is de plek waar je aangespoeld bent. Het is goed, denk je, dat je hier kunt zijn. Je ziet ineens weer hoe het was, daarvoor. In het oude huis dat jou had losgelaten. Waar je ontheemd was, nog meer dan je al was. Het hele boek uitgelezen. Je legt het op de tafel. Het moet nu nog verder door je heen sijpelen. Je hebt honger. Iets met warm vanbinnen. Heb je iets geleerd over jezelf de voorbije dagen? Je denkt aan dat vorige boek dat je enkele dagen geleden hebt uitgelezen. Iets gaf je een inzicht. Of was het niet meer dan een romantisch verlangen? Het zou een mooi gesprek kunnen zijn. Je denkt: doorlopende zinnen, misschien zal ik wel heel veel zeggen, misschien zal ik me uiteindelijk weer voorzichtig terugtrekken in de woorden. Hoe wild ben je eigenlijk? In je hoofd? Soms zie je jezelf lopen, in de etalages van de winkelstraat. Je vraagt je af hoe je eigenlijk loopt. Hoe zijn de bewegingen? Soms trek je je terug in die bewegingen. Als de zinnen doorlopen, als je niet altijd weet of die ene zin bij de vorige of de volgende hoort, dan kun je misschien wel een beetje verdwijnen in de zinnen. Veel zeggen en weinig zeggen tegelijk. Zinnen. En dat je ondertussen toch ook al maar kaarten hebt gekocht voor een concert binnen enkele maanden. De mevrouw in de winkel die een hele uitleg deed over welke plaatsen goede plaatsen zijn. De andere mevrouw in een andere winkel, en je dacht: we hebben in dezelfde winkel kleren gekocht. Overigens, voor je uiteindelijk aan dat boek begon, nadat je een hele tijd had staan twijfelen voor de stapel wachtboeken, dacht je nog: moet ik nu niet enkele brieven schrijven, aan die en die? Dat het misschien wel niet goed zou blijken, voor het namiddagverdriet, dacht je. Dus toch maar niet. En toch zijn ze er een beetje, je zou ze bijna kunnen zien liggen, de niet geschreven brieven van deze dag. Trouwens, hoe je enkele dagen geleden ook al de plek met het dekentje had opgezocht voor een romantische film. Die je al eerder zag, maar dat was niet erg. Klaar voor het snotteren. Hoe je enkele keren, die week, gewoon met tranen in je ogen zat te werken. Maar dat lag dan wel aan je rug. Zou dat kunnen, dacht je nog, dat die ochtendmassage zoveel uur later voor een soort naschok zorgde? Alsof de dingen zich eerst moeizaam door je lichaam moesten verplaatsen. Om pas daarna iets te veroorzaken. Je lichaam werkt wel zo, denk je. En of je nu eigenlijk al iets geleerd hebt?

20 mei 2015

Portret van een man


Bijna onmerkbaar word je het boek ingezogen. Het is een boek dat op zachte toon tot je spreekt. Een boek waar je graag in verblijft, en dat je met een beetje spijt ook weer moet verlaten bij het einde. Portret van een man van de Deense auteur Jens Christian Grøndahl wordt in de flaptekst omschreven als een roman over vergankelijkheid. Je zou het ook kunnen omschrijven als een boek over de liefde. Of een boek over een onkenbaar verlangen. Of het verhaal van een man.

Het is alsof je in die omschrijvingen steeds kleiner gaat. Je zou kunnen zeggen dat het hoofdpersonage een redelijk onopvallende man is, met een redelijk ‘gewoon’ leven. Tijdens het lezen vraag je je soms af wat dit boek zo bijzonder maakt. En dan kom je bij het onopvallende uit. Het heeft iets van het onopvallende van de tijd die voorbij gaat, terwijl je erbij stond en toekeek. In een roman lijkt een leven soms doelgerichter dan je het zelf ervaart. Het hoofdpersonage van dit boek drijft door het leven. Het is alsof hij zijn eigen verlangen niet goed begrijpt en enkel van op een afstand kan observeren in de dingen die hem overkomen. Pas bij het einde is het alsof iets onthuld wordt. Iets dat met de tijd te maken heeft.

Als lezer ben je de hele tijd stilletjes aanwezig. Je raakt het boek voorzichtig aan. En soms merk je het nauwelijks, tot je een pagina opnieuw begint te lezen. Hoe mooi, en hoe juist de woorden bij elkaar staan, de zinnen elkaar opvolgen. De constructie van de roman is ook zo. Nooit grillig. Wel behoedzaam. De elementen worden voorzichtig geïntroduceerd, en vallen rustig in elkaar. De toon is melancholisch, met een zacht briesje er doorheen. Misschien zelfs milder dan in vorige romans van de auteur. En nadat je de laatste bladzijde hebt gelezen, denk je: hoe onopvallend en doelloos mijn leven ook is, ik zou willen dat het in zo’n mooie zinnen zou verlopen.

Portret van een man is het verhaal van een niet bij naam genoemde man, op drie momenten van zijn leven. Als een jonge man, aan de rand van de volwassenheid, met nog onbestemde grote dromen. Als een man ergens bijna halfweg, na de scheiding van zijn vrouw, in de routine van een leven dat zich gezet heeft. En als man van zestig, terugkijkend, en tegelijk onbewust klaar voor een bepalende ervaring.

Het leven van de man wordt verteld aan de hand van vrouwen. De vrouwen in zijn leven. Er is zijn moeder, die aan kanker sterft wanneer hij nog jong is. Dat moment, en wat erop volgt, zal in grote mate bepalend zijn voor de positie die hij inneemt tegenover anderen, de rest van zijn leven. Hij heeft dan een vriendin, waarmee hij zal breken. Hij droomt tegelijk van iets groots, en denkt even dat te vinden in het marxisme.

Er is zijn lerares Duits, die iets raakt in hem en naar boven probeert te brengen. Ze zet hem op het spoor van kunst en cultuur en brengt hem zo in een andere wereld. Hij zal uiteindelijk leraar worden, en op die manier proberen de wereld te veranderen, zich nestelend in een middenklassebestaan. Er is de dochter van de lerares. Hij gaat achter haar aan, denkt even dat zij zijn bestemming is. Zij speelt echter een dubbel spel, al blijft er iets hangen. Er zijn nog andere vrouwen in die jonge jaren.

Er is zijn vrouw, met wie hij een dochter krijgt. Later, na de scheiding is er nog een collega, met wie hij een relatie op afstand heeft. Via een leerling uit zijn klas, een jongen uit ex-Joegoslavië, maakt hij ook kennis met de moeder van die jongen.

En ten slotte, als hij als oudere man in Rome rondwandelt, leert hij een heel jonge vrouw kennen. Zij maakt iets in hem los.

Zijn weg loopt uiteindelijk steeds via die vrouwen. Daar is er een verdichting van het leven. De relaties worden met treffende details beschreven. Het hoofdpersonage lijkt soms een toeschouwer van zijn eigen leven. Pas als het voorbij is, merkt hij dat er iets fout ging of beseft hij dat het misschien wel goed was. Al is dat besef dan ook weer niet van die aard dat hij wat voorbij is wil terughalen of alsnog veranderen. De tijd is ondertussen voorbij gegaan. En hij weet, soms onbewust, soms in een flits, dat die of die relatie uiteindelijk niet goed had kunnen aflopen. Op subtiele wijze blijft hij telkens een beetje ontheemd. Er is ergens een niet te benoemen en niet te vatten verlangen dat hij ook niet te actief najaagt. De vrouwenlichamen raken soms lagen in hem die hij niet kende of doen hem inzien dat hij zal moeten vertrekken.

Aan het einde van het boek is het alsof er voor het eerst iets in elkaar klikt. Hij kijkt terug op het leven dat voorbij gegaan is. Op de vrouwen die in zijn leven kwamen, die zijn leven waren. Hij delft in zijn herinneringen. En dan is er die ervaring. Het is alsof iets in hem voor het eerst geraakt wordt, alsof de tijd voor het eerst bezworen wordt.

Voor wie al meer boeken van Grøndahl las, komt het opzet van dit boek waarschijnlijk niet erg verrassend over. Een man die kijkt naar de liefde. Soms toeschouwer van zijn eigen bewegingsloosheid. Soms alleen in staat tot willoos ondergaan. Soms niet in staat tot verbinden. Soms enkel samenvallend met zijn drift. Soms verlangend naar dingen die een verschil zullen maken in de wereld. Soms verlangend naar iemand die hem in zijn eenzaamheid echt nabij kan komen. Soms in de war door complexe vrouwen. Soms zonder woorden voor het eigen onvermogen. Soms onbewust wachtend tot een ander een knoop doorhakt en een beslissing neemt of forceert die zich al langer aandiende. Voor deze auteur is het een soort universeel thema. In Portret van een man is het niet anders. Anders niet, maar wel heel erg goed. Je blijft lezen. En in het ritme van die mooie, bijna onmerkbaar uitgebalanceerde zinnen, met hun mild verdriet en tegelijk ook voorzichtige aanvaarding, is het alsof het gemakkelijker wordt om mee te drijven met het leven. Als je goed kijkt, zie je hoe juist de woorden zijn, telkens weer. En daardoor bijna ongemerkt getroost, lees je met enig gevoel van spijt de laatste bladzijden.

17 mei 2015

De vrouw met de ukelele

Klaar voor de reis. Zo noem je het steeds. En zo is het goed. Klaar voor de reis over de grens.

Onder je huid moet iets nog in de plooi vallen. Je bent niet uit handen gegeven, aan het ritme van de trein. Nog niet. Hoop je.

Gezichten schuiven door je hoofd. Zou je ze aan kunnen raken?

Wat zou je doen als iemand nu met je mee zou reizen? Je zou iets fluisteren, waarschijnlijk.

De twee Amerikanen die net instapten, ze zijn geen voorstander van fluisteren.

Het grote station voorbij. In de trein die je over een grens zal brengen.

Je stuurt iemand een verjaardagsberichtje. Dat je bijna over de grens gaat, zeg je. Je probeert het zo te berekenen dat het zo zal zijn bij aankomst van het berichtje. In je hoofd volg je het berichtje terwijl het door de lucht vliegt, helemaal naar de andere kant van het land.

Het landschap daar, aan de andere kant van het raam. Het aarzelt nog een beetje, durft je nog niet aan te spreken.

Je had het er de vorige dag nog over, met een dierbare. Dat de aankondigingen in de trein zo anders zijn, daar over de grens. En ja. Er volgt een hele uitleg, van iemand die zich voorstelt als “Zacharie”. Hij zal ons vergezellen tot in Rotterdam. (Maar jij gaat zo ver niet, hoe moet dat dan?) Hij doet het in vier talen. Bij elke volgende taal wordt de aankondiging iets korter. Als hij later binnen komt wandelen, niet met een karretje, maar met een imposante rugzak, denk je even dat het een cateringterrorist is. Vooral omdat hij eerder aankondigde: “I also have some croissants on me.”

Het vergeten voorbereiden. Of is het loslaten?

Een overstap. Een station waar je ooit veel brieven schreef, daar op die perrons, in de wind. Het is stil vandaag. Op het andere perron loopt een man te zingen. Een mysterieus lied, uit een ver continent.

Het is bijna weer zo: de trein neemt je over, uiteindelijk, altijd.

Je blijkt in de stilteafdeling van de trein te zitten. Op het raam hangt een sticker: “Hier kunt u de horizon bewonderen.” Soms kunnen woorden de poëzie verhinderen.

Je zou het haar willen zeggen: ‘Kijk, zie je dat?’

Het station van de bestemming. De trap die je altijd even doet duizelen.

Het station van het vertrek weer naar huis.

Verhalen in je hoofd. Waar het verleden het heden raakt.

Je weet niet juist hoe het zit. Maar het is alsof je de grenzen in je lichaam beter ziet dan die in het landschap daarbuiten.

Beelden in je hoofd, je probeert ze te herkennen, dicht bij je te houden, ze schuiven weg, soms. Het kan je nog altijd bang maken, dat ze dat kunnen doen, dat ze niet bij je blijven.

Je bent aan de andere kant van een lijn, denk je, in je lichaam.

Het lichaam van de terugreis is een ander lichaam.

De vrouw die de hele tijd zit te roepen tegen haar zoon. Opvoeding is een publieke zaak, blijkbaar. Dit is dan ook niet de stilteafdeling van de trein. Bij aankomst in het station neemt ze hem liefdevol vast, en klemt hem tegen haar lijf.

Terug het station van de overstap. Het was altijd een niemandsland. Het vertelde je iets over de liefde.

Zou je het kunnen? Hier eindeloos brieven schrijven?

De trein is daar weer. De trein van de grens.

Dat het zou kunnen, denk je, dat alles aan je is voorbij gegaan. Zomaar.

Soms hoop je dat iemand ineens zou antwoorden op een vraag die je ooit stelde, ergens.

Je nadert het einde van je boek. Terwijl probeer je te zien waar ze is, de grens. Waar ze zou kunnen zijn.

Terug in het grote station. De laatste wissel. Het boek is uit, ondertussen. Het beweegt nog in je hoofd. Je kijkt naar de mensen op het perron. De vrouw met de ukelele stapt in jouw trein. Er is een verhaal.

Het boek heeft je iets geleerd. Over de liefde.

Ergens onderweg heb je woorden gelegd, in het landschap daarbuiten. Ze wachten.

De laatste halte voor de aankomst. Onder de plek van de vliegtuigen. Op het andere spoor staat een trein die straks verder zal rijden, over de grens. In het halletje, op het klapstoeltje, geeft de vrouw haar kind heel rustig de borst. Alles lijkt te zijn zoals het moet zijn.

Misschien komt alles nog wel goed, denk je, terwijl je even later uitstapt.

16 mei 2015

Toen je niet keek

‘Kijk. Mooi, vind je niet?’
‘Wanneer heb je die gemaakt?’
‘Toen je niet keek.’
‘Ik schrik er een beetje van om mezelf zo te zien.’
‘Kijk, hier bij je ogen ben je op deze foto veel meer ontspannen. Anders lijk je soms een beetje bang of zo.’
‘Bang? Of altijd op mijn hoede.’
‘Waarom eigenlijk?’
‘Ik weet het niet, het is zo gekomen, in de tijd.’
‘Was je vroeger ook zo?’
‘Ik weet het eigenlijk niet zo goed. Ik zou eens moeten gaan kijken op oude foto’s. Maar dat doe ik niet graag. Ik vind het moeilijk om mezelf te zien, in het echt, in een spiegel dan, en op foto’s.’
‘Toen ik je de eerste keer zag, had ik een beetje schrik van jou.’
‘Van mij?’
‘Ja.’
‘Hoe kom je daarbij?’
‘Ik weet het niet. Je keek zo streng. Ik dacht: die is bezig met ernstige dingen, ze zal me wel achterlijk vinden of zo. Wat natuurlijk ook waar is, maar ik wou het liever nog wat verbergen.’
‘Wat is dat nu voor een onzin. Hoe kom je daar nu bij, dat jij achterlijk zou zijn?’
‘Gewoon, een kwestie van jezelf aanvaarden zoals je bent. Haha.’
‘Onnozelaar.’
‘In elk geval, ik wou je eigenlijk al langer gewoon eens aanspreken of zo. Ik had dan wel een beetje schrik, maar tegelijk wist ik wel meteen dat ik je wou leren kennen.’
‘Raar. Ik vind het nog altijd raar.’
‘Gaan we het nu omdraaien of zo?’
‘Nee, het is goed. Ik zal maar doen alsof ik het begrijp.’
‘En ik had al een paar keer gemerkt dat je anders kijkt, soms toch, als je niet oplet. In een onbewaakt moment. Maar het zijn wel korte momenten, ze kunnen snel weer voorbij gaan. En toen dacht ik: ik moet toch eens proberen een foto te maken.’
‘Ik weet eigenlijk niet of ik wel wil dat iemand die foto ziet.’
‘Waarom niet?’
‘Misschien zie je wel te veel.’
‘Te veel van wat?’
‘Te veel van wat ik niet wil dat gezien wordt.’
‘Denk je dat ik het met de foto ga stelen?’
‘Misschien. Of misschien wil ik het zelf niet zien.’
‘Toen ik de foto zag, dacht ik: ja, dat is het. Ik heb altijd geweten en  gevoeld dat jij dit ook bent. Het is een soort nulpunt van jou.’
‘Misschien wil ik wel stilaan over iets anders praten.’
‘Komt het te dicht?’
‘Het is al een hele tijd te dicht.’
‘Ik zal het nog eens in woorden proberen dan.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dat ik probeer te beschrijven, in woorden, wat ik hier zie, op die foto. En in het echt natuurlijk ook.’
‘Waarom?’
‘Ik vraag me af of het voor jou anders zou zijn om hetzelfde in woorden te zien, en niet in een foto.’
‘Misschien is het nog wel moeilijker. Eens de woorden er staan, zijn ze er.’
‘Ik schrik zo vaak van foto’s van mezelf. Heel heel af en toe denk ik wel eens: zo zou ik wel willen zijn, zoals ik eruit zie op die foto. Maar dat gebeurt bijna nooit. Meestal wil ik meteen wegkijken. Ik zie dan een oude man. Alleszins niet iemand met wie ik een gesprek zou willen beginnen.’
‘Je vergist je. Zeker in tweede instantie.’
‘Zie je wel.’
‘Misschien had ik ook wel een beetje schrik van jou. Heb je je dat ooit al afgevraagd?’
‘Dat is een te moeilijke vraag. Vroeger dacht ik vaak dat iedereen schrik had van mij.’
‘Het is niet zo erg hoor, ik ben er al over.’
‘Ja ja, lach maar.’
‘Je bent grappig.’
‘Wil je nog wijn?’
‘Ja.’

15 mei 2015

Afschaffen

Verlangen naar een oase. Zo kan het worden in je hoofd. Die vrije dag die eraan komt.

Verlangen naar zoveel.

Maar eerst nog. De vergaderingen en de lijstjes.

De illusie dat, als je eerst nog enkele puntjes probeert af te vinken op je lijstje, de oase overweldigender zal zijn.

Dapper je wekker niet zetten. Voor die vrije dag dus. En vaststellen dat je toch een half uur (!) later wakker wordt. Een beetje gehavend.

Je voornemen om uitgebreider te ontbijten, langer in de krant te blijven lezen. Tegelijk denken: als ik dat verslag nu al vroeg schrijf, blijft er nog veel meer van de vrije dag, en zo ook het verlangen, over. Wat een verkortend effect heeft op het ontbijt.

Daarna een beetje wankel toch maar aan dat verslag beginnen. Je rug blijkt een eigen agenda te hebben voor die dag. De positieve uitleg: goed dat je rug aangeeft dat je een vrije dag hebt, en nodig hebt, je moet dankbaar zijn. De negatieve uitleg: stomme rug, stom lijf.

Na het verslag, nog even tijd verprutsen. Teken van grote vrijheid, op een vrije dag.

Toch maar poetsen in huis. Je rug drukt niet op de knop ‘vind ik leuk’.

En daarna ook nog de bak met glazen flessen naar de glasbak dragen. (Je weet dat je gelukkiger zult zijn zodra dat gebeurd is. Zoals je weet dat je gelukkiger zult zijn zodra die stapels met folders uit je bureau verdwijnen, dat dus ook nog doen.)

Zoeken naar een goede zithouding bij het eten.

Afschaffen, die rug!

Middagdut. Beetje in de war. Iets met verlangen. Iets met een rug. Iets met wachten. Iets met woorden die nu met liefde zouden ontvangen worden.

Even klaar, tot nu.

Eerst op een mail antwoorden. Je zou. Je zou veel willen zeggen. Je zou een stroom van woorden willen voelen nu. Hele verhalen vertellen. En zo plekken maken. De woorden stokken ergens. Hopelijk is iets duidelijk.

Iets met een rug.

Huiderig.

Andere kamer dan maar. Eindelijk de tijd om op die mooie brief te antwoorden. Het is alsof je handschrift niet lekker loopt. (Die uitdrukking klinkt te swingend.) Je rug loopt door tot in je vingers. Je laat de woorden komen.

Rusteloos.

En je moet ook nog die vergadering van ’s avonds voorbereiden.

Je zou kunnen breken nu, zomaar, bij aanraking.

Het drijft wel weer weg, denk je.

Je denkt aan woorden. Je zou ze herkennen als ze naar je toe zouden komen.

Je beweegt je langzaam weer in gang.

Je rug blijft bij je. Het is de jouwe.

En het verhaal over dat verlangen. Het loopt door.

Het wordt ook weer avond. Het wordt ook weer nacht.

10 mei 2015

Zullen we

Mooie wensen. Die zouden kunnen beginnen met: zullen we…? Te verzamelen. In een kleine collectie. In te zetten op het juiste moment.

Een samenleesplekje. Kan zijn in de trein. Kan zijn in het gras, met een stukje in de schaduw. Kan zijn op een terrasje. De enige afspraak is: een lekker boek meebrengen. Naast elkaar zitten, mag dichtbij zijn. Niet spreken, alleen lezen. En af en toe even kijken, en glimlachen. Kan gecombineerd worden met koffie.

Een vertel-eens-moment. Overzichtelijk concept. Je vraagt aan de ander: vertel eens iets. Dat iets moet (minstens een beetje) kunnen lijken op een verhaal. En zelf mag je kijken. Naar het verhaal.

Dingen die ik nog wou zeggen. De professionelen in deze afdeling hebben een lijstjesreflex voor tussendoorgedachten. Op een onbewaakt moment, ergens onderweg, of ergens gestrand, denk je: dat zou ik haar/hem nog eens moeten vertellen. Een tussendoorgedachte. Die wordt, op geheel analoge wijze, genoteerd op een briefje, met lijstje ‘dingen die ik nog wou zeggen’.

Doe maar een nek. Kan ook zijn: doe maar een rug. Iets met trage vingers die plekken zoeken, spieren betasten. Een denken dat alleen nog via vingers verloopt.

Een wachtdans. Kan verlegen beginnen. Eventueel met: zou je met me willen dansen? Waarop een verlegen antwoord kan volgen. En daarna een dans die wacht. Een dans die alle tijd neemt om een ritme te zoeken waarbij twee mensen in elkaar passen. En kan wachten tot dat lukt.

Toch maar iets met frangipane. Je nodigt een dierbare uit voor het eten. Je denkt al dagen op voorhand na over het juiste menu (en de juiste muziek). Zodat je op het moment zelf achteloos kunt doen of alles als bij wonder toevallig ter plekke en per ongeluk uit jouw chaotische brein gerold is. Quod non, natuurlijk. En je daarbij afvragen welk dessert je zult maken. Om ten slotte tot de conclusie te komen: toch maar iets met frangipane.

Een zeedroom. Vraagt enige voorbereiding. Je neemt de trein naar zee. Je wandelt rustig over het strand, dicht bij het water. Je ademt de zee. Je zoekt een plekje. Je wacht tot je de zee kunt verstaan, in je hoofd. (Op de zee moet je altijd een beetje wachten, ze laat zich niets vertellen.) En dan zeg je aan de ander: ik zou je een droom willen vertellen.

Een briefuitje. Je wilt afspreken om iets te gaan doen. Zoals: een wijntje in dat café bij dat raam, als de zon daar staat. Genoeg details zijn nodig. Je vraagt, via eender welk zelfgekozen communicatiemiddel: gelieve me je verzoek voor een uitje per brief over te maken, handgeschreven. De brief moet persoonlijk bezorgd worden, zodat die in aanwezigheid van de brenger kan geopend en gelezen worden. In uitzonderlijke gevallen, zoals bij hevige verlegenheid van de lezer, kan de optie postzegel overwogen worden. Moet dan wel een mooie postzegel zijn.

Een middenindenachtliedje. Je maakt de ander, ergens midden in een nacht wakker. Kan ook net voor of net na het midden zijn. (Wat is trouwens het midden?) Als de ander een aanvaardbaar niveau van beetje wakker bereikt heeft, vraag je: kun je een liedje zingen voor mij, anders kan ik niet slapen? Een geslaagd liedje geeft recht op een middenindenachtverhaaltje, een andere keer.

Deuken uitwisselen. Ze komen voor in diverse vormen, deuken en littekens. Zichtbaar en minder zichtbaar. Op gemakkelijke plaatsen, en op andere. Binnen en buiten. Twee deuken, uitgewisseld en  gedeeld, ze kunnen elkaar opheffen. Bij subtiele uitvoering kan ook een lachbui volgen.

Een fluisterwens. Zelfs als het stil is in de kamer, als er nergens Stasi-elementen te bespeuren zijn, als de hoeveelheid room tussen de aardbeien aanzet tot concentratie, zelfs dan dient de wens al fluisterend geuit te worden, na een trage nadering van het oor. Een fluisterwens mag geretourneerd worden door een fluisterantwoord, of een nieuwe fluisterwens. Diverse varianten worden toegelaten door de internationale fluisterwenscommissie, opgericht na een resolutie van de VN-Veiligheidsraad.