25 september 2016

We gaan liggen in de tijd

Goede vriend Willy

Het is weer tijd voor mijn jaarlijkse brief aan jou. Het is niet zo gemakkelijk. Aan de ene kant is het een terugkeer op vertrouwd terrein. Aan de andere kant is het ook een beetje alsof je zit te wachten op die brief. En misschien wordt die daardoor niet zo goed als hij zou moeten zijn, ik weet het niet. Het geeft ook niet, waarschijnlijk.

Vandaag was het weer die dag. Er waren weer honderden mensen die kwamen fietsen of wandelen. En misschien weet niet iedereen wie die man is of was in de naam van die fietstocht. Velen weten het wel, en dat is goed.

Ik had het er al eerder over. Ik wil graag dat jij er bent, daar. Het is bovenal een speciaal moment voor alle slachtoffers van die gruwelijke stof die asbest is. Het gaat over hen allemaal, zo wilde jij het ook. Maar jij was een van hen, en ik wil dat jij er bent, op die dag, net als al die anderen.

Toen ik aankwam deze ochtend in Kapelle-op-den-Bos, dat laatste stukje in de trein, was het alsof ik je zag fietsen, naast het spoor. Het was alsof je heel erg opgewekt was, alsof je blij was dat ik kwam, alsof je me opwachtte. Het deed me een beetje denken aan wat je soms in die films ziet, dat er in het veld iemand op een paard rijdt en wuift naar iemand die in de trein zit. Het was een heftig gevoel, je was zo aanwezig. Ik was alleen in de trein, en jij was alleen daarbuiten.

Toen ik uitstapte en de straat overstak, was je al weg. Onderweg. Ergens naartoe.

Ik laat het niet zo merken, maar het is telkens weer een moeilijke dag voor mij. Het is vooral een dag die me heel erg nederig en klein maakt.

Ik kijk naar de vrouwen die er elk jaar staan, met de foto’s van al die slachtoffers. Zoveel mensen die er niet meer zijn. En ik kan alleen maar het hoofd buigen voor hen.

Ik kijk naar de dappere mensen die er elk jaar zijn en die weten dat zij waarschijnlijk ook aan de beurt zullen komen, dat zij ook op de lugubere wachtlijst staan. En ik zwijg, uit mededogen en uit gloeiende kwaadheid tegelijk.

En ik zie jouw familie. En weer dacht ik: ze worden groot. Het slaat nergens op, want ze waren het altijd natuurlijk al. Maar ik dacht dat ik dat zou zeggen tegen jou. Kijk Willy, ze worden groot, je kunt zo trots zijn op hen.

Het is ook raar, een beetje. Hoe zo’n dag verandert, elk jaar. Een deel blijft elke keer hetzelfde. En een deel verandert. We staan stil bij een moment van stilstand, toen. En tegelijk zijn we verder blijven gaan. En dat verandert de dingen ook. Vandaag had ik het gevoel dat we gaan liggen in de tijd. Het is iets heel anders dan verdwijnen en weg zijn. Het is je rustig neerleggen in een tijd die ook verder gaat. Het is goed en mooi, en het maakt me ook een klein beetje droef.

Ik keek naar al die mooie mensen die me dierbaar zijn geworden door hen daar te zien telkens weer, en ik dacht ook: we worden samen oud. We zien leven en dood door onze handen gaan. We herinneren ons wie jij was en wie jij bent voor ons. En tegelijk blijven we bij de tijd, zijn we de tijd. We kunnen zien waar je je hebt neergelegd, en dat is goed. En ik zie hoe jij alles ziet van daar. En wanneer je wilt, kun je gaan fietsen, in volle vrijheid. Je hebt nu geen last meer van de wind. Je hebt alle adem bij je. Je fiets staat scherp.

Ik wou veel mensen even aanraken vandaag, maar ik durfde weer niet goed. Een beetje verlegen, zoals ik al zei. En misschien is dat ook niet zo erg.

In de trein terug, bijna thuis, gebeurde er weer iets. Een vrouw liep door de middengang heen en weer met een klein jongetje. Het jongetje was aan het wenen. De vrouw probeerde hem te troosten. Toen ik opstond om me klaar te maken om uit te stappen, zag het jongetje mij. Grote verwonderde ogen. Ik wuifde naar hem, hij keek naar mijn hand, en wuifde weer terug. Het jongetje bleef kijken en wuiven en riep me na toen ik moest vertrekken. Om een of andere reden, dacht ik, had jij daar iets mee te maken.

Bedankt nog goede vriend, dat je me opwachtte. Je maakte het me een beetje gemakkelijker om uit te stappen en om daar te zijn vandaag. Daar waar ik wilde zijn vandaag.

Tot weer, jan

24 september 2016

Dat met die kinderen

In het weekendmagazine bij de krant een heel artikel  over ‘kids/no kids’. Nog los van het punt dat het woord kids bij wet zou verboden moeten worden, brengt het artikel je erg in de war. Om allerlei redenen. Die je misschien zelf niet helemaal begrijpt.

Discussies over wel of geen kinderen zijn altijd emotioneel. Mensen reageren soms heel heftig op elkaar. Niet altijd luisterend naar wat de ander zegt, maar soms vooral verwoordend wat men zelf denkt. Of nog meer: waaraan men zelf twijfelt. Dingen waar men zelf mee worstelt worden al snel op de ander geprojecteerd. Men soms reageert emotioneel op dingen die die ander misschien helemaal niet zei.

Je merkt het ook bij jezelf, dat je meteen, in je hoofd allerlei dingen begint te roepen bij sommige uitspraken in het artikel. Soms ook net niet, misschien omdat je sommige mensen kent die in het artikel aan bod komen.

Veel dingen, bijna allemaal eigenlijk, zijn te moeilijk om over te praten. Je komt meteen in een mijnenveld, vrees je.

En je weet zelf maar al te goed wat je ooit al te horen kreeg over geen kinderen. Mensen (vaak zelf met kinderen) die je komen uitleggen waarom het goed is dat jij geen kinderen hebt. (Gewoon weglopen is het enige dat helpt, denk je, om te voorkomen dat je mogelijk tot geweld zult overgaan na zo'n uitspraak, of iets in die aard.) Mensen die je uitleggen waarom je toch zo gelukkig moet zijn omdat je geen kinderen hebt, maar zelf nooit kunnen zwijgen over hun kinderen. Mensen die je al dan niet impliciet laten verstaan dat je egoïstisch bent omdat je geen kinderen hebt. En allerlei varianten ervan.

Om al die dingen kun je kwaad worden, omdat ze zo kwetsend zijn.

En toch. Toch voel je een aarzeling bij een aantal uitspraken van de mensen in het artikel die aan de kant van de no kids staan. En je weet niet goed wat je daarmee moet. Je zult hen er niet op aanvallen. Je zult geen scherpe dingen gaan zetten op hun facebookprofiel, je zult hen geen verwijtende berichtjes sturen. En toch. Het brengt je in de war.

Misschien is de verklaring heel eenvoudig. Als men je vraagt of het een bewuste keuze is om geen kinderen te hebben, kun je alleen antwoorden dat het geen keuze is, maar een verdriet. Misschien is dat het enige punt. Dat jij altijd graag kinderen had gewild, en dat dat voor de mensen in het artikel anders is.

Veel vragen blijven nog. Zoals die ‘vrijheid’ die dus bij jouw situatie zou horen. In veel opzichten klopt dat natuurlijk wel. Jij zult een ruimte hebben om dingen te doen die mensen met kinderen niet zomaar hebben. Als je een kind hebt dat een handicap heeft of dat speciale zorg nodig heeft voor heel haar of zijn leven, dan zal dat jouw leven en jouw mate van vrijheid beïnvloeden, om het even in die termen te zeggen. Je moet het leven met kinderen niet altijd al te zeer romantiseren, zoals anderen in het artikel zeggen. Dat is allemaal waar. Iedereen heeft een beetje gelijk in het artikel, denk je. En toch. Toch blijft het moeilijk om voor jouw situatie zomaar het woord vrijheid te gebruiken, het lijkt niet te kloppen, al kun je eigenlijk niet echt uitleggen waarom niet.

Die zogenaamd rationele argumenten blijven wringen. Dat je zonder kinderen helemaal voor je eigen leven kunt kiezen. Of zo klinkt het toch voor jou. En op dat punt wringt het dus, denk je. Is het goed om dat te willen? Misschien heb je het ook geleerd door die ziekte, maar eigenlijk denk je: ik ben niet van mij alleen. Eigenlijk denk je: ik kan maar zijn wie ik ben in mijn verbondenheid met anderen. En zoals ook in het artikel wordt verteld is het zo dat kinderen je daar natuurlijk de hele tijd aan herinneren. Het besef dat wie je bent overvloeit in anderen, dat anderen ook jou bepalen, dat anderen ook jou nodig hebben, net als jij hen nodig hebt. En ook al is dat een moeilijk besef, het is goed zo, denk je.

Het is gewoon moeilijk uit te leggen wat dat gevoel werkelijk voor je betekent. Misschien is het gewoon een soort uiting van je kinderwens. Hoewel, het is meer dan dat, denk je.

Het is moeilijk soms, dat je bijna nooit de vraag krijgt hoe het is om geen kinderen te hebben. Vaak krijg je wel allerlei vormen van raad, of gaat het gesprek snel weer over naar een ander onderwerp, bij voorkeur dan de kinderen van anderen.

Je kunt niet beschrijven wat het voor je betekent, zoals enkele dagen geleden nog, als iemand die je graag ziet jou zegt dat je een goede papa zou zijn geweest. Het is steeds te moeilijk voor je om erop door te gaan, je zult het altijd een beetje weglachen, of rationaliseren, of wat dan ook. Misschien ben je gewoon te bang om de grootte van die zin tot je toe te laten, gewoon als een geschenk. (Misschien mag je geen geschenken krijgen.)

Het is wat het is, en dat is goed, denk je.

(Je weet het nog altijd niet. Als het artikel het voorstelt alsof er twee kampen zijn, is het alsof je in het ene kamp zit, maar met de argumenten van het andere. Verwarrend dus. Maar dat is niet zo erg, denk je.)

23 september 2016

Welke dag

Nog met cello’s in je hoofd als je die ochtend vertrekt, de nieuwe week in.

En verhalen die blijven.

Ze zitten op je te wachten. Wat zijn ze jong. Allemaal net afgestudeerd, denk je. Diploma’s met hopen. Maar te verlegen om te antwoorden op je vragen in de opleiding. Het komt nog wel, denk je, laat ze maar komen. Je collega denkt er anders over, komt tussen in jouw les, en zegt je nadien dat je hen directer moet aanspreken. Je zegt dat het wel in orde komt, je weet wat je doet. En het komt ook in orde.

Je haalt iets uit het pakje. Je zult dat verhaal zelf vertellen, met je eigen stem. Dat zou dapperder moeten zijn, of zoiets. Je plakt het pakje weer dicht.

(Het wordt een slechte buikweek, denk je.)

De manier waarop de postkantoormevrouw vraagt of je misschien een heel velletje postzegels kunt gebruiken. Met die glinsterende ogen. Nee zeggen is geen optie. (Misschien zul je dus toch nog meer pakjes moeten versturen.) Het pakje is vertrokken nu.

De bankkantoormevrouw lost je probleem op. Het leek een echt, ernstig probleem. Dat dacht ook die andere bankkantoormevrouw al. (“Ik zal mijn collega moeten roepen.”) Het blijkt een nogal klein probleem, eigenlijk geen probleem, eigenlijk ligt het gewoon aan jou. Een beetje verlegen. Maar ze vinden het niet erg. (Daar zijn ze voor opgeleid waarschijnlijk…)

Iets met dromen.

Ze zitten weer op je te wachten. Je zegt dat het dit keer echt dolle pret zal worden. Ze gaan helemaal op in de oefeningen. Je collega komt je vertellen dat het eigenlijk wel een heel leuke les is. Het komt nog goed, met de dingen, denk je.

Die avond nog even op en neer naar een andere stad. Je bent moe. Maar het lezen is wel lekker. Het dikke boek. En de aanraakbare bladzijden. Mmm.

Iets met een zekere onrust.

Een boeiende ochtendafspraak. En dat je dus eigenlijk toch een pak zou moeten dragen. Je zult er zeker eens over nadenken.

(Het pakje is aangekomen. Dat is goed nieuws. Het is de juiste dag.)

Wanneer je naar huis gaat, is het ongeveer hetzelfde moment als toen. Je blijft heel even staan, daar in het midden van de winkelstraat, en legt je hand op je hart. Ergens staat dat dit de dag is.

Een mooi gesprek. Op de juiste dag. Waarschijnlijk de juiste dag. Ergens tijdens het gesprek denk je: laat dit lang duren. Dapper zijn valt toch nog een klein beetje mee.

Een andere nacht.

De volgende ochtend, heel vroeg. Even later sta je fietsen te tellen in de straat. Het ene moment vraag je je af wat je daar eigenlijk staat te doen, op dat uur. Het andere moment denk je dat het ook wel iets heeft. Maar na twee uur ben je wel een beetje koud vanbinnen.

Later die dag een vooravondvergadering, of hoe omschrijf je dat ding anders. Na een tijdje voel je de vermoeidheid. De zinnen met die moeilijke woorden glijden van je af, komen niet meer echt binnen. Je laat het niet merken.

De volgende ochtend. Vroeg naar de markt. Droevig moment. Het lekkeredruivenseizoen is weer voorbij. Je zegt wel aan de druivenmevrouw dat je haar weer zult zien volgend jaar. Misschien helpt dat.

Iets met een naaiwerkje.

Door de stad lopen met het karretje met twee bakken met kleine flesjes. De twee oude wereldwinkelmevrouwen zijn geweldig.

De uurregeling bekijken voor het weekend. Je zult veel in de trein zitten, van hier naar ginder. Veel tijd om te lezen.

Een mooie nieuwe plaat.

Tijdens het koken een lichte existentiële crisis. Wat is er mis met jou? Fundamenteel? Je zou het iemand moeten vragen, iemand opbellen en vragen wat er mis is met jou. Fundamenteel dan.

De laatste druiven van het seizoen wachten op je.

18 september 2016

Iets met een cello

‘Kijk, ik heb een plaat van haar gekocht.’
‘Een plaat? Een CD zul je bedoelen.’
‘Voor mij is dat ook een plaat.’
‘Jij bent echt ouderwets.’
‘Ja, en mijn haar is te lang.’
‘Minstens.’
‘Gelukkig zijn we er, hier.’
‘Ja, eigenlijk wel.’
‘Het was een beetje moeilijk om de muziek te verlaten, en weer de gewone wereld in te gaan.’
‘Zouden we niet een beetje kunnen blijven daar?’
‘Ja, dat zou ik wel willen.’
‘Wat zouden we doen dan?’
‘Een verhaal vertellen. Dat is in, tegenwoordig, verhalen vertellen.’
‘Maar jij moet wel beginnen.’
‘Waarom?’
‘Daarom, jij hebt meer woorden.’
‘Ik geloof er niets van, maar goed. Soms zie ik het, in mijn hoofd. Het verhaal. Ons verhaal.’
‘En wat zie je dan?’
‘Zo’n beetje als een strook die is vrijgemaakt, in een dichtgegroeid bos of een overwoekerde tuin. De strook is er al. Het verhaal kan rustig zijn weg zoeken. Je kunt niet door de struiken kijken, en ziet dus niet waar het naartoe gaat, maar de ruimte is er al.’
‘En voor wie is de ruimte?’
‘Voor het verhaal. Op een of andere manier, maar vraag me niet hoe, loopt ons verhaal door. Niet af.’
‘Verwacht je dan iets van het verhaal?’
‘Nee. Het is er, het is zichzelf. Dat is genoeg.’
‘Dat is goed dan. Heb je die voeten gezien?’
‘Ja, natuurlijk. Eerste rij.’
‘Mooi, hoe al die dingen in elkaar pasten. Je wist soms zelfs niet eens wat ter plekke werd gespeeld, en wat net daarvoor opgenomen was.’
‘Nee, inderdaad.’
‘Als ik haar hoor, is het steeds alsof ik ergens ben waar ik wil zijn.’
‘Ik begrijp wat je wilt zeggen.’
‘Hoeveel moeite je ook doet, vaak ben je toch ergens waar je niet wilt zijn. Ook al weet je dat je nergens anders zou kunnen zijn, omdat het nu eenmaal zo gelopen is of zo, op dat moment, op die plek, of in dat seizoen van je leven, of wat dan ook. Je weet dat je de plek zou herkennen waar je zou willen zijn, als je er was.’
‘Dat herken ik, dat gevoel.’
‘Heb je soms het gevoel dat je er bent, daar?’
‘Ja, eigenlijk wel. Soms.’
‘Ga je me dan bellen? Misschien?’
‘Misschien. Waarschijnlijk durf ik het niet.’
‘Waarom niet?’
‘Gewoon, omdat ik het niet durf, omdat ik bang ben of zo.’
‘Doe het toch maar. Gewoon.’
‘Wie weet.’
‘En hoe zit dat nu met die vingers van jou?’
‘Dat vertel ik je nog wel eens.’
‘Zeker, niet nog eens.’
‘Jij hebt me ook nog een verhaal te vertellen trouwens.’
‘Ja?’
‘Ja. Ik herinner je er nog wel eens aan.’
‘Doe dat.’

17 september 2016

En je dacht

En je dacht. Iets ingewikkeld. Of niet, misschien. Iets dat niet voor de woorden is. Of net ervoor nog. Iets over dicht bij je waarden blijven leven. Niet het andere doen, waardoor jij uiteindelijk ook het lijden zou hebben. Of zoiets. (Die boeddhisten kunnen dat waarschijnlijk allemaal beter uitleggen.) Jij ziet het wel, in je lichaam, in je hoofd. Je voelt het, onder je huid, waar ze zijn, die waarden.

En je dacht. Bij het observeren van jezelf. Je ziet het gebeuren. Iets. En je bent er niet echt trots op. Misschien had je het anders moeten doen, kunnen doen. Maar je ziet ook welke laag het raakt, ergens diep in jou. Een plotse doorslag naar een grondlaag. Of een pijnscheut in je ellenboog. Daar waar je eenzaam bent. Je ziet het, als een waarnemer. Nadien. Misschien is weten genoeg.

En je dacht. Nog voor je moest vertrekken voor weer eens een avond weg. Dat je zomaar zou kunnen gaan zitten en een traan worden. Je begreep niet zo goed waarom. Een of ander na-ijleffect. Ongetwijfeld.

En je dacht. Hoe je probeerde soepel te zijn. Als in staat tot zomaar meewapperen met een bries. En je keek naar jezelf. Hoe het was, hoe het veranderde.

En je dacht. Dat je niet wist hoe het komt dat je vaak in die paar vingers minder gevoel hebt. Dat het aan je nek zou kunnen liggen. En even dacht je aan de handen van je vader.

En je dacht. Napratend in de nacht. Het is goed, en bijzonder, als iemand je ziet. Het gezien heeft, dat ene moment.

En je dacht. Dat het vroeg was. Die wekkerradio om zes uur ’s ochtends op een zaterdag. Dat je nog niet weg wou uit die droom. Dat je lichaam nog haperde. Dat het water in de douche zo lekker heel warm was, en dat je langer wilde blijven staan. Dat ergens onderweg later je lichaam wel terug met jezelf zou samenvallen.

En je dacht. In de trein. Een vroege ochtend, nog steeds. Dat je misschien een brief wou schrijven. Je keek naar het blad. Waar de woorden zouden komen. Waar je de woorden zou herkennen, eens ze er zouden staan.

En je dacht. Dat je nog niet helemaal zeker wist of je het zou durven. Wat je je voorgenomen had. Op weg naar waar je zou gaan vertellen. Ze hadden gevraagd dat je zou vertellen. Of je het zou durven, oud zijn, om terug te kunnen kijken naar hoe je jong was, om te kunnen vertellen aan jongeren.

En je dacht. Thuis nog. Dat je de gedachte moest toelaten in je hoofd dat zij, die jongeren, jouw kinderen zouden kunnen zijn. Niet zij in het echt natuurlijk. Maar als het ware. Die stap in je hoofd moest je kunnen zetten om te vertellen wat je wilde vertellen. Dacht je.

En je dacht. Toen je daar zat. Toen ze allemaal klaar waren om naar je te luisteren. Wat een eer het is, om zomaar te mogen vertellen. Het maakte je verlegen en nederig. En heel dankbaar.

En je dacht. Tijdens je verhaal. Kijk naar hen, en denk: dit zouden mijn kinderen kunnen zijn. En het maakte je weker dan week. Maar het was goed, op een manier die je niet uit zou kunnen leggen. Alsof je een cirkel rond kon maken, na zoveel jaar.

En je dacht. Dat je wou dat Julia dat kon zien. (En je wist dat het zo was.)

En je dacht. Dat je nadien even wou verdwijnen, in het ritme van de trein. Hij stopte bijna overal, en het was goed.

En je dacht. Dat het bijzonder was om even daarna nog eens te mogen vertellen. En dat het bijzonder is, zo dacht je veel later nog, dat je soms mensen kunt doen lachen. Wat je nog altijd verbaast, dat dat lukt, zomaar. Alsof je zou zeggen: kijk daar, daar is een zonsverduistering, zomaar in het niets. En dat mensen zeggen: ja, we zien het.

En je dacht. Dat het goed was om weer thuis te komen. Dat het goed was om weer thuis te komen. Dat het goed was om weer thuis te komen. Dat het goed was dat je die zin zomaar kon herhalen voor jezelf.

En je dacht. Dat je iets in die handen had gezien.

En je dacht. Die muziek zal ze mooi vinden.

14 september 2016

Ben je daar ergens

Ergens diep in een nacht. Je wilt niet naar de klok kijken, wilt niet weten hoe laat het is. Wakker geworden in een halve slaap, halve droom. Zoals je verwacht had. (Zoals dat dan gaat, in zo’n geval. In afleveringen.)

Je lichaam is rusteloos. (Na een vergadering die niet helemaal goed liep die avond.) Je loopt door het huis. Het is warm. Eigenlijk zou je het willen, helemaal koud worden nu, om daarna weer op te warmen. (Maar in je blootje op de stenen vloer gaan liggen, je doet het toch maar niet.)

Dan maar in die toestand op de rand van het bed gaan zitten. Je leest in het tijdschrift. Het duurt even eer je hoofd de letters kan vasthouden.

Een interview met de bekende schrijfster. Ze vertelt over haar borstkanker.

(Elk kankerverhaal is een beetje gelijk en een  beetje anders, waarschijnlijk.) En dan is er dat stukje waar je een beetje van schrikt. De conclusie van haar verhaal is blijkbaar dat ze het gevoel heeft dat mensen niet echt betrokken zijn, dat we allemaal eilanden zijn. Het maakt je triest voor haar, dat het voor haar zo is.

Af en toe denk je dat ook wel eens, maar als je aan je eigen kanker denk – gezellig toch, je eigen kanker – dan was het eigenlijk niet zo. (Je hoorde al best veel verhalen van mensen die door die kloteziekte in eenzaamheid terechtkwamen. Misschien heb jij gewoon geluk gehad. En je kent zoveel verhalen, te veel, van dierbare mensen die van de ziekte geen kans kregen of die zwaar gehavend achterbleven. Misschien heb jij gewoon geluk gehad. Waarom jij wel?)

In die warme nacht denk je weer aan toen, en aan de andere mensen. (Misschien heb je op dit moment, nu je je verloren en ontheemd voelt, in die nacht, behoefte aan je verbonden voelen, al is het al maar in je hoofd.)

Het was een schok, te merken wat jouw ziekte met andere mensen deed. Je was er niet op voorbereid. Je voelde je schuldig en beschaamd, om het verdriet dat je anderen deed. En het bracht je helemaal in de war, dat er zoveel mensen waren. Natuurlijk waren er ook mensen die raar reageerden, of gewoon onhandig.

Misschien doet de tijd je anders kijken naar de dingen, maar in je hoofd zie je vooral die heel bijzondere mensen die wel betrokken waren, die dicht bij je bleven in die dagen. Ze hebben je bij het leven gehouden, je dankt jouw leven aan hen. Je dankbaarheid kan alleen maar eeuwig zijn, en maakt je nederig.

En terwijl je daar zit, denk je: als ze hier zouden zijn nu, zou ik hun zeggen, gewoon, hoeveel het voor me betekent. Gewoon om het nog eens te kunnen zeggen, om die woorden te horen, in die nacht. En zien hoe ze traag blijven hangen, in de kamer, die woorden.

Je lichaam lijkt toch een beetje af te koelen. Er is minder storm in je hoofd.

Er is iemand die je nu zou willen kunnen bellen. Om haar een verhaal te vertellen. Of eigenlijk alleen om haar iets te zeggen. Iets dat anders zomaar in de kosmos verloren zou kunnen gaan. (Je zou het niet durven, waarschijnlijk. Het zou misschien anders klinken dan je het bedoelt.)

Het blijft door je hoofd gaan, de ochtend na die korte nacht. Dat je zorgzaam moet zijn vandaag. Dat je moet koesteren wat je verbindt met anderen. (Je observeert jezelf, keer op keer opnieuw, en je begrijpt stilaan wat de dingen zijn die je kwaad of ontredderd maken.) Bij elke gelegenheid die zich voordoet vandaag, denk je, zul je de dingen zeggen die anders onuitgesproken zouden blijven, die anders te woordachtig zouden klinken. Maar die woorden die die nacht in je kamer hingen, ze hebben je overtuigd, dat je altijd, telkens opnieuw, alleen maar een laatste kans hebt.

Je zou zomaar uit elkaar kunnen vallen, in de brokstukken die je bent. En het zou ook niet kunnen gebeuren. Dat besef. En niet helemaal zeker weten wat je daarmee moet doen.

Je denkt nog aan de vrouw in het interview. Je ziet haar foto terwijl je staat aan te schuiven in de krantenwinkel. (Misschien verlang jij naar zachtere woorden, denk je.)

En je denkt aan de stroom, weer.

En je denkt aan de woorden in dat verhaal dat je wilde vertellen.

En je denkt aan alles waarin je faalt.

En je denkt aan het stukje dat rustig blijft.

En zo volgt de dag zichzelf, zoals de dingen gaan.

11 september 2016

Huidlagen

Misschien werkt het als aardlagen, maar dan in je huid. Dingen die zich afzetten, als sediment.

Wat je leert, wat je ziet, het legt zich neer. In je huid. Laag na laag.

En de tijd. Het vraagt tijd. (Bij jou vraagt het altijd veel tijd, de dingen die zich neerleggen. Je kunt alleen het ritme volgen dat de tijd je oplegt, het is niet anders.)

Je kunt het niet versnellen, denk je.

De mensen in je leven. De mensen waar je van houdt. Ze worden, ze zijn. Lagen in je huid.

En misschien lijkt je huid een beetje op de zee. Je kunt nooit helemaal weten waar de golf ophoudt en het andere water begint. Ze zijn elkaar.

Zo heeft verdriet veel tijd nodig. Anderen geven je goede raad, en terecht waarschijnlijk. En je denkt: ik kan alleen wachten op hoe de lagen zich leggen. In elkaar. Tot ze elkaar zijn.

(Je hoort de muziek, de bezwerende muziek. Je denkt aan iemand. Binnenkort komt er meer muziek.)

De dingen moeten ook door je heen sijpelen. Zoals water uit de lucht er lang over doet om diepe lagen te bereiken, denk je.

Soms zie je het, ’s nachts. Zie je je lichaam, zie je dat water, zie je de dwarsdoorsnede.

Misschien leer je dat, met het ouder worden. Om te kijken. Naar de lagen. Om verandering te begrijpen als dat proces. (Net het andere van ‘ik ga alles veranderen vanaf vandaag’.)

Je hebt het leren aanvaarden, dat wat je ziet, ’s nachts. Denk je toch.

Soms voel je handen op je huid ’s nachts, het zijn herinneringen. Het zijn de lagen.

Je kijkt naar je handen. (Iemand zei je dat je dat vaak doet.) En je ziet de wind, de wind in de tijd. (Iemand zou kunnen zeggen dat het lijkt alsof je handen weinig wind hebben gezien, maar dat is niet waar.)

Soms doet je huid pijn. Vaak, eigenlijk. Niet overal, natuurlijk.

Soms vraagt je huid iets. (Zoals vorige week nog, eigenlijk.)

En je kijkt naar de handen van anderen. (Ooit ben je daarmee begonnen, en dat was een goed idee.)
En het is alsof je alles ziet. Of toch veel.

Wijsheid en verlangen, ze zijn er allebei. Daar.

(In die ene droom wist je hoe het was.)

Je kunt het zien, voor je. Als iemand het zou vragen, zou je het bijna kunnen vertellen.

Zonder weg te zijn kun je toch verdwalen, en terugkeren. Dat geloof je.

Of misschien zou je moeten zeggen: kijk mee door mijn ogen.

(De huid die je ziet op de foto, je blijft kijken.)

De pijn huist in die lagen, is ermee gaan vervloeien.

Het weten wordt zwaarder en lichter tegelijk, je zou het niet uit kunnen leggen, misschien.

(De muziek kan ook in je huid trekken. Na een tijd kun je de muziek aanraken, in je huid.)

(’s Nachts, diezelfde nacht, kun je denken aan de muziek, kun je de muziek aanraken.)

(Soms zijn er bewegingen in de aardlagen. Familie van aardbevingen. En het is de muziek die de rust kan laten weerkeren. Als adem.)

Je hoorde een verhaal, en je was blij. Je had je niet vergist.

En straks ga je traag in de nacht liggen.