25 januari 2015

Onuitspreekbare woorden

‘Sommige woorden zijn moeilijker dan andere. Moeilijker om uit te spreken, moeilijker om over na te denken, moeilijker om te schrijven.’
‘Kun je er wel over nadenken zonder het woord? Alleen denken over waar dat woord voor staat?’
‘Dat is een goede vraag. Ik weet het eigenlijk niet. Voor mij is het zo, denk ik, dat ik pas kan erkennen dat iets er is, als ik het woord toelaat. Hoe moeilijk ook.’
‘Is dat echt zo? Moeilijke woorden hangen vaak samen met moeilijke gevoelens. En het kan toch zijn dat je wel die gevoelens kunt observeren in jezelf, zonder een woord erbij.’
‘Ik moet even nadenken. Misschien wel ja, je hebt gelijk.’
‘Stel dat ik jou hier en nu zou willen aanraken. Ik weet niet goed wat het woord daarvoor is. Maar dat gevoel kan ik toch zien in mezelf. En als ik er niets mee doe, is het er ook nooit geweest.’
‘Ik ben nog aan het denken over dat erkennen. Moeilijke woorden gebruiken is een vorm van schaamte overwinnen. Zodra het woord er is, ligt het op tafel. De ander kan het woord zien, aanraken, aanvaarden als uitnodiging, of negeren. Maar eens het woord er is, kun je het niet meer zomaar ontkennen.’
‘Zou dat gemakkelijker zijn?’
‘Ja, soms wel. Als er geen woord is, is het er misschien wel niet.’
‘Ik denk dat ik het vaak wel fijn vind dat sommige dingen niet het stadium van het woord bereiken. Het woord kan bedreigender zijn dan het ding waar het voor staat.’
‘In het woord zit wel een element van delen, van iets niet alleen voor jezelf houden. Misschien is het daarom moeilijk.’
‘Ja, dat is zo. Misschien is dat het moeilijke. Als je deelt, stel je je kwetsbaar op. Je neemt het risico van de verbinding, en mogelijk het onbegrip, of de afwijzing of het achterlaten.’
‘Een woord als verlangen is voor mij een van die moeilijke woorden.’
‘Het is een woord dat je nochtans vaak gebruikt.’
‘Vaak? Dat weet ik niet. Ik verplicht mezelf dat woord soms te gebruiken, te schrijven. Het is elke keer weer moeilijk. Het verwart me, heel erg. Maar door het te gebruiken is het soms alsof het er mag zijn, alsof het ook bij mij zou kunnen horen.’
‘Natuurlijk hoort het bij je, waarom niet?’
‘Ik weet het niet. Of ik weet het wel, eigenlijk.’
‘Zou je mij kunnen beschrijven wat het woord verlangen voor jou betekent?’
‘Zou ik het durven? Dat moet ik ook vragen aan mezelf.’
‘En?’
‘Het gemakkelijkste zou zijn de vraag terug te spelen naar jou. Maar dat zou een beetje vals zijn.’
‘Ja, probeer maar tijd te winnen…’
‘Ja, ik denk dat ik het zou kunnen, en durven. Zelfs nu nog. Misschien niet hier en nu, op dit moment.’
‘Ik zou het niet zomaar kunnen, denk ik. Tegelijk zou ik misschien ook minder moeite hebben met wat er voor de woorden komt. Ik zou liever aan deze kant van de woorden blijven. Misschien is het voor jou een vorm van controle, dat het via een woord moet gaan.’
‘Dat is op zich al een woord waar ik schrik van heb, maar misschien heb je wel gelijk. Tegelijk is het stilaan, denk ik, meer een vorm van aanvaarden dan van controle. Zolang mijn overzeese gebieden geen naam hebben, zijn ze misschien wel ergens, maar zijn ze niet van mij, zijn ze niet wie ik ben. Door een woord als verlangen te gebruiken, is het alsof de landkaart verandert. Als er een woord is, kun je er naartoe gaan.’
‘Als er een woord is, kan ik vragen dat je mij meeneemt naar daar, dat ook natuurlijk. Of minstens dat je die plek beschrijft voor mij. Of ik kan je vragen dat net niet te doen. Ik kan je vragen te zwijgen.’
‘Als je zwijgt over iets, nadat je het woord kent, is dat gevaarlijk, denk ik. Dan zou je in elkaar kunnen stuiken.’
‘Het kan ook zijn dat ik jouw beschrijving niet wil horen, omdat ik dan ook naar mijn landschap moet kijken, of zoiets.’
‘Misschien wel ja.’
‘Ik denk dat we stilaan genoeg woorden hebben gebruikt. Het maakt me een beetje bang, te veel woorden op te korte tijd. Zeker als het moeilijke woorden zijn.’
‘Ja, dat begrijp ik. Voor mij is het ook wel zo, eigenlijk.’
‘Zullen we gewoon even kijken, even niets zeggen.’
‘Ja.’

24 januari 2015

Een wees

Achtergelaten wezens. Wezen. Ze laten je verweesd achter. Ontdaan.

Pas na de hereniging heel je een beetje. En zie je meer wezen.

Een tijdje geleden had je nieuwe handschoenen gekocht. Die oude zagen er iets te fors uit. Die nieuwe handschoenen voelden lekker zacht vanbinnen. Bijna alsof iemand je omhulde.

Je koos XL. Er zijn mensen die zeggen dat je grote handen hebt. En die eerste ochtend op weg naar het werk met de nieuwe handschoenen was het toch alsof er iets kraakte, alsof ze nog niet groot genoeg waren.

Je bent niet echt van het vergeetachtige type. Dingen laten liggen ergens, dat overkomt je niet zo vaak.

Maar er was iets – zo zou blijken – met die nieuwe handschoenen. Of toch met een ervan.

Je ging langs bij een dierbare vriendin. Het was een heel bijzonder gesprek. Ineens werden dingen duidelijk in je hoofd. Misschien was je daardoor wat in de war. Later die avond kreeg je een berichtje, dat je ene handschoen bij haar was blijven liggen.

Je ging ze een dag later weer ophalen. Alles was weer bij het oude, en zo zou het blijven.

Tot nog een dag later. Je kwam terug van de markt, ’s morgens vroeg, en stond klaar om te vertrekken naar het werk. En je stelde vast dat een handschoen verdwenen was.

Lichte paniek. En een soort schuldgevoel. Die handschoen zou zomaar ergens liggen. In de koude. Verlaten. Verstoten? Het was onbegonnen werk om het hele traject terug te fietsen om de handschoen te zoeken. In je hoofd zag je de handschoen overreden worden door vieze autobanden. Daarna zou ze opgepikt worden door de vuilnisman of –vrouw. De zwarte gaten die je ziet als je probeert om in een handschoen te kijken, ze zijn warm en veilig. Nu zou de hele handschoen verdwijnen in een of ander echt zwart gat.

In het kader van ‘probeer vertrouwen te hebben in het leven’ zei je nog tegen jezelf: als het zo moet zijn, zal die handschoen nog wel op mijn weg komen.

Beschaamd en verlegen ging je een dag later toch maar nieuwe handschoenen kopen. Dezelfde. Het voelde als verraad. Maar je kon jezelf er toch niet van overtuigen dat koude handen die ene handschoen sneller terug naar jou zou brengen.

Onderweg in de stad bleef je soms even staan bij een eenzame handschoen op de grond. De jouwe lag er nergens bij.

Tot die ene ochtend, twee weken na de feiten. Je stond klaar om weer naar de markt te gaan. En bij de poort van de garage zag je ze ineens liggen: de handschoen. Je kon het nauwelijks geloven, maar ze was het. XL. Je legde ze al meteen in je boodschappentas. Straks zou je ze dan wel naast de andere nog overblijvende handschoen leggen, om te zien of het wel degelijk om de andere hand ging.

En? Ja!

De handschoenen zijn weer verenigd. Het voelde als een vorm van genade.

Daarna liep je opgewekt door de stad, op weg naar het werk. En toen pas viel het je echt op. Op zoveel plaatsen liggen eenzame handschoenen op de grond. Wezen.

Bij elke handschoen stopte je heel even, om te kijken. Waar het kon, legde je ze op een veiliger plekje, dichtbij, een beetje in de hoogte.

En je probeerde je voor te stellen wat voor soort handen er bij die handschoen zouden horen. Werkhanden, streelhanden, troosthanden, eelthanden, verlanghanden, toverhanden, schuwe handen, kookhanden, aarzelhanden, droomhanden, tekenhanden, gitaarhanden, de-weg-kwijthanden, zoekhanden, terugkeerhanden?

Het is een gedachte die tot droefenis aanzet, het besef dat er in een koude nacht, overal verspreid in de stad, wezen liggen. Zoveel mensen die misschien denken dat iets uit hun leven definitief verdween, zonder mogelijkheid tot herstel. Zouden ze ook denken dat die handschoen terug op hun weg zou komen? Zouden ze verweesd ’s nachts tasten in het lege bed naast hen? Zouden sommigen weer verenigd worden met hun als aflijvig gedachte?

Maar dat die ene handschoen weer bij je kwam, het is een klein wonder. Misschien komt het toch nog goed met de wereld. Of toch een heel klein beetje.

20 januari 2015

Iets met een fuga

Die Kunst der Fuge. Hoe naakt kun je zijn? Laat de muziek indikken, en dit is wat er overblijft. Gemakkelijk is het niet. Je wordt niet zomaar in dit huis toegelaten. Er zijn geen wegwijzers. Je krijgt niets cadeau.

Je beweegt door kamers die je niet kent, die zich niet laten kennen. Je kunt alleen kijken. Je kunt patronen zien, maar niet waar ze beginnen, waar ze eindigen. De symmetrie is van een andere orde.

Het is nog te vroeg voor troost. Zo lijkt het. Je kunt niet ontsnappen aan het kijken.

En af en toe, tussendoor, komt het thema zomaar naar je toe. Op sierlijke wijze. Als even een open plek in het bos. Maar de lijnen geven meteen aan: je zult mij niet kennen, niet kunnen vatten.

De tonen waaieren uit elkaar, in spiegels van spiegels van spiegels. Misschien wel een beetje als een zwerm spreeuwen.

Tot de dingen weer uit elkaar beginnen te vallen. Een subtiele deconstructie.

Ze laten elkaar los, en lijken erop te vertrouwen dat ze elkaar weer terug zullen vinden. Ergens.

Alsof je het thema doorgeeft, van hand tot hand. Zoals wanneer je een verhaal fluistert in het oor van iemand, die het weer verder doorvertelt. Het is een ander verhaal dat aankomt, en toch ook niet.

Iemand cirkelt rond een ander. Soms schuiven ze in elkaar, verenigen zich. Soms liggen ze naast elkaar, bekijken elkaars goddelijke lichamen. Soms drijven ze uit elkaar, en merk je pas na een tijd dat ze elkaars bewegingen in het oog houden. Soms kijken ze verlangend naar elkaar, maken kleine pirouettes, raken elkaars huid heel even aan. Soms kijken ze gretig naar elkaar, soms lopen ze van elkaar weg. Soms zetten ze hun veren op, soms verzoenen ze zich met elkaar.

Het komt vaak voor in je dromen. Dat je een huis binnengaat, en dat er geen weg meer terug is. Of alleszins niet dezelfde weg. Als je wilt vertrekken, kom je steeds weer in kamers en gangen die je nog niet zag. Niets herken je nog. Alsof het gebouw ademt, zich telkens opnieuw weer uitvindt.

In de verte hoor je soms het thema waarmee alles begon. Maar je kunt het niet aanraken. Als je het zou willen aanraken, zou alles fout gaan. Je kunt alleen aanvaarden dat je hier bent. Je kunt je alleen uit handen geven.

Een straal  van de zon komt door het bladerdak. Je bent op een plek in het bos die niet zomaar een open plek is. Het is een plaats van bezinning. Waar het warme zonlicht zomaar tot bij jou komt. Heel even. Voor je het goed en wel beseft, is het al voorbij. In een flits zie je iets van het andere.

En je kijkt toe, naar die ander. En je denkt: wat is ze mooi. En je denkt: ik weet niets van haar. Ze glimlacht naar je, en dan is ze weer weg. Nooit zul jij hier zijn, zegt ze. Haar bewegingen worden steeds complexer. Vanzelfsprekend onvatbaar.

Dan is er een soepele herfstwind. Dat ene blad dwarrelt van de boom, en wordt daarna meegenomen. Je blijft het de hele tijd volgen. Hoe het op en neer gaat. Soms even de grond raakt. Soms in een miniwindhoos terechtkomt. En daarna weer de aarde streelt. Laveert tussen onder- en bovenstroom. Om uiteindelijk in iemands handen terecht te komen.

De bewegingen van de dansers die daarna komen, ze zijn ondoordringbaar. Je kijkt en je kijkt. Even denk je dat zij zelf weten waar ze naartoe gaan, welk patroon ze dansen. Daarna weet je het niet meer zo zeker.

Soms denk je: laat me even met rust, laat alles zoals het is, zeg niets meer, ik kan zoveel betekenis niet aan, ik wil leegte. Maar het gaat door, er is geen ontkomen aan.

En tussen twee stukken zou je even iets willen vragen aan iemand: blijf je bij me, blijf je dicht bij me?

Het thema lijkt gehavend, ingedeukt. Misschien was het de wind? Misschien was het de liefde? Langzaam lijkt het zich te herstellen. Misschien is het mogelijk, toch weer je lichaam aan een ander toe te vertrouwen. Misschien zul je niet gekwetst worden.

Naarmate de ene na de andere komt, denk je: dit stopt nooit, dit kan eindeloos doorgaan. Zoals je steeds weer nieuwe verhalen zou kunnen schrijven. Misschien met telkens weer diezelfde woorden, maar als een ander verhaal. Die gedachte leert je iets.

En er is ook de trots: ik laat naar me kijken, ik verontschuldig me niet voor mijn bestaan, dit is het, dit ben ik, wat je ook zegt, het zal me niet kunnen raken.

Als een beeld dat verpulvert, vallen de tonen uit elkaar. Ze verspreiden zich over de grond. Een beetje zoals kwik.

En uiteindelijk is er toch iets als een thuiskomst. Maar het is zoals in die droom. Je zult nooit meer zijn wie je was toen je vertrok. De ander die je al was, ergens, in potentie, die ben je geworden. En ook uit die huid zul je weer verdwijnen.

18 januari 2015

Stukjes die niet zijn geschreven

Het voordeel van een stukje is: je kunt over alles schrijven. Je moet gewoon de woorden wat bij elkaar harken, en er staat iets. Een stukje, of minstens een hoopje woorden. Maar om allerlei redenen zijn er toch ook veel stukjes die niet geschreven zijn. Gêne zal wel een belangrijke reden zijn. De wil om je niet nog belachelijker te maken dan je misschien al was ook. En de hoop dat niet al te veel mensen je een slechte mens zullen vinden. Maar in het kader van je goede voornemen om toch minstens een klein beetje moedig te zijn naar aanleiding van je 50ste verjaardag kan er misschien een sluier gelicht worden van de eindeloze reeks stukjes die niet zijn geschreven, die niet verder kwamen dan een of andere kwab in je hersenen. Of zoiets.

Het relaas van je ontmoeting in de trein met Miley Cyrus. En je poging om vriendelijk te zijn toen je haar vroeg of ze het niet fijn zou vinden om ook foto’s te laten maken waarop ze wel kleren aan heeft. De verbaasde blik waarmee ze je aankeek. De manier waarop ze je vertelde dat je dringend je lichaam moest gaan bevrijden, waarna ze uitstapte. In Erps-Kwerps.

Het onthullen van een groter aantal van je vele afwijkingen. Zoals je picklesverwarring. Je probeert als bewuste consument zoveel mogelijk in de bioshop te kopen. Maar stiekem vind je de pickles van Devos-Lemmens, niet verkrijgbaar in de bioshop, de lekkerste. Na het uittesten van verschillende alternatieven, waarvan sommige niet te vreten, toch een merk van de bioshop gevonden dat een aanvaardbaar potje pickles levert. Toch soms nog stiekem denken aan die andere pickles…

De categorie verlangens. De cadeaubon die je kreeg voor een full body massage, met aangepaste etherische oliën, door iemand die je goed kende. Hoe verlegen je was, hoe fijn je het vond, en hoe verlegen omdat je het fijn vond je was.

De kaart die je kreeg van koningin Fabiola. Ze wenste je iets goddelijks toe. Wat het was, weet je niet meer. Maar er stond wel een dt-fout in die kaart. Maar dat is allemaal vergeven natuurlijk.

Een verslag van die ene rijles met de motor. Na lang zagen had iemand je overtuigd om toch een keer rijles te nemen om te leren rijden met een motor. Zo’n heel grote. Je wist eigenlijk al lang van tevoren dat het niets voor jou zou zijn, maar die man bleef maar aandringen dat je het moest doen. Hoe je zo’n leren pak aan moest doen. Hoe je na een paar rondjes aan de kant ging staan, omdat je bang was van die grote machine. En ook omdat dat leren pak er wel heel lullig uit zag. Hopelijk zijn de foto’s daarvan verdwenen in het universum.

Een verslag van die ene rijles met het paard. (Geen verdere details.)

Een weergave van het gesprek met Penélope Cruz. Dat je haar gsm-nummer hebt, is al lang geweten. Dat je haar regelmatig belt, iets minder. Maar je etentje, in een afgesloten ruimte van een exclusief veggie restaurant bleef tot nu toe een goed bewaard geheim. Het gesprek ging in de diepte, over teleurstellingen in de liefde, over hoe om te gaan met een goddelijk lichaam (dit deel van het gesprek was meer eenrichtingsverkeer) en over Woody Allen. Het valt niet uit te sluiten dat je een groot deel van de avond lichtjes glazig voor je uit keek.

Een overzicht van de mislukkingen in je terrastuin.

Fragmenten uit de liefdesbrieven die je nooit verstuurde. Ze bevinden zich in een aparte doos, goed verborgen in je kast. Het wel versturen van die brieven had de loop van de wereldgeschiedenis een andere wending kunnen geven. Al is die kans bijzonder klein.

Impressies van het bezoek aan het wellnesscentrum. Hoe je je best deed om er in die rode badjas als een man van de wereld uit te zien, en hoe dat niet echt lukte. Ook niet zonder die rode badjas trouwens.

In de entourage van Bob Dylan bestaat er een absolute zwijgplicht. Je kunt dus niets vertellen over die ene keer toen hij zomaar aan je deur stond, en vroeg of hij binnen mocht komen. Zonder een woord te zeggen zat hij in je leeszetel (bijgenaamd den Theo) voor zich uit te staren, een uur lang. Daarna stond hij op, dankte je uitvoerig, en vertrok weer.

Het resultaat van de naailes. Gedreven door de wil tot permanente zelfopvoeding had je je ingeschreven voor de naailes. De bedoeling was om te leren werken met een naaimachine. Je zat daar, omringd door professionele naaimevrouwen, die je met nauwelijks verhulde minachting aankeken. Je plan was een jurkje te maken voor een dochter van een vriendin. Een jurkje met mooie bloemen. Laten we zeggen dat dat plan niet helemaal gelukt is. Je povere prestatie is nog steeds een running joke bij de naaimevrouwen.

Het beschrijven van al die andere mooie dromen. Af en toe duikt er wel eens een droom op in een van je stukjes, meestal in voldoende onherkenbare vorm. Maar al die andere mooie dromen, die zijn aan de andere kant van de woorden gebleven. Je kunt ze alleen zien in je hoofd. (Sommige van die dromen zijn in real life door het inzetten van de juiste charmetechnieken nog wel te ontfutselen. Maar dat is voor de specialisten.)

17 januari 2015

Waar ben je

Soms val je met jezelf samen. Soms val je uit elkaar. Soms ben je nergens.

Na een rusteloze halfslaap weer wakker schieten. Het was alsof je heen en weer schoof tussen varianten van wat ook een nachtmerrie zou kunnen zijn. Een lichaam in een ander tempo, een andere plek. En niet weten waar te beginnen.

De ander aankijken. Ergens de rust voelen dat je zult zeggen wat je wou zeggen. Merken hoe je op een plek bent waar de lucht uitklaart. Je zou bijna de woorden kunnen zijn.

Te moe zijn om de woorden alleen maar aan te raken. Er zit een lichaam tussen hier en daar. Een lijn onderbroken.

Lichtjes op je hoede. Niet weten of je die andere persoon helemaal kunt vertrouwen. Sommige stukken van je lichaam worden koud.

Ze zegt iets. Het zijn de juiste woorden. Even ben je waar je zo graag wilde zijn.

De pijn verkrampt je. Je zou ze af willen kunnen leggen. Ernaar kijken. Vriendelijk blijven. Maar gewoon vertrekken. Zonder. Zo werkt het niet, jammer.

Uitgestelde onrust, na een vergadering. Dingen stromen door je hoofd. Je kunt je niet concentreren op het verhaal op de televisie. Je schuift weg in een soort slaapgat. Iets later in bed ben je klaarwakker. Het lijf gaat alle richtingen uit. Je bent nergens.

Je komt een vriendin tegen in de winkel. En ineens ben je daar, en alleen maar daar. Je zou alle tijd kunnen hebben.

Het is een heel eind naar de plaats waar je gaat vergaderen. En het is alsof je weet: nu ga ik te voet door de stad. Je wilt dat ritme. En dat het je overneemt. Je weet dat je op die manier anders zult aankomen, daar waar je moet zijn. Naarmate je langer stapt, voegen de stukken zich weer bij je.

In een discussie over een onderwerp dat je heel erg raakt. Je kijkt van op een afstand naar jezelf, naar de woorden die stromen. Het is alsof alles versmalt tot die woorden. Later adem je weer breder.

Onderweg. Naar huis. Beelden nemen het over in je hoofd. Waar komen ze ineens vandaan? Handen strelen elke plek van wie je zou kunnen zijn. Tot het smeltpunt is bereikt. Misschien wandelen die beelden steeds met je mee, ergens in je buurt. Misschien kunnen ze je ineens bezoeken, op een onbewaakt moment.

De radio springt aan. Je zou dus moeten opstaan. Eigenlijk wil je niet. Eigenlijk wil je blijven, in dit hier. Tot je geheeld bent.

Je bent onderweg. In die richting. Maar je zou liever niet onderweg zijn. Liever zou je het trage ritme volgen dat normaal hoort bij deze dag. Liever zou je tijd verliezen. Iets van jou is ginder, niet hier.

Het beeld in de spiegel lijkt even uit elkaar te vallen in fragmenten. In een flits.

Thuiskomen, na een lange dag. Je sluit de deur. Je staat nog even daar, in het donker. Heel even blijf je staan. Voor je je jas uitdoet, voor je je schoenen uittrekt. In dat ene moment ben je alleen maar.

Verlangen naar een verhaal. Een verhaal dat je helemaal zou overnemen. Je zou vergeten dat je iets te vergeten hebt.

In je nek en je schouders kraken allerlei dingen. Soms weet je niet of er iets weggaat dat misschien wel niet meer terug zou kunnen komen.

Je ziet het filmpje van de oude zanger. Je wou het al langer zien. Het concert voor één persoon. Je ziet de man midden in de zaal zitten. De oude zanger komt het podium op, gaat aan de piano zitten, en begint te zingen. Tintels onder je huid. Als een terugkeer.

En soms zijn de woorden al genoeg. Om terug te keren.

15 januari 2015

Het nieuwe dekentje

Het ligt lekker. Het nieuwe dekentje. Of beter: onder het nieuwe dekentje. Helemaal omringd door warmte. Bijna alsof je niet alleen bent.

Een bijzonder concert. Eerst de jongens met de mandolines. Zittend. Daarna de jongens met de banjo’s. Staand en sierlijk bewegend. Daar waar je op dat moment bent, daar ben je graag. In die woorden.

Je vertelt een verhaal aan een dierbare vriendin. Het is al laat, maar het geeft niet. Al na twee woorden is het alsof je niets meer moet uitleggen. Het was een week van bijzondere gesprekken. En telkens dacht je: de woorden doen ertoe. Ze maakten je anders.

Voor je weer moet vertrekken naar een andere stad wil je toch nog even eerst naar huis. Al is het maar voor een half uurtje. Om daar te zijn, en weer van daar te vertrekken.

De mooie vrouw tegenover je in de trein. Ze glimlacht naar je, en lijkt er zelf van te schrikken.

In het zaaltje, bij de boekvoorstelling. De filosoof op het podium spreekt vol mededogen over die andere man, die ook op de cover van het boek staat. Het ontroert je. Een vraag in het gesprek doet je ineens iets inzien, iets over de politiek, en iets over de vriendschap. Misschien komt het wel in je brief.

In de trein lees je verder in het boek met de brieven. Dicht bij brieven zijn, het maakt je warm.

Thuiskomen. Het dekentje ligt er nog. Het wacht op je.

Doorheen de volgende dag. Flitsen van een verlangen.

Wat je die avond te doen staat, bevalt je niet helemaal. Maar je neemt jezelf voor het goed te doen.

Later denk je aan wat een vriendin je ooit zei. Iets over het graan. Soms zachtjes gaan liggen.

Je lichaam heeft nog veel tijd nodig. Alles gaat nog, in herhaling, door je heen. Niet kunnen slapen. Wachten. In je hoofd kijken naar mensen die je graag ziet. Voelen hoe je dichter bij een plek komt waar je wilt zijn.

Je weet niet wat de slaap met je zou kunnen doen. Al kun je het vermoeden. Je denkt terug aan een droom van vorige week, hoe die onder je huid bleef bewegen.

Een ochtend met veel wind. Die lange sjaal probeert aan jou te ontsnappen.

Je ligt op de tafel. De mevrouw masseert je rug en je nek. Het doet goed, het zou langer mogen duren, denk je stiekem. Niemand hoort het.


De mevrouw die net voor je staat te wachten om uit de trein te stappen. Ze is even groot als jij bent. Of misschien net iets kleiner, haar hakken zijn er ook nog. Hoe fijn het is, dat ze zo groot is. Je zou niet kunnen zeggen waarom, maar je stapt uit met een brede glimlach en blijft nog even achter haar aan lopen.

Ergens midden in de dag, in een moment van onoplettendheid, is het alsof je de scheuren ziet in je landschap. De beelden en de woorden die door je heen gaan, ze zouden iets kunnen helen.

Je loopt door de regen, op weg naar je afspraak. Iets is licht in je, al weet je niet waar.

Tijdens het gesprek denk je: dit is goed.

Terug op weg naar huis. Met een zachte tred, voorzichtig de aarde raken. Je denkt aan iemand. Je zou nu veel zeggen, waarschijnlijk. Maar ze is er niet nu, de woorden blijven ongezegd.

Die auto rijdt veel sneller dan je dacht, je bent net op tijd het zebrapad over, een fietser een beetje verder is net op tijd opzij. En je wou alleen traag. Heel traag.

Je speelt met een zin in je hoofd. Het lijkt spannend, die woorden zomaar te kunnen zeggen in je hoofd. Ze bewegen tussen het ritme van je stappen.

Flitsen.

En denken aan een dekentje. Je zou willen verdwijnen. In iets.

Tot er weer een volgende dag is.

11 januari 2015

Aan deze kant

‘Aan deze kant van het raam is het warm, en droog.’
‘Ja. We zaten hier vroeger ook vaak, weet je dat nog?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Ik had net nog mijn dochter aan de lijn. Ze is nu bijna drie maand ver. Alles gaat al bij al goed. Al is ze wel bang.’
‘Ik zou het ook zijn, denk ik. Zeker als het je eerste kindje is. Ik zou denken dat ik het niet zou kunnen, dat ik een slechte moeder zou worden, en dat soort dingen.’
‘Bij de eerste had ik het ook wel een beetje, maar niet zoals zij, denk ik toch. Het is raar, de herinneringen aan dingen die pijn deden of moeilijk waren, die schuiven precies ver weg in je hoofd.’
‘Misschien is dat wel goed.’
‘Misschien wel. Is er iets? Waar denk je aan?’
‘Ik dacht aan die ene keer, toen we aan zee waren, en er zoveel wind was. Je kon bijna tegen de wind leunen. Ik weet niet waarom ik daar nu aan denk.’
‘Is het mooi, in je hoofd, die herinnering?’
‘Ja. Want na de wind kwam die bank waar we zaten, achter dat muurtje, uit de wind. We hebben toen veel gezegd tegen elkaar. Daarna waren de dingen anders.’
‘Ja, dat is zo. Ik zie het weer voor me.’
‘Het was stil op de trein terug naar huis. De dingen waren gezegd. De stilte was genoeg.’
‘Ik wou het niet zeggen toen, maar ik was bang je te verliezen.’
‘Misschien had je dat wel moeten zeggen.’
‘Misschien.’
‘Het is raar, enkele dagen geleden. Het was al laat. Net voor ik zou gaan slapen. Ik zat in de zetel, en ineens begon ik te wenen. Alsof alles zat te wachten.’
‘Oei. En was het onbestemd? Of had je een beeld of woorden in je hoofd?’
‘Er was een zin. Het was alsof ik die zin voor me kon zien. En ik moest kiezen. Ofwel liet ik die zin daar. Ofwel haalde ik hem naar me toe, en moest ik de woorden zeggen.’
‘En heb je dat gedaan?’
‘Ja. De zin was: ik wil niet meer vluchten, het is tijd.’
‘Mooie zin, voor jou. Hij past bij je, en hij klopt.’
‘Misschien wel. Het was ook een moeilijke zin. Het voelde als een last die van mijn schouders viel, hoewel het ook veel pijn deed.’
‘Het ontroert me nog altijd, hoe jij dat doet. Ik voelde al iets bij je, de voorbije weken. Dan voel ik hoe je je door de dingen worstelt. Hoe het blijft malen in je hoofd, tot het weer gaat liggen. Een beetje anders dan voorheen.’
‘Jij ziet dat, zo’n dingen. Dat is zo mooi. Daarom zal ik altijd van je blijven houden. En nog voor veel andere dingen ook natuurlijk, maar dat weet je wel.’
‘Ja, dat weet ik.’
‘Je ziet er een beetje verdrietig uit. Is er iets?’
‘Ik weet het eigenlijk niet zo goed, wat er is, als er al iets is. Het is al enkele dagen, ergens in mijn achterhoofd.’
‘En kun je het op een of andere manier omschrijven?’
‘Het voelt een beetje als iets onvervulds. Een lichte onrust. Een gevoel van dingen die voorbij zijn gegaan, dingen die niet gezegd zijn, niet gedaan.’
‘En zou het dan te laat zijn?’
‘Zo voelt het wel een beetje. Maar het gaat altijd wel weer over, dat gevoel.’
‘Soms denk ik dat dat niet zo is, dat alles overgaat.’
‘Misschien heb je wel gelijk.’
‘Ik dacht nog de voorbije dagen, dat een van de moeilijkste dingen – voor mij toch – is te beseffen dat andere mensen ook echt anders kunnen zijn. Je probeert altijd het goede te zien in een ander, probeert altijd te begrijpen, en zo geef je jezelf ook een beetje de schuld. En uiteindelijk moet je vaststellen dat sommige andere mensen echt niet zijn zoals jij bent. Dat ze misschien wel slechte bedoelingen kunnen hebben, om maar iets te zeggen. En dat besef maakt me triest, en dat gaat niet over.’
‘Ze zeggen dan altijd dat je dat moet loslaten. Maar sommigen zijn daar beter in dan anderen, denk ik.’
‘Ja, dat is zo. Wil je nog een koffie?’
‘Even denken. Ja, doe maar. Zullen we ook zo’n lekker dingetje erbij nemen?’