07 december 2019

Woordzoeker

Je hebt een lange tekst te schrijven. Je weet wanneer de tekst klaar moet zijn. Je hebt de structuur. Tussen hier waar je nu bent en daar waar de tekst zal zijn als die klaar is nog een vlakte. De woorden kijken rustig toe.

Op een of andere manier moet je in je hoofd de tekst zien, nog voor die te zien is. Het is soms even wachten. Alsof je lichaam zich moet klaarmaken.

Er zijn dingen die eerst aan de kant moeten geschoven worden. Ze moeten klaar zijn, weg uit je hoofd.

En dan, net voor je naar de rand van de vlakte kunt gaan, aarzelt je lichaam. Misschien zoekt het gewoon een excuus. Misschien weet het gewoon wat er zal komen, de onontkoombaarheid van het vertrek. (Er is geen hoop voor wie hier binnentreden.)

Je ziet de weg, je ziet het tempo. Je ziet hoe traag je moet gaan, als in cirkels, om de tekst te laten komen. En je ziet tegelijk hoe goed de tekst kan zijn in de tijd die je hebt. Hoe snel je dus traag moet gaan. Zonder omkijken. Je ziet alles wat je nog niet ziet.

En je begint. Aarzeling bij de leegte.

Je weet dat er een ritme moet komen. Je weet dat je gewoon door moet schrijven, van voor naar achter. Het ritme zal komen, het zal het van je overnemen.

En je begint. Eerst is er niets in je hoofd, tot het beeld komt waarmee je de eerste zin neer kunt leggen. Die zin maakt aarzelend een pad waar de andere woorden de weg zouden kunnen vinden.

En dan komt er veel. Het begint te malen, de tekst trekt zich op gang. Sommige woorden komen dichterbij. Als je doorschrijft, komt enkel het residu van alle opgespaarde beelden. Met je handen duw je de woorden een beetje bij elkaar, zoals met zand. Zodat ze passen in de plek die je voor je ziet.

Het maalt, het ademt. Ergens onderweg moet je niet meer trekken, alleen maar mee ademen en volgen.

Het is de tekst geworden. De tekst maalt, in je lichaam.

Je begint de schaduwen te zien van de woorden die er straks nog moeten komen.

Het is alsof de tekst zichzelf begint te kneden, in je. Je kunt alleen toekijken. Ergens voor je begon, was alles zich beginnen voorbereiden, alle dingen die ooit in die tekst zouden komen. In dat ene moment, de aarzeling net voor het begin, leek alles helemaal weg. Nu blijkt dat alles er nog is. De dingen beginnen zich los van jou in jou te schikken, in volgorde te zetten. (Je weet alleen dat je het ritme moet blijven volgen, dat je het niet mag versnellen.)

Je weet je in etappes moet schrijven, verspreid over enkele dagen. Het kan niet anders. Maar de tekst beweegt de hele tijd gewoon verder.

En tussendoor zie je hoe het stuk eruit zal zien drie stukken verder dan waar je nu bent. Het komt langzaam uit de mist, op een tweede laag, daar, terwijl je nog hier bent. Het beweegt zichzelf en gaat liggen nog voor je aan dat stuk bent. Het heeft met zichzelf gewriemeld, tot het goed was. Los van jou, in jou.

Je lichaam begint pijn te doen door al dat bewegen. ’s Nachts in bed zie je de tekst bewegen. De dingen haken in elkaar, ze bewegen zo – of doen toch alsof – dat alles wat daar is zou kunnen volgen uit wat hier is. Als de dingen elkaar gevonden hebben kun je verder volgen.

(Zouden de dingen in de nacht, terwijl je droomt misschien toch stiekem uit je lichaam wegglippen om naast je in het bed te gaan liggen, om terug te keren net voor je wakker wordt?)

Je komt bij het stuk dat zich in je al had voorbereid. Je aarzelt toch nog. Zou je toch nog een omweg nemen hier? Je keert terug naar het pad dat er al was, ondertussen, en schrijft dus gewoon door.

Misschien ben je al uit het bos. Je ziet op de weg de laatste nog lege wachtende plekken. Ze vragen je alleen om rustig te blijven.

Wat daar was is bijna hier geworden. Je voelt dat de tijd die je had gezien om die weg te gaan, de tijd die je had om de weg te gaan, is zoals je dat had gewild.

Ondertussen heeft de tekst zich gezet. Je hoort de tekst al achter je, terwijl je het einde nadert.

Je bent er.

(En je weet dat je na nu enkele dagen moet wachten om terug te keren en de tekst terug in je handen te voelen. Voor wat er dan komt, zul je enkel je handen nodig hebben. Iets is al gaan liggen, iets is al van zichzelf, bijna.)

Je zet een stap opzij, en je kijkt.

En als je later op weg naar huis bent, voel je hoe je lichaam verandert. Hoe iets zich van je bevrijd heeft.

De tekst is zichzelf.

01 december 2019

Huidverdwalen

Misschien weet je nooit helemaal zeker waar je bent met je lichaam, welke aanwezigheden je naar de ene of de andere kant duwen, of helemaal met rust laten in het moment.

Misschien is het goed dat de vragen zich een beetje terugtrekken, dat je enkel kijkt.

Soms zie je de tijd, de tijd die vooraf ging aan dit nu, en die doorloopt na dit nu.

Soms liggen de dingen in de knoop. Zoals je benen, die zichzelf in de weg liggen, wat je ook doet, hoe je ze ook schikt of plooit. Tot het weer verandert.

Ergens in de nacht uit je slaap kantelen. Er is iets gebeurd, het maakt je een beetje moedeloos, voor even. En na dat moment. Soms schuif je terug in de plek waar de slaap was. Je hand op je buik, en je benen worden warm en zacht. Soms niet. Iets blijft koud. Je stuitert in en uit dromen.

Soms vertrek je, ergens naartoe. En na vierendertig stappen, of zo, neemt je rug het over. Een soort verbergpijn, pijn die iets verbergt. Je ziet tranen aan de andere kant van die pijn. Ze bewegen mee, een hele tijd, tot de pijn weer vertrekt, of zich terugtrekt.

Soms merk je hoe je soepel en recht op weg bent, ergens in de nacht of zo. Alsof je lichaam gemaakt is voor die beweging. Je kijkt naar je spiegelbeeld, in de etalages. Misschien herkent jouw spiegelbeeld jou wel, ergens onderweg.

Soms zie je het kind dat je was. Het lijkt alsof dat kind zichzelf toen niet kon zien. Dat je dat nu pas kunt zien, wat je toen zag, wat jouw huid toen zag, wat je nu ziet.

Je kijkt naar je stem, je stem in die microfoon. Het is gemakkelijker, ondertussen, om te blijven bij die stem.

Misschien is de huid op zich beeldvrij en woordvrij. Niet tijdvrij, niet plaatsvrij, niet anderehandvrij. En toch, als je blijft kijken, zie je soms een beeld, waarna er een woord komt, voor dat beeld. Waarna je iets ziet. In je huid. Dat er al was. (Misschien zijn er nog zoveel andere wegen.)

Het hoort bij het ritme van de zondag. Dat ritme is ergens opgeslagen, misschien. Dat je even gaat liggen, dat de dingen gaan liggen. Ergens daar is er een nulpunt. Aan de andere kant daarvan is je lichaam anders. Klaar voor de adem van een zondagavond.

Je buik beweegt zichzelf. Er is een of ander restant, een of ander spoor in het zand. Er is een zin die je niet kunt lezen, niet aan kunt raken en misschien wel niet kunt zien.

Dingen die stuk gaan. Iets in jou is niet voorbereid op dingen die stuk gaan. Hoe het je eerst verwart. Hoe je daarna moet wachten. Hoe je het vervolgens oplost. Hoe dat eigenlijk meestal meevalt. (Hoe je trouwens weet dat het heel normaal is dat dingen stuk gaan. Hoe je er misschien ooit aan went.)

De dingen die kraken. Hoe zou het daar zijn als alles zich had teruggetrokken?

De plek die je kunt maken. Door er te zijn. En dat anderen een plek kunnen zien.

En ineens ontspant iets zich, ergens. Je huid tintelt. Soms denk je dat er een lijn is, soms denk je dat iets zich gewoon herhaalt, telkens weer.

Er is een verhaal in je heupen.

Je kijkt naar je handen.

Misschien kun je huidstappen zetten. Misschien niet.

Waar die trillingen beginnen, en of er een verhaal is.

De mevrouw die naast je staat raakt je aan, telkens weer, terwijl ze vertelt. Je hoort wat ze zegt.

En die afspraak die je weer zou maken.

Je kunt de man in jezelf mee laten lopen of niet, denk je. (Zinnen met het woord man erin zijn ingewikkeld. Ernaar kijken is ook een vorm van bewegen.)

Je leest iets in je agenda. Dat het de dag is. Die dag toen, toen dat gebeurde. Je kunt die dag nog zien in je hoofd. Je weet niet zeker of je die dag nog kunt zien in je huid.

In dat ene moment neemt die ene herinnering het van je over. Waardoor je in je hoofd je ogen open kunt houden.

Je weet niet hoe het zou zijn. Niet is ergens tussen niet meer en nog niet.

Het dekentje warmt je snel op. Het mag.

In afwachting van het herstellen van het rolgordijn in je slaapkamer. Andere manieren om tussen jou en het licht daarbuiten te gaan staan. En jezelf vertellen dat dat niets verandert aan de nacht, dat die daardoor niet dichterbij komt, terwijl je hier bent, en slaapt.

Iets proberen te begrijpen van die droge huid.

Je vertelt aan die vrouw hoe kijken naar alles wat is je lichaam zachter maakt. Je hoort jezelf vertellen. En ziet het later.

30 november 2019

Kijken naar al wat is

‘Goed dat we nog even kunnen praten. Dat is het voordeel van onderweg zijn.’
‘We hadden het daar de vorige keer ook over. Soms lijken jij en ik – voor anderen dan – nogal intens of zo. Maar dat is dan maar zo. Dat besef is gekomen met het ouder worden. Dat het voor mij gewoon beter zo is.’
‘We moeten dat nog eens doen trouwens, zo ’s ochtends. We zaten meteen ergens waar het goed was. Pas nadien besefte ik dat. Woew, wat een gesprek was dat, zoiets.’
‘Met jou is dat niet moeilijk, het komt vanzelf. Je hebt geen schrik om naar die plek te gaan.’
‘Misschien is het gewoon het besef van hoe weinig tijd er nog is. Hoe weinig tijd er altijd nog is, hoe oud je ook bent. En dat het jammer zou zijn de kans te missen om elkaar te ontmoeten in een gesprek.’
‘Ik vond het wel mooi, wat je zei over dankbaarheid en de dingen zien die er zijn.’
‘Ja? Dankjewel. Ik besefte pas nadien goed wat ik eigenlijk aan het zeggen was. Bij die ene mevrouw had ik het gevoel dat ze aan de ene kant veel verdriet en pijn had en aan de andere kant dat ze heel erg leek te hopen dat iemand dat voor haar zou oplossen. En dat is begrijpelijk en herkenbaar. Maar het maakt je zo afhankelijk van iets dat misschien wel niet komt. En in de tussentijd zie je de dingen niet die er wel zijn.’
‘Sommigen zullen denken dat dat een soort vlucht is, of een manier om te ontkennen of te sussen.’
‘Zo bedoelde ik het alleszins niet, integendeel. Het lijkt me soms meer iets dat je als het ware kunt leren, gewoon door te kijken. Het duwt het verdriet niet weg naar achter of zo, het maakt gewoon een beetje een andere plek daarnaast, waar het zacht is.’
‘Dat klinkt bijna als een soort oefening in zen of zo, kijken naar wat is.’
‘Ik heb het alleszins moeten leren om het te begrijpen. Zo vaak hollen we door, op zoek naar de dingen die we nog niet hebben, die we denken te moeten hebben. Dingen die ons dan zullen verlossen van onze rusteloosheid. Maar dat hollen doet net het tegenovergestelde.’
‘Ja, dat is zo. Maar ik vind het vaak toch ook nog moeilijk. Het lukt me niet altijd om de kleur te zien in de gewone dingen, de dingen die er gewoon zijn. Maar misschien heeft het iets met aandacht te maken.’
‘Ik heb het gevoel dat het een antwoord is op verdriet. Een van de antwoorden, naast veel antwoorden die er niet zijn. Ik doe vaak de oefening als ik gewoon over straat loop, naar het werk of naar de trein. Niet denken aan alles wat ik nog ga doen, niet in die frons gaan. Maar gewoon, als met een soort leeg hoofd, kijken naar de dingen die je ziet onderweg. En daar dan de schoonheid in zien. Het klinkt onnozel als ik het zo vertel, maar het werkt eigenlijk wel. Het is alsof je ineens meer andere mensen ziet, naast allerlei kleine dingen die je nooit eerder had opgemerkt.’
‘Dat herken ik wel. Soms ga ik op die bank zitten, daar aan de rand van het park. En ik kijk gewoon. Naar de kinderen die spelen, de mensen die voorbij wandelen of fietsen. En dan iets in jezelf helemaal uitschakelen. Dat iets waarmee je zou oordelen of waardoor je niet die ander zou zien, omdat je zo op jezelf gericht bent. We doen dat zo vaak. Naar jezelf kijken terwijl je denkt dat je naar iemand anders kijkt. In wat je ziet of hoort bij een ander enkel boodschappen over jezelf waarnemen. Dat je iets niet hebt, dat je iets niet krijgt waar je recht op zou moeten hebben, dat je niet genoeg erkenning krijgt, dat de ander niet wil zien dat jij aandacht nodig hebt, dat het niet eerlijk is dat jij minder van iets hebt dan die ander. Dat soort dingen. Het gaat zo vanzelf, je schrikt ervan als je erop begint te letten. Het was mooi, hoe jij ook zoiets zei over de kinderen.’
‘Het is een soort inzicht dat langzaam tot me gekomen is. Ik denk niet dat het een soort vervanging of compensatie is. Wat het ook is, ik merk dat het me zachter maakt, mijn lichaam zachter maakt. Zonder enige vorm van jaloezie kijken naar een ander, proberen telkens oprecht blij te zijn voor het geluk van een ander. En als je met die blik naar de kinderen van een ander kijkt, zie je zoveel meer. Je ziet beter hoe mooi ze zijn, hoe grappig, hoe strompelend en zoekend, hoe open, of hoe in de war, of misschien hoe bang. Niet denken waarom jij zelf geen kinderen hebt, maar gewoon kijken. En dat is dat ook een geschenk dat zomaar naar je toe komt. Het was er al, je zag het misschien nog niet. Het is niet iets dat iemand aan je geeft, met een strik rond. Het wacht op je, in de manier hoe je kijkt. Iets in die aard. Dat heeft inderdaad met aandacht te maken.’
‘Het was mooi, toen je dat vertelde, werd het precies een beetje warmer. Wat eigenlijk wel fascinerend is, dat dingen veranderen door woorden.’
‘Dat geheim zal ik wel nooit helemaal begrijpen, ik probeer het te aanvaarden. Misschien is het wel dezelfde oefening.’
‘Ik herkende wat je zei, dat het zo bijzonder is, dat je zomaar iemand mag zijn in het leven van iemand anders. We staan daar vaak niet zo bij stil.’
‘Nee, dat is waar. En voor mij is het een bijzonder ingewikkelde gedachte, dat ik iemand ben voor iemand anders. Als ik daarover begin te piekeren, stormt het in mijn hoofd, en loop ik weg van mezelf. Maar als ik probeer te kijken naar de dingen die er gewoon zijn, zonder vragen te stellen, dan gaat het gemakkelijker. Dan zie ik wat een voorrecht het was dat de mensen die me dierbaar zijn hebben toegelaten dat ik aanwezig was, terwijl zij hun kinderen grootbrachten. Dat ik er gewoon mocht zijn, zomaar. En dat die kinderen iets van mijn aanwezigheid hebben meegenomen, dat ze zich mij kunnen herinneren. Of dat ik nog steeds gewoon iemand mag zijn voor hen. Met mijn hoofd kan ik mezelf daarvan niet zomaar overtuigen, maar als ik gewoon kijk, dan zie ik het eigenlijk wel. En zo kan ik zien dat er eigenlijk best wel veel kinderen in mijn leven zijn. Het is, gewoon, en het is wel een mooie plek naast het verdriet.’
‘Het is ook gewoon iets als verwondering, dingen willen zien, op onverwachte plekken of op plaatsen waar je niet zocht. En ik denk dat je met diezelfde verwondering op een andere manier aanwezig kunt zijn voor andere mensen. Het maakt je ook zachter, en veiliger of zo. Toegankelijker.’
‘En dan komen er ook mooiere verhalen naar je toe.’
‘Die er misschien al waren, de hele tijd.’
‘Of die gewoon wachtten op het juiste moment.’

27 november 2019

De helper

En dan krijg je een tekening van een eenhoorn. Een meisje maakte die speciaal voor jou omdat jij de helper van haar mama bent. In de categorie ‘deze dag kan niet meer stuk’ kan dat behoorlijk tellen.

Je zou haar moeten kunnen vertellen dat op de plek waar je deze woorden schrijft ook al lang een tekening staat van een eenhoorn. Once a unicorn, always a unicorn. Dat staat erop. Die tekening zal daar dus tot in de eeuwigheid blijven staan. Zo ongeveer.

Je zou haar ook moeten kunnen vertellen dat je onlangs een brief kreeg van een eenhoorn. Eenhoorns schrijven nog brieven, met een vulpen trouwens. Het was een persoonlijke brief, dus veel kan er niet over verteld worden. De eenhoorn was een beetje verdrietig en wou daar graag even over schrijven. Er zijn kinderen die denken dat eenhoorns nooit verdrietig zijn, maar dat klopt dus niet helemaal. Eenhoorns komen hun brief zelf in je brievenbus steken, ergens midden in de nacht. Je hoopt dat het veilig was die nacht.

Verder zou je haar moeten kunnen vertellen dat je een tijd geleden nog een speciaal boek hebt gegeven aan een ander meisje, met alles wat er te weten valt over de eenhoorn. En dat allemaal in één boek. Het is wel belangrijk dat de kennis over de eenhoorns wordt doorgegeven, van kind tot kind. Zo kan de eenhoorn nooit vergeten worden.

Er is die ene plek waar je soms afspreekt met de eenhoorn. Die plek zal altijd geheim blijven, het is iets tussen jou en de eenhoorn. Misschien is het wel bespreekbaar om ooit eens een groot klein meisje mee te laten gaan, maar het kan ook zijn dat dat een kwestie is die tussen het meisje en de eenhoorn moet geregeld worden. Sommige dromen moeten blijven. Andere ook, trouwens.

Het zijn wel mooie gesprekken daar met de eenhoorn. Je zou het misschien niet zeggen, met die hoorn, maar de eenhoorn weet iets over kwetsbaarheid. En weten is waarschijnlijk niet het juiste woord. De eenhoorn heeft iets met de tijd, en zo werkt het.

Je had onlangs een warm gesprek met de eenhoorn. Over onvermogen en verlangen, en hoe die elkaar soms vinden op een plek waar je kunt zijn. De eenhoorn luisterde traag, en vertelde daarna verhalen. Over traag luisteren. De eenhoorn zei dat dat het antwoord is. Ook voor het gesprek met jezelf.

Soms is de eenhoorn eenzaam. Veel mensen denken dat de eenhoorn een gemakkelijk leven heeft. Dat is niet zo. Zoveel mensen verwachten zoveel van de eenhoorn. Ze denken dat ze door naar de eenhoorn te kijken zichzelf niet hoeven te zien. De eenhoorn moet zo vaak iets zijn voor iemand, en wil soms gewoon niets zijn, voor iemand.

Je herinnert je nog een wandeling die je ooit maakte met de eenhoorn. Bij sommige geliefden is het zo dat de echt belangrijke dingen pas gezegd mogen worden na middernacht. Op zich is dat al ingewikkeld, want elke na middernacht is tegelijk ook altijd een voor middernacht. Maar dat is een andere kwestie. Bij de eenhoorn is het soms ook een beetje zo. Je moet wachten tot net na middernacht. Dan voelt de eenhoorn zich voor even bevrijd van het eenhoorn zijn. De woorden die dan zomaar komen wachten op traag luisteren.

Je herinnert je nog een gesprek met iemand die je dierbaar is. Over de eenhoorn. En over hoe je soms niet helemaal in de wereld past, en de wereld niet helemaal in jou. Grote kleine meisjes moeten dat nog niet weten, denk je. Sommige dingen komen vanzelf naar je toe.

Te weten dat de eenhoorn daar is, daar, terwijl jij hier bent, dat kan je soms een gevoel van veiligheid geven in dit leven. Je kunt trouwens nooit helemaal zeker weten waar hier ophoudt en daar begint. Over die kwestie kun je een heel leven nadenken. Maar daarover gaat het nu niet. Of toch wel?

Als je wilt vinden, zoek dan niet. Sommige mensen zoeken de eenhoorn. Ze dwalen. Door het leven.

Zelf ben je niet zo goed in het tekenen van een eenhoorn. Je laat dat over aan anderen. Eigenlijk weet je het niet zo zeker. Misschien zou je het wel kunnen. Maar je hoeft het niet te weten. Dat zou zelfs iets te maken kunnen hebben met het uitstel van genot. Maar dat is een heel ander verhaal. En trouwens, het is veel leuker om een tekening te krijgen. Van een meisje dat een eenhoorn tekende. Omdat jij de helper van haar mama bent.

24 november 2019

Onderweggedachten

(Onderweg, om een lezing te gaan geven, en dan weer terug.)

Je huid loopt nog een beetje achter in de ochtend.

Er is alleen de beweging van de trein in het landschap.

De kranten zijn geduldig, ze laten zich traag lezen.

Je lichaam in allerlei hoeken plooien tot de krant vanzelf goed ligt, wat niet lukt.

Dat je naar romantische films kijkt, zo werd je meegedeeld.

Die vriendin die ergens in de verte al dagen danst.

Hoe zou haar lichaam de dingen herinneren?

Die andere avond, de vrouw die weent van de pijn, je wacht op de dokter.

Die steentjes op het hele plein voor het station niet helemaal begrijpen.

Aan de busmeneer vragen of hij wil zeggen wanneer die halte eraan komt.

Je probeert het systeem van de lelijkheid daarbuiten te begrijpen.

Je probeert in je hoofd een landkaart te zien.

De pijn.

Hun ogen, toen je moest vertrekken, en de dingen die niet gezegd werden.

Zorgen voor kinderen, hoe zou dat komen?

Het dorpsplein dat je nog niet kende. Meteen naar de juiste straat gaan.

(De tijd vergeten, verdwijnen in het verhaal dat je wilt vertellen.)

Denken aan die ene uitvoering van de Goldbergvariaties, en wat je ziet.

Ze zagen de hoop in je verhaal, zeiden ze. Je bent dankbaar.

De kinderen waren er ook.

Je begint iets te zien in je hoofd.

Net die ene trein gemist, de volgende doet er iets langer over, wat goed is voor de krant.

Die mevrouw in de nacht, een verleden dat in haar lichaam bonkt.

Straks is er nog het ritueel van de zondag.

Het verdriet keert terug, het laat zich los.

Het gesprek over de vliegtuigen. De ogen.

Misschien breng je verhalen in de wereld, in een klein stukje ervan.

De hete damp van die keicoole afwasmachine de vorige dag.

Wie wil je beschermen?

De tekst die je gisteren schreef, of die beelden zal oproepen.

Waar ben je ergens onderweg?

Je legt de kranten weg, ze zijn op. Je kijkt naar het landschap, denkt aan iemand.

Straks alleen het dekentje.

Op weg naar huis, de dingen mogen gaan liggen. Je liet iets los, zie je in je huid.

De twee mannen die vanmorgen aan het uitladen waren, zijn nu aan het inladen.

Je kijkt even opzij naar het raam.

Je buik, gisteren. Zoals steeds.

De plek in je huis, waar je iemand zult ontvangen, ooit, en hoe warm het dan moet zijn.

De woorden zullen traag komen vanavond, denk je.

Misschien nog een romantische film straks.

22 november 2019

Plekken in afwachting

Iemand duikt op in je droom. Je zag haar al zo lang niet meer. Ergens in de dag, zomaar uit het niets, komt een foto voorbij. Iets wachtte.

Je wacht, aan het onthaal. Een gesprek over schoenmaten. En topzwaar zijn. Grote voeten nodig hebben, om niet voorover te vallen.

Op weg na een vergadering. Iets maakt je droef. Terugkerend droef. Je zag iets ooit, je zag dat het telkens terug zou keren. Je wou dat je niet zag wat je zag. Iets keert terug, telkens weer.

Op weg naar de schouwburg. Ze zegt je naam. Iets van dat namen zeggen heb je nooit geleerd, denk je. Iets wacht.

In de schouwburg. Je ziet de liedjes, ze waren er misschien de hele tijd al. En bij het einde van de avond vraagt de vrouw aan de microfoon of iedereen mee op het podium komt. (En je ziet de dingen aan de andere kant.)

Voor ze wegfietst in de nacht zie je nog iets. De verhalen leggen zich mooi neer.

Houdingen zoeken, vruchteloos, waardoor je lichaam netjes in elkaar past als je zit.

Hoe het zal zijn, de volgende dag. Het pakje ligt klaar, de woorden ook.

Die nota waar je al meer dan een week aan bezig bent. In je hoofd zie je hoe de stukjes in elkaar beginnen te passen.

Je ziet ze pas terwijl je ze schrijft, hoe ze elkaar raken, hoe de tekst ontstaat, uit een mogelijkheid.
Een andere avond, weer in de schouwburg. Het orkest. De zanger die zelf ook dirigeert. Het is altijd een beetje wachten, tot de muziek het van je overneemt.

Hoe hij de woorden uitspreekt in het Frans. Het is iets van een andere tijd, denk je, dat naar het nu komt.

En weer sta je op het podium, achteraan. Je ziet het haar van de vrouw met de hobo. Het orkest klinkt hier zo anders.

De tekst is verzonden. De tekst wacht op zichzelf.

Enkele uren later zie je dat er nog een lege plek in de tekst is. Hoewel de tekst helemaal door lijkt te lopen, wacht de tekst nog op iets. Pas als je dat toevoegt, kan de tekst gaan liggen.

De weg op lopen, in het donker. Ergens als in een tunnel is er een plek waar je niet merkt dat je vooruit gaat, alsof de zwaartekracht van het licht wegvalt. Daar is er licht. Heel die tijd was je op weg naar hier, om het cadeau te geven. (En je duizend vragen.)

Dat je hen zo gemist hebt, zeg je. Ik niet, zegt een van hen. Grapje, voegt ze er meteen aan toe.

Een belangwekkend gesprek over de liefde, aan de afwas.

Ik moet vertrekken, zeg je. Moet je echt al vertrekken, vragen ze.

Die desolate weg, een koude nacht. De auto’s die voorbij razen. Hopen dat je de bus zult zien komen.

Verlangen naar warmte.

Door de stad lopen, blij zijn dat er overal mensen te zien zijn.

Het moment voor. Voor je het weer warm begint te krijgen. Een moment dat soms zo lang duurt.

Het moment na. De ochtend nadien. Hoewel het warm was in de nacht is er nog restkoude in je lichaam, zo blijkt.

Je hoort een vraag in je hoofd.

Je denkt aan een plaat die naar je toe zal komen. Je leest een artikel over een plaat die naar je toe zal komen.

Je leest het artikel. Ineens begin je de dingen te zien.

Je denkt terug aan een tekst die je zoveel jaar geleden maakte. Hij is in een plooi van de tijd verdwenen. Het artikel raakt die tekst van toen, denk je ineens.

Je staat op in de trein, maakt je klaar om uit te stappen. De vrouw kijkt je heel lang in de ogen. Ze kijkt door je heen, denk je.

In de vergadering. Je probeert de dingen te zien in je hoofd, wat je zou willen zeggen. En je denkt dat je alleen zou willen kijken, lang kijken.

Op weg naar huis, nadien. Een verdriet loopt met je mee.

De vrouw in de winkel vertelt je dat ze ooit exact het juiste gewicht zal bereiken voor het stuk kaas dat je vraagt. Ze zegt dat je helderziend bent. Jij zegt dat je enkel voorspelbaar bent.

De dingen uit het artikel, ze moeten nog hun weg vinden naar het verhaal dat je gaat vertellen.
Nadat je ze in het verhaal hebt geplakt, kan het gaan liggen.

De plaat komt naar je toe.

Happens to the Heart.

De warmte wacht op je.

17 november 2019

Amalia

Ik zag haar voor het eerst terwijl zij ook stond aan te schuiven voor een brood. Ik stond net achter haar, terwijl ik me afvroeg of ik een rogge dan wel een spelt zou vragen. De vrouw aan de andere kant was nog een beetje nieuw, denk ik. Het intikken in de kassa leidde telkens tot een soort micropaniek. We wachtten rustig onze beurt af, terwijl er nog mensen binnenkwamen voor een ontbijt aan de grote tafel.

Ik had net beslist dat ik voor rogge zou gaan, toen ik hoorde dat de vrouw voor mij een speltbrood vroeg. Ik vroeg me af of ze dat ter plekke had beslist, of al onderweg. Ze nam ook nog enkele citroentaartjes mee (en die zijn erg lekker). Ik had nog even getwijfeld – net voor zij het vroeg – of ik er ook eentje zou vragen, maar een stemmetje in mij zei me dat dat een beetje te veel genot zou zijn voor een zondag. (Een ander stemmetje vond dat een belachelijke opmerking, maar uiteindelijk werd het toch enkel een roggebrood.)

Weer buiten zag ik dat de vrouw van de citroentaartjes nog bij haar fiets stond, overwegend wat de beste manier zou zijn om het kubusachtige doosje met de taartjes te vervoeren. Ik glimlachte, herkende het probleem.

‘Heb jij een voorkeur? Ook de citroentaartjes?’ Dat vroeg ze me. Ik antwoordde dat ik ze allemaal wel lekker vind. Ik heb een vriendin die telkens helemaal wild wordt van de frambozentaartjes. Ik ken twee meisjes die voor de citroenversie gaan (vooral de jongste van de twee dan), maar die soms ook wel vinden dat mattentaartjes lekkerder zijn (idem). En ik heb een zus die ze denk ik ook allemaal wel lekker vindt. De hele uitleg dus.

Amalia, want dat was haar naam, vond het wel een geweldig verhaal. Haar kinderen bleken nu in een citroenfase te zitten. Net daarvoor was er een karamelfase geweest. Parallel aan dat alles was er een permanente chocoladefase.

Ze had nog steeds niet beslist wat ze met het doosje zou doen, zo leek het toch. Ze had nochtans een stevige fietstas, dat zou wel helemaal goed komen.

‘Heb jij misschien zin om even een koffie te gaan drinken nu?’ Dat vroeg ze. Ik had wel zin in koffie, en ik kon ook wel een excuus gebruiken om niet te moeten beginnen aan het werk dat thuis op me wachtte. Het was even zoeken naar een plek die open was.

‘Ik heb ook niet zoveel zin om nu al onmiddellijk naar huis te gaan. De kinderen houden zichzelf wel even bezig, ze zijn al groot genoeg. Het is zo’n dag vandaag, denk ik. Een fadodag.’

Ik vroeg haar wat ze daarmee bedoelde.

‘Meestal gaan de dingen goed, de dagen volgen elkaar op. Elke dag heb je de dingen die gedaan moeten worden. De kinderen houden je bezig. Soms zijn ze stil, soms zijn ze opgewekt en druk, soms passen ze precies niet in zichzelf. En dat gevoel heb ik af en toe ook wel eens, en dat is dan een fadodag. Op zo’n dag wil ik eigenlijk liefst alleen thuis zijn, en dan zet ik ergens in de loop van de dag ook wel altijd een fadoplaat op. Maar deze week zijn de kinderen bij mij, dus dat zal niet lukken. Ze vinden het vreselijke muziek. En zo’n koptelefoon, dat vind ik dan weer vreselijk.’

Of het iets met haar naam te maken had, vroeg ik.

‘Gek, daar heb ik eigenlijk nog nooit over nagedacht. Ik heb ook nooit aan mijn moeder gevraagd waar mijn naam vandaan komt. Soms heb je dat, dat anderen je wijzen op dingen die raar of speciaal zijn en die je zelf nog nooit had opgemerkt.’

Ik vertelde haar dat er zo onlangs iemand was die tegen mij zei dat ik een kale kop heb. Het was een schok, ik had het nog helemaal niet opgemerkt. Op een zondagochtend, na een zware zaterdag, is het niveau van de grappen aan de lage kant. Maar ze kon er wel mee lachen.

‘Ik probeerde gisteren aan mijn dochter uit te leggen dat het belangrijk is dat ze haar eigen taal zoekt. Ik denk dat ze goed kan schrijven en ik zou zo graag willen voor haar dat ze zelf voelt dat er woorden zijn die op haar wachten. Misschien wil je voor je kinderen die dingen die je zelf niet kon doen, om een of andere reden. Toen ik jong was, droomde ik ervan dat ik zou gaan schrijven. Maar die droom doolt nog altijd door mijn lichaam. Ik durf het niet.’

Ik probeerde haar te overtuigen om het wel te doen. Woordpijn kan pijn doen, zei ik. Ik zag iets in haar ogen toen ik dat zei.

‘Ik weet het niet of ik het wel kan. Niet dat het groot of belangrijk moet zijn, maar ik ben wel bang. Soms ben je bang dat je zult beseffen dat iets heel belangrijk voor je is zodra je het doet, en daarom doe je het maar niet. Ik heb altijd honderd excuses.’

Misschien is die fadozangeres ook wel elke avond bang, zei ik. Ze moet daar gaan staan, vooraan aan het podium en haar hart een beetje in de handen van het publiek leggen. Misschien beseft ze elke dag opnieuw dat er nooit een weg terug geweest is, zelfs nog voor ze eraan begon.

‘Misschien moet ik me voorstellen dat de fadozangeres graag citroentaartjes eet.’

Er leek iets veranderd in haar ogen. Ze bedankte me voor het gesprek en we gingen weer naar buiten, naar de fietsen. En naar de dingen van de zondag. Ze zei dat ze me nog eens hoopte tegen te komen. Op de fiets draaide ze zich nog even om en ik bleef kijken terwijl ze wegreed, de andere kant op.