16 juni 2019

Over het bouwen van een tipi

(Of een piramide van vier verdiepingen.)

Of je naar haar groeifeest wilde komen. Ja natuurlijk!

(Moet je dan zelf ook groeien? En mag dat ook innerlijk zijn? Zoveel existentiële vragen die nog overblijven voor de tijd die je nog te gaan heb op deze wereld.)

Er is nood aan een zekere mate van voorspelbaarheid. Cadeaus zijn van het boekachtige soort. (In de geheimtaal ook wel eens omschreven als basketballen.) Je kunt niet goed kiezen in de winkel. Dat ene boek ziet er wel erg mooi uit. Dat andere boek is misschien iets voor de verschillende aanwezige vrouwen. Op de kaft staat ook dat het ‘girls only’ is. Het boek geeft alle antwoorden op alle belangwekkende existentiële vragen die je jezelf kunt stellen. Je neemt ze maar allebei. Over dat eerste boek zegt de mevrouw in de winkel dat ze het zelf ook gelezen heeft, en dat ze het heel mooi vond. Glimlach.

Het is wel een eindje fietsen. Af en toe voel je wat wind, maar je vermoedt al dat je straks echt wind zult hebben als je terug naar huis zult rijden.

Bij aankomst loopt het groeifeestmeisje je tegemoet. (Eigenlijk ben jij een beetje verlegen en zenuwachtig, maar je hoopt dat ze het niet merkt.) Je geeft het cadeau en het kaartje en vraagt of ze nu speciaal voor dit feest nog meer is gegroeid. Zij zegt dat jij ook bent gegroeid. (Dat zegt ze altijd, zou het dan toch zo zijn?) Ze vertelt je dat ze best wel zenuwachtig is, eigenlijk.

De cadeautjes worden verzameld in de kamer, tot het cadeautjesuitpakmoment dat later nog zal komen. De mensen worden verzameld buiten rond de tafel. Binnen zijn ook de desserts verzameld. Buiten is er een gesprek over leeftijden. Jij bent om een of andere kosmische reden bij de oudere mensen. (Wat statistisch gezien zou kunnen kloppen, maar dat zegt niets natuurlijk. Tenzij je saai zou zijn…)

Het groeifeestmeisje gaat op een verhoogje staan en spreekt de aanwezigen toe. Eerst komt er een voorstelrondje (wie ben jij hier?) en daarna beginnen de opdrachten. Allen tegen één, dat is zo ongeveer het concept. Jij hoort bij allen. Aan de deur hangt een lijstje met opdrachten voor allen en een ander lijstje met opdrachten voor één. Je wilt je graag aanbieden voor het uitvoeren van de opdracht ‘maak 50 vlechtjes’ maar je wuivende haardos is qua wuiven en qua dos een beetje suboptimaal voor wat het aanbrengen van vlechtjes betreft…

Je vraagt je af of je over speciale competenties beschikt die wel zouden kunnen helpen bij het succesvol afronden van het lijstje. (Je bent nog steeds een beetje in de war nadat ongeveer een week geleden iemand heel verbaasd reageerde toen je met een keerborstel bezig was in de zaal waar net een brunch was geweest. Heb jij dan het imago van een of andere saaie intellectueel of zo die alleen een beetje met zijn hoofd kan werken? Saai, tot daar aan toe, dat kan nog kloppen…)

De eerste opdrachten verdwijnen al snel van het lijstje. (Er staan speciale vakjes na elke opdracht zodat je ze kunt afvinken. Check!) Tussen twee opdrachtjes in scoren de dessertjes wel goed eigenlijk.

De grote opdracht die een beetje naar achter wordt geschoven is het maken van een piramide (van mensen) van vier lagen. Allerlei potentiële varianten van stapelen worden bedacht.

Misschien ben je dan wel saai, je kunt je natuurlijk nog altijd nuttig maken. Met het bouwen van een tipi. Bouw een tipi waar dan drie mensen in kunnen. Dat is de opdracht. Je zoekt een mooi plekje uit in de tuin en gaat met enkele lange rechte takken aan de slag. Je bindt ze bovenaan samen met stukjes gras. De oma van het groeifeestmeisje komt ook meehelpen, met klimop. Een mooie doek eromheen en de tipi is zowaar klaar. Drie mensen, van het zo klein mogelijke type, worden gezocht en in de tipi geplaatst. Je vraagt wel, voor alle zekerheid, dat ze niet te hard tegen de tipimuur leunen. Check!

Ondertussen blijkt het cadeautjesuitpakmoment te zijn aangebroken. Ook daar is conceptueel over doorgedacht. Het groeifeestmeisje zal iemand aanduiden die dan haar of zijn cadeautje mag afgeven. En dat in volgorde van grootte, te beginnen bij klein. Jij mag laatst.

De zenuwen lijken ondertussen al wat minder.

Terug buiten is het moment van de piramide daar. De mannen – jij hoort blijkbaar bij de mannen – mogen de onderste rij doen. Daarna worden er nog enkele lagen mensen, hopelijk van het kleine type, op gestapeld. Het meisje boven jou heeft lange blonde haren die over jouw ogen hangen. Toch een heel nieuwe ervaring voor jou.

Voor je vertrekt vraag je aan het groeifeestmeisje of ze nog zenuwachtig is. Nee, gelukkig niet meer. Je vraagt of ze gelukkig is met haar feestje. Ja.

(Ze wordt zo groot, denk je. Je bent zo ongelooflijk trots op haar, denk je. Je hoopt dat ze op een mooie manier de wereld in kan groeien. Je hoopt dat ze altijd zo groot en zo klein zal kunnen zijn als ze zelf zou willen.)

En ja, de hele rit terug heb je tegenwind.

15 juni 2019

Wat je achterlaat

‘Waarom heb je me gebeld gisteren?’
‘Ik weet het niet zo goed. Ik werd ineens bang. Misschien kwam het door die film, dat zou kunnen.’
‘Bang? Waarvoor?’
‘In mijn hoofd zit zo’n beeld waarin ik je, later, vertel wat je in mijn leven geweest bent. Hoe je mijn leven veranderd hebt. Zo net voor ik ga sterven. Ik heb dat al wel eerder verteld, maar het moet zeker dan nog eens goed gebeuren. En toen werd ik ineens bang, dat ik onverwacht zou sterven.’
‘En dat ik het dan niet zou weten?’
‘Ja, zoiets.’
‘Hoe vaak hebben we dit gesprek nu al gehad?’
‘Ik weet het niet. Misschien wel niet genoeg.’
‘Jij bent echt wel grappig eigenlijk. Het ontroert me wel heel erg, hoe je om de zoveel tijd een beetje bang wordt. Alsof je denkt dat ik alles zou vergeten.’
‘Dat zou toch kunnen? Zeker als het over mij gaat.’
‘Nee, dat kan niet, zeker als het over jou gaat. Ik moet alleen maar kijken naar jou, naar hoe je nog altijd naar me kijkt. Je hoeft niets te zeggen.’
“Zie je dat dan?’
‘Onnozelaar. Wat dacht je?’
‘Het is gewoon een moeilijke gedachte. Jij bent wel altijd ergens in mij, soms een beetje vooraan, soms een beetje achteraan. Maar het is een moeilijke gedachte dat ik ook in jou zou zijn.’
‘Dat weet ik, maar het is wel zo natuurlijk. Misschien heb ik je dat te weinig gezegd. Het is niet omdat het leven is gegaan zoals het ging dat daar iets aan zou veranderen.’
‘Je maakt me heel gelukkig hiermee.’
‘Maar je wist het toch?’
‘Misschien wel. Maar het is raar hoe zo’n dingen me steeds weer ontglippen, alsof ze niet mogen blijven. Misschien ben ik wel een tochtgat of zo.’
‘Jij? Het zal wel het tegenovergestelde zijn.’
‘Maar als ik bijna dood ben gaan we dat toch nog eens groots doen, dat vind ik wel.’
‘Ja, dat is afgesproken. En dan zal ik je hand vasthouden.’
‘Het is toch eigenlijk een beetje triest, dat dat telkens terugkomt bij mij. Ik word er soms een beetje opstandig van.’
‘Misschien mag je er ook wel een beetje blij mee zijn. Andere mensen zeggen nooit iets, verzwijgen de dingen, of willen ze niet eens zien.’
‘Vorige nacht werd ik wakker, ergens midden in de nacht. Ik weet niet hoe laat het was. ’s Nachts kijk ik bewust niet de op de wekker. Dan kan het elk uur zijn, dan is het alsof je een beetje gewichtloos bent in de tijd. De nacht kan dan heel geborgen aanvoelen. Ik hoorde de regen, en het voelde wel goed. En ik dacht aan jou. Op een of andere manier paste je in dat moment.’
‘Wou je dan dat ik bij je was?’
‘Dat weet ik eigenlijk niet. Het beeld dat ik van je zag, was heel rustig. Ik kon je zien, en jij kon mij zien. Ik kon je aanraken, als ik dat wou. Het was alsof ik me niet in mezelf moest terugtrekken, alsof ik gewoon kon blijven.’
‘En deed ik iets?’
‘Nee. Je was daar gewoon, en je keek naar mij. Het was alsof je gewoon bij me wilde zijn. Niet alsof je iets van me wilde, alsof je me voor iets zou gebruiken. We waren daar gewoon allebei, en alles was goed. Ik wou dat er niets gebeurde. Hoe je naar me keek, dat stelde me gerust.’
‘Dat is een mooi beeld. Ik weet niet of ik het helemaal begrijp, maar dat geeft niet denk ik. Soms is het alsof jij bang bent voor iets waar ik nooit bang voor ben geweest. Ik voelde me meestal wel rustig in jouw buurt. Er was een stuk van jou waar ik niet kon komen, dat wist ik. Maar tegelijk was het alsof jij me zag, altijd, en dat was veel. Ik wist dat dat niet verloren zou gaan, of zo. Die gedachte hielp wel tegen het verdriet.’
‘Heb jij eigenlijk goed geslapen vorige nacht?’
‘Nee, het was weer een slechte nacht. De regen maakte me niet rustig. Er ging nog zoveel door me heen, dingen die ik nog zou moeten doen, dingen die ik niet in orde krijg.’
‘Maar het was niet dat ik je vanop afstand wakker heb gemaakt?’
‘Nee, toch niet.’
‘Misschien heb je nu wel zin in een aardbei.’
‘O ja. Mmm.’

14 juni 2019

Lichamen

Woorden lezen. Ze bewegen ergens in je. Even later. Tranen. Het begint ergens in je buik. Daarna weet je niet meer waar het begon. Er moet daar ergens een voorraad wachttranen zijn, die hun moment afwachten.

Soms lijkt de weg daar naartoe doorwaadbaar. Soms is er geen weg.

Je stem zit ergens lager. Bevrijd van iets.

Een poetsrug. Straalpijn. Of is het lekpijn?

Daarna jezelf uitplooien, uitdeuken.

Zithoudingen zoeken op het terras. De woorden in het boek bepalen mee wat de zwaartekracht doet.

(Van sommige zinnen krijg je hoofdpijn. Willen ze iets zeggen, of willen ze iets bewijzen?)

Verdriet van vorige dagen staat nu aan de andere kant van je huid te kijken. Lichtere woorden schuiven naar voor, nemen de plaats in.

Soms verschijnt een restant van rusteloosheid ergens in de avond. Uit het struikgewas.

Krampdromen.

Het ochtendlijf beweegt net naast zichzelf. Het zou terug in elkaar geklikt mogen worden.

Je buik zou dat voor je kunnen doen, wanneer het tijd is voor de dagbuik.

Een drukke dag, veel mensen om je heen. Je volgt de dingen.

Weer thuis. De fluittoon is aanweziger. Voor een tijd. Daarna schuif je weer in elkaar.

Zachte terugkeerdromen.

’s Morgens beetje onrustig. Het vooruitzicht van een lange dag zonder vooravondvluchtheuvel. Je kunt extra boterhammetjes meenemen, alsof je je buik kunt misleiden. Quod non.

Een middag, in de metro. Op weg naar de conferentie. Het is alsof je ene lichaam de trein is, je andere de mens in de trein die door de zwaartekracht nog even achterblijft.

Die vooravond. Je probeert rustig aanwezig te zijn, kijkt geconcentreerd naar de mensen aan de andere kant van de tafel. Alsof je een beetje achteraan en vooraan tegelijk bent.

Iets in je denkt tegelijk aan het uur. (Hoe laat zal het zijn eer je thuis bent? Zul je nog iets kunnen eten? Hoe groot zal de lege plek zijn?) Het is je buik, of je buikkennis.

Thuiskomen tegen middernacht. Gekneld tussen de tijd die je lichaam eigenlijk nog nodig heeft en de tijd die je zou moeten kunnen slapen. Je kiest ergens halverwege.

Haperende dromen.

De volgende ochtend strijkt de kinesiste enkele plooien glad. (Nee, glad is niet het juiste woord.)

Huidtintels in de trein. Altijd dankbaar.

(Je buikkennis verwacht buikverzet die avond, een tweede avond zonder vluchtheuvel.)

De vooravond, bij mensen die je dierbaar zijn. De onrust van een ander straalt binnen.

De avondvergadering is boeiend. Het ene lichaam is geconcentreerd aan het luisteren, denkt mee, zoekt beelden. Het andere lichaam voelt dat de vorige nacht te kort was. Je buik beweegt autonoom tussen de twee. (En doet wat voorspeld was.)

Op weg naar huis – wat lijkt het ver – heeft je buik weinig mededogen.

Een ontvankelijke nacht, met hersteldromen.

Een andere dag. Een overzichtelijk lijstje. Er staat één grote taak op de agenda. Tussen de kleine dingen vooraf en die ene beweeg je heen en weer in je lichamen. Daarna trekken ze zich terug, terwijl je verdwijnt in die grote tabel die je vakje per vakje invult. De tijd heeft een rustig gewicht.

Buiten op de bank zitten praten met een dierbare vriendin. Je stem voelt zacht. Je handen zijn rust.ig. Jullie zitten in de tijd

Eindelijk weer gewoon thuis in de vooravond. Handenmindfulness bij het koken. (Nog niet weten of je buik gewillig weer in je adem zal vallen. Erop vertrouwen dat het zo zal zijn.)

Vermoeidheid kan dempende laagjes wegkrabben in je lichaam. Dingen laten zich zien.

Weten dat je klaar bent voor een langere nacht. Je lichaam lijkt op een of andere manier zwaarder, of zal dieper wegschuiven. (De aarzeling die nog ergens in een van je lichamen zit om jezelf uit handen te geven aan de nacht. Ernaar kijken.)

Even trilt je lichaam, daarna begint het zachtjes te gloeien. En verdwijnt in de rivier.

Een andere dag. Ergens halverwege de voormiddag loop je door de gang. Je tranenlichaam duwt zich een beetje naar buiten, en trekt zich dan weer terug. Ergens halverwege de namiddag trekt je schouder zich samen. (Iets heeft een teken gegeven.)

Op weg naar huis is het alsof je de mensen beter ziet. Een laag is weg.

Zou er zomaar een zin naar je toe komen om een stukje rond te bouwen, straks in woorden? Dat zou mooi zijn, denk je, ergens net voorbij het plein. Je kijkt naar de bewegingen van de vrouw die net voor je loopt.

De dingen zullen zich wel aandienen, vertrouw je.

09 juni 2019

Plannen van een grote jongen

Het wordt wel stilaan tijd om plannen te maken, voor later, als je een grote jongen bent.

Lijstjes kunnen gemaakt worden. Met handige en nuttige en pedagogisch verantwoorde dingen. Die ook nog bijdragen aan de algehele wereldvrede. En aan de permanente zelfopvoeding. En zo mogelijk ook aan de innerlijke rust.


Toch maar eens aan dat boek beginnen. Misschien.

Cadeautjes beter leren inpakken. (En er nog meer geven.)

Een intensieve cursus volgen om ervoor te zorgen dat je elke kleine technische onverwachte wending tijdens het bestellen van de tickets voor het nieuwe cultuurseizoen zonder de lichtste vorm van ticketstress kunt opvangen. (Hoewel het ook – in het licht van de echte wereldproblemen – niet zo erg is als je nadien door een vriendelijke mevrouw wordt gebeld om samen met jou te regelen dat je alsnog je tickets krijgt.) Ook leren dat je niet noodzakelijk onmiddellijk geëxecuteerd zult worden als je belt naar de speciale helpdesk als je systeem vastloopt bij het bestellen. (Die mensen blijken daar gewoon klaar te zitten om problemen als het jouwe op te lossen, je hoeft dus niet te denken dat zij vooral en alleen bezig zijn met ECHTE problemen.)

Variant. Als je ooit nog eens in een ziekenhuis terechtkomt jezelf er door intensieve meditatie van overtuigen dat het niet verboden is om ergens diep in de nacht op dat belletje te duwen voor een nachtverpleegster als je vergaat van de pijn. (Ook in dit geval is er een kans dat de executie niet onmiddellijk wordt uitgevoerd.)

Ook nog kijken naar seizoen 3, 4, 5 en 6 van This is us. (En telkens voluit gaan voor het snotteren.)

Bellen naar Bob Dylan om alsnog samen een koffietje te gaan drinken. (Toen hij het de vorige keer vroeg, was er net een of andere belangrijke vergadering.)

Dat ding met tantra. (Of misschien toch maar voor je volgende leven. Alhoewel.)

Niet meer zeggen dat je een lelijke kop hebt. (Als je het immers nog één keer doet, gaat die ene vriendin zo boos kijken dat er een kans is dat je leven korter zal worden. Wat andere plannen in het gedrang kan brengen.)

Nog een hele tijd analoog blijven fietsen.

Variant. Hopen dat je nog lang sms’jes kunt blijven sturen.

Variant. Hopen dat je nog lang kaartjes kunt blijven sturen. (Met een postzegel.)

Je niet meer verontschuldigen voor je bestaan als het niet echt nodig is. (In alle andere gevallen is het een pedagogische opdracht voor de rest van de mensheid.)

Een vervolmakingstraject frangipanetaarten.

Veel wijze gesprekken met tegen dan heel grote meisjes (die nu nog grote kleine meisjes zijn), zodat ze jou permanent kunnen updaten over alles wat cool is, waarbij je minzaam kunt knikken.

Nog eens naar de opera met Victoria. (Maar dan wel eentje van Mozart.)

Begrijpen wat jouw planten je willen vertellen.

Veel herinneringen maken.

De zee die je vertelt dat het beter met haar gaat.

Nog veel boeken over de liefde.

Op wetenschappelijke wijze beslissen of je niet eigenlijk een heel grote jongen moet zijn om aan dat boek te beginnen.

08 juni 2019

Traag verdriet

(Een groot verlangen naar de Goldbergvariaties, in allerlei uitvoeringen. Je las dat er een nieuwe is, met drie strijkers. Die wil je horen. Of nu op accordeon. Eindeloos, steeds opnieuw, denk je. Als een heldere kamer, waar al het verdriet, al het verlangen en alle troost zijn.)

Gewicht.

De sporen zien.

Naar je handen kijken. Kunnen ze onschuldig zijn?

(’s Nachts wakker worden van de wind, en beseffen dat dit het huis met de sterke muren is.)

(Je een beetje onhandig verontschuldigen voor heftig.)

(Iemand zegt je dat hij je wel eens graag stout zou willen zien.)

Je ziet de zwaartekracht in je huid. Je ziet de afwezigheid van een plek. Je kijkt ernaar. Wat ook wil zeggen dat je hier bent, dat je kijkt naar de rivier. Er is nog genoeg verlangen over, tussen hier en de zee.

(Je in die nacht afvragen wie je zou toelaten.)

Langzaam herschikken de lagen van je lichaam zich.

(Je denkt aan dat beeld van je kleinzoon. Hoe hij in dit nu naar je zou kijken.)

(Je denkt aan hoe mooi ze zijn, in die serie. Hoe ze van elkaar houden.)

Eigenlijk is het wel mooi, te beseffen dat je gewoon op het strand kunt zitten en kijken naar de golven die het strand naderen en voorzichtig of net te groot het land betasten. Hoe ze gewoon komen en gaan. Hoe ze die lagen schikken en herschikken, zonder ooit de zee los te laten. Hoe je gewoon kunt zitten kijken. Hoe je alles ziet, hoe je niet elders en toen bent. Hoe je in dit veranderende hier kunt blijven.

(De mooie gedachte dat mensen zien wat je aan het doen bent.)

Het verdriet beweegt in je lichaam. En het is wel goed.

Op een of andere manier raak je de aarde zachtjes aan, in kleine stapjes, als danspasjes. Misschien ben je daar klaar voor.

(Een vriendin die je zei dat het helen begonnen is, en hoe je heel even verward was.)

Misschien zie je de zwaarte beter als je traag kijkt, misschien laat ze zich onthullen in afwezigheid. Er is zo eindeloos veel verdriet, zie je. En het is, gewoon.

De woorden leggen de dingen voor je neer. Ze geven je de beelden. Ze tonen je waar de bedding voor je adem is.

(Ondertussen speelt de accordeon rustig verder. Die muziek is een plek waar je elke keer opnieuw naar terug kunt keren. Iets dat blijft. Die heldere kamer.)

De adem verandert je lichaam. Er gebeuren dingen.

(Soms vraag je je af hoe de jaren werken. Misschien is het gewoon het getij. Misschien heb je elke eb, elke vloed nodig, om je huid te begrijpen. Iets als het aanvaarden van geduld, ongekozen. En het besef dat je zo de zee kunt zien, en de zee in je huid.)

Als je zo naar de nachten kijkt, zie je hoe ze veranderen.

Iets wordt lichter, al weet je nog niet helemaal hoe dat werkt.

(Je zou iemand kunnen vragen om naast je te komen zitten, in het water.)

Misschien willen de dingen zeggen dat je een plek geworden bent.

07 juni 2019

Ontheemding

Misschien was het een moment dat eraan zat te komen. Misschien was het een proces dat al een hele tijd bezig was. Misschien was het geen proces.

’s Ochtends loop je door de stad, op weg naar een seminarie. Ineens wankelt iets in jou. Alsof daar iets bezig is. Autonoom afscheid of zo.

Je probeert je te concentreren op de presentaties (die niet allemaal extreem opwindend zijn). Het voelt wel goed, zo hoog in de zaal. Niet te veel mensen die te dichtbij komen.

In de trein zoek je een hoekje, zoals je in de hoek van de kamer nog muren achter je voelt.

(Iets van jou is een beetje verdoofd, ergens anders, misschien.)

De bus zet je af. De beelden van de straat zijn ineens zo scherp. (In je droom die nacht stonden er aan de andere kant van de straat grote huizen, die allemaal waren afgebrand.)

Het huis is er nog. (Mensen lopen door elkaar heen.)

Met je zus ga je nog even door alle kamers, van boven naar beneden. Alles is zo goed als leeg. Zelfs de herinneringen lijken afwezig. (Het is goed dat haar verhaal je terug naar hier haalt.)

(Die paar spullen die nog mee moeten, je zet ze in de andere kamer. De Legobakken. Ze hebben gelukkig al een bestemming. Sommige dingen moeten door de tijd verder gaan, mogen niet stoppen bij jou.)

(Misschien heeft iets al afscheid genomen, je weet het niet zo goed.)

Aan de grote tafel bij de notaris. Je ziet alle woorden op het scherm. Je ziet de namen, ook de jouwe. (Je volledige naam ziet er nog steeds uit zoals je je die herinnerde.)

(Misschien is dit gewoon wat je al maanden aan het voorbereiden was, en is het niet meer dan dat. Misschien is dit een niemandsland, waar verhalen op afketsen. Misschien ben je al vertrokken van hier.)

Je zet je naam onder het grote document. In zekere zin is het huis van de ene kant van de tafel naar de andere kant gegaan. (Hoewel het ginder nog steeds op dezelfde plek staat.)

(Je bent blij voor hen, hoopt dat ze daar gelukkig zullen zijn. Op een of andere manier – dat besef je pas later – is het alsof je zou willen zeggen dat het huis zwaar is. Je hebt het een stuk lichter gemaakt, denk je dan weer. Dat ook.)

(Er is te veel betekenis samengedrukt, denk je. Je kunt alleen een beetje laveren, de zuurstof is voor later.)

Terug in het huis. Je bent moe, ineens.

(Waarom zijn er zoveel mensen? Je wilt alleen zijn, eigenlijk.)

(Het is ook wel goed en mooi allemaal natuurlijk.)

Je zegt aan de mevrouw van de catering dat ze niets is veranderd tegen vroeger. (Jij natuurlijk wel.) Ze vraagt of je niet liever in het dorp zou wonen. Je zegt dat dat niet zou gaan. Ze vraagt of je kinderen hebt. Jammer genoeg niet, zeg je. Je vraagt haar te vertellen over haar kinderen.

Je gaat buiten zitten met je zus. (Er is iets met je stem.)

Op sommige plekken ben je altijd ergens anders, zie je in je huid.

Je zus vertelt over hoe jullie vroeger als kind speelden op de straat. Ze vertelt over de bouwkraan die in de tuin stond, die ze per ongeluk in gang zette. (Wat zorgde voor smeervlekken op haar witte kleedje. Je ziet het beeld nog in je hoofd.) Je bent zo blij met haar verhalen. (Alsof je adem een beetje kan landen.)

(Het zijn fijne mensen, denk je. Ze beginnen de ruimte al in te nemen, en zo hoort het eigenlijk ook. Je hoopt dat ze er een hierplek van zullen maken.)

(Het is alsof al die mensen te dichtbij komen.)

Het is bijna tijd om te vertrekken. Je praat met de man. Je wenst hem alle geluk met het huis. Je zegt dat jullie alle demonen hebben meegenomen, dat het huis vrij is.

De reis terug. Gelukkig is de bus goed op tijd. Gelukkig komt ze op tijd aan in het station. (Je wijst de buschauffeur op die vrachtwagen die ginder gekanteld is en getakeld wordt.)

Misschien is je lichaam iets minder samengedrukt, of zoiets.

(Het is toch gewoon wachten, de dingen zullen zich pas later laten zien.)

(Op een of andere manier is het alsof je even geen verhaal bent.)

Terug thuis wil je je alleen maar nestelen onder het dekentje. Je kijkt drie afleveringen na elkaar van die serie die je zo beroert. (Je wilt heel erg in een verhaal zijn. Zien hoe de dingen kunnen zijn, of zoiets.)

Je weet niet helemaal zeker waarvan je afscheid neemt als je het licht uitdoet.

(In bed rol je je op tot een klein bolletje. Je kijkt naar je adem.)

Te vroeg word je weer wakker.

(Het is gewoon wachten, en dat is wel goed.)

02 juni 2019

Heftigjes

‘Soms heb ik een beetje schrik van mezelf, of beter: van de kracht die ik in mezelf kan voelen.’
‘Waarom zou je daar schrik voor moeten hebben?’
‘Ik weet niet. Soms voel ik dat ik heel erg betrokken kan zijn bij iets, en dan kan die kracht het een beetje overnemen. En dan ben ik forser dan ik wou zijn, en dat is niet altijd gemakkelijk voor anderen, en dat weet ik.’
‘Ik heb er eigenlijk geen last van. Je bent mooi als je zo hevig bent. Ik zie vooral hoe jij vecht voor iets, niet tegen iemand.’
‘Zie je dat?’
‘Ja, het is niet zo moeilijk te zien. Ik kan me voorstellen dat het een beetje heftig is, als je jou nog niet goed kent.’
‘Ik zie dan, terwijl het gebeurt, wat het effect kan zijn op anderen, en dat wil ik dan natuurlijk niet. ik ben dan bang dat mensen bang zullen worden of zo. En dat is niet de bedoeling.’
‘Het is een beetje als een vulkaan bij jou soms.’
‘Ja, misschien wel. Ik herinner me nog een tekening die een vriendin ooit voor me maakte, van die vulkaan.’
‘Dat had ze goed gezien dan. Weet je, op jouw manier maak jij veel indruk soms, en eigenlijk vind ik dat vooral aantrekkelijk. Maar jij schaamt je soms precies voor die kracht.’
‘Ja, soms wel. Misschien ben ik bang dat ik iets stuk zal maken.’
‘Ik weet dat je dit niet wilt horen, maar in zo’n momenten is er iets van een man in jou. En eigenlijk nog meer een vader.’
‘Een vader?’
‘Ik heb de indruk dat jij heel hevig kunt worden als iemand jouw zelfgekozen familie probeert te raken. En dan ga jij er pal voor staan om hen te beschermen, met al je breedte. Ik denk dat je dat zelf niet zo goed beseft altijd.’
‘Nee, dat klopt. Ik vind het moeilijk om zo over mezelf te denken, maar misschien heb je wel gelijk. Zoals altijd trouwens.’
‘Het komt van heel diep bij jou, dat zie ik wel op zo’n moment.’
‘Ja, dat is waar. Ik schrik er elke keer zelf weer van. In mijn hoofd is alles dan op een bepaalde manier zo helder, en dan kan ik niet begrijpen dat anderen dat niet zien en dat ze iets niet willen verdedigen of zo.’
‘En tegelijk kan het zijn dat je in al je hevigheid anderen een beetje verplettert, terwijl je dat net niet wilt doen.’
‘Ja, zo is het.’
‘Ik zei het je al eerder, en ook dat wil je niet horen, maar ik denk dat je een goede vader zou zijn geweest, of een goede moeder.’
‘Pfff… dat is een te moeilijke gedachte.’
‘Ik denk dat je weet dat ik gelijk heb. Het zou wat onbeholpen zijn misschien af en toe, maar je kinderen zouden weten dat je voor hen in de wind zou gaan staan.’
‘Ja, dat zou ik zeker doen.’
‘Zie je wel?’
‘Maar ik vind dat ik het toch beter zou moeten doen.’
‘Ik zou me er niet te veel van aantrekken. De mensen die je kennen en die je graag zien hebben ook graag jouw vulkaan.’
‘Ja? Is dat zo?’
‘Meer zelfs, ik denk dat je diep vanbinnen op sommige momenten die vulkaan ook wilt laten zien. Ook aan jezelf. Om te voelen dat er dingen zijn waarvoor je wilt vechten.’
‘Jij kijkt wel dwars door mij heen precies. Dat is wel een beetje suboptimaal. Kan ik dan niets verbergen?’
‘Voor de gevorderden niet, maar dat is niet zo erg. Maar ik kan natuurlijk ook doen alsof ik niets zie. Zou je dat dan liever hebben?’
‘Nee, dat nu ook weer niet.’
‘Voilà. En verder wil ik je toch nog op iets heel belangrijk wijzen.’
‘Wat?’
‘Dat we dit jaar nog geen ijsje zijn gaan eten.’
‘Is dat een stille wenk?’
‘Stil?’