23 mei 2013

Waar zijn we nu

‘Zullen we hier even gaan zitten?’
‘Ja, dat is goed. Kom maar dicht bij mij zitten.’
‘Zo?’
‘Nog een beetje…’
‘Ben je verlegen?’
‘Een beetje onzeker, denk ik.’
‘Komt het door die brief?’
‘Ik weet het niet, misschien wel.’
‘Stond er iets verkeerd in?’
‘Nee, helemaal niet. Integendeel.’
‘Dan is het goed.’
‘Soms lijkt het alsof het niet mag. Of zo. Dit.’
‘Dat gevoel ken ik. Zou het niet vanzelf overgaan, ooit?’
‘Ooit wel, zeker. Kom eens hier.’
‘Het is zo mooi hier, met al die planten. En al die namen.’
‘Ik kan ze wel niet goed onthouden.’
‘Zou er dan ergens een speciale naamcommissie zijn? Met mannen met lange witte baarden. En rubberen laarzen.’
‘Misschien.’
‘Wel raar dat ze voor sommige planten zo’n ingewikkelde namen kunnen bedenken. En dan voor andere niet. Heb je gezien hoeveel planten er hosta heten?’
‘Misschien vinden die planten het wel leuk om deel van een groep te zijn, een soort kuddeplanten of zo.’
‘Heb je dat ook gelezen in de krant, dat planten met elkaar kunnen communiceren?’
‘Nee. Kun je het nog uitknippen voor mij?’
‘Ja, zal ik doen.’
‘Is misschien iets als: tegen de zee kun je praten.’
‘Ja…’
‘Wat is er nu? Is dat een traan?’
‘Ja, ik denk het wel.’
‘Waarom?’
‘Ik zou je graag eens mee willen nemen naar de zee. Om je voor te stellen aan haar. En dan zal ik alles vertellen. Over jou, en over ons.’
‘Mag ik dan horen wat je zegt?’
‘Misschien wel.’
‘En ga jij dan ook met mij mee?’
‘Ja, ik ga met je mee.’
‘Weet je wel waar je aan begint?’
‘Nee, ik wil het niet weten.’
‘Ga je nu zeggen: de weg is het doel?’
‘Heel klein beetje melig wel. Ik dacht iets als: laten we vanaf nu tot in de eeuwigheid elke dag zeggen dat we niet weten waar we naartoe gaan en dat we niet weten wie wij zijn. Zoiets.’
‘Lijkt me wel een fijn plan. Redelijk.’
‘Ik ben wel blij met ons gesprek van deze morgen. Blij dat we die dingen hebben kunnen zeggen.’
‘Ja. Het moet allemaal nog een beetje binnensijpelen.’
‘We hebben nog alle tijd.’
‘Ik heb graag dat je dat zegt, dat we alle tijd hebben.’
‘Zo voelt het ook. Misschien wel voor het eerst.’
‘Blijf je vandaag dicht bij mij?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Ik wil liever niet meer weggaan, als we straks weer thuis zijn. Gewoon daar zijn, stilletjes.’
‘Nu heb je dat ene gezicht weer. Dat laat je maar soms zien.’
‘Is dat zo?’
‘Ja, dat is zo.’
‘Heb je dan een hele collectie in je hoofd?’
‘Het is nog maar het begin van de verzameling, er komen er nog heel veel bij.’
‘En dat weet je nu al?’
‘Ja, natuurlijk. Dat weet ik.’
‘Wie weet heb je ze allemaal al. En is het op. Ben ik op. Of zo.’
‘Nee, helemaal niet.’
‘Die blik, die je nu hebt, die doet het hem altijd weer.’
‘Het?’
‘Het.’
‘Zullen we doorgaan?’
‘Ja, dat is goed.’
‘Laten we nog even naar die bergplantjes gaan kijken.’
‘Ja, en dan gaan we naar huis.’

19 mei 2013

Twee taarten

Misschien beweegt het leven tussen twee taarten.

Je begint eraan met enige vorm van lichte zenuwachtigheid. Van die taart zou wel eens veel kunnen afhangen, zo is je meegedeeld. Een frangipanetaart. Het woord blijft je fascineren, trouwens. Je hebt de indruk dat die baktijd in het recept niet helemaal klopt. Je haalt de taart er voor alle zekerheid vijf minuten later uit, en test. Terug in de oven, uiteindelijk voor dubbel zo lang als in het recept stond. Hoe je toch altijd even in de war kunt zijn als zo’n recept niet klopt. En dan de glazuurverwarring. In je hoofd allerlei interessante gesprekken, waar gelukkig niemand iets van merkt. Zoals: als die glazuur niet hard wordt in dat schaaltje, waarom zou dat dan wel gebeuren op de taart? En moet je dan toch niet die glazuur er voor alle zekerheid op doen terwijl de taart nog een beetje warm is? Iets wat natuurlijk onmiddellijk zal worden opgemerkt later door de geadresseerde van de taart. Wat uiteindelijk toch niet als een fatale fout wordt aangerekend.

(Een van de leuke dingen van een taart maken is hoe je handen later naar boter ruiken.)

Lijstjes in je hoofd. Alle boodschappen die je in een voormiddag zou moeten doen. Hoe je uiteindelijk al die exotische dingen bij hebt, en toch gewoon een fles melk vergeet.

Even op en neer om dat verjaardagscadeau weg te brengen. Een nieuwe techniek uitproberen om die helling op te rijden. Met die fiets. Trager. Niet proberen eerst snelheid te maken en zo zo ver mogelijk te komen. Trager beginnen, maar gewoon doorgaan. Je hijgt iets minder wanneer je boven komt.

Of er voordelen zijn aan kort zijn. In die attractie op het plein, bij de heer Jezus, denk je dat er zeker voordelen zijn aan kort zijn. Voor het uit dit leven vallen. Voor het herboren worden maakt het gelukkig weinig verschil.

Het horloge valt in etappes stil. De batterij zal waarschijnlijk bijna op zijn. Maar ze heeft nog geen zin om er echt mee te stoppen. Voor de derde keer lijkt een reanimatie mogelijk. Al zou het kunnen dat de tijd je dit keer begint te ontglippen.

Iets in die foto’s maakt je verdrietig. Je kunt niet goed uitleggen wat het is, je weet het zelf niet zo goed, vandaar.

En dat je eigenlijk ook nog het hele huis ging poetsen. Even. En dat in het kader van het multitaskingkampioenschap. Derde provinciaal. Eigenlijk toch iets te ambitieus. Gelukkig zijn de lakens ververst.

Je legt uit aan de mevrouw aan de kassa dat je twee taarten gaat bakken. Als je haar zegt voor wie de frangipanetaart is, begint zij te blozen. Hier klopt iets niet. Misschien gewoon een groot hart.

Airén. Zou dat een druivensoort zijn? Ja dus. Een Spaanse, die alleen in dat land voorkomt. Je vond ze niet in de kruidtuin. Misschien was je afgeleid. Of nog niet voor 101% wakker.

Op een zondagochtend (nou ja, ochtend) heb je altijd zin om mee te zingen met het Oster Oratorium van Bach, zo stel je weer vast. Zingen van het tegelijk mee dirigerende type.

Dat je eigenlijk nog geen liedjes met de gitaar voor haar hebt gezongen, besef je ineens. Iets voor een of ander lijstje. Dat je ervoor moet zorgen dat die lijstjes nooit uitgeput zullen raken, besef je tegelijk. Ze moeten dus van het zelfrijzende type zijn.

De frangipanetaart loopt lekker weg, zo blijkt. Ergens naartoe.

De tweede taart. Een tarte tatin. Met ahornsiroop. Dat staat er in het groot bij in het kookboek. (Terwijl je bezig bent, weet je al dat straks je handen weer naar boter zullen ruiken.) Opnieuw allerlei interessante gesprekken in je hoofd. Over hoe je die taart zult omdraaien straks, en vooral waarop. Je hebt eigenlijk geen schaal die net groot genoeg is. En als je dat bord neemt, zal de taart in het midden een klein beetje afdalen, tegenover de rand. Ongetwijfeld zul je daarvoor door de taartenpolitie worden gevierendeeld. Minstens. Die taart moest, volgens de opdrachtgeefster trouwens dan weer volstaan voor 8 personen, ze moet geachtendeeld worden. Volgens het recept klopt het. Visueel ziet ze er echter even groot uit als de frangipanetaart, die volgens het recept voor vier personen is. (Heeft misschien iets met de eeuwige liefde te maken, of zoiets.) (Hoe komt het trouwens dat dat vershoudfolie bij anderen altijd wel plakt waar het moet plakken, en bij jou nooit? Ligt dat aan de aardstralen? Aan je saaiheid kan het niet liggen, of toch? Ook derde provinciaal, trouwens.)

18 mei 2013

Onder de vleugels van de slaap

Hoe ver ben je in de nacht. Je zult niet kijken, je wilt het niet weten. Dit teder niemandsland, hier wil je zijn.

Hoe stil het is, buiten die adem, alleen maar die adem. Ergens daarbuiten zullen wel mensen zijn, misschien. Maar dat is daar.

Je kunt kijken naar de slaap. Zelfs met je ogen dicht.

Alles is hier, denk je. Woorden die door je hoofd gaan. Ze zullen niet gehoord worden. Ze zullen deze plek niet verlaten.

En je fluistert een verhaal. Alleen met je lippen. Zoveel zou je willen vertellen. Een klein beetje is voor nu, de rest voor later. En dat fluister je ook. Heb je dat gehoord? Later.

Dat je dit mag zijn. Hier. Hoe wonderlijk het is.

Helemaal donker is het nooit, in deze nachten. Misschien ben je zelf een schaduw van wat je nu ziet.

Ooit moet je het geleerd hebben, om zoveel te kijken. Misschien was het om elke verandering te zien, hoe klein ook. Misschien wou je steeds voorbereid zijn, in een staat van ontheemding. Misschien begin je steeds bij de mogelijkheid van het vertrek. En hoe je nu weet dat je die ogen ook kunt gebruiken voor het blijven.

Dat je iets zou kunnen zeggen. Straks. Als het weer licht is. Aan de andere kant van de nacht. Je eerste gedachte van de nieuwe dag.

Je laat je adem passen in de hare. Je voelt hoe ze elkaar raken, nooit meer loslaten, in dit eeuwige hier, zolang de nacht zal duren.

Je zou willen verdwijnen in de slaap. En toch ook niet. Je zou er geen bezwaar tegen hebben om die reststijfheid te voelen wegvloeien uit je lichaam, die bevrijding zou je niet verwensen. En toch, ondanks dat. Je zou niet willen dat je dit niet zou hebben geweten. Dit hier, dit alles.

In deze stilte, in dit fluisterend verhaal, kun je even bijna leeg zijn. Al je onvermogen, al je onrust, al je stamelende antwoorden, ze hebben zich teruggetrokken in de andere kamer. Je zet een stap uit jezelf en ziet wie je nu bent, op dit moment, hoe eenvoudig het is wat je nu bent.

Even vraag je je af, of je nu iets voor jezelf aan het houden bent. Of je een geheim aan het maken bent. Alsof je een plek in de plek zou maken. Hoe zou je dit kunnen delen? Misschien alleen in woorden.

Je beseft hoe je in en uit een droom schoof. Alsof je, zonder het te beseffen, bewoog in verschillende tijdzones. Tussen de verschijningen van jezelf. Niet bijeengehouden door de dag.

Maar telkens kom je terug, naar dit hier. Dit grenzeloze eiland, dit punt waar de wind niet kan komen, waar je even niet meer weet hoe het is om te vluchten, dit is je bestemming. Niets zal verloren gaan, niet nu, niet hier.

En dichter bij de ochtend verdwijn je langer in stille dromen, niet die angstige van eerder. Alsof je vroeg in de ochtend op een stil strand bent, het water helemaal in zichzelf teruggetrokken. Hoe je daar zit te kijken, hoe je weet dat achter je iemand slaapt. Hoe dit besef je zou kunnen helen.

Het licht is er weer. Het wacht op je. Het is tijd voor een nieuwe dag.

14 mei 2013

En de moeilijke vragen

Dat je zo op de fiets kunt springen. En roepen: ik kom! En dat je dat al gedaan hebt.

Terwijl het stilaan donker wordt. In de wei. Trekken aan die afrastering, en dan het laagste punt zoeken om te knippen met die tang. Telkens een klein stukje. Een mevrouw staat te roepen. Wie die meneer is daar? Blijkbaar ben jij dat. Wil dat zeggen dat er een lichte mate van gevaarlijkheid of indringerigheid van je uitgaat? Of meer iets van onhandigheid? Of toch iets van een bij-een-ander-horigheid? Wat in deze wei niet zomaar getolereerd zal worden, of zoiets.

Twee kleine meisjes en fonteinen.

Je probeert te vertellen wat je graag zou willen proberen te vertellen. Die woorden, waar het over gaat, je zou ze willen ontwijken, in een grote boog. Iets zegt je dat je dat nu niet mag doen. Je probeert dus. Je legt haar uit dat sommige antwoorden in afleveringen komen.

Zou je nu af en toe niet een heel klein beetje moeten verbergen dat je zo blij bent om haar te zien? Misschien valt het wel een heel klein beetje op.

De lijstjes. Lijstjes van moeilijke vragen. Er zijn diverse lijstjes van moeilijke vragen. Er is een lijstje met gevaarlijke moeilijke vragen. Die zij ongetwijfeld zal gaan stellen. Je oefent al op de antwoorden die je dan zou kunnen geven. Het lijstje met gevaarlijke moeilijke vragen komt merkwaardig goed overeen met het lijstje van dingen die – wanneer ontdekt – enkel en ultiem zullen bewijzen hoe interstellair saai jij bent. Het zal niet meer kunnen verborgen worden. Een genadeloos lot zal jouw deel zijn. Minstens. Ongetwijfeld.

Dat, als het zou kunnen, je eigenlijk liever niet saai zou willen zijn voor haar. Of zoiets.

Dat iedereen zo blij lijkt voor jou, voor jullie. Het verwart je.

Twee kleine meisjes lopen rond een fontein. Ze doen hun best om zo nat mogelijk te worden, geholpen door de draaiende wind. Een wat zielige man die doet alsof hij een clown is, loopt met een tas vol van die gedraaide ballonnen. Of jullie er geen willen kopen? Toch maar niet. Een half uur later heeft hij nog steeds geen ballon verkocht.

In de categorie ‘plannen voor deze week’. Dat je nog een gedichtje zou schrijven. Iets over wat je niet gezegd krijgt. Over dingen als de ultieme schoonheid en zo. En de totale vervoering, dat ook nog. Maar dan in de kleine variant, het gaat tenslotte over jou. Of zoiets. Dan maar tijdens de conferentie proberen. Je luistert naar de uiteenzettingen, in het Duits en het Engels. En tussendoor probeer je die vier strofen te schrijven. Vier, dat was de afspraak dit keer.

Dat er nog veel ongezegd blijft nu. Dat was ook een afspraak. Zodat je dus nog wel heel lang kunt blijven schrijven.

In de categorie ‘plannen voor de volgende weken’. Ook een lijstje. De voorbereidingen voor dat ene plan vorderen goed. Er is een datum voorzien voor de finale uitvoering ervan. Zou het lukken om zo lang te wachten?

Zou je toch niet een beetje moeten verbergen dat je haar miste? Net voor ze binnenkwam. Ze had geroepen: ik kom! En dat was wel een goed idee. Eigenlijk.

Dat jullie dat redelijk goed gedaan hebben.

Twee kleine meisjes storten zich op de doos. Het boekje over boeken kan helemaal uitgeplooid worden. Het wordt een soort pad op de vloer. Een boekenpad.

Jij zit. Zij ligt. En even is het zo. In dat moment. Alles is zoals het moet zijn, zoals het kan zijn. Er is niets aan toe te voegen.

Je hangt de tekeningen aan de muur. Naast het gedicht. Waarin het werd aangekondigd.

12 mei 2013

Levels of life

You put together two things that have not been put together before. And the world is changed. Zo begint Levels of Life, het heel erg mooie nieuwe boek van Julian Barnes (de Nederlandse vertaling komt later dit jaar uit). Met die zin beginnen de drie onderdelen van dit boek. Het gaat over ballonvaart, over fotografie, over de liefde, en vooral ook over de rauwe pijn na de dood van de liefde van je leven. De mogelijkheid van een grote liefde ligt besloten in het aardoppervlak, maar daarvoor moet je wel opstijgen. Het avontuur is ook het risico van de val, waarna de afdaling naar de onderwereld kan volgen. Dit boek is niet zomaar een autobiografisch relaas over de overleden echtgenote van de auteur, het is een literaire ballonvaart die de onnoembare pijn de lucht in trekt. Het enige leven dat ons kan verzoenen met het leven op de grond is het leven daarboven, en daar beweegt ook dit boek. Een boek van een ingehouden, ‘luchtige’ schoonheid, dat je stil achterlaat.

Het lijkt misschien een beetje raar, dat dit boek uit drie afzonderlijke delen bestaat. Een verhaal over ballonvaart, over een liefdesgeschiedenis tussen twee bijzondere figuren om dan uit te komen bij de scherpe pijn van het verdriet. Maar naarmate je vordert in het boek, voel je hoe alles met elkaar samenhangt, hoe de eerste twee delen bijna dwingend naar het derde leiden. Het persoonlijke wordt verweven met een literaire vorm en ontstijgt zo, in de woorden, een te aardse directheid. Het boek beweegt tussen de ‘levels of life’, van de lucht, over de grond naar de onderwereld.

In het eerste deel The sin of height lezen we het verhaal van de geschiedenis van de ballonvaart. Enkele figuren worden gevolgd: Colonel Fred Burnaby, de beroemde actrice Sarah Bernhardt en Félix Tournachon. Die laatste is beter gekend als de bekende fotograaf Nadar. Het is het verhaal van het verlangen naar daarboven, van grootse gevoelens, van het nog niet weten hoe alles werkt, van risico’s op de val. Barnes beschrijft alles met een lichte toets, in schitterende, ingehouden zinnen. Met de verhalen krijg je eigenlijk alle beelden en metaforen voor wat later zal volgen: een inzicht in de ‘gevaarlijke’ liefde. De enig mogelijke liefde, die naam waardig. De twee dingen die in dit deel worden samengebracht, zijn de ballonvaart en de fotografie. Nadar is de eerste die de fotografie mee de lucht in neemt. Tot dan toe was het beeld dat we via de fotografie van de werkelijkheid kregen er een dat aan het aardoppervlak gebonden was. Nadar verandert dat idee grondig, door via de foto’s de kijker de kans te geven om afstandelijk te kijken, en zo de dingen in een ruimer en ander perspectief te zien. Wat begon met schuchtere foto’s uit een ballon vond een eindpunt in foto’s van de aarde, getrokken vanuit een ruimtecapsule. Goede literatuur kan ook wat die foto’s konden.

In het tweede deel On the level vinden we het relaas van de liefdesaffaire tussen  Fred Burnaby en Sarah Bernhardt. Twee personages die niet anders kunnen dan met grote verlangens leven, een beetje grootser dan het hier en nu van het ‘gelijkvloers’. Burnaby voelt zich heel erg aangetrokken tot Bernhardt, en is bereid zijn hele leven voor haar om te gooien. Het is een bewonderende, bijna hoofse liefde. Zij geeft een stuk toe, maar ontvlucht uiteindelijk een keuze voor vastigheid, ze kan niet leven met ankers. In zijn hart zal hij nooit afscheid kunnen nemen van haar. Zij is zijn onherroepelijke, maar ook onbereikbare liefde. Op de aarde kunnen ze niet samen zijn, en in dezelfde ballon komen ze nooit terecht. Twee mensen die heel verschillend zijn komen samen, er is een uitzicht op iets groots, maar het lukt niet. In dit deel komen voorzichtig verwijzingen binnensijpelen die het hebben over ‘de’ liefde. Hoe de dingen zijn, bijna onvermijdelijk. So why do we constantly aspire to love? Because love is the meeting point of truth and magic. Truth, as in photography; magic, as in ballooning.

En zo is het pad voorbereid voor het derde deel, The loss of depth, dat je toch, vanaf de eerste pagina frontaal raakt. Barnes beschrijft, met omwegen, de periode na de dood van zijn vrouw Pat Kavanagh, met wie hij dertig jaar getrouwd was, en die in 2008 stierf aan een hersentumor. Vlijmscherp, maar in zachte woorden, geeft Barnes fragmenten vrij. Over hoe zijn vrienden en kennissen met hem spreken, of niet spreken, over zijn overleden vrouw. Over de verschillende woorden die worden gebruikt voor de dood. Over hoe de pijn werkt doorheen de tijd, en over clichés die niet kloppen. Over praten tegen je vrouw die er niet meer is. Over de mogelijkheid overwegen om zelf uit het leven te stappen, en over de reden waarom je dat niet doet. (Zij leeft in jouw herinneringen, eigenlijk alleen daar nog, dus als jij sterft, sterft zij ook, nog eens.) Telkens korte stukjes, waar de genadeloosheid doorheen schemert. Maar zo aangrijpend mooi dat je het boek nauwelijks durft neerleggen.

Levels of life is geen autobiografisch testament. Het is een literaire tekst, die een persoonlijk verhaal wegtrekt van het gelijkvloers waar de woorden enkel zouden kunnen ‘beschrijven’ wat niet beschreven kan worden. Barnes zegt iets over de liefde van zijn leven, die een liefde is, en onherroepelijk de risico’s en de pijn van de liefde in zich draagt. Die liefde kan alleen zijn wat ze is, als je bereid bent je verlangen te volgen naar de wolken. De nauwelijks te vermijden harde landing moet je erbij nemen. En daar, op die zondige hoogte, bewegen ook de woorden van dit boek. Barnes heeft een manier van schrijven die heel accuraat is, zonder woorden die uit de toon vallen. Spektakel zit er niet in zijn zinnen, maar onder het oppervlak voel je veel bewegen. Het is alsof je steeds de wind voelt tussen zijn zinnen. De afstand die ze zo creëren zijn tegelijk de enige manier om iets te zeggen over de grote liefde en de enige manier om de onmetelijkheid van het verdriet te benaderen. Levels of life is een heel bijzonder boek, dat je na de laatste bladzijde heel voorzichtig sluit en naast je neerlegt.

10 mei 2013

De doos

Ik zag haar in de winkel. Juliana. Ik stond daar te snuffelen, op zoek naar boekjes voor in de doos. Ze kwam bij me staan, blijkbaar aangetrokken door hetzelfde boekje. Een boekje over boeken. Dat dacht ik toch, dat ze daarom kwam.

‘Sorry dat ik zomaar tegen u begin te praten. Normaal doe ik dat niet. Maar u heeft een hoofd dat tot een gesprek uitnodigt.”

Over dat laatste moest ik even nadenken. Even daarvoor had ik nog van iemand te horen gekregen dat ik niet mag zeggen dat ik lelijk ben. Ik was nog volop bezig die moeilijke boodschap te laten doordringen tot in mijn onderbewuste (was nog niet verder dan wat frunniken aan de bovenste aardlagen). Over welke kwaliteiten of afwijkingen moet een hoofd beschikken om uit te nodigen tot een gesprek? Andermaal eentje voor de categorie ‘moeilijke vragen’, waar ik een abonnement op heb.

‘Mijn naam is Juliana. Ja, het is een wat rare naam. Mijn ouders hadden blijkbaar iets met het Nederlandse koningshuis. Ik niet zo eigenlijk. Ben niet zo’n fan van oranje gebak of oranje ondergoed.’

Of ik iets speciaals zocht, wou ze weten. Ik vertelde haar over de doos. De grote doos met spulletjes voor kindjes die mijn huis bezoeken. Hoe het plan is dat ik regelmatig nieuwe dingen in die doos doe: boekjes, kleurplaten, spelletjes, speelgoedjes, dat soort dingen. Andere mensen mogen ook dingen in de doos stoppen. En zo is het een levende doos, die altijd een beetje verrassend kan zijn.

‘En dat boekje is dus voor de doos? Wat lief.’
Ze keek me een beetje afwezig en met wat waterige ogen aan. Of er iets was, wou ik weten.

‘Ik heb ook een grote doos thuis. De doos van de nooit geschreven brieven.’

Ze bloosde een klein beetje. Nauwelijks waarneembaar. Bij sommige mensen kun je niet zo goed zien wanneer ze moeten blozen. Of ze zijn getraind in bloosuitstellende technieken (een onderdeel van survival).

‘In die doos verzamel ik brieven. Ik maak die brieven allemaal zelf. Lange en bijzondere brieven. Telkens in een ander geschrift en een andere stijl. Ze zijn aan mij gericht. Het zijn brieven die ik telkens wel graag zou willen krijgen, zo mooi zijn ze.’

Ik vond het een wat raar idee, brieven aan jezelf schrijven, letterlijk dan.

‘Ja, het klinkt wat zielig misschien, maar dat is zeker niet de bedoeling. Misschien is die doos een beetje zoals de jouwe, maar dan niet voor kindjes. Mensen die op bezoek zijn, kunnen in de doos kijken, en brieven lezen. En stiekem hoop ik dat het ooit zal gebeuren.’

Een beetje aarzelend, en ook wel met schroom, vroeg ik haar wat er dan wel zou kunnen gebeuren. Ooit.

‘Dat mensen zeggen dat een of andere brief mooi is, dat stelt niets voor. Dat is zelfs een klein beetje vervelend. Dat ze zich verbazen over zoveel mooie handschriften, in verschillende niveaus van kalligrafie, met diverse vulpennen, dat is leuk om weten. Het streelt een heel klein beetje mijn rechteroor, maar meer ook niet. Wat ik zou willen, waar ik eigenlijk van droom, is dat iemand zichzelf herkent. In mijn droom is het zo dat iemand in die brieven zit te kijken en me ineens een beetje bleekjes aankijkt en zegt: dit ben ik, dit is mijn handschrift, dit zou ik zo ook gezegd kunnen hebben, deze brief is op een of andere manier de mijne. En dan zou ik weten dat ik met die persoon iets heb, iets zou moeten doen. Misschien wel niet meer dan een kort gesprek, of het delen van een appel, met de hand in twee gebroken. Misschien niet meer dan een veelbetekenende blik.’

Haar verhaal gaf me een licht gevoel van vervreemding. Er leek een sluimerende eenzaamheid te huizen in het tengere lijf van Juliana (dat lijf had ze overigens niet gemeen met de voormalige koningin, het had heel andere verhoudingen). Het was alsof ze heel even dwars door me heen keek.

‘Ik weet dat dit allemaal wat raar klinkt. En misschien is het dat ook wel, al denk ik van niet. Het gaat me op een of andere manier enkel om de woorden. Alsof ik zo wil ontdekken, of bewezen zien, dat sommige woorden, in de juiste volgorde, in het juiste handschrift noodzakelijk kunnen zijn. Dat ze iets raken dat onvervangbaar is, dat alleen zo had kunnen zijn, dat zo moest zijn. Weet u, ik zag meteen toen ik hier binnenkwam dat u een brievenschrijver bent. Al worstelt u er soms een beetje mee, omdat u denkt dat uw brieven nog niet goed of echt genoeg zijn. Dat zie ik aan uw ogen. Laat dat worstelen maar achterwege, zou ik zeggen.’

En voor ik iets kon terugzeggen, was ze vertrokken. Ik stond nog steeds met dat boekje in mijn handen. Een boekje over boeken. Over dromen over een boek, en over het koesteren van die droom. Het boekje deed me ook aan andere dromen denken, maar dat kan ook met die aardlagen te maken hebben. Ik nam het mee naar de kassa, betaalde het, en stak het in mijn tas, klaar voor verwelkoming in de doos.

09 mei 2013

Hoeveel octaven

Misschien kun je niet anders. Dan sommige beelden heel langzaam te laten insijpelen. Door je huid. Misschien zouden ze zich wel verzetten tegen sneller dan traag.

Dat je bang bent. Dat ze niet zal komen. Alsof je gedoemd was om iets verkeerd te doen. En dat alles alleen maar onvergeeflijk kan zijn. Wie of wat heeft je ooit dat gevoel gegeven?

Een bank. Aan de rand van het water. Je rilt. Het zou van de kou kunnen zijn. Maar zeker ben je niet. Je bent verlegen. Het geluk dreigt zomaar naar je toe te komen.

Het zou het gedicht kunnen zijn. Dat het er zomaar mag zijn. Dat je het kunt schrijven. Dat je het kunt geven. Dat je kunt zien hoe het gelezen wordt. En dat je mag blijven.

Ook. Dingen doen met haar. Dat doe je graag. Kijken hoe ze de dingen doet. En dan gewoon de dingen doen. Samen. Hoe kun je uitleggen waarom je dat zoveel rust geeft?

Hoe bang je bent. In het huis. Voor ingesleten gewoontes. Voor alles al eeuwen doen zoals je alles al eeuwen deed. En dat je misschien geen plaats zult maken. Zoals je zo vaak deed, tot nu.

Ze schuift in en uit de foto’s die je van haar maakte. Je kunt er nauwelijks naar kijken, je blijft kijken. Iets in die foto’s zegt: we blijven hier.

Misschien zul je wel nog meer schrik krijgen van de woorden. Misschien zul je alles wat hier is niet over de grens van de woorden willen brengen.

Midden in een nacht. Bijna zou je een heel klein liedje willen beginnen zingen. Bijna. Bijna zou je de bevestiging willen vragen aan de maan. Bijna.

Een ochtend. Bach vult de ruimte. De geluiden en geuren van een late ochtend komen naar binnen. Je kijkt, en kijkt, en slaat de ogen neer. Het gefluister van handen.

Je zit en kijkt naar beitels die iets bevrijden uit het hout. Iemand zegt je dat je er zo vredig bij zit. Je zegt dat de verklaring daarvoor daar naast je zit. De zon spreekt je niet tegen.

Dat het tijd was. Voor dit. Dat het pas nu tijd kon zijn. Voor dit. Soms is het alsof je nu vooral geen tijd te verliezen hebt, nu je zo ver in het leven bent. Soms geeft het niet.

Hoe bang je bent. Voor wat je niet kunt benoemen. Voor wat zo aarzelend een plaats vindt in je brieven. En hoe je tegelijk weet dat je niet bang moet zijn. Misschien maakt dat je bang.

Dat ze dus wel gekomen is. Elke keer. En dat je elke keer weer schrikt. Hoe veel het is. Het moment waarop ze jouw ogen aanraakt. Hoe blij je bent. Elke keer.

Je houdt van dat insijpelen. Alsof iets de binnenkant van je huid traag betast. Alsof het voor het eerst is. Iets is voor het eerst, dat weet je nu wel zeker.

Er zijn zoveel beelden. Omdat je keek met elke porie. Het is goed dat ze hun tijd moesten nemen om zich samen te voegen. Tot je zag wat je nu ziet in je hoofd.

Dat ze dit is. Zeg je tegen hem. Je kunt hem nauwelijks aankijken, en voor hem is het niet anders. Dat je zelfs niet meer wist hoe graag je dit altijd al had willen doen. En de tranen.

In de loop van de vakantie is het alsof je handen rustiger worden. Alsof ze hun bedding gevonden hebben. Alsof ze hun adem niet meer moeten ontvluchten.