01 maart 2015

Zinnen zonder einde

(Zondagavond denken, als laatste van de dag, aangezien het ook het eerste van de dag was, dat je misschien nog wel een stukje kunt maken. Nog verdienstelijke poging om het stukjesquorum voor de week terug op een aanvaardbaar niveau te krijgen. Of zoiets.)

Zinnen waarvan het einde ergens in een duister is. Hoe zouden ze eindigen?


Ik zag je toen. En ik wou je iets zeggen, maar ik durfde niet. Nu probeer ik nog eens. Wat ik al lang wilde zeggen, is…

Ik denk dat ik nu begrijp waarom je toen deed wat je deed. Nu zou ik anders reageren, misschien. Of misschien ook niet. Mijn armen waren te kort toen. Hoe zou jij nu zeggen wat je toen…

Waarschijnlijk kan het niet, of kan het niet meer. Maar ik zou eigenlijk graag hebben dat je nog eens…

Ik denk dat ik me schaamde, de hele tijd. Nu kan ik het eindelijk zo zeggen, ook in die woorden. En misschien heb ik wel helemaal geen reden om me te schamen. Misschien maak ik me onterecht zorgen, en ben ik zonder reden bang dat jij kwaad zult worden. Ik probeer dus maar. Wat er toen gebeurd is, is…

Dingen veranderen. Met het ouder worden kun je sommige dingen beter aanvaarden. Andere niet. Ik hoorde het ooit een goede vriend zeggen. Je wordt tegelijk milder, en hebt minder geduld voor onzin. Je leert vrede sluiten met jezelf. Maar het enige wat me nooit lukte, is…

Ik herinner me dat je me dat ooit zei, ergens diep in een donkere nacht. Het is altijd bij me gebleven. Waarschijnlijk herinner jij je daar niets meer van. Dat is niet zo erg. Als je me zou vragen wat ik me herinner van ons, dan zou ik misschien dat aanhalen. En als je zou vragen of…

Als het daarover gaat, en als ik eerlijk ben, dan moet ik zeggen dat het vaak voelt als falen. Ik zal wel altijd zeggen dat het goed gaat, en dat ik erover ben, maar eigenlijk is dat niet zo. Misschien heb je het gemerkt daarnet. Ik denk dat ik misschien wel altijd…

Dat ligt nu achter me. Het is raar, maar door wat er gebeurd is, ben ik meer geworden wat ik toen niet wilde zijn. En misschien is dat wel niet zo erg. Nu kan ik ook zien dat wat toen zo moeilijk was ook wel zin had, en tot iets goeds heeft geleid. Maar er is ook iets weg. Nu is het iets meer…

Het is niet zo gemakkelijk om het net aan jou uit te leggen. Maar soms denk ik dat er minder vertrouwen is nu dat die plek ook voor mij is. Ik aarzelde toen al, moest veel drempels over. Maar nu is het alsof…

Het overvalt me op een onbewaakt moment. Als ik moe ben. Of ook als ik begin te ontspannen. Dan zie ik iets, zo’n film als vanmiddag, en dan schiet ik ineens vol. Zit ik daar te janken als een klein kind. Midscheeps geraakt of zo. Alsof iets nooit overgaat. En dan denk ik: hoe zou het zijn als…

Eigenlijk ben ik nu blij dat de dingen toen zijn gegaan zoals ze zijn gegaan. Toen deed het veel pijn. En pas veel later besefte ik waarom ik de dingen liet gebeuren. Alsof ik het niet waard was, of zo. Maar het duurde lang eer ik dat alles doorhad. En nu denk ik dat het goed is dat…

Jij zei het me soms. En ik denk dat je het me veel vaker wou zeggen, maar dat je me wilde sparen. Of dat je wist dat ik het toch niet wilde horen. Je zag de dingen veel beter dan ik. Ik  ben wel blij dat je me niet liet vallen. Het was gemakkelijk om de schuld altijd bij een ander te leggen, maar dat was niet terecht. Nu weet ik dat ik niet had mogen…

Het gebeurde. Meer kun je er eigenlijk niet over zeggen. Jij had waarschijnlijk goede redenen om te doen wat je deed, en dat was voor mij niet anders. Misschien is dat wel genoeg, nu. Soms zou ik niet meer willen dan…

Het was zo mooi, toen we daar waren. En het is zo mooi, nu we hier zijn. Veel is anders, en veel ook niet. Wij zijn anders, en tegelijk toch meer onszelf dan toen. Ik kijk nog altijd graag, ook al zie ik andere dingen nu. En wat ik je toen vroeg, vraag ik nu nog eens. Denk je dat…


(Zinnen die zomaar in een nacht kunnen verdwijnen.)

Welnu

(Op een zondagochtend vroeg wakker worden, te vroeg, en denken: ik heb een stukjesachterstand voor deze week. Het onaangenaam knagende gevoel, enkele dagen al, van stukjesgemis. Niet eens goed weten wat je zou moeten schrijven, alleen dat.)

Verlangen naar lege plekken. Verlangen naar alles wat je zou kunnen zeggen en aanraken in lege plekken.

Dagen met veel verhalen van pijn en verlies. Ze komen allemaal samen in enkele dagen, zo lijkt het. En je zou willen, lege plekken, om nabij te zijn.

Verhalen die je te vertellen hebt. Met enig gevoel van schaamte. Maar iemand zegt je dat dat helemaal niet hoeft, integendeel.

De dingen die je te doen hebt. Soms probeer je ze, als kaarten, in een volgorde te leggen. Waardoor je ze kunt zien, een voor een. Als in een trager ritme.

Soms zou je ineens willen zeggen tegen iemand: doe dat niet, laten we beleefd zijn voor elkaar, en alleen maar luisteren. Misschien ben je ouderwets. Waarschijnlijk.

Geamuseerd naar iemand kijken. Beginnen rekenen. En denken: hij zou mijn zoon kunnen zijn. Voor alle zekerheid nog maar eens opnieuw rekenen. En glimlachen.

Het is al laat als je – eindelijk – de stapel kookboeken kunt bovenhalen. Bladeren, en zoeken. Wat zul je voor hen maken? Wist je het vorig jaar al niet zoveel dagen eerder? En is dat falen?

Een mooie brief krijgen. Uitkijken naar lege plekken. Om te kunnen antwoorden. En de hele tijd tot dat moment kunnen zien hoe het is, hoe je daar zit te schrijven.

Heel vroeg de fiets op. Naar de markt. Onderweg vaststellen dat je het briefje ‘MARKT’ met de boodschappenlijst voor de markt thuis op de tafel hebt laten liggen. Naast de andere briefjes. Zomaar herinneren dus, uit het blote hoofd. Het komt bijna goed.

Zoals steeds, tijdens het maken, nog minstens 27 keer in het kookboek kijken. IJs van mango. Je weet niet of je het wel kunt, maar het idee is mooi. Niet veel meer dan een uur nadat ja naar de markt vertrok al kunnen zeggen: het ijs van mango is klaar. Of beter: het zit in de diepvries.

En zoals elk jaar is er iets dat je ontregelt en tegelijk een gevoel van thuis geeft. Terwijl je probeert alle boodschappen te doen, en daarna alle gerechten een voor een voor af te werken, en tussendoor ook nog het huis opruimen, en de hele tijd merken dat al die dingen niet echt perfect, maar misschien goed genoeg zullen zijn.

Die avond komen ze binnenwandelen. De tafel staat klaar. Je zegt: laten we eens een fles bubbels openmaken. (Wild!) Ze gaan zitten, en alles valt in de plooi. Je kijkt naar hen, en denkt: wat ben ik gelukkig.

De stilte na het feest. Je bent meer moe dan je had verwacht. Alles nog rustig aan kant zetten, de tafel moet nog leeg. Om een of andere reden wil je het opruimen na het feest altijd alleen doen. Je wilt kunnen nadenken, terwijl je de dingen wegzet. In jouw ritme.

Wakker worden met een deuk in jezelf, of zoiets.

Vroeg weg, voor een lange dag.

Je kijkt, en denkt, en probeert op alles te letten.

De verhalen. Die blijven bij je.

Een mooie vrouw zegt je dat jouw stopwoord het woord ‘welnu’ is. En dat je dus een beetje archaïsch bent, blijkbaar. Je denkt dat je daar wel mee kunt leven, denk je, verlegen.

Thuiskomen, en proberen voorbij de deuken te denken. Die nog even negeren. Snel nog eten maken. Daarna snel nog de mega-afwas van de avond daarvoor doen. Snel nog enkele klussen doen. Tussendoor blijven dromen van het stukjesgevoel. Om uiteindelijk vast te stellen dat het niet zal lukken. Morgen wel, als eerste van de dag, en misschien ook wel als laatste.

Verhalen van verlies.

(Alleen het schrijven. Wat je voelt in je vingers, en hoe het zich verspreidt in je lichaam. Alsof je ze even kunt zien, de plekken van het helen.)

22 februari 2015

Madeleine

Ik zag haar voor het eerst in de winkel waar ik regelmatig kom in het weekend. Ik zag haar dit keer dus niet voor het eerst, maar voor het zoveelst. Het is eigenlijk altijd wel fijn als zij er is, maar ze is nogal stil. In de winkel dan toch. Nu ik 50 ben, moet ik wel af en toe iets dappers doen. Dus ik dacht, laat ik maar even iets zeggen. Ik deed mijn best om iets intelligents te formuleren, qua dapper, maar dat viel een beetje tegen.

‘En? Alles OK?’

‘Beetje stilletjes.’

Een enigszins kort antwoord op een – het moet worden toegegeven – ook wel korte vraag. Ze bedoelde, zo zei ze na nog een vraag (‘Bedoel je hier in de winkel?’), dat het dus wat kalmpjes was in de winkel.

Echt verpletterend vlot liep het gesprek nog niet. Tijd dus om weer te vertrekken met mijn boodschappen. Ze lachte nog heel mooi.

Weer buiten dacht ik nog: Jean, heel erg dapper was dat nu ook niet, eigenlijk… Dus ik ging weer naar binnen.

‘Heb je geen zin om mee een koffietje te gaan drinken? Als je shift voorbij is natuurlijk.’

Ze keek me aan met een blik die ik niet helemaal kon thuisbrengen. Iets tussen ‘ik dacht dat je het nooit zou vragen’ en ‘o jee, hoe red ik me hier nu weer uit’.

Ze zweeg nog even en zei toen: ‘Ja, heel graag zelfs. Ik ben hier klaar binnen vijf minuten.’

Even later zaten we achter een mooie koffie. Ja, een koffie kan ook mooi zijn. Zo mooi dat je er nauwelijks aan durft te beginnen. Ze bleek Madeleine te heten. Die naam hoor je niet meer zo vaak. Vroeger hadden we een overbuurvrouw die Madeleine heette, maar die zag er wel een stuk strenger uit dan deze Madeleine. Ik dacht ook nog aan gebakjes, maar dat hield ik maar voor me.
Het duurde even, maar daarna kwam ze behoorlijk op gang.

‘Heb je dat artikel ook gelezen in het weekendmagazine over die mevrouw met al die poppen? Ik begreep haar wel een beetje, dat die poppen je beschermen tegen een boze wereld daarbuiten. Maar het was ook wel een beetje eng. Ik heb maar twee poppen, en alleszins geen eigen poppenkamer. Heb jij veel poppen?’

Ik vertelde haar dat ik alleen een beer heb die aan de andere kant van het bed ligt. Die beer fluistert me soms dingen in het oor. Dingen die ik eigenlijk al wist, maar nog niet wilde weten. Of zoiets.

(Ik vroeg me nog af ondertussen of ik toch niet zou voorstellen dat ik madeleinegebakjes zou bestellen. Maar misschien is dat niet echt iets voor een eerste gesprek.)

‘Jij lijkt me wel een man die graag en veel leest. Ik zag het meteen aan jou, toen ik je voor het eerst zag in de winkel, lang geleden. Ik zou eigenlijk graag zelf een boek willen schrijven over openingszinnen. In de liefde, en in het leven. Maar het lukt me maar niet om eraan te beginnen. Eigenlijk heb je heel veel openingszinnen in het leven, in een liefde. In het begin vraag je iets als: alles ok?, ga je mee thee drinken, met gebak? Maar ook als je elkaar al een tijd kent, kunnen er telkens weer openingszinnen zijn. Soms is het alsof je elkaar niet meer zo goed kent, alsof je voor elkaar iemand anders geworden bent. Of alsof je gewoon opnieuw zou willen beginnen, opnieuw zou willen zien hoe mooi de ogen van die ander zijn. Of alsof je verder zou willen gaan, in een andere vorm. En dan kun je ook dingen zeggen als: mag ik jou nog eens voor het eerst zien?, mag ik even (of nog even) je hand aanraken?, blijf je bij me vanavond, of morgen?, kom je nog eens op bezoek in mijn droom? Dat idee dus, daar wil ik een boek mee maken. Maar als ik erover nadenk, dan komen er zoveel ideeën tegelijk. En ook denk ik dan meteen dat ik dat nooit zal kunnen, daar een boek van maken. En zo begin ik dus nooit.’

Ik wou haar uitleggen dat er een zekere gelijkenis was tussen haar onderwerp en haar schrijfproces, maar ik deed het toch maar niet. Aan de tafel naast ons zat ondertussen iemand madeleinegebakjes te eten.

Ik vroeg haar nog of zij soms ook ineens overvallen wordt door een gedachte uit haar jeugd, als in een flits.

‘Ja, dat gebeurt regelmatig. Het geheugen is een raar ding.’

En toen zweeg ze een tijd. Zwijgen leek haar niet ongelukkig te maken, integendeel. Er gebeurde iets in haar hoofd, of zo leek het toch.

We hadden het daarna nog over de vraag hoe je weet of een boek dat je voor het eerst ziet iets voor jou zal zijn of niet. Ik zei dat dat een kwestie van voelen is, met je vingertoppen. Zoals je ook traag de huid kunt aanraken van de hand van een ander. Terwijl ik dat bedacht, vroeg ik me af of die gedachte wel klopte eigenlijk. Je raakt de hand van een ander aan. Maar de huid van de hand van een ander aanraken, dat is enkel iets in je eigen hoofd, een vorm van concentratie. Een concentratie die vervolgens een geheugen kan activeren.

Ze vroeg me waaraan ik zat te denken, omdat ik een hele tijd zweeg. Ik vertelde haar het ding van de huid en de hand. Ze zei dat ze het nog niet helemaal begreep, en vroeg me om dat ooit eens te demonstreren. Als we ooit nog eens een koffie zouden gaan drinken. Of een kopje thee, met een madeleinegebakje natuurlijk. (Ofwel had ze dus mijn gedachten gelezen, ofwel was het gewoon een mooie dag. Sommige antwoorden hoef je niet te weten.)

21 februari 2015

Doe maar een plaat

Tussendoor denken: wanneer is die (…) verkoudheid nu eindelijk echt voorbij?

Tussendoor denken: ik moet haar iets vertellen.

In de schouwburg. De avond van de heilige van de liefde. Vooral dichters aan het woord. En ook nog die heel mooie beweging door de twee dansers. Het voelt bijzonder dat je daar bent. Je merkt het als je nadien weer naar huis wandelt. En de verhalen. Je bent een beetje verlegen, en ook dankbaar.

Het uitzicht. Daar beneden is het park. De trappen. Mensen op de trappen. Welke verhalen over de liefde zouden er vandaag verteld worden?

Nog net het laatste plaatsje in de trein. In het stuk waar de stoelen in een lange rij aan de zijkant staan, met je rug naar het raam. Tussen twee mevrouwen. Je bent altijd te breed voor zo’n plaats. Je kunt niet anders dan aan beide kanten min of meer tegen de mevrouwen gaan zitten. Je durft nauwelijks te bewegen bij het omslaan van de pagina’s van je krant. Het is ook wel een beetje spannend, eigenlijk.

Tussendoor denken: waarom die droom?

Tussendoor denken: het lichaam wacht op iets.

Het is bijna tijd om de kookboeken boven te halen. Je moet de kookstress toch minstens een week van tevoren kunnen laten beginnen.

Een debatavond. In die zaal had je ooit nog les. Je had er toen ook al te weinig plaats voor dat lange lijf. Misschien heb je vooral zin in verhalen. Er is iets een beetje mis met het debat. Sommige sprekers doen hun best om er iets van te maken. Ze zeggen wat ze wilden zeggen, een beetje los van de vragen, die op zichzelf lijken te stuiteren in de zaal. Als van die botsballetjes, wel in veel kleuren natuurlijk.

De verhalen achteraf zijn misschien wel mooier. Als je hoofd niet zo’n pijn deed, als je mond niet zo in de knoop zat (door die (…) verkoudheid en die (…) tand) dan had het nog uren mogen duren, denk je. Het is alsof je aarzelt bij het afscheid.

Tussendoor denken: zou er iets onverwachts gebeuren?

Tussendoor denken: het is tijd om iets te zien.

Je moet altijd hard nadenken over het woord rondetafelgesprek. Je zit er dus in, in een rondetafelgesprek. Je zit recht tegenover de minister. Die kijkt vaak in jouw richting. Zou je dat kunnen beïnvloeden door instemmend te knikken bij sommige antwoorden? Blijkbaar wel.

Door de stad op weg naar huis. Voor je thuis bent, zou iets zich moeten aankondigen. Een woord, of een zin, of een beeld. Voor een stukje. Het verhaal van een droom komt. Dus dat zal het worden. Het zal je meenemen in een verhaal.

Op weg naar de markt. De stad moet nog wakker worden. Wat extra’s meenemen, voor je bezoek van die avond. De twee oude mensen die je elke week in het café op de hoek ziet zitten. Zouden ze ooit iets zeggen tegen elkaar?

Tussendoor denken: het beeld blijft in mijn hoofd.

Tussendoor denken: ik wil haar nog eens zien.

Een vergadering. Heeft iedereen wel iets te drinken? Is er nog genoeg koffie? Zijn er nog genoeg chocolaatjes? (En ook nog even denken aan die droom waarin je wakker werd.)

De boodschappenronde. Nog even langs de platenwinkel. Die plaat van Derroll. Een echte plaat. Thuis zet je ze op de piano. Gewoon om ernaar te kijken.

De actie is voorbij. Het bericht is verstuurd. Iedereen is weer weg. De tafel opruimen. De kamer terug naar jou halen.

Tussendoor denken: mijn stem klinkt anders, eindelijk.

Tussendoor denken: ik wil nog een mooie gedachte, voor morgenavond of zo.

19 februari 2015

Waar de dingen elkaar raken

‘Goed dat we hier zo zitten.’
‘Ja, het lijkt zelfs lang geleden. En toch ook niet. Vertrouwd wel.’
‘Ja.’
‘Zou dat kunnen, dat je dingen uitwisselt, in elkaars dromen? Ik droomde, nu al twee keer, iets wat vaak in jouw dromen voorkomt.’
‘Dat die droom dus van mij naar jou overgaat? Langs een zone waar de dingen elkaar raken? Maar waar zou dat dan zijn?’
‘Ergens. Misschien wel hier.’
‘Jij was ook nog wel even in mijn droom van de week, maar dat is iets anders waarschijnlijk dan dat een droom van jou naar mij komt.’
‘En wat deed ik?’
‘Je liep rondom het bed.’
‘En dat was het?’
‘Ja, eigenlijk wel.’
‘Spannend…’
‘Het was een drukke dromenweek. Met veel ingewikkelde verhalen, en heel veel mensen soms. En in een van die dromen ging ik ineens trouwen. Die trouw was blijkbaar op korte termijn geregeld.’
‘En voelde het goed?’
‘Ik weet het niet zo goed. Ik schrok er zelf een beetje van. En tegelijk was er ook een  gevoel van: dit vind ik wel een klein beetje leuk, eigenlijk. Maar goed weggestopt.’
‘Haha.’
‘Ja, lach maar.’
‘Zou je daar naartoe kunnen gaan? Naar de plek waar de dingen elkaar raken? En waar die dromen de overstap kunnen doen? En zou je dan ook zelf, bewust dromen kunnen doorgeven aan elkaar?’
‘Stel je voor.’
‘Ik zou wel een beetje schrik hebben van dat idee, denk ik.’
‘Er zijn natuurlijk ook dromen waarvan je vooral niet wilt dat een ander die ooit zou kunnen zien. Die mogen zeker niet weglekken.’
‘Nee, beter niet.’
‘Soms vind ik het raar dat er in sommige dromen zoveel mensen, of personages, zijn. Het is soms alsof ik, tijdens die droom, met een beetje afstand kan kijken, en me afvragen waar al die mensen vandaan komen. En soms is het raar dat er mensen opduiken in mijn droom die ik helemaal niet verwacht had.’
‘Er stond ook nog een artikel in de krant vandaag over dagdromen. Was wel interessant. Het is blijkbaar een fenomeen dat erg weinig wordt onderzocht.’
‘Onderzoekers zouden dan ook naar de plek kunnen gaan waar de dingen elkaar raken. En dan kijken naar de dromen. Dat moet wel een beetje raar zijn. Als je als onderzoeker de dromen ziet van anderen, hoe weet je dan dat je zelf niet aan het dagdromen bent?’
‘Misschien is er wel geen verschil.’
‘Dus als je overdag even wegschuift in een droom zou het kunnen zijn dat het eigenlijk een droom van iemand anders is?’
‘Wie weet.’
‘Het is wel ook leuk als je je een mooie droom helemaal kunt herinneren, en dat je dan overdag terug kunt gaan. Een beetje als een kast die je opent, en in die kast gebeurt er iets, de hele tijd.’
‘En in die kast loopt die droom de hele tijd door, ook als je de deur niet openmaakt.’
‘Ja, dat denk ik wel. Soms denk ik dat er ergens een soort rivier of een zee is, waar alle dromen huizen. Samen met alle verhalen.’
‘The sea of stories.’
‘Ja, inderdaad. Mooi boek trouwens.’
‘En?’
‘En daar, in die rivier of zee, zijn ze de hele tijd. Ze zijn er allemaal, en ze waren er al allemaal. Ze komen je af en toe even bezoeken. Maar ze bewegen wel altijd.’
‘En zitten we daarom dan ook hier?’
‘Oei, moet ik dat verhaal ook vertellen?’
‘Ja natuurlijk. Of anders een brief schrijven.’

15 februari 2015

Stel

Stel. Stel dat je je lichaam zou kunnen uitspreiden als een woordlandschap. Helemaal uitgeplooid. Je zou ernaar kunnen kijken als naar zinnen. Hier of daar zou je een woord kunnen toevoegen, of vervangen. In de onzegbare gebieden zou je misschien voorzichtig een enkel woord achter kunnen laten, als voor het eerst een sleutel. In de gebieden met een grote woorddichtheid, als een breiwerkje met een te vaste steek, zou je heel voorzichtig ruimte kunnen maken, zodat het licht erdoor zou kunnen. Voor de gebieden met vreemde woorden zou je je tijd kunnen nemen, om ze een voor een te vertalen. In de gebieden die te naakt lijken, zou je woorden van een gedicht kunnen laten sijpelen, waardoor ze anders worden. Waar het pijn doet, zou je omzichtig woorden verwijderen, om ze te vervangen door mooie woorden. Nooit zou de woordwand daar in gevaar komen. Het geheel zou wel, bijna ongemerkt, veranderen. En na het woordwerk zou elke plek aanraakbaar zijn, voor trage vingers.

Stel. Stel dat je stukjes tijd zou kunnen toevoegen. Je zou kunnen zeggen: nu wil ik wel een uurtje extra, of zelfs een dag. Ineens zou er zomaar een 25ste uur zijn, of een 8ste dag. Er zou nog wel veel discussie zijn over de modaliteiten van de toevoegtijd. Als die alleen voor jou geldt, hoe zit het dan met de rest van de wereld daarbuiten? Zouden alle andere mensen dan de hele tijd stilstaan? Zou je dan door de wereld kunnen lopen om iedereen van dichtbij te gaan bekijken, en even aan te raken, zonder dat ze er ooit iets van zouden merken? Of zou je iemand kunnen kiezen die samen met jou de toevoegtijd zou kunnen delen? En wat zou je dan doen in die tijd? Of zouden de mensen en dingen daarbuiten in een soort loop komen, en ongemerkt zichzelf herhalen tot de gewone tijd weer verder gaat? Zouden er toevoegtijdquota bestaan? Zou je je beter voelen in toevoegtijd dan in toegevoegde tijd?

Stel. Stel dat je de gave zou hebben om een ander te helen. Je zou misschien maar een enkele andere mogen kiezen. Maar je zou ervoor kunnen zorgen dat je haar of zijn pijn weg kunt nemen. Niet alle pijn natuurlijk, want dan zou er geen leven meer overblijven. De littekens zouden mogen blijven. Maar de grote pijn, die als een onoverkomelijke muur staat tussen hen en het leven dat ze hadden gedroomd, die zou je kunnen wegnemen. Zomaar. Als een geschenk. En daarna zou je kunnen kijken, hoe ze als een kind zo verrast, tussen de dingen lopen. Je zou jezelf verstoppen. Zodat de ander nooit zou weten dat het geschenk van jou kwam. Je zou even verbaasd zijn als iedereen, zo zou het toch lijken. Je zou alleen maar zeggen: ik ben zo blij voor jou.

Stel. Stel dat je zou weten dat er iemand zal zijn die je hand vasthoudt op het laatste moment. Je zou het je niet meer moeten afvragen of het zo zal zijn, je zou het weten. Het zou gemakkelijker worden om je door het leven te laten drijven. Je had je al voorbereid op veel moeilijke vragen. Je had al geoefend in ‘of ik nu nog een maand te leven heb of 56 jaar, dat maakt niet uit’. De essentie van die oefening is overigens dat je 56 jaar kunt blijven oefenen. Oefenen is goed, maar daarmee weet je nog niets over dat laatste moment, dat valt buiten de oefening. Als je het zou weten, zou het anders zijn. Misschien is dat de hoogste vorm van geloof die voor een sterfelijke mens haalbaar is, erop vertrouwen dat er op dat moment iemand zal zijn die je hand vasthoudt.

Stel. Stel dat je het verhaal zou kunnen naderen. Het verhaal dat er al ergens is. Misschien is het al in je, misschien wacht het op je, ergens aan de rand van de weg. Het zou midden in een eenzame nacht dicht tegen je aan kruipen en je omringen. Het zou je zeggen: alles komt goed. Het zou je zeggen: vertrouw me maar. Het zou je zeggen: je kunt jezelf uit handen geven, je zult niet verloren gaan. Het verhaal zou zich misschien wel laten vertellen, als in een boek, het boek. Of het zou gewoon in je buurt blijven, voor altijd. Je zou niet achterom hoeven te kijken. Je zou je niet moeten afvragen welke woorden je zou gebruiken, welke gebaren. Het verhaal zou alle tijd hebben, alle geduld. Je zou het verhaal kunnen aanraken, als een lichaam, bijna. We zijn omringd door verhalen, zou het verhaal je zeggen. Je zou het leren, de verhaalaanraakbaarheid.

14 februari 2015

Een inwandeldroom

Er zijn mensen die dat kunnen, ziek worden volgens de regels. Ze blijven netjes thuis, eventueel zelfs in bed. Ze laten zich vertroetelen. Ze laten zich alle zorgen met graagte welgevallen. Ze laten de boel de boel, en de wereld de wereld. Ze schamen zich er niet voor ziek te zijn. Ze zeggen alles af, of zelfs dat niet. Ze zijn gewoon ziek. Als dat een probleem zou genereren voor anderen, pech. Na enkele dagen komen ze geheel herboren weer de wereld in, met een houding van: nou en?! En gaan gewoon weer aan het werk, alsof er niets gebeurd was.

Met enige graad van wetenschappelijkheid is vast te stellen dat jij niet een van die mensen bent.

Er zijn mensen die zeggen dat je een zeer licht ontwikkelde vorm van arbeidsethiek hebt. (Waar halen ze het?) Er zijn mensen die diepgaande analyses maken, en zeggen dat je bang bent van de hulpeloosheid die je overvalt als je alleen bent met een ziekte, en je jezelf uit handen moet geven. (Dat zijn slimme mensen ongetwijfeld.) Er zijn mensen die zelfs zeggen dat het hele concept van jezelf uit handen geven voor jou in de categorie ‘het is ingewikkeld’ valt. (Dat zijn slimme mensen, of exen, of allebei.) Nog diepere analyses zijn beschikbaar, maar kunnen hier – om diverse redenen – niet gepubliceerd worden.

Vaststelling: je werd dus ziek. Het bleek uiteindelijk een hardnekkige keelontsteking. Het verloop dag na dag was telkens twee stapjes vooruit, en dan weer een achteruit. (Het duurde allemaal veel langer dan je had gehoopt, maar daar had de kosmos ongetwijfeld een goede reden voor.)

Je had het je nog afgevraagd hoe het nu juist zat. Zo’n ziekte kiest steeds een zwakke plek, denk je. Kaak, nek en stem. In die zone leek enige vorm van spanning zich te hebben verzameld. Wilde iets je iets zeggen? Door ervoor te zorgen dat je niet veel meer kon zeggen?

Onder het motto ‘tijd dat ik als een volwassene met een ziekte omga’ had je het meteen als een project aangepakt.

Slimme mooie mensen hadden je de dag daarvoor, aan het einde van het feest nog zo gezegd: blijf gewoon thuis, neem een dag ziekteverlof, of meer. (Thuis blijven? Tot daar toe, maar ziekteverlof? Is dat niet voor watjes?)

De eerste dag. Toch maar thuis blijven. Afwisselend enkele uurtjes werken, en dan weer wat rusten, om daarna weer wat te werken. (En dat op je verjaardag.) Verliep eerlijk gezegd iets moeilijker dan je had verwacht. Tegen de avond koorts. Wankel onder het dekentje. Wel een goede nacht.

De tweede dag. Toch maar even naar de dokter gaan, voor alle zekerheid. Ze legde je alles uit. En vroeg toen ineens of ze een ziektebriefje moest maken voor het werk. Je keek haar ongelovig aan waarschijnlijk, alsof het een onbeleefde vraag was. En daarna toch maar naar Brussel. Voor die ene belangrijke vergadering die je niet kon doorgeven aan een van je collega’s. Raar gevoel. Je hoorde alles, kon goed volgen. En toch was het alsof je afwezig was in je eigen hoofd. Na de vergadering snel maar weer naar huis, en de rest van de avond plat.

De derde dag. Bijzonder. ’s Morgens wakker worden, een licht gelukzalig gevoel. Het hoofd helderder dan de dagen daarvoor. Maar een lichaam dat alleen maar wilde slapen. (Slimme mooie mensen, al dan niet ex, zouden je ongetwijfeld iets zeggen als: maar geef daar dan toch gewoon aan toe, je lichaam wil je duidelijk iets zeggen, is dat nu zo moeilijk?) En je dacht: het project loopt hier een beetje moeizamer dan verwacht, maar eigenlijk heb ik wel een heel klein beetje zin om toch maar toe te geven, een klein beetje toch.

Thuis dus. Eerst nog wat werken, het was nog erg vroeg. En dan de zetel in, onder het dekentje. Opgerold tot een soort foetushouding. Lekker warm. En je viel als in een coma van verlangen. Als een zoete droom, waar je zomaar in en uit kon wandelen. Je ogen openen ging niet, maar je kon wel min of meer kiezen wat er gebeurde, wie er nog bij je was, wat er gebeurde, waar en hoe. Je schrok een beetje. Door de ontspanning werden luikjes in je hoofd gelicht, ergens. En eigenlijk dacht je: laat dit eeuwig duren, of minstens nog heel erg lang. Om daarna toch maar weer op te staan om nog wat te gaan werken. Tegen de avond met lichte tegenzin, en een lijf dat nog volop dacht aan die ochtend, naar een vergadering waar je moest zijn, en die ook nog eens heel erg lang duurde.

De vierde dag. Weer een stukje beter. Ondertussen was de smaak in je mond weer een beetje terug. Die drie kilo’s die je ondertussen kwijt was waren ergens naartoe. Dapper naar het werk. Het lijf voelde wat trager, maar ook een beetje anders, in goede zin. Tot ergens in de namiddag. Licht koortsgevoel. Alsof je lijf zei: tot hier, en niet verder. Weer naar huis, weer rusten. Tussendoor nog een salietheetje. Mmm. Die avond voor het eerst kracht genoeg om weer een stukje te schrijven.

De vijfde dag. Stilaan weer onderweg. Voelen hoe de scherpte weer voorzichtig terug leek te komen. Een goede dag. Maar ’s avonds toch weer een vergadering. Je hoofd zei ja, je lichaam iets als: eigenlijk liever niet. En weer lang.

De zesde en de zevende dag spreidden zich voorzichtig voor je uit. Met veel leegte. Veel verlangens in je hoofd om het huis weer aan kant te krijgen. Alles netjes opruimen, poetsen, enkele klussen doen. Jezelf het gevoel geven dat je weer terug bent. Hoopvol.

Diverse mensen, in allerlei categorieën, maar wel allemaal mooi, zouden je een beetje minzaam lachend toekijken. Met iets van : wat had je nu eigenlijk gedacht Jean? Ze zullen ongetwijfeld allemaal gelijk hebben, zoals steeds. Je zou iets antwoorden als: maar ik heb toch al een beetje mijn best gedaan, of niet soms? Er zou met ogen gedraaid worden. Ze zouden je zeggen: maar wees nu eens eerlijk. En je zou zeggen: ook al is het alleen maar normaal, overkomt het iedereen, is het nuttig en gezond, ik vind ziek worden toch niet zo fijn, maar eigenlijk vond ik het moment van de inwandeldroom toch wel heel bijzonder. Iets met jezelf uit handen geven, of zo.