14 september 2014

Een brief van god

Vandaag kreeg ik deze brief, bezorgd per drager.

Beste Jan

Bedankt voor je bericht van voorbije vrijdagavond. Ik was overigens ook goed gezind die dag, vooral dan na je bericht. Weet je dat dat eigenlijk nooit voorkomt dat iemand me zegt: en ga eens iets leuks doen voor jezelf? Dat heeft mijn dag helemaal goed gemaakt. Ik ga niet zeggen wat ik juist heb gekocht, maar het was inderdaad iets met kant. Heel mooi trouwens.

Ik zie best wel wat mogelijkheden in je brief. Ik ben iets aan het bedenken over die dromen van jou, maar ik kan nu nog geen details geven. Je zult het wel merken, in het echt.

Dat van die ‘elke dag een wens doen’, ja, dat is wel slim natuurlijk. Voor mij geen probleem, een wens is een wens. Maar ik zou toch een voorwaarde willen stellen. Dat we af en toe gewoon een goede babbel kunnen hebben, of dat ik je af en toe een brief mag sturen. En jij dan ook naar mij natuurlijk.

Veel mensen denken dat het fijn is om god te zijn. Maar eigenlijk is het vaak een nogal eenzame zaak. Ofwel vragen mensen je allerlei dingen. Ofwel aanbidden ze je. Het is allemaal zo eenzijdig. En ik begrijp dat wel, net daarom vinden mensen het goed waarschijnlijk dat ik er ben. Maar waar kan ik naartoe als ik het eens even niet meer weet? Achter mijn rug is het aan de lege kant. En toen ik jouw bericht las, dacht ik: met hem moet ik goed kunnen praten.

Wist je trouwens dat de zee mijn zus is? Ze vertelt me wel eens dat jij vaak met haar praat. Ze vindt het altijd fijn als je er bent. Al zou ze je vaak wat meer zien, maar dat is iets tussen jullie natuurlijk.

Ze zeggen altijd dat god liefde is. Dat is een hele eer natuurlijk. Het is ook een hele opgave. Ik zal je iets verklappen. Het lukt niet elke dag even goed om liefde te zijn. Niet tegenover de mensen, dat is geen probleem, ik doe altijd mijn best. Maar heb je je al eens afgevraagd wat de liefde zou betekenen als je zelf de liefde bent? En als god ben ik ook maar alleen, altijd alleen. Ik moet mijn voldoening halen uit het resultaat van mijn liefde bij anderen. En er zijn natuurlijk veel mensen die mij graag zien. Maar toch. Van wie kan ik dromen? Naar wie kan ik verlangen? Ik zou graag mezelf eens in de armen van een ander leggen, iemand die me streelt en zegt dat alles goed zal komen, maar dat gaat natuurlijk niet. Op sommige dagen zorgt het voor innerlijke vrede, zelf de liefde te zijn. Maar op andere dagen is er vooral gemis. Begrijp je dat?

En dat alomtegenwoordig zijn, dat is soms toch ook wel een beetje moeilijk. Soms krijg ik wel wat last van information overload. Je moet het ook allemaal maar kunnen verwerken. Ik ben daar ondertussen wel in getraind, maar toch. Soms zou je willen kunnen zeggen: ik laat de boel even de boel, en doe een dutje, bekijk het maar even. Maar dat is niet de afspraak. En ook als god kun je wel eens een griepje krijgen of zo, en dan moet je dat allemaal doen met een suffe kop. Of een koude rug, dat overkomt me ook wel. Het grote niets hier achter mij, dat is in feite een enorm trekgat. Maar als god moet je wel altijd je plaats kennen.

Er is nog een ander geweldig onderschat probleem, qua god dan. Als god sta je buiten de tijd. Je bent er niet onderhevig aan. Voor een mens lijkt dat misschien een fijne gedachte, iets met eeuwigheid. Maar ik kan je verzekeren, soms verlang ik echt naar de tijd. Ik zag vandaag nog voor me hoe twee (in jullie termen) oudere mensen elkaar gevonden hadden. Het was zo mooi, zo ontroerend. Hun liefde is zo mooi, omdat ze ergens tegenover de vergankelijkheid staat, ergens aan de andere kant. Het kan er dus maar zijn, zo intens, omdat de tijd er is, omdat de tijd verder gaat. Dat wonderlijk gevoel zal ik nooit hebben. Begrijp je?

En dan de schoonheid. Ik hoor het je nog zeggen, wat een mooie gedachte het is te weten dat er nog zoveel schoonheid is waarvan je je zelfs niet eens bewust bent. En daarop zei iemand je dat ze je ook de lelijkheid kon laten zien. Men zegt wel eens dat schoonheid goddelijk is. Je zou me van dichtbij moeten zien om het te weten. Ik heb natuurlijk het voordeel dat ik bijzonder goed geconserveerd ben, haha. Maar eigenlijk is dat naast de kwestie. Ik ben tot het inzicht gekomen dat schoonheid meer met de mens dan met god te maken heeft. Het heeft ook iets met verlangen te maken, en dat is dus des mensen. Je raakt iets aan dat in zekere zin buiten jezelf ligt, maar net daardoor besef je de schoonheid, en de breekbaarheid ervan. Weet je, soms zou ik even, stiekem, mens willen kunnen zijn.

Maar ik moet je niet te veel lastigvallen met mijn besognes. Ik ben al heel erg blij dat ik het allemaal eens kon zeggen. Ik hoop dat het je niet afschrikt, ik hoop dat je niet van me wegloopt nu. Ik hoop dat ik af en toe gewoon eens mijn verhaal mag doen bij jou. Ik denk dat jij niet al te zeer onder de indruk bent van mijn goddelijke status, en dat is een geweldige geruststelling. Het is een houding die je geleerd hebt van je grootmoeder, denk ik. Zij had dat ook. Jij noemde het altijd soeverein. Over dat woord heb ik lang moeten nadenken, maar het klopt wel, denk ik.

Je lijstje ligt hier naast me. Ik heb zoals gezegd al enkele goede ideeën, maar ik verklap nog niets. Het is nog een geheim. En in geheimen, daar is god goed in, zoals je zou moeten weten.

Het ga je goed, en tot de volgende keer. Doei!

god

12 september 2014

Lijstje voor god

Stel je voor dat god zou bestaan. En stel je voor dat god oppermachtig en omnipresent is. En stel je voor dat zij in een goede bui is vandaag.

Stel dat god zou zeggen: ik weet het, het is tegen mijn principes, maar voor een keer, en omdat jij het bent, mag je een wenslijstje maken. Woew!

Hoe begin je daar nu weer aan? Als kind dacht je altijd al wanneer je de vraag kreeg welke wens je zou doen als je een wens mocht doen: ik ga wensen dat ik elke dag een wens mag doen. Dat leek je wel erg slim bekeken, want een wens is een wens, en zo kon je de keuzestress wel onder controle krijgen. Maar zou je dat nu, als grote mens, nog durven toevoegen aan je lijstje? Zou wel een beetje flauw zijn eigenlijk (maar wel aantrekkelijk).

Misschien toch maar beginnen met een belangrijke kwestie. Of god ervoor zou kunnen zorgen dat het woord inkantelen definitief in het algehele niets verdwijnt (of minstens onderwerp wordt van een veroordeling door de VN-Veiligheidsraad). In de categorie ‘ongelooflijk gruwelijke woorden die zich iets te uitbundig – om het vriendelijk te zeggen – in het Vlaams regeerakkoord bevinden’ scoort dat vreselijke inkantelen behoorlijk hoog. Je krijgt allerlei rare gedachten bij dat woord. En er staan al zoveel lelijke woorden in dat regeerakkoord. Sommige daarvan zijn, als woord dan, nog te tolereren, misschien, als dat inkantelen maar verdwijnt…

Er is ook de afdeling ‘spannende dingen die in mijn dromen bleken te gebeuren de voorbije weken, zo kon ik vaststellen bij het onverwacht wakker worden’. Aangezien god ook alwetend is, moet ik haar niet veel meer uitleggen. In elk geval: of er qua implementatie nog iets daarmee zou kunnen gedaan worden.

Een andere belangrijke wens is: dingen die niet stuk gaan. Er zouden er toch een paar moeten zijn. Soms kun je met verbazing zitten kijken naar die schoenzool die afgesleten is, of naar die binnenzak van je broek, die je weer eens moet repareren, en dat door die sleutels die in je broekzak zitten, wat toch voor de mensheid een goede zaak zou moeten zijn, dat die daar zitten, of niet soms? (Het zou kunnen dat dat niet helemaal onverwacht is, aangezien je basically maar een paar schoenen hebt, en aangezien de stof van je binnenzak ook maar van stof en stof is, maar die vaststelling gaan we even helemaal buiten de discussie houden.) Het voelt als een nederlaag van het leven, minstens. Het lijkt op een persoonlijk falen. Stel dat god dat in je oor zou fluisteren: deze schoenen, zodra ze zich naar je ingewikkelde voet gezet hebben, zodra die blaren echt voorbij zijn, vanaf dan zullen deze schoenen onverslijtbaar zijn, zo lang jij leeft. Zoiets.

(Voorlopig overweeg je de ‘elke dag een wens’-optie toch nog steeds in je lijstje te laten staan. Voor alle zekerheid. Stel dat je morgen toch ineens zou willen toegeven aan je verlangen naar een mooi pak op maat, en je zou het niet aandurven om daarvoor naar de winkel te gaan, wat waarschijnlijk is.)

Misschien ook iets over die mooie vrouw die je iets in je oor zal komen fluisteren, als we dan toch bezig zijn. Kan er nog wel bij.

Dat je een doosje zou hebben, met daarin de geur van de keuken van je grootmoeder, terwijl ze confituur aan het maken is, toen. En, vergelijkbaar met dingen die nooit stuk gaan, die geur kan dan ook nooit verminderen of zo. Dus als je eens verdrietig thuis komt, jezelf ellendig voelt, door dat rammelende lijf, of door de stem van Geert Bourgeois die je zomaar in een onbewaakt moment hoorde, of als je je ’s nachts ineens eenzaam voelt, en er zijn voor die nacht blijkbaar geen mooie dromen voorzien. In al dat soort gevallen zou je dan even dat doosje kunnen nemen, en een moment van ultiem geluk zou je overvallen.

Het zou overigens ook een goede zaak zijn als god ervoor zou kunnen zorgen dat er nooit een universele gelukspil zal komen die belooft dat iedereen voor altijd gelukkig zal zijn, enkel en alleen door het nemen van die pil. Je krijgt het niet helemaal uitgelegd hoe het juist zit, maar god zal wel begrijpen wat je bedoelt.

Misschien ook nog een frangipanetaartje, en amaretto-ijs, en die chocolade met de naam Melissa. En vooral hoe lekker ze zijn in je hoofd, in het verlangen ernaar.

En ook nog dat je zo, met een vingerknip heel goed salsa en tango zou kunnen dansen. En dat je zo, op eender welke dansvloer, eender welke situatie zou overleven.

(Bij nader inzien toch maar de ‘dat ik elke dag een wens mag doen’ toevoegen aan het lijstje. Eigenlijk vooral omdat iemand je dat dan zou kunnen komen vragen: wat heb je vandaag gewenst? En dat er dan een mooi verhaal zou komen.)

En ten slotte, last but not least, dat god eindelijk ook eens iets voor zichzelf mag wensen. Nieuwe schoenen of zo. Of kanten lingerie. Of een handtas waarin je altijd alles terugvindt, en waarin dan ook alles zit, werkelijk alles. Altijd handig voor iemand die alomtegenwoordig is. En zo.

10 september 2014

Een blauwe fiets

Soms is een beeld breekbaar. Al zou je niet echt uit kunnen leggen waarom.

Je wilt de straat oversteken. Er komt een meisje op een blauwe fiets aan. De fiets lijkt nog een heel klein beetje te groot voor haar. De blauwe fiets is retro, en dus hip. Ze rijdt traag en voorzichtig. In haar ogen is er iets. Is ze een beetje bang? Is er iets gebeurd daarnet, op school? Heeft een of andere jongen iets lelijks tegen haar gezegd, terwijl ze hoopte op het tegenovergestelde? Ziet ze er een beetje tegenop om naar huis te gaan, om een of andere reden? Ze draait links de andere straat in, en wuift nog even naar de mevrouw van de apotheek. Ze fietst verder, ze lijkt zo alleen, zo kwetsbaar.

Misschien is het helemaal niet zo. Misschien is ze wel kwaad. Misschien rijdt ze voor de eerste dag op die grote blauwe fiets. Meer niet.

Of misschien is er nog meer.

Je weet het niet.

En even denk je: wat zou ik graag voor haar de tijd stilleggen, zodat ze rustig verder kan groeien, zo snel of zo traag ze zelf verkiest. En die grote boze wereld, die moet maar wachten.

En in een flits is het alsof je het zou kunnen zien, wie ze zal worden. Even zie je de jonge meid die ze zal worden. Een beetje stoer en brutaal, maar breekbaar vanbinnen. Je ziet hoe ze ruzie maakt met haar mama. Moeder en dochter lijken een beetje te veel op elkaar, en dat weten ze allebei. Ze vechten met hun dromen. Je ziet hoe ze groot wordt. Een vrouw, al is het nog aarzelend. Een beetje onwennig nog, maar ook met ogen die veel verhalen dragen, ogen die weten. En ineens staat ze op een foto te glimmen, met een mooie man aan haar zijde. Wat is ze gelukkig. Het duurt even voor er een kind komt. Misschien gaat het moeilijk, misschien twijfelt ze. Daar is haar mooie dikke buik.

Daar stoppen de beelden.

Daar duizel je een beetje.

Even denk je: wat zal ze kwaad zijn, als ze ontdekt wat een knoeiboel de grote mensen van die mooie planeet gemaakt hebben.

Een stem in je hoofd zegt wat velen je zouden zeggen nu: je mag niet negatief zijn, je moet hoop hebben. Je moet.

Hopen en moeten gaan niet helemaal samen, denk je.

Even denk je aan mensen die geïrriteerd het journaal uitzetten als er een bericht komt over het klimaat dat op hol begint te slaan, omdat ze het niet willen weten, omdat ze niet willen verstoord worden in hun gemakzucht. En je denkt: wie is er eigenlijk negatief?

En je denkt: kun je nu niet gewoon al dat gedoe laten voor wat het is, kun je die woorden niet uit de tekst laten, kun je niet alleen denken aan de geweldige vrouw die dat meisje zal worden?

Je zou het zo graag.

Je zou zo graag met je brede rug in de wind gaan staan, en zeggen: hier, uit de wind, kun je rustig groot worden, en alles komt goed. Maar zo breed is je rug niet.

Maar je wenst het haar wel toe. Dat er iemand is voor haar. Iemand die warm en veilig is, alsof er daar geen wind is. Iemand die zegt: alles komt goed. Iemand die de verhalen vertelt. Steeds opnieuw.

Ze komt er wel, denk je. Ze zal er wel het beste van maken. Maar ze zal ook wel kwaad zijn, misschien wel nog meer dan jij was, toen. Maar dat mag allemaal wel.

En wat weet je er eigenlijk van? Wie ben jij?

Al het goede voor haar, dat zou je wel willen. Meer weet je niet, meer ben je niet. Dat is al iets voor vandaag.

Je ziet hoe ze afdraait. Ze is verdwenen uit het stukje wereld dat jij kunt zien, nu.

Misschien komt ze op dit moment wel opgewekt en bijna zingend binnenlopen thuis, en roept ze: mama, mama, kijk wat we vandaag op school gemaakt hebben!

Dat is een mooie gedachte, denk je.

Je draait de sleutel om en stapt naar binnen.

07 september 2014

De spin

Het blijft een wezen met een heel eigen wil, een heel eigen finaliteit in het leven. De slang van de stofzuiger. Je hebt al geprobeerd de slang met zachtheid en begrip te benaderen. Het resultaat is niet overdonderend. De slang gedraagt zich niet in de tussenperiodes, in het niemandsland tussen het stofzuigen door.

Je had afgesproken met iemand, in een tussenperiode. Net na een les die je moest geven. Net voor je weer naar de trein moet. Om even iets te bespreken. Het is belangrijk. Je houdt er niet van, je kunt er steeds minder goed tegen, dat je de tijd niet hebt. Het wringt nog na, wanneer je in de trein zit, op weg naar.

Dat jij het wel zou willen doen, even voor twee meisjes zorgen, heb je gezegd. Het maakt je een klein beetje zenuwachtig. Ook omdat je het eigenlijk heel graag zou willen doen.

Vroeg. Normaal had je niet alleen in de trein gezeten. Het draait anders uit. In die richting neem je bijna nooit de trein. Het landschap is mooi. Je bent alleen met je gedachten. Het is ook een beetje een geschenk.

De gulle en gulzige lach van de Afrikaanse vrouwen in de metro. Je kunt niet anders dan glimlachen. Ze maken je ook altijd een beetje verlegen. Alsof je zelf maar heel voorzichtig aan het leven deelneemt. Je kunt je ogen niet afhouden van die jurk met volledig open rug. En hoe die huid meelacht.

Het ene meisje vertelt je ernstig alle verhalen. Soms lopen de namen een beetje door elkaar, maar dat geeft niet. Ze legt later ook uit voor welke voetballer ze een boon heeft. Het is blijkbaar ook jammer dat meisjes niet bij de Rode Duivels kunnen gaan. Graag zien is een zaak, maar dromen van die voetballer, dat hoeft nu ook weer niet.

Die ene mevrouw in de trein zit je wel heel vaak zogenaamd toevallig aan te kijken. (Waarschijnlijk heeft ze dringend een bril nodig, of zoiets…)

Het overkomt je weer. Midden in een gesprek. Onvoorbereid. Wanneer je het hebt over iemand die je zeer dierbaar is, springen de tranen ineens in je ogen.

Het andere meisje roept je. Ze legt je uit dat er daar een grote spin is. Nee, ze heeft geen schrik van de spin. De spin is ook dood trouwens. Maar ze ligt daar nog wel. Het is de orde der dingen waarschijnlijk. Later vraagt ze of je haar wilt pakken en naar boven dragen. Als voorbereiding op de fluorescerende tandpasta.

Je zou moeten beginnen aan een grote opdracht. Ze ligt al een tijdje te wachten. Je begon er al zo vaak aan, maar telkens kreeg je de vraag om nog snel even eerst iets anders te doen. Nu is het moment daar. Je hebt alle kleine klusjes afgewerkt. Er is niets te bedenken om nog even nog een beetje tijd te winnen. Je begint.

Er gebeuren allerlei dingen in je dromen. Het niemandsland van het mogelijke. Zou de kosmos je iets willen zeggen?

De eerste keer dat je die les geeft. Vorige week was het nog een proefles. Het is alsof je er doorheen glijdt. Je merkt dat je stem is veranderd nadien, een beetje gezakt.

In het donker weer naar huis fietsen. De auto die ineens uit een zijstraat komt doet je schrikken. Maar daarna loopt het gesprek in je hoofd weer verder.

De melancholie van een zondagnamiddag.

Verhalen schuiven door elkaar in je hoofd. Misschien ben je zelf wel een tussenperiode. Of een tussenplek. Dat klinkt al beter.

06 september 2014

Toen

‘Dat ik hier nog altijd zomaar kan komen, je weet niet hoe belangrijk dat voor me is.’
‘Is dat zo?’
‘Ja, dat is zo. Wees maar gerust.’
‘Ik weet even niet wat te zeggen. Ik denk dat dat een van de mooiste dingen is die iemand ooit tegen me zei.’
‘Nu maak je mij ook verlegen.’
‘Ik ben altijd verbaasd als iemand me zegt dat ik toen een rol speelde in een ander leven. Ik ben soms al verbaasd als iemand me herkent, maar dit is nog veel meer.’
‘Ik heb dat altijd zo raar gevonden, dat je aan zoiets twijfelt.’
‘Tja, zo is het nu eenmaal.’
‘Een van de eerste momenten zie ik nog steeds voor me. Ik weet niet hoe oud ik toen moet geweest zijn. Erg jong nog. Het was een zondagvoormiddag. En jij kwam met me spelen. Er was veel volk in de kamer. De grote mensen zaten aan de tafel te praten, en ik zat alleen op de grond, met mijn rug naar de tafel, zoals steeds. En jij ging weg van de tafel, en je kwam met me spelen.’
‘Ik herinner me dat ook nog. Niet heel scherp meer, maar toch nog een beetje.’
‘Ik begreep het toen niet helemaal. Dat er iemand gewoon bij mij kwam zitten, en er alleen voor mij was. En vooral hoe je keek. Rustig en vol aandacht. Alsof je me zag. De omschrijving is natuurlijk van nu, maar toen voelde het ongeveer zo, denk ik toch.’
‘Ik vond je altijd al bijzonder. Je was hevig en druk soms. Een klein meisje dat stond te roepen, en gehoord wilde worden. En tegelijk had je iets heel ernstigs. Alsof je iets wist.’
‘Wat ik me herinner, is dat ik na die zondag vaak dacht: zou hij nog eens terugkomen?’
‘Wou je dat dan?’
‘Ja, toch wel. Dat je zou terugkomen leek me een veilige gedachte. En dat we dan weer samen zouden spelen, of iets anders. Het maakte niet uit, als het maar even zou duren.’
‘Ik had het bij jou, en ook bij andere kinderen. Dat ik altijd een beetje bang was dat je me helemaal zou vergeten zijn. Dat je niet zou weten wie ik was. Maar dat was niet zo. Zodra ik binnenkwam, kwam je naar me toe. Een beetje toch. Niet te uitbundig, niet te opvallend, maar toch.’
‘Je bracht ook soms dingen mee voor mij. Cadeautjes. Maar die waren niet echt voor een kind. Het was alsof ik in jouw ogen al een beetje een grote mens was of zo.’
‘Ook een van die dingen die ik nooit helemaal begrepen heb. Dat je tegen een kind zou moeten praten alsof het een kind is. Ik weet alleszins niet hoe je dat moet doen.’
‘Nee, dat is waar. Je stelde soms wel erg moeilijke vragen. Maar je leek altijd heel erg geïnteresseerd in wat ik antwoordde.’
‘Dat was ook zo.’
‘En toen ik groter werd, en soms toch echt wel een beetje moeilijk begon te doen, was het alsof dat voor jou niets veranderde. Je bleef niet weg. En je oordeelde niet. Dat klinkt nu allemaal zo zwaar, maar het was op een of andere manier wel zo.’
‘Ik heb dat altijd een grote eer gevonden. Dat ik zomaar mocht toekijken, hoe jij groot werd.’
‘Ben ik dan nu een groot meisje?’
‘Ik weet het niet. Jij bent eigenlijk vooral jij, zoals je toen ook al was.’
‘Dat is een mooie gedachte.’
‘Ik herinner me nu ineens weer dat je me ooit vroeg, met een ernstig gezicht, of ik goed kon luisteren. En ik zei: ja, ik kan dat heel goed. En jij zei: ik ook, ik kan heel goed luisteren. Ik heb nooit helemaal begrepen of je me daarmee iets wilde zeggen of zo. Maar dat maakt ook niets meer uit natuurlijk.’
‘Vroeg ik dat?’
‘Ja.’
‘Raar.’
‘Weet je, als ik je zie, ben ik altijd een beetje trots. Eigenlijk klopt dat niet helemaal, zo’n gedachte, maar het is wel zo.’
‘Het mag best hoor. Ik vind het wel fijn, en ik voel het ook wel.’
‘Blijf maar altijd een beetje dwars, dat staat je goed.’
‘Dat zal niet zo moeilijk zijn, denk ik.’
‘Dat is een veilige gedachte.’

03 september 2014

Onmacht

Soms zou je willen dat de dingen anders waren.

Je hoort het verhaal van een vriendin. De ziekte. Het went niet echt. Het went niet eigenlijk. Af en toe zou je iets willen kunnen doen. Iets met een vingerknip of zo. Iets waardoor de dingen zouden veranderen. Waardoor je iemand zou kunnen beschermen. Het is er niet.

Je hoort het verhaal van een andere vriendin. Een wending die haar leven ineens erg moeilijk zou kunnen maken. En je denkt: zou het helpen als ik ergens kwaad op zou kunnen worden? Je zou iets willen kunnen doen.

Je ziet een dierbare vriend. En eigenlijk is er niets aan de hand. Niets wat er gisteren nog niet was, of eergisteren. Ineens lijkt er iets in je als een soufflé in elkaar te zakken. Hopelijk merkt hij het niet, hoort hij alleen jouw opgewekte stem, of zo. En je denkt: ik zou iets willen kunnen wegnemen. Om daarna te kunnen zeggen: kijk, dit heb ik voor jou gedaan.

Je denkt, in een onbewaakt moment, aan een dierbare vriendin. Ze doet dat wel regelmatig, dat met dat onbewaakt moment, opduiken dus. Je denkt aan de gloed in haar ogen. Je zou niet kunnen beschrijven wat je eigenlijk denkt. Maar je zou iets willen kunnen doen. Al weet je dat die gedachte nergens op slaat.

Je ziet jezelf, als vanop een afstand. Je ziet jezelf zitten. Hoe je soms, als je eerlijk zou zijn, kwaad bent op je lichaam. Op het haperen ervan. Niet dat het echt erg is. Niet dat het belangrijk is. Niet dat het enig verschil maakt. Misschien ben je het alleen af en toe een klein beetje beu. Misschien is het af en toe alsof het tussen jou en iets anders staat. (Hoewel dat niet kan natuurlijk, het kan niet daar zijn, het kan alleen maar hier zijn, met jou samenvallend, en toch.)

Je ziet jezelf, in de spiegel. En het is alsof je alleen maar kunt falen. Je denkt heel even aan zoveel mensen voor wie je eigenlijk iets zou moeten betekenen, meer dan nu. En het is niet dat je niet probeert, zeker niet. En toch weet je nu al dat je dat ooit zult denken, bij die of die of die. Dat je niet genoeg gedaan hebt. Het duurt maar heel even, dan schuift het weer weg, een beetje toch.

Soms zijn er van die dagen.

Soms kun je je verzoenen met te korte armen. Kun je aanvaarden wat waarschijnlijk onvermijdelijk is.

Soms niet. Dan ben je alleen maar opstandig. Je zou met volle gewicht tegen de dingen aan willen lopen.

Als je nu nog zou weten wat de dingen zijn, dan zou je ook weten waar je moet beginnen.

Het is niet anders, waarschijnlijk.

Waarna de terugvalpositie komt in je hoofd: maar zouden zij, zij die me zo dierbaar zijn, wel echt weten dat ik dat alles had willen kunnen doen, als ik het kon?

Proberen, het is misschien al een begin van het goede doen.

Proberen, het is misschien al iets.

Het heeft iets van stotteren, waarschijnlijk.

Het is al iets, misschien.

31 augustus 2014

En de zee zei

Opnieuw een wat onrustige nacht. Ergens halverwege wakker worden. Lawaai op de gang. Draaien in bed. Uitgestelde indrukken tollen door je hoofd.

Onderweg naar zee. Liever had je je trager voorbereid. Met meer tijd om alles klaar te leggen. Alsof het een ritueel had moeten zijn. Met alleen maar de zee in je hoofd.

Het zal iets met een kind te maken hebben. De eerste glimp van de zee. En je zou een klein sprongetje willen maken, of zo. Je doet het maar niet.

En wachten op de slaap. Alsof je je lichaam in een omweg zou willen krijgen. Waarna je de slaap zou voelen naderen. Weten dat je alleen kunt wachten.

Zoveel herinneringen in dit kabbelende ritme. Verhalen die hier telkens weer op je wachten. En toch. Soms lijkt het alsof je iets achtergelaten hebt. Ergens.

Je had je voorgenomen om te gaan slapen. Je zou alleen nog even langs de zee gaan. Om iets te fluisteren. Maar mensen onderweg, bij wie je te graag nog even blijft. Verhalen.

Stukken lijf die je zacht zou willen kunnen strelen. Met een enkele beweging. Als een overgave aan het water dat je zou kunnen zijn.

Er is een nabijheid die je als een zoete mist omgeeft. Aanraakbaar. Iets smelt een beetje. Het maakt je verlegen. Een verhaal dat hier op je wachtte.

Hoe je er soms nog steeds niet op voorbereid bent dat iemand je naam noemt. Alsof je daardoor iemand anders zou worden. Heel even.

Je zult het pas merken als je er weer uit bent. Een droom waar je in zit. Dromen zijn anders op deze plek.

Je hoort je woorden. Een avond. En even de tijd voelen die aan deze woorden vooraf ging. Iets over een weg samen afgelegd. En stilletjes beseffen hoe trots je bent.

Als een onverwacht geschenk. Traag op weg. En verhalen. Het is goed zo, denk je. Misschien ben je wel onhandig. Het is niet erg.

Een wekker gaat, besef je na even. Iets in jou zou willen blijven liggen. Iets in jou weet dat je moet opstaan. Veel in jou denkt: ik moet zeker nog…

Heen en weer lopen om de dingen goed te zetten. Je wilt zo graag dat alles goed loopt, dat je gasten zich welkom zullen voelen, dat alles goed lijkt.

Even vraag je jezelf af: wat zit dit kleine jongetje hier op deze plek te doen tussen die grote mensen? En al die lampen, die grote mensen die mooi antwoorden op je vragen. Misschien is het een droom.

Maar eerst nog even onder het warme water. Dingen onder je huid uitspoelen. Dingen zacht maken, een beetje toch.

Nadien voel je je een beetje onzeker. Het hoeft waarschijnlijk niet. Je hoort de woorden. Je laat ze zachtjes aanschuiven. Doordringen is voor straks.

Wie je geworden bent. Ook hier. Wat je hebt achtergelaten. Soms zou je de tijd uit elkaar willen kunnen trekken.

Op weg nu. Een beetje rusteloos. Je zou bijna willen rennen. Voor alle andere dingen beginnen kan er nu alleen maar de zee zijn.

En later wil je alleen maar alleen zijn. Voor een tijdje. Reizen door het landschap. Als een terugkeer naar jezelf.

Je denkt nog even aan de liedjes van de avond daarvoor. Ze ademen om je heen. Ze zouden je bijna kunnen optillen. Een beetje.

Je kijkt. Hoe lang heb je nog? Hoe lang kan je hier blijven? Hoe dicht kun je komen? Bij de zee. Je loopt over de pier. Zo ver mogelijk, daar, wil je zijn. Waar het water is.

Je beweegt weg van de zee. Je bent kwaad op je buik, maar dat haalt niets uit. En toch ook daarom wou je alleen met de trein. Om alleen met je buik te zijn.

Je blijft bij de woorden. Je wacht op de woorden. Tot ze bij je binnen schuiven. En je overnemen. Als iemand die zegt dat je thuis kunt komen.

Je bent daar. Je kijkt naar de golven. Alleen maar kijken. Je wankelt even. Er is zoveel, daar. En de zee? De zee zegt: zacht, je bent zacht.