16 november 2014

Kleine barstjes

Kleine barstjes. In je huid? Je echte of je denkbeeldige? Kleine momenten van verlegenheid of aarzeling.

Je wou iemand mee vragen voor de tentoonstelling. Je deed het uiteindelijk niet. En je ging zelf dan maar, ineens op die dag. Het had ook een andere dag kunnen zijn.

Een moment. Je denkt: ik zou zachter willen spreken, voorzichtiger, kleiner. Het gebeurt niet.

Een moment. Er is iets te veel pijn. Heel even denk je dat je het aan iemand zou willen vertellen. Het gaat weer voorbij.

Een moment. Je bent blij iemand te zien. Je probeert het een beetje te verbergen. Je probeert het een beetje te laten merken.

Je bent blij iets te horen over het boek van natuurlijk een boek.

Je leest woorden. Je weet niet goed of die iets meer betekenen dan ze zeggen. Misschien zijn ze een vraag. Misschien zou je ze kunnen beantwoorden, alsof ze een vraag waren.

Dingen die je moeilijk vindt en die je heel onrustig kunnen maken. En niet goed weten of het terecht is, dat wat je voelt, of gewoon een teken dat je oud wordt. Ouder dan sommige anderen. Of zo.

Je moet iemand iets  vragen. Heel eenvoudig eigenlijk. Een professionele vraag. En toch twijfel je, schuif je het stellen van de vraag voor je uit.

Soms schrik je van een van je eigen gevoelige flanken. Je observeert wat er gebeurt als iemand iets zegt, zelfs onbedoeld, dat aan die kant binnenkomt. Wat het met je doet. En hoe het je verlegen maakt.

Liggen woelen in je bed. Wachten tot de dingen je lichaam weer verlaten.

Je hebt heel even tijd, op weg naar huis na het werk, om die cadeaus te kopen. Met grote efficiëntie kies je heel erg snel uit de stapels boeken in de winkel. Je staat aan de winkeltoog, om te betalen. En het is alsof het te snel ging. Alsof je een soort traag respect had moeten hebben.

Je neemt de trein, ’s avonds, weer naar de grote stad. Heel even, ergens tussen hier en daar, is het alsof je ineens geen rugdekking meer hebt. Heel even zou je alleen maar thuis willen zijn, waar dat ook is. Het gaat snel weer voorbij.

Je gaat zitten tegenover een mooie mevrouw. Je was er niet helemaal op voorbereid. Ineens denk je dat je haar net een klein beetje te lang hebt aangekeken terwijl je je jas uit deed, een seconde of zo. Verlegen.

Een moment. Iemand die je ineens doet terugdenken aan iets, lang geleden. En even weet je niet goed wat je moet zeggen, denk je dat iets zomaar gezien zou kunnen worden.

Hopen volk. Op weg naar de zaal zie je iemand die je al lang niet meer zag. Je herkent haar niet meteen, en je schaamt jezelf. Nadien, zoveel uur later, in je bed, besef je waarom: ze had haar haar anders gekleurd.

Er is je gevraagd een woordje te doen tijdens het feest voor een vriendin. Je zit de brief te schrijven die je zult voorlezen. Je hebt nog maar weinig tijd. Je weet niet goed of de woorden, die volgens jou wel de juiste zijn, ook goed zullen vallen. In het zaaltje aangekomen ben je een beetje klein.

Later op de avond. Dansen. Je bent een klein beetje te moe, je lichaam lijkt te hoekig. Je had iets soepeler willen zijn. Je doet je best om het niet te laten merken.

Je leest het nieuwe boek. Het maakt je een beetje verlegen. Waarschijnlijk is je leven inderdaad erg saai, of ben jij gewoon heel saai, nog meer plausibel.

De trein terug naar huis. De vorige korte nacht weegt een beetje. Je schuift een beetje weg in de cocon waar jij met je boek in zit. De trein komt aan. Je staat op. Ineens zie je dat er veel mensen in de trein zaten. Even is het alsof je daar niet op voorbereid was.

Op weg naar huis. Je hoopt dat niemand je iets zal vragen onderweg. Je denkt aan de verwarming die je aan zult zetten. Je denkt aan woorden die je zou kunnen schrijven. Je denkt aan dingen die je zou willen zeggen, zou willen vragen.

14 november 2014

Het zwart en het zilver



Een klein mooi boekje over de liefde, en over de eenzaamheid. Onder meer. Het zwart en het zilver van de Italiaanse schrijver Paolo Giordano.

Het verhaal is eenvoudig. Een jong koppel, de verteller en zijn vrouw Nora. Hij werkt aan de universiteit als natuurkundige. Zij richt huizen in. Als haar zwangerschap moeilijk verloopt, haalt de verteller een huishoudster in huis, de weduwe Signora A. Ze neemt direct haar plaats in als een steunpilaar in de moeilijke maanden. Nora bevalt van Emanuele, en Signora A. blijft in het gezin. Ze wordt er in zekere zin de spil van. Ze zijn haar ondertussen Babette gaan noemen. Signora A. wordt ziek, kanker. Ze sterft. Haar dood brengt het evenwicht in het gezin helemaal in het gedrang. Het koppel komt in een lichte crisis terecht, ontheemd als het ware.

De verteller en Nora zijn jonge mensen van deze tijd. Ze zoeken hun plek in de moderne, steeds veranderende wereld, willen een carrière voor zichzelf. Ze kunnen niet terugvallen op klassieke rollen voor mannen en vrouwen, ze passen niet in het oude gezin. Ze staan als het ware op een wit blad, met alleen de belofte van de liefde. En ook die begrijpen ze niet helemaal.

Signora A. heeft sterke en vaste overtuigingen. Ze doet niet mee met verandering. Ze zorgt, met een vanzelfsprekende autoriteit. Ze krijgt een sterke band met de kleine Emanuele. Zij is als een spil of een spiegel waarin de liefde tussen de man en de vrouw zichtbaar wordt. Of misschien wel alleen maar mogelijk is. Ze kunnen elkaar graag zien, door die vrouw in het huis. Door haar aanwezigheid kunnen ze onbewust het moment van de leegte, waarin ze tegenover elkaar staan, voor zich uitschuiven. En wanneer Signora A. wegvalt, hebben ze enkel elkaar.

De titel verwijst naar de theorie van de lichaamsvochten. Het zwart van de man en het wit van de vrouw laat zich niet mengen. In de driehoekstructuur die er was met Signora A. werd die eenzaamheid niet onthuld. Na haar dood is ze niet meer te vermijden. Met drie eilanden (en nog een kind erbij) ging het blijkbaar wel, met twee is de balans zoek.

Giordano beschrijft het met een zekere afstand, hij toont de kleine gevechten, het onvermogen, het gemis en het niet weten. De nog jonge verteller in het boek klinkt soms een beetje hard in hoe hij naar de liefde kijkt. Als lezer ben je getuige, en voel je iets van angst om alleen gelaten te worden in de grote wereld, met daarin de heel kleine wereld van een gezin.

Het zwart en het zilver is een mooi boek. Over de liefde, of over een liefde. Misschien ook wel over een beetje verloren lopen in deze tijd, over een onbewust verlangen tot uitstel. En ook over eenzaamheid, en hoe die te maskeren.

11 november 2014

Nog meer kreupelhout

Tot net voor je vertrekt, aarzel je nog. Je weet niet waarom. Misschien ben je bang van dit moment, misschien van de tentoonstelling die je zult zien. Misschien van alleen.

Een dag eerder was je nog een nieuw boek gaan kopen. Je had er net een uit. Lichte onrust. Nog niet weten welk boek het volgende zou zijn. Je stapel met nog te lezen boeken herschikt. En nog eens. En nog eens. Om uiteindelijk toch naar de winkel te gaan om een nieuw boek te kopen. Iets over de liefde.

Je brengt de mevrouw aan het loket aan het lachen.

Je nestelt je in de trein. Met je nieuwe boek.

Lichte onrust. Je bent onderweg.

Soms komen er ineens zinnen door je hoofd. Zinnen waarmee je stukjes zou kunnen schrijven. Zinnen die je een beetje beschamen. Zinnen die je voor alle veiligheid in de mond van een zogenaamd personage zou kunnen leggen. Zoals.

Je bent erg aanraakbaar, stel je vast. Als nu een vrouw naast je zou komen zitten, en het juiste zeggen, zou je zomaar in de liefde kunnen vallen. Meer zou er niet nodig zijn.

Zo’n zin dus.

Je wandelt door het park naar het museum. Je doet je best om traag te stappen.

Je denkt na over welke trein terug je straks zou willen nemen. Het voelt als verraad. Een beetje.

Je zult dapper zijn, heb je je voorgenomen. Je legt je jas in een locker, je steekt er een muntstuk in. Om een of andere reden ben je altijd bang van lockers met muntstukken. (Even bang als van winkelkarretjes waar je een muntstuk in moet steken.) Alles gaat goed.

Je gaat meteen naar boven. Waar de tentoonstelling is die je wilt zien. Er is geen gewenste looprichting. Je ziet wel meteen de zaal met het kreupelhout, en je weet dat je die als laatste wilt zien.

Lichte onrust. Je moet jezelf een plaats geven in de ruimte.

De kunstenares heeft de vloer laten schilderen. Je voelt meteen dat dat juist was.

Is het het geluid van de anderen dat heen en weer galmt door de ruimtes? Of zijn het gewoon de anderen? Het duurt even eer je je ritme vindt in de zalen.

Het is anders dan je had verwacht. Je kunt er niet meteen de vinger op leggen.

De tekeningen en sculpturen komen traag bij je binnen.

(Was je toch liever niet alleen geweest hier? Om dicht bij een ander niets te zeggen? Om aanraakbaar te zijn, maar niet aangeraakt te worden? Alleen de mogelijkheid tot.)

Het is waar, wat er in het boekje staat. Je zou de hele tijd die dingen willen aanraken.

Dingen die op een gewei lijken, en tegelijk op stukken van een lichaam. Ze stralen. Je kunt ernaar blijven kijken. Tegelijk weet je niet goed of je kijkt naar iets dat dood is, of net niet.

Het beeld van de vrouw, met de lange (paarden)haren. Ze lijkt kwetsbaar, maar niet breekbaar.

En dan de grote zaal. Het beeld van het paard dat aan een poot omhoog hangt. De twee grote palen met bovenin menselijke wezens. Het is alsof die beelden zich traag in je hoofd branden, besef je later.

De kleine zaal met de menselijke figuur, op een soort piëdestal. Soeverein. Het beeld vraagt je niets, het is. Bij dit, en ook bij andere beelden, valt het je op dat het grote voeten heeft. Voelt als een geruststelling, je voelt je bijna thuis.

En dan de zaal met het kreupelhout. Een stille indrukwekkendheid. Je begrijpt meteen wat de kunstenares heeft met Coetzee, en omgekeerd. Het beeld is zoveel. Je zou hier eigenlijk alleen willen zijn nu. Het is te vroeg om veel te denken, veel te voelen. Je vindt het een beetje raar.

Misschien ga je sneller als je alleen bent. Je gaat nog eens door alle ruimtes, ziet alles nog eens opnieuw. In de zaal van het kreupelhout is er nog meer volk. Het maakt je een beetje onrustig.

Terug op weg, door het park.

Aan het station koop je nog een mattentaartje.

In de trein lees je verder in het mooie boek.

En zodra je uitstapt, komen de beelden in je hoofd. Ze hadden tijd nodig, ze zijn er nu.

Het eerste gevoel is dat je er alleen had willen kunnen zijn. Haar kunst zegt iets over verbondenheid, maar op een heel eenzame manier. Of misschien omgekeerd. Maar je voelt dat je alleen had willen zijn, geen andere mensen in die zalen. Alsof de anderen je tot iets van schaamte zouden aanzetten. Tot een ontvluchten. Terwijl er net iets van blijven in die beelden zit. (Je kunt het weer niet uitleggen.)

Terwijl je verder door de straten loopt, voel je hoe de beelden je raken. Beelden met een na-ijleffect.

Ja, het was anders dan je je vooraf had voorgesteld.

Troost. Inderdaad.

Je voelt je dankbaar. Omdat je mocht kijken, mocht zien.

09 november 2014

Het hout

Als je na een mooi Bachconcert weer naar huis gaat, heb je telkens weer dat bijzondere gevoel. Veel gevoelens samen, waaronder – nog los van de kwaliteit van de uitvoering – ook iets als een dankbaar ontzag voor zoveel muzikaal meesterschap van de componist. Het volle besef dat je muziek hebt gehoord van een componist uit de eredivisie, en tegelijk een dankbaarheid, enkel al maar omdat die muziek bestaat. Dat soort dankbaarheid kun je ook hebben na het lezen van een boek van Jeroen Brouwers. Wat hij kan doen met de taal, het blijft verbluffend. In zijn nieuwe roman Het hout zet hij op een bijna achteloos indrukwekkende wijze de woordwerkelijkheid naar zijn hand. Het boek is het wrange relaas van vreselijke toestanden in een jongenspensionaat in de jaren 50 en tegelijk een ingenieus taalkunstwerk.

De centrale figuur in het boek is broeder Bonaventura, of Eldert Haman. Het verhaal speelt in 1953, in een mannenkloostergemeenschap met jongenspensionaat in het zuiden van Nederlands Limburg, dicht tegen de Duitse grens. In het begin van het boek is Bonaventura al een met zichzelf worstelend personage. Hij is min of meer gedegradeerd tot surveillant en voelt zich – op een heel lijfelijke manier – niet thuis in zijn pij. Ontmenselijkt door het kloostersysteem, als symbool voor het instituut kerk in die tijd, is hij een willoze toeschouwer en misschien wel medeplichtige geworden.

Door zijn ogen en zijn piekerende geest ben je als lezer getuige van de verstikkende atmosfeer in het klooster en van het ware schrikbewind dat er heerst. Een groot deel van de broeders kan zijn handen niet thuishouden. De jongens zijn nergens veilig. Een van de broeders, Mansuetus, een soort nazibroeder (inclusief Duits accent) is verantwoordelijk voor een sfeer van vernedering en sadisme. Het hout staat voor het instrument waarmee de jongens worden afgeranseld. Er gebeuren vreselijke dingen, maar alles blijft netjes afgeschermd achter de muren van het hypocriete fatsoen. Kloosteroverste Benedictus, een akelige wereldvreemde man van ‘het’ systeem, houdt alles netjes in stand.

Eldert Haman was oorspronkelijk een van de weinige leken in de school, als leraar Duits. In het boek wordt duidelijk hoe hij stap voor stap in het klooster gezogen werd, waarbij hij ontdaan werd van elke wereldsheid. Haman werd Bonaventura. Een andere lekenleraar wijst hem er regelmatig op hoe hij een lafaard geworden is die niet de enige keuze durft maken die de juiste zou zijn: weggaan.  Bonaventura aarzelt geweldig. Op zijn manier probeert hij het anders te doen. Hij slaat of misbruikt de jongens niet, spreekt hen bij hun voornaam aan en laat hen zo een beetje in hun waardigheid, maar zich echt verzetten tegen wat hij ziet gebeuren doet hij niet. De situatie gaat voor hem naar een hoogtepunt in de vreselijke manier hoe er wordt opgetreden tegen twee jongens die een – volgens de broeders – iets te innige vriendschap hebben ontwikkeld.

Het is niet alleen het geweten van Bonaventura dat opspeelt. Er is ook Patricia, een jonge weduwe uit de wereld daarbuiten. Hij leert haar kennen bij een bezoek aan de tandarts. Ze voelen zich tot elkaar aangetrokken. In haar lichamelijkheid en haar woorden is zij alles wat hij niet is. Ze confronteert hem met zijn besluiteloosheid. Volgens de gestoorde manier van denken in het klooster zou Patricia kunnen staan voor al wat des duivels is. Maar in de feiten is het Bonaventura die in de onderwereld zit.

In het eerste deel van het boek, waar de beklemmende werkelijkheid in het klooster het sterkst aanwezig is, wordt er al even verwezen naar Patricia. Bonaventura komt dichter bij zijn persoonlijke moment van de waarheid. Het tweede deel schetst wat er in het klooster aan dat alles voorafging. Het derde deel brengt het licht van Patricia in het boek. Het verhaal komt uiteindelijk tot een climax, waarbij Bonaventura beslissende keuzes maakt.

Het hout is heel veel tegelijk. Het is een genadeloze afrekening met een wereld van structureel misbruik. Wat je als lezer te zien krijgt, is schokkend en weerzinwekkend. Brouwers beschrijft dat alles met gebruik van het katholieke jargon van die tijd, op een virtuoze en indringende manier die nooit grotesk wordt. De afrekening met het instituut kerk is af en toe wel behoorlijk hilarisch. Zo is er de onvergetelijke scène in de kerk die wordt klaargemaakt voor het bezoek van de bisschop op Witte Donderdag, waarbij er een en ander mis loopt.

In dat alles worden allerlei motieven als terugkerende spiegels gebruikt. Zo zijn er de talloze verwijzingen naar de idealen van Franciscus die daardoor hun pervertering bewijzen. Het is Bonaventura zelf die in hun omkering iets terugvindt van wat ze hadden moeten zijn. Er zijn ook allerlei verwijzingen naar het nazitijdperk. Het verhaal speelt zich af net na de oorlog. Een aantal mechanismen uit de donkere dagen heeft zich blijkbaar diep genesteld in het klooster, een oord van de duisternis, waar het licht ver weg is.

Er is de worsteling van het hoofdpersonage met de eigen demonen. Het gevoel van opgesloten zijn, niet kunnen handelen is typisch voor boeken van Brouwers. Er is de lijfelijkheid, in al zijn dimensies. De verstikkende kleding in de warme dagen. De lijdensweg van de tandpijn. Rammelende en desintegrerende lijven. Afzichtelijke personages. Maar ook het grote verlangen naar het andere geslacht, daar aan de andere kant van de muur. Het gestuntel met de ontluikende seksualiteit. Allemaal op en top Brouwers.

Maar er is dus ook, en bovenal misschien wel, de taal  van Brouwers. De benauwende verstikking van het klooster, de rusteloze besluiteloosheid, ze weerspiegelen zich tot op het niveau van de zinsbouw, met zinnen die in elkaar gedrukt lijken te zijn. Op andere momenten gaan de registers moeiteloos open in een genadeloze en wrange satire. Om daarna weer soepel om te schakelen naar de wereld van de vrouw, de wereld van het licht.

Brouwers heeft zelf in zijn jonge jaren een tijd doorgebracht in een dergelijk jongenspensionaat. Die periode, vooral dan de sfeer van vernedering, heeft hem erg getekend. Misschien kun je wel zeggen dat het superieure meesterschap waarmee hij sommige herinneringen van toen tot een verhaal heeft gemaakt waar hij als schrijver volledig soeverein de baas van is de ultieme afrekening en dus bevrijding is van het toen. Ze kunnen hem niet meer raken. In niets kunnen ze zijn taalkracht verstoren.

Het hout is een heel bijzonder boek. Het zuigt je als lezer in een wereld die je misschien niet wilt zien, maar die moet gezien worden. De taal die je meevoert is geen roetsjbaan, maar heeft meer van het beheerste meesterschap van Bach. Je voelt een hand die alles kan, maar het niet noodzakelijk de hele tijd moet etaleren. En na de laatste bladzijde besef je dat dit boek nog een tijd aan je zal blijven kleven.

Ze worden groot

Hoe de dagen heel voorzichtig een klein beetje rustiger worden, na enkele gevulde weken. Hoe je, stap voor stap, jezelf weer terug krijgt. Een beetje opruimen hier, een beetje poetsen daar, een beetje rusten tussendoor, uitgestelde cadeautjes kopen voor de vrienden, en soms ook niets, zomaar niets.

Een wonderlijk mooi concert, in mooi gezelschap. Die vrouw op het podium. Muziek met een strenge zachtheid, een met licht aangeraakte melancholie. En ze kijkt je recht in de ogen, vanzelfsprekend.

Het lijkt een beetje het einde van de wereld. Die plek waar je naartoe moet voor een begrafenis. In de kerk lijk je de langste. Bij elk rechtstaan is het alsof je boven iedereen uittorent. Na de mis nog even een koffie zoeken. En terechtkomen bij Tanja, van koffie- en ijssalon Tanja. De oudere mensen die komen binnendruppelen, ze komen blijkbaar allemaal van de dansles.

Iets meer lege plekken in de tijd, zo lijkt het. Het lijf rammelt langs alle kanten, uitgesteld.

Iets is aan het veranderen. Je weet nog steeds niet wat het is. Alsof je misschien wel aan de andere kant van een stroom bent.

Een meisje is jarig. Je staat als niemand voor haar deur. Je helpt de mama met het hok voor de konijnen. Je hebt ook een cadeautje. Een voorspelbaar cadeautje. Natuurlijk weer een boek, zal ze later zeggen.

’s Nachts door het duister weer naar huis. Of is het door het licht. De maan is hevig aanwezig, en vergezelt je tot je weer thuis bent.

Je kijkt naar je leven. Alsof je er omheen kunt wandelen.

Je ligt op de tafel van de kinesiste. Ze is aan de slag met je rug. En je denkt: als ze nog een uur zou doorgaan, zou ze je misschien wel kunnen helen, voor even.

’s Morgens vroeg op de markt. Je zou tassen vol met groenten willen kopen. Om grote potten soep te maken.

Je houdt hem een beetje trillend in je hand. De box, deluxe edtion. The Basement Tapes. Je begint te luisteren. Het is een beetje een overdosis. Maar het is alsof je iets begrijpt. Alsof je iets mag zien. Iets over groot worden.

De treinrit terug naar huis. Ongemerkt is er iets uit je lijf weggeslopen. Je voelt hoe het je verlaat. En het maakt je gelukkig. Iets later, lopend door de straat, op weg naar huis. Een trage traan. Vrij.

Misschien is het tijd om de Wayfaring Stranger nog eens te zingen.

Een ochtend, met een koffietje. Met de vrienden. Maakt je altijd een klein beetje verlegen, maar je zegt het nooit. Verhalen over de kinderen. Ze worden zo groot. Even is het alsof je wegdrijft. De terugkeer komt een hele tijd later.

Ze zal met je meegaan naar een volgend concert. Je wou het haar al zo lang eens vragen. Het is al zo lang geleden dat jullie dat nog deden. Tijd voor alle verhalen die weer verteld moeten worden. Ze zal wel altijd ergens in je buurt zijn. En dat is goed.

Een vergadering. De week is bijna ten einde. Om een of andere reden zou je de hele tijd willen glimlachen. Je denkt: ik zie hen wel graag. Trots.

Een namiddag die zomaar leeg is. Je moet nog een beetje werken, maar dat is zo gebeurd. Het gevoel is nog een beetje dubbel, want ’s avonds moet je nog weg. Stiekem zou je het fijn vinden als je gewoon mocht blijven, hier, de hele dag, alleen met jezelf. Je verdwijnt helemaal in het boek dat je leest. Het raakt je diep, in schoonheid. Je zou willen, traag eten maken, traag de avond in schuiven, traag alleen zijn.

’s Nachts weer thuis komen. Je weet dat het lijf nog lang nodig zal hebben om naar de slaap te drijven. Heel af en toe twijfel je even. Je wacht, het zal wel komen.

Het is vroeg weer dag.

Aan troost denken, terwijl je het ontbijt staat te maken.

05 november 2014

Naar een andere welvaart

Regelmatig als ik een lezing ga geven, krijg ik de vraag: maar hoe moet ik mij dat nu allemaal voorstellen? Als je uitlegt dat het pad waarop we zitten volstrekt niet duurzaam is, dan beseft iedereen dat dat zo is. We wegen te zwaar op de planeet, dat valt niet te ontkennen. Maar je voorstellen hoe het dan wel zal zijn, in een maatschappij die niet te zwaar weegt, dat is niet altijd eenvoudig.

De simpelste manier om naar de toekomst te kijken, is het huidige gewoon verlengen tot in de toekomst. Je ziet voor jezelf hoe de gemiddelde norm van welvaart er nu uit ziet, en je gaat ervan uit dat je al die dingen ook in de toekomst zult hebben. Dat is in wezen ook hoe een groot deel van de politiek redeneert. In economische termen wordt dat dan iets als: groei is noodzakelijk, we moeten dus absoluut groei hebben in de toekomst, en hopelijk kan de planeet zich daaraan aanpassen. Het is niet geheel onlogisch. Groei is de basis van het sociaal contract, en als die in het huidig model wegvalt, dan komen allerlei maatschappelijke regelingen in het gedrang.

Het is niet onlogisch dus. Je kunt bij wijze van spreken gemakkelijker verklaren waarom groei nodig is dan je kunt verklaren dat groei mogelijk is op een eindige planeet. Stel dat onze hele maatschappij afhankelijk zou zijn van visvangst, en dus van een elk jaar toenemende visvangst. De sociale vrede rust op het vertrouwen dat er elk jaar meer zal zijn. En ook dat zit allemaal heel logisch in elkaar. Maatschappelijk bereiden we ons niet voor op een ander model. Maar in de feiten betekent dat dat je als het ware tegen de zee staat te roepen: gij zult meer vis leveren. En waarschijnlijk zal de zee na een tijdje zeggen: ik heb alle begrip voor jullie sociaal contract, maar de zee is leeg. En daar zijn we niet op voorbereid.

Het is nu, als je in een mondiaal perspectief kijkt, al volop zo dat de steeds groeiende productie en consumptie, die zo zwaar wegen op de planeet, ervoor zorgen dat heel wat mensen armer worden (terwijl anderen er wel beter van worden). De klimaatverandering richt nu al een menselijke ravage aan die we zo graag uit ons blikveld houden. Onze groeiende honger naar grondstoffen, in een wegwerpeconomie, vermindert dag na dag de levenskansen en het uitzicht op een waardige welvaart voor miljoenen mensen nu en in de toekomst. Een welbepaalde invulling van het begrip welvaart biedt perspectieven voor een deel van de wereldbevolking, maar zal verder een verre droom blijven voor zoveel anderen.

Vasthouden aan hoe het nu is, en dat ten koste van alles willen doorduwen en dus opleggen aan de planeet, het is niet onlogisch, maar het is wel levensgevaarlijk. Een andere manier van naar de toekomst kijken is simpelweg vertrekken van wat de planeet op een duurzame manier aankan, en binnen die grenzen een welvaart uitbouwen die wel voor iedereen haalbaar en houdbaar is. Je vertrekt dus van de hoeveelheid vis die de regeneratiecapaciteit van de zee niet overschrijdt. Je oogst dus de rente, en het kapitaal blijft gelijk. Gewoon doorgaan met wat we kennen en ‘normaal’ vinden zal de ongelijkheid binnen de huidige generaties nog doen toenemen, en zal de levenskansen van de toekomstige generaties drastisch inperken. En dat is fundamenteel onrechtvaardig. Denken binnen de comfortzone van het gangbare maakt dat we twee moeilijke vragen niet moeten stellen: (1) hoe kunnen we rechtvaardige en waardige welvaart gelijk verdelen onder iedereen (en niet hopen op een steeds grotere koek), (2) hoe kunnen we het begrip welvaart zo invullen dat het perfect past binnen de planetaire grenzen. Als we die vragen voor ons uit blijven schuiven, en de groei valt stil, dan is de verleiding groot – blijkbaar – om in het gangbare denken te kiezen voor uitsluiting en verharding.

Hoe zou zo’n andere welvaart eruit kunnen zien? Wat onze voetafdruk betreft, zouden we eigenlijk zo ongeveer terug moeten naar die van de jaren 70. Maar een houdbare welvaart binnen die grenzen zal er helemaal anders uitzien dan in de jaren 70 in een wereld waar tegen 2050 9 miljard mensen zullen wonen. De economie zal er fundamenteel anders uit moeten zien dan wat we nu als groei omschrijven. Die nieuwe economie zal niet statisch of oubollig zijn, integendeel. Ze kan echter alleen houdbaar zijn als ze steunt op een absolute ontkoppeling. We moeten in absolute termen heel wat minder grondstoffen gaan gebruiken, en niet enkel ons gebruik minder snel laten stijgen. Om die voorwaarde kunnen we niet heen, hoe je het ook draait of keert.

Tijd voor een voorbeeld. Het autosysteem. Zelf leef ik heel erg gelukkig zonder auto, wat ik als een grote luxe beschouw. Maar de auto is natuurlijk, naast een vaak handig instrument, een symbool van hoe we vandaag welvaart invullen. Daarom een denkoefening.

Stel je het totaalpakket voor aan autoverplaatsingen die we doen in ons land, en denk daar de meer dan 7 miljoen motorvoertuigen bij, waarvan 5,5 miljoen personenwagens. Stel je voor dat we al die verplaatsingen zouden doen via een autodeelsysteem. Particuliere auto’s zouden deelauto’s zijn. Professionele auto’s zouden in een huursysteem zitten. De auto’s in dat model zouden elektrisch zijn. Ze zouden zo zijn ontworpen dat ze robuust zijn, erg zuinig en volledig modulair. Elk onderdeel zou volledig herbruikbaar zijn. Geen gram metaal zou verloren gaan. De huidige autofabrieken zouden nog wel auto’s bouwen, maar ze zouden vooral leveranciers worden van de dienst auto, niet van het product auto.

Je zou zo in een totaal andere logica komen. Het probleem van de huidige autofabrieken is dat de markt verzadigd is. Men probeert de groei aan de gang te houden door mensen te overtuigen hun auto sneller te vervangen. Men verkoopt nieuwe auto’s op basis van de opties. De wegen zijn al even verzadigd, en daar probeert men op wanhopige wijze die eindeloze file aan de gang te houden door nieuwe wegen, die enkel de executie even uitstellen. Varianten van roepen tegen de zee. Een systeem van diensten is een interessant antwoord voor een verzadigde markt.

Je zou in die andere logica een heel ander model van productie hebben, met een heel ander idee van design en innovatie. Modulaire auto’s, gemakkelijk te bedienen, met een constructie die volledig gericht is op hergebruik en herstelbaarheid en aanpasbaarheid. De werknemers in zo’n fabriek zullen een ander soort competenties moeten leren en hun werk zal er anders uitzien dan vandaag, maar er zal werk zijn. Er zal een ander soort investeringsbeleid zijn, een heel ander idee van wat we nu ‘competitiviteit’ noemen. Er zal een grotere neiging zijn te herlokaliseren dan te delokaliseren.

Als gebruiker zijn er nadelen aan, maar ook veel voordelen. Als je nu een auto hebt, is die vaak net niet wat je nodig hebt. Je auto is misschien goed om die paar keer in de week te gebruiken, maar net te klein om met je familie op vakantie te gaan. Of je auto is net niet aangepast aan die verhuis die je wilt doen voor je zoon die op kot gaat. In een deelautosysteem kies je die auto die je op dat moment nodig hebt. Door het brede aanbod kan men verschillende types elektrische auto’s aanbieden, een met een batterij voor lange afstanden, een aangepast voor korte afstanden, … Van een hoop gedoe zoals zelf een parkeerplaats moeten zoeken, naar de keuring gaan, allerlei verzekeringen en abonnementen bij pechdiensten, … moet je je niets aantrekken.

Alleen al het feit dat je met een deelauto rijdt, en dus meer zult letten op de al dan niet noodzaak om een auto te nemen voor die verplaatsing, zal al leiden tot een forse vermindering van het aantal verplaatsingen. Daarnaast is het ook zo dat een deelauto meer dan 5 individuele privéauto’s kan vervangen. Je hebt dus veel minder parkeerplaats nodig in de stad.

Een deelautosysteem is op zich nog geen garantie dat er geen reboundeffect zal zijn. Rebound is iets als: we hebben een groenere auto, we kunnen er dus meer mee rijden. Je zult dus ook een model van rekeningrijden moeten hebben, en je zult het huidig systeem van bedrijfswagens moeten afbouwen. En naast dat alles is er vanzelfsprekend een ruimer mobiliteitsbeleid nodig dat fors inzet op fietsen en een aantrekkelijk en betaalbaar openbaar vervoer. Op die manier kan het aantal autoverplaatsingen verder dalen.

Die andere logica zou uitzicht kunnen geven op een echte ontkoppeling. Het zou echt mogelijk kunnen zijn om grondstoffen volledig in een kringloop te houden. Wat zou er veranderen? Het idee van ‘merk’ zou heel anders werken, niet zomaar voor het uitzicht van een auto, maar wel voor de kwaliteit van de dienstverlening. Een ‘goede’ auto zou die zijn die superzuinig, superhandig te bedienen, volledig herstelbaar en demonteerbaar, en superveilig is. Reclame zou heel anders zijn. De verkoop van auto’s in lelijke baanwinkels zou verdwijnen, met slimme mobiliteitsdienstencentrales als alternatief. Het idee van ‘mijn auto’ als verbruiksproduct zou zijn waarde verliezen, ten voordele van een idee van gebruiksproduct.

Zou dit alles een fundamentele aantasting zijn van onze welvaart? Nee, eigenlijk niet. Tegenover de huidige logica zou het een revolutie zijn, maar de dienst ‘verplaatsen per auto’ zou evenzeer beschikbaar blijven, met een fundamenteel lagere voetafdruk en binnen een fundamenteel ander business model. Wat nu een niche is, voor velen al een interessant alternatief voor de eigen (tweede) auto, zou dan de norm worden. De schaal is wel essentieel, anders heeft het geen zin.

Het is natuurlijk maar een voorbeeld, en er zal ook technisch nog veel op aan te merken zijn, maar het geeft een richting aan. Het kan een inspiratie zijn om creatief na te denken over de vraag wat achterhoede- en wat voorhoedegevechten zijn. Angstig in de comfortzone van onze huidige mens- en milieuverspillende welvaart blijven is het beste recept voor groeiende ongelijkheid en ecologische catastrofes. Vanuit een andere logica proberen te denken, binnen de planetaire grenzen, kan ons nieuwe wegen tonen uit de crisis die veel fundamenteler is dan we aan onszelf willen toegeven.

02 november 2014

Herfstgeuren

Even op zoek naar de herfst. Het paadje naar boven.

En de geuren. Ze brengen je in alle hevigheid terug naar een vroeger. Je weet niet helemaal welk vroeger. Maar het is een vroeger.

Beelden schuiven door je hoofd.

Wandelingen in het bos. Op zondagochtend. Als een ritueel. Hoe je steeds bang was, voor even. Tot het bos het van je overnam.

Met kinderen op stap in de herfst. En alle verhalen die je vertelde. En hoe ze feilloos met je mee gingen. Heen en weer tussen werelden. En hoe thuis je je daar voelde. In die verhalen.

Iets in die geur raakt een diepere laag in jezelf. Dichtbij een verlangen dat zich enkel in de seizoenen onthult.

Iets met eenzaamheid. Het is de wind die het je zegt. En vertrouwen. En wat daarvoor nodig zou kunnen zijn.

Een geur die staat voor een volheid van betekenis. Al zou je niet weten wat dat nu zou willen zeggen.

Beelden over mensen die een tijd in jouw leven kwamen wonen. En er weer uit vertrokken. Misschien had je die geur nodig om die beelden beter te zien.

Dat de woorden gemakkelijker tot je zouden kunnen komen. Door die geur. Soms moet je wachten op de woorden. Misschien eigenlijk altijd wel. Alleen komen ze soms sneller dan op andere momenten.

Iets over de leeftijd die binnenkort zal komen. En niet goed weten wat je daarmee zou moeten doen. Een droom van een feest. Een droom die je moeilijk toelaat.

Iets over dingen die niet kwamen.

Iemand zei je onlangs iets over wachten.

Je zei het van de week nog tegen iemand. Dat er iets aan het veranderen is. Denk je. Wat dat is, je weet het niet. Je zult het merken als het voorbij is. De geur zegt dat het zo is.

Iets over kinderen.

Dat je lichaam anders pijn doet na een wandeling in de herfst. Dat er nadien meer troost is.

In die geur huist ook iets van onrust. Als een dwingende vraag. Waar je was al die tijd. Waarom je je tot nu toe aan de herfst leek te onttrekken.

Beelden van de kleuterschool. Waar je ook iets moest doen met herfstbladeren. Ze zijn er nog, zo blijkt.

Heel even een verlangen om vloeibaar te zijn.

Beelden van het warme water, buiten.

Plekken in je hoofd en je lichaam die je met moeite benadert. Dat ze er zijn, dat wordt aangeraakt.

Je hebt het niet koud, helemaal niet. En toch zou je het misschien nog een beetje warmer willen hebben. Je weet niet waarom.

De geur zegt: ook in mij mag je komen, je bent er al, je hebt het al, misschien.

Je probeert een foto te maken van de wind. Je laat het snel weer los.

Je vult je lichaam met de geur, en je denkt: het is goed.