22 januari 2017

Warm en koud

Hoe je lichaam kan veranderen, van warm naar koud, en weer terug.

Je grootmoeder, ergens in de laatste maanden van haar leven. Je neemt haar handen in de jouwe. Ze zegt dat jij altijd warme handen hebt.

Je grootvader, ergens in de laatste weken van zijn leven. Hij komt uit de kelder, en kijkt naar zijn handen. Hij krijgt ze niet meer warm, zegt hij.

Ergens in de tijd. Je houdt iemand vast. Ze is ijskoud, zo lijkt het. Ineens geworden. Je omlichaamt haar. Tot ze heel langzaam weer warm wordt. En rustig.

Je ligt al twee uur in bed, een rusteloze nacht. Wachten, en draaien. Koud. Tot je ineens lijkt te dalen, in je lichaam. Het wordt warm.

Iets is onrustig in jou. Iets is op zijn hoede. Je handen worden niet warm. Je voelt het in je schouders. Je geeft niet graag koude handen. Het duurt lang.

Ergens in de tijd. Je ligt te woelen in je bed. Telefoon. Koud. Zij belt. Het is na middernacht, dan mag het. Warm.

Het lijkt anders dan het vroeger was. Alsof je toen altijd warm had.

Sommige plekken worden best niet veroverd door de koude. Je rug. Eens die bereikt is, komt het niet meer goed, wat je ook doet.

Na het concert de helling op fietsen, naar de stad. De koude nachtlucht komt diep in je lijf.

Het nieuwjaarsmoment. Een voormiddag. Na een tijdje zie je hoe mensen het koud beginnen te krijgen. Twee mensen aan jouw tafel kruipen dichter bij elkaar. Mooi.

Wakker worden na de operatie. Een zaal met veel lawaai. Apparaten die biepen. Je hebt het koud. Een vriendelijke verpleegster ziet dat je wakker bent, en legt een dekentje over je heen.

Een baby die op je buik ligt. Hoe de warmte zich versmelt.

Iemand ligt naast je. Huid. Je adem over haar rug. Warmte die heen en weer gaat.

Iemand krijgt warm, en valt in slaap, op jou.

Even het terras op, om de soep buiten te zetten. Net niet te lang in de vrieskou, je blijft warm.

Het dekentje in de zetel. Er is een winterdekentje en een zomerdekentje. Met het winterdekentje is het alsof je na een tijdje zelf straalt.

Dromen over die keer toen je naar de sauna ging. In de droom kunnen stappen.

Ergens in de tijd. Een warme avond in augustus. Je voeten in het koele gras. En de muziek die bij die avond hoorde. En iets met een paprika.

Je vinger verbranden aan de damp die uit de kookpot ontsnapt.

Soms is de koffie niet warm genoeg. Soms blijft de koffie in je kopje langer warm dan anders.
Ergens in de tijd. Voorbij de zweetgrens.

De telefoon. In een nacht. Vragen of ze het koud heeft.

Ergens in een nacht. Wakker schudden van de hevige koortspiek die over je heen golft. Toch blijven leven.

Bijna je hand op die andere hand gelegd.

Ergens in de tijd. Een wandeling in de sneeuw. Er zijn nog foto’s van die dag, van hoe je ogen toen waren. Ze waren zacht. Iemand vertelde je toen een verhaal dat eeuwig mooi zal blijven.

In een nacht. Je hand op je buik leggen. Je eigen plek maken.

Ergens in de tijd. Toen je na zo lang nog eens in een bad zat. En je zo groot leek.

De warme waterstraal uit de douche over je schouders. Even denken dat het uren zou kunnen duren. Tot je zo zacht bent als water.

Hoe ogen kunnen veranderen. Heen en weer.

Door het raam naar buiten kijken. In een nacht. En weten dat het daar, buiten, koud is, en dat het hier, waar jij bent, warm genoeg is om hier te zijn, en niet nergens.

In de hoek van de kamer, waar je zit te lezen. Ook al is het niet nodig, toch nog het dekentje erbij nemen. Iets van gloed.

Na de vergadering thuiskomen. Het water koken. Salie. Voelen hoe dat wat warm is langzaam in je komt.

Ergens in de tijd. Je hand op een warme plek.

Iemand zien, en denken dat je het zou kunnen, haar opwarmen. Tegen de koude, en zo.

Ergens in de tijd.

21 januari 2017

Kleine momenten

(Een week met veel verdriet, eigenlijk. Moeilijk verdriet. Omdat het dicht komt bij iets dat bepaalt of je iemand kunt zijn, of niet. Of zoiets. Het is moeilijk uit te leggen, merk je. In je hoofd kun je het zien, bijna letterlijk, en heel scherp.)

En verder, kleine momenten, verspreid over de dagen. Als een vorm van genade. Misschien.

Je loopt tussen de mensen, mensen praten, drinken een glas. Je zoekt kleine momenten, of plekken in de tijd. Je praat met iemand die je lang niet meer zag, en je bent blij dat ze er is. Je wilt dat het goed gaat met haar.

Je ziet hem daar staan, je hoort hem praten. Iets overvalt je wat je helemaal niet had kunnen verwachten. Verlegen en ontroerd en trots. Je denkt iets over een zoon. En je denkt dat je het hem moet vertellen, ooit.

Terwijl je staat te speechen, krijg je een berichtje van iemand die je dierbaar is. Het cadeau heeft haar op tijd bereikt. Dat is wat je wilde.

Een mooi gesprek. Je wilde al langer eens met haar praten, maar je was verlegen en een beetje in de war. Misschien stotter je wel een beetje, misschien ben je onhandig in je woorden. Misschien geeft het niet. Je weet niet goed waarom, maar het gesprek maakt je rustig. En ook wel gelukkig, of zoiets. Je zegt iets over de liefde. Het is goed.

(Een korte nacht. Het verdriet sijpelt door je heen, onophoudelijk.) Na een tijd beginnen de beelden in je hoofd te veranderen, lukt het om beelden tussen de andere te schuiven, beelden die je wel wilt zien. Ze doen iets met je lichaam, voel je. Ze brengen je terug, dichter bij de aarde.

Net op het juiste moment een mooi berichtje van je beste vriend. Alsof hij het wist.

Een mooi gesprek. Twee mannen in jouw bureau, over hun kinderen. Het ontroert je meer dan je kunt zeggen.

Gewoon samen zitten eten. En soms wil je alleen maar kijken, verdwijnen in je leegte.

In het concert. Je kijkt voor je, en ziet dat het goed is. De man aan het klavecimbel maakt zich klaar om te beginnen. Zijn baard is wel een heel stuk langer dan vorig jaar. En hij begint, met nog een klein stukje extra vooraf. En dan komt het. Die ene aria, met al die variaties, en dan weer die aria. Je kent al die stukken zo goed, en toch is het alsof je ze soms voor het eerst hoort. Je ziet de muziek. Het is alsof je iets begrijpt, over het leven. Hoe je uit elkaar kunt vallen. En hoe iets je weer kan helen. Bij de herneming van de aria zijn er alleen maar tranen, en je bent niet de enige. Je bent dankbaar, en nederig, tegenover zoveel schoonheid.

Een mooi gesprek. Je stottert een beetje, het geeft niet. Je bent veilig.

Een volgende dag. Je rijdt naar huis, na een vergadering. Je denkt aan de maan.

Nog een mooi gesprek. Je luistert naar een verhaal dat je erg raakt. Je vertelt jouw verhaal, en het lijkt alsof het goed gaat, dat vertellen.

Bij het nieuwjaarsmoment. De verhalen die de man naast je vertelt ontroeren je. Je kijkt naar de andere mensen aan de tafel. Ze zien er allemaal zo lief uit, ze zijn zo zacht voor elkaar.

Iemand vertelt je dat ze altijd jouw stukjes leest over de boeken. Het maakt je blij en verlegen. Even praten jullie over dat ene boek dat je zo raakte. Het is een geschenk als iemand je zoiets komt vertellen, zo is het steeds.

In de trein lees je in de nieuwe bundel met gedichten. Je wou hem snel hebben. Je kon niet bij de voorstelling ervan geraken, maar het voelt goed en juist dat je die gedichten kunt lezen op dezelfde dag. Vorig jaar sprak je met haar, zat ze naast je te vertellen en bracht ze een gedicht voor het publiek. En nu lees je haar nieuwe gedichten, en je hoort haar stem. Je weet nog niet hoe je iets zou kunnen zeggen over wat je leest. Je denkt de hele tijd aan huid, en niet, en soms wel, thuis zijn in je huid. Misschien durf je het wel aan om haar te zeggen hoe mooi je alles vindt. Misschien.

Je luistert naar de man vooraan. Hij is nu een professor, je kent hem al van vroeger. Het voelt goed om naar hem te kunnen luisteren terwijl je naast een dierbare vriend zit. Aan hem moet je niet uitleggen waarom je het zo eens bent met wat je hoort. Hij weet het, hij zou je zinnen kunnen afmaken. Je denkt aan iets dat je schreef vele jaren geleden, een gedachte die nu terugkomt in het verhaal dat je hoort. En later blijkt dat ook hij een herinnering heeft aan jou. Een mooi moment.

Erg veel mensen om je heen. Je praat met enkelen. En je zegt iets, over de zoon.

In veilig gezelschap weer naar huis. Het is goed zo.

15 januari 2017

The Noise of Time

Hoe kun je, slalommend rond je eigen integriteit, overleven in een totalitair regime? Is ironie voldoende? Is te lang blijven leven een andere vorm van dood zijn? Kan kunst de tijd overwinnen? Je zou met nog veel meer vragen het boek The Noise of Time (vertaald als: Het tumult van de tijd) van de Britse auteur Julian Barnes kunnen omcirkelen. Het is een heel bijzonder boek, over de componist Sjostakovitsj, en over veel meer.

Het boek is een roman, meer dan een gefictionaliseerde biografie, in de derde persoon. Het verhaal wordt verteld door de ogen en in het hoofd van de componist, bewegend tussen het nu en zijn herinneringen. Het geheel wordt opgebouwd uit vaak korte paragrafen. Fragmenten. Die samen een verbrokkeld, twijfelend leven weergeven.

Het boek bestaat uit drie delen, telkens een andere periode in het leven van Sjostakovitsj. In het eerste deel heeft de componist net een eerste aanvaring gehad met De Macht, nadat een van zijn stukken door de Pravda werd veroordeeld, omdat het inging tegen de door het Sovjetregime gewenste esthetiek. Hij wacht in de hal bij de lift, tot men hem komt ophalen voor ondervraging, of erger. In het tweede deel gaat hij op aansturen van Stalin naar een congres in de Verenigde Staten waar hij speeches voorleest die hem dingen in de mond leggen die hij helemaal niet wil zeggen. In het derde deel is hij ouder. Ondertussen is Stalin vervangen door Chroestjov en is Sjostakovitsj gezwicht voor de druk: hij is lid geworden van de communistische partij.

Doorheen het boek kom je als lezer veel te weten over het leven van de componist. Over hoe zijn muziek dan weer niet en dan weer wel in de gratie viel van het regime. Hoe hij stukken maakte die pasten in binnen de doctrine van het sociaalrealisme en die het dwingende optimisme van de communistische heilstaat moesten uitdrukken. En hoe hij daarnaast, voor zichzelf, de muziek maakte die hij echt wilde maken. Over zijn liefdesleven. Over zijn neurotische trekken.

Het boek geeft ook een beeld van hoe een totalitair regime functioneert. Hoe grotesk en surrealistisch de Sovjet-Unie onder Stalin was, maar ook hoe genadeloos. Hoe een regime werkt dat angst kan installeren in elke porie van de samenleving.

Maar hoe kun je een positie innemen tegenover zo’n context? Hoe blijf je trouw aan je geweten? Hoe kun je laveren tussen de valkuilen? Die indringende vragen staan centraal in The Noise of Time. De componist zoekt telkens een soort tussenpositie, waardoor hij kan overleven, en waardoor ook zijn naasten dat kunnen. Hij gaat voor een stuk mee in de vragen om ‘goede’ kunst te maken, hoewel hij zelf die stukken verafschuwt. Hij legt zich erbij neer dat hij toespraken voorleest die door anderen voor hem zijn gemaakt en waarin hij zelf de officiële kritiek van het regime op zijn werk ondersteunt en waarin hij collega’s aanvalt die hij als de grootste componisten beschouwt. Hij hoopt dat door zijn ongeïnteresseerde toon de anderen zullen zien dat er een soort ironie is. Hij ondertekent artikels die zogenaamd door hem zijn geschreven, maar leest ze niet, want dan zou hij zichzelf compromitteren. Hij smokkelt ironische verwijzingen in zijn stukken. Onder Stalin is hij een geaccepteerd niet-lid van de partij. Uiteindelijk is het onder Chroestjov dat de dwingende vraag (nu weliswaar in een andere toon dan onder Stalin) komt om lid te worden van de partij. Dat is de ultieme vernedering, hij moet het bewijs zijn dat er een andere tijd is aangebroken. Hij zet zich af tegen de hypocriete houding van communisten in het Westen, maar ook tegen mensen die hem vanop een afstand zeggen hoe hij een ‘held’ zou moeten zijn (die dan ook snel dood zou zijn).

De manier waarop het boek is opgebouwd, in fragmenten, maakt op een erg indringende en tegelijk begripvolle manier duidelijk hoe de gewetensstrijd in het hoofd van Sjostakovitsj verloopt. De beschrijvingen zijn vaak laconiek, ironisch of sarcastisch. Telkens opnieuw is er een soort herijking. En naarmate de componist ouder wordt, voel je hoe de neerslachtigheid steeds moeilijker weg te duwen is. Door te veel te vertrouwen op ironie, en op hoop dat anderen wel zullen begrijpen dat je niet meent wat er in jouw naam gedrukt staat, kun je uiteindelijk aan de verkeerde kant van een lijn terechtkomen die je dacht niet te zullen overschrijden. Een regime dat je laat leven, heeft je zo in een soort dood gemanoeuvreerd, en zo wint De Macht uiteindelijk toch nog. Je kunt erop hopen dat de tijd jouw falende leven zal losmaken van je kunst, en dat die kunst overeind zal blijven. Muziek die er enkel is voor de muziek zelf, en niet als een instrument om de Waarheid of de noodzakelijke revolutionaire loop van de geschiedenis te bewijzen. Maar dat kun je enkel hopen.

Zoals steeds bij Julian Barnes is elke bladzijde van het boek een waar genot om te lezen. Spitse zinnen, eruditie, ironische distantie, gecondenseerde schoonheid, onderkoelde humor. Het proza van Barnes heeft altijd een soort helder licht over zich. De hybride vorm van deze roman past erg goed bij de filosofische beschouwing die het boek in zich draagt. Je voelt als lezer erg veel mededogen voor de componist en voor zijn niet-beantwoorde vragen. Je voelt hoe een zekere vermoeidheid de woorden van de ouder wordende man begint over te nemen. Je ziet hoe hij laveerde, niet altijd bewust deed wat hij deed, twijfelde, maar  je voelt geen drang om te oordelen.

The Noise of Time is een heel bijzonder boek, een compact kleinood dat zich niet aan je opdringt, maar rustig op je wacht. Tot het tijd is.

14 januari 2017

Na

‘Dat was een bijzonder cadeau. Onverwacht. Ik ben nog verlegen.’
‘Waarom? Moet toch helemaal niet? We kennen elkaar toch?’
‘Ja, dat is waar.’
‘Wat is er dan?’
‘Misschien omdat het me zo goed deed. En dat dat me bang maakt.’
‘Nog altijd?’
‘Ja, nog altijd.’
‘Kijk eens naar me. Kijk. Het is goed.’
‘Ben jij soms ook bang dat je zult openscheuren of zo? Zo helemaal. En dat er dan alleen stukken overblijven?’
‘Nee, eigenlijk niet. Meestal toch niet.’
‘Soms denk ik dat. Dat het zou kunnen gebeuren.’
‘Wel een beetje onpraktisch natuurlijk, als het zou gebeuren.’
‘Ja, misschien wel. Het is raar, sommige dingen worden ingewikkelder met het ouder worden. Alsof je meer te verliezen hebt. Als je weet waar het pijn doet.’
‘Terwijl het misschien net omgekeerd is.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Je kunt rustiger zijn, omdat je minder tijd hebt.’
‘Ongetwijfeld. Ondertussen ben ik gewoon even aan het kijken. Dit vond ik altijd wel mooi?’
‘Dit?’
‘Ja. Al kan ik niet uitleggen waarom.’
‘Nee?’
‘Misschien niet nu. Ooit nog wel eens. Als we oud zijn.’
‘Eigenlijk ben je wel dapper.’
‘Geen commentaar.’
‘Ik vroeg me vanmorgen nog af, op weg naar hier, welk cadeau ik graag zou willen.’
‘En? Wat was het?’
‘Het is onnozel, waarschijnlijk, maar het was samen met jou een lange treinreis maken. En de hele tijd niets zeggen, alleen maar lezen, zo naast elkaar.’
‘Is dat even spannend als dit?’
‘Ja.’
‘Waarom?’
‘Het is ook moeilijk om mezelf ervan te overtuigen dat ik er recht op heb, of zoiets. En ik denk dat ik het niet kan, onbezonnen.’
‘En het moet ook lang duren, veronderstel ik?’
‘Ja, anders is het maar doen alsof. Je moet in een bepaald ritme komen. Met het landschap aan de andere kant van het glas, en met je adem, en de beweging. En dan kun je je een beetje uit handen geven.’
‘Is dat dan ook moeilijk?’
‘Wat dacht je?’
‘Dat je dat zegt, is een soort troost voor mij. Alsof het de dingen wat verdeelt, tussen ons.’
‘Met jou wil ik dat graag nog eens doen. Jij kent me. Je zult me niets vragen, gewoon naast me zitten. Het zou veilig zijn, of zo.’
‘Dankjewel voor die mooie gedachte.’
‘Maar nu zijn we nog altijd hier.’
‘Zonder scheuren.’
‘Je ogen zijn anders nu. Rustiger. Alsof je helemaal hier bent.’
‘Dat is ook zo.’
‘Zo eenvoudig is het dus. Uiteindelijk.’
‘Dat is nog een moeilijke gedachte. Dat is voor ooit.’
‘En dit vind ik mooi.’
‘Waarom?’
‘Het is de grens tussen heel sterk en heel breekbaar.’
‘Daar moet ik nog eens over nadenken.’
‘Niet doen. Nadenken. Niet vandaag.’
‘Niet vandaag.’

12 januari 2017

De nachten, en

De meeste nachten slaap je gewoon.

De andere.

Soms ga je slapen in een kramp, uiteindelijk toch. Je merkt het zodra je ligt. De nacht is een onderbreking. Ergens midden in de nacht word je wakker. In een soort ruis, of mist. Alsof er allerlei dingen om je heen zweven, onrustig. De kamer is kleiner. De slaap zet je op een pechstrook, meer niet, zo merk je in de ochtend.

Soms ben je aan het praten, gaat er een gesprek door je hoofd, eindeloos. Het lijkt al uren bezig. Je hoort in je hoofd argumenten en tegenwerpingen. Je maakt je kwaad, je probeert gecontroleerd iets op te bouwen, alles voor te bereiden. Het gebeurt los van jou, zo lijkt het. Het duurt lang eer je in de nacht schuift. De nacht als de illusie van een pauzetoets. Misschien gaat iets in je lichaam gewoon door de hele tijd. Misschien zijn daarom je dromen anders. Zodra je wakker wordt, gaat het gesprek gewoon verder. Je moet wachten tot het overgaat.

Soms is de nacht een nawee. Je lichaam was opgeladen, omdat je hoofd het was. Je was geconcentreerd. In dat hoofd flitsten duizenden dingen heen en weer, en je zag alles, miste geen enkel stipje. En nadien moet het lichaam terugkeren. Je kunt het niet versnellen. De tijd die nodig is.

Soms doet alles pijn, zo lijkt het. Soms is pijn een kramp. Soms is het een genade. Als een wegvloeien. Soms ben je dankbaar.

Soms wil je de nacht nog niet. Wil je gewoon nog even aan deze kant blijven, alleen maar wachten op je lichaam. Het zou goed zijn. Gewoon wachten.

Soms is de nacht rusteloos, zo lijkt het. Het maakt de kamer kleiner. Soms is de nacht leeg, niemand, aan zichzelf afwezig.

Soms is de nacht ontvankelijk, behaaglijk. Soms is de nacht rustig en geheel zichzelf, aanwezig.

Soms zijn de demonen daar, ergens.

Soms ga je met verdriet de nacht in. Soms is dat als een hemd dat je uit kunt doen zodra je je neerlegt. Soms is het als een rustige metgezel, die zich naast je legt, en misschien gewoon verdwijnt in de nacht. Soms blijft verdriet in je huid.

Soms, in de nacht na de krampnacht, is alles anders. Iets is voorbij, en je lichaam weet het. Het is alsof er een gloed rondom je heen hangt, een zachte gloed. Midden in de nacht word je wakker, en het is goed. Er is geen mist, alleen helderheid. Je kunt rondwandelen, en de kamers lijken groter, zuiver. Je bent helemaal veilig in jezelf. Je bent waar je wilt zijn. Het lijkt op die nacht na de operatie. Eerst werd je wakker in die grote kamer met al het lawaai, al de apparaten, al die mensen. Je lag daar, en ineens stonden de vriendinnen daar, je maakte een grap. En het mooie moment toen men je naar je eigen kamer bracht. En die nacht, misschien sliep je nauwelijks, leek alles perfect. Die zachte gloed rondom jou. Alles was veilig. Er was licht, een beetje. Er kon niets gebeuren.

Soms kijk je even in de nacht, gewoon. Je kijkt naar het licht dat van buiten naar binnen komt. Zomaar. Alsof het zegt: doe maar, ik ben er.

Soms kijk je naar jezelf, naar je lichaam, hoe het daar ligt. Je ziet alle plekken van dat landschap. Voorzichtig. En het is goed.

Soms denk je aan de zee.

Soms kijk je naar de dingen in je hoofd. Je observeert alleen, en gaat weer terug naar je adem.

Soms voel je hoe je zachtjes in de nacht zakt. Ooit was je bang van dat moment. Ooit was dat voorbij.

Soms kun je een plek maken in je hoofd die over kan hellen in een droom. Je ziet de dingen waarvan je zou willen dromen. En nadien weet je niet meer waar het begon.

Soms wil je iets voelen naast je, en is er niets. Je denkt aan die momenten toen het anders was, en je zag hoe je hand opschoof.

Soms denk je aan haar.

Soms merk je dat je niet meer wacht.

Soms weet je dat het beter is even op te staan, om traag die beweging met je armen te maken. Soms met je ogen dicht, soms niet.

Soms weet je dat het goed is even op de rand van het bed te gaan zitten, om wat te lezen. Je voelt hoe je lichaam afkoelt, voorzichtig. En nadien kantel je in een ontvankelijke warmte, die snel komt.

Soms denk je aan niets, ben je gewoon nacht.

Soms weet je heel even niet meer waar je bent.

Soms lig je in een rustige nacht, te luisteren naar de geluiden buiten. Zoals je als kind alleen kunt zitten spelen, wetend dat er ergens nog mensen in het huis zijn.

Soms lig je in verlangen.

Soms lig je in vrede.

Soms weet je hoe het is ontheemd te zijn.

Soms lig je in niemandsland.

Soms lig je alleen maar in jezelf, en is alles goed.

08 januari 2017

Alleen maar rivier te zijn

Ademen alsof je dat middenstuk bent van het concerto voor twee violen. Alleen maar die eindeloze beweging zijn. 

En alles wat je je voorneemt. Hoe je het stotterend vertelt.

Hoe het vertellen iets doet met je lichaam.

En je dat vele uren later nog voelt. Aan de andere kant van de nacht.

Je zult het zelf moeten zeggen, zegt ze. Jij eerst. En ze heeft gelijk.

Je zult het zelf moeten zeggen.

De rivier.

Je weet waar de rivier is, eigenlijk.

Aan de oever zitten, en kijken.

Kijken.

En dan die trage dans, misschien.

Die trage dans.

Tot de maan komt.

Misschien moet je het proberen.

Elke dag weer. Op de rand van de nacht.

Alsof je lucht brengt in je huid.

En een verdriet weg kan sijpelen.

Je vertelde het ook.

Hoe wat je las je deed wankelen.

Of was het net omgekeerd?

En zag je net beter waar je bedding is.

Waar je rivier bent.

Iets met een spiegel, dat wou je, had je gezegd.

Een trager naakt.

En dan de handen.

En dan de rivier, dus.

Het zou kunnen. Het zou niet eens zo moeilijk zijn.

Zoals een verlangen kan zijn.

Het is tijd, denk je.

We zijn oud genoeg, zei iemand je, onlangs nog.

Het is goed. Gewoon.

Je vertelt. De dingen. En je wist het al.

Je zult het zelf moeten zeggen.

Gewoon even dansen nog.

Dat is genoeg, voor vandaag.

Gewoon even ademen, alsof je dat bent.

De dingen neerleggen, voor vandaag.

Je blijft.

De rivier.

En dat is goed.

05 januari 2017

Helena

Ik zag haar voor het eerst in de winkel. Soms heb je dat zo, ook in de trein, dat je elkaar aankijkt alsof je elkaar al kende. Zo keek ze naar me. In de buurt van het brood. Helena, zo heette ze, zou blijken. Ik stond buiten mijn boodschappen in mijn fietstas te laden toen ze naast me kwam staan. Ze zei dat ze dacht dat ze me ergens van kende.

Ik kende haar niet, maar het was alsof ik haar had kunnen kennen. Dat is een wat rare zin, maar zo was het eigenlijk wel. Ze stond daar een beetje aarzelend te staan, alsof ze een verhaal had dat dringend de wereld in moest. Soms heb je dat, dat een verhaal klaar is voor de woorden, en niet langer meer kan wachten.

Ze vroeg of er iets was, omdat ik blijkbaar een beetje ernstig keek of zo. Ook dat overkomt me wel eens. Dan lijkt het aan de binnenkant alsof ik lichtjes glimlachend in de wereld beweeg, tot enkele mensen me vragen of er iets is. Aan de buitenkant is het dan alsof ik heel ernstig ben, terwijl ik misschien net probeerde dat ene liedje uit mijn hoofd te krijgen of dacht aan de film die ik die avond zou gaan kijken. Maar misschien was ik wel aan het piekeren over mijn goede voornemens voor het nieuwe jaar. Ik heb me een aantal belangwekkende dingen voorgenomen, maar ik zal daarvoor de hulp van enkele mensen uit mijn vriendenkring nodig hebben. Misschien was ik beginzinnen aan het oefenen voor een gesprek waarin ik dat uit ga leggen. En los daarvan had ik ook veel last van mijn rug en mijn nek.

‘Heb je dat ook? Dat je je soms afvraagt of je eigenlijk ooit wel thuis zult komen?’

Spontaan dacht ik even dat zo’n vraag wel goed past bij zo’n naam. Maar dat zal toeval geweest zijn.

‘Soms heb ik zo’n verlangen om thuis te komen. Ik heb natuurlijk wel een huis, en het is een fijne plek. Het is er veilig en warm, en zo. Maar dat verlangen blijft wel.’

Ze vertelde me dat haar vriend het net had uitgemaakt met haar. Hij had gezegd dat hij haar wel mooi vond maar dat hij niet het geduld had dat nodig was voor haar.

‘Eigenlijk klopte dat wel. Iemand die dicht bij me zou willen komen, heeft geduld nodig. Ik ben al vaak gekwetst, denk ik. En los daarvan is het zo dat ik wat achterstand in te halen heb of zo. Je moet een beetje moeite doen voor mij om me gerust te stellen. Ik kan daar zelf niet zoveel aan veranderen, ik kan mezelf niet echt opjagen om sneller te gaan dan ik kan lopen. En met het ouder worden lijkt het soms of ik in sommige opzichten trager begin te lopen. En doen alsof, dat wil ik niet meer.’

Ik zei haar dat ik het erg vond voor haar, dat het zo gelopen was.

‘Misschien heeft hij me wel een beetje geholpen, om beter te beseffen wat ik nu voel.’

Daarbij keek ze toch heel ernstig. Maar misschien leek het bij haar vanbinnen ook alsof ze voorzichtig glimlachte.

‘Heb je dat soms ook? Zo’n onbestemd verlangen diep vanbinnen? Zo’n overweldigend maar onbestemd verlangen. Zo groot dat je ervan schrikt, en eigenlijk weg zou willen lopen.’

Ik knikte.

‘Mijn dochter heeft het me een keer gezegd, dat ze wist dat het zo was, voor mij. Ik weet niet meer in welke woorden ze het zei, maar ik zag aan haar ogen dat ze het wist. Soms is het alsof ze door mensen heen kan kijken.’

Daarna vertelde ze nog meer over haar dochter. Ze was twintig nu. Ze deed het goed, in de wereld. Al had ze soms ook iets van een eiland. Zoals haar moeder. Maar ze was minder bang van de liefde, dat kon je zien. Ze bewoog zich rustig en vol vertrouwen tussen de dingen. Ze was een beetje thuis in zichzelf, genoeg.

‘Soms is het vermoeiend, dat sommige dingen niet overgaan. Zoals het gevoel dat je geen recht hebt op de dingen, op mensen die bij je blijven. Soms trekt het aan je, telkens weer, de drang om weg te lopen. En dat terwijl je eigenlijk zo graag thuis zou willen komen. En dan kijk ik naar mijn dochter, en haar vriendinnen, en haar vrienden. Hoe zij dat doen. En dan ben ik trots op haar.’

Het gesprek ontroerde me meer dan ik kon zeggen. Een beetje zoals wanneer je soms in een concert zit, en de muziek je veel dieper ontroert dat de persoon naast je mag zien, of zou mogen zien. Je weet dat die muziek een plek in je raakt, je weet misschien zelfs welke plek het is, maar dat moet verborgen blijven. Een beetje toch. Terwijl je er eigenlijk heel graag over zou willen praten, en terwijl je weet dat die ander goed zou luisteren.

‘Ik weet niet waarom ik dit allemaal vertel. Jij leek me zo iemand bij wie je verhaal in veilige handen is, al terwijl het verteld wordt. Misschien zijn het je ogen, of je handen, of je stem. Jouw stem klopt met je ogen, al slaat dat nergens op waarschijnlijk.’

Verlegen, en een beetje zonder woorden zei ik dat het waarschijnlijk aan die kale kop lag. En nog een onnozel grapje daarna.

‘Misschien is het deze dag. Misschien was het tijd, om te vertellen. Eigenlijk doe ik dat niet zo vaak. Veel mensen die me kennen denken misschien dat ik een beetje stoer ben of zo, en zo gedraag ik me wel. Maar misschien is ook dat een vlucht, en ik weet dat het niet klopt, om zo door te gaan. Het spijt me dat ik je nu zo overval met al die dingen. Ik vraag je niets. Het is al heel mooi dat je gewoon luisterde. Dat is heel bijzonder.’

Ik voelde me een beetje klein, maar ook dankbaar, voor haar verhaal. Ik wou haar op een of andere manier heel even aanraken, maar ik durfde niet. Ze zag het, en liet haar hand zachtjes over mijn arm gaan. Daarna vertrok ze. Even verder draaide ze zich nog even om. Ze glimlachte. Ik ook.