25 juni 2016

Ongehoorzaam

Iemand zegt je dat hij verbaasd is je te zien opduiken bij een samenkomst die het woord ‘ongehoorzaamheid’ in haar naam heeft. Je checkt het meteen even na bij de vrouw die bij hem is, je kent haar al heel lang, zij kent jou ook al heel lang. Of je dan zo gehoorzaam bent? Nee hoor, zegt ze.

Het brengt je toch een beetje in de war. Als dat het beeld is dat men van je heeft. Je vraagt het later nog bij enkele andere mensen na, alleen maar om zeker te zijn, vanzelfsprekend. En het valt mee. ‘Gehoorzaam? Jij? Helemaal niet.’

Braaf. Ben je dat? Was je dat vroeger? Dat wel misschien.

Diep van binnen ben je wel een rebel natuurlijk. Of toch een klein beetje.

(Je kent al enkele mensen die nu heel hard zouden lachen. Ze zijn blijkbaar allemaal erg blij met de ongehoorzame foto van jou, waarop je je tong uitsteekt.)

(Moet je je daar dan weer zorgen over maken?)

Je denkt aan je grootmoeder. Hoe zij ‘completely unimpressed’ was door gezag en macht. Niet dat ze er wild tegenin wilde gaan. Niet dat ze onvriendelijk zou worden. Niet dat ze minder soeverein zou zijn. (Trouwens, alleen voor je grootmoeder mag het woord soeverein gebruikt worden. Alleen voor haar is het een mooi woord. Niet voor enkele gruwels aan de andere kant van het Kanaal, maar dit geheel terzijde.)

Je hebt dat wel een beetje gekregen van haar. De subtiele, maar vriendelijke anarchie.

(Je denkt nu aan een mooie vrouw die je erg dierbaar is. Oei, dat van dat mooi mocht je niet zeggen, je bent ongehoorzaam. Zij zou ondertussen nog harder lachen. Vergeleken met haar ben je inderdaad ‘utterly’ niet-spannend. Saai, waarschijnlijk. Denk jij. Hoewel, in het diepst van je gedachten gebeuren er wél altijd spannende dingen.)

Je grootmoeder had dat wel. Haar zoon, jouw vader, ook.

Tijdens die avond praat je nog met iemand, en zij zegt het ook: beleefd, maar ongehoorzaam.

(Hoewel… Netjes wachten voor een rood licht, maar dan wel officieel als zenmoment? Je afvragen of je toch niet te weinig belastingen betaald hebt? Je hoort iemand, dezelfde mevrouw van daarnet, hardop lachen.)

Je houdt van de subtiele ondergraving van de codes, of zoiets. En, dat heb je dus geërfd, machtsargumenten maken geen enkele indruk op jou.

(Zo zet je de innerlijk dialoog verder, ’s nachts in je bed.)

Je hebt het pas later door, maar die foto, met je tong, daarop ben je ook je grootvader.

Hij was blijkbaar anders toen hij jong was, maar toen hij je grootvader was, leek hij op het eerste gezicht vaak erg ingetogen. Fons was anders dan Julia in zijn verhouding tot de macht. Hij zou een beetje weg schuiven naar achter in de kamer, toch een beetje onder de indruk, als de koning zou binnenkomen. Zij zou uiterlijk geen krimp geven, en de koning gewoon uitnodigen aan de tafel, om koffie te drinken. (Misschien niet, maar zo zit het in je hoofd.)

Maar hij kon ineens, tijdens een feest of zo, of ook gewoon als hij bij jou en je zus was, zot beginnen doen. (Zo noemden jullie dat: doe nog eens zot.) Hij kon dan ineens gekke bekken trekken. Soms zag je aan je grootmoeder dat zij iets van hem zag van toen hij jonger was.

Misschien ben je een beetje zij en een beetje hij, een beetje Julia en een beetje Fons. En dat tijdens dezelfde avond.

Als je de foto ziet van jezelf, met die tong dus, schrik je een beetje. Je lijkt op hem, zo is het toch voor jou. Je ziet er op een foto altijd ouder uit. Daar schrik je van, telkens weer.

(Je hebt het verhaal al vaak verteld, waarschijnlijk, het geeft niet. Als kind vond je dat soms niet fijn, dat hij steeds opnieuw dezelfde verhalen vertelde. Nu zou je er veel voor geven, om ze nog eens te horen, om zijn stem nog eens te horen. Het verhaal dus.) Op de laatste foto van je grootvader staat hij in de keuken. Zijn arm om je zus heen. En hij trekt een beetje een gekke bek, hij doet een beetje zot, op die foto. Toen hij de foto zag, schrok hij. Je weet niet helemaal zeker waarom. Maar hij wou niet meer kijken naar die foto, ze maakte hem verdrietig. Hij wist toen nog niet dat hij niet lang daarna dood zou zijn.

Wie Fons niet zo goed kende, zou misschien ook verbaasd zijn om hem ineens zot te zien doen. Jij niet. Hij was wel een beetje gehoorzaam, denk je. Een beetje godvrezend ook wel. Julia was niet zo onder de indruk van god. Ze zou ook voor god niet door haar knieën gaan (ook niet voor de koning, zoals ze je ooit eens zei). Zij was niet zo gehoorzaam.

Fons werd 85. Julia werd 97. Toen ze haar laatste jaren in het rusthuis doorbracht, nam je in de zomer voor haar regelmatig “van die lekkere druiven” voor haar mee. Gekocht op de markt. Belgische druiven. Ze lag in haar bed, en met haar laconieke blik begon ze die druiven rustig een voor een op te eten. In rustige concentratie. De Juliaversie van mindfulness. Ze hield niet zo van de pitjes. Die belandden met een klein plofgeluidje ergens tussen de muur en het bed. Erg ongehoorzaam. Ze was, zo nodig, erg goed in het opzetten van een onschuldige blik. Zo’n “et alors?”.

Haar niveau van ongehoorzaamheid zul je wel nooit bereiken. Fons is er ook nog een beetje. En zo wil je het eigenlijk wel.

23 juni 2016

Stemmen

Een plekje op het terras. Een mooie avond.

Allerlei mensen zijn verkleed, in driekleur. Ze zijn op weg. Sommigen van hen komen terug, en zie je iets later weer verschijnen met een krukje.

Daar aan de andere kant van dat grote gebouw is er een groot scherm. Je zult de stemmen wel horen.

Je bent wel toe aan trage verhalen. Je zou de woorden heel zorgvuldig en voorzichtig willen uitspreken.

Je voelt de ruimte.

Mensen lopen voorbij. Tussen de verhalen door kijk je. Hoe ze bewegen. Waar de evenwichten zitten in hun lichaam.

Achter je hoor je de stem van een vriend. Hij heeft een mooie stem. Heb je altijd al gevonden.

De verhalen aan jouw tafel.

Je luistert. Je bent blij voor een ander.

Soms maken ze je verlegen, de verhalen. Even voel je je klein. Denk je aan de honderd redenen.

Daarna gaat dat ook weer weg. Iets wordt stil in je. Iets wordt eenzaam. Iets wordt rustig. Iets wordt breekbaar. Het loopt een beetje door elkaar.

En je zou graag al die dingen netjes naast elkaar leggen. Ernaar kijken. Ze aanraken. En misschien gewoon weer wegleggen.

De verhalen aan de tafel gaan ondertussen gewoon door.

En daarna veranderen de verhalen. Er zijn minder stemmen, hier. Zo kunnen de woorden voorzichtig heen en weer gaan.

Daar een beetje verder zijn er al meer stemmen te horen. Misschien is er iets gebeurd. Je hoeft het nu niet te weten.

Je luistert.

En het is wat je wilde, voor deze avond, besef je.

Als je rug nu niet zoveel pijn deed door die stoel zou het nog beter zijn.

Je ruikt de avond.

Eigenlijk is het wel goed dat er zoveel mensen daar zijn, en dat het hier zo rustig is.

Nog geluiden in de verte.

Mensen komen weer voorbij in hun driekleur. Het is pauze blijkbaar.

Je voelt verhalen die je nu niet vertelt, of maar even aanraakte, verschuiven. Ergens onder je huid. Soms hoor je er stemmen bij. Soms niet. Soms denk je: nu weet ik het. Soms niet.

De wind zou door je heen kunnen nu.

Je luistert naar de verhalen, en je denkt: het is goed zo.

Naast je en achter je praten mensen. Luider dan aan jouw tafel. Een beetje.

Stemmen in de verte. Er is iets gebeurd, weer. Je wilt het nog steeds niet weten. Het hoeft niet.

Je denkt even aan iemand die op dat moment wel hevig voor het scherm zal zitten. Om een of andere reden is het, net daarom, beter dat jij dat nu niet doet (als je het al zou willen). Het is iets van haar, en dat moet mooi blijven, helemaal. Je begrijpt zelf niet goed wat je nu eigenlijk denkt. Iets in die aard.

Je staat op. Tijd om recht te staan. Je rug is blij daarmee.

Je loopt richting huis. De verhalen gaan verder.

Het is goed praten in zo’n avond.

Ergens daar, en op veel plaatsen in de lucht, hoor je stemmen. Als een soort golf. Iets zal voorbij zijn, het zal goed geweest zijn.

Je neemt afscheid voor deze avond.

Binnen in huis is het fris.

De vorige avond wou je tot de laatste minuut wakker blijven. De langste dag maakt je altijd melancholisch. Deze avond mag het ook iets vroeger.

19 juni 2016

Waar zit het verdriet

Waar in je lichaam zit het verdriet? Waar huist het? Soms zou je het willen weten.

Onder hoeveel lagen zit het verscholen? En welke lagen zijn dat dan?

Zou je er direct naartoe kunnen? Of zou je eerst al die andere lagen omzichtig opzij moeten schuiven? Of helemaal wegnemen?

Zou het gevaarlijk zijn om het verdriet zomaar aan te raken? Zou je het eerst zachtjes moeten laten wennen aan de open lucht?

Zou het verdriet zich in het lichaam laten bekijken door anderen?

Er zijn lagen zelfbescherming. In stevige stof. Schokbestendig. Nauwkeurig aangelegd. Er zijn nauwelijks scheuren, dat denk je toch. Hoewel soms blijkt dat ze er wel zijn. Misschien zijn de lagen stof bewust niet vastgenaaid. Liggen ze op elkaar, goed aangedrukt, en geven ze de indruk dat er geen gaatjes zijn. Maar met een beetje handigheid of een onverwacht manoeuvre kunnen die laagjes zomaar verschuiven, en komt er een kier. Mogelijk.

En soms kun je zien dat diep in de ogen de zelfbescherming het even laat afweten. Soms zie je een gelaat dat goed geoefend is in beschermen. Helemaal getraind. En plots zie je, ergens in die ogen, een flikkering. Plots zie je een voorzichtige traan, bijna ontsnapt, en bijna weer naar binnen gezogen.

Er zijn lagen vermoeidheid. Ze nemen hun tijd. Uiteindelijk maken ze het lichaam hard, op sommige plekken. Na een tijdje verliezen ze hun overtuigingskracht, zijn ze alleen nog hard, maar beschermen ze niet meer.

Als je begint te ontspannen, heel voorzichtig, doet het eerst meer pijn. Daarna komen er scheuren in de vermoeidheid, en kan het verdriet zomaar bloot komen te liggen.

Het lijf begint te schudden. Het schudden van de slappe lach. Het is bijna hetzelfde als dat van het opkomend, uit de voegen gulpend verdriet.

En er is de archeologie van het verdriet. Er is het oppervlakkig verdriet, nog relatief vers. Sommigen wilden je kwetsen, of lieten hun egozucht ervoor zorgen dat jij gekwetst werd (waardoor ze het zelf zogenaamd niet doorhadden). Dat is het soort verdriet dat al bij al gemakkelijk kan wegspoelen door een malse regenbui. Sommigen kwetsten je uit onvermogen, uit angst, uit verdriet. Daarvoor is meer handenwerk nodig.

En onder dat alles ligt het oude verdriet. Ingedikt door de tijd. Archeologen zouden met eierlepeltjes aan de slag gaan, bijna teder wegstrelend. (Stel dat je dat zou kunnen, met je handen?) Bij een doorsnede zou je diepe terracottakleuren zien.

Het oude verdriet heeft zoveel aarde nodig, denk je. Of ben je gaan denken. Helemaal zeker weet je dat eigenlijk niet. Door die aarde dus ook.

Waar zou het zijn bij jou? Daar in je buik. En daar in je rug. En dan een onderaardse rivier naar je nek en je schouders.

Misschien leer je het, met de jaren. Het kijken. Van binnen naar buiten, van buiten naar binnen.

Kijken naar verdriet. Kijken naar de lagen, naar de kleuren. Niet kijken weegt zwaarder, denk je stilaan. Het gewicht van de gesloten ogen kan zwaar wegen, en dat op allerlei plaatsen van je lichaam.

Misschien lukt het soms. Gewoon kijken en verwoorden wat je ziet. In een hortend gesprek, in een voorzichtige brief. Het kijken naar. Misschien vermindert daardoor iets van het gewicht.

En daarna worden al die lagen misschien wel meer aanraakbaar, een beetje toch.

Je ziet hoe alles door elkaar schuift, in hetzelfde lichaam. Zoals littekens in je huid gaan wonen. Zoals een zandweg die langzaam verdwijnt in het groen, of verandert in het groen, aanwezig blijft, maar verandert.

En je kunt voor de spiegel gaan staan, in alleen maar je huid. En je zou het landschap zien, niet de onderdelen. En je zou iemand kunnen vragen om mee te komen kijken. Je zou de plekken kunnen aanwijzen, waar, ongeveer, … Je zou de glooiingen in het landschap kunnen aanraken.

Daarmee zijn nog niet alle vragen beantwoord. Maar wel al enkele.

18 juni 2016

Wat je nog te leren hebt

Kwestie van de lat meteen hoog te leggen, bij het begin van het stukje. De nadruk op wat je allemaal nog zou moeten leren, om toch enigszins op het goede spoor te komen. Misschien gedoemd om te mislukken natuurlijk.

Lang blijven kijken naar de takken van de boom aan de andere kant van het raam waar je zit te schrijven. Ze groeien steeds verder. In je zicht nemen ze een steeds groter deel van de muur aan de overkant weg. En de planten op je werktafel doen ook hun best om meer ruimte in te nemen. En daar gewoon naar blijven kijken. Langer dan je nu doet.

Weten hoe je elk element van je gelaat nog beter kunt begrijpen. Van binnen uit denk je dat je zachtjes glimlacht, en van de andere kant ziet het er toch net anders uit. Hoe je dan even zachtjes zou kunnen glimlachen en toch iets anders met je ogen doen, waardoor het er ineens anders lijkt uit te zien. Hoe je elke spier afzonderlijk zou kunnen bewegen. Je oefent al sterk met de gulle lach in dat gelaat. Dat is al een mooi opstapje. En hoezeer je ook je best doet qua pokerface, de mensen die jou kennen, zeggen je dat ze alles aan je zien. Misschien hebben ze gelijk. Misschien is dat dus eigenlijk een goed teken. Misschien moet je dus niet zoveel leren. Je weet het niet.

Iets op het vlak van huidaanraking. Om het een beetje zakelijk te omschrijven. Iets doen met je handen waardoor die handen er niet meer zijn, maar eigenlijk de andere kant van die huid die je aanraakt in jouw hoofd zit. En andere nobele verlangens. Alleen zijn er nog wetten en praktische bezwaren die in de weg komen van dit educatieve leertraject. Eigenlijk ben je altijd een beetje jaloers op die geweldige op en neer bewegende tafel bij je kinesiste. Soms zou je dat ook in huis willen hebben, zo’n tafel. Je kunt die dan hoger zetten, zodat je kunt oefenen (want het gaat natuurlijk enkel om de oefening) zonder dat je zelf rugpijn krijgt. De  vraag is uiteindelijk of dat wat je te leren hebt te maken heeft met je handen of met je rug.

Middeltjes tegen mensen die je uitputten. Er zijn zo van die mensen. Soms vraag je je af hoe ze het doen, telkens opnieuw. Hoe ze je kunnen tonen waar in je hoofd en de rest van je lichaam de afdeling ‘diepe uitputting’ zit. En hoe dat dan begint te malen. In allerlei gespecialiseerde publicaties zijn er talloze tips, zelfs nuffige fips, te vinden. Er zijn van die mensen die je dan zeggen dat je het je niet moet aantrekken. Dat is zo’n ingewikkelde boodschap: trek het je niet aan. Lijkt soms een beetje op: geniet ervan. Soms heeft dat hetzelfde effect als: zorg dat je niet valt terwijl je aan het vallen bent. Er zijn natuurlijk ook goede uitvindingen, zoals het concept vakantie.

Methodes om de volgende dagen het nieuws over de Brexitdiscussie te overleven. Je kunt het niet. Je kunt het niet aan, artikels lezen in de krant, items zien in het nieuws, discussies horen, over de Brexit. Dat is niet helemaal waar. Je bent fysiek niet in staat om de interstellaire onzin te moeten aanhoren van die mensen die pleiten voor een ‘grote’ natie, voor de ‘splendid isolation’, voor de ‘soevereiniteit’, voor ‘hernieuwde’ controle. Je begint te trillen als je al die ellendige karikaturen moet aanhoren over Europa. Er zijn natuurlijk interessante elementen in de discussie, maar het lukt het niet om het met enige wetenschappelijke distantie te bekijken. Je probeert het telkens opnieuw, in het kader van de zelfopvoeding, maar je moet telkens de krant op die pagina van je weg schuiven. Die vreselijke politieke moord maakt het alleen nog maar erger. Als de rouwende mensen in beeld komen, ga je dichter bij het scherm zitten. Als men daarna mensen op straat interviewt over de Brexit, begin je hard te zingen, met je ogen dicht, in de hoop dat het snel voorbij zal zijn. Misschien zit er ook wel een positief element in je weerzin, wie weet.

Dingen met existentiële betekenis, zoals: de eerste bladzijde schrijven van het boek dat je – volgens sommigen – zou moeten schrijven, mensen vragen of je hen mag fotograferen om de foto te ontdekken die ze in zich hebben, een poging doen om een hele voetbalmatch te bekijken en daarbij proberen te begrijpen welke strategie zich op jouw scherm vertoont, al die dingen die Roger kan op Dobbit TV, iets met de man in jezelf, nog beter kunnen verwoorden waarom je weet dat je niet zult houden van een boek van Houellebecq, tango dansen.

Aanvaarden dat je alleen maar kunt mislukken in alles wat je nog te leren hebt, omwille van dat alles.

17 juni 2016

Toch maar doen

Zul je de brief versturen?

Je vroeg het je af, die ochtend, of je het zou durven. Het verhaal vertellen. Later dacht je, eigenlijk pas net voor je het deed, dat je laf zou zijn als je het niet zou doen. Alsof je onbewust het vertellen zou afhankelijk maken van het antwoord dat je zou krijgen. Dat zou erg laf zijn. Of gewoon menselijk, kan ook.

En eerder, dezelfde week.

Terwijl iedereen naar het voetbal kijkt, lig jij onder het dekentje naar een romantische film te kijken. (Tijdens de reclamepauzes kun je wel snel even zappen naar het andere kanaal, om de score te zien.) Maar een mens moet wel zijn prioriteiten kennen natuurlijk. (En de afloop van het verhaal is ook beter voorspelbaar bij zo’n film, eigenlijk. En het troost zo lekker, eigenlijk. En zo.)

De gedichtenvraag. Zo’n mooie vraag. Een wervelwind in je hoofd. In vijftien minuten.

Het wegstreeplijstje. Nog zoveel dingen te doen, en dan, aan het einde daarvan, zou er wel eens vakantie kunnen komen.

Verhalen over de kinderen. Soms zou je eindeloos willen vragen: vertel verder, vertel. (Soms weet je het niet.)

Een rondje met de trein. Tussen drie steden. Het heeft iets. Tussen twee en drie. De trein staat stil. In dat station waar ook een vriendin van je woont. Iemand is tegen de slagboom gereden, blijkbaar. En het is alsof je even kunt rusten in een deuk in de tijd. En het is goed zo.

En ’s avonds weer terug naar huis. Dit keer in deze stad komt de trein gewoon zomaar. Je droomt boodschappen de lucht in, naar hun bestemming. Je leest traag. Een lange rit, en toch alleen maar de boekenbijlage.

Dat knalgroene pakje van de Britse koningin. Respect!

Je zit op het podium, in een debat. Je kijkt af en toe wat rond, naar het publiek. De man vooraan krijgt het koud, denk je. Nadien ga je het hem vragen, en het klopt.

Na het debat is er ook een buffet. Het ziet er allemaal nogal vlezig en vissig uit. Je vraagt aan de buffetmeneer of er ook iets is voor vegetariërs. Zijn antwoord is: guacamolesaus. Er zijn ook frietjes. Hij wijst in de frietrichting, en zegt dat er ook aardappelen zijn. Blijkbaar zijn vegetariërs ook primair qua woorden, ze komen niet verder dan het aardappelstadium, ze zijn nog niet in staat om geheel autonoom te begrijpen dat frietjes eigenlijk aardappelen zijn. Zodra ze zouden overgaan tot de hogere vorm van beschaving die erin bestaat dat men vlezig of vissig wordt zouden meteen alle deuren van de werkelijkheidsvatting opengaan voor hen. Minstens. Iets in jou heeft eigenlijk stiekem wel een beetje zin in frietjes, maar om een of andere reden heb je er tegelijk geen zin meer in. Je gaat thuis dan maar een late boterham eten.

Ingewikkelde dromen. Met veel personages.

Iets is onontkoombaar, denk je. Het is niet anders.

Tranen onderweg, terwijl je weer naar huis loopt.

Je dacht nog even: als ik dit vertel, in het echt, zal ik breken, uit elkaar vallen in duizend stukjes. Of minstens in die honderd redenen. En je brak, een beetje, in dat alles. Je deed je best om het te verbergen, om niet te laten zien hoe je handen trilden, hoe je benen trilden, hoe je adem stokte. En je dacht: ooit laat ik haar die brief ook lezen, nu kan ik niet meer terug. (En je dacht dat het goed was dat je niet meer terug zou kunnen, om iets dat je ooit aan jezelf beloofd had. Je zou laf zijn, als je je niet aan die belofte zou houden.)

Ja, denk je. Je zult de brief versturen.

12 juni 2016

Wat denk je

‘Ik wou je vragen of ik het zou doen. Die brief. Maar ik durfde niet goed.’
‘Waarom niet?’
‘Ik weet het niet. Ik dacht dat het onnozel zou overkomen, zo’n vraag.’
‘Juist niet. En heb je hem geschreven?’
‘Ja. Ik heb een brief geschreven. Maar of hij goed is, dat weet ik niet. Ik ga hem even laten liggen. Binnen een paar dagen lees ik hem nog eens.’
‘En mag ik hem ook lezen?’
‘Dat weet ik nog niet. Misschien.’
‘Waarom niet?’
‘Gewoon. Ik ben een beetje verlegen. En jij komt er eigenlijk ook in voor.’
‘Hoe kan ik daar in voorkomen?’
‘Het kwam vanzelf. Het hoorde zo, denk ik. Jij was het missende stuk om de brief af te kunnen werken. Of zoiets.’
‘Nu maak je me wel nieuwsgierig.’
‘Stel je er maar niets bij voor. Hij zal wel heel slecht zijn. En klef. En onnozel. En slecht geschreven. En dom. Gewoon, zoals ik ben dus eigenlijk.’
‘Grrr.’
‘Maar om een of andere reden moest ik het doen. Het zat al dagen in mijn hoofd, en alleen door te schrijven kan dat veranderen. Hoop ik.’
‘Ga je naar mij ook nog eens een brief schrijven?’
‘Zou je dat dan willen?’
‘Je weet dat ik op die vraag niet kan antwoorden. Want dan zou ik ja moeten zeggen.’
‘Wees maar gerust. Die brief komt. En daarna nog een. En nog een.’
‘Dat is goed. Dat is afgesproken.’
‘En we hebben het woord ooit niet gebruikt. Wanneer de tijd daar is, dus.’
‘Ja.’
‘Had je nog een mooie gedachte vandaag?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Ja dus.’
‘Dat weet ik niet.’
‘Die ga je me ongetwijfeld ook nog eens ’s nachts vertellen.’
‘Ongetwijfeld.’
‘Had ik je al verteld dat de bloemen al aan het groeien zijn?’
‘Nee.’
‘Vorige week gezaaid. En na een week begonnen ze al te schieten.’
‘Het wordt een goed jaar.’
‘Waarvoor?’
‘Voor de bloemen.’
‘En nog voor iets?’
‘Ja, ook voor de bloemen.’
‘O, op die manier.’
‘Het is wel een vooruitgang, dat er iets groeit bij jou. Je zegt toch altijd dat dat niet lukt.’
‘Ja, vooruitgang.’
‘Stel je voor, dat er ook echte bloemen uit gaan komen. Zul je dat wel aankunnen?’
‘Ik zal moeten bellen dan, vrees ik. Om morele steun te krijgen.’
‘En dan ga ik wijze woorden spreken?’
‘Ja, ongetwijfeld.’

11 juni 2016

Doei

Bij het begin van de week wakker worden met een lijf dat precies ergens achter je aan bungelt. Het hoofd loopt voorop. Of doet alsof.

Die avond. Je brengt je presentatie terwijl het buiten hevig onweert. Het gaat beter, denk je, zo’n verhaal vertellen met kort haar. (Veel dingen gaan beter, overigens, met kort haar.)

Nadien loop je terug naar het station. Die straat langs het spoor. En je denkt: dit is de straat waar we toen liepen, toen die dag dat… (Iets met een glimlach.)

In de trein roept een vrouw, je kent haar, de hele wagon bij elkaar. Ze is razend op de schuifdeur, vermoedt dat die het op haar gemunt heeft. Als jij langs daar naar buiten gaat, is er niets abnormaals te merken aan de deur. Misschien heb jij een andere relatie met de kosmos.

Korte nacht. Een of andere stekende kramp heeft zich in je lichaam gevestigd. Vooral aan die ene kant.

Die namiddag net op tijd thuis voor het begint te regenen. Regen lijkt een understatement voor regen, alleszins iets met veel water.

En je denkt aan haar en haar, ginder, en hoe het zou kunnen zijn daar, met al het water.

De volgende ochtend. Niet verpletterend wakker, maar goed. Je ligt op de tafel bij je kinesiste. Ze is bezig met je rug. Een stemmetje ergens in jou denkt stiekem: kon dit maar uren duren?

Je luistert naar de sprekers, daar in de grote zaal met de groene stoelen. Iemand achter zegt je later dat hij je herkende aan je kale kop. (Misschien toch beter dan aan je dikke kop. Nog een voordeel van kort haar, die lijkt iets minder dik.)

Tijdens de vergadering die avond. Die kramp zit er nog steeds. Ergens aan je slaap, onder meer.

De ochtend daarna. Iets als een brief. Je zou elders willen zijn, denk je. Daarom. Iets durf je haar niet vertellen, of zoiets.

Je zegt de afspraak voor die avond af. Je wilt gewoon thuis zijn dan. Beetje schrijven, beetje niets. En proberen te bellen. Waarom ben je zo zenuwachtig terwijl je iets in de categorie ‘lullig’ inspreekt in haar voice mail.

Later zal ze nog even bellen. En de dag is goed.

De ochtend daarna. Vroeg naar de markt. Geen aardbeien? Een lichte ontheemding.

Je vraagt je af of ze goed geslapen heeft, daar, ginder. (Waarschijnlijk niet echt.)

Verhalen verzamelen zich de hele tijd.

Na het werk eerst nog even naar de platenwinkel. (Die meneer in zijn lezing twee dagen eerder, over de grote transformaties, mag zeggen wat hij wil, jij wilt dat de platenwinkel blijft bestaan, en dat je daar ook platen kunt kopen, dus.) In het kader van de verjaardagsplanning. Hopelijk zal het cadeau op tijd aankomen. En daarnaast ook nog iets in het kader van de zelfverwennerij, of zoiets. (Al is dat volstrekt onaanvaardbaar natuurlijk.)

Eigenlijk geen zin om de telefoon in te leggen die avond.

Het lijf zit nog een beetje vast. (In je fantasie zie je een volledige massage die minstens een uur of twee zou duren. Zacht als een watje zou je overblijven. Mmm.)

De ochtend daarna. Te vroeg wakker. Zoals te verwachten.

Je zit helemaal klaar aan je computer voor de kaarten voor het nieuwe cultuurseizoen. Plop. Je hebt nummer 800. Dat zou nog 53 minuten duren. Je doet of je helemaal zen de minuten wegtelt. (Die nieuw uitgebrachte plaat van Van Morrison helpt geweldig. Je herinnert je nog toen je – het moet zo’n 35 jaar geleden zijn – in die platenwinkel in Antwerpen de vinylplaat kocht met die liveopnames van Van, waaraan er nu nog een hoop zijn toegevoegd.) Uiteindelijk worden het 29 minuten. Plop. Je mag binnen. Op de speelplaats. Yes! Het lukt, alle kaarten die je wilde hebben.

Die namiddag in de trein op het perron. Er is blijkbaar een serieuze barst in een van de ruiten. De treinmeneer roept met een droge, lichtjes slepende stem om dat er een probleem is met een van de ruiten, en dat nu Carglass eerst moet komen voor we kunnen vertrekken. Die treinmeneer heeft aanleg voor humor. Een meneer van de NMBS, met zo’n geel pak, arriveert. De mevrouw naast het bewuste raam komt blijkbaar net uit Italië. De warmte die ze uitstraalt zou dan de oorzaak zijn van de barst. Een van de conducteurs begint spontaan Italiaans te praten. Iedereen is opgewekt en jolig, alleen niet die twee zagende Antwerpenaars enkele zetels verder, ze zagen gewoon door. De gele NMBS-meneer heeft speciale wondertape en plakt de barst weg. De treinmeneer roept om dat Carglass herstelt en dat we nu zullen kunnen vertrekken.

Een fijn gesprek met de vrienden.

En, het is niet anders, zo vaak denk je: dit zou ik haar moeten kunnen vertellen. Of: als ze nu hier was, wat zou zij zeggen?  (Het is belangrijk dat ik haar dat even meld straks, denk je, anders kan de wereld weer vergaan.)

De trein terug naar huis. De conducteur verwelkomt jullie in de trein met veel omhaal en joligheid. Nadien, dicht bij het station van aankomst, begint hij allerlei dingen om te roepen. Het gaat zo snel allemaal dat het lijkt alsof hij aan een of andere ratelrap bezig is. Hij lijkt een beetje extreem opgewekt. Iedereen glimlacht. En je kunt daarna alleen maar luidop roepen: DOEI!!!

En ja, toch weer een beetje verbrand, denk je.

Weer thuis.

Iets met verhalen, denk je.