22 oktober 2014

Warmteaarzeling

Het zal wel een typisch herfstgevoel zijn. De warmteaarzeling.

Stiekem verlangen naar warme plekjes. En toch nog willen wachten met die eerste keer weer de verwarming aan.

Alsof het nog niet mag.

Dingen bedenken. Als dat, dan… En dan mag het.

Misschien is het wel stiekem een verlangen naar warmte. Het opgenomen worden in. En nog.

Sommige plekken in het landschap van je lichaam zijn kwetsbaarder. Warmteverlangender. Is je hele rug, met uitbreiding naar het buurland van de nek, nog wel als een plek te beschouwen?

Hoeveel mag je verlangen? Dromen van thuiskomen, en de warmte. Dat is veel tegelijk. Een voor een. Om te oefenen.

Weer eens wakker schieten. Misschien was je niet rustig genoeg bij het slapen gaan. Het is alsof je lichaam niet helemaal wil opwarmen. Uitgestelde warmte.

En tussendoor toch dromen. Iets met handen.

Je zou het kunnen verdragen. Iemand die iets in je oor komt fluisteren.

Toch al maar even een wollen trui. Als een klein geschenk. Na toch ook even wolaarzeling. En heen en weer wandelen in het huis. Alsof het te verleidelijk is.

Je zei het nog, de andere dag, iets met uitgesteld verlangen, uitgesteld genot. Een mens moet ergens goed in zijn.

En dat alles goed zal komen, en dat iemand dat zegt.

Je handen blijven warm. (Na de afwas.) Meestal wel eigenlijk.

Preventief. Je hebt ze al preventief gekocht. Nieuwe handschoenen. Voor ooit. Als het winter wordt. Ze zien er zachter uit dan die andere.

’s Morgens vertrekken. Het is nog fris buiten. Vaststellen dat je het, eigenlijk, wel fijn zou vinden om een warm sjaaltje te hebben. Niet aan gedacht. Niet aan willen denken? Toch maar niet terug naar huis gaan. Misschien morgen overwegen.

Ergens, achteraan je ogen, kun je je indenken hoe het zou kunnen voelen. Je wervels die warm zijn vanbinnen.

Je zit voor de televisie te eten. Je warme bord op je benen. Het mag.

Je zou je kunnen indenken dat je iemand anders warm zou kunnen maken. Dat zou wel mogen, misschien.

Snel stappen. Voelen hoe het stroomt. Hoe het opspaart.

Denken aan de woorden. En wat ze zouden kunnen doen.

Misschien kun je ook een kaarsje overwegen. Om naar te kijken. Wel eerst de gordijnen dicht.

De wereld daarbuiten. En het hier. Omringd. Of zoiets.

Het zal wel komen.

Als de tijd daar is.

En dan zal het goed zijn.

19 oktober 2014

Barbara

Geachte heer Mertens

Hierbij een brief van Barbara. Daar op aarde noemen jullie mij de Heilige Barbara, maar zeg maar gewoon Barbara. Al dat gedoe, dat is voor niets nodig.

Eerst en vooral moet ik u de groeten doen van uw grootmoeder. Ze vraagt me u te melden dat er in de hemel dus wel degelijk ook rijstpap is, maar gelukkig niet met gouden lepeltjes. We hadden die lepels vroeger wel, maar dat gaf echt te veel problemen bij de afwas.

Verder kan ik u zeggen dat we hier in de hemel uw blog ook lezen. We zitten er steeds op te wachten. Ga vooral zo door, zou ik zeggen.

Misschien wist u dat niet, maar ik ben ook de beschermheilige van de beiaardiers. Uw vader maakt het overigens ook goed hier. Het voordeel van de hemel voor hem is dat hier zijn sloefen niet verslijten, en zijn hemden ook niet. Hij kan ze dus altijd blijven dragen.

Nog even over uw blog. U zult in uw statistieken onze bezoeken niet terugvinden. Onze IT-dienst heeft daar een speciaal systeem voor gemaakt, waardoor wij niet op te sporen zijn. Er zijn, zoals u merkt, ook voordelen aan in de hemel zijn.

Het spijt me dat ik u zo overval met deze brief, maar ik moest met iemand mijn frustratie kunnen delen. En u lijkt me wel een open geest te hebben.

Ik heb dus ook de berichten gevolgd over die synode van de bisschoppen. Man, man, man… Ik had graag eens goed gevloekt. Maar ook hier hangen overal van die bordjes met ‘God ziet u, hier vloekt men niet’. En ook nog overal camera’s, in het kader van dat zien. Vloeken is hier dus heel moeilijk.

U kennende dacht ik: de Jean zal zich tijdens de afwas zeker afvragen of ze het in de hemel ook eens zijn met de analyse en de aanbevelingen van die oude knarren van bisschoppen. Ik kan u meteen geruststellen, het antwoord is nee. Die conclusies, dat is toch een totale ramp qua PR voor de kerk, en het gaat al zo moeilijk tegenwoordig.

Even tussen ons gezegd en gezwegen, die onzin, dat kun je toch zelfs geen tsjeverij meer noemen? Waar slaat dat nu op? Zeggen dat de kerk vindt dat homo’s en lesbo’s niet mogen gediscrimineerd worden. Om er daarna aan toe te voegen dat men tegelijk vindt dat die mensen niet tot homo- of lesbodaden mogen overgaan. En welkom in de kerk zijn ze ook niet. Ik zat hier tegen de televisie te roepen: “Hoezo, en is dat dan geen discriminatie? Kunnen jullie mij even uitleggen wat jullie dan wel verstaan onder het woord discriminatie?” Hetzelfde over voorstellen over gescheiden en hertrouwde mensen. Onvoorstelbaar… Weet u, de kleine zelfstandige in mij zou zeggen: dan zijn er nog een paar mensen die wél bij de kerk willen horen en die er niet gillend van weglopen, maar die mogen vooral niet binnen. Die oude mannen in hun zwarte kleedjes zullen eens even gaan zeggen wie volgens hen recht genoeg is in de leer om tot het exclusieve clubje te worden toegelaten. Wat een ellende.

Ik kan u bevestigen dat dat soort dingen zelfs hier in de hemel al lang geen probleem meer zijn. Iemand van de collega’s, ik kan niet onthullen welke heilige, want ze wil gewoon bescheiden blijven, heeft daar ooit een vlammende speech over gehouden, samen te vatten als: “Get over it!”. En zo geschiedde.

Het is jammer dat jullie dat van beneden niet kunnen zien, maar eigenlijk is het veel gezelliger hier in de hemel dan die heren bisschoppen doen vermoeden. En daarom ben ik ook zo kwaad, begrijpt u? God is liefde, zoals u weet, en hier in de hemel is er erg veel liefde. Love is in the air, zou ik zeggen, in alle varianten. Ook voor mensen zoals u, die in het aardse leven van het celibataire type zijn, is er nog een grote toekomst hier. Hoe dat allemaal werkt, dat zult u wel zien bij aankomst. Hopelijk duurt dat trouwens nog lang, zodat we nog lang uw stukjes kunnen lezen. (En trouwens, er een boek van maken zou echt wel een goed idee zijn, dat vinden wij hier ook.)

Er zijn natuurlijk wel problemen hier in de hemel. Af en toe is er een chocoladetekort. En eerlijk gezegd vind ik dat studiootje dat ik hier heb toch echt wel wat aan de kleine kant. Ik heb veel boeken, moet u weten, en zo’n e-reader, dat is echt niets voor mij. Ik wil zo’n boek kunnen voelen en ruiken en betasten. U kent dat gevoel wel.

In veel opzichten is het leven hier veel gewoner dan mensen op de aarde denken. Wij kijken hier ook naar Game of Thrones. (En wij snappen hier al evenmin iets van dat verhaal, maar niet verder vertellen.) Er is hier ook donderdag veggiedag, maar het is perfect mogelijk om alle dagen van de week veggie te eten. Elektrische fietsen, dat begint nu nog maar pas op te komen, maar je begint ze stilaan wel meer en meer te zien.

Eigenlijk, en misschien is het daarom dat ik deze brief schreef, schamen we ons een beetje als we die bisschoppen bezig zien. Het probleem is: aan hen kunnen we geen brief sturen, want daarvoor moet je een open geest hebben, zoals u. Wie ontvankelijk is voor de hemel, kan ook ontvankelijk zijn voor de aarde. Nu ja, u begrijpt wel wat ik wil zeggen.

Mijn excuses dat ik u met dit alles heb overvallen. Vergeet het maar snel weer. Ik voel me al een heel stuk beter, helemaal opgelucht eigenlijk.

Geniet nog van de goede dingen, en blijven schrijven!

Barbara van Nicomedië

18 oktober 2014

En nooit weet je het

Zoveel dingen die je nooit zult weten.

Was je op het juiste moment op de juiste plaats? Misschien heb je ooit net een ontmoeting gemist. Keek je net op het juiste moment de verkeerde kant uit. Misschien had die ontmoeting je leven kunnen veranderen. Of misschien was het omgekeerd. En had je bijna iets gemist dat daarna zo belangrijk zou worden.

Heb je wanneer het moest de juiste dingen gezegd? Eindeloos veel momenten zijn er geweest. Momenten waarop je woorden ertoe deden. Hoe vaak heb je iets niet gezegd? Misschien uit schaamte, angst, of kleine lafheid. Of net uit zorg, de wil om iemand te sparen. Maar de momenten waarop er moed nodig was. De momenten waarop die woorden van jou het verschil hadden kunnen maken voor een ander. De momenten waarop je had kunnen zeggen, in allerlei varianten: ik zie je graag, ik ben bij je en ik ga nu niet weg, ik wil je troosten. Niet als een deel van een of andere grote belofte, maar enkel als wat het was, woorden die ook niet hadden kunnen gezegd worden.

Heb je je niet meer door angst laten leiden dan nodig was of dan je aankon? Het is een deel van het langzaam ouder worden, waarschijnlijk. Je verzoenen met je angsten. Ze niet meer ruimte laten dan nodig. Soms schrik je van jezelf, en zie je pas later dat wat je deed iets met angst te maken had. Soms besef je dat dat nergens voor nodig was. Soms aanvaard je dat je niet anders kon. Maar weten doe je het nooit.

Heb je je niet afgesloten van de liefde, soms? Het kunnen momenten zijn. Het kunnen blikken zijn. Het kunnen houdingen zijn. Het kan alles zijn. Misschien liep je wel weg, soms. Misschien was je op de vlucht, soms. Misschien bleef je zitten, terwijl je had moeten bewegen. Misschien durfde je niet aanvaarden. Misschien kon je het niet geloven.

Heb je genoeg gelachen? Je probeert en oefent elke dag. Je zoekt de kieren waar je de lach zou kunnen toelaten. Waar die kleine verstoring het wonder kan laten ontstaan. Het is ook als een ritueel, om anderen te eren. Sommigen die er niet meer zijn. Als je aan hen denkt, denk je aan: lachen. Je had je ooit heilig voorgenomen: voor hen zal ik lachen, tot altijd.

Hoeveel onvermogen was er wanneer je iemand kwetste? Je hebt ongetwijfeld talloos veel fouten gemaakt. Je deed zo vaak de dingen die je niet wilde doen, waarschijnlijk. En soms kon je niet weerstaan aan de verleiding om een ander te raken, hoe subtiel ook, ongetwijfeld. En vaak deed je het toch, al dacht je dat je het tegenovergestelde deed. En zo vaak was er waarschijnlijk alleen maar onvermogen.

Zou je een goede vader geweest zijn? Waarschijnlijk de moeilijkste van alle vragen.

Was je mild genoeg voor jezelf? Je hebt het moeten leren, waarschijnlijk. Er was tijd voor nodig. De weg die aan de mildheid voorafgaat, heeft zijn tijd nodig. Het is niet anders. Soms moet je wachten. Maar eens het tijd is, hoeft dat niet meer altijd.

Heb je genoeg met het hout gedaan? Hout, dat was iets van je grootvader, van je vader. En een heel klein beetje van jou. De woorden werden jouw hout, waarschijnlijk. Soms is er nog dat schuldgevoel, alsof je iets hebt doorbroken. Soms denk je dat het goed is zo.

Heb je genoeg schoonheid in je leven toegelaten? Ook dat oefen je elke dag. Je kunt niet zonder muziek. Je snakt naar mooie woorden, telkens weer. Je droomt van foto’s, en het moment waarop ze je verrassen. Je kijkt naar beelden en schilderijen. En al die andere dingen, nog eindeloos veel meer. De schoonheid in een rimpel, in een scheur. De schoonheid van de mooie mensen die je zo graag ziet. En toch, je weet het niet.

Was je zacht wanneer je zacht had kunnen zijn? Of liet je de momenten voorbij gaan, omdat het gemakkelijker was zo? Zo vaak is zacht een keuze. Je kunt ze ook niet maken.

Heb je de aarde aangeraakt?

16 oktober 2014

Welke talen

Op weg naar het werk. Het is nog stil in de straat. Alleen het geroep. De mama roept tegen haar kleine dochtertje. In een vreemde taal. Ze lijkt heel kwaad. Het dochtertje antwoordt rustig, in het Nederlands. De mama gaat verder in de andere taal. Het dochtertje antwoordt weer, en de mama schakelt ook over. Het geroep is ineens weg. Ze kwetteren gezellig samen, zo lijkt het wel. Welke taal het is, dat kun je niet meer horen.

Je houdt van de verwarring, op het werk. Wie zal in welke taal beginnen, hoe ga je verder, en hoe vaak schakel je over van Nederlands naar Frans naar Nederlands naar Frans… Soms kun je bijna in het niemandsland komen, waar de twee talen elkaar omarmen.

De man in de winkel vraagt twee stukken quiche. Hij heeft een accent. Ineens gaat de telefoon, hij neemt op. In een flits probeer je te gokken: welke taal zal het zijn? Het blijkt Frans, al spreekt hij dat ook met een accent. Je weet het nog steeds niet.

Soms probeer je het in de trein ook, gokken: wie zou welke taal spreken. En het klopt nooit. Gelukkig.

Tijdens de vergadering, een discussie over dialecten. Mensen gaan heen en weer in hun hoofd. Soms moet je zoeken of het er nog is. Soms schrik je ineens van een woord dat zomaar uit je mond komt. Je weet niet eens meer of het wel klopt. Of zoiets.

In het televisieprogramma op Canvas. Een Nederlands koppel. Een gesprek over jaloezie. Hij wordt ondertiteld, zij niet. Je probeert te begrijpen waarom dat zo is. Het lukt niet.

Een programma met Britse stand-up comedians. Je probeert te horen waar ze juist vandaan komen. Het lukt niet altijd.

Thuiskomen na een debat dat je moest modereren. En nog een gesprek daarna op café. Je bent erg moe, de dingen razen door je lijf. Je zou eigenlijk een uur of twee voor de televisie moeten blijven liggen, tot je lichaam zegt dat het tijd is. Je doet het niet, en gaat toch maar naar bed, omdat het volgens de klok tijd is. Het is ook al laat. En je merkt het al snel: het zal nog lang duren, je lichaam wordt niet rustig. In je hoofd raast een eigen taal. In je lijf een andere. De plek waar alles zich neer zou kunnen leggen kun je niet bereiken. Je kunt alleen wachten, tot de talen zich terugtrekken.

Verlangen naar een andere taal, aan de andere kant van de woorden. Waar de huid geduld heeft. Niet weg kunnen uit deze taal, denk je.

Heeft je buik ook een taal? Waarschijnlijk wel. Gradaties van vreemdheid. Soms begrijp je ze een beetje, soms niet. Even gaan zitten. En de druiven proberen. En niet veel later gebeurt er iets daar. Druiven zijn vredesbrengers.

De bovenbuurvrouw die weer eens ruzie maakt in de telefoon. Je hoort de woorden stuiteren. Je wilt ze niet kunnen verstaan.

Elke dag op het internet een portie Duits lezen. In het lettertype van die ene site is het Duits mooier.

Verlangen naar een dekentje. En iemand die zegt dat alles goed zal komen. Zoals je kunt verlangen naar verdwijnen in een taal.

Je leest een artikel over een voorstelling van een Deense choreografe. Misschien was je er wel graag bij geweest. Misschien had je het niet gedurfd. Wat je leest, bevestigt het. Het zijn andere talen, andere werelden. Daar mag jij niet komen, denk je.

Je staat te spreken voor die groep mensen. Drie uur lang. Soms kijk je naar je eigen taal. Van op een afstandje. Je kijkt naar de woorden. Je spreekt even wat trager, ziet de pauzes. Je kijkt naar je gebaren. Je ziet de taal bewegen. Je hoofd kun je niet zien, in dat beeld.

Het effect van enkele te korte nachten. Je kunt sommige woorden niet bereiken in je hoofd. Je ziet waar ze zijn. Je zou ze kunnen aanraken. Maar ze laten zich niet lezen. Ze laten zich niet vinden. Als kloven in je eigen taal.

Je vraagt je af hoe de taal klonk in je hoofd toen je een kleine jongen was. Je kunt niet meer terug naar die taal.

En.

Talen van je hart. Talen van je verdriet. Talen van je vrede. Talen van je eenzaamheid. Talen van je  aanraakbaarheid. Talen van je rusteloosheid. Talen van je onveilige plekken. Talen van je genot. Talen van je sprakeloosheid. Talen van je verbrokkeldheid. Talen van je zijn.

12 oktober 2014

Iets met kreupelhout

Je leest het interview in de krant met de kunstenares. Enkele dagen geleden las je ook al een interview met haar. En net als toen aarzelde je een beetje om het te lezen.

Je herinnert je de documentaire op de televisie over haar. En hoe die helemaal onder je huid kroop. Hoe ze werkte, hoe ze aanwezig was, de beelden met de paarden, en het aura dat leek te hangen rond alles wat ze maakte.

Misschien heeft die aarzeling iets met dat aura te maken.

Ze maakte een tijdje geleden een boek, samen met die schrijver uit Zuid-Afrika die je zo bewondert. Van zijn boeken heb je ook een beetje schrik, of zoiets. Dat boek dat ze samen maakten, je nam het verschillende keren vast in de winkel, bladerde erin, en legde het weer terug. Je weet niet goed waarom.

Pijn, lijden, mededogen, troost, schoonheid. Die woorden komen terug in de interviews. Die woorden zaten ook al in je hoofd, bij je herinnering aan haar beelden.

Je ziet een foto van hoe ze die grote constructie, met als naam Kreupelhout, opnieuw aan het opbouwen is in het Gentse museum waar er binnenkort een tentoonstelling over haar werk start. Je leest dat die naam een suggestie was van de auteur met wie ze het boek maakte.

Het is alsof alleen al kijken naar die foto’s, denken aan haar beelden, je klein en kwetsbaar maakt.

Misschien is het de overweldigende lichamelijkheid ervan. Overweldigend, maar niet uitbundig, integendeel.

Als je aan haar denkt, hoe ze was in die documentaire, dan weet je niet goed welk woord er eerst komt. Het maken is heel erg fysiek. Het is alsof de pijn door haar heen gaat naar het beeld. Ze is ook zo soeverein. En tegelijk zo kwetsbaar.

Je zoekt de documentaire terug op. Het is alsof je die stem weer wilt horen, haar in beweging zien. De herinnering was een beetje anders in je hoofd, maar het raakt je opnieuw heel erg.

En het is alsof de woorden sputteren, terwijl je de beelden ziet. Ze zijn op een plek waar woorden niet kunnen komen. Niet binnen dat aura.

Zou dat ook een deel van de aarzeling geweest zijn? Het voelen van die rand, tot waar de woorden kunnen komen? Je kunt geen woorden bedenken die die schoonheid beschrijven. (In je hoofd probeer je enkele woorden uit, maar niets werkt, niets klopt.)

Of was je alleen bang van de intensiteit? Je moet iets van jezelf loslaten om te kijken, en te zien. Dat je dat weet, misschien is het dat.

Je zult zeker proberen te gaan, naar die tentoonstelling. Ook al heb je tegelijk schrik. Je weet nog niet wie je zult vragen om mee te gaan. Misschien is het beter alleen te gaan. Misschien niet.

In tegenstelling tot de titel van een boek dat je ook erg raakte, kun je verlangen naar troost, erg verlangen naar troost. Misschien ben je bang dat die beelden die plek in jezelf zullen raken. Misschien zullen de beelden je laten voelen dat ze zelf de troost in zich hebben.

Je merkt dat alle gedachten die door je heen gaan omgeven zijn door stilte.

Misschien is het goed om daarmee de dag af te sluiten.

11 oktober 2014

Luxe XL

Ik zag haar in de krantenwinkel. Ze was net als ik een beetje de kluts kwijt. Je moet soms al moeite doen om iets zinnigs te vinden in de magazines die bij de weekendkranten gevoegd worden. Maar dit weekend deden ze er nog een schepje bovenop. Alsof ze het onder elkaar hadden afgesproken of zo. Bij de twee kranten die ik altijd lees, zaten magazines die eigenlijk als enige inhoud hadden: luxe. Op een daarvan stond het ook met zoveel woorden: Luxe XL.

In de gang buiten de krantenwinkel keken we elkaar aan met dezelfde o jee-blik, gevolgd door een zucht. Zullen we een koffietje doen, stelde ik voor, een gewoon koffietje, dat is al luxe genoeg.

Irma, zo heette ze. Fijn, dacht ik, dat er toch nog iemand is met die naam.

‘Begrijpt u dat nu? Kijk nu, zo dik, zoveel foto’s, zoveel artikels. Zoveel mensen die uren, dagen hebben gewerkt om een magazine te maken waarin ze het over luxe hebben. Is het nu de bedoeling dat ik me, door dit alles aan te raken en te lezen, ook verbonden ga voelen met die andere droomwereld, dat ik me ook luxe ga voelen? Het enige wat ik denk, is: dit ben ik niet, dit gaat nergens over. En ze hebben veel moeite gedaan om het te maken, en dat moet stukken van mensen kosten, en waarom? Wat wil men hiermee zeggen?’

Eigenlijk was daarmee die discussie gesloten, want we waren het behoorlijk eens. Ik vulde nog aan dat zoveel uitgestalde luxe, met zoveel vanzelfsprekendheid gebracht bij de krant, me alleen maar verdrietig maakte.

‘Weet u, ik had eigenlijk gehoopt dat de magazines vol zouden hebben gestaan met verhalen over de liefde. Dat lees ik wel graag in het weekend, zo aan de ontbijttafel. Hebt u dat ook?’

Ja, zei ik, alsof het een guilty pleasure was. Irma ging snel weer verder.

‘Soms vraag ik me het af, hoe anderen dat doen, de liefde. Ik vind het toch wel een beetje ingewikkeld. Ik heb een tijd een vriendje gehad. Hij zei dat hij me mooi vond, maar te traag. In de liefde dan, niet in de rest, want daarin ben ik nogal snel, denk ik.’

Ik zei dat ik dat wel een beetje herkende. Mensen zeggen me vaak dat ik snel stap, wat misschien ook wel zo is. Ik zag dat Irma haar best deed om haar stem niet te laten overslaan.

‘Hij is weggegaan, en heeft een snelle madam gevonden, veronderstel ik toch. Ze heet Peggy. Peggy zou trouwens zo in dat boekje van Luxe XL kunnen staan. Hoewel, die vrouwen in dat boekje hebben toch niet zo’n grote borsten als Peggy. No way, dat die van Peggy echt zijn. Hij zei tegen mij dat Peggy hem beter begrijpt, en dat hij zich voor haar niet moet inhouden. Subtiel, qua stille wenk.’

Ik had mijn koekje bij de koffie aan Irma gegeven. Ze at het eerst rustig op, voor ze weer verder ging.

‘Ik denk dat ik de meeste dingen wel snel kan. Opruimen, afwassen, mails beantwoorden, de krant lezen, koken, een artikel over de tweede wet van de thermodynamica begrijpen. Maar de liefde, dat gaat traag bij mij. Ik open me traag, denk ik. Niet dat ik dat zo wil, integendeel zelfs, maar het is nu eenmaal zo.’

Ik vertelde haar dat dat bij mij niet zo anders is. Iets over deuken, en hoe ermee om te gaan.

‘Ik had het hem nog gezegd, dat hij geduld moest hebben met mij. Maar dat leek hij niet goed te begrijpen. Of hij dacht dat dat maar eenmalig was of zo. Alsof ik een blikje was waarvan het deksel knelde, en dat je dat dan gewoon even open moest maken. En misschien ben ik wel meer als een mossel, die telkens weer dicht gaat. Sorry voor de beeldspraak, maar op dit uur van de dag ben ik nog niet in staat tot grootsheid.’

Ik zei haar dat men misschien ook, voor de beeldspraak dan, een vegetarisch alternatief zou moeten zoeken voor de mossel, om dan hetzelfde te zeggen. Maar ik realiseerde me meteen dat dat een ongemakkelijk grapje was. Lichte humor om de herkenning niet te laten blijken, of zo.

‘U kunt wel goed luisteren, wist u dat? Nu ja, soms ben ik ook wel blij dat hij weg is. Zoals in het weekend. Ik heb niet bepaald een ochtendhumeur. Maar in het weekend wil ik graag in stilte lang aan tafel blijven zitten. De ene dag de ene krant, de volgende de andere. En hij kon daar helemaal niet tegen. Misschien zou hij nu dit weekend wel blij geweest zijn met die luxebijlagen. Ik wil eigenlijk alleen verhalen lezen, verhalen van mensen. Luxe, als onderwerp op zich, dat is geen verhaal.’

Irma maakte zich klaar om te vertrekken. Ze moest nog boodschappen doen. En ook nog een cadeautje zoeken, en naar het postkantoor brengen om te laten verzenden naar een vriendin. Ze glimlachte nog eens, streelde door mijn haar, leek even iets te willen zeggen, en vertrok toen. Ik bleef nog wat zitten, en toen was het ook voor mij tijd voor de boodschappen. Snel boodschappen doen kan ik overigens ook, dat had ik haar nog moeten zeggen, dacht ik nog.

10 oktober 2014

Waar is de maan

Op weg. Je moet die avond in een debat zitten. Je zit in de trein, die bijna gaat vertrekken. Je voelt hoe moe je bent. En je rug lijkt al enkele dagen een slagveld. Vier kwetterende meisjes komen net voor je zitten. Verse deogeuren komen je tegemoet.

Je hebt het nieuwe boekje van de bekende psychiater bij. Over de liefde. Je probeert je te concentreren. Het lukt nog niet helemaal.

’s Avonds naar die stad gaan maakt je altijd een beetje zenuwachtig. Het is de stad waar je overdag bent. En hoewel het waarschijnlijk een beetje onnozel is, wou je het toch. Eerst naar huis gaan. Even thuis zijn. Om eten te maken, de afwas te doen, en de dingen een beetje op te ruimen. Om dan weer te vertrekken. Het voelt anders. Het heeft iets met je ritme te maken.

Je zit op het perron te wachten, voor de overstap. Er zijn veel mensen op het perron. Niet heel veel, zoals op de andere uren wanneer je hier bent. Maar genoeg. En ze passen goed in het licht. Wat dat wil zeggen weet je ook niet, maar zo voelt het. Het licht is zachter dan je verwachtte.

De trein vertrekt weer. Naar de andere kant van de stad. Normaal als je deze trein neemt, ga je naar dat grote parlement, waar je altijd zo graag was. (Het wordt trouwens tijd dat je nog eens gaat…) Nu ga je een halte verder. Het licht in de trein maakt de mensen rustig, denk je.

Het perron van je bestemming. Nadien zul je je afvragen of je de maan ook al bij aankomst zag, of alleen bij het vertrek, na het debat.

En weer is er iets met het licht. Je had minder licht verwacht op dit perron, ander licht. Je gaat de trappen op naar de straat daarboven. Je stapt naar de plek waar men je verwacht. Onder de bomen. Het is er aangenaam.

De plek waar je moet zijn ligt boven de sportzalen. Beneden zie je mensen in een zaaltje allerlei inspannende bewegingen maken, in strakke pakjes. Vooraan, op een verhoogje, staat een man aanwijzingen te geven. (Je bent wel blij dat je daar niet bij staat.) Boven in het café – je bent dus blijkbaar toch weer te vroeg – kun je het zwembad zien. De dames en heren beneden zijn baantjes aan het trekken, in allerlei varianten. Die ene, behoorlijk gespierde mevrouw, zwemt met één arm, de andere gebruikt ze niet. (Als jij dat zou doen, zou je waarschijnlijk in rondjes draaien, of gewoon naar de bodem zakken.) Ze doet het heel rustig en geconcentreerd.

Je praat jezelf op gang tijdens het debat. Je praat je rugpijn naar de achtergrond. Het is een geanimeerd gesprek. Je vraagt je af wie die jonge mensen in het zaaltje zien als ze naar jou kijken. Eens je bezig bent, denk je: dit doe ik eigenlijk wel graag.

Je vertrekt, tijd om naar de trein te gaan. Het pad onder de bomen, naast de straat, is nog steeds stemmig. Je bent – zoals steeds – weer minstens tien minuten te vroeg op het perron. En heel anders dan je vooraf had gedacht, besef je dat je best wel even hier wilt blijven. Even. En daar is de maan, dus. Een heel erg mooie maan. De maan glimlacht. Je zoekt een plekje tussen het wachthokje en de bank waar de twee meisjes zitten te babbelen. Met genoeg licht van de lamp om nog stukjes te kunnen lezen in het boekje over de liefde. En met uitzicht op de maan, de mooie maan. Een beetje verlegen stap je in. Je wilt graag naar huis, maar er was iets hier, denk je.

Er is nog een overstap. De zwarte man loopt sierlijk heen en weer op het perron. Hoe zou hij dat doen, vraag je je af. Waar moet je wat bewegen om dat effect te verkrijgen? Het zal wel een geheim zijn. En ook helemaal buiten het bereik van je aan alle kanten rammelende lijf.

De trein rammelt ook, denk je terwijl die het station binnenrijdt. Die oude treinstellen, ze hebben iets. Ze zijn ondertussen opgelapt. Het licht is anders. Vroeger waren ze somber, alsof ze altijd de nacht in zich hadden. Nu zijn ze fris. Als een plek waar de nacht je niet kan raken, voor even toch.

Dingen over de liefde. Ze gaan door je hoofd.

Het station van aankomst. Dit is dus de vierde keer vandaag dat je hier komt, denk je. Het geeft niet. Er is een ruime stilte, zoals altijd op dit uur hier. Een stilte die breed aanvoelt.

Het is nog een eindje stappen naar huis. Even denk je: kon ik maar, als met een sprong van een reus, ineens thuis zijn. Dat gaat snel weer weg. Je kijkt naar de mensen onderweg. En het licht in de winkelstraat, nu het nacht geworden is.

Voorzichtig binnenkomen. Zachtjes de gordijnen sluiten. Traag een glas water nemen. Even de televisie nog aan. En onder het dekentje. Hopen dat allerlei dingen zomaar spontaan zouden wegvloeien uit die rug en die schouders en dat hoofd. Al weet je al dat het niet zo zal zijn. Je weet nu al dat je waarschijnlijk weer wakker zult worden, ergens halverwege de nacht die nog overblijft. Het is niet erg, het is zo.

En de maan, die is nog steeds daar ergens. Buiten. Jij bent nu binnen, denk je. Dit is de plek, hier wou je zijn.