27 mei 2022

Ze raken elkaar


Je loopt naar het station, de werkdag zit erop. De vooravond van een lang weekend. Je bent moe, je zou eigenlijk een beetje willen verdwijnen in een lege beweging. Je hoopt stiekem op een lege trein, zodat je gewoon een beetje voor je uit kunt kijken.

Net voor je vertrok, kreeg je goed nieuws van een dierbaar familielid. Na al die tijd is er eindelijk een beetje goed nieuws. De deur naar het leven blijft nog een tijd open. Het voelt bijna als een kleine anticlimax, alsof je je er niet op had voorbereid.

Terwijl je het zebrapad oversteekt, voel je de irritatie van de chauffeur in zijn dikke SUV. Je kijkt hem recht in de ogen. Hij had waarschijnlijk liever gehad dat je dat niet had gedaan, zodat hij je op het zebrapad toch nog voorbij had kunnen rijden. Een voetganger is een object dat in de weg loopt.

Die middag had je het levensverhaal van de poetsmeneer gehoord. Het kwam er in een geut uit, hij bleef maar vertellen. Het verhaal ontroerde je. Hoe hij over zijn kinderen vertelde, hoe hij voor hen gevochten had. Hoe blij hij was dat het nu allemaal goed ging.

De trein komt aan in het station. Leeg zijn de wagons niet. De jonge vrouw die vol smaak haar appel eet en sierlijk aan kwam wandelen, stapt net voor je in de trein. Het publiek is gemengd, of met andere woorden: er zijn ook niet-pendelaars op. Die maken meer lawaai.

De bank achter je zit een trosje gepensioneerden. Ze komen terug van een daguitstap en praten de hele tijd verder. Zodra een van hen een gaatje laat vallen in een zin, pikt een andere in, zo lijkt het wel. Het is een kunst, zo de hele tijd doorpraten. Dus geen stille trein, met alleen wat kijken en de kranten.

De conducteur is goed gezind en doet zijn best om opgewekt te klinken in de luidsprekers. De vrouw heeft haar appel op. De man tegenover je steekt een blik babyvoeding in zijn tas. De vrouw naast je lijkt moe, misschien had ze ook stiekem gehoopt op een stille trein.

Na enkele stations begint de trein te vertragen. Er is een signaal. De conducteur loopt door de wagon naar voor, spreekt terwijl met de chauffeur. Je hoort hem nog net ‘oei’ zeggen, voor hij de deur sluit. De trein stopt.

De conducteur kondigt aan dat er een ongeluk is gebeurd met een trein net daarvoor. Iemand is onder de trein gesprongen. Het moet net gebeurd zijn. Buiten hoor je sirenes. Iemand is niet meer in dit leven. De conducteur wacht verdere instructies af.

Mensen beginnen een beetje rusteloos berichtjes in te tikken op hun telefoon, of spreken op gedempte toon met iemand aan de andere kant. De ouderen op de bank achter je praten de hele tijd door. Ze vragen zich af of ze wel snel alle informatie zullen krijgen en snel een andere trein.

Je probeert wat te lezen in de kranten. Zwijg even alsjeblieft, zou je willen zeggen aan de mensen achter je. Er is iemand gestorven. Je doet het niet. Het is ook hun trein. Ze hadden zich hun dagje uit waarschijnlijk ook anders voorgesteld. En toch, denk je, zwijg gewoon even.

De conducteur doet zijn best om regelmatig de informatie die hij heeft door te geven. De trein zal zo snel mogelijk in omgekeerde richting terug naar Brussel rijden. Hij hoopt dat dezelfde trein daarna met een omweg toch naar de voorziene bestemming zal kunnen rijden.

Ergens is er een verhaal dat aan dit moment is voorafgegaan, denk je. Een verhaal van een lijden dat mogelijk niet meer te dragen was. Alleen de dood kon iets doen, misschien. Je zou willen dat er ergens tussen die mensen rondom je een lege plek zou zijn waar dat verhaal zou kunnen rusten.

De mensen achter je hebben het over hun vegan kleindochters. Ze hebben er natuurlijk niets tegen, maar ze vinden het toch wel vervelend, en raar, eigenlijk. Waarom moet dat allemaal, en waarom zouden ze zelf iets moeten veranderen.

Ondertussen is de trein weer in Brussel aangekomen. Hij zal niet meer opnieuw vertrekken, het is aangewezen een andere trein te nemen. Een ondertussen grote groep gepensioneerden staat zuchtend op het perron. Ze geven commentaar op alles wat zogenaamd weer ‘typisch’ is.

Ze haasten zich naar een ander perron, waar er een trein naar Leuven gesignaleerd is. Jij blijft op het perron staan, je wilt even alleen zijn. Je merkt aan alles dat op dat moment eindeloos veel mensen alles doen wat ze kunnen om iedereen toch thuis te krijgen. Ze verdienen al dat gezeur niet.

Iemand zal niet meer thuis komen. Iemand zat vooraan in de trein aan het stuur en zag het gebeuren en kon niets doen. Iemand moet het lichaam straks met zachtheid meenemen. Zoveel mensen hebben het mogelijk ook zien gebeuren voor hun ogen, konden niets doen. Even stilte zou toch moeten kunnen.

De trein die je zult nemen komt eraan. Je zoekt een plekje. Je legt de kranten op je schoot, maar eigenlijk wil je niet lezen. Je hoopt dat deze trein wel stil zal zijn. Quod non. De vrouw naast je onderbreekt haar telefoon niet om haar ticket te tonen, en zal de hele rit ononderbroken luid praten tegen haar vriend.

Het heeft iets wezenloos tragisch. Dat ene leven, dat mogelijk in een tunnel zat, en enkel naar de dood kon leiden, heeft in dat ene moment de avond van waarschijnlijk duizenden mensen veranderd. Je zou het kunnen verdragen, dat de conducteur een moment van stilte vraagt. Dat gebeurt niet.

Het is alsof de trein zelf wel een zekere deemoed uitstraalt. Je voelt het, wanneer je uitstapt op je bestemming. De trein zwijgt. Je hoopt dat je snel voorbij de mensenmassa zult zijn, je wilt alleen zijn, traag naar huis lopen.

Bij de aankondigingsschermen staan mensen met een gefronst voorhoofd te kijken. Zij willen ook gewoon naar huis. Misschien willen ze zelf aan hun geliefde kunnen vertellen dat er nieuw leven op komst is. Ze raken elkaar. Leven en dood. De trein herinnert zich alle verhalen, in stilte.

22 mei 2022

De zee zijn


Misschien moet je soms dagen wachten, misschien heeft je huid zoveel tijd nodig.

Misschien heb je de stilte van een zondag nodig, om terug te keren.

Misschien wil het iets zeggen, dat je hen nu kunt zien aan je tafel.

Misschien kun je helen.

Misschien was dit hier de plaats van aankomst.

Misschien droomde je over het trage water.

Misschien zou je het kunnen, met jouw handen.

Misschien zeggen de planten dat je het al wist.

Misschien was de lange hinkelbaan van de kinderen een geschenk.

Misschien is het goed dat boek in niet al te grote porties te lezen.

Misschien kun je ooit begrijpen, waarom je vluchtte.

Misschien wist je iets over grenzen, was het er al.

Misschien is het goed die plant wat bij te snoeien, misschien mag het.

Misschien kun je nooit zien welke vader je zou zijn geweest.

Misschien weet je nooit wie je bent in een ander.

Misschien is het genoeg dat zij weten dat jij er bent, ergens.

Misschien mag je jouw golf zijn, als geduldig water.

Misschien bleef de nacht bij je waken.

Misschien is het tijd om hem los te laten.

Misschien heeft dat ene beeld je lichaam veranderd, misschien kantelde het daar.

Misschien willen de meeuwen je iets zeggen.

Misschien begrijp je dat van die stukken nu beter, al is het niet eenvoudig.

Misschien kun je het verlangen uit elkaar leggen.

Misschien is het waar, wat ze zei, over de woorden.

Misschien kun je die zure pickles ook wel zelf maken.

Misschien mag je toch beginnen aan die aardbeien.

Misschien begrijp je iets over de troost.

Misschien is het goed.

20 mei 2022

Fons


In je agenda zie je dat het de verjaardag is van je grootvader. Hij zou 122 geworden zijn als hij nog leefde. Hij was 65 toen hij je grootvader werd. Hij werd 85 jaar oud. Hij was 20 jaar in je leven.

Het is een beetje raar om die getallen te zien. Het is raar om naar jezelf te kijken in die getallen. Het is gemakkelijker om te denken dat Fons er de hele tijd was, toen je nog jong was, dan te denken aan twintig jaar.

Zijn twee zonen zijn er ondertussen ook al niet meer.

En hij is er natuurlijk nog altijd wel, in jou.

Hoe je na school tegen hem aan kroop, je zus aan de andere kant, en hij voorlas uit een boek. Hoe je met hem kaartte. Hoe je met hem ging fietsen, om te gaan kijken naar de bruggen over de E10. Hoe jouw hand in de zak van zijn loden jas zat, op weg terug naar zijn huis, na de mis. Hoe hij ’s morgens een eitje bakte voor jou, in dat kleine pannetje. Hoe je naast hem stond, in het werkhuis. De geuren van de houtkrullen. Hoe hij op zijn stoel zat, naast de televisie.

Hoe hij die weken voor hij zou sterven de hele tijd naar zijn handen keek, zich afvroeg waarom ze zo koud waren. Hoe hij in dat bed lag, in het ziekenhuis, rusteloos. (Hoe hij stierf in een voor jou verwarde tijd, hoe je je schuldig voelde, omdat je in die tijd niet was wie je had willen zijn voor hem. Hoe hij schrok van zijn eigen beeld op de foto, die zijn laatste zou worden, waar hij samen met je zus op staat. Hoe blij je altijd was, dat zij het was die op die foto staat, en dat jij ze maakte.)

Hij is er nog altijd wel. Soms zie je zijn hoofd in het jouwe. Soms voel je hoe hij beweegt in jou. Soms wacht je op hem, terwijl je aan het aanrecht staat te wachten op iemand die bij je komt eten. Je laat je hoofd rusten op je hand en droomt een beetje weg, zoals hij dat deed, ergens in de voormiddag, nadat hij de aardappelen geschild had voor Julia. En zo wacht je op hem.

En hij is ook zo ver weg. Iets blijft in die twintig jaar.

Soms kun je hem zien. Dan staat hij voor je deur. Julia haakt haar arm in de zijne. Je hebt hen opgewacht, zodat ze je naam niet hoefden te zoeken op de deurbel. Hij staat daar stil en ingetogen, haar ogen fonkelen zodra ze jou ziet komen. Ze komen binnen in je huis. Hij kijkt rond en knikt.

Kijk, zeg je, hier staat de kast die jij maakte. Hij knikt. Zij glimlacht. Kijk, zeg je, hier staat jullie foto, op de piano. Hij is stil. Je vraagt of hij koffie zou willen. Dat is goed, zegt hij. Je hebt taartjes voor hen gekocht, met veel slagroom. Je zou hem willen vragen of hij nog eens gekke bekken zou willen trekken bij het eten ervan, maar dat durf je niet zo goed. (Je lijkt zo groot, zo oud. Zij zijn ergens in de tijd gestold, jij bent van hen weggedreven in de jaren.)

Je zou alles willen zeggen wat je toen niet kon, opgezogen in je eigen gevecht. Je woorden zouden zo onhandig lijken. Je zou hem zeggen dat je telkens opnieuw aan mensen vertelt over die kast. Je zou hem maar niet vertellen dat je soms denkt dat mensen het een beetje raar zullen vinden, of zullen denken: is hij daar nu weer met zijn kast? Misschien zou je hem vertellen dat je zo blij was toen er onlangs iemand voor het eerst bij je op bezoek was, die je vroeg: is dit nu de kast? Misschien zou je vragen dat hij al die verhalen over de oorlogen opnieuw zou vertellen. Je hoorde ze vroeger eindeloos vaak, hij vertelde ze telkens opnieuw. Je bent zo blij dat je via zijn verhalen die vijfenzestig jaar extra in je hoofd erbij kreeg. Iets van jou kon gewoon teruggaan naar het dorp, hoe het was in 1900, en het was alsof je daardoor iets meer grond onder je voeten kreeg. En aan haar zou je vertellen over Julia. En je zou vragen of je haar handen nog eens vast mocht nemen. Zoals zij daar lag, die laatste maanden van haar leven. Hoe ze je telkens zei: je handen zijn zo warm. (Misschien zou je haar iets vertellen over het jongetje.)

Ze zitten aan je tafel, ze zijn in jouw huis. Je zus is er ook bij komen zitten. Je zou eigenlijk willen vragen of je tussen hen in zou mogen zitten, maar je doet het maar niet. Het gaat goed met me, zeg je. Zij knikt.

Zoals zij naar je keek vroeger, en wilde weten of het wel goed ging met jou. Je zou haar vertellen over de sprei die zij voor je haakte, en dat die nog altijd bij je is, in de andere kamer.

Ze zijn gekomen, besef je. Je laat je zus praten, zodat jij alleen kunt kijken.

Je neemt de handen van je grootvader. Ze zijn niet meer koud. Je hebt warme handen, zegt hij. Zij glimlacht. (Je vertelt niet dat je soms bang bent dat er iets zal gebeuren met je handen, dat het leven zich zal terugtrekken uit je huid.)

Nu ze weten waar je woont, kunnen ze altijd komen, denk je.

Kijk, zeg je, hier in mijn portefeuille heb ik de sleutel van jullie oude voordeur. (Je moest eerst een beetje duwen, en dan een beetje trekken, voor je die om kon draaien. Al stond de deur soms ook gewoon een beetje tegen. Zeker als je frietjes ging halen, zodat die nog zo warm mogelijk zouden zijn.) Het is raar, het is alsof ze niet meer terug willen naar hun oude huis. Ze zijn gewoon hier nu, de rest is niet meer zo belangrijk. (Al kan het ook zijn dat alleen jij dat denkt. Het geeft niet.)

Of ze nog wat koffie willen, vraag je. Ja, zeggen ze. Hij is lekker, zegt hij.

En zo gaat de dag nooit voorbij.

15 mei 2022

Zou je ooit weten


‘Zou je ooit weten wie je bent in het leven van een ander?’
‘Maak je je daar zorgen over?’
‘Goh, zorgen, dat is denk ik niet het juiste woord. Ik weet altijd goed wat een ander voor mij betekent en hoe die dan aanwezig is in wie ik ben. Maar omgekeerd lukt het me niet zo goed het te zien, of te voelen. Op een of andere manier weet ik het wel, maar dat weten staat los van mij, denk ik.’
‘Het is niet zo moeilijk nochtans. Jij bent iemand voor de anderen, niet niemand, je bent ook in hen.’
‘Misschien. Het verrast me elke keer opnieuw, eigenlijk. Het is soms alsof ik een stuk mis, een of ander onderdeel, in mijn lichaam.’
‘Ik ken je nu al zo lang. Het is alsof je blijft worstelen met die vraag.’
‘Iets in mij zegt dat ik altijd op de pechstrook sta of zo, dat ik geen recht heb om ergens anders te staan. Ik kan die stem ook wel doen zwijgen. Maar iets blijft hangen, denk ik.’
‘Het is zo grappig dat anderen altijd zo goed zien bij jou wat je zelf niet ziet.’
‘Ja, dat zeggen ze altijd.’
‘En soms trekt iets je naar mensen die eigenlijk niet zo goed zijn voor jou, alsof je van hen iets zou willen horen dat ze nooit zullen zeggen.’
‘Ja, dat laatste klopt wel denk ik. Soms is het alsof iets in mij de dingen wil horen, zoals dat het echt was of zo.’
‘Het is voor jou altijd echt, dat is het enige dat je zeker weet, en dat is al heel veel.’
‘Misschien is dat voor iedereen wel een beetje zo, is iedereen een beetje onzeker in zo’n dingen.’
‘Dat is waar. Maar het is nog iets anders bij jou. Het heeft iets te maken met dat recht hebben, dat komt zo vaak terug bij jou.’
‘Ja, dat is waar.’
‘Dat is gewoon niet zo’n productief woord voor jou in dit soort dingen.’
‘Gewoon kijken, het is genoeg, of zou genoeg moeten zijn. Dat probeer ik wel te oefenen.’
‘Het is wel grappig, hoe jij jezelf altijd probeert te observeren, alsof je iemand anders was.’
‘Dat is wel nuttig voor mij.’
‘Je doet dat goed, ik heb je dat al eerder gezegd.’
‘Dat is lief. Het is gewoon goed dat ik het soms even kan zeggen. Dan wordt het niet groter. En soms klinkt het nogal onnozel, en dat is ook heel goed.’
‘Je kijkt naar hen, ik zie het. Ik zag hoe ze naar jou keken. Het is wel goed, ook al zullen ze dat niet zeggen.’
‘Misschien wel.’
‘Laten we gewoon even naar die muziek luisteren, ze is zo mooi.’
‘We zijn ooit nog samen naar een concert van haar geweest, weet je dat nog?’
‘Ja, natuurlijk weet ik dat nog.’
‘Ze stond op het podium, en kreeg het ineens erg moeilijk. Het was of ze ter plekke haar stem leek te verliezen, door te veel emoties. Ze ging even weg, kwam terug, en vroeg toen aan het publiek om haar er doorheen te helpen. En dat lukte.’
‘Dat stuk herinner ik me nog vaag. Ik herinner me vooral dat ik daar was met jou, hoe je keek naar haar, hoe intens het allemaal was voor jou. En dat is zo mooi om te zien.’
‘Je maakt me een beetje verlegen.’
‘Soms moet je gewoon geloven wat mensen zeggen. Zoals die vrouw onlangs die zei dat ze ineens in de wachtrij jouw stem hoorde, naar je toe kwam en zei dat het een stem was uit haar jeugd, dat jij dus een stem was uit haar jeugd. En jij leek het niet te kunnen geloven. Terwijl het gewoon zo was.’
‘Ik zie jou dan altijd glimlachen op zo’n moment.’
‘Ja, natuurlijk. Het is allemaal zo zichtbaar, en jij ziet het niet.’
‘Wie weet.’
‘Zullen we iets te drinken halen? Ik heb zo’n dorst, het is zo warm.’
‘Ja, laten we dat doen.’

14 mei 2022

De vragen en het omwoelen


De vrouw komt je interviewen. Ze stelt al haar apparatuur op. Dat heb je dus allemaal nodig voor een podcast, denk je.

Het is rustig. Ze vertelt over de baby in haar buik. Het ontroert je.

Vooraf had je nog getwijfeld, of je het nog eens wilde doen. De verhalen over de kinderen, die er niet zijn.

Je denkt dat je naar een bepaald stuk van je stem moet gaan, om goed te kunnen antwoorden. Je stem moet traag aanvoelen, of zoiets. (En als ze daar is, klinkt ze soms al een klein beetje aanvaardbaar. Soms kun je zien hoe je zou willen dat je stem zou klinken. Misschien voel je je veilig als je op die plek van je stem bent.)

Ze heeft een lange lijst vragen in haar schriftje geschreven. Ze komen allemaal aan bod.

(Je probeert alleen daar te zijn, in die stem.)

Je probeert iets uit te leggen over waar je volgens jou geen recht op hebt.

(Je probeert te kijken naar hoe je lichaam reageert op wat je zegt. Misschien kun je zo iets begrijpen.)

De vragen zijn een uitnodiging, om telkens weer opnieuw te formuleren, en zo misschien iets te begrijpen. De woorden brengen je terug, en vooruit tegelijk.

Het is raar, hoe het werkt. Van sommige antwoorden weet je al ongeveer wat je zult zeggen, en toch is het alsof je je antwoord elke keer voor het eerst hoort.

(Ineens zie je die woorden, zie je die zin, voor je op de tafel. De woorden zijn er. Soms is het alsof je zo ineens ziet wat misschien voor de woorden wilde blijven, onverwoord. Soms is het alsof de woorden maken dat je er voorbij bent, dat iets achter je ligt.)

Misschien zocht je dat. In het elke keer opnieuw zoeken naar antwoorden op steeds min of meer dezelfde vragen, in dat telkens opnieuw herformuleren, maak je iets van jezelf. (Je bent het verhaal dat je over jezelf vertelt. Als het verhaal zachter en ronder wordt op bepaalde punten, zal dat misschien ook gebeuren met jezelf.)

Verhalen vertellen over de plekken waar je week bent, het lijkt soms alsof je zo de man tekent die je zult zijn, later. Misschien kunnen de verhalen je weg maken, kun je jezelf zo beschermen tegen wat anders zou kunnen komen, en waartegen je weerloos zou zijn. Je weet het niet.

Het is een geschenk, denk je, zo’n mooi traag gesprek.

Je vertelt over de kinderen die er wel zijn in je leven. Hoe belangrijk ze voor je zijn. (Hoe je altijd zult denken dat zij belangrijker zijn voor jou dan omgekeerd.)

(Je probeert dingen te vertellen die je eerder niet vertelde. Wanneer je de dingen tot in de woorden brengt, worden ze kleiner, denk je, kunnen ze je niet meer overnemen, of zoiets. De woorden nemen de macht van het zwijgen weg.)

En naast dat alles doet het ook pijn, is het zo naakt.

Je bent blij voor haar, voor het kind dat binnenkort in de wereld zal komen.

Ze vertrekt weer. Je kijkt haar na, terwijl ze over het plein loopt.

(Je moet even naar buiten, iets werelds doen. Je brengt je fiets weg. Het is tijd voor nieuwe remblokjes, denk je. Je vraagt het voorzichtig aan de man, of het zo is dat ze moeten vervangen worden. Hij zegt dat je er heel goed aan gedaan hebt om op tijd te komen. Je loopt terug naar huis, de dingen lijken overzichtelijk.)

Was het helend of omwoelend, vraagt een voormalige geliefde je later. Het is een goede vraag, besef je. Allebei, denk je.

Nadat je weer thuis bent, komen de dingen in trage golven over je heen. Het gaat zo door, de rest van de avond en de nacht.

Beelden die voor het eerst zo helder lijken. Momenten die je na al die jaren nog steeds kunt aanraken.

Of het eenzaam is, met die vragen omgaan, had ze gevraagd. Ja, denk je. Al troost het ook dat de woorden er zijn en dat je die kunt delen. Het is zachter eenzaam, misschien.

En je ziet het ineens zo duidelijk. Het kind waar je naar verlangde, is misschien ook een klein beetje het kind dat je zelf niet was. Je ziet in je gesloten ogen hoe het dat kind is dat je vastneemt en dicht bij je houdt. Je zit op de rand van het bed naar dat kind te kijken, slapend, en jij waakt. Je aait even over zijn haar, en fluistert dat het veilig is, dat jij er bent, dat er geen monsters zijn. Het kind slaapt zo vredig. Jij bent hier, in dit nu.

Hoe je jezelf als vader zou zien, zoiets had ze ook gevraagd. (Er zijn kortsluitingsvragen.) Het is gemakkelijker om te zeggen wat anderen over jou zeggen, over de vader die je zou zijn geweest. Er is een lege plek, waar nooit een antwoord van jou zal kunnen komen.

Of je iets van de brief aan je kind zou willen voorlezen, vraagt ze. En je schrikt van de woorden die je zelf, jaren geleden hebt geschreven. Hoe sommige dingen niet zijn veranderd, en dat dat goed is.

Het legt zich langzaam neer in je lichaam, in de loop van de volgende dagen. Het mag.

08 mei 2022

De gezichten


Mensen die hun gezicht dragen als was het een beweeglijk en lichaamsvreemd masker. Gezichten die soms helemaal niet meer passen bij die mensen, gezichten die hun eigen leven leiden en zich losmaken van de realiteit. Of zijn het enkel die gezichten die echt zijn? Kun je in en uit de realiteit schuiven, naar de waan en terug, maar niet helemaal? Kun je die waanwereld op afstand houden? Waar ben je echt veilig? Je kunt die vragen van binnenuit beleven in het opmerkelijke boek De gezichten (vertaald door Lammie Post-Oostenbrink) van de Deense schrijfster Tove Ditlevsen. Het boek verscheen oorspronkelijk in 1968 en is pas nu in het Nederlands vertaald.

Lise is een schrijfster van kinderboeken die al een hele tijd niets meer op papier krijgt. Ze kreeg een belangrijke prijs voor een van haar boeken, en dat heeft haar verlamd. Ze zit thuis, lijkt steeds meer in rondjes te draaien, en komt stilaan steeds meer in onevenwicht met de werkelijkheid. In haar huis zijn er kinderen, is er haar partner Gert en is er ook de huishoudster Gitte. Ze voelt zich niet echt veilig in haar eigen huis, is ervan overtuigd dat Gert iets heeft met Gitte en dat zij haar liefst weg zouden willen. De wereld die je door haar ogen ziet, wordt helder en scherp beschreven, maar steeds meer voel je dat er iets niet klopt.

Er lijkt een dunne grens te zijn tussen de wereld die we als echt beschouwen en de wereld van de waan. In het begin van het boek is het alsof die andere wereld dichtbij is, maar het niet overneemt. Lise ziet overal hoe gezichten op zichzelf leven, in allerlei richtingen bewegen, en wel of niet passen bij de mensen waarop ze zich bevinden. In haar hoofd is het een werkelijkheid, maar het is alsof ze nog altijd tegen zichzelf kan zeggen dat ze aan deze kant van de lijn loopt. Maar stilaan voel je hoe de vervaging toeneemt. Ze is ervan overtuigd dat Gert en Gitte haar slaappillen geven opdat ze daarmee een eind zou maken aan haar leven. Als lezer weet je niet meer aan welke kant van de lijn die observaties gedaan worden.
Lise neemt een overdosis slaappillen en komt in een psychiatrisch ziekenhuis terecht. Daar nemen de hallucinaties alleen maar toe. Er zijn stemmen die er waarschijnlijk niet zijn, mensen die er mogelijk helemaal niet zijn. Tegelijk voel je tussen alles hoe er bij Lise een verlangen is om daar te zijn, liefst in een afgesloten ruimte, weg van alles, omdat het daar veilig voelt.

Langzaam lijkt ze terug te keren, komt ze weer dichter bij de gewone werkelijkheid en ziet het ernaar uit dat ze weer naar huis zal mogen gaan. Ze is blij. Ze wil het leven met haar partner weer opnemen, wil misschien weer schrijven, wil haar kinderen zien. De andere wereld blijft op een afstand, maar is niet weg. Het zal weer goed gaan, maar voor hoe lang?

De gezichten is om veel redenen een heel bijzonder boek. Hoewel het boek al behoorlijk oud is, is de stijl heel precies en helder, en voel je helemaal niet dat het in een andere tijd is geschreven. De toon is nuchter, soms licht ironisch, soms cassant. Het is alsof de manier waarop alles wordt verteld doorheen het hele boek in hetzelfde register blijft. En dat maakt het sterk en beklemmend. Het is niet de taal die desintegreert. Het is wel de psychose die dichterbij komt, het overneemt, en zich daarna weer langzaam terugtrekt. Uit de reacties van de andere personages en de stem van Lise merk je dat die beweging er is. Je voelt hoe Lise er uiteindelijk weer voor kan kiezen om aan deze kant van de lijn te lopen. Al weet je dat het een wankel thuiskomen is.

Het is merkwaardig hoe dit boek tegelijk fris, soms grappig, beklemmend en intens voelt. Soms voel je na een hoofdstuk dat je het even weg wilt leggen. Het kruipt in je, en je verlangt er soms naar om even niet daar te zijn. Wat je als lezer kunt, kan het hoofdpersonage niet, of maar ten dele. En dat blijft wel hangen. Het besef dat Tove Ditlevsen zelf ook tijd doorbracht in een psychiatrische kliniek en dat ze uiteindelijk ook zelf uit het leven stapte, maakt dit alles nog intenser.

De gezichten is een heel bijzonder boek. Het is niet een boek om even lekker weg te lezen. Het is intens en heel aangrijpend, al voelt het eigenlijk niet zwaar aan. Die merkwaardige dubbelheid maakt de kracht ervan uit. Soms moet je het even opzij leggen, maar je wilt wel verder lezen. Het boek is nooit sentimenteel en dat helpt om een diep mededogen te voelen voor het lijden van het hoofdpersonage. Het besef van wat er met de schrijfster in het echte leven is gebeurd voegt daar nog iets aan toe. Het blijft nog lang na de laatste bladzijde door je heen gaan.

07 mei 2022

Worden en zijn


De versie van de dag in de spiegel zien.

Niet weten of er een nulpunt van jezelf bestaat.

Elke dag een verhaal zijn.

De herinnering in je huid.

Je stem die van je wegdrijft.

Verdwijnen in de beweging.

De golf in de zee.

Nooit weten welke vader je zou zijn geweest.

Iets horen over de vader die je bent.

Het litteken, die lijn.

Je bent in afwezigheid.

Wat je ineens begreep, wat je al die tijd had kunnen weten.

Je kunt jezelf niet uit elkaar leggen.

Ineens weer dat liedje horen: Oregon.

Een verlangen, ergens in de nacht.

Het jongetje loopt door het huis, zegt dat het een saai huis is, omdat er geen speelgoed is.

De foto van je grootvader, zo zag hij eruit toen hij de kast maakte.

Wat je nooit wist over de liefde.

Het strijkkwartet, het is in het verdwijnen.

Kijken naar een appel. Wat is een appel? Wat betekent is in die zin?

Tot waar de wind waait.

Of Julia in de tijd beweegt.

Waar je jezelf uit handen geeft, in de stroom.

Misschien wil iemand bij je zijn, soms.

Alleen nog de trein zijn.

Kunnen zien waar Leonie is.

Woorden in een rijtje zetten.

Niet weten wie je in hun leven bent.

De pijn in je rug.

De lege plek in je buik.

Het meisje op haar fietsje, ze lacht naar je.

De pasta die wacht in het kokende water.

De nog ongelezen pagina’s in het boek.

Verlangen naar een lege dag alleen.

Ruiken wat je zult ruiken na de regen.

De demonen.

De ficus.

De plek tussen wakker en slaap.

De steeds terugkerende droom.

Hoe je het vroeger op die tekening schreef: worden = zijn.