21 oktober 2018

Kantelritme

Hoe je heel langzaam in een ander ritme schuift. Je lichaam in enige vertraging.

Op weg naar toch nog een vergadering. Je komt iemand tegen onderweg. Je zou willen blijven praten, alsof je alle tijd had. Het kan nog net niet.

(Ze zegt dat ze hoopt dat je nu meer rust zult hebben.)

Ook al ben je moe, hoe je kunt verlangen naar alleen maar een werklijstje.

(Je kijkt naar jezelf in de vergadering.)

Die avond. Je had er zo lang op moeten wachten. Rustig de tijd hebben om verjaardagscadeaus klaar te maken voor verzending naar de jarige, in vertraging. (Eigenlijk kun je dat helemaal niet verdragen, dat een cadeau niet op tijd komt. Het zit waarschijnlijk alleen in jouw hoofd, want die ander vindt het nooit erg, eigenlijk. Iets in jou zegt dat je definitief zult falen, als dat cadeau er niet op tijd is. Een ander iets in jou zegt dat er een kans is dat je het zult overleven.) Het voelt als een immens geluk. De kaartjes schrijven, de boeken en de cd inpakken, het adres erop, en alles netjes op een hoopje op de tafel. Je blijft er nog een tijdje naar kijken.

(Je tussendoor soms afvragen waarom niet iedereen een paar dagen gewoon zwijgt of zo. Of alleen maar over de liefde praat, dat zou wel fijn zijn.)

Dingen in het huis die weer dichterbij komen. Het mag.

(Je zou met iemand willen praten over de haarscheurtjes in je huid. Waar de tijd zich laat zien. Iemand vertelde je over de kracht van je hoofd, en wat dat vraagt.)

(Dat ding dat twee uur duurde, op die tafel, het duikt op, in je hoofd.)

De mensen op het podium. Ze praten over boeken. Je kijkt naar twee bekenden. Ze zien je. (Hoe fijn het is, over een boek te mogen praten.)

Nadien. Iemand komt naar je toe. Ze zegt dat ze voor jou gestemd heeft. Het maakt je verlegen, je bent er niet op voorbereid (dat iemand dat zou doen, dat iemand dat zou zeggen, dat je niet goed weet hoe je niet verlegen moet zijn). Misschien heeft ze het wel niet gemerkt.

Je loopt traag naar huis, in de avond.

Een andere dag. Op het werk. Je moet dat dossier invullen. Je hebt er niet echt veel zin in. Het dossier vraagt je om in detail 5 succesverhalen in te vullen. De twee delen van dat woord houden niet echt van elkaar, denk je.

In een volgende vergadering. Op een of andere manier kun je een gesprek altijd in je hoofd zien, in twee dimensies, denk je.

Je bent moe, en blij, als je thuiskomt.

Je kunt weer iets schrijven. Eindelijk.

Je buik heeft iets gehoord over een ander ritme.

(Je ziet een verhaal, net onder je huid. Je zou zomaar kunnen breken. Een beetje.)

Ingewikkelde dromen. Iemand duikt op, het is al lang geleden dat je haar nog zag.

Het is nog erg fris die ochtend.

De boodschappen. (Ook nog een verhaal over de liefde.) En ook mattentaarten, en frangipanekes.

Je fietst door het landschap. Je hebt lang naar het kaartje gekeken, de weg blijkt in je hoofd te zitten. Een stuk van dat landschap is nieuw. Het niemandsland van die beweging is goed voor je.

Snelheidsmeters naast de weg. 22 km. Je bent goed bezig. Zegt dat bord.

Een dikke vrachtwagen rijdt je net niet van de weg.

Het eerste bezoekje daar, je bent blij dat het eindelijk gelukt is.

Je zegt aan twee meisjes dat je hen gemist hebt. Zij jou ook, zeggen ze. Je wordt vakkundig herinnerd aan de verjaardagsgrapafspraak, die binnenkort dient te worden uitgevoerd. Een andere verjaardagsgrapafspraak (iets over het verschil tussen een vogeltje) is mogelijk in de maak.

De weg terug. De herinneringen schuiven anders in je huid.

Weer thuis, het duurt een tijd eer je rug goed warm heeft.

Soms moet je wachten op alleen zijn.

Een andere dag. Vroeg opstaan om die tekst te maken. (Niet te veel bij nadenken, gewoon de woorden volgen, het moet nu eenmaal gebeuren.)

Een afspraak, de koffie smaakt. Je probeert iets uit te leggen over vermoeidheid en kwetsuren, eigenlijk. (Het is moeilijker dan je laat zien.) Je hoort dingen die je erg ontroeren.

Je wou de tekst klaar hebben voor het concert.

Je zit in de kerk te luisteren. Bach. Ineens is er die ontroering. (Langs scheurtjes in je huid.)

Thuiskomen, en je uit handen geven aan het ritme van een zondag. En lang staan kijken naar de bomen. (Aan iemand denken.)

19 oktober 2018

Herfstliggen

‘Hoor je dat? Minor Swing. Ik kan er maar niet genoeg van krijgen. Het geeft me tintels, hier achteraan mijn hoofd.’
‘Hier zo?’
‘Ja. Als mijn lichaam begint los te laten, is het altijd daar.’
‘Ben je moe?’
‘Ja. Maar het geeft niet. Alles wat ik wou, was hier met jou te kunnen zitten. Gewoon zo. Met alle tijd te verliezen.’
‘Je doet dat goed, weet je dat?’
‘Ja? Vind je dat?’
‘Natuurlijk.’
‘Soms zie ik waar ik vandaan kom, en dan zie ik waar ik nu ben, hoe ik beweeg. Ik mag er niet te veel over nadenken. Onlangs was het alsof ik mezelf bezig zag, vanop een afstand. Normaal is het altijd mijn vriend die ik nabij voel. Hij kijkt altijd een beetje mee over mijn schouder. En als ik kan voelen dat hij er is, en dat hij het goed vindt, dan ben ik gerust.’
‘En nu zag je jezelf?’
‘Ja. En het was wel goed, eigenlijk. Een beetje.’
‘Ooit ga ik je nog eens goed door elkaar schudden. Ooit.’
‘Ik heb nog van je gedroomd. Het was iets met een soort treintje. We zaten er samen in. Het moest een heel stuk weg afleggen, en dat gebeurde ondergronds. Het laatste stuk was erg stijgend. We kwamen uit in een gang in een huis, alsof we uit de kelder kwamen.’
‘Ik heb ook van je gedroomd. Je zat hier, en ik kwam je troosten. Je was verdrietig.’
‘Zoals nu?’
‘Nee, een beetje erger.’
‘Soms verlang je zo naar troost, en tegelijk ben je er bang voor. Heb je dat nooit, dat je dat zou willen? Dat iemand je gewoon heel zachtjes wiegt. Je zo aanraakt, zonder iets te vragen, alleen zeggen dat alles goed komt, door die beweging.’
‘Dat lijkt me zoiets dat je eigenlijk niet mag verlangen.’
‘Je kunt niet altijd kiezen wat je verlangens zijn. Misschien dat je er ook daarom bang van kunt zijn.’
‘Als mijn armen wat groter waren, zou ik dat wel willen kunnen doen met jou soms.’
‘Dat is een lieve gedachte.’
‘Ik deed het graag vroeger met mijn dochter, toen ze nog klein was. Ik hield haar in mijn armen, als ze ’s nachts weer eens niet kon slapen. Heel zachtjes wiegen. En zingen. Ik werd er zelf ook helemaal rustig van na een tijdje.’
‘Nu is ze wel een beetje te groot daarvoor.’
‘Ik mis het wel af en toe. Als ze het zou vragen, zou ze nog steeds mogen.’
‘Ik kijk graag naar jou. Als ik je zie, is het altijd alsof je een plek bent, zelf. Sommige mensen lijken je de hele tijd te ontsnappen als je ernaar kijkt. Ze vallen niet samen met zichzelf, ontsnappen aan zichzelf. Bij jou is dat niet zo.’
‘Eigenlijk is dat alleen maar als ik bij je ben. Ik weet dat het moeilijk voor je is, maar bij jou voel ik me veilig.’
‘Dat is een verwarrende gedachte, maar misschien moet ik ze gewoon aanvaarden. Een beetje.’
‘Ga eens even liggen hier, dan kom ik naast je liggen.’
‘Zo?’
‘Ik ga je niets doen hoor, wees maar niet bang. Ik zal je niets vragen.’
‘Ik weet nooit goed hoe dat moet.’
‘Liggen?’
‘Ja, liggen. Alhoewel, met jou is het niet zo moeilijk. Jij gaat me niet opeten.’
‘Er is ook wat weinig vlees aan. Hoeveel ben je afgevallen?’
‘Drie kilo.’
‘Ik ga eens even voelen. Mag dat?’
‘Ja, doe maar.’
‘Soms voel je dat jouw huid bang is.’
‘Ik dacht dat ik het kon verbergen.’
‘Nee dus.’
‘Zal ik gewoon een bos zijn voor jou?’
‘Dat mag. Je was het al wel, maar het mag.’
‘Een bos, dus.’

13 oktober 2018

Even niet

Even niet over dat ene ding. Even alleen maar alleen zijn.

Soms ben je wankel. Misschien wel gewoon een watje. Iemand die je iets zegt, net dat ene, en je wankelt even. Het is goed.

Of iets anders.

Op weg naar een concert. Alleen. Allerlei beelden komen terug. Wat een vroegere versie van jou zou doen. Dingen met bang zijn. Je kijkt ernaar. Hoe dingen in je lichaam blijven natrillen. Wat het zich herinnert. En hoe je nu gewoon kunt kijken. En weten dat de dingen gewoon zullen gaan zoals ze gaan. Of zoiets.

Tijdens het concert. Je ziet iets van hoe het was, die eerste keer toen je hen zag. Je ziet nog beelden in je hoofd. Bij sommige liedjes zie je nog waar je was toen je ze hoorde.

Jezelf naar buiten laten schuiven in een traag wurmende massa. Ooit zou je dit akeliger gevonden hebben. Je bent nog ruim op tijd voor de trein.

Misschien zijn er lagen in je huid, waar herinneringen langzaam landschap worden.

Dat ene liedje blijft je de volgende dagen bij.

Hoe het was toen, zo lang geleden ondertussen. Jij was er en zij was er. Samen een beetje dapper. Samen een beetje in de war. Onvermogen en liefde, en omgekeerd. En alles wat je nog niet weet.

Misschien moet je traag kijken naar je huid.

Zij weet wat je wilt zeggen.

De dagen vliegen voorbij, je merkt het amper. Je ziet de lege plekken die je zou willen zijn.

Bij een ander concert, enkele dagen na dat ene. Je kijkt naar de muzikanten. Je ziet de tijd. Iemand zou je kunnen doen wankelen. In goede zin. Al weet je niet juist wat dat zou willen zeggen.

(Dat ene ding dat is verdwenen uit je huis. Waarom komt het steeds terug in je hoofd? Waarom lijkt het soms alsof je niet veilig bent, in je huid, alsof dat ding daar iets mee te maken zou hebben?)

Je loopt door de avond naar huis. Er zijn verhalen die je zou willen vertellen, er zijn verhalen die op je wachten. In die stilte.

Soms denk je aan iemand die zegt dat alles goed komt. Het is al goed, maar ze zou het mogen zeggen.
Iets in die avond, terwijl je daar loopt. Het is stil in de straat. Je weet de weg. De deur zal zich laten openen door je sleutel. Een van die lagen waarschijnlijk.

Misschien dool je altijd een beetje.

Je komt thuis. Het is waar je wilt zijn.

(Misschien is het waar, over die dingen weer laten stromen.)

Een avond. Je moet nog een stukje schrijven. Het zal komen na het weekend. Het is alsof je even in de woorden kunt liggen. (Je zou trager willen kunnen schrijven. Het is niet anders.) Je slalomt tussen beelden. De woorden nemen je mee.

(Je bleef iets te lang schrijven. Die nacht is je lichaam hard, voor een tijd. Je wacht.)

Een andere dag.

Je zit te schrijven, daar op dat plekje.

Je aarzelt, maar het is beter zo. Het gaat over Julia. Het gaat ook over anderen.

Die avond. Een plek waar je liever niet zou willen zijn. Je huid zegt het je.

Een dierbare vriendin komt je vragen hoe het met je gaat. Even wankel je, dankbaar.

Een andere dag.

In de winkel. Een stapeltje boeken. Voor verjaardagen die al even achter je liggen. Je legt uit aan de mevrouw dat je dat eigenlijk niet kunt verdragen, dat je cadeau te laat bij de jarige komt. Je hebt het uitgelegd, en zij vinden het niet zo erg. Maar jij wel. De boekenmevrouw stelt je helemaal gerust. Misschien heeft ze wel gelijk.

De dag schuift verder.

Een berichtje van je beste vriend. Je wankelt even, en het is goed. Je zou gewoon bij hem willen zijn en traag kijken naar het licht.

Hij weet iets.

Iemand komt je bedanken. Ze neemt je vast.

Je vertrekt.

Zij van toen is ook nog altijd nu. Dat doolt niet. Ze zegt je dat ze fier is op jou.

Je smelt.

Even alleen maar alleen. Met de woorden. En het landschap.

07 oktober 2018

Zwerfwegen

Op weg naar een debat. (Het uitladen van die vrachtwagen zit nog een beetje in je lijf.) De trein zal wel genoeg zijn om je nog voor te bereiden. Op een of andere manier doet het goed, even onderweg zijn, hoe moe je ook bent. Je leest het boek nog even diagonaal door.

Je bent altijd een klein beetje zenuwachtig voor zo’n debat. (De anderen zullen wel veel slimmer zijn. Of minstens grappiger.) Je denkt dat de mensen in het publiek straks jouw verhaal zullen zien, niet jou. Dat helpt altijd.

Terwijl je er zit, is het eigenlijk best wel leuk om te doen. (Misschien kun je het wel een klein beetje.) Het gesprek in de trein terug maakt het aangenaam zwerven. In de nacht loop je rustig weer naar huis.

Een andere dag. Mensen komen pakjes papier halen. Je holt heen en weer, probeert het bezette huis weer een beetje aan kant te krijgen.

Je voelt je ver weg van mensen bij wie je dichterbij zou willen kunnen zijn. Een beetje machteloos.
Een volgende dag. ’s Avonds fiets je naar het huis van een dierbare vriendin. Veel mensen voor het gesprek. Je hoort je stem.

(Het is van dag tot dag.)

Gewoon de klussen op het werk, en het ritme dat daarbij hoort.

Normaal zou je tijd hebben om netjes, zoals je dat altijd doet, de verjaardagscadeaus op tijd op bestemming te hebben. Het wringt dat het niet lukt. Ze begrijpen het hopelijk wel.

Een andere dag.

Tussendoor denk je nog aan het mooie gesprek, vorig weekend. Zonder dat je het door had, waren bijna alle andere mensen van het feest al vertrokken. Iets over herinneringen, en hoe ze zich in een lichaam schrijven. Je begrijpt iets nog beter. Je ziet iets. En ook daardoor maakt het je bang. Waarschijnlijk.

Sommigen zijn zenuwachtig.

Die avond. Je loopt een beetje bedeesd door de kamers van de tentoonstelling. Onverwacht een lang gesprek. Wat daar was, daarbuiten, komt ook even binnen, hier. Je praat nog even met de vrouw die de schilderijen maakte. Ze zijn mooi. Je bent een beetje verlegen.

De volgende dag. Eerst de boodschappen. Je zou net even wat langer willen blijven hangen. Tijd verliezen.

(Het zou fijn als je gewoon zou kunnen verdwalen, ergens tussen boeken of zo. Je stelt het nog even uit.)

Je schrijft het volgende deel van een tekstje. Vijf van de zes zijn klaar. Op een of andere manier geeft het je rust, op die plek zijn.

Een vriendin komt langs. Pakjes papier ophalen. Ze vraagt je heel rustig en doordringend hoe het met je gaat. Even wankel je, even zijn de tranen dichtbij. Je voelt je gedragen.

De vergadering is interessant en nuttig. Naar het einde voel je hoe moe je bent. Telkens opnieuw nieuwe dingen waar je ook nog aan zou moeten denken, waarop je je ook nog zou moeten voorbereiden. Het is allemaal goed, en terecht. Het is alleen ook een beetje genoeg.

Een laatste keer overloop je een volgende week.

Je vertrekt naar een debat, weer in diezelfde andere stad. Je zou er op tijd willen zijn, maar de trein maakt nog een hele omweg. In de trein begin je voor te bereiden wat je straks zult gaan zeggen. De vliegtuigen komen langzaam terug in je hoofd.

(Je buik zou liever ergens anders zijn, denk je.)

Je loopt door de stad, net op tijd kom je aan. In de zaal maak je kennis met een man die je al langer wou ontmoeten.

Je staat voor de zaal. (Zie je er met die bril niet nog ouder uit eigenlijk?) Je hoopt dat de mensen daar je verhaal zien, en niet jou, of zoiets. Terwijl je daar staat, denk je dat het eigenlijk wel een beetje leuk is. Je vraagt je af of ze het wel interessant zullen vinden, of je niet te oud zult klinken. (En tegelijk is het alsof je al een tijdje geleden beslist hebt dat je gewoon zult zijn zoals je denkt, en dat maakt het gemakkelijker.) Je voelt je vereerd dat je er mag zijn, bij die jonge mensen.

Je moet vroeger vertrekken, om nog een trein te halen. (Een mevrouw in een stewardessenpakje roept je na dat je heel interessant was.)

De buik en de trein.

Een nacht in etappes.

Het is mooi om een beetje te zwerven.

30 september 2018

We zitten naast elkaar en kijken

Goede vriend Willy

Vandaag kwamen we weer samen voor onze jaarlijkse ontmoeting. Enkele honderden mensen kwamen fietsen en wandelen. Nou ja, je hebt het zelf ook wel gezien, veronderstel ik.

Het is een beetje ingewikkeld, wat we daar eigenlijk doen. We herdenken en we vieren. Het is wel een speciale vorm van vieren. Verdrietvieren. Misschien komt dat woord in de buurt.

We herdenken zoveel mensen die stierven aan die kloteziekte, veroorzaakt door het gebruik van asbest. We herdenken dus ook jou. Al zou je dat zelf misschien niet zo willen. Jij bent een van de gezichten op dat grote bord met foto’s. Ik ga elke keer even kijken of je er nog hangt, en elke keer opnieuw schrik ik als ik je gezicht daar zie.

Het gruwelijke aan die vreselijke ziekte is dat je op een lugubere wijze al kunt denken aan wie we zullen herdenken in de loop van de volgende jaren. Het stond pas nog in de krant. Dat de wetenschappers verwachten dat het aantal doden zal pieken tegen 2024. Sommige vormen van kanker zijn gevaarlijk, ze kunnen je doden of het kan ook goed komen. Ik was in die categorie. Sommige vormen van kanker zijn een doodvonnis. Jij was in die categorie.

Je weet het wel ondertussen, ik vind die samenkomst elk jaar weer verwarrend. Ik zit daar zoals steeds met een dierbare vriendin aan de tafel waar de mensen zich komen inschrijven. Elk jaar starten we met een beetje chaos. Het duurt even eer ons systeem weer werkt. De uren trekken zichzelf voorbij. Mensen komen en gaan. En in de kieren van die uren wankel ik af en toe even.

Ik zie die dappere vrouwen bij het bord met de foto’s. En ik voel me klein en weerloos. Ik zie de trailer van die film waarvoor men ook bij een vorige editie daar was. En ik voel hoe de razende verontwaardiging het in een flits weer even overneemt in mij. Ik zie jouw mooie gezin. En ik voel me verlegen, en ook blij dat ik er mag zijn en dat ik een klein beetje mag voelen dat ik een deel ben geworden van dat moment elk jaar.

En elk jaar weer, en dat gaat niet over, zie ik jouw afwezigheid in aanwezigheid. Ik weet niet hoe het juist zit, maar ik heb het gevoel dat je in de loop der jaren met iets meer rust bent gaan toekijken. Je ziet dat het allemaal wel loopt. En je houdt er ook wel van dat sommige dingen elk jaar een beetje niet helemaal lopen, dat ze zich op gang moeten trekken. Misschien is dat wel een mooi deel van het ritueel, dat we het telkens weer een beetje moeten uitvinden ter plekke. Alsof we ons zo onbewust beschermen tegen een routine. Een routine mag het niet worden, hoe veilig dat ook zou zijn. Een ritueel, dat mag wel.

We vieren dus ook het leven. Ik denk dat jij dat zo wou. Ik herinner me nog uit ons laatste gesprek hoe je dat leven graag dichtbij had willen houden. En hoe je niet anders kon dan het uit te ademen. Ik weet nooit goed hoe het moet zijn voor sommigen als ik daar rondkijk. Weten dat je al zoveel mensen uit je eigen familie verloren hebt, weten dat je misschien ook het doodvonnis al slapend in je hebt, en dan met veel energie anderen moed inpraten of gewoonweg leven zijn. We houden het leven in onze handen. Soms glipt het weg tussen onze vingers. Soms blijft het daar. Soms weet je dat het gedoemd is om daar niet te blijven. Dat het bij mij bleef, omdat ik toevallig in een ander vakje zat dan jij, het blijft me verwarren.

En elk jaar moet ik even ronddolen, in mijn hoofd, op die plek. Weg van het vaste ritme aan die tafel. Om jou even te zien. Vandaag was het ergens rond half drie. Ik voelde hoe je naast me kwam zitten. We zaten daar, en keken naar de mensen. Het is denk ik iets van mannen, naast elkaar zitten en vooruit praten, zonder elkaar te veel aan te kijken. Je zei niet zoveel, het kwam traag op gang, een beetje aftastend, zoals jij dat altijd deed. Normaal zouden we nu praten over de kiescampagne en over al jouw ideeën voor nieuwe acties, met fietsen, ongetwijfeld. En hoewel je naast me zat, besefte ik ineens weer dat dat niet echt ging, dat ik dat niet aan je mocht vragen. Als je dood bent, zijn sommige dingen een beetje voorbij. Iets in die aard zei je me. Maar we kunnen hier wel zitten en kijken, en voorzichtige dingen zeggen over het leven, en over hoe je het kunt vieren. Dat zei je me ook, geloof ik. Ik zat daar een beetje alleen op die bank, en toch ook niet, dus. Ik zag een beetje verdriet in je ogen, en ook wel trots, terwijl je naar de mensen keek.

Het is een beetje ingewikkeld, verdrietvieren. Gelukkig maar.

Tot altijd weer.

28 september 2018

Pianoverlangen

Het woord zit al dagen in je hoofd. Of het iets waar dat woord voor staat. En eigenlijk misschien niet zozeer in je hoofd alleen.

Het pianoverlangen beweegt in heel je lichaam. Al dagen. Misschien is het je lichaam.

Die nieuwe piano. Nee, die oude piano. Die terug een beetje nieuw is.

Je kijkt ernaar. Je vingers zoeken, tasten. Je vingers raken de piano aan. De piano glimlacht.

(Misschien is het verlangen naar de piano een verlangen naar tijd, naar traagheid, naar alleen maar piano, en de ruimte die zo zou ontstaan, als een wak in de tijd.)

De toetsen bewegen anders. Alsof ze iets hebben teruggevonden. Alsof ze helemaal terug in het moment zijn.

Je speelt traag en voorzichtig. Iets verandert in jezelf, alleen daardoor.

(Dag na dag, hollen van hier naar ginder. Die grote beweging slokt je op. Het heeft niet veel zin je ertegen te verzetten. Mee met de stroom is de beste beweging. En toch. Al die tijd is er het verlangen. Woordverlangen. Ergens in je lichaam zie je hoe het is. Zitten op die stoel. De woorden aanraken, en kijken hoe ze de schaduwen aangeven waardoor het pianoverlangen aanraakbaar zou kunnen worden.)

In de klank hoor je oud en wijs.

Soms klinkt in je lichaam iets dat ouder is dan jezelf. Soms zijn je toetsen jong en veerkrachtig, in het moment. Het voelt veilig, de tijd te voelen die verder gaat dan tot waar je lichaam komt.

(Hoeveel verlangens zouden er huizen in het pianoverlangen?)

Je kijkt naar de partituur, je ziet de muziek. Je ziet een droom. Je ziet waar je zou kunnen zijn, aan de andere kant van het verlangen.

De piano staat daar zo rustig en soeverein in de kamer. (Een tijdje geleden leek hij nog vermoeid en gehavend. Nu draagt hij de tijd met trots.)

Het is een woord waar je naar verlangt en waar je schrik van hebt. Misschien heeft het pianoverlangen iets te maken met geheeld worden.

(Als de dagen voorbij hollen, voel je de afstand tot de woorden, als pijn, in heel je lichaam. En terwijl je traag verdwijnt in de woorden, in hun ritme, in het materiaal waarin ze zijn, wordt je huid zachter. Misschien is pianoverlangen een zachthuidverlangen.)

Hoe zou je het moeten uitleggen aan iemand die je lief is, wat het is? (Misschien zou ze het zo al begrijpen.)

(Hoe traag zou je kunnen dansen. En hoe je zou samenvallen met jezelf. En hoe veilig het daar zou zijn.)

Gewoon daar zitten, kijken naar de toetsen. Eindeloos. Als naar elke plek.

(Hoe je de andere dag zat te vertellen aan die twee vrouwen. Over de zee. En de kinderen. En hoe je nadien voelde hoe het gesprek je zachter had gemaakt.)

Er zijn ook woorden in je huid geschreven. Ze kunnen leesbaar zijn.

En dezelfde angst die je voelt, tegenover het boek dat je nooit zult schrijven, denk je. Als je echt zou spelen, hier, urenlang, dagenlang, dan zou je misschien over die lijn heen kunnen. De lijn die door je lichaam loopt.

En je kijkt naar de piano. En je zou willen dat je zus hier is, dat zij zou spelen. Je zou kijken naar haar. En naar de tijd die jullie delen. En naar de woorden.

Misschien heeft de piano alle tijd, voor jou.

Misschien vindt de piano het niet zo erg dat je niet zo heel goed weet wat je met je handen moet doen. Om te vertellen over het pianoverlangen.

In je hoofd is er een tijd die weldra komt. Je bent bezig iets achter te laten, een oude huid. Op een of andere manier zie je die plek, al zou je ze niet kunnen beschrijven.

(Er zijn mensen die beter dan jijzelf weten waarover je het hebt.)

En hoe je traag door het huis gaat, hoe je stem zich heeft teruggetrokken in zichzelf, hoe de dag zich neerlegt.

Misschien mag je erop vertrouwen dat de piano blijft.

(Je hoort iemand piano spelen. De kunst van de fuga. Hoe helder het is allemaal, hoe ze het speelt. Als het kon, zou je naast haar staan, om te kijken, alleen maar kijken.)

Hoe je weer even thuis was.

16 september 2018

We dwalen

‘Soms denk ik wel eens dat we allemaal dwalen. Dat is een geruststellende gedachte, eigenlijk.’
‘En als je dwaalt, kun je dan ook terechtkomen, daar waar je wilde zijn?’
‘Misschien vraag ik me dat al niet meer af. Het is gemakkelijker om die vraag niet te beantwoorden.’
‘Misschien ken je je bestemming pas nadat je er aangekomen bent. Je kijkt rond, en beseft dan pas dat het de plek is waar je wou zijn.’
‘En wat als een mens je bestemming is? Aankomen op een mens, zoals op een station, dat is wel een beetje ingewikkeld. Misschien kun je dat beter ook niet weten.’
‘Ik heb speciale stootkussens alleszins.’
‘Dwalen is minder erg dan vluchten, denk ik. Het is rustiger. Het is als een plek op zich.’
‘Het is een woord dat je vaak gebruikt in je brieven. Vluchten.’
‘Het duurde een tijd eer ik dat woord zag, eer ik besefte dat het bij me hoorde. Tot dan was het daarom niet anders, het woord was er gewoon nog niet.’
‘Wie niet goed naar je kijkt, ziet het misschien niet. Ik weet ondertussen waar het zit in jouw lichaam.’
‘Dwalen kan soms klinken als de weg kwijt zijn, maar je kunt het ook voelen als een plek waar je nog niet alles hoeft te weten. Je tast wel een beetje in het duister, je rommelt wat aan, maar het is tegelijk ook niet zo heel erg. De ander dwaalt ook.’
‘Wil je dan niet thuiskomen, ooit?’
‘Eerst moet je over de zeeën, langs de eilanden. No direction home.’
‘Ik zou soms graag willen dat je het zou kunnen, thuiskomen. Vaak lukt het al een beetje, soms lukt het bijna helemaal. Dat zie ik aan je.’
‘Jij mag dat zien.’
‘Dat weet ik.’
‘Voor jou lijkt het vaak rustiger.’
‘Dat lijkt zo ja.’
‘Ik hou van dit ritme, van hoe het landschap voorbij schuift terwijl je in de trein zit. Zeker als je dicht bij me zit. Vorige week reed ik nog eens mee met iemand in de auto, op de snelweg. Het voelde zo chaotisch aan, het maakte me bang. In de trein is het zo anders. Alleen lijkt de trein altijd sneller te rijden als je terugkomt van de zee. Net wanneer je mooie gesprekken kunt voeren.’
‘Maar ik ga niet weg straks, als we daar zijn.’
‘Ik weet het, het is nog iets  van vroeger. Iets dat zal blijven, misschien.’
‘En dwalen we nu ook, op dit moment?’
‘Ja, maar nu mag het. Jij bent bij me. Het is stil. De wind kan een beetje door ons heen waaien.’
‘De wind aan het strand maakte me droevig vanmiddag. Ik moest denken aan toen we de eerste keer daar waren. Hoe ik toen dacht dat ik je zou verliezen, en jij mij.’
‘Er was heel veel wind toen. We zijn toen nog achter dat muurtje gaan zitten om wat te eten.’
‘Ja, jij had een doosje bij je met lekkere groentjes.’
‘Weet je dat nog?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Ik was toen nog erg in de war, voelde me schuldig. Omdat ik niet meer kon zijn voor jou.’
‘Ik was ook nog jong toen, wou dingen die niet altijd goed waren voor mij. Maar dat wist ik toen nog niet.’
‘Misschien was het toen nog meer verdwalen. En is het nu dwalen.’
‘Dat is wel een mooie gedachte.’
‘Kijk, het is beginnen regenen.’
‘Dat klopt wel nu, eigenlijk.’
‘Zullen we nog even doen of we slapen? Voor dat laatste stukje?’
‘Ik zal wel echt slapen. Jij kunt zelfs niet doen alsof.’
‘Slaap jij maar dan. Dan zal ik doen alsof, zonder dat jij het merkt.’
‘En ga jij het dan zeggen als we er bijna zijn?’
‘Ja. Dat is wel een mooie bestemming voor ons trouwens. Er bijna zijn.’
‘Ssssjjjjtttt.’