17 januari 2021

Wat het achterlaat


‘Het is precies minder koud dan gisteren.’
‘Ja, en de sneeuw is ook al helemaal weg.’
‘Heb je het wel warm genoeg zo?’
‘Ja hoor, maak je maar geen zorgen.’
‘Het is zoiets dat na al die jaren nog altijd door me heen gaat, dat ik wil dat jij het warm genoeg hebt. Soms zou ik je zo gewoon willen bellen, om het te vragen.’
‘Waarom doe je dat dan niet? Het zou nog wel leuk zijn.’
‘Ik weet het niet. Soms heb ik ook ineens zo’n gevoel dat er iets aan de hand is met jou. En dan wil ik ook bellen. Zo van: gaat het wel goed met jou? Maar dat zou wel een beetje onnozel zijn.’
‘Toch niet. Ik heb dat ook bij jou trouwens, dat ik soms voel dat er iets is.’
‘Ja? Dat is wel lief.’
‘Soms mis ik het om met je te praten. Als je er bent, is het heel bijzonder hoe je kijkt en hoe je heel erg goed luistert de hele tijd. Ik heb altijd het gevoel dat je me ziet, en dat maakt me rustig.’
‘Het is helemaal niet moeilijk om te luisteren naar jou. En soms denk ik dat er de hele tijd een soort dialoog tussen ons bezig is, ook al horen of zien we elkaar niet.’
‘Ja, misschien wel. Vanmorgen moest ik nog aan je denken. Ik vond een briefje van jou terug, van toen we nog samen waren. Je deed dat vaak, briefjes leggen voor mij. Ergens in het huis.’
‘O ja, dat is waar.’
‘Op dit briefje stond een verhaaltje over een zeemeermin. Een verdrietige zeemeermin. Die vond het wel handig dat ze kon wenen in de zee, niemand merkte het.’
‘Behalve de zee dan.’
‘Ja, behalve de zee.’
‘Ik moet nu eens denken aan die keer dat we daar in dat grote speciale bad zaten.’
‘Weet je dat nog dan?’
‘Ja, natuurlijk. Waarom zou ik dat vergeten?’
‘Het was wel een mooi moment. In mijn herinnering waren we allebei een beetje verlegen toen.’
‘Ja, inderdaad. Maar jij overtuigde me dat het een goed idee was.’
‘Dat herinner ik me niet meer. Ik weet nog wel dat je daar vertelde over hoe je als kind soms zo bang was van het gekraak van jullie huis ’s nachts.’
‘Het kraakte, als er veel wind was, of als er een zware vrachtwagen over de kasseien van de straat voor ons reed. En ik dacht dat het huis zomaar uit elkaar zou kunnen vallen. Maar ik wou dat vooral niet laten merken.’
‘Ons huis kraakte niet, maar de gordijnen die we hadden, lieten veel licht door. Als er dan een auto of zo voorbij kwam ’s nachts, kwamen er precies van die bewegende schimmen op de muur. Soms droom ik daar nog wel eens van. Alsof het spoken zijn die me komen weghalen of zo.’
‘Dat was bij ons ook, en door die kasseien trilden de beelden ook nog.’
‘Slaap je nu wel goed eigenlijk? Dat was altijd mijn zorg voor jou.’
‘Niet echt. Het lijkt soms alsof er precies grote gespannen kabels door mijn lichaam gaan, vanaf mijn hoofd naar mijn armen en tot aan mijn voeten. Je kunt die ook voelen. Soms verlang ik ernaar dat mijn lichaam helemaal zacht is. Ik slaap wel, maar het is altijd in stukken.’
‘Ik denk dat je lichaam nog bezig is met iets. Het heeft gewoon tijd nodig, denk ik.’
‘Soms lig ik te wachten ’s nachts, wakker geschrokken uit een droom of zo. Vroeger zou ik dan misschien bang geweest zijn, maar nu weet ik dat ik gewoon moet wachten. En vorige week viel het me ineens op dat het huis waar ik nu woon niet kraakt. Er waren ook geen spoken, want ’s nachts mag er niemand rondrijden.’
‘Ik droomde vorige week nog over jou. Jij kon me soms zo met je grote warme armen helemaal omsluiten. In mijn droom leek je heel erg groot, en ik heel klein. Het paste allemaal heel goed. En ik hoopte dat het nooit zou ophouden. En toen ging de wekker. Als we dat nu zouden proberen, zou ik toch zien dat jij maar een beetje groter bent dan ik.’
‘Misschien had je dan ook moeten bellen, om me te vertellen over die droom.’
‘Maar nee, dat zou wel heel erg gênant zijn.’
‘Ik dacht dat wij al lang beyond gênant waren.’
‘Ja, dat is wel waar.’
‘Er is een kaartje dat jij me ooit schreef. Het zit in de schuif van mijn bureau. En af en toe kijk ik er nog eens naar. Misschien een keer per jaar of zo. Om te zien of het er nog is.’
‘Dat kaartje met die poes?’
‘Ja, dat.’
‘Soms vergeet ik hoe lang het al geleden is.’
‘Ik ook. Dan moet ik drie keer opnieuw tellen.’
‘Ik ben wel heel blij dat we er zo over kunnen praten. Dat betekent veel voor mij.’
‘Iets met een brede glimlach.’

16 januari 2021

Huidgrenzen


De dingen die moeten gebeuren. Lijstjes. Je huid lijkt hard soms. Je verlangt naar een wak.

Ergens in de namiddag val je stil. Je zou de stroom willen aanraken. Heel even daar zijn.

Een leeg plekje in de vooravond. Er is al meer licht buiten, denk je. Het verrast je. Ontroert je. Je zoekt het dekentje. Je huid is ineens koud, zou omringd willen zijn, in dat ene moment. Het legt zich weer neer. Je begint aan het eten.

Soms is er dat beeld. Bijna zwevend drijven op het water.

Sommige beelden bezoeken je, vergezellen je, in elke tussentijd.

Je hoort je stem. Daar zou je wel willen zijn.

Je werkt het lijstje netjes af, dat ook.

Soms ben je zo moe.

In de trein. Weer op weg naar het noorden. De kranten en het boek. En ook je rug. Je rug is alleen.

De mevrouw aan het loket is heel vriendelijk. Ze vindt het erg voor je, dat je van zo ver moest komen om die kaart op te halen. Het is niet erg, zeg je. Terug buiten zie je dat de bus terug net weg is.

Je loopt door het dorp, wachtend op de volgende bus. Het dorp leek vroeger veel groter, denk je.

Je wacht op de bus. Een eindeloze rij auto’s. Telkens iemand alleen. Bijna iedereen kijkt lelijk, gefronst. Soms lijkt het alsof alleen die weg er is, geen plek.

In een vers boek beginnen. Een beetje zoals iemand voor het eerst heel voorzichtig aanraken.

Ergens onderweg, tussen station en thuis. Een haarscheurtje in de tijd. Ineens is er verdriet.

Je lichaam is in een kramp. Het laat zichzelf los in de nacht, in zeventien etappes.

Ineens begrijp je iets. Iemand wilde je hebben, dat dacht je. Toen. Misschien wou je alleen maar praten, gewoon iets willen kunnen zeggen. 

Het zou zo eenvoudig kunnen zijn, denk je. Gewoon iets vragen, gewoon iets zeggen.

Ergens spoelt het wrakhout aan.

Je denkt aan die familie in de trein. Je had eerst gehoopt een leeg stil plekje te hebben. Alleen jij en je boek. Ze kwamen binnen met veel lawaai, namen de ruimte in. Eigenlijk was je een beetje te moe om te lezen. Af en toe keek je even. Ze waren ontroerend. Je keek hen nog even na op het perron.

Je kijkt naar de urne. Soms is het raar. Een leven is zo veel. Zoveel verhalen, zoveel spullen, zoveel ongezegd. Je kunt er nog eens een heel leven mee bezig zijn. En je kijkt naar de urne. Dat wat je ziet, het lijkt zo klein. Zo niet in verhouding tot wat zo veel is. (Je weet niet goed wat die gedachte betekent, je weet niet wat het zegt.)

Ineens denk je aan hoe je daar zat, al die uren, aan de rand van het bed. Je denkt aan de verpleegsters die binnenkwamen. Hoe ze naar je keken, hoe ze de dingen zegden. En het is alsof je iets mist, van toen. (Je zou niet weten wat het is, je weet niet wat het zegt.)

Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou?

Soms ben je anders alleen in het huis.

De soep had jou al een beetje opgewarmd. (Sommige mensen zeggen dat je veel peper in je soep doet.) Je hebt pasta gemaakt die bij een vrijdag past. De wijn brengt je een klein beetje terug, naar iets. Om een of andere reden is de pasta die je maakte zo lekker dat je tranen in de ogen krijgt. 

Iets probeert je iets uit te leggen over verlangen. Dat denk je.

Soms ben je anders alleen in de nacht.

Hoe had je dat moeten vertellen, van die kinderen?

Je krijgt zomaar een dag cadeau. Dat ene ding op het lijstje, dat je al zo lang voor je uit moest schuiven, eindelijk kun je het doen. (Iets in je voelt zich schuldig dat het nog niet was gelukt. Iets in je zegt dat dat voor niets nodig is.)

Het geschenk dat je de vorige dag kocht. Het wacht rustig op het goede moment.

En gewoon helemaal niets, zou dat ook mogen? Tot de tijd je zou wiegen.

Ineens is er dat beeld. Alsof je dat zou willen. Daar aan de tafel. Dat de oude Julia daar zou zitten, dat de jonge Julia daar zou zitten, naast haar. En dat je zou kijken. Ze zouden het goed met elkaar vinden. Ze zouden elkaar begrijpen, zelfs zonder een woord te zeggen. En je zou zo gelukkig zijn.

De sneeuw is gekomen. Straks zul je even naar buiten gaan. Voelen hoe je handen warm blijven in je handschoenen. Gewoon even wandelen. Kijken naar de geluiden van de kinderen, in de sneeuw.

Daarna zul je weer naar huis gaan. En voelen dat de warmte op je wachtte.

14 januari 2021

What Are You Going Through


Je observeert de wereld en de mensen die bewegen. Mensen vertellen verhalen, willen graag vertellen. Je kijkt, met een zekere afstand. Een beetje droogjes. Je schuift eigen verhalen tussen wat je ziet bij anderen. Het lijkt een veilig evenwicht. Je kunt zo nog lang doorgaan, een klein beetje willoos. Tot er een vraag komt die het veilige evenwicht verstoort en de afstand verandert. De grote vragen komen ook dichterbij. Wat is vriendschap? Wat is hoop? Durven we het lijden en het verdriet van een ander zien? Mag de dood een plek krijgen in het echte leven? De Amerikaanse schrijfster Sigrid Nunez heeft het erover in het heel bijzondere What Are You Going Through (vertaald als: Wat scheelt eraan). Het boek beweegt in fragmenten en laat veel dingen zien in de lege plekken. Op een heel mooie manier voelt het boek licht aan, terwijl het toch heel grote vragen behandelt.

Het verhaal begint in 2017. Het personage dat vertelt, is een schrijfster van middelbare leeftijd. Ze gaat een vriendin bezoeken die in het ziekenhuis ligt. Bij het begin van het boek gaat ze ’s avonds naar een lezing van een man – een ex, zo zal blijken – die het heeft over al het onheil dat op weg is naar de wereld: klimaatverandering, pandemieën, … Hij vindt het niet eerlijk om te doen alsof er nog hoop is. Beter is het de dingen recht in de ogen te kijken en zo een soort vergeving te vinden, in het aanvaarden van wat er is. Ze is het er niet helemaal mee eens. Kleine observaties van allerlei mensen schuiven mee in het boek, afgewisseld met meer essayistische beschouwingen. De vertelster lijkt nogal laconiek naar de dingen te kijken, weet precies nooit helemaal zeker hoe het moet. Zoveel verhalen die in zichzelf bewegen. Als je niet zou kijken, zou je niet weten dat ze er zijn. Je kunt ze ook ver van je af houden. Zo hoef je ook niet te voelen hoe je faalt.

De vriendin in het ziekenhuis blijkt terminaal te zijn. Zij is een nuchtere vrouw, houdt niet echt van te veel gedoe. Ze draagt ook gewicht mee, zoals een ingewikkelde relatie met haar dochter. De vriendin beslist om niet verder te gaan met de behandeling. Ze wil de laatste periode van haar leven op een rustige plek doorbrengen en zal dan, wanneer het moment daar is, de euthanasiepil nemen die ze al heeft. Ze vraagt aan de vertelster om met haar die tijd door te brengen, tot aan het einde.

De vertelster is erg in de war door die vraag, maar zegt ja. Ze moet daartoe voor zichzelf over een drempel, maar het voelt als het goede. De twee vrouwen trekken zich terug in een huisje. Hun vriendschap, die al bijna een heel leven meegaat, ontwikkelt zich tot een intens liefdevol samenleven. Ze lachen veel, terwijl het ultieme moment steeds dichterbij komt. Het is omgaan met een situatie waarin er geen hoop meer is, maar misschien wel iets anders. De vriendin lijkt meestal nogal rustig in de keuze die ze voor zichzelf gemaakt heeft. De vertelster is er helemaal voor haar vriendin, maar moet zelf doorheen een heel proces, met ook veel vragen en twijfels. De vriendin wil haar eigen weg gaan, wil niet moeten reageren op zoveel mensen die haar zouden aanmanen om door te gaan of zogenaamd te vechten, om zo (krampachtig) te blijven hopen op iets dat toch niet kan komen. De vertelster opent zich, laat de werkelijkheid van de stervende vriendin dichtbij komen. Ze blijft, en doet wat er te doen is.

Sigrid Nunez heeft van dit alles een boek gemaakt dat de hele tijd licht in je handen lijkt te liggen. Het is opgebouwd uit fragmenten, telkens ingedikt. In het begin van het boek zijn er heel wat verschillende mensen en verhalen die telkens even worden aangeraakt. Naarmate het verder gaat, komt het verhaal van de vriendin steeds meer naar voor. Bij het begin lijkt de vertelster met een milde veilige afstand naar de anderen te kijken. Bij het einde van het boek is het alsof ze meer doorwaadbaar is geworden. Ze is zachter en weker. Er gebeurt veel meer tussen de woorden. Ze had zich voorgenomen een soort dagboek bij te houden, maar dat komt er niet van. Misschien botsen de woorden met de werkelijkheid. Het heeft haar veranderd, ze kijkt anders naar de anderen, naar haar falen.

Soms merk je als lezer amper hoe ingenieus alles is opgebouwd. Hoe al die verhalen van al die mensen als een soort koor van stemmen zijn. Hoe je in een mozaïek waar je in eerste instantie te dicht bij staat met wat meer afstand langzaam een patroon begint te zien. Hoe zoveel grote existentiële vragen voorbij komen, zonder dat het boek zwaarder begint te wegen in je handen. Er is veel droefenis, maar ook veel humor. Uit verhalen die verteld worden, blijkt hoe moeilijk veel mensen het hebben met gewoon kijken naar het verdriet of leed van een ander. Dat wordt onder meer duidelijk uit het heel pijnlijke verhaal van een vrouw in een praatgroep en uit de manier waarop de anderen dat verhaal negeren en overrulen met zogenaamd goede raad. Zo moeten ze niet naar hun eigen angst en onvermogen kijken. De eruditie die een deel is van de vriendschap tussen de twee vrouwen zit ook in het boek geweven en tilt het verder op.

Na de laatste bladzijde wil je eigenlijk liefst gewoon terug opnieuw beginnen. Je weet dat je daarbij nog veel beter zult zien hoe alles is opgebouwd. Je weet dat veel zinnen nog meer zullen onthullen. En je hoopt dat je misschien iets van de tijd trager kunt laten gaan. Zo kun je ook iets langer bij de intelligentie van dit boek blijven. Het is direct en heel subtiel tegelijk. Het gaat de moeilijke vragen niet uit de weg en is toch ook heel elegant en vol mededogen. Het is alsof tijdens het lezen je adem vanzelf in een bepaald ritme komt. Je kunt het niet wegleggen, maar het is ook alsof je traag ademt, met het ritme van de woorden. What Are You Going Through is een wijs boek.

10 januari 2021

Het boek heeft alle tijd


Jullie werken verder in het huis. Dingen opruimen. Dozen vullen. De leegte voorbereiden. Ergens daar in de verte.

Misschien is de tijd gecondenseerd in al die spullen. Zoveel verhalen zijn ingedikt. Ze liggen in schuiven, in dozen. Er staan woorden op soms.

Hoewel sommige dingen al hun hele leven op die plek zijn, lijken ze toch een beetje ontheemd.

Je loopt tussen dozen en stapels. Je loop in een teveel aan tijd ineens. Je gaat even naar buiten. De lucht is van nu alleen.

Er is een verlangen naar ordenen. Als die dingen allemaal weg zouden zijn, zou er plaats zijn om te denken, om rustig de ene stap voor de andere te zetten.

(Kunnen we al die dozen niet daar vooraan zetten? O nee, dat is waar, die kamer hoort al lang niet meer bij dit stuk van het huis. Je kunt de dingen alleen binnen deze kamers verplaatsen.)

Sommige spullen zijn gemakkelijker om aan te raken dan andere.

Soms is het alsof je in een stolp werkt.

(De plek waar je bezig bent, de grote wandkast. Als kind heb je hier eindeloos veel uren doorgebracht, met de platen en de cassettes. Dit was de plek waar de muziek jou raakte. Die plek is er niet meer, al lang niet meer. Er is alleen nog hoe het hout voelt aan je vingers. Misschien heeft de kast zich al in zichzelf teruggetrokken.)

Een doos die jou is. Kranten, tijdschriften, met interviews met jou of opiniestukken van jou. Een stapel uitgeprinte stukjes. (Je schrikt van de foto’s bij die artikels. Even zegt een stem in je dat je minder lelijk bent geworden met de jaren. Mooi is nog een onbereikbaar woord. Iemand zou blij zijn als je dat zou zeggen.)

Albums vol met foto’s. Al die reizen die ze maakte. De foto’s lijken zo stil, zo achter een sluier.

En net als de vorige keer, misschien wel als alle vorige keren. Ergens in de namiddag blokkeert je lichaam. Het heeft lang genoeg geduurd, je quotum is bijna op. Je gaat wat heen en weer, legt dingen van de ene op de andere stapel, kijkt wat voor je uit. (De ruimte wordt kleiner.)

Het is bijna tijd om te vertrekken. Je gaat even naar buiten, loopt heen en weer door de straat naast het huis, gaat even naar de haag kijken. (Hoe je daar stond, samen met je grootvader, om de haag te knippen.)

Er is nog dat ene boek. Je zus geeft het aan jou. (Je probeert zo weinig mogelijk mee te nemen, maar dat boek wil je graag mee.)

Je zus noemt het het mooiste boek uit jullie kindertijd. Misschien is dat wel zo.

Mijn leuk woordenboek. (Originele uitgave 1963, Nederlandse vertaling 1964. Dat lees je binnenin.)

Het boek in je handen houden maakt je warm. Je zou niet kunnen uitleggen waarom. Het is alsof je een eeuwigheid in dat boek bent geweest. In dat boek was het veilig. (En nu nog steeds, als je door het boek bladert, is het alsof het magisch is.) De dingen in dat boek hadden telkens iets van een belofte in zich. Een belofte van aanraakbaarheid, een belofte dat je handen warm zouden worden bij het aanraken, een belofte van een glimlach, de hele tijd. De dingen in het echt leken soms niet uit te kijken naar een aanraking, leken soms zo zielloos.

De kinderen van je zus hebben het boek ook allemaal in hun handen gehad.

(Later lees je dat er zoveel jaar later van het boek een update is gemaakt en dat het nog steeds te koop is.)

Misschien heeft het boek alle tijd, wachtte het op je, zal het bij jou blijven.

Je vertrekt. Terwijl je op de bus wacht, verandert je adem. De lucht van het nu. De bus is goed op tijd. Je haalt je trein heel gemakkelijk. Er is veel plaats. Je bent alleen. De trein omringt je. Het boek reist met je mee in je rugzak.

De reis van die plek daar, waar je was, naar een hier, waar je bent. De reis ontvlecht de tijd een beetje.

Je loopt door de stad, op weg naar huis. Je rug zeurt, steeds harder.

(De dag zal zich nog herhalen ergens diep in de nacht.)

Je denkt aan warme soep.

Je komt thuis binnen, zet de verwarming aan.

08 januari 2021

Wachtdagen


De lagen van je huid schuiven traag.

Soms zijn ze woordafstotend.

Iets is in het water gevallen, achteloos bijna. En de kleine rimpels op het water schuiven weg, in de tijd. Het is ergens begonnen, in een van je einders.

Soms lijkt de tijd levens te duren.

Soms golven ze over elkaar heen, komend van een daar dat zich aan het oog onttrekt. Er is soms zoveel daar in hier. Zo blijkt.

Een hand op je huid zou ze kunnen voelen trillen. Die rimpels.

Soms duwen de lagen tegen elkaar. Een beetje zoals te veel mensen die tegelijk de kamer binnenkomen, waardoor je niet de tijd hebt om heel langzaam te kijken. Hoe is het met je ogen? Laat elke lijn zich nog herkennen? Soms moet je kunnen wachten op een gelaat van een ander, om te weten waar het al die tijd was, in jouw lichaam.

Soms verschuiven ze. Het had al die tijd nodig, zul je nadien beseffen. Er was geen schok, geen breuk. Het gebeurde gewoon.

Ergens in een nacht lijk je fragmenten te zijn. Het gebeurt, zodra je je neerlegt. Ze bewegen door je heen, je bent hen. Een wachtnacht.

Ze duwen soms tegen je slapen, gebruiken je kaken. Ergens onderweg zegt je buik dat het goed geweest is voor die nacht.

Misschien zijn het woordloze verhalen. Dat is wat je ziet, in je huid. Maar hun schuren zorgt wel voor getater in je hoofd.

Soms voel je de indruk van een lichaam in het jouwe. Als een rimpel op het water.

Zoals vroeger in de zandbak. Die plastic schelpen die je moest vullen met zand, en dan omkeren. Soms is je lichaam het zand.

Soms zou je de dingen willen kunnen ordenen, netjes in hoopjes. Hier het verdriet, hier de pijn, hier het verlangen, hier het nog ongekende, hier de witruimte tussen dat alles. En dan traag langs elk hoopje wandelen. Maar zo werkt het dus niet.

Soms voel je die tintels. Ze vertrekken ergens tussen je schouders en bewegen langs de achterkant van je hoofd naar boven. Alsof de oppervlaktespanning van het water even verandert.

En je kijkt. In momenten van onderweg. Terwijl je door de stad loopt om iets te halen, je eigen omweg.
Waar je naartoe zou kunnen gaan, waar het naartoe zou kunnen gaan, met die lagen. Soms dient een zin zich aan, met woorden die nog niet aanraakbaar zijn.

Je hoort het je zeggen tegen haar. Misschien is het gestopt bij mij.

Sommige zinnen klinken als magie. Sommige zinnen vullen een afdruk in de stilte, misschien ook wel van een schelp. Al die tijd was het alsof die zin, zo vanzelfsprekend eenvoudig, ongemerkt verbleef in die holte. Wachtte.

Je hoort het je zeggen.

Schuren, knarsen en knisperen. Dat doen ze. In je huid.

En soms ben je zo moe, zo eindeloos moe in een ondeelbaar moment. En dan gaat het weer over.

Als je de dingen zegt, krijgen ze minder macht, denk je. Het verandert je adem, na een tijd. Als een rimpel die een andere kan opheffen.

Je kunt ook zee zijn, zegt ze, alleen maar zee. Heel even ben je bang. Misschien is het ook een uitgespaarde holte in je lichaam, die zomaar op je wacht.

En later, in een weer een nacht, besef je dat jouw verlangen naar gewichtloosheid misschien wel gewoon zee is.

In de tussentijd, in afwachting, zou je even willen liggen, tot alles zacht wordt. Alsof je daardoor het water breder zou kunnen maken, waardoor die rimpels voorzichtiger over elkaar heen kunnen schuiven en misschien zomaar verdwijnen, als water dat uitdooft.

Er is ook nog zoveel herinnering. Het is zo groot. En ook, zie je nu ineens zo duidelijk, zegt het je waar de grenzen zijn. Je hoeft geen schrik te hebben. Luisteren is genoeg, alles is er al. Misschien is alles er al die tijd geweest, zelfs.

Het is mooi, hoe de verhalen elkaar aanraken. En wat het je leert.

Soms kun je heel even een lege plek maken in de tijd. Daar kun je naar het water kijken.

03 januari 2021

Vragen


Hoe zou het zijn als je lichaam helemaal zacht is?

Hoe weet je met welke rouw je bezig bent?

Hoe komt het dat dat ene boek zo lekker in je hand ligt?

Zouden ze tot na Pasen kerstfilms uitzenden?

Waarom kun je uitkijken naar de zondagmelancholie?

Wat wordt er beroerd als je de toetsen van de piano weer aanraakt?

Waarom lijkt de ene krant zachter dan de andere?

Waarom heb je graag de allerscherpste mosterd?

Waarom wilde ze niet meer naar muziek luisteren?

Is er een plek waar je huidherinneringen bewaard worden?

Wanneer kun je Ruby Turner nog eens Peace in the Valley in het echt horen zingen?

Na hoeveel dagen in het nieuwe jaar moet je lijstje goede voornemens compleet zijn?

Hoe naakt kun je zijn?

Waarom smaakt dezelfde chocolade elke dag een beetje anders?

Hoe komt het dat je zo gelukkig bent met die radio?

Wat wil de nacht je vertellen?

Kan het zijn dat je intenser ruikt?

Hoe week kun je worden van een mooie stem?

Zou die Trump nu niet gewoon van de trap kunnen vallen of zo, een beetje?

Dat uitgesteld genot, hoe lang kun je dat volhouden?

Waarom ziet die vrouw in dat programma niet dat die vent helemaal niet oké is?

Hoe kun je best antwoorden op de vraag waarom je altijd je best wilt doen?

Is het goede willen doen toch niet iets anders dan je best willen doen?

Vergeet je zeker niet om zwarte peperbolletjes mee te brengen?

Wanneer zal het komen, als het komt?

Wat wilde je beschermen met je armen voor je borst?

Wat zou je vandaag aan Julia vertellen?

Wat is dat met je benen?

Wat doet je hand met je buik?

Hoe lang mag je circulaire kerstboompje blijven staan?

Rust een urne?

Op welke dag zul je weer soep maken?

Hoe zal je column van maandag bewegen?

Zullen die laatste twee afleveringen van die serie niet te akelig zijn?

Is je gezicht in de spiegel verouderd?

Wie wandelt daar je droom binnen?

Hoe zal het reageren?

Ben je klaar voor het dekentjesverlangen?

01 januari 2021

Wens 2021


Tussen de getijden
In die windstilte
Gewichtloos en
Ontdaan van sporen

Misschien waren ze daar
Het verlangen en de troost
Je huid wist alles al
Over deze plek bij het water

Zitten in zachtheid
En alleen maar kijken
Er is een vertrek
En er is een blijven

Misschien is het een belofte
Daar waar de zee het land teder
Aanraakt, dat je nooit
Alleen zult zijn


jan