25 juni 2017

Alle richtingen

Het seminarie in de ronde kamer. Het is warm, denk je. Daarbuiten is net een politieke crisis aangekondigd. De gedachten kaatsen heen en weer. Je zoekt een leeg plekje in het weefwerk van gedachten om iets toe te kunnen voegen dat misschien zinvol zou kunnen zijn. Je weet niet helemaal zeker of dat wel gelukt is. De wind is welkom. Het is wel fijn om weer in dat statige gebouw te zijn.

Warme nachten, grillige dromen, soms.

Een andere dag. Je zet de stoelen en tafels klaar. De grote zaal, met uitzicht over de stad. De mensen komen binnen. Je loopt heen en weer. Het voelt goed, daar achter het fototoestel. Je hoort de antwoorden van de mensen aan de lange rij tafels. Je zou iets willen zeggen, heel veel eigenlijk. Je doet het maar niet. Tussendoor krijg je berichten van een wereld daarbuiten. Dingen die moeten geregeld worden. Je voelt je gekneld tussen twee plekken, terwijl je liever nergens zou zijn, even toch.

Traag weer naar huis. Het is nog altijd warm.

En weer een dag. Een kanteldag. Iets is rusteloos. Je wilt die dag bewust beleven, weet dat het pas tegen de avond rustig genoeg zal worden. Je denkt aan iemand die een belangrijke presentatie gaat geven, je hoopt dat ze het goed zal doen, je wilt het zo graag. Je mist iemand, denk je heel stilletjes. Je krijgt een mooi bericht dat daar een antwoord op lijkt te zijn. Je ziet hoe ze binnen komen in je huis. Hoe ze de ruimte innemen, zo vanzelfsprekend. De dingen kloppen. Nadien zul je begrijpen hoe er meer dingen kantelen, die dag. Een vergadering. Sommige mensen zijn beleefd, willen luisteren naar gasten die zijn uitgenodigd. Anderen zijn dat niet, je bent geschokt. Je denkt aan je grootmoeder, hoe ook zij completely unimpressed zou zijn door mannen die denken dat ze op basis van hun veronderstelde autoriteit denken te mogen zeggen dat de discussie al gesloten is nog voor ze is begonnen. Wie is er bang, denk je.

Die avond is het eindelijk tijd, voor het kantelen. Terwijl je schrijft, zie je de dingen. Je bent gelukkig.

Een volgende dag. De mensen komen binnen voor het seminarie. Je loopt de hele tijd heen en weer om hen te begeleiden tot aan de zaal. Alsof er een majeur veiligheidsrisico zou zijn. Dat er even niet genoeg water in de zaal lijkt te zijn, is misschien het grootste risico. Heen en weer lopen over de roltrap, met nieuwe gasten, en tussendoor foto’s maken. Varianten van onzichtbaarheid. Tussendoor aan iemand denken. Een vorm van nergens zijn, daar waar je zou willen zijn. Nadien de zaal weer opruimen. Er zijn nog veel stukjes amandelcake over. Mmm. Met mate natuurlijk. (Het uitstellen van genot is een van je best ontwikkelde competenties. In het algemeen.)

Die avond. Op weg naar huis had je één druppel gevoeld. Midden in de winkelstraat. Op weg naar het avondseminarie voel je twee druppels. De wereld is nog niet helemaal gered, maar misschien komt het nog wel goed. Je stelt een vraag. Misschien is ze te moeilijk, of te voor de hand liggend. Het blijft je verbazen hoe goed we zijn in het negeren van evidente, maar vervelende waarheden. Nadien heb je nog een boeiende discussie met de sprekers. Wanneer je naar huis fietst, is het koel buiten. Als een vorm van genade.

De volgende ochtend op de markt. Om een of andere reden maakt het je rustig om daar te zijn, dat moment van de dag. Daarna de kranten in de trein. Varianten van het uitkijken naar genot. Het literaire katern al diagonaal bekijken, nog niet echt lezen, dat is voor de avond. Overdag de foto’s schikken. Het voelt rustig, aan de achterkant van de foto’s te kunnen zijn. Een stukje schrijven, over water, tijdens je middagpauze. Spannend, hoe je nooit van te voren weet waar je uit zult komen. Later een trein naar huis nemen die er net iets langer over doet, in het kader van het voorziene genot, dus. Lezen over boeken. ’s Avonds zo moe zijn dat je bijna scheel kijkt.

De nachten worden koeler.

Een volgende dag. De boodschappen zijn gedaan. Het voelt goed om bij te praten met dierbare vrienden. Je hebt een verhaal te vertellen, na een foto. (Er is iets met foto’s, deze week.) En daar een bericht krijgen, met een vraag. Je schuift je plannen aan de kant, en zegt ja, vanzelfsprekend. Een bijzondere ervaring, dat wordt het. (Het voelt ook wel een beetje goed dat je weg bent uit de stad, waar je op dat moment over de koppen kunt lopen.) Bij thuiskomst toch nog snel even naar de stad. De cadeautjes voor twee verjaardagen. Je kunt er niet goed tegen dat ze te laat zullen aankomen, maar dat is dan maar zo. Een heel bijzondere avond, met veel verhalen in één avond. Verhalen die niet af zijn. Je loopt traag naar huis in de nacht. Je voelt minstens drie druppels.

Een onrustige nacht. Ergens onderweg word je wakker, alsof je geen adem meer krijgt. Allerlei dingen gebeuren, ergens in je lichaam. Je kijkt toe, en wacht. Het wordt een traag verdriet in de ochtend. Je zou iets willen horen, en het komt zomaar naar je toe. Dat is goed. Je kijkt toe, via de woorden. Verdrietwaarneming. Waardoor het ook kan kantelen. Je vertrekt voor de wandeling. Je mag weer foto’s maken. Je hoofd is een beetje ergens anders. Langzaam valt je lichaam weer samen met jezelf. Al ben je moe, en wil je nergens zijn. Later die middag leg je je neer tussen de woorden. Ze zoeken zichzelf, ze zoeken waar jij bent. Je ziet de contouren. Je ziet waar de angst is, waar het verdriet, waar het geluk, waar de verwarring. En je denkt: het is een brief die ik toch niet hoef te versturen. Het is goed, er is alle tijd. En er zullen nog veel foto’s komen.

23 juni 2017

Wachten op de woorden

(Je zit naar je scherm te staren. Naar de plek waar de woorden zouden kunnen komen. En waar ze ineens ook staan. Zo stel je vast.)

(Eigenlijk ben je een beetje moe, denk je.)

(Het zou fijn als de woorden gewoon zouden komen.)

Zoals de frisse wind door de kamer, van het ene raam naar het andere.

Zoals hoe je stond te dansen, even geleden nog. (En eigenlijk stond je te dansen met iemand, al wist zij dat misschien wel niet, op dat moment.)

Zoals de nieuwe herinneringen die hun plek zoeken in je hoofd, alsof ze er altijd waren. Alsof de plek waar ze zouden komen al altijd was voorbehouden.

Je ziet beelden van de voorbije dagen. Ook zij waren een geschenk.

Misschien ben je wel niet meer bang, denk je.

Je voelt hoe je lichaam verandert, bij de ene of de andere gedachte. Bij de ene wordt het loodzwaar, zuigt het zichzelf leeg. Bij de andere is het alsof je je hand op een oever legt, alsof je je bestemming kunt zien.

Je hoofd is al bij de volgende dag, denk je.

(En ineens zijn er tranen. Het stukje dat moe is, waarschijnlijk.)

Eerder die dag zei je nog hoe gelukkig je was, en dat was ook zo.

(Misschien is je lichaam in de war, of net helemaal niet.)

Je wacht op de woorden.

Alsof zij het zouden overnemen van je. (Zoveel genade is je niet gegund.)

(Straks ga je je neerleggen in de plooi van de dag. Dan mag het.)

(Maar waarom zou je moeten wachten op de woorden? Wie heeft dat zo ooit beslist?)

(Iemand zou lachen met jou nu, waarschijnlijk.)

(En je denkt: ik moet iets vertellen aan die en die en die en die.)

Je wacht op de woorden.

De bomen daar, ze zijn zo rustig. Ze hebben alle tijd.

(Alles wat je haar nog moet vragen en vertellen. Gelukkig heb je evenveel tijd als de bomen.)

Je gaat mooi rechtop zitten. Dan zullen de woorden zeker wel komen.

(Maar je hebt die middag toch al een lang stuk geschreven. Over het water, over hoe we water zijn. Is dat al niet genoeg?)

(Misschien is het wel goed dat het bijna vakantie is.)

Het open raam. Kijken naar het terras, de bloemen, de bomen, de lucht. Dit is de plek, denk je. Hier zul je je straks neerleggen, jezelf uit handen geven aan de nacht.

(Maar eerst nog woorden.)

Misschien zou je het kunnen vragen, of het zonder woorden mag. Misschien mag dat wel.

Je hoort meeuwen. De zee is naar je toe gekomen. Om te zeggen dat het goed is.

(Misschien moet je alleen maar woorden geven, en is dat het wachten.)

Je denkt aan water. Je ziet iets voor je, en dat is goed.

Misschien mag je het loslaten, voor nu.

21 juni 2017

Een lange dag



Het is die dag van het jaar…

Die dag die je in de war brengt, elk jaar weer. De dag van het kantelen.

Kantelen tussen seizoenen. Verlangen voelen, en tegelijk de melancholie aanraken.

Elk jaar is die dag er opeens. Lang van tevoren dacht je al dat je je moest voorbereiden op die dag. En dan is die dag er opeens.

Een klein beetje alsof je ineens beseft dat je niet meer lang zult leven en dat je nog niet genoeg gezegd hebt hoeveel je houdt van iemand. Maar dan in milde vorm, of zoiets.

Ineens is die dag daar, en ineens besef je weer dat je onvoldoende voorbereid lijkt te zijn op het kantelen.

Misschien is dat wel de essentie van het kantelen?

Je wilt dat moment van het jaar voelen, in heel je lijf.

En bij het einde van de dag zul je buigen, diep buigen.

Een deel van het web van het leven, dat ben je. En dat is wat je voelt, wat je wilt voelen, op die dag.

Hoe je verbonden bent, met alles. Hoe alles in je is. Hoe je bent opgebouwd uit de dingen die in dat alles huizen.

Hoe mooi het is, een golf te zijn. Je ziet een golf, je zou kunnen zeggen dat een golf een iemand is. De golf kan er evenwel niet zijn los van de zee. Misschien is de golf het verlangen van de zee. En in dat verlangen ook het verdriet.

Bij het einde van de dag zul je buigen, en je zult je adem voelen. Dat wat zee was (en is), is via de lucht een rivier geworden, en teruggekeerd naar de zee, naar zichzelf. Je zult de rivier voelen, in je lichaam.

En misschien is er op die lange dag iets gekanteld, bijna ongemerkt. Je handen weten het. Je huid weet het. 

En misschien wou je daarom net op die dag de woorden zeggen aan iemand die niet verloren mogen gaan, niet op die dag.

Misschien is er op het kantelpunt een moment van bewegingloosheid, van gewichtloosheid, van plekloosheid. Een moment waarop je even buiten de tijd kunt kijken, helemaal vrij. Misschien kun je in dat ene moment zien hoe zijn en worden gelijk zijn. Misschien kun je even zien dat de vrede daar ook hier kan zijn.

Misschien wou je net die dag bij iemand zijn, en ben je gelukkig omdat je net die dag bij iemand kon zijn. Al was het maar even, al wou iemand dat het eindeloos zou duren. Ook al kon je zeggen: ik mis je nu al. Ook al bleef je zo lang bij het raam kijken tot je niets meer zag.

Misschien moeten de dagen korter kunnen worden opdat het zomer wordt. Misschien is dat de sleutel. Wat je verlangt, het kan er alleen zijn omdat er steeds minder dagen overblijven.

Het is die dag die je wilt vieren.

Je hebt zelfs niet eens gemerkt dat god afwezig was.

De zee was genoeg. De zee zal altijd genoeg zijn. Altijd zul je terugkeren naar de zee, zul je met haar praten. Al je verhalen, ze zullen altijd daar zijn. Daar zal hier zijn. Dat heeft ze je beloofd.

Misschien is de kanteldag er om je iets te leren over hoe je jezelf uit handen kunt geven. Misschien mag het. Misschien zul je niet verloren gaan. Misschien is de vlucht voorbij. Misschien kun je je neerleggen. Om alleen maar te kijken naar het licht.

Het is die dag.

Misschien heeft de aarde gevoeld dat jij die dag hebt gevierd. En dat je zo jezelf hebt gevierd. Misschien is het goed dat de tranen je nog even bezoeken, voor de dag om is. Om je te herinneren aan de rivier. En al wat is, verandert, en daardoor is.

En misschien moet je het zeggen: laten we deze dag nooit vergeten. 

Het is goed zo.

18 juni 2017

Een nacht van de honderd jaar

‘Wat denk je?’
‘Zullen we hier nog wat blijven zitten?’
‘In het donker?’
‘Ja. En helemaal donker is het niet. Ik zie je nog net genoeg. Ik zie je in principe natuurlijk nooit genoeg, maar nu is het net genoeg. Zo kunnen we de woorden beter zien. En kan ik je vermoeden.’
‘Ben jij ook moe?’
‘Ja, eigenlijk wel. Maar het geeft niet. Dit, hier, nu, dit wil ik.’
‘Je bent lief. Niet al die andere dingen die je over jezelf zegt.’
‘Misschien. Als jij het zegt.’
‘Soms wil ik je vragen of je tijd hebt, begrijp je dat?’
‘Ja. Natuurlijk. En ik heb eigenlijk ook al geantwoord, nog voor je de vraag stelde.’
‘Ja, misschien wel.’
‘Toen ik naar hier kwam, was ik bang om te laat te zijn. En zodra ik hier was, viel dat van me af. Ik wou alleen maar in een nu zijn, met jou.’
‘En lukte het?’
‘Ja. Heb je dat niet gemerkt?’
‘Ja, toch wel.’
‘Wat denk je? Er is iets, ik voel het.’
‘Misschien valt het niet zo op, maar ik kijk ook naar jou. Ik weet dat jij kijkt naar mij, en misschien vind ik dat wel fijn. Maar dat mag je me niet vragen.’
‘Waarom niet?’
‘Sommige dingen mag ik nu nog niet zeggen.’
‘Eerst hebben we nog al die jaren te gaan natuurlijk.’
‘Inderdaad.’
‘Maar ik heb dus al een plan voor daarna.’
‘Ga je het nu dan toch vertellen?’
‘Ja, ik denk het wel. Na al die jaren dus ga ik vragen of ik je hand mag aanraken.’
‘Waarom?’
‘Dan kan ik kijken met mijn vingers.’
‘Misschien wou ik je vragen waarom je nog zo lang zou wachten om dat te vragen.’
‘Misschien kan het wel hopeloos fout gaan als ik niet wacht.’
‘Wat zou er fout kunnen gaan?’
‘Alles natuurlijk. Maar je vroeg toch tijd?’
‘Ja, dat is zo. Maar als ik weet dat al die jaren er nog zijn, wat er ook gebeurt, dan kan ik anders ademen. Misschien moet je wel niet wachten tot na die jaren, misschien mag je het al eerder proberen.’
‘Jij zegt de mooiste dingen die je me kunt zeggen deze nacht.’
‘Ik denk het niet eigenlijk.’
‘Ik denk het wel.’
‘Je mag al wel gewoon een beetje dichterbij komen zitten. Dat overleven we wel.’
‘Kijk daar, de verhalen van de nacht.’
‘Daar?’
‘Nee, daar.’
‘O ja.’
‘Zul je mijn rare hoofd wel kunnen verdragen.’
‘Wanneer?’
‘Na die jaren?’
‘Ja.’
‘Zo eenvoudig?’
‘Ja.’
‘Het is goed dat je me nu niet kunt zien. Misschien wil ik je ook wel vragen of je tijd hebt. Misschien klinkt geduld te veel als wachten, en ik zou een ander woord willen dan wachten. Maar misschien is dat er wel niet. Tijd is goed. En als we de hele tijd kunnen denken dat we hier zijn, en niet daar, dan komt het wel goed.’
‘Volgens mij waren we al meteen voorbij een punt, waren we eigenlijk al onmiddellijk hier.’
‘Ja, dat denk ik ook. Het was zo raar. Alles was nieuw, en tegelijk was het er al, al die tijd voor dat moment. Ik kan het niet goed uitleggen.’
‘Kun je daarmee stoppen? Jij kunt het altijd uitleggen. Jij wel.’
‘Ik doe mijn best. Ik heb gelukkig nog enkele jaren om te oefenen.’
‘Ja, gelukkig maar.’
‘Oef.’
‘Soms ben jij echt een onnozelaar, weet je dat?’
‘Ja.’
‘Dan is het goed.’
‘En nu de nacht nog.’

15 juni 2017

De ultieme vragen

Waar eindigt hier en begint daar?

Vanaf waar begint het oosten van het land en houdt het centrum op? (Kwestie van het weerbericht goed te interpreteren als ze zeggen dat het waarschijnlijk in het oosten, en misschien nog in het centrum gaat regenen. Begint het oosten net voorbij Kessel-Lo, of in Tienen, of in Sint-Truiden? En moet je dan al dan niet een regenjas meenemen omdat het waarschijnlijk in het oosten en misschien in het centrum gaat regenen in de namiddag of misschien de avond en het eigenlijk ook wel heel zonnig is als je vertrekt en je weet dat het heel warm gaat worden?)

(Vorige vraag is variant op andere ultieme vraag.) Mag ik vandaag zonder jas naar school?

Hoe lang mag je in haar ogen kijken?

Hoe lang kun je in haar ogen kijken? (Sommige vragen zijn meer geschikt voor even dagen, andere voor oneven.)

Kan de vraag over waar seffens ophoudt en waar straks begint ook als een ultieme vraag beschouwd worden?

Zul je moedig zijn, wanneer het ertoe doet?

Hoe bang mag je zijn van de liefde?

Waarom is die ene zin telkens zo mooi in dat ene liedje van Spinvis? “Want welke weg ik kies. Hij leidt naar hier.”

En waarom is die andere zin telkens zo hartverscheurend in dat ene liedje van Talking Heads? “I'm just an animal looking for a home. And share the same space for a minute or two."

(Waarom heb je dat al honderd keer gezegd, trouwens?)

Zullen we ooit thuis zijn?

Wat als je niet saai bent?

Kan vinaigrette echt te zuur zijn? (Of zijn het watjes die dat vinden?)

(Is een variant van een andere vraag.) Kun je echt te veel peper in je soep doen?

In welke taal moet je communiceren met de kosmos?

Als je een sms stuurt naar iemand, zou je dan de woorden door de lucht kunnen zien vliegen als je maar lang genoeg oefent?

Vliegt een lieve sms sneller dan een boze?

Is de liefde van het betaalapparaat in de bioshop wederzijds? (Het is elke keer een spannend moment, betalen in de bioshop met je kaart. Ook voor kleine bedragen, zoals gevraagd, trouwens. Blijkbaar is dat apparaat hoogsensitief. Bij veel kaarten komt er een of ander probleem. De mevrouw aan de kassa heeft het je uitgelegd, met een enigszins zwoele blik in haar ogen. Je moet het doen met liefde. LOOOOOOVVVVVE. Zo zei ze het. En ook magic fingers natuurlijk, maar dat was een uitgangspunt. Sindsdien concentreer je je elke keer geheel op de liefde. Bij de klant voor jou gaat het altijd mis. Maar als jij aan de beurt bent, LOOOVVVE, en dan kijkt ze je samenzweerderig aan. Maar de vraag is wat het apparaat zelf voelt.)

Klopt je vermoeden dat de kosmos ook reageert op dat betaalapparaat?

Waarom is het woord helen te groot?

Hoe komt het dat dat ene vervelende vliegje op de meest vervelende manier in je oog vliegt op steeds het meest vervelende moment? (En hoe komt het dat er zoveel miljard van die kleine vliegjes zijn die niet in je oog vliegen als je op een juniavond weer naar huis fietst?)

Als er een god zou zijn, zou zij er dan voor kunnen zorgen dat een miljard van die zoveel miljard vliegjes in de ogen The Donald vliegen, met een regelmatige interval, maar ook een zekere subtiele genadeloosheid?

Kun je jezelf vergiffenis schenken voor de vorige vraag enkel en alleen omdat je niet in god gelooft?

Kunnen we troost vinden in elkaar?

Wat ooit als er niemand voor je en niemand achter je staat?

Kun je verdwalen in dat zoete niemandsland tussen droom en wakker?

Wat weten je handen nog voor ze het weten?

Zouden ze allemaal weten hoe graag je hen gezien hebt als je morgen dood zou vallen? (Terechtkomen onder een neervallende ster verandert de vraag niet wezenlijk.)

En zelfs dan, heb je dat al genoeg gezegd aan die mensen die het hadden moeten horen, ook als ze het al lang wisten?

Hoe stil kan het zijn als je ’s nachts wacht op je lichaam, op hoe het zich in zichzelf neerlegt?

Als je een wens mag doen, mag je dan ook wensen dat je elke dag een wens mag doen?

Welke droom mag je wanneer vertellen?

11 juni 2017

Wat zou je vertellen

Jezelf voorstellen aan iemand die je pas kent, hoe doe je dat?

De gedachte alleen al kan je in de war brengen, om het vriendelijk te zeggen. Om het simpel te zeggen: er zijn twee mogelijkheden. Ofwel probeer je nog de indruk te wekken dat je op een onbewaakt moment, zo één keer om de tien jaar, een grappig moment hebt. Ofwel leg je je er meteen bij neer dat die ander ook meteen zal merken dat je behoorlijk saai bent, structureel saai, of zelfs systemisch saai. Als dat eenmaal geregeld is, kun je misschien nog wel hopen op een koffietje, ergens, ooit, maar verder zal de kosmische orde zich weer herstellen.

Stel dat je toch wild denkt, en doet alsof er nog een derde optie is. Wat zou dan moeten gemeld worden, qua belangwekkende informatie?

Dat je niet goed bent in dingen die stuk gaan. Schoenen die verslijten, een apparaat dat ineens stuk is. Het maakt je hulpeloos. Dingen die stuk gaan, dat is een onrecht, minstens.

Dat chocolade dient beschouwd te worden als een fundamenteel mensenrecht. Je kunt uitleggen dat je het tot je laat komen in kleine doses, met grote discipline. Er is geen sprake van  vreetbuien of zelfs lichte mate van ongecontroleerd eten. Maar dat kleine stukje elke dag, dat is toch min of meer non-negotiable.

Dat je nog niet vlot in het Duits een conversatie aangaat. Je weet dat dat een ware afknapper is voor de meeste leden van the opposite sex, maar het is wat het is. Lezen in het Duits, luisteren in het Duits, af en toe denken in het Duits, dat kan allemaal. Maar uitleggen waarom iemand door je hoofd doolt in het Duits, dat is nog niet voor morgen.

Dat je na al die jaren nog niet zonder handen met de fiets durft rijden. Dat besefte je onlangs nog. Je hebt natuurlijk goede excuses. Onder meer die dikke kop van jou, die maakt dat je topzwaar bent op zo’n grote fiets. Je zou natuurlijk onmiddellijk tegen de grond smakken. En eigenlijk wil je nog heel lang aan die ander uit proberen te leggen waarom je – wild gesproken – toch af en toe niet saai bent. Is dus geen goed idee.

Dat je tijdens een zondagmiddagdut zomaar naar rare programma’s kijkt. Het is eigenlijk iets ingewikkelder. Zondagvoormiddag begin je dapper met het poetsen van het huis. Het bijna voltallige vriendinnenfront vindt al jaren dat je zou moeten overwegen om poetshulp in te schakelen, maar je weigert koppig. (Iets met dicht bij de aarde blijven of zoiets, je begrijpt het zelf ook niet helemaal.) Na het poetsen heb je steevast zoveel rugpijn dat je even moet gaan liggen. Tijdens dat liggen wordt er gekeken naar programma’s van hoog niveau. En zo kom je terecht bij die Britse naaiwedstrijd. Een hele tros vrouwen (soms lichtjes hitsig, als die ene presentator voorbij komt) en een enkele man storten zich in de competitie om binnen x aantal minuten een pyjama te maken, op model. Fascinerend programma, om redenen die je zelf niet begrijpt.

Dat het is wat het is. Om redenen die je zelf niet begrijpt.

Dat je – trouw aan je  vader en zijn moeder – volstrekt ongevoelig bent voor autoriteitsargumenten. “Het is zo omdat ik het zeg, en ik ben directeur.” Dat soort dingen maakt geheel geen indruk op jou, om het vriendelijk te zeggen. Een lichte neiging tot anarchie kan het gevolg zijn.

Dat je jeuksel krijgt van vermoeiende macho’s. Om het vriendelijk te zeggen.

Dat je af en toe een klein beetje romantisch bent. Je weet dat het vervelend is voor die ander, dat je zomaar allerlei ideeën hebt voor het schrijven van brieven, het bedenken van cadeautjes, dat je graag een hele dag in de keuken staat voor wie je hebt gevraagd. Je weet dat het vervelend is dat je regelmatig een liedje wilt laten horen omdat dat het mooiste liefdesliedje is dat je kent (voor die week dan toch, de week daarna is er weer een ander). Je weet dat het vervelend is dat je de hele tijd zegt hoe blij je bent om die ander te zien. De hele zwik dus. Maar op eenvoudige aanvraag kun je alleszins proberen die hele romantiek uit het raam te zwieren (niet dat succes gegarandeerd is, maar je kunt maar proberen).

Dat je er onnozel uit ziet als je staat te dansen in de keuken.

Dat je nog nooit dronken bent geweest. Is in principe waarschijnlijk een onderdeel van de systemische saaiheid. Volgens sommigen heb je een zeer maar dan ook zeer lichte neiging tot controle (of angst voor controleverlies). Volgens jou wil je ook tijdens het toegeven aan je romantische afwijking nog steeds weten wat je zegt. Zodat het niet voorkomt dat iemand je, na 100 jaar of zo, zegt dat wat je toen zei, op die dag, niet helemaal gemeend was of zo.

Dat je soms nog een klein jongetje bent.

Dat je niet bestand bent tegen Bach. Onder meer. (Een lange lijst van andere dingen is beschikbaar.)

Dat je houdt van het licht in het huis op een zondagavond. En dat je regelmatig bij het zien van de lucht (overdag of ’s nachts) iemand zou willen bellen om te vragen of zij dat ook gezien heeft.

Dat je best kunt leven met de vaststelling dat je oud en lelijk bent. Maar dat dat, in het licht van die 100 jaar, ook soms best nog wel meevalt.

Dat je dus nog verhalen en vooral vragen hebt voor 100 jaar.

En dat dus misschien – gezien al die elementen – of zelfs hopelijk een heroverweging van het dossier zou kunnen overwogen worden. Eventueel. Als dat zou kunnen.

09 juni 2017

Praten met haar

In je schriftje staat dat het een reis is. Het woord zegt het zo, dus is het zo.

Het duurt even eer je in het ritme komt, je wacht nog even. De woorden voor bij de grens wachten ook. Die zijn al klaar. Ze vertrekken net voor de grens.

Misschien is elke reis als een ritueel. Deze is het alleszins, telkens weer.

Praten met haar, dat ben je aan het doen.

De woorden komen in het schriftje. Waar alleen de woorden de woorden zien.

Maar ook die woorden blijven, ergens. Zoals het landschap jou herkent, en de verhalen in zich draagt.

Onontkoombaar. Dat dacht je, toen, die eerste keer.

En nu zie je de verhalen. Ze zijn er. Ze zullen komen. Je zult kijken naar je handen, en de verhalen die daar zijn. Misschien heb ik niet meer dan mijn handen, zul je zeggen.

En misschien zul je iets vragen over geduld. En je handen.

Je praat, en je glimlacht. Iemand zou kunnen slapen. En je zou kijken.

Dichter bij huis lijkt de trein steeds sneller te gaan. Iets daarvan maakt je droef. Alsof je op deze niet-plaats beter zou kunnen praten, dichter bij de woorden zijn. Alsof je de woorden langer zou kunnen bekijken, in je handen. Alsof ze zouden kunnen blijven.

De dag daarna, en daarna, is er iets rusteloos in je. Dat je dat moet uitleggen, denk je.

De dag daarna. De foto’s. Nadien kijk je lang naar de foto’s, zoals je lang keek tijdens de foto’s. Tijdens de foto’s, hoe kun je dat uitleggen? Je ziet iets.

En die avond, na een lange dag. Het raam is open. Het landschap daarbuiten zou zomaar binnen kunnen komen, maar doet het niet. De muziek brengt je bij je adem, of de woorden, of in een andere volgorde. Je weet niet waar de grenzen zouden zijn. En daar wou je zijn.

De dag daarna. Ergens in de avond. Je kijkt naar de woorden. Ze moeten iets in je herstellen.

Ook dat moet je uitleggen, van die handen.

De nacht plooit zich om je heen. Maar je lichaam kan de overgave niet vinden.

Een andere dag.

Ook verhalen zijn onontkoombaar. Later die dag weet je dat het zo is. De woorden hebben tijd, voor de rest van de eeuwigheid. Ze kunnen wachten, het verhaal is er al.

Je vertelt iets over die rusteloosheid. De woorden zijn geen vraag. Maar de woorden moeten wel gezegd worden, anders zou de tijd zomaar kunnen vergaan. Je weet dat je dat niet uit kunt leggen, dus doe je het maar.

Praten.

Er komt enige rust in je rusteloosheid.

Iemand zou kunnen zien dat je gelukkig bent.

En je praat verder, in het landschap, terwijl je in de avond weer naar huis fietst. Of alles goed gegaan is, vraag je.

Hoe pratend mag je praten?

De nacht doet het weer, van dat plooien. Je lichaam laat zichzelf al een beetje los.

Iets in de ochtend is zo mooi.

Misschien mag je ook onnozel doen.

Je wacht op de woorden. Je kijkt naar de woorden.

En het is zoals in de trein, toen. Zodra ze vertrekken, zodra ze in de lucht zijn, met die mooie maan, is er iets goedgemaakt.

Eerder die avond had je staan bewegen, op dat ene liedje. Het raakt je midscheeps, zoals zo vaak eerder al, en telkens opnieuw.

Dat moet je nog vertellen, denk je. Van dat liedje.

En vertellen van dat praten, misschien wel. Denk je in een moment. Een afwijking.

Een afwijking die mooi kan verdwijnen in de eeuwigheid.

En de nacht plooit zich om je heen. En je lichaam, een beetje meer.

Misschien moet je dat uitleggen, van dat praten.

En misschien moet dat ondertussen al niet meer.