03 mei 2015

Het beschrijven

Stel dat men je zou vragen een dag of een week te beschrijven. Waar zou je beginnen? Wat moet je verzamelen? Welke stipjes zou je met elkaar moeten verbinden?

Er zijn veel toegangswegen. Allemaal zijn ze ontoereikend, waarschijnlijk.


Je zou de momenten kunnen verzamelen waarop je onderweg bent. Je stapt, met enig tempo, door de stad, op weg naar ergens. Je neemt enkel die momenten waarop je denkt: hee, mijn lichaam lijkt goed in beweging te zijn. Momenten waarop het lijkt alsof je weet waar je naartoe gaat, met jezelf, met het leven.

Je zou de momenten kunnen kiezen waarop je lichaam weer zacht is geworden. Met je hand kun je de spieren voelen nabij je schouder en merken hoe ze soepel zijn, hoe ze zich uit handen gegeven hebben. Je zou kunnen geloven dat je helemaal ontspannen bent.

Of die ogenblikken waarin de woorden uit je hoofd vloeien. In een rechte lijn, in volle zinnen, mooi gevormd. Het zou kunnen lijken alsof je zo bent, alsof de dag zo was.

Of toch maar die andere ogenblikken. Met woorden die niet komen. Of die van ergens komen, een plek die je niet kent. Zinnen die uit je mond komen en die je observeert. Met enige verbazing kijk je naar jezelf. Je vraagt je af waarom die zinnen komen, wat ze zeggen over de persoon die ze uitspreekt.

En wat met de spiegel? Kies je die keren dat je jezelf herkent, of net niet?

Je zou ook het verdriet kunnen nemen. Het sluimerend verdriet. Altijd wel ergens aanwezig. Het nadert je ineens, door de kieren van de tijd. Op een onbewaakt moment, wanneer je het niet verwacht. Je vertelt iets aan iemand, en ineens is het daar, ergens onder je huid. Je zit op een plek waar je niet zomaar weg kunt. Je moet iets zijn daar, iemand zijn daar. Je hebt een rol te spelen. En ineens is het daar. Wat als je die momenten met elkaar zou verbinden?

Of toch maar de vertedering. Stipjes van vertedering. Hoe je zit te kijken naar de kinderen. Hoe ze bewegen, hoe ze naar elkaar kijken, met elkaar praten. Hoe ze hun weg zoeken, werelden verkennen, de dingen aanraken. Hoe ze vragen stellen. Dat het een dag van vertedering was, zou je dan kunnen zeggen.

Het kan ook het falen zijn, het permanente falen. Dat je telkens weer beseft dat je niet doet wat je zou of had willen doen. Dat het je niet lukt, weer, om die versie van jezelf te zijn die een goede zou zijn. Dat je er weer niet in geslaagd bent een mooie zin na te laten in een tekst die je maakte. Dat je weer niet moedig was, wanneer je het had kunnen zijn.

Of toch maar de vrede? Soms is het zo. Soms. Dat je voelt: nu heb ik vrede. Je voelt je in evenwicht met de dingen. Als de getijden.

De momenten van pijn zijn er ook. De pijn trekt door je lichaam. Niets blijft onaangeroerd.

Of de momenten dat je aan haar denkt. En de dingen die je zou willen zeggen.

Wanneer er iets lukt, dat zou ook kunnen. Je neemt je voor iets lekkers te maken. En tot je verbazing lukt het.

Of toch maar de angst? Ineens even je lichaam niet meer vertrouwen, heel even. Ineens bang zijn dat je dierbaren je zullen verlaten. Plots denken dat je niet goed genoeg zult zijn om de dingen te doen waarvoor je je verantwoordelijk voelt. Plots denken dat je niet wilt zijn waar je op dat moment bent. Midden in een nacht wakker schrikken, en zien dat je alleen bent. Alle gewone dingen dus.

Het kunnen ook de momenten zijn waarop je een ander kunt doen glimlachen. Was dat niet een van je levensdoelen? Anderen doen glimlachen. Af en toe lukt het. Het blijft wonderlijk.

Er is nog de afdeling verontwaardiging en kwaadheid. Ze kunnen je overnemen, als een golf over je heen gaan. Ze kunnen je handen doen trillen, je borst samenknijpen. En heel even val je ermee samen.

Er zijn nog de momenten van verlangen.

Er zijn de momenten van afleiding, van onverwacht het hoofd draaien voor schoonheid.

Er zijn de momenten van het weten, schaars weliswaar. Traag een zin lezen, ergens in een tekst. En denken: ja, zo is het, dat is een zin die zo moest zijn. Beseffen dat de werkelijkheid na die zin anders is.

Er is de ontroering. Bij het raam staan, en plots zien dat de knoppen aan die nieuwe boom door beginnen te komen. Voelen hoe gelukkig je dat maakt.

Elke keuze zou een andere dag opleveren. Je zou honderd verhalen kunnen vertellen over dezelfde dag. Alleen maar door andere stipjes met elkaar te verbinden.

Iemand zou je kunnen vragen: hoe was je dag vandaag, wie ben jij vandaag? En je zou antwoorden: hoeveel verhalen mag ik vertellen? En je zou vragen: hoeveel geduld heb je met mij?

02 mei 2015

Waar zou je willen zijn

Een verlangen naar woorden. Het kan je besluipen, het kan je innemen. Woorden die je zou willen zien.

Ingewikkelde dromen.

Je hoort jezelf praten, en even denk je: misschien is het tijd, bijna.

Dat je de dingen zo uit elkaar zou kunnen leggen als hoe de linkerhand dat thema speelt, in die variatie. De andere hand komt er later bij, en daarna verlies je het zicht. Dat je de dingen zo uit elkaar zou kunnen leggen, dat zou je willen.

Je lichaam weet het, en wacht.

Wat zou je zeggen, nu? Je zou nog steeds bang zijn, waarschijnlijk.

Je kijkt naar je handen. Ze hebben iets van de tijd.

Iemand zegt iets, over de liefde.

En je zou willen zeggen: laten we daarover niet praten, maar alleen over de trage dingen.

Je kijkt naar wat je ziet in de spiegel. Je kijkt met andere ogen. En je denkt: ik zou nu weg willen lopen, misschien is dat een beter plan.

Je zou willen vragen: vertel eens iets, eender wat, vertel het traag.

Er staan te veel streepjes op het lijstje. Het doet iets met je adem.

Je leest de woorden. Normaal zou je trager lezen, denk je. Normaal zouden de woorden voorzichtiger binnenkomen. Je zou hen binnenlaten.

Eerst thuiskomen, denk je. Eerst even hier zijn. Eerst even eten maken, hier. Ook al is het snel, het is hier. Voor je weer zult vertrekken. Eerst even thuiskomen.

En ’s nachts weer naar huis wandelen, de berg af. En eigenlijk graag willen dat het huis warm zal zijn, dat het je opwacht.

Weer te vroeg wakker worden. Misschien had je gehoopt op een geschenk.

De dingen klaarmaken die je nodig zult hebben de volgende dagen. Netjes in stapeltjes. Zo voelt het goed.

Op weg naar huis in je hoofd dat moment, die avond, voorbereiden. Een telefoon. Het zal anders gaan. De dingen gaan nog sneller, in je hoofd.

Misschien is het niet zo. Misschien doe je het niet goed.

Je zit daar. Alle dingen gaan snel, door je hoofd. Je probeert alles te zien. En je hoort wat er gezegd wordt. En je denkt: ik zou nu daar willen zijn, die avond, en alleen de verhalen.

Later op de avond probeer je iets te zeggen. Je schrikt van je tranen. Zaten ze dan zo dichtbij?

Ergens midden in die nacht schrik je wakker. Je denkt: ik moet het zeggen.

Prachtige tekeningen op de muren. Uitvergroot. Een wereld, en een parallel universum. Je hoort verhalen. Ze zijn dicht bij je.

De glooiende tuin. Kleine jongetjes lopen naar beneden. Zich nog niet bewust van de wetten van de zwaartekracht. Er is zoveel jong leven. Even ben je oud.

Je kijkt in je hoofd. Even zie je iets wat lijkt op een afstand. En het voelt goed, al zou je dat niet uit kunnen leggen.

De zon. Je weet dat je zult verbranden.

Een verlangen naar verhalen.

Het is laat. Het is alsof je de woorden tussen je vingers laat sijpelen. Laat ze maar, denk je.

Iets over mooi, zou je willen zeggen.

Je legt je neer. En even is het alsof je valt.

De nacht legt zich neer. Maar je hebt het niet gemerkt.

En de verhalen?

26 april 2015

Voor je weggaat

‘Hoe was je dag nog?’
‘Traag. Of snel. Misschien ging de dag wel snel, of gingen de dingen wel snel. Maar mijn hoofd was traag. Wou eigenlijk alleen maar traag. Traag kijken, dat had ik het liefst gedaan vandaag.’
‘En kreeg je de kans?’
‘Nee, eigenlijk niet. Jammer.’
‘Waar had je naar willen kijken?’
‘Naar mensen. Mensen die verhalen vertellen.’
‘Ik hoorde het vanmorgen nog iemand zeggen: mensen zijn verhalen vertellende wezens.’
‘Ja, dat is wel zo. Soms ben ik wel graag een naar verhalen luisterend wezen.’
‘Of een naar verhalen kijkend wezen.’
‘Ja.’
‘En wat ben ik volgens jou?’
‘Misschien ben jij wel een verhaal.’
‘Daar kan ik misschien wel mee leven.’
‘Waar denk je aan? Ik weet niet of ik dat mag vragen, maar ik vind het zo’n mooie vraag.’
‘Ik dacht aan alle verhalen die ik jou nog moet vertellen. Voor je weggaat.’
‘Het lijkt wel of je bang bent.’
‘Ja, een beetje wel.’
‘Misschien moet dat wel niet.’
‘Nee?’
‘Nee. Misschien is elk moment wel een moment voor je weggaat.’
‘Daar moet ik eens over nadenken.’
‘Ja, doe maar.’
‘Ik ben er wel niet zo goed in, in momenten voor je weggaat. Tenzij er genoeg verhalen verteld zijn.’
‘Wat is genoeg?’
‘Het kunnen er natuurlijk nooit genoeg zijn. Maar toch genoeg om mee te nemen, als er iemand weggaat. Waardoor die daarna misschien ook weer terugkeert.’
‘Waarom niet?’
‘Waarom wel?’
‘Nog meer verhalen. Of een verhaal. Zoals jij.’
‘Dat is een mooie gedachte.’
‘Maar nu kun je natuurlijk ook nog altijd veel vertellen. Ik ben er nog. En jij bent er nog.’
‘Ik had een droom, vorige nacht. En in die droom was ik een beetje bang van jou. Ik weet niet waarom. Ik was je aan het zoeken. Ik stond ergens op een hoogte, ik weet niet meer wat het was, een huis of een berg of zo. En ineens zag ik je lopen beneden. Het leek alsof jij ook iemand aan het zoeken was. Maar ik durfde niet te roepen. En je liep voorbij.’
‘O, wat erg. Toch maar roepen dan, in de volgende droom.’
‘Ja, zal ik doen.’
‘En?’
‘Hoezo, en?’
‘Wat komt er nog?’
‘Dessert!’
‘Jui!’

25 april 2015

Woorden die je omringen

Hoe je beweegt tussen woorden. Ze zouden overal kunnen zijn.

De verhalen die je nog te vertellen hebt. Ze zijn er. Ze wachten. Mooie gedachte. Je zou iemand kunnen zien, iemand kunnen ontvangen. En uit een landschap van verhalen zou je kunnen kiezen. Of zouden zij jou kiezen. Er is geen lijn tussen waar jouw huid ophoudt en waar de verhalen beginnen. Zoals je op de pier aan de zee tussen de balken naar het water kunt kijken. Zo ook de verhalen. En de woorden. Ze dalen neer in de verhalen. Ze zijn er.

Een verhaal. Een gesprek. Woorden die heen en weer gaan. Als het getij. Iets over pijn en verdriet. Het benaderen. En telkens het kantelpunt tussen de woorden van heen, en de woorden van weer. Wachten tot ze komen. Ze stromen zachtjes bij je binnen. Tot je weer uitademt.

Wat je je had voorgenomen te zeggen tegen iemand. In het moment voor bewegen de woorden door je hoofd. Ze zetten zich in de juiste volgorde. Ze lijken je te doen geloven dat je ze ook werkelijk zou kunnen uitspreken. Zoals ze klinken in je hoofd. Bijna welluidend. Ze herhalen zich. Of ben jij het? Je hoofd is niet te ontwoorden. Tot je daar staat, waar het zou gebeuren. Een zeer lichte woordberoerte. Er blijven wel woorden, maar ze zijn niet meer dan een onhoorbare herinnering aan hoe ze klonken, in dat hoofd.

Soms kun je kijken naar je huid. Je handen. Hoe ze geworden zijn. Iemand leerde je ooit om te kijken naar de handen van anderen. Hoe zouden zij jouw handen zien? Zouden ze de tijd zien? Zouden ze, net als jij, de woorden zien? Woorden zijn aanraakbaar. Ze zijn niet gewichtloos. Ze zijn materie. Ze bewegen onder je huid.

En later. Na alles wat (weer) niet gezegd is. De woorden zijn er nog. Ze staan te drummen. Wachten op die deur die zich gaat openen. Ze zijn klaar. Je vraagt je af: zul je, zul je niet? Iets met een bericht. Een nabericht. Nagekomen woorden. Ze waren al te dicht bij een zin om weer te verdwijnen, om zich terug te trekken in het nog ongezegde.

Je kunt dromen van brieven die nog niet geschreven zijn. De woorden zijn ergens al. Achter een zeil, uit de wind. Maar nog niet te zien. En toch. In je hoofd kun je de brief zien zoals hij eruit zal zien, geschreven. Pas tijdens het schrijven zul je merken hoe de woorden rustig hun plaats innemen. Woord per woord. Het papier is nooit leeg. Het papier is een land van aankomst. De ruimte voor elk woord is al uitgespaard. Niet te zien voor wie kijkt. Misschien is het met handen niet anders.

En de eerste brief. Die je ooit zult schrijven. Je zult de brief uit handen geven, loslaten. De aangesprokene, bovenaan. Met ‘lieve’, bij voorkeur. De aangesprokene zal de brief ontvangen uit je handen. En betasten. De plekken waar de woorden zijn. Die woorden zijn er nu al. Ergens.

Je denkt terug aan een verhaal. Een gesprek. Over pijn en verdriet. Hoe iemand ooit de woorden ontnam. En daardoor bevlekte. Woorden werden onteigend. En zo ook een lichaam. Het verhaal daarover kan de woorden niet ontwijken. Woorden die in jezelf tot een  vreemd lichaam geworden zijn.

Het schrijven van eerste woorden. Men neme een grote tafel. Men neme een leeg blad, om het daarna te leggen in het midden van die tafel. En dan. Dan zit je aan die tafel. Het blad is te betasten. Het is in volle verwachting. En opgesteld voor je, verspreid over de tafel, staan de woorden die de eerste woorden zouden kunnen worden. De eerste woorden zijn onherroepelijk, in zwarte inkt.

En als je verlegen bent. Er zijn woorden, ze dringen voor. Ze nemen de plaats in, waar andere woorden hadden kunnen zijn. En je kijkt naar jezelf, naar de woorden. Je observeert, de nutteloze informatie die ze verspreiden. Je vraagt je af of het moment kantelt, gekanteld is.

Je vertelt over iemand. In elke zin kan het alle richtingen uitgaan. Telkens opnieuw zou je kunnen kiezen. Voor dat ene woord, of een ander, of nog een ander. Het is een laveren, zin na zin. Tussen verhalen die je zou kunnen vertellen, en die zo een ergens worden. Eens je gekozen hebt, is er geen nergens meer, zin na zin. Nauwkeurig probeer je woord voor woord naar je toe te halen. Als kostbare kleinoden, individueel verpakt, in doosjes met vakjes, zoals de dozen waar vroeger de kerstballen in zaten. Iemand is daar, het verhaal is hier.

En de woorden in een nacht. Gefluisterd in een stilte die je beschermt tegen het duister. Het duister dat je zo niet over kan nemen. De fluisterwoorden zijn wenswoorden. Je hoopt dat ze iemand bereiken. Het bereiken zou op toeval lijken, of een droom. Maar jij weet wel beter.

22 april 2015

You Go To My Head

Het is een zware opdracht, die boekenwinkel binnengaan. Vraagt telkens een intense mentale voorbereiding. Maar die boekenbonnen moeten nu eenmaal op. Drie kookboeken, goede score. Het is een investering in het algemeen belang, zeg je tegen jezelf. Je gelooft het bijna.

Volgens sommige kleine meisjes heb jij het lekkerste ijs van zo ongeveer de hele wereld in huis. Zal wel een beetje overdreven zijn, waarschijnlijk. Dat ijs tot de fundamentele mensenrechten behoort, kan zo goed als zeker niet in vraag gesteld worden. (Dat dat voor chocolade het geval is, is non-negotiable.)

Er kraken allerlei dingen in je nek.

Het is al laat, na een vermoeiende vergadering, als je nog door de avond fietst. Je wilt toch nog even met eigen ogen zien dat die mevrouw veilig en wel uit verre oorden is weergekeerd.

Al enkele dagen op voorhand weten wat je zult koken uit het nieuwe kookboek. Het legt je iets uit.

Er kraken allerlei dingen in je nek. Onder meer.

O ja, je zou ook nog een amandelcake bakken. Heb je een briefje gemaakt voor in de winkel, staan die dingen er niet op. Zomaar uit het blote hoofd de ingrediënten bedenken dan maar. Wie weet ga je ooit nog wel wild leven?

Het is tijd voor een verhaal, denk je. Het is goed.

Een man zit in de etalage gitaar te spelen. Je kijkt naar de akkoorden die hij neemt. A zo, op die manier.

Na het bezoek ’s nachts weer naar huis fietsen. Het loopt wel lekker. Misschien zijn die muggen nu misschien wel verdwenen, daar aan het water.

Toch ook nog maar even het huis poetsen, denk je. Zodat het toevallig een klein beetje een goede indruk zou kunnen maken. Of is het je, in dit geval?

Op tijd al maar die burgers maken, uit het kookboek. Zo kun je in extremis nog naar plan B. Ze lijken gelukt.

Een namiddagconcert. Fijn eigenlijk wel. Iemand suggereert dat dat voor oude mensen is. Je kijkt even rond, en die stelling kan niet 100% ontkracht worden. Mooi, hoe die bandoneon telkens uit het niets komt.

Gelukkig maar een heel klein beetje zenuwachtig. Of zo.

Een mooie avond.

Een beetje te vroeg, die ochtend.

Veel mensen in één treinwagon.

Je collega wijst je erop dat je soms een klein beetje angstaanjagend kunt kijken.

Die avond wil je niet met de fiets naar de vergadering. Liever te voet door de stad. Om traag te kunnen gaan door de straat waar je zo lang woonde. Je bent er niet meer. Het is goed.

Verhalen gaan door je hoofd.

Krak.

En ook suizen.

Je kijkt naar de mensen op de trap. Het kleine jongetje vertelt honderduit, heen en weer wiebelend, terwijl zijn mama hem vast probeert te houden.

Nog een late verjaardagsafspraak. Een vriendin uit een verre uithoek van het land komt op bezoek. Op weg naar huis lopen jullie nog even langs de winkel. De meneer achter de toog zegt: ‘Aha, nu zien we eindelijk uw vrouw ook eens.’ Is blijkbaar iets dat hij zich al lang afvroeg, of zo. Jullie leggen uit dat het toch niet het geval is, en dat jullie gewoon vrienden zijn, die samen hebben gestudeerd. Hij vraagt wanneer dat was. Je zegt wanneer je begon. Blijkt het jaar te zijn dat hij geboren is.

Later weer naar huis. Midden in de winkelstraat, ergens voor een winkel. Een klein maar dicht zwermpje muggen. Geen rivier te bekennen hier, nochtans.

Thuis werken. Tussendoor even de bestelde hoed gaan halen. Wild.

Krakje.

Billie zingt You Go To My Head. En je zou wel die piano willen zijn, die haar mag omcirkelen.

19 april 2015

Een boom sterft

(Een verhaal dat je hoorde van iemand.)

Een boom. Eigenlijk was het meer een struik. Maar hij dacht er altijd over alsof het een boom was. Dat maakte het anders. Al kon hij niet zeggen waarom.

Die boom was niet alleen van hem. Toch niet in zijn hoofd.

Vele jaren geleden had hij hem gekocht. Samen met een vrouw die zijn geliefde werd. Hij had een beetje schrik van bomen. Eigenlijk was het anders. Hij hield erg veel van bomen. Maar om een of andere reden dacht hij dat het gevaarlijk was om bomen toe te vertrouwen aan zijn handen. Struiken ook trouwens. Alsof iets hem dat recht ontzegde om verantwoordelijk te zijn voor dat leven.

Zijn vrees was in de loop der jaren veranderd in schroom. Planten deden het altijd wel goed bij hem. Of toch een beetje. Hij zag het altijd in hun ogen, als ze bij hem kwamen. Het verlangen om aan die planten te beginnen, om hen te koesteren en te laten groeien. Er waren overigens wel meer dingen waar die vrouwen aan wilden beginnen. Maar het repareren van mannen is niet altijd een gemakkelijke taak.

Het was waarschijnlijk toeval, maar de vrouwen die zijn leven bezochten, zij konden het allemaal wel. Dat ding met die bomen. (Hij veralgemeende het maar even tot bomen, terwijl het eigenlijk waarschijnlijk meer over planten ging.)

Die boom dus, dat was de boom die toch altijd een beetje verbonden bleef met die ene geliefde. Aan die liefde kwam vele jaren geleden een einde. Het gebeurt. Er zullen wel redenen geweest zijn.

Sommige mensen kunnen het. Als een liefde voorbij is snel naar een nieuwe liefde gaan. Misschien was het wel goed voor hen. En hij was er best ook wel blij om, voor hen. Maar hij was meer van het trage type. De seizoenen moesten er nog eens overheen gaan. Zo was hij toch geworden. Als er meer seizoenen door je leven zijn gegaan, zijn er misschien wel meer seizoenen nodig tussen de ene liefde en de andere. Dat dacht hij toch.

Ook al gaat ze voorbij, een liefde kan zich neerleggen in je huid. Als een diepere aardlaag. Als humus. Als een litteken dat zich langzaam verzoent met je huid en als een lijn in het landschap wordt.

De boom bleef, seizoen na seizoen.

De seizoenen leren je iets over loslaten. Of ze bieden het je toch aan. In de herfst nemen ze afscheid van hun bladeren. Je moet leren vertrouwen. De boom een klein beetje uit handen geven aan de winter. Je weet nooit hoe de boom zal zijn aan de andere kant van de winter.

De bladeren gaan nooit verloren. Ze zoeken de grond. Het is een eenwording. Het worden is tegelijk ook een terug vinden. (Zoals een mens ook nooit echt verloren kan gaan. Je verdwijnt in je geliefden, gedragen door de tijd.)

Hij begreep het allemaal wel een beetje. Maar helemaal vatten kon hij het nooit. Erg was dat niet. Het had zich genesteld in hem.

Iets bleef knagen, iets van die liefde van toen. Het was als een korstje op een wonde. Mama’s weten altijd hoe dat zit, en dat zeggen ze dan aan hun kinderen. Of je dat korstje op een bepaald moment een beetje mag helpen. Of dat je gewoon moet wachten, tot het vertrekt. Hij wist dat nooit. En daarom keek hij alleen maar. Kijken, daar was hij goed in geworden. Door het leven.

In die winter kwam het in zijn dromen. Dat korstje. Het was een van die heldere dromen. In die droom vroeg hij zich af waarom dat korstje daar eigenlijk nog zat. Als het weg zou zijn, zou wat overbleef misschien een litteken zijn, misschien ook niet. Wat het zou worden, het maakte eigenlijk niet uit.

En na die winter was het wachten op de boom. Zoals elk jaar.

Hij had een of ander voorgevoel, niet thuis te brengen. En naarmate de lente zich begon te vestigen, werd het sterker. Iets met de boom.

Er kwamen geen knoppen aan de takken van de boom. Misschien had de boom die winter beslist dat het tijd was. Hij wist het niet. Maar je moet niet alles weten.

Een boom sterft. In de lente.

En het is goed.

18 april 2015

Bark

Als lezer glimlach je bijna de hele tijd, terwijl je de verhalen leest in Bark, van de Amerikaanse schrijfster Lorrie Moore. Wat ze schrijft, beweegt tussen grappig en grimmig. En hoe ze het doet… Regelmatig denk je bij een zin of paragraaf: woew, wat is ze goed!

Je kunt niet meteen vatten wat die verhalen samenhoudt, maar je voelt wel dat het zo is, dat ze samen horen. Het is een beetje alsof je met slechte ogen naar een vrij desolaat landschap kijkt, alles wazig, en ineens, door de glazen van je nieuwe bril op een aantal plekken  glashelder de woorden van een verhaal ziet. De verhalen zijn als scherpe vlakken op het papier, waar je de rest van de wereld gelukkig niet moet zien. Een beetje alsof je op een hele dag, om het uur of zo, een klein stukje heel bijzondere chocolade eet, en de smaak nog lang kunt laten bewegen in je lichaam, nooit afgeleid door andere smaken.

De titel van de bundel zegt al iets. Bark, het staat voor het blaffen van een hond, voor schors, voor een boot. Debark of disembark staat voor van boord gaan, of ontschepen. In verschillende verhalen komen honden voor. Mensen blaffen naar elkaar. Mensen schuren langs elkaars schors. Mensen verlaten het schip, waarin ze samen met een ander waren, een huwelijk bijvoorbeeld.

Relaties, gebroken, brekend, nog niet gebroken, nog te breken. Je vindt ze in allerlei vormen in bijna elk verhaal in dit boek. Moore observeert en dissecteert, maar zonder te oordelen, zonder te duiden. In betekenisvolle fragmenten, als stukjes van een gebroken spiegel. De toon is nooit bitter of cynisch, vaak wel grappig, op een erg zwarte manier. Soms zie je als lezer dingen die het personage niet ziet. Je zou willen roepen: weglopen van die vrouw, nu! Soms vraag je je lichtjes vertwijfeld af wat het personage in kwestie nu eigenlijk drijft. En misschien, denk je, weet de verteller het zelf niet, en het personage nog veel minder. De onvolmaaktheid van falende mensen, die onbewust hun weg zoeken ergens in de tweede helft van hun leven. Soms verdwalen ze, soms strompelen ze verder, soms zien ze voor zichzelf ineens een weg, ook al is die niet zo fraai misschien.

In het eerste verhaal, Debarking, begint een man – net uit een scheiding – een nieuwe relatie met een vrouw. Ze zijn aan elkaar voorgesteld tijdens een etentje bij vrienden. Hij gaat achter haar aan, lijkt een beetje wanhopig in zijn verliefdheid. Zij is meer bezig met haar zoon dan, op een wat akelige manier, dan met hem. Zij is foute boel, dat merk je al snel als lezer. Maar hij klampt zich vast aan iets dat er niet is, en dat met ergens op de achtergrond, omineus bijna, de Amerikaanse inval in Irak, ook een ontscheping.

Het tweede verhaal, Juniper Tree, lijkt een beetje op een ‘ghost story’. Een vrouw aarzelt om haar vriendin te gaan bezoeken, die terminaal in het ziekenhuis ligt. Maar ze heeft een date die avond. De vrouw sterft. Maar er volgt nog een ontmoeting.

In Paper Losses valt een huwelijk uit elkaar. De openingszinnen zijn een goed voorbeeld van de kracht van Moore’s schrijven. “Although Kit and Rafe had met in the peace movement, marching, organizing, making no nukes signs, now they wanted to kill each other. They had become, also, a little pro-nuke. Married for two decades of precious, precious life, she and Rafe seemed currently to be partners only in anger and dislike, their old lusty love mutated to rage.” Hij zit de hele tijd in zijn kelder te werken aan miniatuurraketten. Zij beschouwt hem als een alien. Het wordt erger en erger. Maar zij wil toch dat de voorziene vakantie met de kinderen doorgaat. De dingen voltrekken zich onherroepelijk. Stiekem had de vrouw nog gehoopt op iets dat niet kwam, maar dat kan ze nog altijd fabuleren, als ze beseft dat ze van dat alles een verhaal kan maken.

In Foes moet een niet erg succesvolle schrijver opdraven op een fund-raiser van een literair tijdschrift. Naast hem blijkt een lobbyiste van het Pentagon te zitten. Zij is getraumatiseerd door wat er daar gebeurde op 9/11. Ze had een ‘echte’ schrijver verwacht. Hij doet zijn best om niet te gaan blaffen, en probeert zich niet te laten opjagen door uitspraken over Obama, dan nog lang geen president. Op de terugweg klampt hij zich, in lichte wanhoop, vast aan de liefde voor zijn vrouw.

Wings, samen met Debarking het langste verhaal uit het boek, heeft een vrouw als centraal personage. KC is een zangeres, maar haar carrière zit – om het vriendelijk te zeggen – in het slop. Ze is gestrand, samen met haar vriend, een halve loser die haar toch telkens weer doet smelten. Ze is amper halfweg in haar leven, maar het is alsof ze aan het einde van de weg is. Ze maakt kennis met een oude man die alleen in een groot huis woont. Tijdens haar dagelijkse tochtjes met de hond gaat ze bij hem langs, en ze begint voor hem te zorgen. De oude man schrijft haar in zijn testament. KC is een caleidoscopisch personage. Wat drijft haar werkelijk, om te doen wat ze doet? Een schitterend verhaal, dat je met lichte verstomming achterlaat. Je gaat opnieuw en opnieuw lezen, op zoek naar zinnen die je denkt gemist te hebben.

Referential is een hard verhaal. Een vrouw gaat haar psychisch zieke zoon bezoeken, die verblijft in een instelling. Haar vriend is erbij. Je voelt hoe hun relatie verkruimelt. Hij wilde haar wel, maar kan de zwaarte van die zoon er nog bij niet aan. “”To me you always look zo beautiful,” Pete no longer said.”

In Subject To Search ontmoeten twee geliefden elkaar. Hij blijkt voor de geheime dienst te werken. Ze zitten in een restaurant, ergens in Frankrijk. Hij wordt weggeroepen, omwille van wat later het schandaal van Abu Ghraib zal worden. Hun levens raken elkaar, en ook weer niet.

Thank You For Having Me, het slotverhaal, is tragisch en hilarisch tegelijk. Een moeder en haar puberdochter gaan naar het trouwfeest van de vroegere babysitter van de dochter. Daar blijkt dat de ex van de bruid nu de muziek verzorgt op het feest (met een shirt met daarop de titel van het verhaal). Zijn vader kan zich nog niet neerleggen bij het feit dat die bruid niet langer zijn schoondochter is. En plots duikt een troep bikers, met Harley-Davidsons, op. Ze brengen een ‘blijde boodschap’, maar blijken zich van adres vergist te hebben. De moeder drijft door het feest, en kijkt naar haar leven.

Met Bark heeft Lorrie Moore een schitterend boek gemaakt. In haar verhalen vind je ontwrichte levens, die normale levens zijn, of normale levens, die meer ontwricht zijn dan ze aan zichzelf willen toegeven. Ze doet dat in een taal die vaak verbluffend is, trefzeker en soepel. Haar verhalen zijn fragmenten van levens, en misschien zijn levens ook fragmenten. Hoe donker ook, die verhalen zijn vaak heel erg grappig. Ze brengen de pathos van levens in beeld, zonder ooit zelf pathetisch te zijn. En daarin rust misschien wel veel troost.