29 oktober 2014

Aanleunen


Ik leerde haar kennen in de trein terug naar huis. Ik zocht een plaatsje om een beetje ruim te zitten. Met mezelf en de kranten. We zaten op een bank waar drie mensen op kunnen. Zij en ik. Er was dus nog overschot. En toch. Ik dacht even dat het leek alsof ze dichter bij me kwam zitten.

De bank achter ons was gevuld met een trosje jongeren. Ze deden hun best, vooral dan een van de meisjes, om zo hard mogelijk te roepen, zodat iedereen vooral erg goed kon horen wat ze te zeggen hadden. En dat was aan de magere kant. Ik las terwijl verder in de krant, verhalen over nieuwe boeken. Lezen over boeken, het is een troost. Het geeft je de indruk dat het een ietsiepietsie minder erg is dat je al die boeken zelf niet kunt lezen. En het leek alsof ze weer iets dichter was komen zitten. Misschien had ze ook last van de herrie achter ons.

Het is een van de edele treinkunsten. Het heel langzaam en voorzichtig tegen elkaar aanleunen. Nauwelijks merkbaar, en nog minder waarneembaar. Het is een beetje als je adem niet meer inhouden, en dan vaststellen dat je, zomaar, elkaar op nanowijze aanraakt. Zo subtiel dat je het nadien altijd naar de ander kunt doorschuiven, en zeggen dat die alleen maar dacht dat er van enige aanraking sprake was. Om daarna allebei heel fijntjes te glimlachen.

Een deel van de kunst is het niet meer bewegen van de arm die bij de aanraking betrokken is. Want anders zou de betovering zomaar kunnen doorbroken worden. En alles zou zomaar voorbij zijn, alsof het er nooit was. Een ander deel van de kunst zijn de lichte onderhuidse trillingen die, zomaar, ontstaan uit het aanleunen. En er is natuurlijk ook de hoop dat de treinreis eindeloos lang zal duren.

We hadden geluk dit keer. De trein bleef een tijdje staan, in Haren.

Het aanleunen is als een stilzwijgend verbond. Twee mensen die voor de duur van een rit elkaar toestaan om verbonden te zijn. Twee mensen die even niet alleen zijn, voor heel even. Om daarna weer te verdwijnen in de massa.

In andere gevallen had ik kunnen zeggen: ik zag haar voor het eerst in de … en haar naam was … Dat was nu niet zo, en ik wou het ook niet. Ik wou niet dat er namen uitgesproken zouden worden. Verhalen mochten nog niet vermoed worden. Dit – en dat hoort bij de kunst – speelde zich af in het domein waar er nog geen namen zijn en geen verhalen. Geen vragen.

De essentie van de kunst van het aanleunen is de vergankelijkheid. Misschien is het de heimelijke vervulling van een verlangen dat we allemaal wel eens hebben, af en toe. Iemand zien, en eigenlijk willen vragen: mag ik even naast u komen zitten, en een heel klein beetje tegen u, zonder iets te zeggen. Gewoon omdat het op die manier een beetje warm wordt. Meer niet.

Maar we doen dat niet. Kleine kinderen kunnen dat nog wel. En soms zijn we een heel klein beetje jaloers misschien, op dat kind dat we niet meer zijn.

Het gaat overigens niet om grote dingen. Een klein stukje bovenarm kan al genoeg zijn. Veel meer zou onwenselijk zijn. Net meer doen dan de grens aanraken zou een andere plek zijn. Dan zou je dichter bij een verhaal komen.

En zo ging de rit verder. Toch nog altijd te snel.

Er zijn mensen die het kunnen. Wachten tot de trein stilstaat in het station. En pas daarna opstaan, hun krant dichtvouwen, hun jas pakken en rustig naar de deur gaan. Aangezien er altijd wel een kleine file is, is dat een veilige gok. Ik ben niet bij die mensen. Ik sta altijd net te vroeg op. Om op tijd te zijn. Voor iets. Geen idee waarvoor, maar het is zo.

Er was nog een kleine aarzeling. Moest ik nu, met die aanleunende arm toch niet wat langer blijven zitten. Tot net voorbij het aankomen. Ik probeerde het een beetje te rekken, maar helemaal lukte het niet.

Ik stond op, en ging in het halletje staan.

Zij stond ook op, en kwam naast me staan.

“Uw trui was lekker warm.”

Dat zei ze. En ze glimlachte fijntjes.

26 oktober 2014

Zullen we traag en stilletjes

‘Zullen we traag en stilletjes praten? Hier in de zetel?’
‘Ja, dat is goed.’
‘Ik ben een beetje moe. Vanmiddag dacht ik nog aan traag en stil. En ik dacht aan jou. Dat ik alleen dat wilde. Dat ik niemand moest zijn, dat ik alleen maar moest zijn, zonder meer.’
‘Ik was vanmiddag in mijn hoofd al aan het aftellen om bij je te zijn. En ik dacht: zou hij het erg vinden als ik weinig zeg?’
‘Nee dus. Ik zag de dingen voor me die ik nog moest doen vandaag. En ik zag het al voor me, hoe ik de gordijnen zou sluiten, hoe ik een kaarsje zou aansteken, en hoe het warm zou zijn. En daarna zou jij binnenkomen, en we zouden hier gaan zitten. Traag en stil.’
‘Je ziet er wel moe uit, als ik dat mag zeggen.’
‘Het is ook wel zo. Maar straks zal het anders zijn, dat weet ik al.’
‘Kom maar even bij me zitten hier. Leg je hoofd hier maar. Zo is het goed.’
‘Ik herinner me nog dat je ooit bij me kwam, en dat je me vroeg of je er gewoon mocht zijn, zonder dat we iets zouden zeggen. En ik zat daar, en jij begon aan de strijk of zo. En zo ging er meer dan een uur voorbij, zonder dat we iets zeiden. Het voelde wonderlijk.’
‘Ik herinner me dat niet meer. Jij herinnert je veel meer dingen, dat is me al vaker opgevallen. Ik herinner me nog wel veel beelden. En ook de dingen die ik dacht, en die ik je nooit vertelde.’
‘Heb jij het wel warm genoeg trouwens?’
‘Ja hoor, hoe zou ik zo koud kunnen hebben?’
‘Het is belangrijk dat jij het warm hebt.’
‘De herfst is mooi, vind je niet?’
‘Ja, het viel me vanmorgen weer op. Ik zat in de trein en keek naar buiten. En het was alsof ik de geur van de herfst zag. Op een of andere manier.’
‘In je brieven schreef je vroeger vaak over de herfst. Dat dat je favoriete seizoen was.’
‘Ik weet niet of dat nu nog zo is. Waarschijnlijk wel. Het is het kantelen dat me zo boeit in de herfst. Er zit iets van overgave in de herfst. Jezelf uit handen geven, jezelf loslaten. En vertrouwen dat je aan de andere kant zult komen, terwijl je het niet echt weet.’
‘Voor jou is dat toch altijd een moeilijke gedachte geweest. Terwijl ik het zo aantrekkelijk vind, dat idee.’
‘Ja, voor jou is het anders. Vroeger was ik bang dat je me daarom niet zou willen. Maar het was niet zo. Je hebt het me geleerd.’
‘Ik vond dat niet zo moeilijk.’
‘Ik wel, heel erg zelfs. Maar met jou in de buurt was het gemakkelijker om te vertrouwen. En heel langzaam, traag en stilletjes, kwam ik dichterbij, bij dat punt waarop je kunt loslaten. Het zal wel nooit helemaal vrij aanvoelen, maar toch al veel meer.’
‘Dat is een van de mooie dingen die je me liet zien van jezelf, dat kantelen, in jou dan. Het was heel bijzonder dat ik dat mocht zien.’
‘Jij mocht het zien. Dat wist ik, altijd al.’
‘Jij hebt alle seizoenen in je. En dat is mooi.’
‘Jij bent alle seizoenen. Dat is nog mooier.’
‘Wil je me verlegen maken?’
‘Nee, alleen maar een klein beetje.’
‘Ik weet niet of het zo is, maar als het zo is, dan ben ik zo toch alleen maar bij jou. Het is alsof jij me groter ziet dan ik mezelf zie, of zoiets. Ik kan het niet uitleggen. Maar het is alsof er ruimte bij komt, in mij.’
‘Daar word ik wel een beetje stil van.’
‘En traag was je al.’
‘Het komt dus nog goed.’
‘Ja, natuurlijk.’

25 oktober 2014

Een regenboog

Thuiskomen na een erg boeiende dag, maar ook een beetje uitgeput. Wat zou je tintels kunnen geven, achteraan je nek? Bach dus. En het is alsof je anders gaat ademen. Alsof je anders thuis bent. Dichter bij huis.

Langzaam terug bewegen in beelden van de week. Om alsnog iets terug te vinden.

De vrachtwagen vol met folders. Alles wordt gelost en komt binnen bij jou. In alle kamers staan stapels. Je voelt je een beetje ontheemd. Al zeg je dat niet.

Een droom met twee kleine meisjes. Ze zijn op de speelplaats. Jij bent iets aan het doen op het voetpad aan de overkant. Geen idee wat eigenlijk. Ze zien je, en komen naar je toe gelopen. Je roept nog dat ze moeten oppassen voor de auto’s. Daarvan lijken ze zich niet al te veel aan te trekken. De auto’s stoppen wel, misschien door jouw strenge blik. Zijn ze nu weer gegroeid?

Je had al vaker gedacht dat die armatuur met die tl-lamp boven de spiegel in de badkamer er een beetje los op lag. Op zich geen probleem, wie of wat zou ze daar wegduwen? Een meeuw is niet erg waarschijnlijk, in de badkamer. Tot op een avond. Het licht maakt zichzelf los, en valt neer. Je ziet het gebeuren. Plof. De vloer ligt vol met stukjes glas. Het zal nog enkele dagen duren eer je een nieuwe lamp kunt gaan kopen. De stress van de Gamma. Voor het rek met de tl-lampen terechtkomen, en daar intelligent voor je uitkijken. Hopen dat je, als een volleerde klusser, recht op je doel zult afgaan, en meteen de juiste lamp zult zien. Lukt niet meteen. Er staat een andere man zijn best te doen om – zoals echte mannen in de Gamma – recht op zijn doel af te gaan en meteen de juiste lamp te zien. Hij ziet niets. Je ziet hem denken: had ik thuis toch maar opgeschreven hoe lang die lamp was en welk type het moest zijn, maar ik wil niet terug naar huis, dus ik blijf hier koppig staan tot het tl-inzicht spontaan tot mij komt. Hij vertrekt uiteindelijk zonder lamp. Jij stelt vast dat er een infobord hangt dat zelfs nuttig is, en dat je zelfs (een beetje toch) begrijpt. Je neemt – zo blijkt bij thuiskomst – de juiste lamp mee. Jippie! De oude lamp was cool white, de nieuwe is warm white. Altijd goed als je jezelf moet bekijken in de spiegel…

Ruw weer, die namiddag. Je kijkt door het raam op de zevende verdieping. Donkere wolken en zonnige momenten wisselen elkaar af. En de stad daar beneden laat het allemaal rustig over zich heen gaan. En ineens is daar een mooie regenboog. Een halve regenboog. De tweede helft wordt opgezogen in een wolk. Bijna begin je te wenen. Geen idee waarom.

En nog iets met paarden. (In je hoofd dan toch.) En denken dat het goed is dat je iets zou doen wat je eigenlijk bang maakt. Enigszins toch. En dat het daarom goed zou zijn, dus. Of zoiets. Veel concreter kan het niet.

De mevrouw in de winkel is erg mooi. Als ze lacht, ineens iets minder, eigenlijk. Je kunt toch moeilijk zeggen: mevrouw, u bent mooier als u niet te hard lacht, een klein glimlachje behoudt uw mysterie beter dan die iets te grote en iets te geforceerde glimlach. Je zegt dus maar: ja, geef maar dat speltbrood.

Een overvolle trein. Je staat in de middengang. Je probeert je jas uit te doen. Je probeert in eenzelfde vloeiende beweging je krant uit je rugzak te nemen. Je zoekt een houding om rechtstaand de krant te lezen. Het literair katern. Wat je ook doet, je raakt altijd wel iemand, bij elke beweging. Is je lijf dan zo immens?

(Je moet het toegeven aan jezelf. Het is toch wel een beetje fijn, met de verwarming weer aan. Maar niet verder vertellen.)

’s Avonds laat thuiskomen, na een debat. Je bent erg moe. Toch nog even de afwas afwerken en alles netjes opruimen. Alleen maar om zo het huis een beetje terug te winnen, en de volgende ochtend prettiger de keuken aan te treffen. De rust van het lege aanrecht in de ochtend.

Agnus Dei. Tintels, veel tintels.

22 oktober 2014

Warmteaarzeling

Het zal wel een typisch herfstgevoel zijn. De warmteaarzeling.

Stiekem verlangen naar warme plekjes. En toch nog willen wachten met die eerste keer weer de verwarming aan.

Alsof het nog niet mag.

Dingen bedenken. Als dat, dan… En dan mag het.

Misschien is het wel stiekem een verlangen naar warmte. Het opgenomen worden in. En nog.

Sommige plekken in het landschap van je lichaam zijn kwetsbaarder. Warmteverlangender. Is je hele rug, met uitbreiding naar het buurland van de nek, nog wel als een plek te beschouwen?

Hoeveel mag je verlangen? Dromen van thuiskomen, en de warmte. Dat is veel tegelijk. Een voor een. Om te oefenen.

Weer eens wakker schieten. Misschien was je niet rustig genoeg bij het slapen gaan. Het is alsof je lichaam niet helemaal wil opwarmen. Uitgestelde warmte.

En tussendoor toch dromen. Iets met handen.

Je zou het kunnen verdragen. Iemand die iets in je oor komt fluisteren.

Toch al maar even een wollen trui. Als een klein geschenk. Na toch ook even wolaarzeling. En heen en weer wandelen in het huis. Alsof het te verleidelijk is.

Je zei het nog, de andere dag, iets met uitgesteld verlangen, uitgesteld genot. Een mens moet ergens goed in zijn.

En dat alles goed zal komen, en dat iemand dat zegt.

Je handen blijven warm. (Na de afwas.) Meestal wel eigenlijk.

Preventief. Je hebt ze al preventief gekocht. Nieuwe handschoenen. Voor ooit. Als het winter wordt. Ze zien er zachter uit dan die andere.

’s Morgens vertrekken. Het is nog fris buiten. Vaststellen dat je het, eigenlijk, wel fijn zou vinden om een warm sjaaltje te hebben. Niet aan gedacht. Niet aan willen denken? Toch maar niet terug naar huis gaan. Misschien morgen overwegen.

Ergens, achteraan je ogen, kun je je indenken hoe het zou kunnen voelen. Je wervels die warm zijn vanbinnen.

Je zit voor de televisie te eten. Je warme bord op je benen. Het mag.

Je zou je kunnen indenken dat je iemand anders warm zou kunnen maken. Dat zou wel mogen, misschien.

Snel stappen. Voelen hoe het stroomt. Hoe het opspaart.

Denken aan de woorden. En wat ze zouden kunnen doen.

Misschien kun je ook een kaarsje overwegen. Om naar te kijken. Wel eerst de gordijnen dicht.

De wereld daarbuiten. En het hier. Omringd. Of zoiets.

Het zal wel komen.

Als de tijd daar is.

En dan zal het goed zijn.

19 oktober 2014

Barbara

Geachte heer Mertens

Hierbij een brief van Barbara. Daar op aarde noemen jullie mij de Heilige Barbara, maar zeg maar gewoon Barbara. Al dat gedoe, dat is voor niets nodig.

Eerst en vooral moet ik u de groeten doen van uw grootmoeder. Ze vraagt me u te melden dat er in de hemel dus wel degelijk ook rijstpap is, maar gelukkig niet met gouden lepeltjes. We hadden die lepels vroeger wel, maar dat gaf echt te veel problemen bij de afwas.

Verder kan ik u zeggen dat we hier in de hemel uw blog ook lezen. We zitten er steeds op te wachten. Ga vooral zo door, zou ik zeggen.

Misschien wist u dat niet, maar ik ben ook de beschermheilige van de beiaardiers. Uw vader maakt het overigens ook goed hier. Het voordeel van de hemel voor hem is dat hier zijn sloefen niet verslijten, en zijn hemden ook niet. Hij kan ze dus altijd blijven dragen.

Nog even over uw blog. U zult in uw statistieken onze bezoeken niet terugvinden. Onze IT-dienst heeft daar een speciaal systeem voor gemaakt, waardoor wij niet op te sporen zijn. Er zijn, zoals u merkt, ook voordelen aan in de hemel zijn.

Het spijt me dat ik u zo overval met deze brief, maar ik moest met iemand mijn frustratie kunnen delen. En u lijkt me wel een open geest te hebben.

Ik heb dus ook de berichten gevolgd over die synode van de bisschoppen. Man, man, man… Ik had graag eens goed gevloekt. Maar ook hier hangen overal van die bordjes met ‘God ziet u, hier vloekt men niet’. En ook nog overal camera’s, in het kader van dat zien. Vloeken is hier dus heel moeilijk.

U kennende dacht ik: de Jean zal zich tijdens de afwas zeker afvragen of ze het in de hemel ook eens zijn met de analyse en de aanbevelingen van die oude knarren van bisschoppen. Ik kan u meteen geruststellen, het antwoord is nee. Die conclusies, dat is toch een totale ramp qua PR voor de kerk, en het gaat al zo moeilijk tegenwoordig.

Even tussen ons gezegd en gezwegen, die onzin, dat kun je toch zelfs geen tsjeverij meer noemen? Waar slaat dat nu op? Zeggen dat de kerk vindt dat homo’s en lesbo’s niet mogen gediscrimineerd worden. Om er daarna aan toe te voegen dat men tegelijk vindt dat die mensen niet tot homo- of lesbodaden mogen overgaan. En welkom in de kerk zijn ze ook niet. Ik zat hier tegen de televisie te roepen: “Hoezo, en is dat dan geen discriminatie? Kunnen jullie mij even uitleggen wat jullie dan wel verstaan onder het woord discriminatie?” Hetzelfde over voorstellen over gescheiden en hertrouwde mensen. Onvoorstelbaar… Weet u, de kleine zelfstandige in mij zou zeggen: dan zijn er nog een paar mensen die wél bij de kerk willen horen en die er niet gillend van weglopen, maar die mogen vooral niet binnen. Die oude mannen in hun zwarte kleedjes zullen eens even gaan zeggen wie volgens hen recht genoeg is in de leer om tot het exclusieve clubje te worden toegelaten. Wat een ellende.

Ik kan u bevestigen dat dat soort dingen zelfs hier in de hemel al lang geen probleem meer zijn. Iemand van de collega’s, ik kan niet onthullen welke heilige, want ze wil gewoon bescheiden blijven, heeft daar ooit een vlammende speech over gehouden, samen te vatten als: “Get over it!”. En zo geschiedde.

Het is jammer dat jullie dat van beneden niet kunnen zien, maar eigenlijk is het veel gezelliger hier in de hemel dan die heren bisschoppen doen vermoeden. En daarom ben ik ook zo kwaad, begrijpt u? God is liefde, zoals u weet, en hier in de hemel is er erg veel liefde. Love is in the air, zou ik zeggen, in alle varianten. Ook voor mensen zoals u, die in het aardse leven van het celibataire type zijn, is er nog een grote toekomst hier. Hoe dat allemaal werkt, dat zult u wel zien bij aankomst. Hopelijk duurt dat trouwens nog lang, zodat we nog lang uw stukjes kunnen lezen. (En trouwens, er een boek van maken zou echt wel een goed idee zijn, dat vinden wij hier ook.)

Er zijn natuurlijk wel problemen hier in de hemel. Af en toe is er een chocoladetekort. En eerlijk gezegd vind ik dat studiootje dat ik hier heb toch echt wel wat aan de kleine kant. Ik heb veel boeken, moet u weten, en zo’n e-reader, dat is echt niets voor mij. Ik wil zo’n boek kunnen voelen en ruiken en betasten. U kent dat gevoel wel.

In veel opzichten is het leven hier veel gewoner dan mensen op de aarde denken. Wij kijken hier ook naar Game of Thrones. (En wij snappen hier al evenmin iets van dat verhaal, maar niet verder vertellen.) Er is hier ook donderdag veggiedag, maar het is perfect mogelijk om alle dagen van de week veggie te eten. Elektrische fietsen, dat begint nu nog maar pas op te komen, maar je begint ze stilaan wel meer en meer te zien.

Eigenlijk, en misschien is het daarom dat ik deze brief schreef, schamen we ons een beetje als we die bisschoppen bezig zien. Het probleem is: aan hen kunnen we geen brief sturen, want daarvoor moet je een open geest hebben, zoals u. Wie ontvankelijk is voor de hemel, kan ook ontvankelijk zijn voor de aarde. Nu ja, u begrijpt wel wat ik wil zeggen.

Mijn excuses dat ik u met dit alles heb overvallen. Vergeet het maar snel weer. Ik voel me al een heel stuk beter, helemaal opgelucht eigenlijk.

Geniet nog van de goede dingen, en blijven schrijven!

Barbara van Nicomedië

18 oktober 2014

En nooit weet je het

Zoveel dingen die je nooit zult weten.

Was je op het juiste moment op de juiste plaats? Misschien heb je ooit net een ontmoeting gemist. Keek je net op het juiste moment de verkeerde kant uit. Misschien had die ontmoeting je leven kunnen veranderen. Of misschien was het omgekeerd. En had je bijna iets gemist dat daarna zo belangrijk zou worden.

Heb je wanneer het moest de juiste dingen gezegd? Eindeloos veel momenten zijn er geweest. Momenten waarop je woorden ertoe deden. Hoe vaak heb je iets niet gezegd? Misschien uit schaamte, angst, of kleine lafheid. Of net uit zorg, de wil om iemand te sparen. Maar de momenten waarop er moed nodig was. De momenten waarop die woorden van jou het verschil hadden kunnen maken voor een ander. De momenten waarop je had kunnen zeggen, in allerlei varianten: ik zie je graag, ik ben bij je en ik ga nu niet weg, ik wil je troosten. Niet als een deel van een of andere grote belofte, maar enkel als wat het was, woorden die ook niet hadden kunnen gezegd worden.

Heb je je niet meer door angst laten leiden dan nodig was of dan je aankon? Het is een deel van het langzaam ouder worden, waarschijnlijk. Je verzoenen met je angsten. Ze niet meer ruimte laten dan nodig. Soms schrik je van jezelf, en zie je pas later dat wat je deed iets met angst te maken had. Soms besef je dat dat nergens voor nodig was. Soms aanvaard je dat je niet anders kon. Maar weten doe je het nooit.

Heb je je niet afgesloten van de liefde, soms? Het kunnen momenten zijn. Het kunnen blikken zijn. Het kunnen houdingen zijn. Het kan alles zijn. Misschien liep je wel weg, soms. Misschien was je op de vlucht, soms. Misschien bleef je zitten, terwijl je had moeten bewegen. Misschien durfde je niet aanvaarden. Misschien kon je het niet geloven.

Heb je genoeg gelachen? Je probeert en oefent elke dag. Je zoekt de kieren waar je de lach zou kunnen toelaten. Waar die kleine verstoring het wonder kan laten ontstaan. Het is ook als een ritueel, om anderen te eren. Sommigen die er niet meer zijn. Als je aan hen denkt, denk je aan: lachen. Je had je ooit heilig voorgenomen: voor hen zal ik lachen, tot altijd.

Hoeveel onvermogen was er wanneer je iemand kwetste? Je hebt ongetwijfeld talloos veel fouten gemaakt. Je deed zo vaak de dingen die je niet wilde doen, waarschijnlijk. En soms kon je niet weerstaan aan de verleiding om een ander te raken, hoe subtiel ook, ongetwijfeld. En vaak deed je het toch, al dacht je dat je het tegenovergestelde deed. En zo vaak was er waarschijnlijk alleen maar onvermogen.

Zou je een goede vader geweest zijn? Waarschijnlijk de moeilijkste van alle vragen.

Was je mild genoeg voor jezelf? Je hebt het moeten leren, waarschijnlijk. Er was tijd voor nodig. De weg die aan de mildheid voorafgaat, heeft zijn tijd nodig. Het is niet anders. Soms moet je wachten. Maar eens het tijd is, hoeft dat niet meer altijd.

Heb je genoeg met het hout gedaan? Hout, dat was iets van je grootvader, van je vader. En een heel klein beetje van jou. De woorden werden jouw hout, waarschijnlijk. Soms is er nog dat schuldgevoel, alsof je iets hebt doorbroken. Soms denk je dat het goed is zo.

Heb je genoeg schoonheid in je leven toegelaten? Ook dat oefen je elke dag. Je kunt niet zonder muziek. Je snakt naar mooie woorden, telkens weer. Je droomt van foto’s, en het moment waarop ze je verrassen. Je kijkt naar beelden en schilderijen. En al die andere dingen, nog eindeloos veel meer. De schoonheid in een rimpel, in een scheur. De schoonheid van de mooie mensen die je zo graag ziet. En toch, je weet het niet.

Was je zacht wanneer je zacht had kunnen zijn? Of liet je de momenten voorbij gaan, omdat het gemakkelijker was zo? Zo vaak is zacht een keuze. Je kunt ze ook niet maken.

Heb je de aarde aangeraakt?

16 oktober 2014

Welke talen

Op weg naar het werk. Het is nog stil in de straat. Alleen het geroep. De mama roept tegen haar kleine dochtertje. In een vreemde taal. Ze lijkt heel kwaad. Het dochtertje antwoordt rustig, in het Nederlands. De mama gaat verder in de andere taal. Het dochtertje antwoordt weer, en de mama schakelt ook over. Het geroep is ineens weg. Ze kwetteren gezellig samen, zo lijkt het wel. Welke taal het is, dat kun je niet meer horen.

Je houdt van de verwarring, op het werk. Wie zal in welke taal beginnen, hoe ga je verder, en hoe vaak schakel je over van Nederlands naar Frans naar Nederlands naar Frans… Soms kun je bijna in het niemandsland komen, waar de twee talen elkaar omarmen.

De man in de winkel vraagt twee stukken quiche. Hij heeft een accent. Ineens gaat de telefoon, hij neemt op. In een flits probeer je te gokken: welke taal zal het zijn? Het blijkt Frans, al spreekt hij dat ook met een accent. Je weet het nog steeds niet.

Soms probeer je het in de trein ook, gokken: wie zou welke taal spreken. En het klopt nooit. Gelukkig.

Tijdens de vergadering, een discussie over dialecten. Mensen gaan heen en weer in hun hoofd. Soms moet je zoeken of het er nog is. Soms schrik je ineens van een woord dat zomaar uit je mond komt. Je weet niet eens meer of het wel klopt. Of zoiets.

In het televisieprogramma op Canvas. Een Nederlands koppel. Een gesprek over jaloezie. Hij wordt ondertiteld, zij niet. Je probeert te begrijpen waarom dat zo is. Het lukt niet.

Een programma met Britse stand-up comedians. Je probeert te horen waar ze juist vandaan komen. Het lukt niet altijd.

Thuiskomen na een debat dat je moest modereren. En nog een gesprek daarna op café. Je bent erg moe, de dingen razen door je lijf. Je zou eigenlijk een uur of twee voor de televisie moeten blijven liggen, tot je lichaam zegt dat het tijd is. Je doet het niet, en gaat toch maar naar bed, omdat het volgens de klok tijd is. Het is ook al laat. En je merkt het al snel: het zal nog lang duren, je lichaam wordt niet rustig. In je hoofd raast een eigen taal. In je lijf een andere. De plek waar alles zich neer zou kunnen leggen kun je niet bereiken. Je kunt alleen wachten, tot de talen zich terugtrekken.

Verlangen naar een andere taal, aan de andere kant van de woorden. Waar de huid geduld heeft. Niet weg kunnen uit deze taal, denk je.

Heeft je buik ook een taal? Waarschijnlijk wel. Gradaties van vreemdheid. Soms begrijp je ze een beetje, soms niet. Even gaan zitten. En de druiven proberen. En niet veel later gebeurt er iets daar. Druiven zijn vredesbrengers.

De bovenbuurvrouw die weer eens ruzie maakt in de telefoon. Je hoort de woorden stuiteren. Je wilt ze niet kunnen verstaan.

Elke dag op het internet een portie Duits lezen. In het lettertype van die ene site is het Duits mooier.

Verlangen naar een dekentje. En iemand die zegt dat alles goed zal komen. Zoals je kunt verlangen naar verdwijnen in een taal.

Je leest een artikel over een voorstelling van een Deense choreografe. Misschien was je er wel graag bij geweest. Misschien had je het niet gedurfd. Wat je leest, bevestigt het. Het zijn andere talen, andere werelden. Daar mag jij niet komen, denk je.

Je staat te spreken voor die groep mensen. Drie uur lang. Soms kijk je naar je eigen taal. Van op een afstandje. Je kijkt naar de woorden. Je spreekt even wat trager, ziet de pauzes. Je kijkt naar je gebaren. Je ziet de taal bewegen. Je hoofd kun je niet zien, in dat beeld.

Het effect van enkele te korte nachten. Je kunt sommige woorden niet bereiken in je hoofd. Je ziet waar ze zijn. Je zou ze kunnen aanraken. Maar ze laten zich niet lezen. Ze laten zich niet vinden. Als kloven in je eigen taal.

Je vraagt je af hoe de taal klonk in je hoofd toen je een kleine jongen was. Je kunt niet meer terug naar die taal.

En.

Talen van je hart. Talen van je verdriet. Talen van je vrede. Talen van je eenzaamheid. Talen van je  aanraakbaarheid. Talen van je rusteloosheid. Talen van je onveilige plekken. Talen van je genot. Talen van je sprakeloosheid. Talen van je verbrokkeldheid. Talen van je zijn.