01 mei 2016

Iets met leeftijd

Een vriendin vraagt je last minute of je mee wilt gaan naar John Cleese. Ze heeft nog een kaart over. Die was bedoeld voor haar jongste zoon. Je hebt je ooit voorgenomen om in principe op elke vraag ja te zeggen, of zoiets. Je zegt dus ja. Het vooruitzicht om haar nog eens te zien na een hele tijd is fijn, eigenlijk fijner dan het idee dat je John Cleese zult zien. Terwijl jullie staan aan te schuiven om binnen te gaan, kijk je naar haar oudste zoon. Hij is groter dan jij bent. En ineens besef je: hij is nu zo oud als ik was toen ik zijn moeder leerde kennen. Je weet niet goed wat je moet denken. Dat je toen heel jong was, of dat je nu heel oud bent. Je herinnert je nog wel goed die avond, toen.

Het valt je op, in gesprekken. Dat mensen in jouw nabijheid het verschil benadrukken tussen ‘oud’ en ‘heel oud’. (Het valt je overigens ook op dat je dat zelf ook doet.) Is waarschijnlijk bedoeld als een of andere vorm van geruststelling, in principe.

In een vergadering beseffen dat je ineens iets zegt als ‘onze generatie’. Het is een debat over Europa, de Europese droom. Je begint uit te leggen dat je nog van ‘voor de Muur’ bent. Je probeert iets te zeggen over wat het voor je betekende, dat moment. Dat het zo’n cesuur is geworden in je leven. Dat dat moment je hele denken zo diepgaand heeft getekend. Terwijl je het vertelt, denk je: niet doen, je lijkt zo oud. Bompa aan het woord, of zoiets. En tegelijk denk je: waarom niet? Het is eigenlijk relevant voor de discussie waar jullie in zitten, denk je. Wat je had gevreesd, gebeurt. Het is een onderwerp waar je eigenlijk graag over nadenkt, graag over zou spreken, soms, maar het lijkt iets van ‘oude’ mensen, denk je. Het gebeurt dus, terwijl je het probeert te vertellen, krijg je een krop in de keel, kun je nog net enkele tranen terug naar binnen zuigen.

Je loopt wat rond. Het is zonnig. Iedereen is opgewekt. (Op die foto die net gemaakt werd, was jij dat ook.) Je ziet de papa’s en mama’s met hun kleine kinderen. Ze joelen en rennen heen en weer. En ineens denkt iets in jou: ik moet hier weg, het is te veel, te veel van iets. Je doet het natuurlijk niet. Je bent beleefd, en het zou ook niets veranderen, integendeel. Misschien ben je gewoon op sommige dagen minder gewapend.

Een gesprek, in een luidruchtige en drukke omgeving. Haperend en aarzelend. De woorden die je zegt, lijken groter dan je stem zonder trilling kan dragen. Over mama’s en papa’s, en de mooie dingen die ze doen, die ze kunnen zijn. Over wat ze kunnen geven aan hun kinderen, en hoe immens dat is. Gelukkig kun je nadien wegfietsen, op weg om boodschappen te doen.

In de les die je aan het geven bent. Je hebt je best gedaan om je presentatie ook een beetje grappig te houden. Je hebt ergens de zin gezet: “De begeleiders wachten.” Niemand in het lokaal, zelfs niet de docent, begrijpt waar je naar verwijst. Je beseft dat het moment is aangebroken: er zijn mensen die nooit de duivenberichten hebben gehoord op de radio.

Een interessant element van een beetje oud zijn. In een gesprek beseffen dat je twee dingen tegelijk kunt zijn. Aan de ene kant in een flits heel even denken dat het leven tot nu toe je al iets heeft geleerd, en dat dat zorgde voor een zekere mate van rust en vrede in het hoofd, en de inzichten die daarbij horen. Aan de andere kant het gevoel hebben dat je nog heel jong bent en dat er nog zoveel te beginnen is. Dat je als het ware op een oudere manier heel jong kunt zijn, en hoe fijn dat voelt.

In je dromen merken hoe sommige dingen niet veranderen, of hoe er daar, in die dromen iets als een leeftijdloze ruimte is.

Je staat af te wassen. Tegelijk kijk je naar buiten. Je ziet de mensen. Jonge mensen. Je denkt: ik ben blij dat ik niet meer ben waar zij nu zijn. En ineens denk je: hoeveel jaar zal ik hier nog staan af te wassen? Dat een fijne gedachte vinden.

Op een zonnige zondagochtend met twee anderen de straat op om folders te bussen. Het is fijn, met dit gezelschap. En tussendoor een vraag door je hoofd: hoe vaak heb ik dit al gedaan in mijn leven? Hoe eindeloos vaak? De gedachte geeft je een jong gevoel.

Je ging even langs bij een buurtfeest in een park. Het begon toch een beetje koudjes te worden voor jou. Je fietst weer naar huis, langs de drukke steenweg. Ineens hoor je hevig geklop tegen autoruiten. Twee meisjes achterin de auto zwaaien hevig. Je zwaait hevig terug. Ze rijden je voorbij, vertragen iets verder. Jij stopt even op het fietspad naast hen. Je zwaait hevig. De drie dames in de auto zwaaien terug. Je rijdt verder. Met een glimlach.

Je maakt je klaar om iets op te schrijven. Zo zul je het doen, denk je. Zo had je het met jezelf afgesproken. Dus is het goed zo.

30 april 2016

Tekstverdwaling

In en uit de tekst.

Soms is een tekst een vreemd lichaam. Soms begin je te schrijven en komt de tekst naar je toe. De tekst onthult zichzelf. Een beetje. Sommige stukken zijn niet bedekt. Sommige stukken laten zich verlangen.

Soms is een tekst je eigen lichaam. Al je verwarring. Al je richtingloosheid. Al je gebrek aan met jezelf samenvallen. Al je gebrek aan een rustpunt. Soms zijn ze er allemaal. In de woorden. En daardoor leggen ze zich neer. Niet dat je na de tekst ineens op je bestemming bent, daar waar je zou willen zijn. Maar het is alsof je ineens de bewegingen ziet, de scherven. Alsof dat genoeg is. Misschien is dat dan ook alles wat je zou kunnen bereiken.

Soms is een tekst het lichaam van een geliefde. De woorden laten zich ontdekken. Zoals jouw handen de bewegingen zouden ontdekken die ze zouden maken, op de huid van die geliefde. De bewegingen waren er al. Ze wachtten op jouw handen. Als.

Soms is een tekst als een tekening voorbij de woordenloosheid. Soms zou je willen roepen, zou je het willen uitschreeuwen. Wat, dat weet je niet. Al die woorden die nog geen woorden geworden zijn. Ze zitten daar ergens, in je lichaam. Je weet zelfs waar. Woordenloze woorden. Als je in de spiegel zou kijken, zou je een zwart gat zien. Hoewel het, als je je het probeert voor te stellen, er meer uitziet als een wit gat. En dan begin je aan een tekst. Omtrekkende bewegingen. In een medium dat het verkeerde is, zo lijkt het dan even. Met dingen die te stomp, te hoekig en te woord zijn om te zijn wat ze zouden moeten zijn. En die woorden schuiven voorzichtig op het veld van de tekst, een voor een. En wanneer de tekst daar staat, is het alsof het een tekening is. Dat wit gat is er niet meer. Je bent weer iemand geworden.

Soms is een tekst als een kwelling. De weg van alle pijn. Het betreden van de kamer waar je helemaal niet wilt zijn. Misschien merkt de lezer het niet eens. Hoeveel angst je moest overwinnen. De zinnen die dan komen, ze waren er misschien al. Ze wachtten alleen maar. De zinnen in die kamer, ze liggen er in lagen. Een beetje zoals jaarringen in een boom. Wanneer je binnenkomt, en zou willen in woorden zeggen wat daar is, dan stap je naar die zinnen, die laagzinnen. En je denkt: nu is het tijd voor deze zin, terwijl je handen trillen. Iemand die het leest, iemand die je goed kent, zou zeggen: je bent voorzichtig, je laat nog weinig zien, je suggereert, je verbergt jezelf nog, je durft je echte waarheid niet onder ogen zien. En je zou zeggen: vandaag, in de kamer, kon ik tot die laag gaan, tot die laagzin. Je zou zeggen: ik weet hoeveel lagen er nog onder zijn, ik weet zelfs wat er staat in die laagzinnen, ik weet wat ze zouden zeggen over wat ik werkelijk denk of voel of over wat er werkelijk gebeurt in mijn lichaam, ik weet wat ze zouden zeggen, maar ze zijn niet voor vandaag, misschien zelfs niet voor ooit, maar ik weet wat ze zeggen.

Soms is een tekst als een onthulling. Je weet niet waar de tekst je heen zal leiden. Je ontdekt het, woord voor woord. Als een avontuur. Je weet niet waar die woorden vandaan komen. Je weet alleen dat je niet tegen de woorden in kunt gaan. Je kunt de zinnen geen andere richting uitsturen. Je kunt alleen volgen. Zoals je soms in het leven alleen kunt volgen wat zich aanbiedt aan jou.

Soms is een tekst als een echt onuitgesproken gesprek. Je ziet de dialoog verschijnen. Soms zie je in je hoofd wie de personen zijn die de woorden zeggen. Soms ook niet. Soms ben je een van hen, soms niet. Soms ben je ze allebei. Soms zou je een van hen willen kunnen zijn. De dialoog verschijnt. Uit het niets. Zoals een gesprek. De woorden,  onuitgesproken, zouden kunnen gesproken zijn. De woorden zijn een mogelijk gesprek. Ze zijn soms een verlangen. Ze zijn soms een zoeken. Ze zijn soms een brief, een omwegbrief, via een veilige omtrekkende beweging. Maar steeds lijkt het, nadien, alsof het gesprek er echt was. Alsof het dus is, echt is geworden.

Soms is een tekst als die handen in je droom. De woorden verschijnen voor je. En terwijl dat gebeurt, is het alsof je huid begint te tintelen. Alsof iets, in je huid, zichzelf loslaat, los durft laten. Zoals het voelde in die droom, toen die handen.

Soms is een tekst als een plek. Het is een mooie gedachte, een mooie te denken gedachte. Je afvragen, terwijl je beweegt, waar een plek begint, vanaf waar je weet dat je er bent. Je weet: dit is een plek, en ik kan er  vanaf nu steeds weer naartoe gaan. Zoals ook een vriend een plek in je lichaam is. Zoals ook een geliefde een plek is geworden in jezelf. Ooit opende je je hart voor haar, en dat kan niet ongedaan gemaakt worden. Misschien kom je er niet meer elke dag, misschien wil je dat ook niet, maar de plek zal er altijd zijn. Het mooie van een plek is het idee dat je er naartoe zou kunnen gaan. Het mooie van een plek is de belofte dat ze er altijd zal zijn.

Soms is een tekst als het verdriet dat in je woont. Het is er. Als een trouwe huisgenoot. Meestal beleefd en voorkomend. Vaak een hulp in het huishouden. Het verdriet heeft alle tijd. Wacht op je. Als iemand die in het halfduister zit te wachten op je thuiskomst. Het verdriet is geen natuurkracht die over je heen komt, geen indringer uit de boze buitenwereld. Het verdriet is er gewoon, als wat het is, niet meer, niet minder. Gaat steeds met je mee, en laat zich soms voelen. En aangezien het verdriet in je huist, tussen al die plekken in je, weeft het zich ook in de teksten die uit je vertrekken. Hoewel dat beeld niet helemaal klopt. Het is niet zo dat jij hier bent, en de tekst daar. (Zoals het ook niet is dat je hoofd hier is, en de rest van je lichaam daar.) Je weet niet waar hier overgaat in daar. Soms weet je het als je er bent, soms niet.

In en uit de tekst. Ze heffen elkaar op.

28 april 2016

Brugdag

Je krijgt een mail met daarin nieuws voor de ambtenaren. De brugdagen. Wanneer ze vallen. Je ziet staan: vrijdag 6 mei. Je vraagt je af: een brug waarmee? Je denkt: raar, dat ze zo’n losse dag een brugdag noemen. Je denkt: ok dan maar, een vrije dag dus.

Rare nachten. Rare dromen. Je lichaam lijkt op iets te reageren. Uitgesteld? Of voorafgaand?

Een ontroerend mooi interview in de krant met de vrouw die haar partner verloor in dat ene metrostel. Mooie gedachte over rouwen, en waarom. (In een vorig leven werkte je ooit nog met haar samen. Je zou haar iets willen sturen, je durft niet goed. Misschien moet je het toch maar doen.)

Je leest iets, een reactie, en je denkt: kan het nog minder enthousiast? (Misschien ben je gewoon ouder aan het worden.)

Die dag. De metro. Voor het eerst kom je weer voorbij Maalbeek. Voor het eerst sinds is het weer open. Het wordt ineens een beetje stil in het metrostel. (Je maakt een kleine buiging.) (Je denkt aan iets dat je haar nog moet vertellen.)

Iets later. Je houdt er wel van, zo heen en weer door de zaal lopen met een fototoestel. Je bent natuurlijk erg groot. Vroeger was het ook al zo. En dan deed het goed als mensen je zeiden dat ze helemaal niet hadden gemerkt dat je zoveel foto’s had gemaakt. Onzichtbaar bewegen.

Je adem verandert tijdens de vergadering die avond. Je verdwijnt in iets.

Je bekijkt weer een aflevering van de reeks die je aan het volgen bent. En je denkt: heel goed gemaakt, slim opgebouwd, maar heb ik eigenlijk wel zin om dit te zien?

De volgende dag. Er zit iets onder je huid. Aarzelend. Bijna iets als: de dag voor je ziek gaat worden. Iets aarzelt. Het maakt je wankel, raast door je rug. Het is alsof je stem zich terugtrekt. En later is het weer voorbij.

Een mooi concert. Gelukkig is de stoel naast waar jullie zitten niet bezet. Zo kun je je benen schuin leggen. Anders was je genoodzaakt geweest om het balkon af te breken. Of je benen af te haken.

Na de pauze komen er twee mensen vragen of er nog twee plaatsen zijn naast jullie. Ze hadden hoogtevrees op het balkon net daarboven.

(Om een of andere reden wist je dat er een bericht zou komen, net die avond. Het doet je glimlachen.)

Verder werken aan de presentatie voor de les die je een dag later moet geven. (Eigenlijk is dit wel leuk, denk je.)

Je doet je best voor een regenboog. Het wordt sneeuw, zo zal later blijken… (En de goden zijn ook niet meer wat ze geweest zijn.)

Het uur van de dag waarop je normaal kookt en eet en enkele dingen doet. Als een soort ritueel. Een thuishaven in de dag. Net dan is er een korte vergadering. Het brengt je een beetje in de war, je lichaam weet niet goed wat te denken. Weer thuis beweeg je traag, zorgzaam. Leg je maar neer, zeg je.

Later denk je aan een verhaal. Iets over waarnemen.

Mooie droom in het vagevuur voorafgaand aan het ontwaken. Je kunt in en uit je droom schuiven. Je kunt hem langer laten duren. Je denkt: dit wil ik wel.

Tijdens de vergadering zegt je baas: dat wordt niet eenvoudig, want volgende week zijn er twee vrije dagen. Je denkt: hoezo twee vrije dagen? Je vraagt: dus donderdag is het ook vrij? Ja dus. Je gaat het nog eens nakijken in je agenda. Inderdaad. Een tijdje later besef je het ineens: ah ja, daarom dus dat die vrijdag een brugdag is. (In de categorie ‘beschamend voor gevorderden’.)

24 april 2016

Lagrime di San Pietro

‘Vertel eens een verhaal.’
‘Even denken…’
‘Doe maar, het maakt niet uit hoe lang. Ik wil gewoon even een verhaal horen van jou.’
‘Ik was vanmiddag nog bezig met het verpotten van enkele planten. Ik had het al eerder moeten doen, hun potten waren te klein geworden. Nu is het beter. Benieuwd of ik het aan de planten zelf zal gaan zien. Nadien zijn je handen dan altijd een beetje ruw, door die potgrond. En ik dacht dat het eigenlijk wel mooi is, bijna een soort troost, dat je gewoon moet wachten, enkele uurtjes misschien, en dan zijn je handen weer zacht. Ik weet eigenlijk niet waarom ik dat nu vertel.’
‘Je zou ook handschoenen kunnen aandoen?’
‘Ja, dat zou kunnen, maar dat wil ik eigenlijk niet. Ik wil het wel voelen allemaal.’
‘Verbonden met de aarde, in een pot?’
‘Ja, een beetje toch.’
‘Jouw handen zijn altijd zacht. Mag ik dat zeggen?’
‘Ja, natuurlijk mag dat.’
‘En nu ga je vragen of ik goed geslapen heb. En dan zal ik zeggen dat ik niet goed geslapen heb.’
‘Oei? En had je ook weer rare dromen?’
‘Ja. Maar ik weet niet of ik er iets over wil zeggen. Ik was thuis, alleen. Er was veel wind. En het hele huis rammelde. Ik was bang, door al die geluiden. En toen gebeurde er iets…’
‘Wat?’
‘Ik kan het niet zeggen. Misschien ooit nog wel, of nooit.’
‘Weet je het zeker?’
‘Ja.’
‘Ben je bang dat de droom terug zal komen?’
‘De droom zal terugkomen. Dat weet ik wel zeker.’
‘Ga je me dan bellen, als je wakker wordt?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Ik zou dat wel willen, eigenlijk.’
‘Dat is onzin.’
‘Ik heb een lijstje van dingen die ik mis.’
‘Is het lang?’
‘Het is in klein lettertype, denk ik. Zo wordt het wat korter.’
‘Maar wel met netjes alle fouten verbeterd.’
‘Ja, vanzelfsprekend.’
‘Wat heb je nog gedacht vandaag?’
‘Veel.’
‘Zoals wat?’
‘Ik dacht nog aan dat concert van gisterenavond. Het was heel bijzonder.’
‘Waarom?’
‘Ik kan het niet goed uitleggen. Er was iets met die muziek. Hoe ze ademt. Hoe ze binnen een strak keurslijf toch precies alle richtingen uitwaaiert. En toch ook niet. Hoe die stemmen elkaar aanraken, elkaar overnemen. Hoe ze elkaar dragen. En om een of andere reden was het raar om de tekst erbij te hebben, in vertaling. Er leek een soort breuk tussen die woorden en de muziek. En misschien toch ook niet.’
‘Het is mooi, hoe je erover vertelt. Je ogen.’
‘Het was alsof ik tijdens dat concert voelde dat er verschillende deuren in je lichaam zijn die je kunt openen om ontroerd te worden. Dit was een andere deur dan bij andere muziek. Maar die gedachte kan ik helemaal niet uitleggen.’
‘Ik denk dat ik het wel begrijp.’
‘Heb je de zon nog gezien? Ze is toch nog gekomen, even toch.’
‘Ja, natuurlijk. Enkele keren zelfs.’
‘Heb jij ook lijstjes?’
‘Laat ik daar maar niet op antwoorden.’
‘Ja dus.’
‘Sssjjjttt, niet doen.’
‘Maar je gaat dus wel bellen?’
‘Wanneer?’
‘Als.’
‘Dat weet ik niet, nog niet.’
‘Doe het maar.’

22 april 2016

Beginnen

Beginnen met de lente, dus. Iets is van je schouders.

Beginnen met manieren te bedenken om dat gekraak uit je nek te krijgen. ’s Avonds in de zetel je armen in allerlei bochten wringen in het kader van de zelfmassage.

Beginnen met sierlijke bewegingen in het huis. Nadat je een filmpje zag van tango dansende onderlijven.

Beginnen met het subtiel doorbreken van enkele routines. Op zo’n manier dat je het zelf niet merkt.

Beginnen met het verzamelen van dromen. Mooie dromen. Die dan netjes inpakken. Al dan niet met een strik. Om ze op het juiste moment cadeaugewijs ter beschikking te hebben.

Beginnen met onnozel doen, nog meer onnozel doen. Een minimumdosis vastleggen. Per week of per dag?

Beginnen met de aanloop naar het moment waarop het haar weer geknipt zal worden. Om een of andere reden maak je je iets meer zorgen over haar dat niet echt kort is dan vroeger, of voorheen.

Beginnen met een of andere belangwekkende brief. Voor het genot van de woorden.

Beginnen met het opnemen in die belangwekkende brief van het woord genot. Andere woorden zijn ook te overwegen.

Beginnen met een cadeau. Of was je al begonnen, altijd?

Beginnen met enkele nuttige dingen die al een tijdje wachten op het beginnen met nuttige dingen.

Beginnen met stukjes die nog onverkende gebieden verkennen. Hoewel? Zou dat wel een goed idee zijn?

Beginnen met manieren om zelf tintels op te wekken. Op eenvoudig verzoek, en in grote hoeveelheden. Gericht op het verdwijntintelen.

Beginnen met (of verder gaan met) het verspreiden van boodschappen die zich na het neerdalen van de duisternis en de stilte in je huis door de lucht verplaatsen naar hun bestemming. Op autonome wijze. Die verplaatsing.

Beginnen met diverse nieuwe schoonmaaktechnieken die op wonderlijke wijze, vooral wonderlijke wijze, zonder uitstraalpijn leiden tot impressionante en zelfs significante resultaten.

Beginnen met het negeren van akelige mannen.

Beginnen met het aanleggen van reservevoorraden mooie woorden. Op eenvoudig verzoek opvraagbaar. Gewoon bellen, en zeggen: ‘Mag ik enkele mooie woorden van jou?’

Beginnen met misschien nog eens nieuwe snaren leggen op je gitaar.

Beginnen met een reeks terraswerkzaamheden die zullen leiden tot een groene oase. Wat als doel ook een klein beetje te hoog gegrepen zou kunnen zijn.

Beginnen met het nu definitief inhalen van je universele leesachterstand. Al heel snel aanvaarden dat bij het wezen van het lezen ook een zekere gradatie van leesachterstand hoort. Beginnen dus met gewoon verder lezen. Wat ook al niet slecht is.

Beginnen met het vinden van lighoudingen bij de televisie die tot totale ontspanning kunnen leiden. Is in verschillende opzichten een existentieel probleem.

Beginnen met die ene zin.

Beginnen met die ene adem.

Beginnen met het verder invullen van het landschap.

Beginnen met alle dingen die je niet weet. Niet weet dat je dus eigenlijk aan het beginnen bent met die dingen. Of zoiets.

Beginnen met dingen waarvan je pas nadien zult weten wat ze waren. Of dus eigenlijk gewoon verder doen.

Beginnen met de rivier die je al was.

21 april 2016

De zon! De lente!

Soms heb je het koud, een beetje. Soms denk je: het zou warm mogen zijn, gewoon.

Een vergadering. Er was enige zenuwachtigheid over het voorstel dat je had uitgewerkt. Het wordt vlotjes aangenomen (ook een beetje tot jouw verbazing). Iedereen is een beetje in de war. Is de vergadering al voorbij? Ja, dus. Ze blijven nog wat hangen.

Bij het instappen in de trein duwt een man je vrij brutaal opzij. Hij kijkt je aan met een blik alsof hij er ook nog heel trots op is. Iets als: ik  ben egoïstisch, en dan? (Akelige man, denk je. Je had het al eerder gedacht, als je hem zag staan. Of zoiets.)

Op weg weer naar huis, na een avondafspraak. (Je denkt: vertel eens een verhaal, eender wat.)

De volgende dag. Op tijd naar huis, want je moet nog naar een conferentie. Een event. Klinkt belangwekkender. Dicht bij huis, weliswaar. Achter de hoek, eigenlijk.

Een uur voorzien voor het onthaal, pas daarna zal het event beginnen. Natuurlijk ben je weer vroeg daar. Netwerken, dat moet je dus doen. Je staat aan een tafeltje een broodje te eten. Poging tot spontaan gesprek met iemand die je niet kent. (Misschien zul je het ooit nog wel leren.)

Net op dat moment: een berichtje met de vraag of je twee kleine meisjes in bed wilt steken. Jammer…

De twee acteurs die het event aan elkaar moeten praten zijn grappiger dan je had verwacht.

Een beetje koud, als je gaat slapen.

Een vergadering. Je loopt door de zaal, om foto’s te maken. Brengt je ineens een beetje terug bij vroeger, toen met je vader.

Een experiment, tijdens diezelfde vergadering. Een interactief moment. Een beetje onwennig nog gaan ze bij de drie tafeltjes staan, maar het loopt opvallend goed. Het doet je eigenlijk veel plezier om hen zo bezig te zien.

De studente die je komt interviewen voor haar thesis. Je had een beetje schrik, maar het valt nog mee met je geheugen.

Meer plaats in de trein. Je gaat zo ver mogelijk van de akelige man zitten. De boekenbijlage. Feest.

(Je denkt: ik vertel verhalen, eender wat.)

Je denkt aan een  geur. Je denkt: ineens was die er weer, toen, en die andere keer ook.

(Het is tijd voor iets onnozels, denk je.)

In een droom, die nacht: vind je me niet meer mooi dan? Natuurlijk wel, wat dacht je nu?

Een vergadering. Soms ben je niet echt in voor veel gepalaver. Of mensen die de hele tijd ‘nog iets willen toevoegen’.

Op weg naar het station. Je moet op tijd terug in de thuisstad zijn voor die afspraak.

De zon! Je denkt aan haar. Het is tijd voor iets onnozels, denk je.

Netjes op tijd voor je afspraak.

De mevrouw kijkt je hele huid na. De vlekjes op je huid. (Kleine eilandjes van niet-wit.) Het zorgt voor tintels. (Mag dat wel?) Alles is in orde. Ze zegt dat je binnen een jaar weer terug moet komen. Of eerder als je iets verdachts zou zien. Je zou haar willen zeggen dat je niet elke dag kijkt naar de vlekjes op je rug, maar je doet het maar niet.

Op weg naar huis, een moment van ontroering. Niemand ziet het. De jonge mensen zitten in de zon op het plein. En je denkt: alle controles zijn weer voorbij voor dit jaar, nu kan de lente beginnen!

Het is of de ontroering je moe maakt, zo blijkt enkele uren later.

Een beetje koud.

Een aangename verstoring van het kookgebeuren. Iets met een hangmat, ook.

Nee mevrouw, natuurlijk niet, alle seizoenen! En dat is de korte samenvatting. (Moet ik meer zeggen? Nee, niet doen! Haha.)

Een beetje lente.

(Misschien had je door de aangename verstoring toch tweemaal sojasaus in de pan gedaan…)

17 april 2016

Wat niet gezegd kan worden

Ingewikkeld… Schroom…

Tijdens het panelgesprek stel je een vraag aan je gasten. Terwijl vraag je je af wat je zelf zou antwoorden, en of je zou durven zeggen wat je werkelijk denkt of voelt.

‘Hoe overleef je zelf mentaal de ecologische crisis?’ Iets in die aard. Eerder in het gesprek ging het over ‘veerkracht’. De nood aan maatschappelijke veerkracht (dus niet individualiseren en niet het mechanische beeld van een metalen veer die netjes terug in de oorspronkelijke stand komt). De wereld is erg complex. En de wereld waarin de klimaatverandering begint te versnellen en mogelijk tot een klimaatchaos zal evolueren als we er niets aan doen. Een wereld waarin, mee daardoor, de ongelijkheid nog wel eens geweldig zou kunnen toenemen. Een ecologische crisis die wel eens ‘out of control’ zou kunnen geraken.

In je vraag verwijs je naar de rol van waarden of spiritualiteit of religie in de persoonlijke houding, het persoonlijk bewaren van een evenwicht, het persoonlijk zoeken naar veerkracht tegenover een wereld die misschien wel op onbekend terrein zal komen.

Eigenlijk zou je graag met je gasten alleen al over die vraag een uur willen spreken. Hoe is het voor hen? Tot waar kun je je wapenen met het denken? Vanaf waar kun je een vorm van veiligheid of energie of weerbaarheid of hoop vinden in iets wat in zekere zin verder gaat dan enkel het denken?

(Het is zo moeilijk, omdat je snel bij ‘grote’ woorden komt. Met het ouder worden wringen ze steeds meer, die grote woorden, schuren ze tegen je huid, terwijl je huid verlangt naar zachtheid. Maar ook zonder grote woorden, het blijven nog wel grote vragen, denk je. En het is goed bij grote vragen stil te staan. Ook al zijn de antwoorden dan klein en heel aarzelend. Dus dan maar met schroom, en een soort preventieve verontschuldiging, voor de woorden die je niet kunt vinden, om te spreken over dingen die moeilijk of niet gezegd kunnen worden, of zoiets.)

Waarom ben je dit eigenlijk gaan doen? Waarom zet je je in (voor iets als een ‘andere’ wereld)? Waar vind je de rust en de energie om het vol te houden en niet cynisch te worden?

(Dat zijn de vragen, denk je. Op een of andere manier denk je dat als we allemaal iets zouden doen met die, of gelijkaardige, vragen, het misschien wel een beetje beter zou gaan met de aarde.)

(Je draait rond de pot, denk je. Je schuift je antwoorden voor je uit, denk je. Zeg het nu maar. Probeer het nu maar, anders mag je het niet aan anderen vragen, of zoiets? Probeer even je schroom van je weg te duwen, voor zo lang het duurt.)

Wat zouden de antwoorden zijn?

Waarom doe je het? Waarschijnlijk zou het antwoord zijn: voor de kinderen. In jouw geval dan de kinderen die je zelf jammer genoeg niet hebt, en vooral ook de kinderen van al wie je lief is, en alle andere kinderen natuurlijk ook. (Ben je nu niemand vergeten?) Het lijkt zo’n cliché, maar als je diep in jezelf kijkt, zie je de kinderen daar. Dat ze je zouden vragen wat jij hebt gedaan. En dat je met gebogen hoofd toch zou kunnen zeggen: ik heb mijn best gedaan, ook al was het niet genoeg waarschijnlijk. (Het is te moeilijk, denk je, om dit antwoord uit te drukken zoals het echt in jou beweegt. Je woorden zijn niet meer dan veilig gestotter.)

Hoe kun je het volhouden? Dan zou je iets uit moeten leggen over je spiritualiteit, denk je, en dat zou ook heel moeilijk zijn. Soms denk je dat het fijn zou kunnen zijn, als je zou kunnen geloven in een of andere god. Stel je voor, dat je het echt zo kunt voelen, in alle rust, dat je op een of andere manier geborgen kunt zijn in de palm of warmte van een instantie die groter is, van een andere orde. Een god die je zou kunnen dragen in dit leven en daarna ontvangen in een volgend leven. Je gunt dat gevoel van harte aan mensen die het wel kunnen geloven, maar het is jou niet gegund.

Je zou iets moeten kunnen uitleggen, andermaal met veel schroom, over hoe het voor jou is. Dat je je een deel voelt van het grote ecosysteem. Dat je je verbonden voelt met de andere wezens en onderdelen van die aarde waar jij ook een deel van bent. Dat het een troostende gedachte is dat je na je dood in wezen weer uit elkaar zult vallen in bestanddelen die nadien weer bouwstenen kunnen worden van ander leven. Misschien ben je zelf iets als een golf op het wateroppervlak, niet meer, niet minder. Het is alsof je iets ziet dat een individu is, de golf is er. Maar de golf is eigenlijk vooral water. En het water blijft. Je zegt altijd, en zo voelt het ook: als ik sterf, verdwijn ik in mijn geliefden. En daar, in hen, zul je misschien ook een soort golf in hun water zijn. Je gaat op een bepaalde manier dus nooit echt verloren. De beweging gaat door, het leven gaat door. Jij was even de vorm waarin dat leven zichtbaar werd, als een golf, tot die weer ging liggen in het water.

Het zijn allemaal vage woorden, je weet het. En je wilt niet dat ze ‘groter’ worden dan dat. Je wilt niet dat ze minder beeld, minder poëzie worden dan dat. Je wilt niet dat er een of andere waarheid aan zou gaan kleven. De woorden zijn enkel een voorzichtig aanraken van wat je diep in je voelt. Ze zeggen niets over wat een ander zou moeten of kunnen voelen, en nog minder zijn ze op welke manier dan ook beter of echter of wat dan ook dan wat eender welke andere mens voelt. Het is alsof je in jezelf iets kunt aanraken dat groter is dan jezelf, maar dat grotere is tegelijk vooral een deelzijn van, misschien van de stroom van het leven.

En hoe dat dan speelt? Het is echt zo, voor jou, denk je, dat je pijn kunt voelen, als je aan de rand van de zee staat. Het is alsof je het verdriet van de zee kunt voelen. Het is alsof de vervuiling, de uitputting, de verstoring, het leegroven, al die dingen, alsof al die dingen aanvoelen als een verdriet, een verdriet dat ook het jouwe is. Verdriet omdat iets dat zo mooi, zo indrukwekkend, zo rijk is, wordt gekwetst. Voor zichzelf dus. Verdriet ook omdat daardoor die kwetsuren ertoe leiden dat zoveel anderen, zoveel anderen die nog zouden moeten geboren worden, of al op deze aarde zijn, niet meer dezelfde kansen zullen krijgen, niet meer zullen kunnen vertrouwen op zuivere lucht. Waar verdriet verontwaardiging raakt. Verdriet om verlies dus, een heel menselijk gevoel.

Dingen doen is een antwoord op die ervaring. Ooit kwam die zin er ineens, in een gedicht dat je schreef. ‘De aarde voelt je verzet wel.’ Die ene zin die je na meer dan 25 jaar ondertussen nog steeds niet kunt uitspreken zonder een traan te voelen. Die ene zin was de sleutel. Ook al duurde het vele jaren eer je die zin begreep. Ook al was er misschien wel de ervaring van die kloteziekte voor nodig om er nog een extra dimensie aan te geven. Dat je ervoor kiest om in verzet te gaan, je niet neer te leggen. Maar dat het feit dat je het doet, dat je doet wat je kunt, met je te korte armen, je te beperkte vermogens, al je falen, al je tekorten, al je littekens, dat dat feit genoeg is. Dat je probeert in waarheid te leven. Dat dat alles genoeg is. Genoeg om je bij het einde van je leven rustig neer te leggen in het gras, of zoiets. (Dat je dat gevoel probeert te bereiken, dus.)

Die diepe verbondenheid die je voelt, ze heeft je een vorm van vrede gegeven, een vorm van innerlijke rust. (Soms toch.) Of je nu nog tien jaar zult leven, of twee maanden, of drie dagen, of veertig jaar, het is goed. Niet zozeer wat je doet, maar dat je het doet. Het mooie van dat deelzijn is dat het je helpt in bescheidenheid, in nederigheid (wat iets heel anders is dan dingen als onderdanigheid of gelatenheid). Is nederigheid een waarde, of is het al spiritualiteit? Het maakt eigenlijk niet uit. Je zou die vragen niet goed kunnen beantwoorden. Heb je het al bereikt? Nee, helemaal niet. Al is het ook een fijn gevoel dat je het nooit zult kunnen bereiken, dat het proberen goed genoeg is. Dat je op een bepaalde manier die nederigheid kunt ‘zien’, als een uitnodiging, het is misschien al een wapen tegen elke vorm van cynisme.

Sommige woorden zijn helemaal te ingewikkeld, ze raken je te diep, om allerlei redenen, die waarschijnlijk ook met de aarde niet zoveel te maken hebben. Het woord ‘helen’ is er zo een. Proberen te helen, of hopen dat je iets zou kunnen doen dat zou kunnen bijdragen tot helen, het zou een antwoord kunnen zijn op het ervaren van het verdriet omwille van een kwetsuur bij anderen, bij het geheel waar jij een deel van bent. Als je het geheel heelt, heel je dus in zekere zin ook een heel klein stukje van jezelf.

(Het is tijd om ermee te stoppen, denk je. Het wordt te moeilijk.)

Als je eerlijk zou zijn, als je het zou durven, dan zouden dat misschien wel je antwoorden zijn. Omtrekkende bewegingen bij dingen die niet gezegd kunnen worden. Dingen die misschien alleen via grote omwegen kunnen zijn, niet benoemd moeten worden, mogen worden. Iets in die aard dus.

Een andermaal falende poging, denk je.

(Over die vragen zouden we het moeten kunnen hebben, soms, denk je, of zoiets…)