15 december 2018

Grenskijken

Kijken. Waar het kantelt.

Aan de andere kant van de tafel zit iemand die je nog niet kende, tot nu toe. Je zou willen kijken, met tijd. Zoals je kunt blijven luisteren naar een stem. Zoals je een landschap ziet. Zoals je iemand leest. Je doet het niet.

Zoals je leest. Hoe bewegen bewegingen? Welke evenwichten zoeken zich in een lichaam? Waar gaat staan over in verdwijnen?

Je staat te kijken naar het drukke plein voor het station. Fietsen, bussen, trams, voetgangers, ze zwermen door elkaar heen. Kun je alleen de beweging zien, of verlang je naar een verhaal?

Je ziet jezelf op een foto, je schrikt. De foto ziet iets.

(Je bent leesbaar, denk je, voor wie de zinnen kent. De tijd kantelt in je huid.)

Het is donker. Het is licht achter dat raam. Het beeld laat zich traag bekijken.

Sommige mensen kunnen zich uit zichzelf terugtrekken, denk je. Wat je ziet, troost je niet.

Alsof je naar je huid kijkt. Je lichaam verwart zich tussen twee snelheden. Misschien is het aan het vertragen, in statische elektriciteit. Misschien is het wachtklaar. Misschien vindt het zichzelf wel terug.

Die ene actrice. Je kunt blijven kijken naar haar. Misschien is ze altijd elders.

De mensen op het perron kijken in alle richtingen, waarbij ze elkaar ontzien. Je houdt ervan om wel te kijken, naar verhaallichamen.

Je weet nooit goed hoe lang je in iemands ogen mag kijken. Je beseft dat je je eigenlijk nooit realiseert dat een ander op dat moment ook in jouw ogen kijkt, alsof je zelf een soort lege vlek zou zijn, niet eens een nulpunt.

(In je droom lijkt een gigantisch vliegtuig een noodlanding te maken in de straat waar je woont. Je ziet ineens de dalende wielen voorbij je raam komen. Verderop in de straat zijn de huizen stuk. Het vliegtuig ligt daar, rokend. Kijk je, loop je weg, of er naartoe? Je wordt wakker.)

Waarom blijf je telkens bij die ene foto hangen?

Die hele stapel platen die je hebt meegebracht. Je aarzelt een beetje. Als ze daar liggen, zie je muziek die je zou kunnen zien. Iet zou zich kunnen openen. Je haalt er een plaat uit, zet ze op. Je hoort alles, je ziet waar iets het overneemt. Het verandert de ruimte.

Je kijkt naar je handen.

(Je mist twee meisjes, het overvalt je ineens, terwijl je aan het eten begint. Je zou hun willen vragen om te vertellen, de verhalen, en dan alleen maar kijken.)

Je belt iemand op, om te vragen hoe het met haar gaat. Je hoort haar stem, waardoor je haar ineens anders ziet dan net daarvoor.

Wat zou de nacht van je zien?

Je denkt aan een traag gesprek, en hoe je naar de woorden zou kijken.

Je ziet iemand aan de andere kant van de tafel. Ineens zie je in haar iemand anders. (Familie waarschijnlijk, denk je. Iets komt dichterbij.)

Je ziet het verdriet in iemand.

Je zit in de hoek van de kamer. Je sluit je ogen. Je bent aanwezig, soms verdwaal je even, waarna je afdaalt. Wat je ziet, zou iets met je huid kunnen doen.

Je ziet het huis. Je ziet de plek waar je veilig kunt zijn, je ziet waar het je zou kunnen achterlaten, waar je nog steeds verweesd zou dwalen. Tot de dingen zich neerleggen. Zoals elke dag dat weer kan doen. Misschien is het gewoon zo.

Je kijkt.

09 december 2018

Even


Soms is het een beetje te veel van hier naar ginder, denk je, al proactief. Soms zou je gewoon ergens willen blijven, voor even. Soms wil je het ritme van gewone dagen, zul je later denken.

Je staat opleiding te geven. De klimaatmars zit nog een beetje in je benen, je wiebelt een beetje anders. Soms weet je niet van tevoren of die lange zin er in het Frans uit zal komen of niet. (Waar komen Franse zinnen vandaan? Waarom lopen ze in zichzelf vast, ergens halverwege? Existentiële vragen.)

Een namiddag over technologie, en hoe die cultureel en ideologisch verankerd is. (Je had liever meer tijd gehad om jouw bijdrage voor te bereiden. Het is wat het is, je moet nu even snel denken, terwijl je dat liever trager had gedaan.) Je bent blij als je je vrienden hoort praten. Fijn dat je een heel klein stukje van de puzzel mag leggen, fijn dat je bij dit clubje mag zijn. (Misschien ziet men niet dat je een klein beetje verlegen bent.)

Van vergadering naar vergadering naar vergadering. (Eigenlijk vind je dat niet zo fijn. Later zul je het beter zien, het vooravondeiland dat je graag hebt voor jezelf.)

Een andere dag.

De avondvergadering die nog moet komen gooit een schaduw voor zich uit. Je knutselt alles netjes in elkaar, dat stuk heb je zelf in de hand.

Ergens in de nacht thuiskomen, en denken aan iets van een kelk.

Weten dat je lichaam in vertraging zal reageren.

Je lichaam kan zacht wakker worden, of niet.

(Tussendoor denk je nog terug aan vorige week, een zaal vol vrouwen. Hoe je je op een of andere manier heel erg thuis voelde daar, verwelkomd.)

Lijstjes afwerken.

Je vertrekt naar weer een debat over vliegtuigen. In de hal van het station sta je rustig aan te schuiven aan het loket. Een vriendelijke meneer van de spoorwegen vraagt of hij je kan helpen. Je zegt dat je gewoon een ticket wilt. Hij zegt dat je dat ook bij de automaat daar kunt halen. Je zegt dat je dat weet maar dat je liever bij een echte mens gaat, en dat je hen zo ook wilt steunen. Hij zegt dat hij dat liever ook doet. (Het maakt je een beetje droef.)

Van aan de debattafel kijk je naar de mensen in de zaal. (Eerder schrok je al van de foto’s die je van jezelf zag, hoe moe je leek, of droef, dat kan ook. Je bent een beetje moe.) Bij de laatste vraag neemt iets het van je over. Je geeft jezelf uit handen aan woorden die maar blijven komen, ze trillen diep in je. (Nadien komen mensen je bedanken. Het verwart je altijd een beetje, je voelt je dankbaar.)

Laat die avond, weer thuis, nog de afwas doen. Je wilt echt met een leeg aanrecht de volgende dag kunnen beginnen, anders is het alsof de dingen je uit handen glippen.

(Hoe zit het met die handen? Tegen middernacht sta je in het huis, je handen trillen. Misschien ben je echt een beetje te moe.)

Een andere dag. Je lichaam wordt verkeerd wakker. (Het woord verkeerd zou je niet kunnen uitleggen, alleen vaststellen.) Het is beter die dag thuis te werken. Het is beter die zoveelste avondvergadering af te bellen. (Natuurlijk zul je alles wel nog voorbereiden en doorsturen, anders zou er ongetwijfeld een of andere goddelijke straf volgen voor zoveel gemakzucht.) Heel even terug in een ander ritme, heel even weer zelf je thuis zijn.

De dag beweegt zich rustig verder. Je adem komt weer dichter bij je huid.

Een avond met een warm dekentje en een romantische film. Meer heb je niet nodig. (Soms ben je een voorspelbaar watje. Vaak, eigenlijk.)

Een andere dag. Je werkt je stukje af. En Julia is er weer bij, stel je vast. Soms kiest een onderwerp zichzelf, en kun je alleen maar volgen. (Raar, zitten snotteren bij de woorden die je zelf schrijft. Een watje, dus.)

Je staat klaar voor de brede zaal waar je zo meteen een gastcollege zult geven. De studenten komen binnen. (Soms vraag je je af wie zij zien, als ze jou daar zien staan.) (Je hoort jezelf praten, soms ben je verbaasd.)

Twee vergaderingen later. Je krijgt je eerste en nu al allermooiste nieuwjaarskaartje. (Het ontroert je diep.)

Een nacht in etappes. In een van je dromen loopt Bob Dylan naast je.

Een dag die overzichtelijk lijkt, waar de dingen gewoon na elkaar komen.

(Die nieuwe plaat van Van Morrison klinkt wel lekker.)

In fijn gezelschap bij de quiz. Soms kijk je naar hen, en glimlach je. (Hopelijk zien ze het niet.)

Ergens in de verte valt er iets.

In de nacht fiets je weer naar huis, de regen is even gaan liggen.

(Soms wacht je op een bericht.)

De zondag trekt zich traag op gang. Platen van Louis Armstrong en Derroll Adams. Het is goed.

02 december 2018

En Julia is er altijd

(Wat te zeggen.)

Je bent een klein beetje zenuwachtig, nauwelijks merkbaar, misschien. Straks moet je iets zeggen in het halfrond. Je hebt de vorige dag in je schriftje je woorden voorbereid. Een beetje toch. (Over die laatste zin twijfelde je. Je neemt je voor om dapper te zijn.)

Je kijkt rond. Zoveel vrouwen. Zoveel kracht en wijsheid aanwezig. En jij bent eigenlijk alleen maar een klein jongetje, dat hier misschien wel niets te zoeken heeft.

Er komen twee slimme mensen voor jou. Je luistert. Terwijl is iets in je lichaam alert, niet helemaal hier, en toch ook wel.

De mevrouw met de zachte stem kondigt je heel mooi aan.

(Misschien verwachten ze wel veel te veel van jou, willen ze iets dat groter is dan jouw kleine verhaal.)

Je gaat toch maar achter die microfoon staan. Recht en een beetje wankel tegelijk. (Er is ook nog iets met een man.)

Je vertelt over zonder kinderen. Dingen die mensen zeggen. Dingen die je zelf zegt.

Je zegt iets over die oerkracht die je ook in de zaal voelt.

Je bent een man zonder.

(Iemand verwacht dat je mooie woorden zult brengen. Je weet wel wat je zou willen zeggen, maar misschien zijn de woorden niet mooi genoeg.)

Ik wil liever vrij zijn in mijn verdriet. (Op die zin had je misschien een beetje moeten oefenen. Om die zo achteloos te laten vallen. Hoewel, een beetje gebroken is ook wel goed.)

Dingen die mensen zeggen en die je pijn doen. Je zou iets willen zeggen over dingen die mensen tegen je zeggen die geen pijn doen, die je warm maken.

(Wat doe je jezelf aan? Doe het toch maar, Jean. Die laatste zin.)

Je vertelt over Julia. Niet bepaald traanloos, maar misschien is dat niet zo erg.

(Julia is blij.)

Niet iedereen blijft traanloos, stel je vast.

Het is pauze. Een mevrouw die straks gaat spreken komt naar je toe, ze vraagt of ze je een knuffel mag geven. Je krijgt ook daarna zoveel mooie verhalen te horen. Twee vroedvrouwen. Ze vertellen over warme en koude handen.

(Wat je vertelde, werkt – zoals steeds – als een soort uitgestelde beving in je lichaam. Je ziet de aardlagen. Er is meer dan je besefte. Maar het is goed zo, denk je.)

Na de pauze komt de mevrouw van de knuffel aan het woord. Zwangerschap en geboorte en spiritualiteit. Vanaf de eerste zinnen die ze zegt lopen de tranen. Het heeft iets met wijsheid te maken, met die oerkracht, met iets dat vanzelfsprekend juist lijkt, en groot, en herkenbaar, en ook een wereld waar jij geen deel van bent. Alsof je alles kunt voelen in je lichaam, terwijl je tegelijk een toeschouwer bent, op de tribune.

De voormiddag daalt verder in. De lagen zouden bloot kunnen liggen.

Tijdens de middag hoor je nog mooie verhalen. Nog mensen die je komen bedanken. Terwijl jij vooral dankbaar bent.

Een heel bijzonder gesprek. Het valt een beetje uit de tijd. Alsof je ineens in een nu aan kunt komen, waar je niets uit moet leggen. (Blijkt dat je geheel doorleesbaar bent, je kunt niets verbergen. Maar het is goed zo.) Je hoort mooie verhalen. Ze maken je klein, blijven de dagen daarna door je hoofd gaan. Over verlies en verhalen. Over angst en onkwaadheid. (Je wou nog zoveel vragen.) Je voelt je dankbaar.

Het is een beetje raar dat je moet vertrekken. Het is een beetje raar om weer naar die wereld buiten te gaan waar je moet werken, terwijl je liever de rest van de dag zou kijken naar hoe verhalen bewegen in aardlagen. Dichter bij je zelf. Met de littekens zachter in je huid.

(Julia is bij je.)

(Verhalen blijven bewegen in je huid.)

Een zondag. Tussen duizenden mensen. Je bent blij, en trots. (Je hebt loeiende rugpijn.) En je bent ook droef.

Iemand zal je later zeggen dat het iets van jou is, de droeve kant in de dingen te zien. Misschien heeft hij wel gelijk.

Je begrijpt het zelf niet helemaal. Misschien is het eenvoudig. Julia was bij je.

25 november 2018

De woordgrens weer

‘Soms verlang ik naar de woorden, als naar een plek. Dan loop ik onrustig door de stad of ben ik ergens onderweg of zit ik op een plek waar mijn lichaam hard wordt, en dan verlang ik naar de woorden.’
‘Wat verlang je dan eigenlijk?’
‘Dat weet ik niet echt helemaal zeker. Ik heb altijd het gevoel gehad dat de woorden in mij bewegen. Ik kan ze voelen in mijn armen. En vorige week ook in mijn benen, merkwaardig genoeg. Ze zijn daar. Door een moment te vinden waarop ik alleen kan zijn met de woorden, door te schrijven, is het alsof ik me in mezelf kan neerleggen of zo. Ik weet eigenlijk niet hoe het werkt.’
‘Val je dan samen met de woorden?’
‘Misschien wel, of misschien gewoon met mijn adem. Misschien stopt de vlucht wel even, in die woorden.’
‘Soms vraag ik me af bij jou of je door die woorden samenvalt met je lichaam of net niet. Het maakt je rustig, dat zie ik goed aan je. Alsof je in een kamer bent die je goed kent. Maar misschien is het een kamer, en zijn er stukken van het huis waar je daardoor niet bent. Stukken waar je misschien zonder woorden moet zijn.’
‘Die vraag is te moeilijk, denk ik. Ze verwart me.’
‘Goed zo.’
‘Waarschijnlijk heb je wel gelijk.’
‘Daar gaat het me niet om.’
‘Misschien is het voor jou soms wel zo dat je voelt dat de woorden tussen mij en jou staan, dat ik zo afstand neem. Terwijl ik zelf misschien het gevoel heb dat ik een plek zoek waar het veilig is.’
‘Zo is het wel, denk ik.’
‘Soms is het alsof er in mijn huid woorden en zinnen zijn ingeschreven, in een taal die ik niet ken of in een inkt die ik niet kan uitvegen. Misschien wil ik daar zelf mijn eigen woorden tegenover zetten.’
‘Ik zie je soms worstelen met dat grote hoofd van jou. En soms zou ik je willen vragen om gewoon met me te dansen, zonder iets te zeggen. Dan zou je er ook komen, denk ik.’
‘Kan ik dat wel goed genoeg?’
‘Grrrr…’
‘O ja, dat mocht ik niet meer zeggen.’
‘Ik zal je hand vasthouden. Je kunt alleen maar vallen, meer niet. Je kunt niet verdwijnen in een soort afvoer of zo.’
‘Had je dat niet eerder kunnen zeggen? Grapje!’
‘Ik weet eigenlijk niet of jij een woordmens bent, of dat wel het goede woord is. Ik denk wel dat je woorden gezocht hebt om te kijken naar je lichaam. Die maken dat je zelf begrijpt wat je ziet. Maar dat stuk heb je dus al. Er zijn nog andere deuren.’
‘Ik had het kunnen denken…’
‘En eigenlijk ben ik gewoon dicht bij je, en ik dans graag. En ik loop niet weg. Sommige dingen zijn simpel.’
‘Mag ik ook gewoon even kijken terwijl jij danst?’
‘Dat mag, maar ik wil met jou dansen. Alsof we alle tijd hebben.’
‘Als je zoiets zegt, is er iets in mij dat mij zegt dat dat niet kan kloppen.’
‘Zie je nu dat het goed is om soms de woorden te laten evaporeren?’
‘Dat is een mooi beeld. Ik zie het voor me, of in me.’
‘Trouwens, het is ook wel hoog tijd dat we iets eten. Ik heb honger.’
‘Zal ik iets lekkers voor je maken?’
‘Nee, we gaan samen koken.’
‘Je bent streng vandaag.’
‘Het werd eens tijd dat we werk gingen maken van jouw opvoeding.’
‘O jee.’
‘Je beseft nog niet half wat je nog te wachten staat.’
‘Ik besef dat ik dat niet besef.’
‘Komaan, de keuken in.’

24 november 2018

Ergens tussen handen en rouw

Iets in het begin van de week. Iets bij het einde.

En ergens halverwege, mooie muziek.

Terwijl je schrijft, hoor je de muziek van het concert.

Bij het begin.

Je fietst naar daar. Het is de tweede keer voor jou. Een tweede kleine overwinning. Straks zul je op die tafel liggen. Voor  twee uur. Je kunt dus alleen maar daar zijn. En je weet dat dat goed is voor jou. Toch is het spannend en ben je een beetje bang. Al weet je niet goed waarvoor.

Je ligt daar met niets anders dan jezelf. Het komt erop neer dat je jezelf uit handen geeft, in handen.

(Het is een ander soort verwarring dan de vorige keer, voel je meteen.)

De handen zijn als een reis, langs jouw landkaart, die ook de tijd in zich draagt. Je probeert de reis te volgen langs de binnenkant van je huid. Zo beweeg je mee. Alle plekken. Je ziet veel.

Zo zie je alle plekken waar je huid hard lijkt, of gewoon op de vlucht, zoals het altijd was. Misschien zie jij dat alleen, is het daarom niet zo, van de buitenkant gezien.

En je voelt hoe de bewegingen je verbinden, alsof je één zou kunnen zijn.

En je voelt schaamte. Niet omdat je daar zo ligt. (Lelijk was je toch al, zegt een stem.) Misschien maak je niet eens een deuk in de ruimte. Het zijn andere deuken, en ze lijken nu allemaal zichtbaar. Je kunt alleen hier zijn nu, uit handen, in handen. Je ziet even te veel tijd in je landschap. Maar het is goed, dat weet je.

Nadien zul je een beeld zoeken, voor dat wat je niet begrijpt. Misschien is er een beeld van een rivier, die traag stroomt. Door hier te zijn, alleen hier, uit handen, in handen, kun je zien dat de rivier er is, bijna dichtbij. Door hier te blijven zul je alle deuken zien, en zul je misschien ooit de rivier kunnen zijn. Dat alles is nog aan de andere kant van de woorden.

Je probeert er iets van te zeggen. Je slikt de tranen door, die komen later wel weer.

Een beetje verlegen. En heel dankbaar. Misschien zie je iets dat op jou wacht.

En halverwege, dat concert. Je houdt van het zachte aanraken van de snaren in het eerste deel. De stem die rustig laveert. Alsof de dingen zijn waar ze moeten zijn. Voor je vertrekt ga je nog even iets zeggen aan de zanger.

Bij het einde.

Je gaat achteraan in de zaal zitten. Iets in je weet niet helemaal zeker of je hier mag zijn, wie weet neem je wel te veel plaats in. Maar je wou er zijn, dat wist je.

Je hoort de verhalen van ouders die een kind verloren. De verhalen en de muziek schuiven in en uit elkaar. Ze zijn rustig en droef tegelijk. Ze zijn er vanzelfsprekend. Rouw die breekbaar is en ook een opgeheven hoofd heeft. En ze zijn groot.

Het is mooi dat je die verhalen zomaar mag horen. (Iets in je vraagt zich nog steeds af of je niet te veel plaats inneemt. Een beetje.)

Je luistert en kijkt. Je ziet de verhalen. Ze zijn groot. Het is helemaal niet erg dat ze groot zijn. De dood is in het leven, dat inademt en uitademt. En je weet nooit zeker waar het ene in het andere kantelt, en nog minder waarom.

Er is een stukje van dat groot zijn dat bij jou ligt. En je voelt schaamte. Omdat je dat stukje van jezelf ziet, ergens in je lichaam of ergens in de ruimte tussen die stoel achteraan en de verhalen vooraan. Iets over de kinderen die niet in jouw leven zijn. In de verhalen daar is er zoveel ingedikt verdriet, zoveel aanwezige liefde in die afwezigheid. Dat kinderen er zijn, dat ze kunnen weggaan uit een leven, dat verdriet en die liefde, ze horen bij dezelfde adem. En iets in jou zegt dat jij niet bij die adem kunt komen, wat je ook doet. Misschien is dat niet zo erg. Je kwam om te luisteren, niet om jezelf tegen te komen. (Misschien nam je toch nog te veel plaats in, fluistert een stemmetje de laatste keer.)

Je maakt kennis met de vrouw die net daarvoor op dat podium zat. Het is alsof je dat al eerder deed, ook al is het de eerste keer.

In de nacht die volgt op die avond word je ergens wakker, misschien wel halverwege. Beelden schuiven door je hoofd, je lichaam lijkt onrustig. Tot het beeld van de rivier komt. Eerst zie je dat beeld voor de handen. Daarna zie je hetzelfde beeld voor de verhalen over de rouw.

Misschien is er ook een rivier. Een rivier van traag verdriet. De oeververwarring kan er eigenlijk alleen maar zijn omdat je de rivier ziet. Iets in je zegt dat jouw verdriet oneindig veel kleiner is, betekenisloos tegenover het andere. Een ander iets in je zegt dat die vergelijking tot niets leidt, dat het zo niet werkt. Iets in jou fluistert dat de rivier je tegelijk dicht bij het grote verdriet kan brengen dat in je huid rust en tegelijk kan helen in de stroom.

Misschien zie je iets dat op jou wacht.

18 november 2018

En ook eenzaam

Het lijkt langzaam november te worden. (Het is november.)

De dagen schuiven voorbij. Iets is veranderd, ergens in je lichaam. Je weet niet zeker wat het is. Iets tussen een hierzijn en een daarverlangen.

Je denkt aan mensen aan wie je zou willen zeggen dat je aan hen denkt, dat ze belangrijk zijn in je leven. Misschien weten ze het wel.

Dingen die waren blijven liggen. Heel langzaam komen ze een beetje in orde. Hoopjes verleggen, elke dag.

(Je buik heeft een eigen tempo, zoals steeds.)

Je verplaatst de afspraak waar je al een tijdje naar uitkeek. Gelukkig gewoon eerder op dezelfde dag. (Iets tussen zenuwachtig zijn en in je hoofd een beetje klaar zijn. Weten dat het goed is voor je, al weet je dat nog niet, of zoiets.)

In de winkel het boek gaan zoeken waarvan de titel op het kleine briefje staat dat je van het meisje kreeg. Je legt het in de handen van de post.

Een lijstje met planning voor de volgende weken. Om een of andere reden maakt het je gelukkig.

Je werkt aan de transcriptie van de speech van die boeiende Zweed. Het lag al een tijd te wachten. Zowat een hele dag alleen maar daarmee bezig. Overzichtelijk fijn.

Een vrije dag, die goed gevuld is.

Een mooi gesprek. Weer over vliegtuigen. Je voelt je vereerd dat zij je wil komen interviewen. Eigenlijk heb jij meer vragen voor haar dan zij voor jou, denk je. Een gesprek als een geschenk.

Later. Een ander mooi gesprek. Je leert veel, weer. In een ruimte waar de dingen rustig en vanzelfsprekend begrepen worden. Jij beschermde hen, maar wie beschermt jou? Dat zegt ze. Die zin blijft door je lichaam dolen.

Later. Je moet vertrekken naar een andere stad voor een lezing. Je zou het ook wel fijn vinden om gewoon thuis te blijven, en langzaam in de avond te dalen. Je stapt naar de trein.

De jonge mensen in de andere stad onthalen je warm. Je vertelt. (Weer over vliegtuigen. En over hoop.)

In de trein terug kun je in een vers boek beginnen. Mmm.

Een andere dag. Je werkt de transcriptie af. Het is fijn, dingen afwerken.

Een gesprek. Je leert weer veel. (Ideeën en beelden tollen door je hoofd.)

Na de avondvergadering heb je lichte hoofdpijn. Iets is genoeg geweest voor deze week. Je praat nog na met een dierbare vriendin. Je bent blij dat ze weer genezen is. Het verjaardagscadeau dat je voor haar bedacht wordt toegelicht.

Een andere dag.

De boodschappenronde. Bijpraten met je maatje. (Het kopje koffie omver stoten. Een minder omstootbaar kopje krijgen. Het leven vordert langzaam.)

Een gesprek. Je leert weer veel, denkt na. De gemberthee doet je goed.

Je schrijft (met enige schroom) een berichtje naar iemand die je een tijdje geleden leerde kennen. Hij heeft pas een nieuwe plaat uit, ze is mooi. Alsof je door die plaat zomaar een wereld mag binnenwandelen waar je anders misschien niet zou komen of die je niet zo zou gezien hebben. en hoe de woorden daar werken.

Een theatervoorstelling, met een dierbare vriendin. De lijntjes van woorden vallen als puzzelstukjes in elkaar. Een verhaal over eenzaamheid, dat langzaam dieper binnendringt.

Bij het einde van de voorstelling duurt het even eer de mensen in het publiek applaudisseren. Na het laatste applaus wordt het nog een tijdje helemaal stil in de zaal. Iedereen blijft nog even zitten. Een mooi moment.

Een warm gesprek nadien. Iets over kinderen, ook.

Zondag poetsdag, dutdag, leesdag, schrijfdag.

En je lichaam kijkt uit naar iets van de maandag.

11 november 2018

Beiaardtranen

Het is de dag van de inhuldiging van de vredesbeiaard in jouw stad. Dat moment wil je niet missen, om allerlei redenen.

Toen je het eerst hoorde dat de beiaard er zou komen, een samenwerking tussen jouw stad, Leuven, en de Duitse stad Neuss, was je meteen hevig ontroerd door het project. De geschiedenis van je stad. De vreselijke gebeurtenissen uit de Eerste Wereldoorlog. De archivaris van die Duitse stad ontdekte dat een regiment uit zijn stad betrokken was bij wat er in Leuven gebeurde. Zo kwam het op gang. In de oorlog waren de klokken verloren gegaan, gesmolten door een grote brand in de kerk waar ze naartoe waren verhuisd. Nu, honderd jaar na het einde van de oorlog, zijn de klokken terug, exacte kopieën, op de plek waar ze vandaan kwamen, in de toren van de abdij net buiten de stad.

Je droeg een steentje bij aan de fondsenwerving, en dat voelde meer dan goed.

Je zag de beelden van de klokken die arriveerden. Ze waren gegoten in dezelfde gieterij waar je ooit met je vader kwam. Hij was ook beiaardier. Dezelfde gieterij die ook een nieuwe klok goot waar de beeltenis van je vader op kwam, en die ondertussen in de kerk hangt waar hij de klokken bespeelde.
Je zag de kinderen die vol verwondering naar de klokken kwamen kijken.

En nu zit je in de grote tent, te wachten tot de plechtigheid begint. Er zijn veel mensen. Ze zijn allemaal erg dichtbij, op die kleine stoeltjes. Je bent al een beetje zenuwachtig en gevoelig nog voor het begonnen is.

Je ziet de beelden, je hoort de toespraken, je ziet de foto’s en het filmpje.

En het raakt je nog meer dan je verwacht had.

De verhalen in het Duits. In enkele zinnen wordt gezegd wat er toen gebeurde, wat de aanleiding was, welke mythes propaganda waren. Het is alsof de geschiedenis zich ineens neerlegt. Het verhaal van je burgemeester, die erop wijst dat eerder in de geschiedenis die Duitse stad zelf in de as werd gelegd, door legers waar misschien wel Leuvenaars bij waren. Een ijzingwekkende parallel.

De slottoespraken van beide burgemeesters. Iets over de vloek van het nationalisme. Iets – het kwam ook eerder al aan bod – over de Europese droom en wat die zou moeten zijn.

(Hopelijk vallen voor de mensen naast en rondom je je tranen niet al te zeer op.)

Zoveel dingen lijken samen te komen.

Je voelt Europa, in je hart, waar het altijd is. Waar het nog altijd een grote emotie is. Ineens is het zo dichtbij. Het is zo mooi, te zien hoe mensen van hier en daar, allemaal van na de oorlog, elkaar even kunnen vasthouden in de pijn van generaties geleden. Even zie je hoe je wonden kunt helen. (En hoor je tegelijk in de toespraken hoe kwetsbaar dat allemaal is, hoe snel je weer alles kunt verliezen.) Het is moeilijk om erover te praten, dat wat je voelt in je hart, het is zo groot. En nu mag het zomaar zijn.

Het voelt alsof je ineens ook een beetje meer bent dan enkel maar een inwijkeling in je stad (ook al woont die al langer daar dan in het geboortedorp). De geschiedenis van die oorlog in je stad heeft je altijd erg geraakt. Maar tegelijk speelden de verhalen van je grootvader over diezelfde oorlog zich af op een andere plek dan hier. Misschien ben je iets meer van hier geworden (zonder minder van daar te zijn).

En er is de beiaard natuurlijk. Alsof je om een of andere reden hier moet zijn, alsof je iets of iemand moet vertegenwoordigen. Je zou het niet goed kunnen uitleggen hoe het juist in elkaar zit. (Even denk je wel dat je het fijn zou vinden om aan hem te laten zien hoe jouw naam op het bord staat met alle namen van de ondersteuners. Ook al maakt de dood dat onmogelijk.)

De plechtigheid is voorbij. Iedereen komt naar buiten. Mensen wachten op het geluid van de klokken.

Je hoort de nieuwe beiaard. Hij klinkt zo mooi. Je hoort meer dan wat je hoort, dingen van hier en ginder, van nu en toen, en ook van ooit.

Je zou aan de Duitse aanwezigen willen zeggen dat je dankbaar bent dat ze hier zijn, dat ze je de kans geven dit alles mee te mogen maken. Een beetje verlegen spreek je de mevrouw aan die schepen is in die Duitse stad. Je zou willen dat je Duits nog veel beter is, maar je wilt vooral niet in het Engels praten. Dan maar met enkele fouten erin.

Wanneer je vertrekt is het of er iets in je veranderd is, al weet je nog niet wat dat is.

Dankbaar.