16 november 2017

Emilia

Ik zag haar voor het eerst in het bushokje. Ze heette Emilia. Ik kwam haar tegen terwijl ik folders aan het bussen was. Dat doe ik een paar keer per jaar. Telkens boeiend, de wondere wereld van de Belgische brievenbussen. Terwijl ik een stuk weg naar boven liep, besefte ik dat ik eigenlijk aan niets aan het denken was. Ik was die beweging geworden, als het ware. En zo kwam ik langs dat bushokje. En daar zat ze.

Met een wat ijl stemmetje sprak ze me aan.

‘Misschien heeft u wel zin in een korte pauze?’

Dat was wel een mooie zin, eigenlijk. Ik had me voorgenomen die hele busronde zonder onderbreking uit te voeren. In het andere geval zou ik voelen hoe moe ik was, of zo. Maar het was ook wel een fijn aanbod. En officieel ben ik altijd in voor verrassingen.

Ze zei me dat ze Emilia heette. En met dat wat vale licht in het bushokje leek ze zelfs een beetje op die actrice uit Game of Thrones. Ik vroeg haar of ze de bus naar Mechelen moest nemen.

‘Nee hoor, ik zit hier gewoon. Ik zit hier vaak, te kijken, naar de mensen die voorbij komen. Hier is het rustig.’

Ik aarzelde wat bij het idee dat het daar rustig was, en vroeg of het dan thuis zo druk was.

‘Goh, thuis voel ik me soms zo alleen. Mijn vriend zit de hele tijd te spelen met zijn smartphone. Hij heeft zich voorgenomen om een influencer te worden. De diepere zin van het fenomeen influencer ontgaat me een beetje. Ik vroeg het hem onlangs, en ik kreeg een lichtjes offensieve blik. Het antwoord was dat een influencer veel volgers heeft, omdat hij of zij zichzelf in een format kan voorstellen, waardoor hij of zij veel invloed kan hebben. Hoezo invloed? Dat vroeg ik hem. Heb je dan doorwrochte of gewoon boeiende meningen, of diepe inzichten, of schrijf je dan filosofische beschouwingen of inleidingen op het werk van Zygmunt Bauman? Dat bleek andermaal een domme vraag. Als influencer ben je een soort merk, gewoon door jezelf te laten zien, aan je volgers. En weet u, soms wordt het ineens duidelijk hoe iemand anders echt in elkaar zit. Dat antwoord op die vraag van mij heeft me een gevoel van verlatenheid gegeven. En sindsdien kom ik regelmatig hier zitten. Meestal zeg ik niets, maar ik zag u aan komen wandelen, tegen een behoorlijk tempo eigenlijk, en ik had het idee dat u best aanspreekbaar zou zijn.’

Ik vroeg haar of ze het niet koud had.

‘Het gaat wel. Niet veel kouder dan thuis. Het is alsof sommige stukken van mijn lichaam niet meer warm worden. Het heeft iets met een soort rusteloosheid te maken, of verdriet, ik weet het niet zo goed. Maar ik moet zeggen dat ik het nu warm begin te krijgen. Dat zal aan u liggen.’

Het maakte me een beetje verlegen. Ik vertelde haar dat ik eerder die dag had nagedacht over hoe je soms geen zin hebt in andere mensen. Zo een paar minuten per dag, sommige dagen. Meestal is het niet zo, en is het fijn om gewoon te kijken naar al die mensen, in de trein, in de winkel. Maar soms lijken ze zo druk, of zo traag, of zo in de weg. Het slaat nergens op, maar het gebeurt. En zelfs dan kan het gebeuren dat er ineens iemand tegen je begint te praten, terwijl je staat aan te schuiven aan de kassa, of terwijl je staat te twijfelen bij het pak yoghurt. En dan is het weer ineens helemaal anders.

‘Dat heb ik ook wel eens. Soms hebben zoveel andere mensen zo’n lege blik. Ze lijken doelloos rond te dolen, weten niet waar ze eigenlijk naartoe willen. Terwijl ik altijd de verhalen zou willen kennen van andere mensen. In uw geval denk ik dat er een verhaal is van verdriet, en ook wel een verhaal van een droom of zo. Heeft u nog een mooie droom gehad trouwens de voorbije dagen?’

Ik vertelde haar dat er de vorige nacht iemand in mijn droom was gekomen die ik daar, of dat denk ik toch, al jaren niet meer gezien had. Tijdens mijn droom schrok ik er een beetje van, maar nadien was het wel een fijn gevoel.

‘Het rare is – terwijl ik hier zit, besef ik het – dat ik vorige nacht van iemand heb gedroomd die erg op u lijkt. Misschien was u het wel, al kende ik u nog niet, denk ik toch. Wie weet wil dat iets zeggen, al zou ik niet weten wat.’

Soms vraag ik het me af, of het echt zo is, dat iemand in jouw droom of hoofd verschijnt als die op dat moment aan jou denkt. Het zou een mooie gedachte zijn. Waarom komen mensen soms in mijn hoofd? Soms is het alsof mijn hoofd een soort onbewuste controle uitoefent en daar begint na te kijken of iedereen er nog wel is, in mijn hoofd.

‘En zijn ze er nog allemaal altijd? Zou het erg zijn als er iemand zou verdwijnen?’

Ik zei dat ik dat inderdaad erg zou vinden. Om een of andere reden wil ik dat niet, dat mensen uit mijn hoofd verdwijnen. Ze schuiven soms wel, wat meer naar voor, of meer naar achter. En dan voelt het goed als ik iemand dichtbij kan halen, of als die zelf ineens in mijn droom rondwandelt.

‘Kon ik met mijn vriend maar over zo’n dingen praten. Ik zou terug warme voeten krijgen daar, in het huis. Maar hij merkt daar niets van, is alleen met dat ding in zijn handen bezig. Ik zou in mijn blootje door de kamer kunnen lopen, hij zou het niet eens merken, misschien.’

Ik zei dat ik hoopte dat ze binnenkort toch weer warme voeten zou krijgen. Wat moet je zeggen, op zo’n moment, in een bushokje? Je hoopt altijd het beste voor een ander. Je hoopt dat het met alle andere mensen altijd goed gaat, dat ze zich geliefd weten, dat ze zich veilig voelen, dat ze geen gedoe nodig hebben om zichzelf in de aandacht te werken, dat er iemand is die hen kan doen lachen.

‘Nu zijn mijn voeten warm, misschien blijft dat wel even duren. Het was fijn even met u te mogen praten. Misschien komen onze dromen elkaar ooit nog wel eens tegen.’

Dat was een mooie gedachte om mee te vertrekken. Het leek ineens een beetje minder donker. Even leek het alsof je zomaar thuis zou kunnen komen. Ik stapte snel verder, had nog een stapel folders te doen. (En daarna ook nog de afwas.)

12 november 2017

Een gesprek dat blijft duren

‘Het is mooi, hoe ons gesprek blijft duren, doorheen de jaren.’
‘Ja, dat is zo. Ik had het eigenlijk nooit anders gewild, besef ik nu steeds meer.’
‘We zijn nu verder uit elkaar, en dat is goed, maar je bent altijd ook ergens dicht bij me. Bereikbaar. En zo wil ik het ook, ik wil kunnen voelen dat onze plek daar altijd zal zijn.’
‘Dat is belangrijk voor jou, is het niet?’
‘Ja. Dingen die blijven, dat is een sterk verlangen. Ik voel dat ik steeds weer terug kom op dat punt.’
‘Ik heb lang gezocht naar de plek waar ik thuis ben. Misschien ben ik zelf wel die plek geworden ook, een beetje toch. En bij jou is het ook wel zo. Je blijft wel zoeken, en het is mooi om jou te zien zo. Soms zou ik willen dat het rustig zou worden voor jou, maar misschien is het zo ook wel goed.’
‘Jouw zoektocht heeft me altijd tot in mijn diepste ziel ontroerd. Ik voelde me soms machteloos, wou meer kunnen doen om je te beschermen tegen de wind. Er zijn mensen die zeggen dat ik te veel wil beschermen soms, en ze hebben waarschijnlijk wel gelijk. Het brengt me in de war. Maar misschien is het ook een goede kant van wie ik ben. Ik zou het soms zo graag kunnen.’
‘Misschien ook wel omdat je er zelf naar verlangt.’
‘Dat is een moeilijk onderwerp.’
‘Dat weet ik. Maar wij hebben toch geen schrik van moeilijke onderwerpen?’
‘Nee, dat kun je wel zeggen.’
‘Misschien zien sommigen het niet altijd zo, maar jij bent eigenlijk ongelooflijk trouw. Trouw aan wat je hart gekozen heeft. Het is een vorm van liefde waar ik altijd van heb gehouden bij jou. Ik weet niet waarom ik dat nu ineens zeg, het kwam in me op.’
‘Dat is lief. Er zijn van die dingen waarvan ik weet dat ik er met jou altijd over kan praten. Je opent me altijd de ogen, wijst me op dingen die ik weer eens te goed wil doen, of die ik niet zie, of niet kan zien.’
‘Het is ook wel grappig soms, dat ik je wijs op wat je eigenlijk zelf wel weet, of toch een beetje.’
‘Het is toch meer dan dat. Het is alsof je de dingen meteen ziet, en me dan iets kunt zeggen waar ik altijd echt iets aan heb.’
‘Gelukkig hebben we nog veel tijd, dit leven, en de volgende levens.’
‘Waar ik met jou nog veel over zou willen kunnen praten, is over wat het betekent om veilig te zijn. Die vragen komen steeds weer terug op mijn weg. En misschien wil ik ze te hard beantwoorden, wil ik dingen weten. En jij lijkt me altijd te zeggen dat het antwoord dichterbij ligt. Dat het goed is om het te verlangen, gewoon, en dat dat genoeg is.’
‘En nu moet ik je natuurlijk zeggen dat je niet altijd zo goed je best moet doen.’
‘Ja, ik wachtte er al op.’
‘Zoals ik zei dus. Je hebt al genoeg je best gedaan, het hoeft niet meer. Wat er is, is ook mooi, maakt je mooi.’
‘Ergens in mijn hoofd, of ergens anders, begrijp ik wat je zegt.’
‘Dan is het goed.’
‘Het is zo’n gedachte die zich de volgende dagen en weken rustig zal neerleggen in mijn lichaam. Zoals het altijd gaat bij mij. Het sijpelt doorheen mijn hele lichaam, en dat heeft tijd nodig.’
‘Ja, zo gaat het altijd bij jou. Misschien is het bij mij ook wel zo. Al lijkt het meer met omwegen te gaan soms, met horten en stoten. En met minder woorden.’
‘Iemand zei het me onlangs nog: denken met je lichaam, dat is echt wel iets van jou.’
‘Maar het klopt wel bij jou. Wie jou niet goed kent, ziet dat niet.’
‘Jij kunt veel meer tot aan de rand van je lichaam gaan, en soms ook erover. Op een heel andere manier dan bij mij, en tegelijk ook weer niet helemaal anders. Ik kan het niet uitleggen.’
‘Misschien hebben we genoeg uitgelegd voor nu.’
‘Ja.’
‘Wat denk je van de wind? Zullen we naar de wind gaan?’
‘En vanaf waar begint de wind?’
‘Dat kunnen we vragen aan de wind zelf. Waar begin jij?’
‘En beginnen we tegen de wind, of omgekeerd?’
‘Eerst maar even tegen, lijkt me.’
‘Ik vind wel dat jij iets moet roepen tegen de wind.’
‘Alleen als er veel tegenwind is, om iets tegen de tegenwind te roepen.’
‘Kom, we vertrekken.’

11 november 2017

En ergens aan de zee

En ergens aan de zee. Er is veel wind. Er zijn mensen op het water. Er zijn mensen boven het water. Menselijke vliegers. Vliegende mensen. En de zee.

Lijnen komen samen, zo lijkt het. Na zoveel tijd, en ook weer niet. Soms wacht de tijd op zichzelf. De tijd komt gewoon.

Voorzichtige verhalen. Er zijn er nog zoveel.

Je ziet twee mensen lopen. Je ziet jezelf daar lopen. Groot en klein. Jong en oud. Of altijd oud geweest.

Er is nog zoveel.

Wat als je zelf in de lucht zou hangen, en zou kijken naar je lichaam?

Soms ben je kwaad op dat lichaam. Soms leer je om blij te zijn. Om wat het je zegt.

Misschien raak je alleen nog maar het oppervlak aan van je huid. Zoals die zeilers met het water. Soms verdwijnen ze even achter de golven, zo lijkt het. Maar ze zijn er nog.

En je luistert. En je zou nog veel meer willen horen, denk je.

Soms is het alsof je nog een leven in te halen hebt.

Er is koude. Misschien sliep je te weinig. (Dat weet je wel zeker.) Misschien deed iets te veel pijn. (Dat weet je wel zeker.) Misschien is het gewoon de wind. De gember zal je warm maken, al.

Even is het alsof je niet weet wat je met je handen moet doen.

Je ziet twee mensen lopen. In de wind. Je kent hen. Ze lijken breekbaar, en ook zo sterk.

Wat er is, is soms te veel. En soms is het gewoon goed. Je denkt aan de bergen, en wat je daar soms te zoeken hebt. En zoals je altijd al zei: als je wilt vinden, zoek dan niet.

Je kijkt naar je handen, en je ziet de verhalen.

Je kijkt naar je handen. Ergens zijn ze veilig.

Wat zich nestelt in het lichaam, en de sporen die het nalaat. Je ziet de weg, in de mist.

De kleuren van de zee. Ze hebben zich langzaam teruggetrokken.

Misschien blijven die mensen altijd lopen. (Iets van je wou van niet.)

En je denkt aan mensen die ineens weer in je dromen kwamen opduiken. Alsof ze je iets wilden zeggen, of net omgekeerd.

En je denkt aan de reis in de trein. Hoe je lichaam nog hard en onrustig was. Je lichaam is voorzien op naschokken, je weet hoe het gaat. Je kunt wachten, het is niet anders. Je denkt dat de reis terug anders zal zijn.

De zee heeft het verdriet gezien.

Soms is het alsof iets zich aandient, in de mist, nog.

Je vertelt een stukje van het verhaal. (Misschien doen we dat altijd wel, een stukje van het verhaal vertellen.)

Soms heb je schrik van het helen.

Je kunt naar een verhaal kijken. Zoals wanneer je met je vingers telkens kleine stukjes klei toevoegt, en ze nog even aandrukt met je duim. Er is nog veel plaats.

En je vertrekt altijd te vroeg. Er is nog zoveel.

Je loopt heen en weer over de perrons. Het station lijkt zo veilig en rustig. Misschien ligt het aan het licht. Of aan de verhoudingen van die bogen. Of aan de kleuren. Of aan het nergensmoment waarin je graag even wilde zijn.

De reis terug is anders. Nu opent het boek zich wel. Langzaam wordt je lichaam warmer. Het landschap rust al in het duister.

Je ademt met het boek. De verhalen van de dag komen later wel.

Soms komt een reis op het juiste moment.

10 november 2017

De acht bergen

Niet twee meisjes op het strand, maar twee jongens op een berg. Dat zou een minisamenvatting kunnen zijn van De acht bergen, een heel erg mooi boek van de Italiaanse schrijver Paolo Cognetti. Het is ook het verhaal van een jongen en zijn vader, en hoe ze over de grens van het leven toch dichter bij elkaar komen. Het gaat over weggaan om terug te kunnen komen, en blijven omdat je al weet waar je moet zijn. Het gaat over liefde en eenzaamheid. Het gaat over mannen en hun ‘bergheid’, als dat woord zou bestaan. Het gaat over dingen die niet gezegd worden, soms omdat ze onzegbaar zijn, soms omdat het mannendingen zijn. En het gaat over bergen.

De kleine Pietro moet elk jaar mee met zijn ouders naar een klein dorpje in de bergen, weg uit Milaan. Zijn ouders hebben iets met de bergen, zo leerden ze elkaar kennen. De bergen houden iets van hen samen. De zomer brengen ze daar door. Zijn vader neemt hem mee op lange tochten naar omhoog. De vader is niet echt een gemakkelijke man. Hij klimt naar boven als in een soort ingehouden furie. In al zijn rusteloosheid is hij daar in zijn element. Hoog boven de wereld, waar het ijl begint te worden. Daar is er een liefdevolle band tussen vader en zoon.

De moeder blijft meestal beneden, in het huisje in het dorp. Zij is een sociaal dier, komt graag binnen in het leven van andere mensen, neemt andere levens mee in handen. Zij brengt haar zoon samen met een andere jongen in het bijna uitgestorven dorp, Bruno. Terwijl de vader maar af en toe daar is, waarna hij weer naar de stad vertrekt om te gaan werken, blijft de moeder de hele zomer. Pietro woont daar met zijn moeder en begint steeds meer op te trekken met Bruno, die hem alles leert over het hele leven dat de bergen zijn. Bij het einde van de zomer vertrekt Pietro weer, Bruno blijft.

Naarmate de jaren vorderen groeit de afstand tussen vader en zoon, terwijl de vriendschap tussen de twee jongens op een vanzelfsprekende manier blijft bestaan. Als iets waar je steeds weer in kunt stappen. De vriendschap moet niet bevraagd, en ook nauwelijks herbevestigd worden. Pietro breekt met zijn vader, gaat weg uit Milaan en trekt de wereld in als documentairemaker.

Als de vader sterft, blijkt dat die een stuk grond heeft nagelaten aan zijn zoon. Er was ook een band gegroeid met Bruno. Als Pietro terug komt naar het bergdorpje nemen de twee, mannen ondertussen, hun verhaal weer op. Ze bouwen (letterlijk en figuurlijk) hun huis. Het was de moeder die als een spil van verhalen de drie mannen met elkaar verbond.

Pietro gaat weg en komt terug. In de afstand ziet hij wat er is op die plek waar hij uiteindelijk steeds weer naartoe gaat. Stap voor stap, letterlijk ook, ziet hij hoe hij zelf op zijn vader begint te lijken. Hij voelt zijn vader, ziet wat die niet kon zeggen, begrijpt het litteken van een tragische gebeurtenis in diens leven. Tussen Pietro en Bruno is er een deel, als een rots, hetzelfde gebleven, terwijl een deel ook wegschuift. Pietro heeft de stad en het elders zijn ook nodig. Hij heeft een verlangen om ginder ergens nuttige dingen te doen. Bruno weet dat hij alleen maar wil en kan blijven, met een tragische koppigheid die hem van andere mensen zal vervreemden. Als de twee mannen samen zijn, blijft er iets van het onvoorwaardelijke van toen over, terwijl de tijd ook zijn werk begint te doen. Er is ook een stuk waar ze elkaar niet kunnen bereiken en waar ze elkaar uiteindelijk loslaten. Het lijkt alsof de berg, hun berg, de plek is die hen samenbracht en die ook tussen hen in komt staan. Een mens kan een berg worden, terwijl een ander mens verlangt naar een berg, om die ook weer achter te kunnen laten. En soms achter moet laten.

De acht bergen is een bijzonder mooi boek. De kracht van het boek zit mee in de verstilling ervan. De dingen gebeuren, ze worden niet groter of kleiner gemaakt dan ze zijn. Ze tonen zichzelf, leggen zich niet uit. Je kunt je voorstellen dat je de vader van Pietro in de stad zou zien als een norse man die boos is op de wereld. Maar de man die je in de bergen voor je ziet, kun je begrijpen. Je ziet waarom hij daar is, en waarom hij daar met een stuk van zichzelf kan samenvallen dat ook alleen maar daar kan zijn. Twee jongens en een vader op de berg, een moeder beneden in het dorp. De moeder wil dicht bij de berg zijn, maar hoeft niet steeds naar boven. Wanneer er een andere vrouw komt, en een kind, neemt ze op een vanzelfsprekende manier een plek in.

Sommige mensen moeten op zoek naar de acht bergen om te weten welke berg uiteindelijk hun lievelingsberg is. Anderen weten het al meteen en blijven er gewoon. En als je iemand verliest op de berg waar het begon, kun je niet meer terug, kun je alleen nog dwalen. Daarin vinden vader en zoon elkaar, over de dood heen.

De acht bergen is een boek dat bijna achteloos door je heen schuift. Je voelt je heel erg deel van nukkige landschap daarboven. Je voelt het verlangen dat daar huist, bevrijdend en onontkoombaar tegelijkertijd. Je begrijpt iets over vriendschap en liefde tussen en van mannen, en de afstand tot de woorden die ermee samenhangt. De ijle lucht en ruwe weer maken dat de littekens van de tijd hun gewicht kunnen verliezen. Ze kunnen een mens ook in een tragische bestemming trekken, verankeren in eenzaamheid. Je ziet de dingen, en voelt ze pas echt nadat het boek al een tijdje achter je ligt, als een verlangen naar een berg.

02 november 2017

Manieren van beginnen

Uitkijken naar enkele dagen vrij. Onder meer om door te kunnen werken aan dat grote document. Je duwde het al een tijdje voor je uit, wou er helemaal klaar voor zijn om dan lekker door te kunnen werken. De dagen vrij zijn aangebroken. Om een of andere reden dienen zich plots allerlei andere nuttige dingen aan. Die natuurlijk officieel gericht zijn op het voorbereiden van het beginnen. Stukken van het bureau opruimen. Nadenken over een systeem. (Kan trouwens in diverse situaties worden gebruikt: nadenken over een systeem.) Stukken van een andere kamer opruimen. (Ook dat lag al lang te wachten op beginnen.) Nadenken over wanneer je zult beginnen met het opruimen van de kleerkast, in nog een andere kamer. Om dan uiteindelijk toch te beginnen. En een beetje blij zijn.

Ergens op een kantelpunt staan, hoewel je niet goed weet wat dat dan wel zou zijn. Weten dat je ergens naartoe moet gaan, hoewel je het nog niet goed ziet, eigenlijk, maar wel vermoedt. Niet goed weten hoe je daaraan moet beginnen, wat ook een goed excuus is tegelijk, misschien. (In de categorie ‘sommige dingen hebben wat tijd nodig om uit de mist te komen’.)

Soms lukt het in een vers boek meteen van de eerste bladzijde. Soms moet je die twee keer lezen. Net een boek uit hebben dat in de eerste groep viel. Je voornemen om er een stukje over te schrijven, maar nog geen zin hebben om dat vandaag al te doen. (Misschien is dat wel een beetje lui, zou een stem zeggen.) (Een beetje wachten na het lezen van een boek voor je er een stukje over schrijft is meestal goed. Het daalt een beetje in dan.) Allerlei existentiële kwesties over beginnen dienen zich aan. Zoals de vraag of je al mag beginnen aan weer een nieuw boek nog voor je een stukje hebt geschreven over dat ene dat je net uit hebt. (Dat dan weer in de categorie ‘echte wereldproblemen’.)

Die ene serie die je al weken opspaart in je dingescorder. Ben je er nu echt klaar voor? Kun je er nu aan beginnen? Moet je dan de volgende dagen telkens een volgende aflevering bekijken? Het hoort misschien wel bij de vakantie nu, of niet? Zou je toch niet eerst even iets anders doen? Na twee minuten lullige interne dialoog begin je eraan. Wat een goed idee blijkt te zijn.

Je in een leeg moment tussen 16.31 en 16.33 uur iets afvragen over hoe het zal zijn als je echt oud zult zijn, zo binnen 150 jaar of zo. En of je nu eigenlijk goed bezig bent met daaraan te beginnen. En wanneer dat dan moet gebeuren.

Twee potjes ijs hebben. Een straciatella, een chocolade. Twee paar meisjesogen kijken lichtjes gulzig (proactief dan) toe. Er is blijkbaar een voorkeurvolgorde van openen, die ongeveer overeenkomt met de voorkeursmaak. (Vorige keer hadden ze wel gevraagd dat je voor drie smaken zou zorgen, maar dat is verdwenen in de nevelen van de tijd.) De grootte van de bol houdt een zekere belofte in dat dat er nog een tweede kommetje zou kunnen komen, als er dan nog genoeg van het voorkeurijs in dat ene potje zit. Je ziet allerlei ingewikkelde berekeningen door meisjeshoofden gaan. En toch gewoon rustig bij je plan blijven, of zoiets.

Je afvragen of je de volgende dag, bij wijze van mogelijke pauze tijdens het schrijven van het document, best meteen begint aan het opruimen van de kleerkast of eventueel ook gewoon wat rond mag hangen en je tijd verdoen. Je – mocht je uiteindelijk kiezen voor de ethisch mindere variant, namelijk het rondhangen – voornemen om zelfs tijdens het rondhangen toch minstens één wereldprobleem op te lossen. Zoals dat over de nog aanvaardbare omvang van gaten in sokken. Waardoor je dus nu al begint met iets wat nog moet beginnen morgen. Of zoiets.

Je voornemen dat je de vraag of je aan een boek moet beginnen nog minstens een jaar zult uitstellen. Beginnen met niet beginnen als het ware. Gelukkig gaat het daarbij over het schrijven van een boek, niet het lezen van een boek. Dat laatste mag wel. Ook al wijst iemand je erop dat de stapel nog te lezen boeken stilaan angstaanjagende vormen begint aan te nemen.

Je afvragen waarom iets telkens terugkomt, in je hoofd.

In je hoofd de zachte leegte zien die over je heen zal dalen als alles opgeruimd en ontdaan is van overbodige spullen, en als alle belangwekkende documenten klaar zijn. Je afvragen of je dan extreem gelukkig zult zijn. Weten dat je met dag geluk nu al kunt beginnen, en weten dat dat eigenlijk nu al bezig is. (Je afvragen hoe dat nu ook weer boeddhistisch verantwoord in die film gezegd werd, en beseffen dat er nog werk is, qua mindful, en tegelijk beseffen dat het idee dat er nog werk is op zich al niet erg mindful is, waardoor je eigenlijk is een loop komt qua beginnen terwijl je altijd al bezig was, of gewoon was. Vragen die je niet kunt oplossen, ultiem, moet je jezelf misschien niet al te hardnekkig stellen. Boeddhisme voor beginners…)

31 oktober 2017

Nauwelijks merkbaar

Die kleine bewegingen.

Even achterover leunen. Even in een niemandsland zijn. Waar je herinneringen gewichtloos zijn. En traag terugkomen.

Zien hoe de woorden zichzelf schrijven.

Bij je documenten een oude brief zien staan. Zien hoe je hand die bijna opent. En toch niet.

Het theezakje bewegen en kijken naar het donkere gembergeel. Wachten.

Je vinger over je wang. Je huid is niet meer helemaal glad, het is geen ochtend meer. Het ritselt.

In je hoofd naar een plek gaan, ondertussen lang geleden.

De pagina van de literaire katern traag omslaan. Dan blijven de woorden dichter bij je, en om een of andere reden kun je dat goed gebruiken.

Je staat altijd al te wachten in het halletje van de trein voor die in het station komt. Terwijl je daar staat, heel voorzichtig je evenwicht verschuiven, van de ene naar de andere kant. En dan wachten tot de trein stopt en die jouw lichaam mogelijk zachtjes in een andere richting duwt.

Je ene arm een beetje laten wiebelen, terwijl je door de winkelstraat loopt. Je arm observeren. Van binnen naar buiten.

Je komt de mevrouw uit de winkel tegen. Een kleine glimlach. Je beweegt iets.

Tegen de toog leunen, een beetje, terwijl je dat brood vraagt. Alsof je iets zou moeten voelen.

Een hele tijd wachten voor de deur, en dan het ijs uit de vrieskast halen. Twee potjes.

Aan de kassa je boodschappen voor het bezoek de volgende dag zorgvuldig verdelen over de twee zakjes. Alsof je daarmee iets belangrijks hebt gedaan. Een heel klein beetje zenuwachtig zijn, al weet je niet waarom.

Op weg naar huis. De straat ruikt naar bijnanovember.

Even gaan liggen. Of toch niet helemaal, ergens tussenin. Voor je aan het eten begint. Even ben je weg, ergens. Alsof er een plek is tussen hier en daar.

Na lang wachten toch, uiteindelijk, voor het eerst de verwarming in huis aanzetten. En dat heel spannend vinden, eigenlijk. Voelen dat je het toch wel heel fijn vindt, warm. Misschien wil je wel warm. Een aarzelend geluk.

Net iets trager dan anders het kommetje uit de kast halen. Yoghurt.

Een vleug van een niet nader genoemd verdriet passeert ergens. Je voelt een trilling in de lucht.

De huid van je voorhoofd bevragen.

Kijken naar een concertje dat live gestreamd wordt. Een van je grote helden. Er zijn 15 mensen aan het kijken. Je zou iemand willen bellen om het te melden.

Je zoekt een foto. Ergens.

Met je vingertoppen het tafelblad betasten. Zij herinneren zich nog hoe het gemaakt is.

Woorden heen en weer schuiven. Kleine bewegingen.

Iets is moe in je lichaam, het beweegt. Niemand ziet het.

Misschien kun je een heel trage dans overwegen. Op weg van hier naar daar, straks, of zo.

Het mag warm zijn, denk je. Voorzichtig.

Het is goed. Weet je.

En je kijkt naar je handen. Hoe ze woorden bewegen.

28 oktober 2017

Nog meer omtrekkende bewegingen

Misschien kun je wachten tot wat moe is verdwijnt uit je lichaam. Het zou zo kunnen wegglijden langs je huid. Alsof het tijd is.

Misschien heeft het dat niet geleerd. Alsof alleen de vlucht blijft duren.

Je kunt kijken naar je huid als naar de lagen in de aarde. Alsof je je eigen geoloog zou zijn, als je al iets met dat woord zou zijn. Wat je ziet, verzet zich tegen woorden. En misschien is dat wel beter.

Het is. En misschien is dat genoeg.

Het mag er zijn. Misschien is dat genoeg.

Het zou goed kunnen zijn om af en toe alleen maar in de wind te gaan staan.

We zijn aangekomen. Je hoorde het de vorige week nog. We zijn thuis.

En dat je het niet altijd goed moet doen. Iemand zei het je onlangs nog. Dat het goed is.

Je zou je kunnen afvragen waarom je bent terechtgekomen op dat pad in het bos. En je zou kunnen zien dat dat enkel een manier van kijken is. Misschien was je al thuis.

We zijn aangekomen.

Waar is het veilig, zou iemand kunnen vragen. Daar, zou iemand kunnen zeggen.

Je vertelde het verhaal, onlangs nog. Het veranderde je adem.

Je wou de zinnen zeggen, de woorden horen, van de zinnen.

Je deed het goed, zei iemand onlangs nog. En zij kan het weten.

Misschien is het tijd voor foto’s van de herfst, mag de zee zich weer even terugtrekken. Alleen kijken.

Je loopt traag door de kamer. Soms kan je lichaam zien waar de rust is. Waar de angst van soms zich al heeft teruggetrokken. Het zou kunnen dat je al weet hoe je kunt bewegen.

Misschien wil je daarom opruimen. Leegte bijmaken. Wat overtollig is, als een streven, achterlaten, uit handen geven.

Je loopt traag door de kamer. Tot dat genoeg is.

En hoe je jezelf uit handen kunt geven. Misschien hoeft het geen vraag meer te zijn. Is het gewoon.

We zijn aangekomen, misschien wel.

Soms ben je als het water. Als iets het oppervlak raakt, kun je enkel de tijd volgen. De tijd die het vraagt tot de uitwaaierende cirkels zich neerleggen.

De dingen sijpelen door je heen. Dat is het ritme, als een trage dans.

Je kijkt naar je handen. Vandaag laat je het falen achter je, voor vandaag. We zijn aangekomen.

Je had al vrede gesloten, dacht je. Misschien was dat nog maar een begin, en is ook dat goed.

Door het raam kun je de wind zien.

Misschien is het goed het verhaal te vertellen, traag, en opnieuw. Je hoort wat ze zeggen, en het verandert je verhaal.

Ineens zie je je grootvader in jezelf.

Hoe je daar zat, in die kring van stilte. En hoe je keek, en bleef kijken. Waarom denk je daar nu aan?

Soms wil je niet alles begrijpen. Soms is de wind genoeg.

Hoe de dingen zich langzaam neerleggen, als een terugkeer. En hoe tegelijk dat woord niet het goede is.

Je hoort jezelf praten aan de telefoon. Iemand vraagt wanneer je nog eens komt. Spoedig, zeg je.

Een ander gesprek. Je vraagt hoe de dingen gaan. Je hoort hoe het is. Je zou iets willen kunnen zijn. Misschien ben je dat wel. En je ziet iets, over lijnen in een leven. En wat blijft.

Misschien zijn er alleen omtrekkende bewegingen. En ligt het aankomen in die beweging. Je hoeft het niet te weten, niet vandaag.