Posts tonen met het label de wereld. Alle posts tonen
Posts tonen met het label de wereld. Alle posts tonen

10 oktober 2021

Een zonnige zondag in oktober


Lieve Julia

Misschien ben je er al een beetje aan gewend, om zo af en toe een brief te krijgen van je papa. Het zal wel niet cool zijn, maar misschien is dat niet zo erg. Jouw papa is niet meer echt te redden, qua cool, denk ik. Wat dan ook weer cool kan zijn.

Gisteren was ik op bezoek bij een dierbare vriendin en vertelde ik nog over je. Vanmorgen zat ik nog te snuffelen tussen oude foto’s en vond ik beelden van jouw overgrootmoeder, als jonge vrouw nog. En deze namiddag waren we samen in Brussel. Ik was zo blij dat ik er was, en zo blij dat jij er ook was. En tegelijk verwart het me, en maakt het me verdrietig. Misschien merkte je er iets van aan me, misschien niet. Af en toe kwam je even bij me lopen, stak je je arm door de mijne, en daarna was je weer weg.

Het is een warm gevoel, zo tussen duizenden mensen lopen die allemaal een beter klimaatbeleid willen. Overal zag ik bekende gezichten, overal zag ik mooie mensen. Soms wil ik dan een beetje verdwijnen in de stroom, en voel ik alleen die vlag op mijn schouder. Dat gewicht is tegelijk ook mijn trots. De familie waar ik bij hoor, de droom die ik deel al een heel leven met zoveel anderen die me lief zijn. Het zijn zware woorden misschien, maar voor mij is het wel zo. Soms zijn mijn dromen zo groot dat ze pijn doen. Het is zo, als ik eerlijk ben.

Bij al die vorige klimaatbetogingen was jij er altijd ook op een of andere manier bij. Zoals jij altijd bij me bent. Maar zeker ook daar. Als tiener was ik kwaad op de wereld van mijn ouders. En mijn droom was altijd dat mijn dochter, als die er ooit zou komen, niet zo kwaad zou zijn op mij. Dat ze zou zien dat ik het had geprobeerd, dat ik iets had gedaan. Dat ik zou hebben geluisterd naar de kreten van de tiener die ik was. Soms denk ik dat ik het geprobeerd heb. En soms is het nog altijd alsof ik niet weet of ik genoeg gedaan heb, voor jou.

Bij een van de vorige klimaatmarsen overviel het me, ergens onderweg, op dat laatste stuk, waar de weg zo breed is. Een verwarrend gevoel van schaamte en verdriet en vermoeidheid. Ik voelde me een beetje klein tegenover jou, met te korte armen. Ik weet dat ik daarin altijd een beetje overdrijf, maar het was alsof ik moest toegeven dat je niet genoeg kan beschermen, of zoiets. En tegelijk dacht ik ook wel dat je het zou begrijpen en dat je blij was dat ik daar liep.

En vandaag gebeurde een beetje hetzelfde, ongeveer op dezelfde plek. Waarom lopen we hier eigenlijk nog? Waarom moeten we dit nog altijd doen? Het is zo’n cliché, maar het ging ineens door mijn hoofd. Het is natuurlijk actieve hoop, gewoon elke dag opnieuw beginnen en doen wat je kunt doen. Het is actieve hoop, deel zijn van het alternatief. En het voelt ook zo gelukkig.

En naast dat alles was er ook boosheid, en was er veel verdriet. Soms voelde het bijna als een falen. Ik wou voor jou altijd een plek maken waar het veilig was, waar je je geborgen kon voelen, waar je de warmte in je lichaam kon opzuigen om zo later de wereld in te kunnen gaan. Ik heb veel dingen fout gedaan, ongetwijfeld, maar dat heb ik wel geprobeerd. Maar soms zijn mijn armen nog altijd te kort.

Misschien maak ik me te veel zorgen om jou. Het ontroerde me zo om je bezig te zien, samen met al die andere jonge mensen. Je bent zo mooi groot aan het worden en je beweegt zo soepel in de wereld. Ik zie je verontwaardiging en je levenslust, ik zie hoe je danst en ik zie hoe je je kwaadheid uitschreeuwt. Dat alles, wat ik elke dag zie, zag ik ook vandaag, terwijl jij je door de massa slingerde. Af en toe kwam je even naar me toe en legde je even je hoofd tegen mijn schouder.

Weet je, ik hoorde de tiener die ik zelf was ergens achter me, en het was alsof hij niet kwaad was op mij. En soms kon ik het kleine kind zien dat ik ooit was. Het kleine jongetje, dat tegen mijn buik aan lag te slapen terwijl we verder stapten. En af en toe naar me keek, met een glimlach.

Ik weet niet zo goed hoe ik dat moet zijn, een papa. Maar ik zag vandaag heel veel mooie papa’s en mama’s. Hun kinderen en kleinkinderen kunnen naar hen kijken en trots zijn. Misschien voelen die zich af en toe een beetje verloren in die grote wereld die nog niet echt de goede richting uitgaat. Maar misschien is dat ritueel van duizenden mensen die een beetje stappen, dan weer stilstaan, en dan weer verder gaan ook een vorm van blijven. We blijven bij je, we zwijgen niet, we leggen ons niet neer.

Eigenlijk weet ik niet zo goed wat ik je wilde vertellen in deze brief. Dat is misschien ook niet zo erg. Je begrijpt het wel een beetje, denk ik. Ik ben alleszins blij dat je er was vandaag, dat wij er waren.

Je papa

25 juni 2021

Hand in hand, en zo mooi


Beste god

Ik ben nu zelf een beetje in de war. In mijn hoofd bent u een vrouw, maar misschien denkt u daar zelf anders over, of voelt u zich de ene dag al wat meer vrouw dan de ander. (Bij mij is dat als man ook zo trouwens.) Ik heb ook geen idee hoe ik me uw geliefde mag voorstellen. Het is een beetje droef eigenlijk, dat we altijd het beeld krijgen van god die alleen is. God is een onuitputtelijke bron en stroom van liefde, een eindeloos geven in een al even eindeloze goedheid. Maar ik kan me voorstellen dat dat soms toch ook een beetje vermoeiend kan zijn. Misschien wilt u ook wel eens uw hoofd in de schoot van een ander leggen. Misschien verlangt u ook wel eens ernaar om gewoon heel klein te mogen zijn, om dan tegen iemand aan te kruipen die zachtjes in uw oor fluistert dat het allemaal wel goed zal komen. Bijna had ik gezegd dat zo’n dingen u alleen maar meer menselijk kunnen maken, maar misschien is dat ook verwarrend. Het lijkt uit te gaan van zo’n binaire tegenstelling tussen god en mens. Misschien kunt u af en toe ook wel een mens zijn in het diepst van uw gedachten. Misschien verlangt u ernaar om af en toe gewoon sterfelijk te zijn, omdat net in dat besef iets van de liefde pas echt gevoeld kan worden. Zoals die woorden in dat ene zo mooie gedicht: …but from this night / Not a whisper, not a thought, / Not a kiss nor look be lost. Dat verlangen moet iets met de dood te maken hebben, denk ik. Het is een mooie gedachte, dat u als god zou verlangen naar de sterfelijke wereld.

Aangezien u alomtegenwoordig bent en in uw wijsheid alles kunt zien, weet u dat ik soms tegen het scherm zit te roepen of dat ik ’s nachts soms rusteloos woel in mijn bed. Ik zag in het journaal die mannen die kwamen vertellen waarom de wet die in hun land gestemd is helemaal niet discriminerend is. U weet ongetwijfeld waarover ik het heb. Ik heb al elke uithoek van mijn gammele lijf opgezocht, maar het valt me zo moeilijk om ergens enige mildheid te vinden bij het zien van die arrogante venten op mijn scherm. Sorry voor de lichte volumestijging. Ik doe mijn best nu in mijn woorden, maar eigenlijk neemt op zo’n moment een enigszins withete razernij het een beetje over van mijn schijnbaar rustige zelf.

Ik begrijp het gewoonweg niet. Ik doe dan mijn best om niet meteen bevooroordeeld te zijn. Die ene minister en daarna die premier, ze zeggen dat het niets te maken heeft met discriminatie van LGBTQ+. Het zou enkel gaan over ouders en hun kinderen. Mijn verstand probeert dan te begrijpen wat dat zou willen zeggen. Als je iets uit beeld wilt houden, als je wilt dat ouders hun kinderen moeten kunnen beschermen door als enigen het recht te hebben over iets te spreken, dan moet dat iets toch iets ongewenst of gevaarlijk of bedreigend of abnormaal of zo zijn. Daarna zegt de eerste minister nog dat hij voor holebi’s is, want hij heeft als vrijheidsstrijder tegen het Sovjetregime gevochten, waar holebi’s werden vervolgd. Ook die redenering begrijp ik niet goed. U moet me mijn beperkte intellectuele capaciteiten vergeven, god, maar ik weet dat u af en toe wel een beetje geduld heeft met mij, als falend wezen. Als je hebt gevochten tegen een regime dat holebi’s wil ontkennen, waarom gebruik je dat dan als argument om een wet te verdedigen die het onzichtbaar maken van mensen als een normaliteit beschouwt? En als je weet dat in de opvolger van de USSR, Rusland, de bange en zielige macho’s zich ook bedreigd voelen in hun mannelijkheid door enkel al maar het idee dat er bv. mannen bestaan die van mannen houden, zou je dan van een vrijheidsstrijder niet net het tegenovergestelde mogen verwachten?

Je kunt allerlei grote analyses maken over wat er gebeurde in Midden-Europa na de val van de Muur, over de effecten van de als package deal verpakte mengeling van kapitalisme en liberale waarden, maar dat verandert er in wezen niet zoveel aan. Het feit dat ik hier zo kwaad word, en samen met mij zoveel anderen, waaronder ook heel veel regeringsleiders, wil zeggen dat we dat ene land als een lid van onze club beschouwen, wat toch eigenlijk een prachtige gedachte is. 

Ten gronde – en daarover moet het gaan, denk ik – is het toch heel simpel. Een willekeurig beeld. Als het regent, wordt de grond nat. Als het niet regent, is de grond droog. Soms is het ergens tussen de twee. Dat uitleggen is een vaststelling, het is geen propaganda. Als je stelling is dat je een van die dingen niet aan je kinderen mag zeggen, als je daarmee impliciet of expliciet zegt dat alleen die ene toestand normaal is, dan lijkt dat voor mij toch net erg sterk op propaganda. Met andere woorden: we moeten onze kinderen beschermen tegen een vaststelling. De vaststelling dat mijn zoon van zestien zich vooral tot jongens zou aangetrokken voelen is dus een gevaar waartegen ik hem als vader moet beschermen. Pas als hij achttien is, zal ik als vader voorzichtig proberen hem er mentaal op voor te bereiden dat regen nat is. Alleen volwassenen zijn blijkbaar in staat om zich veilig in een wereld te bewegen waarin ze zomaar, los, in het wild, zouden worden geconfronteerd met een jongen die houdt van een jongen en daarmee hand in hand op straat loopt. Misschien wil die wet alleen bange mensen beschermen tegen hun eigen angsten...

Sorry dat ik maar blijf doorzeuren tegen u. Maar diezelfde mannen die die wet verdedigen zeggen ook nog dat ze van hun land het meest christelijke van Europa willen maken. Het zogezegd normale, dat we dus wel met alle middelen mogen aanleren aan onze kinderen, is dat jongens van meisjes houden en dat ze in die liefde netjes wachten tot ze volwassen zijn om dan gezinnetjes te maken, alleen in die combinatie. Dat alles wordt in uw naam en die van uw zoon verantwoord. Maar ik denk dan: dat kan toch nooit de bedoeling geweest zijn. Het is uw pijnlijke lot dat u moet zwijgen, in alle eeuwigheid. Dat is uw mysterie. U kunt dus niets zeggen. Maar u bent een god van liefde, u bent mogelijk de liefde zelf. Ik weet nog steeds niet helemaal zeker wat ik me bij dat laatste moet voorstellen, maar ik weet dat vele anderen dat wel zo voelen en begrijpen. (Ik denk waarschijnlijk te plastisch.) Net zomin dat ik kan geloven dat u het een goed idee vond dat sterke vrouwen op een brandstapel gezet werden omdat ze blijkbaar niet genoeg geloofden in u, geloof ik niet dat u het een goed idee zou vinden dat mensen zich in dit geval zo laten leiden door hun angsten. Als we jonge mensen iets willen leren over de liefde, kunnen we hun dan niet beter leren hoe ze van een ander kunnen houden, in plaats van aan hen te zeggen van wie ze wel en van wie ze niet mogen houden en in welke vorm dat moet gebeuren? Uw eigen zoon groeide op in een laten we zeggen nieuw samengesteld gezin en hij werd een onafhankelijk denkende man die inging tegen vastgeroeste gedachten en machtsprivileges. Heel wat mannen die zogenaamd in uw naam uw boodschap in de wereld moesten verspreiden lagen zelf zozeer in de knoei met de vaststelling dat regen nat is, ook in hun lichaam, dat ze veel te veel anderen levenslang voor de liefde beschadigd hebben. Het moet u allemaal ongelooflijk frustreren. Misschien staat u ook wel te roepen tegen het scherm. Als we onze kinderen willen beschermen, is het misschien veel beter dat ze traag leren kijken naar alle gradaties van water, om in hetzelfde beeld te blijven. Laten we hun leren dat ze ook traag mogen zijn in hoe ze reageren op het vuur dat ze in hun lichaam voelen. Laten we hun leren dat ze nee mogen zeggen wanneer iemand iets doet of vraagt dat onveilig aanvoelt, dat ze hun lichaam mooi mogen vinden, dat ze mogen zoeken in welke versie van zichzelf ze het meest thuis zijn, dat ze weten dat ze nooit eigendom zijn van een ander, en nog zoveel meer. Iets over de trage, soms falende, en zo vaak overweldigende kracht van de liefde. Eigenlijk al die dingen die als het ware uw core business zijn, om het even oneerbiedig te zeggen. Mensen die zich veilig voelen in zichzelf, die zich gedragen en gezien voelen door hun dierbaren, die niet bang moeten zijn, die kunnen kiezen met wie ze samen willen zijn, die kinderen op weg kunnen helpen in de wereld als ze dat graag willen. Als u de god van de liefde bent, zou dat toch uw grootste wens kunnen zijn, dat u zo’n licht zomaar in de wereld kunt brengen.

Ik kwam enkele uren geleden terug naar huis van het werk. Ik liep door de stad op weg naar huis. Net voor mij liepen twee jonge meiden. De ene had een hoofddoek, de andere niet. Ze liepen hand in hand, een beetje zigzag over de straat. Ze keken elkaar liefdevol aan, terwijl ze tien verhalen door elkaar vertelden, zo leek het wel. Zo ziet de liefde eruit, dat dacht ik. En ik was zo gelukkig. Misschien hebben ze ondertussen al een kleine frictie gehad, omdat de ene net iets te veel rommel maakt op het aanrecht bij het koken. Misschien krijgen ze volgende week ruzie, of doet een van de twee iets dat de ander kwetst. Het kan allemaal. Maar de simpele vaststelling dat die twee mooie jonge vrouwen in dat ene moment zo vanzelfsprekend hand in hand over straat konden lopen, dat ze niet hoefden te twijfelen aan de mogelijkheid van de liefde, al was het maar in dat moment, hoe geweldig is dat. Als u alomtegenwoordig bent, stond u vast en zeker naast mij mee te kijken met een brede glimlach. Misschien voelt dat voor u als uw goede daad van de dag, dat het weer gelukt is. Wat kunnen we als ouders meer wensen dan dat onze kinderen geloven in de liefde? Hoe mooi is het dat we hen net genoeg kunnen beschermen tegen de angst voor de liefde. Het leven en de liefde zijn al ingewikkeld genoeg, al het falen komt vanzelf wel. Maar je kind dat denkt: ik mag er zijn, ik mag mijn weg zoeken in de liefde, ik mag liefde krijgen en ik weet waar mijn grenzen zijn. Als we daar als ouders een beetje in slagen, om dat mee mogelijk te maken, dan moet u als god toch heel erg gelukkig zijn. Nou ja, iets in die aard. Om een of andere reden denk ik nu dat u daar met een brede glimlach zit te knikken.

Tot weer eens. Doei!

05 november 2020

Pogingen tot zen


Het voordeel is dat je eeuwig kunt blijven oefenen in onthechting. Elke dag is een kleine spirituele oefening.

Je voornemen dus om – zo mogelijk met milde aandacht – te kijken naar alles wat is.

Je zo organiseren dat je het aantal beelden van dat wat je niet wilt zien beperkt. Lichtjes roepen al tegen woorden die verslag uitbrengen van dat wat je niet wilt zien.

Jezelf uitleggen dat de oefening van in de wereld zijn en je ertoe verhouden erin bestaat dat je ook in de afgrond moet kijken.

Dus toch die beelden zien van die president die zich blijkbaar in het nauw gedreven voelt.

En vaststellen dat de totale onthechting nog niet voor vandaag is.

Voelen hoe zo ongeveer elke cel van je lichamelijke aanwezigheid in de wereld zindert van iets tussen verzet en walging.

Het is alsof je zijn vieze mannelijke geur tot hier kunt ruiken.

Verschillende golven schuiven door elkaar. Er is een golf die heel primair lichamelijk is. Die heeft waarschijnlijk te maken met dingen in jou die gekwetst zijn, doorgegeven doorheen de tijd. Het is een hoogspanning. Die je tegelijk ook laat voelen dat je huid een grens kan voelen, ruiken, tussen iets als goed en kwaad. Er is een golf die te maken heeft met de dingen waar je je het grootste deel van je leven aan hebt gewijd. Je voelt hoe diep die dingen in je lichaam zijn verankerd. Het gaat over waarden.

Er is zoveel pijn, en die stelt je tegelijk ook wel gerust.

Al dat gif, in die weerzinwekkende man, die tegelijk een heel bang en beschadigd jongetje is. Het activeert een of ander immuunsysteem in je huid.

Er is een gevoel van wankelen. Aan de ene kant voelen dat er iets is in jou wat hij nooit zal kunnen raken, wat altijd sterker zal zijn. Daar kun je zitten, in aanwezigheid. Aan de andere kant zien hoe schaamteloos efficiënt zo’n man de dingen naar zijn hand kan zetten. Het ergste is misschien nog die horde meelopers. Zij die beter zouden kunnen weten, zij die een cirkel rondom hem hebben gemaakt en het ultieme nihilisme verdedigen. Wankelen dus een beetje. Je tegelijk rustig voelen in iets dat een kern blijkt te zijn en je ook machteloos voelen.

Je kijkt naar de techniek van het verderf. Je ziet hoe het is voorbereid, hoe het is opgebouwd. Dit is waar het begint, denk je, of al lang bezig was. Dit is waar het misschien nog kan worden tegengehouden, misschien niet meer.

Je lichaam beweegt tussen analyseren, de dingen in een kader zetten, en een rusteloze adem. Telkens ook proberen drie stappen verder te denken, om dan klaar te zijn op alles wat zal komen, en dan helder te kunnen kijken. Je lichaam heeft zichzelf schokdempers aangeleerd, die tegelijk schokvoorspellers en schokuitstellers zijn.

Tussendoor probeer je na te denken over de teksten die je nog moet schrijven de volgende dagen. Dat stukje dat je de volgende dag moet schrijven. Je zou willen dat je niet over hem zou moeten schrijven. Het is alsof hij met zijn toxische kleverigheid anderen kan bezetten, onder hun huid kan kruipen. Je wilt er omheen kunnen schrijven, als een vorm van verzet.

En er is die andere tekst. Je was gevraagd een lezing te geven over amor mundi, liefde voor de wereld. De samenkomst werd afgelast. Je kreeg de vraag een tekst te schrijven. Iets over liefde in de wereld brengen. Je voelt voorlopig alleen maar afstand tussen jezelf en de plek waar je een tekst over de liefde zou kunnen schrijven. Het is alsof die vieze man zich de hele tijd tussen jou en die plek dringt.

Wat er ook zal gebeuren de volgende dagen en uren, je zult die tekst wel schrijven, dat weet je zeker. Misschien moet je even wachten, om traag te ademen, en enkel maar naar die adem te kijken. Misschien moet je iemand aanraken, om zo je huid sneller terug te vinden, samen met de stroom, en het besef van de zee. Misschien kan dat allemaal niet. En misschien is dat de oefening in onthechting.

Het zou natuurlijk ook handig zijn als er snel goed nieuws zou komen.

Je ziet wel de weg, wat er ook gebeurt, denk je.

En iemand die je zeer dierbaar is, zei het je. Dat jij nooit die man zult zijn, dat jij nooit die man geweest bent, dat jij nooit die man kunt worden. En iemand die je zeer dierbaar is, zei het je. Dat je erop kunt vertrouwen.

Het heeft ook iets te maken met dat verlangen, denk je. Om rechtop te staan in de wind, wat er ook gebeurt, en te beschermen wat en wie je lief is. Verlangens kunnen pijn doen, maar ze laten je voelen dat je leeft.

En voor je jezelf uit handen geeft aan de nacht, zul je nog die trage beweging maken met je handen en een lichaam dat die handen volgt. De zon die op- en neergaat, de zee die in- en uitademt. En daarna buig je, in dankbaarheid voor de dag die je zomaar kreeg. Onhoorbaar fluister je iets, tegen wat aanwezig afwezig is, naast je.

22 september 2020

De woorden doen ertoe


Dus. De woorden doen ertoe. De woorden die je wel of niet gebruikt, het maakt een verschil. Woorden zijn werelden.

Een bekend politicus heeft moeite met de formatiegesprekken op federaal niveau. De voorkeurscoalitie die hij wou, is er niet gekomen. Er zou een andere coalitie kunnen komen, al is ook dat nog niet zeker. Die politicus vindt van zichzelf dat hij een echte staatsman is, een echte leider. Op basis van zijn permanente boosheid en misnoegdheid dient men blijkbaar de indruk te krijgen dat hij zich ook permanent tekortgedaan voelt. Er is hem iets aangedaan, iets wat hem toekomt, is niet gekomen. Iets waar hij vanzelfsprekend recht op zou moeten hebben, komt toch niet in zijn richting. De noodzakelijke loop van de geschiedenis, die hij ziet en anderen maar niet willen zien, wordt tot nader order nog tegengewerkt door mensen die zich daardoor “crimineel” gedragen. Blijkbaar zien we dus maar niet in dat hij de enige echte juiste leider is die het land zou moeten leiden. Dat men daar nog aan twijfelt, is voor hem moeilijk te begrijpen. Hoewel het tegen zijn zin is, wil hij die zware verantwoordelijkheid immers wel dragen, want als het serieus is moeten de echt groten buitenkomen, waar hij dus bij is. We zouden dus eigenlijk mededogen moeten hebben met het gewicht op zijn schouders en deemoedig het hoofd buigen en zwijgen.

Laten we er even van uitgaan dat de dingen die hij zegt in zijn ogen oprecht zijn, en niet ten allerdiepste cynisch of instrumenteel.

Die man heeft het dus moeilijk met een mogelijk andere coalitie dan diegene die hij wilde. Dat is menselijk. Er zijn ongetwijfeld dingen gebeurd die we niet allemaal weten en die kwetsend geweest zijn. Pijn is menselijk. Een democratie is evenwel een spel dat steunt op het gezamenlijk aanvaarden van de spelregels. In een democratie is de stoel van de macht leeg. Je respecteert dat je verschillende rollen opneemt, zo lang de afgesproken periode duurt. Ook als iemand van een andere partij minister is, respecteer je haar of hem in die rol. Dat wil niet zeggen dat je het eens moet zijn met de ideeën van die minister. Een democratie is een georganiseerd meningsverschil. Verschillende ideologische visies gaan met elkaar, op het theater van de democratie, op vreedzame wijze in discussie. Die discussie kan hevig zijn, maar ze gaat over de inhoud. Een ideologie gaat over de invulling van wat het algemeen belang is. Als op basis van de spelregels enkele partijen een meerderheid vormen, dat is dat legitiem, ook al is het niet jouw voorkeur. Je kunt in de meerderheid zitten of in de oppositie. Beide rollen zijn belangrijk en nodig.
Als het dus niet jouw voorkeurscoalitie is kun je teleurgesteld zijn. Je kunt zeggen: “Beste collega’s, uw project is niet het mijne, maar ik wens u alle geluk. Vanuit de oppositie zullen we uw ideeën met alle democratische middelen die we hebben bestrijden wanneer we dat nodig vinden, en zullen we die steunen wanneer we het ermee eens zijn. Voor het geheel van de democratie zijn we samen verantwoordelijk. We gaan ervan uit dat u onze voorstellen oprecht overweegt en we gaan ervan uit dat u de minderheid niet zult vernederen.” Dat zou een soort samenvatting kunnen zijn van een minimale politieke deontologie. Dat zou ook een waardige communicatie zijn, die iedereen kan begrijpen.

De man in kwestie zegt evenwel iets anders: “We maken ze kapot in de oppositie.” We zullen u kapotmaken. In welk universum zou dit een aanvaardbare manier van spreken kunnen zijn? Een gemakkelijk antwoord zal waarschijnlijk zijn dat dit gewoon retoriek is, dat dit “moet kunnen”, dat “politiek nu eenmaal hard is en niet voor watjes”. Ik zou niet weten waarom ik hier tegen moet kunnen? Ik heb er geen enkel probleem mee dat iemand anders totaal andere ideeën heeft over wat het algemeen belang is en daar met passie voor uitkomt en met mij in een debat over de inhoud in de clinch gaat. Als het debat goed is, zullen we allebei iets leren, en kunnen we nadien samen gewoon door eenzelfde deur en kunnen we vragen hoe het met de kinderen is. Als iemand mij zegt dat hij mij gaat kapotmaken omdat ik niet de keuze maak die hij vindt dat ik had moeten maken dan is dat wat mij betreft grensoverschrijdende communicatie die tegelijk bepaald gedrag in de werkelijke wereld lijkt te legitimeren of vergoelijken. Geweld is blijkbaar normaal. Ik ga er nog steeds van uit dat iemand die zichzelf een echte staatsman vindt meent wat hij zegt, en geen spelletjes speelt.

In welk universum is dit normaal? Een universum waarin je alleen in oorlogsbeelden en –taal naar elkaar kunt kijken. Mensen die met elkaar een coalitie aangaan, zijn niet oprecht bezig om te zoeken naar de punten die ze gemeen hebben, zijn niet bezig met vertrouwen op te bouwen om samen schokken op te vangen. Een coalitie is blijkbaar een soort tijdelijk bestand, omdat individuele belangen even voor een tijdje samenvallen. Even zwijgen de wapens binnen een kleine groep, en dan gaat het weer verder. Macht is blijkbaar niet iets als aanvaarde autoriteit, aanvaard en gedragen gezag waarbij je de ander in haar of zijn rol aanvaardt. Macht is niet iets dat in volle vertrouwen wordt toegekend, waarbij de leider zich verantwoordelijke en dienend moet gedragen. Nee, macht is afgedwongen, na een conflict, door de brute realiteit van de macht van het getal. Er is een soort permanente oorlog, waarbij je uitgaat van wantrouwen en waarbij de machthebber diegene is die de veldslag heeft gewonnen. Die macht gaat veeleer uit van vrees en onderwerping. De anderen moeten jou niet vertrouwen, ze moeten zich schikken. Je hoeft geen vertrouwen op te bouwen, de ander moet jouw positie aanvaarden, op basis van machtsargumenten.

Het is merkwaardig. Er is een andere partij die je nodig hebt voor jouw project. In een verbindend universum zou je dan een context creëren waarin vertrouwen groeit en zou je ruimte laten voor een volwaardige inbreng van die ander in wat een gezamenlijk project moet worden. In een oorlogsuniversum kun je echter rustig die andere partij aanvallen en vernederen, zeggen dat men het zich vooral niet in de kop moet halen ook nog inhoudelijke vragen te stellen, ervan uitgaand dat men zich wel zal onderwerpen aan de noodzakelijke loop van de geschiedenis en de verondersteld rechtmatige gezagspositie van ‘de sterkste’. Als die ander dat spel niet meespeelt, mag je diezelfde die je net nog nodig had, dus gewoon kapot maken. En alles wat je zei, toen je die ander probeerde te overhalen om met jou mee in zee te gaan, was enkel en alleen instrumenteel, want het kan onmiddellijk weer teruggenomen worden. Het is een cynisch universum.

De woorden doen ertoe. Er is een fundamenteel verschil tussen iemands ideeën bestrijden op vreedzame wijze volgens de afgesproken spelregels en zeggen dat je iemand kapot zult maken. Een gevaarlijk fundamenteel verschil.

Diezelfde zogenaamd grote staatsman gaat nog een stap verder. Er is een partij die hij nodig had voor zijn eigen project. Onder meer door zijn beledigende communicatie hapte die partij niet toe en wordt er gewerkt aan een ander project. Dat kan trouwens nog altijd mislukken. Hij heeft hen in principe nog altijd nodig voor zijn project. Maar de aanval wordt nog scherper. Hij zegt: “De blauwe vrienden moeten op de knieën, de mond opendoen en dan zal er wat moeten worden doorgeslikt.” Je moet het drie keer lezen om te geloven wat er staat. In welk universum is dit ook maar enigszins een manier van spreken die men zou moeten tolereren?

Er staat, als ik het goed begrijp, dus min of meer dat de grote staatsman vindt dat die andere partij dus het hoofd moet of zal moeten buigen, zich moet onderwerpen, op de knieën gaan zitten, de mond opendoen, toelaten dat iemand anders zijn geslachtsdeel daarin steekt, klaarkomt, en dat men dat dan nog moet doorslikken. Blijkbaar is het normaal zoiets te zeggen, zoiets te denken. Je vindt het dus normaal dat iemand anders verkracht wordt, en je vindt dat die dat ook nog verdient, of je vindt het aanvaardbaar om zo’n beeld te suggereren. Die ander had maar beter moeten weten, heeft het zelf gezocht. 

Je kunt zeggen: “Ik denk oprecht dat onze collega’s van de andere partij een verkeerde keuze hebben gemaakt en dat ze de gevolgen daarvan zullen dragen. Ze hadden beter voor ons project gekozen, zo hadden we samen meer kunnen doen.” Dat zou een perfect aanvaardbare uitspraak geweest zijn. Die zou misschien vervelend zijn, zou mensen irriteren, maar ze zou de fundamentele spelregels respecteren.

Er is een universum waarin sommige mannen het normaal vinden om die boodschap toch op een walgelijke machomanier te formuleren. Ik ga er nogmaals niet van uit dat de grote staatsman tot en met cynisch is, het is blijkbaar in zijn geheel van waarden normaal om zo’n dingen te zeggen, om zo naar anderen te kijken. Als je niet doet wat de ander vindt dat je moet doen, is het normaal of gerechtvaardigd dat je vernederd wordt en dat je dergelijke grensoverschrijdende agressie moet ondergaan. Het blijft een universum van vrees en onderwerping. Wel doen wat de grote leider vond, betekende ook dat je het kaartenhuisje moest aanvaarden dat al was gemaakt door de grote jongens.

Het zal in werkelijkheid allemaal veel genuanceerder zijn, en er zullen verschillende waarheden zijn, mensen zijn in het echt veel minder eenzijdig dan het lijkt in één zo’n uitspraak, maar dat is wat mij betreft nog geen excuus voor het gebruik van dergelijke woorden.

Het blijft merkwaardig. De grote staatsman vindt van zichzelf dat de hoogste positie hem toekomt, omdat hij ‘de sterkste’ is, en dat zo heeft afgedwongen in het gevecht, het eeuwig durend gevecht, de eeuwige oorlog. Ik zou op een of andere manier, enkel op basis van een gezagsargument, zijn leidende rol moeten aanvaarden en me daaraan onderwerpen. Zo niet, dan zou ik iets crimineels doen blijkbaar. In welk universum denkt hij dat ik nu, na deze recente uitspraken, ook maar enigszins vertrouwen ga hebben in zijn leiderschapskwaliteiten? Misschien interesseert het hem niet.

Misschien denk ik dat deze tijd aan een heel ander soort leiderschap behoefte heeft. Een leiderschap dat verbindend en authentiek is. Een leiderschap dat geen dwang of vernedering nodig heeft om aanvaard te worden. Een leiderschap dat het tegenovergestelde van cynisch is.

De woorden doen ertoe. Je hebt altijd een keuze om sommige woorden wel of niet te gebruiken. Woorden zijn nooit onschuldig. Ze creëren een ruimte waarin iets wel of niet gebeurt.

18 augustus 2020

Manmasker

Dat ding met dat virus stelt de maatschappelijke verhoudingen op scherp.

Met name de kwestie van de mannelijkheid.

Ik heb het hier even niet over de Amerikaanse president die met de dag zieliger en weerzinwekkender wordt. Als ik hem goed begrijp, is het dragen van een mondmasker een soort aantasting van de mannelijkheid. Echte mannen doen daar niet aan. Die verslinden het virus met hun eigen tanden, als was het een beer of zo. (En ze leggen ook vast dat elke kamer die ze betreden eerst door anderen, en dat zullen dan wel vrouwen zijn waarschijnlijk, moet worden gedesinfecteerd. Het helpt wel een beetje om stoer te doen, als anderen al het vuile werk voor je doen. Maar dat is ongetwijfeld een andere discussie.)

De kwestie van de mannelijkheid is in dit geval subtieler en betreft het uitzicht van het mondmasker.

Op zich vind ik de kwestie van de mannelijkheid al behoorlijk ingewikkeld. Er worden daarover belangwekkende innerlijke dialogen gevoerd en de conclusies daarvan worden – op geheel stotterende wijze – op het waarschijnlijk ongepaste moment meegedeeld aan mooie vrouwen. En lachen met dat gestotter is officieel toegestaan.

Maar dus het uitzicht van het mondmasker.

Ik vond al langer dat veel van die dingen er toch een beetje saai uitzien. Nogal monotoon, letterlijk dan. Er zijn er ook heel mooie te zien, onder meer gemaakt uit schitterende Afrikaanse stoffen. Ze brengen altijd een glimlach op mijn gelaat (weliswaar nauwelijks te zien, hoewel wel aan mijn pretoogjes en bijhorende –rimpels). Maar, als ik erover nadenk, de mooie zijn wel vooral bij vrouwen te zien, iets minder bij mannen.

Ik dus op zoek naar maskers die een beetje meer funky zouden zijn. Het is altijd goed wat reserve te hebben. (Voor de rest van de wereld zal het anders zijn, maar ik heb echt niet elke dag een hoop dingen te wassen op 60 graden…)

En ik zag ze hangen in de etalage van de nieuwe naaiwinkel in de winkelstraat. Die is pas verhuisd, en nu redelijk gigantisch. Ik stapte daar dus binnen. Dat is op zich al een belevenis als man. Zomaar binnentreden in het naaiwalhalla. De vrouwen die daar rondlopen (en het zijn alleen maar vrouwen) zijn – dat zie je aan hun ogen – deelachtig aan een hogere wijsheid. Ze hebben een soort niveau van verlichting en innerlijke vrede bereikt dat altijd buiten mijn bereik zal liggen. Er heerst een sfeer die subtiel beweegt tussen sereniteit en opwinding. Als man denk je dat je alleen maar domme vragen zult kunnen stellen. Maar eens je die drempel over bent en aanvaardt dat je een beetje gestoord bent, valt het wel mee in de naaiwinkel. Iedereen is erg vriendelijk en gemoedelijk, de bewegingen zijn zacht en sierlijk. De gesprekken zijn behoedzaam.

Ik vroeg dus aan de mevrouw of ik enkele mondmaskers kon krijgen. En zij vroeg: “Hoe staat het met uw mannelijkheid?” Dat is op zich een interessante vraag. Ik legde haar uit dat er daarover belangwekkende interne en externe dialogen plaatsvinden. De vraag had blijkbaar betrekking op de bloemenmotieven die te zien waren op sommige van de kleurrijke maskers. Ik vond het allemaal geweldig, en zei dat ik net op zoek was naar meer kleurrijke dingen dan die saaie eentonige maskers. Ze vertelde me dat veel mannen blijkbaar geen masker met bloemen erop willen. Ze vond dat ik goed bezig was. Ik wou nog zeggen dat ik het wel geweldig vond dat haar masker uit dezelfde stof was als haar mooie jurk, maar deed het uiteindelijk niet. Ze had die ongetwijfeld helemaal zelf gemaakt, en er zou mogelijk een technische discussie volgen over allerlei steken en patronen. Ze pakte de maskers mooi in, en ik was al proactief gelukkig, ook omdat ik enkele maskers aan iemand anders cadeau mocht doen.

Enkele weken later kwam ik weer voorbij dezelfde winkel. Er lagen nieuwe maskers in de etalage, dit keer met heel mooie Afrikaanse motieven. Ik opnieuw het walhalla binnen. Ik stapte dit keer met een iets grotere soepelheid, alsof ik er gewoon mocht zijn. (Ik herinner me nog hoe ik in mijn studententijd in een heel speciale wolwinkel wol ging halen voor mijn zus, die een trui voor mij aan het breien was. De lichtjes vernietigende blik van die vrouwen aan de winkeltoog... Dat trauma is nu na al die jaren dus eindelijk weggewerkt. Mijn lichaam is wat dat betreft geherprogrammeerd. En dat allemaal in die soepele tred, dus.) Ik zei aan de naaimevrouw, een andere dan de vorige keer, dat ik nog meer funky mondmaskers wilde. Ze liep meteen enthousiast mee naar de etalage. Ik vertelde haar dat haar collega meteen de existentiële vraag over mijn mannelijkheid had gesteld. Waarop ze me bevestigde dat het hier inderdaad een mijnenveld is voor de mannelijkheid. Sommige mannen – ik ging er niet op door over wie ze het had – durven het al wel aan om een enigszins wilde boxershort of pyjama aan te doen, maar een funky mondmasker, dat is een brug te ver. Ik zei dat dat dan toch wel jammer is voor die mannen, en voor de wereld. Waarop ze zei: “U bent een echte man.” Ik was even in de war, en zei dat ik de boodschap zou doorgeven aan de desbetreffende instanties.

En vandaag had ik een afspraak voor een lektest. Ik had al een van mijn meest kleurrijke hemden aan, met felle bloemenmotieven erop. En daarboven deed ik dan nog een van mijn nieuwe maskers, met heel mooie kleuren. De lektest houdt verband met mijn op maat gemaakte oordoppen (voor als ik naar een concert ga). Je moet die dingen elk jaar laten testen, en ik ben blijkbaar de enige die dat ook effectief elk jaar doet, krijg ik dan telkens te horen. De mevrouw van het hoorcentrum kwam me ophalen en nam met met de lift naar boven. Je moet dan de kleine filter uit je oordop pulken en dan gaat er een darmpje in. Men pompt dan waarschijnlijk lucht of zo in je oren en dan kun je op het apparaat zien of je een lek hebt. Het was telkens 100%, lekvrij dus, jippie. De hoormevrouw zei dat ik zo’n fleurig mondmasker op had en kreeg een twinkel in haar ogen. Ik legde haar de kwestie van de mannelijkheid uit en het debat in de naaiwinkel. Ze bevestigde het verhaal en voegde aan het lijstje boxershort, pyjama ook nog sokken toe. Maar dus geen masker. Ze zei: “In elk geval, u hebt mijn dag helemaal goed gemaakt.” Ik zei dat ik dan helemaal gelukkig was voor de rest van de dag en dat ik al uitkeek naar volgend jaar.

Het komt misschien toch ooit nog goed met mijn mannelijkheid. 

27 juli 2019

De ikwerkelijkheid

Het is een beetje moeilijk uit te leggen, denk je. Het is een beetje delicaat. Het gaat over nuances vaak. Maar het maakt je zo vaak verdrietig. (Misschien kun je er gewoon steeds minder goed tegen.)

Het heeft iets te maken met gebruik van de werkelijkheid, voor jezelf. Soms kun je ook zwijgen, denk je. Of zou je net andere woorden kunnen gebruiken. Of zou je ook heel even niet cynisch kunnen zijn.

Het zijn verschillende dingen. Maar ze maken je telkens een beetje verdrietig. (Misschien zou je af en toe gewoon wat kleinere woorden willen. De woorden doen ertoe.)

Misschien ben je gewoon niet gemaakt voor ‘hoe het nu eenmaal is’ op de diverse sociale media. Misschien kun je niet wennen aan ‘mensen willen nu eenmaal gezichten zien, houden niet van genuanceerde boodschappen’. Het zal wel. (Misschien vind je het steeds minder erg, dat je wat raar begint te worden, blijkbaar.)

Het is niet erg dat mensen allerlei dingen zeggen en delen op hun feesboek. Vaak is het leuk. Vaak kan het een vorm van verbondenheid zijn. Vaak kan het een nabijheid zijn. Je begrijpt wel niet zo goed waarom zovelen zo vaak zo snel denken te moeten reageren. Alsof dat zou moeten, alsof je een rol te spelen hebt, alsof je van jezelf vindt dat je een rolmodel of een ‘influencer’ moet zijn. Soms gewoon even zwijgen, uit deemoed, uit respect. Niet onmiddellijk de stilte die er mag zijn na iets dat moeilijk is net te snel met net te veel woorden, die net te stellig zijn vullen. Met dan ook nog eens net te veel het woord ik erin.

Soms wordt delen of reageren of betrokken zijn bijna iets als: gebruiken. Er overkomt een ander iets dat positief is. Je wilt die persoon feliciteren of zeggen dat je blij bent (wat heel fijn kan zijn), maar je maakt er vijf zinnen van waarvan er vier over jezelf gaan, met net iets te veel ik erin. Het zal meestal wel goed bedoeld zijn, maar het lijkt soms alsof sommige mensen via anderen net iets te veel zelf aandacht willen vragen. Je wilt een ander feliciteren omdat die iets geworden is – minister bv. – en je zet er een foto bij van jezelf met die ander, waardoor je eigenlijk vooral zelf in beeld komt. Je had ook gewoon kunnen zeggen dat je blij was voor haar. Je hoeft niet subtiel te suggereren dat iets eigenlijk jouw idee of verdienste was.

Je weet wel dat dergelijke kanalen op lichte wijze al aanwezige vormen van narcisme kunnen versterken, maar het maakt je triest.

Er overkomt een ander iets dat negatief is. Iemand wordt ziek, of iemand sterft. Wat in de echte wereld al zo vaak gebeurt, gebeurt ook in de virtuele wereld. Mensen die die moeilijke lege plek niet kwetsbaar kunnen laten, maar ze meteen naar zichzelf toe trekken, en vooral over zichzelf praten. Wanneer iemand sterft, lees je soms heel mooie persoonlijke getuigenissen, die oprecht en betrokken zijn. Maar soms lijkt het ook alsof die pijnlijke gebeurtenis op een of andere manier wordt gebruikt om zelf aandacht te krijgen. Het is soms een heel subtiele balans. De woorden doen ertoe.

Of er gebeurt iets ernstigs. Het kan belangrijk zijn dat je reageert, omdat je een bepaalde rol of functie hebt. Zwijgen is dan vaak niet goed. Maar dan kun je nog kiezen. Gaat het in je verhaal over wij of gaat het over ik? Kun je je zelf voldoende ondergeschikt maken aan het wat je wilt zeggen? Wil je een verhaal of een argumentatie brengen, of wil je toch jezelf brengen? Kun je iets van iemand anders die het al eerder deed gewoon steunen, of wil je er zo nodig nog zelf iets aan toevoegen omdat je zelf ook in beeld wilt komen?

De toon van je verhaal maakt ook veel verschil. Je kunt harde dingen ook met zachte woorden zeggen. Je kunt ervoor zorgen dat je je niet laat verleiden tot net te veel strategische uitspraken. Je kunt ervoor zorgen – ook al zou je het graag wel doen – om niet van je eigenlijke verhaal (A) gebruik te maken om iets anders (B) te zeggen. B kan zijn: een ander aanvallen. Wat goed leek te beginnen, een rustige toon bij A, wordt ineens ontsierd door B, waaruit blijkt dat C het doel was.

Kun je de ander in zijn of haar verhaal laten? Daarover gaat het ook soms. Je publiceert een tekst met een opinie of standpunt. Je probeert dat duidelijk maar ook voldoende genuanceerd en met zachte woorden te doen. De kans is groot dat velen het niet zomaar eens zullen zijn met wat je zegt. Dat is niet erg. Ze hoeven daarom niet te reageren. Als iemand dat toch nuttig vindt, kun je rustig zo reageren dat je laat blijken dat je hebt gelezen wat er staat en dat je toch iets dat relevant is wilt toevoegen, als in een dialoog. Dat is fijn voor diegene die het schreef, te voelen dat iets echt gelezen wordt. Maar vaak is het anders. Het stuk waar een ander misschien uren aan gewerkt heeft wordt gebruikt om via een reactie iets te zeggen wat in wezen niets met dat stuk te maken heeft, maar alleen met de persoon die reageert. Of via een of andere snelle reactie wil men je discrediteren of wil men bewijzen dat je aan dat ene ding niet gedacht hebt of dat je niet weet waar je over praat. (Zo moet diegene die reageert zelf niet verder nadenken of kan hij zich andermaal veilig boven de anderen verheffen.) En soms is het ook gewoon een vorm van mansplaining, een vermoeiende variant van gebruik van de werkelijkheid.

Misschien is het iets van de tijd, misschien is het iets van jezelf, maar je kunt er steeds minder tegen. Het maakt je verdrietig.

En je weet heus wel hoe de politiek werkt. (Het was en is een groot deel van je leven.) Het is niet erg dat anderen een ander standpunt hebben. Dat is de essentie van een democratie. Het gaat er niet om dat onder het mom van ‘laten we alles verbinden’ er geen discussies meer zouden mogen zijn. Over de gewenste maatschappelijke ordening zou er een permanente zoekende discussie moeten zijn. Conflict in ideeën is niet erg. Dat politici vanuit hun overtuiging een strategisch doel hebben is niet erg. Maar dat wil nog niet zeggen dat ze alleen maar, de hele tijd, in strategische termen moeten denken en spreken, denk je. (Misschien was een van de zogenaamde signalen van veel kiezers bij de recente verkiezingen dat veel mensen graag wat minder spelletjes, wat minder cynisme, wat meer deemoed zouden willen. Wat minder gebruik van de werkelijkheid voor het eigen doel, dus.)

Het maakt je verdrietig, als je sommige politici hoort. Het lijkt voor sommige politici ondertussen hun bedrijfscultuur geworden te zijn. Alleen nog cynisch kunnen zijn, en dat telkens uitstralen. De indruk geven dat je waardig in je rol blijft van verantwoordelijke gezagsdrager in het begin van je verhaal. Zeggen dat je niets zult zeggen dat gevoelige processen (zoals regeringsonderhandelingen) zou kunnen schaden. En dan meteen de rest van je verhaal gebruiken om nog maar eens een bepaalde framing te creëren (iets over ‘twee democratieën’ bv.) of om een geliefkoosde vijand (die in jouw ogen natuurlijk echt slecht is, terwijl jijzelf zo zuiver en sereen bent) te gebruiken om nog een andere aan te vallen (iets met tuinhuizen of zo). Vanuit je rol als politicus denk je dat de verschillende politici samen een verantwoordelijkheid hebben om de nobele taak die aan hen is toegewezen op een waardige manier in te vullen. En dan doen de woorden ertoe. Maar los daarvan maakt het je ook verdrietig, dat sommigen blijkbaar alleen nog cynisch kunnen en willen zijn. (En daar zelfs nog trots op lijken te zijn.)

Het heeft allemaal iets te maken met het gebruiken van de werkelijkheid, van de dingen, van andere mensen, voor het eigen ik, denk je. En het doet pijn. Het zou kunnen – zegt de boeddhist in jou – dat zij er zelf nog meer door lijden. Ook als dat zo is, blijft het toch jammer. Een heel klein beetje nederigheid, het zou al helpen. Voorzichtige woorden ook.

13 juli 2019

De verwarrende zon

Op bezoek met de collega’s in Charleroi. Het is een bijzondere ervaring. De gids vertelt over de geschiedenis van die plek. Je ziet de sporen in de stad, in het landschap. De tijd schuurt. Dingen verdwijnen, trekken zich terug. Nieuwe dingen schuiven in beeld. Je voelt het worstelen. Het landschap heeft veel verhalen.

Je denkt aan dat liedje van Wannes Van de Velde. Anders dan daar schijnt de zon, met af en toe een wolk (hoewel er regen was voorspeld). Het licht doet iets met de stad. De stad lijkt een beetje in de war, verbaasd dat er mensen komen kijken naar de haarscheurtjes in de tijd. Je probeert dezelfde straten te zien met de regen. Het lijkt even alsof ze zich dan meer op hun gemak zouden voelen, al begrijp je zelf die gedachte niet zo goed.

Na de middag gaan jullie naar Marcinelle, naar de voormalige mijn.

De straat met aan het einde de site met de gebouwen. Je schrikt een beetje. Het lijkt zo rustig, zo vredig. De zon straalt. De gerestaureerde gebouwen zien er mooi uit. Het geheel lijkt kleiner dan je je onbewust had voorgesteld. Het verwart je. Alsof de zon de afwezigheid groter maakt. Hier zijn zoveel mensen gestorven, weet je. Je zou hen dichterbij willen voelen.

De man die jullie rondleidt is de kleinzoon van een Italiaanse mijnwerker. Hij lijkt al helemaal van nu. Het is goed dat hij de verhalen geeft. Het grote hek. Het is het originele, zegt hij, gerestaureerd. Aan de andere kant van dat hek stonden radeloze mensen dagenlang te wachten op nieuws. Die andere kant is leeg nu, en in kleur.

Het is goed dat je kunt zien waar de mijnwerkers binnenkwamen, hoe ze liepen, waar wat gebeurde. Je ziet de bewegingen in de plek, al blijft het zo stil.

Met elk verhaal komen ze dichterbij, en dat is goed.

Iets in jou hoopt dat er wolken zouden komen, dat het grijzer zou worden. Regen zou ook mogen. Misschien is er te veel kleur. Misschien kunnen zwartwitbeelden in je hoofd je beschermen tegen de kleuren. (Zoals het ook moeilijk is de oorlog in kleur te denken, alsof de ruimte daardoor zou veranderen.)

De man legt uit hoe het ongeluk gebeurde, toen in 1956. Het lijkt zo gruwelijk banaal. Op de site lijkt alles zo dichtbij. Het was heel erg diep in de grond, heel erg onbereikbaar, en heel erg dichtbij.

In die ene kamer hangen de foto’s van 262 mannen die het leven lieten, net onder waar je nu staat. Velen kwamen van dichtbij de plek waar jij nu woont. Ze kijken je bedeesd aan. Je kunt zien hoe ze hier liepen, hoe ze zich klaar maakten om naar beneden te gaan. Maar ze zwijgen.

De stalen torens. Het exploiteren van de bodem en van de mensen die erin schoven tegen een hoge snelheid, op elkaar gepakt, hurkend, het botst een beetje met de onschuldige sierlijkheid van de metalen constructie. De constructie straalt vertrouwen uit in de beheersbaarheid van de dingen. Misschien kan dat alleen door dingen te scheiden, door dingen uit beeld te houden. Afwezigheid.

In de volgende zaal is er een film over de gebeurtenissen van die vreselijke augustusdag. Het is alsof de plek zichzelf terugvindt. Je ziet hoe de soldaten de lichamen op die trap dragen die je daarnet zag. Op de beelden is alles nu ook zo dichtbij, met al die mensen. Ze liepen daar, op die kasseiweg die naar dat hek vooraan leidt. Alle wanhoop was dichtbij.

De mannen in de film vertellen over die dag. Over het vreselijke besef niets te kunnen doen. Ze vertellen dat alle toen bestaande veiligheidsregels gevolgd werden. De regels waren niet goed. De mannen beneden hadden geen kans. Al die tijd vooraf was het gevaar al daar, uit beeld. De gebouwen waren toeschouwers, de hele tijd. Zouden ze de verhalen in hun stenen bewaren? Of zouden ze geleerd hebben weg te kijken?

Aan de muur hangen de metalen penningen van de mijnwerkers die die dag niet meer naar huis kwamen. Je ziet dat die koperen penningen in kleur zijn, echt.

Buiten schijnt de zon nog steeds. De verwarrende zon.

Het lijkt zo dichtbij, 1956. (Iemand zegt je later die avond dat, als je dat zo zegt, je dus zelf al oud bent.) Het lijkt zo dichtbij.

Je hebt ze gezien, denk je, maar ze zijn niet meer hier. Ze zijn zo afwezig, ook al kun je ze zien in die foto’s die bij je blijven. Ze zijn zo afwezig.

De bus brengt jullie terug naar de stad. De trein laat het landschap achter zich.

Onderweg komen de wolken. Als je uit de trein stapt komt de regen.

19 mei 2019

Een heel klein beetje boos

Sommigen denken misschien dat in tijden van oorlog alles geoorloofd is. Dat is niet het geval. En, het zou nog mogen gezegd worden, een verkiezingsperiode is eigenlijk geen oorlog. Het is een feest, denk je, of zou dat moeten zijn. Het is goed dat mensen in discussie gaan, en dat mag best ook hevig zijn. Het is goed dat visies botsen, dat ideeën heen en weer gaan, en dat daarna gezocht wordt naar een goede basis om samen te werken. Dat hoort zo, en daar is niets mis mee.

(Het is niet gemakkelijk, voel je, om op deze plek over politiek te praten. Eigenlijk gaat het daar ook niet over, denk je.)

(Het is tegelijk ook een vaststelling dat die bezigheid, die volgens jou nog altijd een nobele bezigheid is, in de feiten een groot deel van je leven heeft uitgemaakt.)

Misschien kun je er met het ouder worden steeds minder goed tegen. Je voelt hoe je eigen verontwaardiging groeit. Soms zijn je dromen zo groot dat ze pijn doen. En tegelijk kun je er steeds minder goed tegen dat gesprekken over de echt belangrijke dingen, op de echt belangrijke momenten, verlopen met woorden die pijn willen doen, of die iets zeggen over iets anders.

(Misschien is dat je droom: over de grote dingen kunnen praten, met kleine woorden. Maar ook dat is misschien een andere discussie.)

Het gaat eigenlijk niet over politiek, het gaat over mannelijkheid, denk je.

Je leest een tweet van een lijsttrekker van een partij, gericht aan een lijsttrekker van een andere partij. De auteur van de tweet was in een nog niet zo ver verleden staatssecretaris. De bestemmeling van de woordenrij is een parlementslid van een andere partij.

Het ene deel van de tweet is al erg, het andere is dat ook. Er staat: "Die man heeft zelfs nog nooit een wagen bestuurd. En hij wil premier worden? Komaan zeg!"

Zucht.

Zucht.

Zucht.

Er zouden diverse wetenschappelijke disciplines kunnen losgelaten worden op dit stukje tekst. Allerlei interpretaties zijn ongetwijfeld mogelijk. Je neemt er eentje uit.

Het gaat hier blijkbaar over een debat over mannelijkheid, denk je. Tussen de regels zou de boodschap kunnen zijn dat je om een goede premier te worden: (1) blijkbaar best een man bent, (2) bij voorkeur een ‘echte’ man bent. Een echte man heeft minstens een rijbewijs. Een wagen is blijkbaar een soort verlengstuk van echte mannelijkheid. Daarmee kun je laten zien dat je een echte bent.

Het is een vorm van sociale interactie tussen sommige mannen om de ander te willen vernederen door hem te wijzen op zijn lager gehalte aan echte mannelijkheid. (Die vorm van sociale interactie heeft in de loop van de menselijke geschiedenis al een slagveld aan ellende aangericht, maar ook dat is een andere discussie waarschijnlijk.)

Het gebruiken van woorden die aansluiten bij die vorm van sociale interactie kan door sommige mannen gebruikt worden als een soort signaal naar anderen om te bewijzen dat zij zelf wél een echte man zijn. (In de loop van de geschiedenis zijn er heel wat instrumenten en rituelen ontwikkeld die sommige mannen blijkbaar nodig hebben om aan anderen te bewijzen dat zij echte mannen zijn. Diverse Darwinistische analysemodellen kunnen daarop losgelaten worden, denk je.)

Sommige mannen vinden het vanzelfsprekend op die manier zichzelf een beetje uit te vergroten, en ze krijgen daar van anderen (van de verschillende geslachten) soms ook applaus voor.

(Gelukkig zijn er zo eindeloos veel andere mannen die dit soort zielige mannelijkheid niet nodig hebben, denk je.)

Als mannen onder elkaar een beetje onnozel willen doen, dan doen ze maar, denk je. Maar mensen die de eer hebben een publieke functie te mogen uitoefenen zouden zich minstens mogen houden aan elementaire beleefdheidsregels. De mensen die die eer hebben zouden ook hun best mogen doen om hun verlangen om hun mannelijkheid te etaleren onder controle te houden. (Je bent trouwens ook geen echte vent als je hardop zegt dat je het blijkbaar niet abnormaal zou vinden dat je politieke tegenstrever die volgens jou vernederd is zijn polsen zou gaan oversnijden. Met die woorden worden onderhuids misschien ook wel dingen gesuggereerd over mannelijkheid en eer en vernedering.)

Soms zijn mannen vermoeiend. (Dat nog tot daar aan toe. Zielige mannelijkheid is echter vaak helemaal niet grappig, soms zelfs gevaarlijk.)

Gelukkig bestaan er geen echte venten. Als ze al zouden bestaan, hebben ze vooral geen behoefte aan zielige ventigheid om een echte vent te zijn.

Gelukkig ben je zelf nooit geslaagd voor het examen voor echte man. (Echte mannen zouden minstens weten waar dat examen plaatsvindt.)

Gelukkig ken je zoveel mooie mannen die niet hard moeten roepen om iets te bewijzen. Ze maken er het beste van, zijn groot en klein, sterk en kwetsbaar, soms vindend en vaak niet. Ze kunnen ook vloeiend zijn in hun identiteit. Ze willen die niet opleggen aan een ander. Ze hebben niet zo’n schrik van de stilte. Ze zijn soms ook vermoeiend (net als jij) maar dan op een grappige manier. Ze zijn net als iedereen een beetje op de dool in het leven, en dat is niet erg. Ze hebben niet zo’n behoefte om anderen klein te maken om te kunnen geloven dat ze zelf groot zijn. Ze willen niet kwetsen om zelf iemand te kunnen zijn. En ze zoeken via een of ander kanaal geen gemakkelijk applaus op voor de manier waarop ze anderen kwetsen.

(Eigenlijk was je een beetje boos dus. Of zoiets.)

02 september 2016

Iets over politiek en fictie

Het was een stelling die ik tijdens een boekenprogramma dat ik mocht presenteren even in de groep wierp. Ik voel een zekere mate van wantrouwen tegenover politici die zeggen dat ze alleen maar non-fictie lezen. Is natuurlijk een provocerende stelling, enkel bedoeld om het denken wat op gang te brengen.

En om maar meteen allerlei tegenwerpingen te pareren, enkele dingen. Er is helemaal niets mis met non-fictie, integendeel. (Ik verwacht van goede politici ook dat ze regelmatig uitdagende en goede non-fictie lezen.) Helemaal niet lezen is natuurlijk nog erger, denk ik. Je hebt ook heel veel heel erg goede en kwaliteitsvol geschreven non-fictie. Er is ook veel goede journalistiek. Het feit dat een politicus leest, zorgt er op zich helemaal niet voor dat hij of zij geen populist of narcist kan zijn. Omgekeerd kun je ook vragen stellen bij auteurs die bij wijze van spreken alleen maar neer zouden kijken op de politiek en niet verder komen dan enkele clichés over het maatschappelijk gebeuren. En zo zijn er nog eindeloos veel dingen, tegenvoorbeelden en uitzonderingen op de regel in te brengen. De stelling heeft enkel als doel het hoofd wat te prikkelen om zo te komen tot een voorzichtig zoeken naar enkele redenen waarom het goed kan zijn dat politici ook echt tijd maken om fictie te lezen.

Argumenten die wel eens worden aangehaald door mensen die zeggen alleen non-fictie te lezen zijn dat ze iets willen lezen dat ‘echt’ is of ‘echt gebeurd’, en dat het lezen ‘nuttig’ moet zijn. Alsof het lezen van iets dat dan zogenaamd ‘verzonnen’ is tijdverlies zou zijn. Een boek met goede non-fictie is geen telefoonboek met een opsomming van feiten. Feiten worden beschreven, geïnterpreteerd en geduid,  in een volgorde gezet, in een logisch verband gebracht en in een talige vorm geschikt. Er wordt als het ware een verhaal van gemaakt. Non-fictie is in een aantal opzichten dus ook fictie. Onvermijdelijk. En om op dat nuttig door te gaan, een goede roman is waarachtig, klopt met zichzelf, en kan inzichten geven in het echte leven, of in mogelijkheden van leven. Dat zou dus heel nuttig kunnen zijn, als je gehecht bent aan dat criterium. Je doet het taalkunstwerk dat een goed boek is wel geen eer door het te herleiden tot zijn nuttigheid. Het is net heel goed om de ervaring te mogen hebben van de schoonheid en de soevereiniteit van een kunstwerk, een ervaring die in alle opzichten ontsnapt aan een instrumenteel of nuttigheidsdenken, vind ik toch.

Het is dus beter – en misschien wel ‘nuttiger’ in de context van dit stukje – om het positiever te formuleren. De argumenten voor die benadering zijn overigens veel meer zoekend dat stellig, meer twijfelend dan wetend. Niet meer dan aanzetten, in grijstinten.

Het mooie van fictie, van een goed boek, is dat je je voor een stuk uit handen moet geven. Aan het ritme van een boek, aan de tijd die nodig is om het te lezen, aan de aandacht die je moet toelaten om in het boek te komen, aan de personages in een boek, aan de wereld waarin die personages bewegen en evolueren, aan werkelijkheden die je nog niet kende, aan manieren van kijken die je nog niet kende, aan vormen van taal die je kunnen verwarren of ontroeren, aan soms hevige emoties, … Politiek zit vaak in een ander ritme. Politiek heeft vaak te maken met stelligheid. Met het creëren van zwart en wit in een redenering. Met conflict, met het botsen van overtuigingen. Met het ‘gebruiken’ van taal om een doel te bereiken, met een instrumentele rationaliteit dus. Met het terugbrengen van complexiteit tot herkenbare gehelen. Die dingen zijn niet fout. Politiek is een belangrijke, noodzakelijke en nobele bezigheid. Te veel politiek kan je echter ook opzuigen in zijn eigen logica, waardoor je niet meer aan politiek doet, maar politiek ‘wordt’. Het is dan ook goed om te kunnen vertoeven in een andere logica. Tijd is een essentieel element van wat een roman is. De roman is een weergave van tijd, en ontstaat als het ware pas in de tijd die nodig is om hem te lezen. De concentratie die je nodig hebt, de empathie met personages en werkelijkheden die ontstaat (of kan ontstaan), de meerlagigheid die zo eigen is aan goede literatuur, de open eindes, de dingen die niet gezegd of benoemd worden, het kunnen zien van de grijze zones van de menselijke geest in een personage, …. al die dingen zorgen ervoor, of kunnen ervoor zorgen, dat je zelf op een andere plek komt dan waar je bent als je alleen maar aan politiek zou doen. Te veel politiek kan ertoe leiden dat je alleen nog maar instrumenteel met mensen omgaat, dat je hen gaat ‘gebruiken’, voor je ego, of voor de zaak die je drijft. Literatuur kan je in je hoofd op een andere manier naar jezelf laten kijken. Een personage kan je met jezelf confronteren. Een personage dat niet ‘af’ is, dat onvoorspelbaar is, dat een rafelende identiteit heeft, kan je een spiegel voorhouden. Die ervaring kan je ervoor behoeden om alleen nog maar politiek te worden, kan je helpen om bewuster – wanneer dat aan de orde is – in je rol van politicus te stappen, en er daarna ook weer uit te stappen wanneer het tijd is. Literatuur kan je dus als het ware gezond houden.

Het mooie van romans (en op een andere manier ook van gedichten) is dat ze je doen dromen. Het blijft een overweldigend fascinerende ervaring, telkens opnieuw, dat je in een boek begint en dat je al na enkele bladzijden in een andere wereld bent. Ineens is die wereld er, kun je er in zekere zin in rondlopen, kun je de dingen in die wereld zien en ruiken. Een gedicht kan je een verhevigde werkelijkheid laten ervaren, kan je het gevoel geven dat je in de dingen een soort aura van poëzie kunt ervaren, naast de pure ervaring van de schoonheid van de woorden. Een roman kan je het gevoel geven dat je op die andere plek bent, dat je die plek kunt ademen. Literatuur kan hevige lichamelijke reacties teweegbrengen, die dus heel ‘echt’ zijn, en dat enkel door woorden op een rij. Terugkeren uit de geheel eigen werkelijkheid die een boek is naar de soms saaie en banale werkelijkheid die de jouwe kan zijn, het kan je droevig maken. Kunnen bewegen tussen verschillende mogelijke werelden, dat is eigenlijk heel belangrijk voor een goede politicus. Instrumenteel gezegd zou je kunnen stellen dat elke bewust nagestreefde maatschappelijke verandering eerst moet kunnen gedacht, gedroomd worden. Misschien zijn er sommige cynische politici die vertrekken vanuit een negatief mensbeeld, en alleen een verbeelding hebben die ingegeven is door hun machtsfantasieën. Maar hopelijk zijn er ook veel politici die – net door hun ervaring van literatuur – in staat zijn betere werelden te dromen en de capaciteit tot dromen kunnen opwekken bij anderen.

Er is nog een dimensie aan deze discussie die moeilijker uit te leggen is. Ze is in zekere zin meer lichamelijk. En heeft met de taal zelf te maken, met de registers van de taal. De politieke taal is in veel opzichten anders dan de literaire. Niet in alle natuurlijk. In politiek worden veel retorische technieken gebruikt die je ook in literatuur kunt herkennen. Eerst en vooral zijn er in het politieke bedrijf veel lelijke woorden. Ze zijn functioneel, niet bedoeld om een poëtische aura op te wekken. Het zijn vaak woorden die met een controle van de werkelijkheid te maken hebben. Categorieën, concepten, jargon, clichés, … Ze verengen dimensies. Verder is er in de politiek vaak nood aan grote stelligheid, eigen aan overtuigingen, en de wil anderen te overtuigen, of de eigen positie in een conflict helder te stellen. Veel politici hebben blijkbaar ook nood aan oorlogstaal en raken pas echt opgewonden als ze van zichzelf vinden dat ze geweldig strategisch bezig zijn. Strategisch handelen is vaak onvermijdelijk, hoewel het heel vaak ook niet hoeft. Heel vaak zou men in de politiek ook gewoon naar elkaar moeten luisteren, kwetsbaar, met een open geest. Die politieke taal, bewegend tussen saaie beleidsnota’s, persberichten en opjuttende speeches, is een taal die je lichaam over kan nemen. Het is een taal die je lichaam hard kan maken, bijna eendimensionaal. Het is een taal die de zuurstof uit je longen kan zuigen en ervoor kan zorgen dat je huid pijn gaat doen. Het is volgens mij ongelooflijk belangrijk dat je als politicus regelmatig naar een andere kamer van de taal kunt gaan. Daar waar de taal zoekt, twijfelt, rond de dingen cirkelt, zichzelf verliest soms, sputtert en rafelt, sensueel en opwindend wordt, dicht bij de randen van de stilte komt, als in een soort prisma  honderd kleuren doet oplichten in een mooi woord. Daar waar je de woorden kunt aanraken, waar je de woorden tussen je vingers kunt laten bewegen. Daar waar je voelt dat die woorden jou aanraken, en je huid weer zacht maken.

Ik denk dat het lezen van goede literatuur een politicus kan helpen om te twijfelen. Productieve gezonde twijfel is een erg belangrijke kwaliteit van een goed politicus. Jezelf als politicus elke dag afvragen: die dingen die ik beweer en geloof, kloppen die eigenlijk wel? Jezelf in de spiegel kijken en proberen te onderzoeken wat je motieven zijn bij de dingen die je doet. Je afvragen of je met je droom van een betere wereld bezig bent of met je kwetsbare ego dat hunkert naar aandacht. Proberen te ervaren of de dingen je nog wel raken, of dat je een soort machine geworden bent. Trachten te weten te komen of je echt luistert naar een ander of alleen maar bezig bent met te zeggen wat jij wilde zeggen, ongeacht wat de ander zegt. Je afvragen of je anderen gebruikt voor je eigen ego. Die twijfel lijkt me bijzonder nuttig, om dat woord nog eens te gebruiken. Het lezen van literatuur kan een politicus helpen om nederig te zijn, of te worden.

Net door je een beetje te verliezen in literatuur kun je dichter bij jezelf blijven, dichter bij die plek waar je thuis kunt zijn bij jezelf, hoe vaag en verwarrend en gedeukt die plek ook is. Het is een plek waar je de rimpels en de littekens van jezelf kunt zien. Alleen maar zijn op de plek waar je enkel een politicus mag zijn kan ertoe leiden dat je jezelf op een minder goede manier verliest. Het kan zijn dat je te zeer gaat samenvallen met je rol. Het kan zijn dat je daar alleen maar iemand zonder rimpels mag zijn. Het kan zijn dat je daar jezelf duwt in een persona die uiteindelijk wegdrijft van wie je was daarvoor.

(Al bij al zijn al deze woorden nog veel te stellig. Maar misschien raken ze een klein beetje aan wat ik probeerde te zeggen. En dat ligt meer in het onzegbare. De ruimte tussen de woorden, daar zindert en sputtert het leven. Daar kun je komen in literatuur, denk ik toch. Het is een totaal ander soort geluk en vervulling en vrede dan wat ik in de politiek heb gevonden. Het is goed om in beide talen te zijn. Ze vertellen allebei hun verhalen.)

09 juni 2016

De nietmeermeedoenverleiding

Je zit in de zaal tijdens een conferentie. Een bekende Nederlandse prof vertelt met veel flair en humor over de grote veranderingen die ons te wachten staan. Geen tijdperk van verandering, maar een verandering van tijdperk. Hij is erg goed in beeldende woorden. Hij neemt zijn publiek mee op weg in zijn verhaal.

Zijn verhaal raakt een kantelpunt, ergens in je hoofd. Aan de ene kant de wil om met een open geest te kijken naar nieuwe ontwikkelingen, om na te denken over grote maatschappelijke veranderingen, om ‘mee’ te zijn met wat er gebeurt, om flexibel en veerkrachtig mee te drijven met de tijd en er de goede dingen in te zien, om rustig te kijken naar de nieuwe generaties. Aan de andere kant soms een zekere verandermoeheid, een verlangen om in de berm te gaan zitten, watching the river flow, een stiekem verlangen om niet meer mee te moeten doen met al die veranderingen.

En het is zo moeilijk om juist te begrijpen wat dat kantelpunt is. Waar gaat de behoefte om trouw te blijven aan een aantal waarden ongemerkt over in een vorm van nostalgie? Waar gaat een oprechte kritische bekommernis over in iets van angst? Vanaf waar is je gevoel van uitrekken van je vermogen tot veranderen niet meer dan een vermoeidheid? In hoeverre is de weerstand die je voelt gewoon natuurlijk en telkens een tijdelijke vorm van aanpassing?

Je probeert je al die grote transformaties die de spreker uitlegt voor te stellen in je hoofd. Je probeert telkens iets te zien van de maatschappelijke gevolgen van die veranderingen. Allerlei spontane reflexen komen in je op. Je ziet resultaten die je niet wenselijk vindt, op het eerste gezicht. Je denkt aan kwetsbare groepen die het nog moeilijker zullen krijgen. Je ziet voor de zoveelste keer vluchtwegen die het mogelijk moeten maken planetaire grenzen niet te moeten zien. Je ziet het allemaal…

Maar er is meer. Je voelt hoe je verandercapaciteit en je adaptatievermogen worden aangesproken, om maar meteen enkele dure woorden te gebruiken. Je krijgt de hele tijd de boodschap dat we een meer veerkrachtige samenleving moeten maken, dat we niet moeten proberen ontwikkelingen al te zeer te sturen met de instrumenten van het verleden. Het klinkt ook als een persoonlijke oproep. Iets als: omarm de verandering, koester de chaos, zorg dat je soepel mee kunt drijven en je zult overleven.

En iets maakt je bang. Of is het ongerust? Of is het bezorgd? Of is het machteloos? Of is het dom? Je weet het niet goed. Je hebt een probleem met het enorme tempo van de maatschappelijke veranderingen. Langs vele kanten, en als onderdeel van vele agenda’s, wordt die flitsende verandering erg gepromoot. We moeten allemaal nog flexibeler, nog ‘fluïder’ worden, nog mobieler, nog gemakkelijker in staat een nomade te zijn die niet verlangt naar ‘oude’ zekerheden, nog meer in staat te leven als een freelancer. Wie niet mee kan, verliest. Je hebt grote vragen bij die algehele mobilisering. Je bent ervan overtuigd dat veel mensen dat tempo helemaal niet aankunnen. Je denkt dat het veel mensen ‘ontheemd’ achterlaat, waardoor ze gaan verlangen naar eenvoudige waarheden (die dan weer worden vertolkt door de populisten aller landen). Je maakt je  veel zorgen over de identiteitspolitiek die voor velen heel aantrekkelijk wordt. Je ziet nieuwe tweedelingen opduiken.

Het is dus een oprechte bekommernis, denk je. Het gaat ook om een aantal persoonlijke waarden. Zoeken naar een vorm van trouw blijven aan jezelf. Een vorm van soberheid of spiritualiteit waardoor je dichter bij jezelf kunt blijven en hopelijk minder de speelbal wordt van de leegte van een consumptiecultuur. Het is ook een vorm van verzet, of bewust kiezen voor een houding, in alle autonomie, waardoor je ook een stuk vrijheid terugwint. Je denkt voor jezelf iets als: ok, facebook wil ik nog wel doen, maar ik wil geen smartphone en ik wil niet twitteren, want ik wil een stuk autonomie over mijn tijd zelf houden en ik wil dat eindeloze gezeur en dat opbod aan meningen niet over me heen laten gaan. Een verdedigbare keuze, maar hoe lang kun je die volhouden? Want alles blijft maar veranderen.

Je weet niet goed hoe dat juist zit met de boeddhist in jezelf. Is de keuze om niet mee te doen met sommige dingen een goede vorm van iets als ascese? Maar is je verlangen om te kunnen zeggen dat je een beetje afhaakt dan weer een vorm van te veel vasthouden, nog te weinig leeg zijn (leeg in de goede zin van het woord)? Je weet het eigenlijk niet zo goed. Misschien is het ook een vorm van oud worden, en mag het ook gewoon, een beetje afhaken. Maar dan begin je weer te rekenen hoe lang je nog zou kunnen leven.

Je denkt vaak aan je grootvader. Hij was geboren in 1900 en had een groot deel van die eeuw gezien, de grote verandering. Hij kwam uit een wereld die nog erg traag en klein was, maakte twee oorlogen mee, en zag de opkomst van de consumptiecultuur. Je had altijd het gevoel dat hij een soort ‘trage aanloop’ had in zijn hoofd, waardoor die versnelling op het einde gemakkelijker was. Jij kwam op de wereld in 1965, en als adolescent had je al het gevoel dat je geboren was in een tijd die al te zeer in een versnelling zat.

En nu twijfel je soms. Je hebt al zoveel zien veranderen, sinds je een kleine jongen was. Je voelt dat je voor veel van die dingen ook veel moeite moest doen, dat het inging tegen wat je zelf eigenlijk wilde; Het was moeilijk. En soms bleek het nadien helemaal niet zo moeilijk. Zo was het een enorme drempel om dat oude trouwe analoge fototoestel achter je te laten. Gaan werken met een digitaal toestel voelde als een soort verraad. En je mist nog wel het gevoel van dat oude toestel in je handen, en wat het met je deed. Maar je bent ondertussen ook wel gewend aan het andere. Hoe moet je de juiste balans blijven vinden, hoe weet je dat je pogingen om trouw te blijven aan je waarden toch niet een verkapte vorm van ‘oud’ zijn blijken te zijn?

Soms beangstigt het je. Als je terugkijkt, en ziet hoezeer je al veranderde, dan is het idee dat je in de rest van je leven nog eens evenveel zult moeten veranderen je soms te veel. Soms denk je oprecht dat de mens niet gemaakt is voor zoveel snelheid. (Je leerde die gedachte ooit van een techniekfilosoof.) Soms denk je dat het ingaat tegen de natuurlijke en goede behoefte om een plek te hebben, om je ergens veilig te kunnen voelen. Maar misschien zit er in die reflex tegelijk een heel persoonlijke dimensie, die te maken heeft met de onveilige zone in jezelf, een zone die misschien wel nooit anders zal worden.

Soms is er dus een stemmetje in je hoofd dat zegt: mag ik niet gewoon afhaken, en de dingen vanaf nu aan mij voorbij laten gaan? Het voordeel van de leeftijd die je stilaan hebt is dat je dat ook een klein beetje mag gaan doen. Een klein beetje. Je mag een rol van ‘iets oudere’ vervullen tegenover jongeren. Je mag met vertedering en bezorgdheid kijken naar jonge mensen, in het besef dat jij ondertussen op een andere plek in het leven staat. Maar tegelijk is er een verlangen om nog een heel stuk leven op een aangename en voldoende beweeglijke manier te kunnen hebben, samen met mensen die je dierbaar zijn, mensen die je nog vele jaren wilt kunnen bekijken, met wie je nog eindeloos veel gesprekken wilt kunnen voeren. Er is een verlangen om dichter te komen bij een vorm van wijsheid, en wijsheid veronderstelt toch ook een vorm van openheid, van jezelf steeds in vraag stellen. Dus mag je niet echt afhaken, denk je dan. Dus is het nodig dat je telkens opnieuw probeert te begrijpen, probeert te zien wat het grotere plaatje is.

Misschien is er diep vanbinnen een vorm van vermoeidheid die met andere dingen dan verandering te maken heeft. Misschien ook niet. Misschien is er gewoon een vermoeidheid die aangeeft dat het bijna tijd is voor vakantie. Misschien is het niet meer dan de tijdelijke duizeling die je telkens opnieuw voelt in je hoofd als er uitdagende nieuwe ideeën in komen die je verworven zekerheden doen wankelen. Misschien is er dus wel niets aan de hand. En toch…

Het idee van ‘ik doe even niet meer mee, ik laat de stoet aan mij voorbij gaan’ is misschien wel meer een vorm van weerbaarheid dan van falen of tekortschieten. Misschien is twijfelen en in de war zijn en een beetje bang worden en dat observeren wel net een vorm van drijven die goed is.

En wat men je ook wijsmaakt, denk je, je zult altijd graag brieven schrijven, met de hand, en met zwarte inkt. En het idee dat je dat altijd zult doen, dat is al veel. En het idee dat je je nu al kunt voorstellen aan wie je die brieven zult schrijven, ook dat is al veel.

Genoeg gezwalpt in je hoofd dus. Voor nu.

11 juli 2015

Geen feest

Veel verwarrende gevoelens vandaag. Veel verdriet, veel schaamte, veel kwaadheid.

(Voor een keer zal ik in de ik-vorm spreken, want blijkbaar moet het vandaag over identiteit gaan.)

Een statement dus maar om te beginnen. Ik heb helemaal geen probleem met het begrip identiteit. Ik heb alleen een probleem met een bepaalde invulling ervan, en vooral een bepaald gebruik ervan. Ik heb geen probleem met het begrip culturele identiteit, integendeel. Ik heb alleen een probleem met de manier waarop sommigen dat gebruiken als een reductie. Ik geloof niet zo in lege identiteiten, evenmin als in eenduidige identiteiten. Wat is identiteit? Het is het verhaal dat je over jezelf vertelt. Als iemand je vraagt wie je bent, dan begin je een verhaal te vertellen over jezelf. Dat verhaal is op zich een constructie die je zelf hebt gemaakt, mee op basis van waar en hoe je in de wereld geworpen bent, wat je overkomen is, en hoe je zelf met die dingen bent omgegaan. Je bent een rommeltje van invloeden, en daaruit distilleer je een verhaal, en dat geeft je zelf het gevoel dat je ‘iemand’ bent, dat je ‘ergens’ bent, niet zomaar een lege plek waar de wind door waait. Dat verhaal is niet onbelangrijk, dat verhaal is niet alleen maar ‘relatief’, maar het is wel een verhaal. Een fictie dus. En aangezien de mens in essentie een verhalen vertellend wezen is, is dat niet onbelangrijk.

Uitgangspunt: we zijn meervoudige wezens, en we hebben een meervoudige identiteit. Ik ben een beetje Leuvenaar, ik ben nog steeds een beetje Hoogstratenaar, ik ben een beetje Vlaming, een beetje Belg, een beetje Europeaan en een beetje wereldburger. Maar ik ben evenzeer een lid van de Nederlandstalige cultuurgemeenschap. Maar ook evenzeer een voormalige kankerpatiënt, een ecologist, een fan van Bob Dylan maar ook van Bach, een vegetariër, een hetero, een man in de categorie ‘het is ingewikkeld’, een niet-papa… De mensen die al mijn hele leven in mijn leven zijn, hebben me evenzeer gevormd. Hun levensverhalen, hun verlangens, hun verdriet, dat alles is een deel van mijn identiteit geworden. Mijn verontwaardiging is ook een deel van mijn identiteit, en die kwam er ook door de verhalen van anderen. Dat ik toevallig op deze plek van de wereld geworpen ben, verbindt mij met de verhalen die bij deze plek horen. Al die dingen samen, en nog veel meer, ze maken mijn identiteit uit. En die is dus meervoudig. In 2015, na zoveel jaar globaliseringsprocessen, is de identiteit van de meeste mensen complex geworden. Dat is niet gemakkelijk, niet vanzelfsprekend.

Het is niet onlogisch dat mensen in een verwarrende omgeving nadrukkelijker op zoek gaan naar hun identiteit. Dat ontkennen kan gevaarlijk zijn. Maar dat gebruiken om een identiteitspolitiek te voeren die uitgaat van meer ‘eenduidige’ identiteiten, dat is zeker ook gevaarlijk. Met een voorbeeld: ik voel mij ook Vlaming, naast Belg en (misschien nog het meest) Europeaan. Maar als iemand mij zegt dat ik alleen maar Vlaming zou moeten zijn, dan wil ik liever geen Vlaming zijn. In debatten heb ik al vaak de vraag gesteld wie ik zou moeten zijn om een ‘echte’ Vlaming te zijn, of ik eigenlijk wel een echte Vlaming ben. Ik heb nog nooit een zinnig antwoord gekregen. De antwoorden zaten in de categorie ‘onderdrukking door de Walen’, of zoiets.

En om meteen enkele mensen gerust te stellen, ik vind het vanzelfsprekend dat ik als Vlaming, of als Nederlandstalige Belg, in dat deel van mijn identiteit gerespecteerd word. Ik vind het vanzelfsprekend dat ik bij een publieke dienst van de federale of Brusselse overheid in het Nederlands terecht kan. Ik vind het even vanzelfsprekend dat ik ook Frans spreek en versta. Ik heb veel respect voor de strijd die generaties voor mij gevoerd hebben om dat nu vanzelfsprekend te vinden, maar ik voel mij niet onderdrukt, integendeel. Het stoort mij als een federale minister geen Nederlands spreekt, maar het stoort mij evenzeer als een Vlaamse minister in een federale of Vlaamse of Brusselse regering niet eens behoorlijk Nederlands spreekt. Het discours van een aantal Franstalige politici tegenover Vlamingen maakt me soms kwaad, maar het discours van heel wat Vlaamse politici tegenover Franstaligen evenzeer. Politiek gezien voel ik me vooral verwant met mijn Franstalige en Duitstalige groene vrienden, en of ik het eens ben met de ideeën van een politicus hangt in de eerste plaats af van zijn of haar ideologie, en niet van de taal. Ik schaam me er dus helemaal niet voor dat een deel van mijn identiteit Vlaams is, maar het is maar een stukje van wie ik ben. Er is met andere woorden ook  geen statische hiërarchie tussen die identiteiten. Ik zie niet in waarom ik de armoede in Charleroi minder erg zou moeten vinden dan die in Leuven.

Een lange inleiding om te zeggen dat ik een fundamenteel probleem heb met nationalisme, zeker van een bepaald soort. Ik wil daarmee niet de mensen demoniseren die er minder probleem mee hebben, daarover gaat het niet. (Ik probeer al maar preventief te antwoorden op alle tegenwerpingen die je krijgt als je zoiets zegt…) Ik voel me dus ook niet superieur, of bij een intellectualistisch artistieke postmoderne belgicistische elite (om de grote gouwleider maar meteen te pareren). Ik heb gewoon een fundamenteel probleem met een welbepaalde politieke strategie. Volgens dezelfde gouwleider is het nationalisme immers geen ideologie, maar een ‘vehikel’.

11 juli 2015 is de dag van 20 jaar Srebrenica. Sinds mijn jonge jaren ben ik politiek actief. Politiek is dus ook een deel van mijn identiteit. Er zijn enkele gebeurtenissen die die identiteit op fundamentele wijze hebben beïnvloed. De Val van de Muur was er een, Srebrenica was een andere.

Ik heb respect voor de drijfveer van een aantal mensen in sommige nationalistische partijen die ervan overtuigd zijn dat ze een ‘goed’ nationalisme bevorderen, als antwoord op een ‘slecht’ en nefast nationalisme. Ik geloof er niet in, maar ik wil er respect voor hebben. (Opnieuw een preventief antwoord op de reactie van de gouwleider die weer zal beginnen over zijn ‘reductio ad hitlerum’.)

Hoe je het ook draait of keert, hoezeer je ook oog hebt voor alle contextelementen, je kunt niet ontkennen dat het verschrikkelijke drama van Srebrenica iets met nationalisme, of minstens met een gruwelijke identiteitspolitiek te maken heeft. Duizenden mensen werden simpelweg geëxecuteerd omdat ze tot een ‘andere’ identiteit behoorden. De internationale gemeenschap keek toe. In een complex land leefden verschillende culturele gemeenschappen samen. Dat was niet altijd eenvoudig, en misschien was er in dat land wel te weinig ruimte voor het beleven van culturele identiteiten. Op basis van identiteit, op basis van verhalen over eer en wraak die tot honderden jaren eerder teruggingen, werden tegenstellingen op de spits gedreven. Je zou ervoor kunnen kiezen om een meerlagige politieke structuur te ontwerpen als antwoord op meervoudige identiteiten. Je kunt er ook voor kiezen om een ‘eenvoudige’ politieke structuur te kiezen, en te zeggen: “Wij willen één gebied voor mensen van die ene culturele identiteit.” Laten we zeggen dat in die strategie een vorm van uitsluiting inherent aanwezig is. Wat dat in zijn extreme vorm betekent, hebben we gezien, onder meer in Srebrenica.

In de krant vandaag staat een aangrijpend relaas over een van de soldaten die betrokken was bij het doodschieten van de 8.000 moslims in Srebrenica. Wie was hij? Hij was “half Kroatisch, half Servisch”. Wat zegt hij? “Voor de oorlog leefden we allemaal samen – moslims, Serviërs en Kroaten. Ik zou willen dat iemand me kon uitleggen wat er is gebeurd. Ik heb veel goede vrienden verloren door de oorlog en ik ben ervan overtuigd dat geen van hen oorlog wilde.”

Srebrenica heeft mijn opvattingen over pacifisme grondig veranderd, en het heeft me nog meer doen geloven in de droom van een federaal Europa. De essentie van een federaal model is dat het meerlagig is, dat het uitgaat van gedeelde bevoegdheden, dat het streeft naar een post-nationaal model, dat steeds in beweging is. In zo’n structuur is het gemakkelijker om bv. een Turkse Vlaming in België te zijn. Of anders gezegd: in zo’n structuur kan ik me zonder moeite ook Vlaming voelen, omdat ik er niet toe herleid word.

Ik zeg wel eens dat België enkel interessant is in de mate dat het een oefening in Europa is. België is een beetje Europa in het klein, met een aantal grotere culturele gemeenschappen, en een institutionele structuur die gericht is op compromis en het zoeken van evenwichten. België kan ook maar zijn wat het is door het niveau dat erboven ligt, het Europese. België heeft gelukkig niet al te veel nationalistische allures, en wat er is, is vaak doordrenkt van een zekere ironie en absurditeit. Redelijk ongevaarlijk dus, goed zo. Vlaanderen is dan weer oninteressant in de mate dat het een oefening in natievorming is. En daar wringt het.

Het Vlaanderen dat er kwam na een geschiedenis waar ik veel respect voor heb zou in zekere zin zo mooi kunnen zijn, als het net voor een andere logica dan die van de natievorming zou kiezen. Een gemeenschap die zich rustig voelt in de eigen culturele identiteit, met oog voor al de rafelige elementen daarvan, heeft geen behoefte aan een gevaarlijke identiteitspolitiek die nog eens gaat herhalen – maar dan in het klein – wat tot zoveel miserie heeft geleid in de 20ste eeuw. Dat Vlaanderen heeft geen behoefte aan verhalen over een of ander roemrijk verleden, mythes die tot veronderstelde waarheden zijn gemaakt, om nu te zeggen wie we nu zijn. Het antwoord op wie we zijn, ligt niet in één verhaal, maar in veel verhalen. In het nieuws zag ik een reportage van een veelkleurige groep mensen die in Gent ‘hun’ 11 juli wilden opeisen. De mevrouw die het woord voerde sprak over verbinding, en met hen voelde ik me verbonden.

11 juli is dus ook de Vlaamse feestdag. Elk jaar kijk ik met enige weerzin die dag tegemoet. Elk jaar hoop ik stiekem dat er sprake zal zijn van een lichte ironie, van dwarsigheid, van een verhaal dat me laat voelen dat we met deze gemeenschap eindelijk in een andere logica zijn terechtgekomen.
Niets van dat. De Vlaams-nationalistische partij levert nu voor het eerst de minister-president, en dat is blijkbaar van historisch belang. Wat hoorden we? De communautaire rust nu is blijkbaar niet meer dan een soort wapenstilstand, want bij de volgende verkiezing komt dat alles weer op de agenda. De grote gouwleider heeft zijn strategie al klaar. De Vlaamsche regering zal niet toestaan dat de federale regering (waar diezelfde partij van de minister-president nota bene in zit) bevoegdheden zal ‘usurperen’. Het ging hier dus over het enigszins lachwekkende incident bij een handelsmissie. De voorzitter van het Vlaams Parlement zegt dat Vlaanderen ‘onafhankelijk’ moet worden. En, kers op de taart, Vlaanderen kan nu eindelijk zijn eigen eretekens uitreiken. (Een van de laureaten merkte er fijntjes bij op dat ze wel liever wat geld had gekregen voor haar ontwikkelingswerk in India.) In de krant zegt de minister-president: “Ik geloof in de Vlaamse identiteit als gemeenschapsvormende kracht.” Het gaat dus telkens om identiteitspolitiek, het gaat over ‘de’ Vlamingen, ‘de’ Vlaamse identiteit, en in het kader van het zelfbeschikkingsrecht van ‘de’ volkeren moet dat tot uiting komen in een institutionele structuur. Met dat verhaal voelde ik me niet verbonden, om het vriendelijk te zeggen. Dat verhaal maakt het steeds moeilijker voor mij om me nog Vlaming te voelen, terwijl ik dat wel graag (een beetje) zou willen zijn. Echt gemeenschapsvormend is het dus niet…

11 juli. Terwijl ik de afwas sta te doen, kijk ik naar het journaal. Als ik de beelden zie van de Vlaamse feestdag, voel ik alleen plaatsvervangende schaamte en kwaadheid. De minister-president die toch zo gelooft in gemeenschapsvorming zou een ‘wij’ moeten uitstralen dat mij toch ook misschien een heel klein beetje zou kunnen aanspreken. Ik voel alleen: met uw wij wil ik niets te maken hebben. Als ik de beelden zie van Srebrenica, voel ik me meteen betrokken en ten diepste geraakt. De tranen stromen. Ik voel de schaamte die hoort bij het Europeaan zijn en het wereldburger zijn. Ik voel het verdriet van de mensen die aan het woord komen. Als ik de vrouw zie die twee van haar kinderen verloor en die nu een bloem speldt op de revers van de Servische eerste minister, dan denk ik toch ook van allebei: dit zijn wij. Misschien zegt dat genoeg.

23 juli 2014

De hel



Sommige momenten denk je: misschien ben ik wel een beetje raar. Ik zou een lijstje kunnen maken met ‘rare dingen van de Jean’. Ik heb me ondertussen trouwens al lang verzoend met dat raarzijn. En misschien geldt dat ook wel voor mijn dierbaren.

En dan ineens lees je een artikel, en denk je dat het eigenlijk allemaal nog best meevalt. Er blijken mensen zo maar los rond te lopen die pas echt weird zijn… Zo is er ene Ken Ham, een creationist, die CEO is van Answers in Genesis. In zijn woorden ben ik een secularist, en dat zou dan het hardnekkig niet willen zien van gods schepping moeten zijn, of zoiets.

In elk geval, de heer Ham heeft ook uitgesproken ideeën over buitenaardse wezens. (Hij vindt dat hij verkeerd geciteerd wordt, maar wie zijn zogenaamd verhelderende teksten leest, kan alleen maar denken dat de marsmannetjes al onder ons zijn, in de figuur van de heer Ham.) Nu moet ik eerlijk bekennen dat ik dat zoeken naar buitenaards leven eigenlijk een beetje onnozel vind. Statistisch gezien zou het best kunnen dat er ergens anders nog leven is (it’s life Jim…). En dan? Fijn toch. Verandert dat iets aan hoe ik mezelf zou moeten zien als mens? Ik zou niet weten waarom. Het hoeft niet. Als we al onze immense collectieve intelligentie en onze schaarse middelen zouden gebruiken om alle mensen op deze planeet een waardig leven te geven, dan zou dat al geweldig zijn. En dat we de ultieme vragen over wat er voorbij de oerknal was niet kunnen beantwoorden, dat lijkt me helemaal niet erg. Dat de mens misschien niet meer is dan een schitterend ongeluk (zoals in de mooie VPRO-reeks van jaren geleden), dat lijkt me ook helemaal niet erg. En dat anderen die wel geloven zich beter voelen bij de gedachte dat er een grotere orde is en dat zij een unieke persoon zijn, die niet zomaar verloren kan gaan, daar heb ik geen moeite mee, en ik gun hun die hopelijk rustgevende gedachte van harte.

De heer Ham vindt dat zoeken naar buitenaards leven ook onzin, zij het om diametraal tegengestelde redenen. Volgens hem is die zoektocht ingegeven door de rebellie van de mens tegen god, in een wanhopige poging om de veronderstelde evolutie te bewijzen. Oeps. De aarde is volgens hem speciaal geschapen voor de mens. De zonde van Adam had betrekking op het hele universum, maar alleen de nakomelingen van Adam kunnen gered worden. Aliens zijn dus wel geraakt door de zonde van Adam, maar - mochten ze bestaan - ze kunnen niet gered worden.

Ik heb hem dus maar even opgebeld met enkele prangende vragen. Het werd een klein beetje een dovemansgesprek, zoals te verwachten.

‘Het zijn toch mensen die de verhalen in dat boek hebben geschreven. Misschien is dat wel een grote blijk van liefde van god dat hij/zij het aan de mens heeft toevertrouwd om in menselijke woorden verhalen op te schrijven. Verhalen kunnen bedoeld zijn om inzicht te geven, via symbolen, via verhaaltechnieken, en misschien krijg je zo zicht op iets moois. Als god bestaat, zou dat toch een mooi geschenk zijn. Ik kan me niet voorstellen dat god zou willen dat woorden in dat boek letterlijk moeten genomen worden, integendeel eigenlijk. Dat zou anders toch van weinig liefde voor de mens getuigen, en god is liefde, hebben ze mij altijd gezegd.’ Nou, de heer Ham begon daar even te razen aan de telefoon. Je merkte goed dat hij zijn best deed om niet te vloeken. Dat ik vervloekt was, dat was wel duidelijk…

‘Ik heb ook nooit goed begrepen dat mensen kunnen zeggen: dit stuk grond is van ons, want het staat in het boek. Of dat ze zeggen: jij bent een minderwaardige mens, omdat jij niet aanvaardt wat er in het boek staat. Dan zeg je zo eigenlijk toch: jij moet dood omdat jij niet vindt wat ik vind dat jij moet vinden. Dat gaat volgens mij weer over mensen. En misschien wou god met een verhaal zeggen: ik ben het symbool van de hoop, de hoop dat jullie ooit veilig en thuis zullen zijn, niet meer verdwaald in de chaos van deze wereld. Dat is toch mooi, maar is die hoop niet genoeg? Dat zou toch een mooie god zijn? Als ik, die niet in god geloof, mijn hele leven mijn best doe om een goed mens te worden, en om andere mensen als mijn gelijken te behandelen, dan doe ik toch hetzelfde als mensen die hun inzet kunnen motiveren door die hoop? Maar toch zal ik niet gered worden, en ga ik dus naar de hel. En die andere moet dan blijkbaar vooral een godvrezende mens zijn. Dat is toch een rare vorm van liefde? En dat mensen met elkaar vechten over letters, is dat niet raar? Dat mensen eindeloos met elkaar kunnen discussiëren over de hoop, zonder ooit het definitieve antwoord te vinden, dat zou mooi zijn, en daar zou god dan toch alleen maar heel blij mee moeten zijn.’ Van de heer Ham kreeg ik andermaal een eindeloze reeks citaten uit het boek die volgens hem bewijzen dat het is zoals het is (volgens de heer Ham, overigens ook een mens, veronderstel ik toch). Het gaat volgens hem over een onwankelbare waarheid, en ik weiger dus systematisch die waarheid met een grote W te aanvaarden.

‘Ik begrijp ook niet goed waarom je zo hardnekkig wilt dat de geschiedenis van de aarde is gelopen zoals dat in een verhaal in een boek staat. Als we via de wetenschap dingen te weten komen over hoe de evolutie is gelopen, en dat we daarbij terug kunnen gaan tot aan de oerknal, en dat we via die weg niet weten wat er dan voor die oerknal was, dat maakt toch voor god niets uit, denk ik dan. Als je dan toch in god gelooft, dan heb je het toch niet nodig om elk element van de werkelijkheid met alle geweld zo te interpreteren dat het ondubbelzinnig past in een schema dat komt uit een verhaal dat geschreven is door mensen. Dat lijkt me zo ongelooflijk krampachtig. Iemand die gelooft, en die daar rust in vindt, die heeft zoveel krampachtigheid toch niet nodig? Dat je kiest voor een aantal rituelen, als menselijke uiting van je verbondenheid met iets dat groter is dan jezelf, dat is mooi, en het is de taal van mensen, net als de woorden in een boek. Als er een god bestaat, een god die van de mens houdt, dan zou die toch vragen aan de mens om zichzelf te ontstijgen (de zoon heeft het voorgedaan, zou je kunnen zeggen) en meer mens te worden dan hij of zij was, en zich over te geven aan universele goedheid, aan liefde en vergeving, aan mildheid en nederigheid, aan een open en ruimdenkende geest (dat is ook eenvoudiger te begrijpen dan die vurige tongen trouwens).’ De heer Ham zat zo ongeveer te schuimbekken aan de andere kant van de lijn. Hij riep me toe dat ik totaal verloren was, gedoemd om te branden, door mijn onwil om de hogere orde der dingen te zien. Er was geen twijfel mogelijk: ik was een slechte mens.

Ik had altijd gehoord van mijn vrienden die geloven dat het geloof hen gelukkiger maakt, soms toch. In het geval van de heer Ham begon ik er toch een beetje aan te twijfelen. Zelf voelde ik me nog gelukkiger dan voor het telefoongesprek. Misschien valt dat raarzijn van mij nog wel heel erg mee.