11 juli 2015

Geen feest

Veel verwarrende gevoelens vandaag. Veel verdriet, veel schaamte, veel kwaadheid.

(Voor een keer zal ik in de ik-vorm spreken, want blijkbaar moet het vandaag over identiteit gaan.)

Een statement dus maar om te beginnen. Ik heb helemaal geen probleem met het begrip identiteit. Ik heb alleen een probleem met een bepaalde invulling ervan, en vooral een bepaald gebruik ervan. Ik heb geen probleem met het begrip culturele identiteit, integendeel. Ik heb alleen een probleem met de manier waarop sommigen dat gebruiken als een reductie. Ik geloof niet zo in lege identiteiten, evenmin als in eenduidige identiteiten. Wat is identiteit? Het is het verhaal dat je over jezelf vertelt. Als iemand je vraagt wie je bent, dan begin je een verhaal te vertellen over jezelf. Dat verhaal is op zich een constructie die je zelf hebt gemaakt, mee op basis van waar en hoe je in de wereld geworpen bent, wat je overkomen is, en hoe je zelf met die dingen bent omgegaan. Je bent een rommeltje van invloeden, en daaruit distilleer je een verhaal, en dat geeft je zelf het gevoel dat je ‘iemand’ bent, dat je ‘ergens’ bent, niet zomaar een lege plek waar de wind door waait. Dat verhaal is niet onbelangrijk, dat verhaal is niet alleen maar ‘relatief’, maar het is wel een verhaal. Een fictie dus. En aangezien de mens in essentie een verhalen vertellend wezen is, is dat niet onbelangrijk.

Uitgangspunt: we zijn meervoudige wezens, en we hebben een meervoudige identiteit. Ik ben een beetje Leuvenaar, ik ben nog steeds een beetje Hoogstratenaar, ik ben een beetje Vlaming, een beetje Belg, een beetje Europeaan en een beetje wereldburger. Maar ik ben evenzeer een lid van de Nederlandstalige cultuurgemeenschap. Maar ook evenzeer een voormalige kankerpatiënt, een ecologist, een fan van Bob Dylan maar ook van Bach, een vegetariër, een hetero, een man in de categorie ‘het is ingewikkeld’, een niet-papa… De mensen die al mijn hele leven in mijn leven zijn, hebben me evenzeer gevormd. Hun levensverhalen, hun verlangens, hun verdriet, dat alles is een deel van mijn identiteit geworden. Mijn verontwaardiging is ook een deel van mijn identiteit, en die kwam er ook door de verhalen van anderen. Dat ik toevallig op deze plek van de wereld geworpen ben, verbindt mij met de verhalen die bij deze plek horen. Al die dingen samen, en nog veel meer, ze maken mijn identiteit uit. En die is dus meervoudig. In 2015, na zoveel jaar globaliseringsprocessen, is de identiteit van de meeste mensen complex geworden. Dat is niet gemakkelijk, niet vanzelfsprekend.

Het is niet onlogisch dat mensen in een verwarrende omgeving nadrukkelijker op zoek gaan naar hun identiteit. Dat ontkennen kan gevaarlijk zijn. Maar dat gebruiken om een identiteitspolitiek te voeren die uitgaat van meer ‘eenduidige’ identiteiten, dat is zeker ook gevaarlijk. Met een voorbeeld: ik voel mij ook Vlaming, naast Belg en (misschien nog het meest) Europeaan. Maar als iemand mij zegt dat ik alleen maar Vlaming zou moeten zijn, dan wil ik liever geen Vlaming zijn. In debatten heb ik al vaak de vraag gesteld wie ik zou moeten zijn om een ‘echte’ Vlaming te zijn, of ik eigenlijk wel een echte Vlaming ben. Ik heb nog nooit een zinnig antwoord gekregen. De antwoorden zaten in de categorie ‘onderdrukking door de Walen’, of zoiets.

En om meteen enkele mensen gerust te stellen, ik vind het vanzelfsprekend dat ik als Vlaming, of als Nederlandstalige Belg, in dat deel van mijn identiteit gerespecteerd word. Ik vind het vanzelfsprekend dat ik bij een publieke dienst van de federale of Brusselse overheid in het Nederlands terecht kan. Ik vind het even vanzelfsprekend dat ik ook Frans spreek en versta. Ik heb veel respect voor de strijd die generaties voor mij gevoerd hebben om dat nu vanzelfsprekend te vinden, maar ik voel mij niet onderdrukt, integendeel. Het stoort mij als een federale minister geen Nederlands spreekt, maar het stoort mij evenzeer als een Vlaamse minister in een federale of Vlaamse of Brusselse regering niet eens behoorlijk Nederlands spreekt. Het discours van een aantal Franstalige politici tegenover Vlamingen maakt me soms kwaad, maar het discours van heel wat Vlaamse politici tegenover Franstaligen evenzeer. Politiek gezien voel ik me vooral verwant met mijn Franstalige en Duitstalige groene vrienden, en of ik het eens ben met de ideeën van een politicus hangt in de eerste plaats af van zijn of haar ideologie, en niet van de taal. Ik schaam me er dus helemaal niet voor dat een deel van mijn identiteit Vlaams is, maar het is maar een stukje van wie ik ben. Er is met andere woorden ook  geen statische hiërarchie tussen die identiteiten. Ik zie niet in waarom ik de armoede in Charleroi minder erg zou moeten vinden dan die in Leuven.

Een lange inleiding om te zeggen dat ik een fundamenteel probleem heb met nationalisme, zeker van een bepaald soort. Ik wil daarmee niet de mensen demoniseren die er minder probleem mee hebben, daarover gaat het niet. (Ik probeer al maar preventief te antwoorden op alle tegenwerpingen die je krijgt als je zoiets zegt…) Ik voel me dus ook niet superieur, of bij een intellectualistisch artistieke postmoderne belgicistische elite (om de grote gouwleider maar meteen te pareren). Ik heb gewoon een fundamenteel probleem met een welbepaalde politieke strategie. Volgens dezelfde gouwleider is het nationalisme immers geen ideologie, maar een ‘vehikel’.

11 juli 2015 is de dag van 20 jaar Srebrenica. Sinds mijn jonge jaren ben ik politiek actief. Politiek is dus ook een deel van mijn identiteit. Er zijn enkele gebeurtenissen die die identiteit op fundamentele wijze hebben beïnvloed. De Val van de Muur was er een, Srebrenica was een andere.

Ik heb respect voor de drijfveer van een aantal mensen in sommige nationalistische partijen die ervan overtuigd zijn dat ze een ‘goed’ nationalisme bevorderen, als antwoord op een ‘slecht’ en nefast nationalisme. Ik geloof er niet in, maar ik wil er respect voor hebben. (Opnieuw een preventief antwoord op de reactie van de gouwleider die weer zal beginnen over zijn ‘reductio ad hitlerum’.)

Hoe je het ook draait of keert, hoezeer je ook oog hebt voor alle contextelementen, je kunt niet ontkennen dat het verschrikkelijke drama van Srebrenica iets met nationalisme, of minstens met een gruwelijke identiteitspolitiek te maken heeft. Duizenden mensen werden simpelweg geëxecuteerd omdat ze tot een ‘andere’ identiteit behoorden. De internationale gemeenschap keek toe. In een complex land leefden verschillende culturele gemeenschappen samen. Dat was niet altijd eenvoudig, en misschien was er in dat land wel te weinig ruimte voor het beleven van culturele identiteiten. Op basis van identiteit, op basis van verhalen over eer en wraak die tot honderden jaren eerder teruggingen, werden tegenstellingen op de spits gedreven. Je zou ervoor kunnen kiezen om een meerlagige politieke structuur te ontwerpen als antwoord op meervoudige identiteiten. Je kunt er ook voor kiezen om een ‘eenvoudige’ politieke structuur te kiezen, en te zeggen: “Wij willen één gebied voor mensen van die ene culturele identiteit.” Laten we zeggen dat in die strategie een vorm van uitsluiting inherent aanwezig is. Wat dat in zijn extreme vorm betekent, hebben we gezien, onder meer in Srebrenica.

In de krant vandaag staat een aangrijpend relaas over een van de soldaten die betrokken was bij het doodschieten van de 8.000 moslims in Srebrenica. Wie was hij? Hij was “half Kroatisch, half Servisch”. Wat zegt hij? “Voor de oorlog leefden we allemaal samen – moslims, Serviërs en Kroaten. Ik zou willen dat iemand me kon uitleggen wat er is gebeurd. Ik heb veel goede vrienden verloren door de oorlog en ik ben ervan overtuigd dat geen van hen oorlog wilde.”

Srebrenica heeft mijn opvattingen over pacifisme grondig veranderd, en het heeft me nog meer doen geloven in de droom van een federaal Europa. De essentie van een federaal model is dat het meerlagig is, dat het uitgaat van gedeelde bevoegdheden, dat het streeft naar een post-nationaal model, dat steeds in beweging is. In zo’n structuur is het gemakkelijker om bv. een Turkse Vlaming in België te zijn. Of anders gezegd: in zo’n structuur kan ik me zonder moeite ook Vlaming voelen, omdat ik er niet toe herleid word.

Ik zeg wel eens dat België enkel interessant is in de mate dat het een oefening in Europa is. België is een beetje Europa in het klein, met een aantal grotere culturele gemeenschappen, en een institutionele structuur die gericht is op compromis en het zoeken van evenwichten. België kan ook maar zijn wat het is door het niveau dat erboven ligt, het Europese. België heeft gelukkig niet al te veel nationalistische allures, en wat er is, is vaak doordrenkt van een zekere ironie en absurditeit. Redelijk ongevaarlijk dus, goed zo. Vlaanderen is dan weer oninteressant in de mate dat het een oefening in natievorming is. En daar wringt het.

Het Vlaanderen dat er kwam na een geschiedenis waar ik veel respect voor heb zou in zekere zin zo mooi kunnen zijn, als het net voor een andere logica dan die van de natievorming zou kiezen. Een gemeenschap die zich rustig voelt in de eigen culturele identiteit, met oog voor al de rafelige elementen daarvan, heeft geen behoefte aan een gevaarlijke identiteitspolitiek die nog eens gaat herhalen – maar dan in het klein – wat tot zoveel miserie heeft geleid in de 20ste eeuw. Dat Vlaanderen heeft geen behoefte aan verhalen over een of ander roemrijk verleden, mythes die tot veronderstelde waarheden zijn gemaakt, om nu te zeggen wie we nu zijn. Het antwoord op wie we zijn, ligt niet in één verhaal, maar in veel verhalen. In het nieuws zag ik een reportage van een veelkleurige groep mensen die in Gent ‘hun’ 11 juli wilden opeisen. De mevrouw die het woord voerde sprak over verbinding, en met hen voelde ik me verbonden.

11 juli is dus ook de Vlaamse feestdag. Elk jaar kijk ik met enige weerzin die dag tegemoet. Elk jaar hoop ik stiekem dat er sprake zal zijn van een lichte ironie, van dwarsigheid, van een verhaal dat me laat voelen dat we met deze gemeenschap eindelijk in een andere logica zijn terechtgekomen.
Niets van dat. De Vlaams-nationalistische partij levert nu voor het eerst de minister-president, en dat is blijkbaar van historisch belang. Wat hoorden we? De communautaire rust nu is blijkbaar niet meer dan een soort wapenstilstand, want bij de volgende verkiezing komt dat alles weer op de agenda. De grote gouwleider heeft zijn strategie al klaar. De Vlaamsche regering zal niet toestaan dat de federale regering (waar diezelfde partij van de minister-president nota bene in zit) bevoegdheden zal ‘usurperen’. Het ging hier dus over het enigszins lachwekkende incident bij een handelsmissie. De voorzitter van het Vlaams Parlement zegt dat Vlaanderen ‘onafhankelijk’ moet worden. En, kers op de taart, Vlaanderen kan nu eindelijk zijn eigen eretekens uitreiken. (Een van de laureaten merkte er fijntjes bij op dat ze wel liever wat geld had gekregen voor haar ontwikkelingswerk in India.) In de krant zegt de minister-president: “Ik geloof in de Vlaamse identiteit als gemeenschapsvormende kracht.” Het gaat dus telkens om identiteitspolitiek, het gaat over ‘de’ Vlamingen, ‘de’ Vlaamse identiteit, en in het kader van het zelfbeschikkingsrecht van ‘de’ volkeren moet dat tot uiting komen in een institutionele structuur. Met dat verhaal voelde ik me niet verbonden, om het vriendelijk te zeggen. Dat verhaal maakt het steeds moeilijker voor mij om me nog Vlaming te voelen, terwijl ik dat wel graag (een beetje) zou willen zijn. Echt gemeenschapsvormend is het dus niet…

11 juli. Terwijl ik de afwas sta te doen, kijk ik naar het journaal. Als ik de beelden zie van de Vlaamse feestdag, voel ik alleen plaatsvervangende schaamte en kwaadheid. De minister-president die toch zo gelooft in gemeenschapsvorming zou een ‘wij’ moeten uitstralen dat mij toch ook misschien een heel klein beetje zou kunnen aanspreken. Ik voel alleen: met uw wij wil ik niets te maken hebben. Als ik de beelden zie van Srebrenica, voel ik me meteen betrokken en ten diepste geraakt. De tranen stromen. Ik voel de schaamte die hoort bij het Europeaan zijn en het wereldburger zijn. Ik voel het verdriet van de mensen die aan het woord komen. Als ik de vrouw zie die twee van haar kinderen verloor en die nu een bloem speldt op de revers van de Servische eerste minister, dan denk ik toch ook van allebei: dit zijn wij. Misschien zegt dat genoeg.

2 opmerkingen:

dka zei

Dag Jan,

tja, wij zongen dan wel 'Vliegt de Blauwvoet'
en
"Und das heißt: Erika." Und so weiter.

En dàt vlak na de oorlog.

Maar van nationalisme of enige andere vorm van bestaan
hadden wij geen kaas gegeten.

Wij waren 'Kruistochters' van het Maria-legioen
en Christus was onze Koning.
En wij zaten soms een ganse dag in 'Gedurige Aanbidding'
voor het Tabernakel en een Remonstrans.
In het tijdperk van het Rijke Roomsche Leven. Jaren vijftig.


Ach, Jan. Alles gaat voorbij behalve het verleden.

Weet je wat, ik hoop dat je nu en dan nog eens zingt.
Als het mag van Bach, wat Hazes:

"Een beetje verliefd".

Uvi

Jan Mertens zei

O ja, Hazes mag absoluut!