04 april 2026

Vreugde


Een nieuwe week. Voor velen wordt het een speciale week. (Jij weet het nog niet zo goed. Je weet niet hoe groot de paasverwarring zal zijn.)

Een rustige dag. (Lijstjes worden korter. Enkele grote brokken blijven nog over.)

Die ene grote brok, het is tijd, denk je. (Je wou eerst alle andere dringende dingen weg, eer je hieraan zou beginnen.) De stapel dossiers die je moet beoordelen. (Je zou een soort ritme moeten vinden, denk je.)

Je leest alle richtlijnen nog eens door en begint eraan.

(Ze hebben er allemaal zo hard aan gewerkt, denk je. Je probeert je intuïtie te volgen.)

Een andere dag. (De dag wordt druk, en een beetje spannend, denk je.)

Die middag, de voorstelling van het rapport. Je praat bij met enkele vrienden. Voor je vertrekt, ga je nog even praten met de twee vrouwen die kwamen getuigen. Je bent een klein beetje verlegen, maar ze zijn blij dat je gekomen bent. Een mooi gesprek.

De vergadering. (Iemand is een beetje moe, zie je.)

Nog even over huis, om iets te eten, en om die plek nog in je ritme te hebben. (Misschien is thuis iets met een ritme.)

Onderweg voor je lezing, over je boek. Je studeert het terug in. (Het is nog altijd echt, dat boek. Ooit heb jij die woorden geschreven die je daar leest. Waar kwamen ze vandaan?) Je wacht nog even op het perron, net voor je aan het laatste stukje van je reis zult beginnen. Het licht…

Ze wachten je al op. Je rijdt mee naar de mooie boerderij, waar mensen al zitten te wachten op jou. Het lijkt zo’n wonderlijke plek. (Een plek van hoop.) Je praat jezelf weer op gang, het boek komt terug in jou. (Dit is de 31ste keer, denk je.) Iets is veranderd, merk je, of iets was de hele tijd aan het veranderen, en blijven. (Je ziet je verhaal bewegen in de ruimte, zo lijkt het wel. Zij dragen je woorden, ze zijn veilig.) Je vertelt over Julia. (Zij is ergens in de wereld, denk je, haar ding aan het doen, jij bent hier, het is goed.)

Iemand zegt dat hij in je boek, dat hij heel goed vond, één ding heeft gemist. De vreugde. (Even ben je in de war, iets voelt zich terechtgewezen. Iets denkt: heb ik nog niet genoeg laten zien? Iets is even heel moe. Tot het zich terugtrekt.) Je zegt iets over de hoop, de drang tot leven, de rivier. Je legt uit dat je vrede voelt vanbinnen, dat je meestal gelukkig bent, dat je hoopt dat iets daarvan te voelen is. Het is goed. De boeren vertellen dat ze het als een vorm van verzet voelen, dat wat ze daar proberen te doen. Enkele mensen komen je nog bedanken. Ze hadden je boek al gelezen, maar wilden je het zelf horen vertellen. (Je bent verlegen.) Je bent dankbaar, het is een geschenk.

De trein brengt je weer naar huis. Je leest verder in die roman. Net voor middernacht ben je thuis. (Het ritme ademt uit.)

Een volgende dag. Een afspraak. Het is al lang geleden dat je haar nog zag, eindelijk is het gelukt. (Ja, die krullen staan je echt heel goed.) Een mooi gesprek. Je vertelt iets over je paasverwarring. Misschien begrijpt zij wel wat je bedoelt. (Iets duwt jou steeds meer weg, denk je, het is niet anders.) Je begrijpt niets van de vreugde van het feest, dat is het, denk je.

Je ziet de foto van de vorige avond. (Het ritme van de week, je bent nu aan deze kant.) Je plaatst de foto, woorden komen.

Je werkt verder aan de dossiers. Je begint lijnen te zien.

Je hoopte op een stille, zo leeg mogelijke trein terug, om even nergens te zijn. Van die drie treinen in tien minuten is de eerste afgeschaft, bestaat de tweede uit vier in plaats van tien rijtuigen, bestaat de derde uit vier in plaats van acht rijtuigen. Je neemt de derde, probeert rustig te lezen. Het is.

Een andere dag. Je stuurt een bericht naar een grote jarige meid.

De vergadering. (Ritme.) De volgende vergadering valt weg.

(Misschien moet je nog een stuk schrijven. Dat ene edito zit nog altijd in je kop, je bent nog altijd een beetje kwaad. Misschien moet je nog wachten.)

De volgende dag, je werkt thuis. Je begint zo vroeg mogelijk aan de vrijdagtekst, zodat die weg kan.

Je afspraak gaat niet door. Jammer, je had haar graag nog eens gezien. (Het is enkel een uitstel.)

Je ploegt je verder door de dossiers. (Je oordeel betekent iets, besef je, de hele tijd.)

Vrijdagnamiddag. Het huis is gevuld met de passiemuziek, zoals elk jaar. (Het is zo hartverscheurend mooi, het raakt je zo diep, het is zo’n vreselijk verhaal, dat het een feest is verwart je. Het zet zich neer, met tranen.)

(Iets van die eenzaamheid is de hele tijd bij je, tot in de nacht.)

Een nieuwe dag. De boodschappenronde. In een van de winkels kom je een vriendin tegen. Onderweg daar naartoe had je nog aan haar gedacht. (Je ziet iets.)

Je werkt door, tot je alle dossiers gedaan hebt, en je je beoordeling door kunt sturen. (Het is weg.) Bach is de hele tijd aanwezig.

Iets is heel moe. (Je durft niet aan troost denken, vermoed je.) De volgende dag zul je bij je zus zijn, zul je blijven in de bewegende trein. Je kunt gewoon bij haar zijn, dan hoef je niet te denken aan dat verwarrende feest. Het is goed. Het is.