(De week lijkt een beetje spannend, al weet je niet goed waarom.)
Het is telkens nog fris in de ochtend, op weg naar de trein. (Je houdt van die gedachte, op weg zijn naar de trein. Iets met verdwijnen in de beweging. Iets over bewegen en blijven.)
Gewoon terug wat meer op kantoor zijn, na die week, het maakt je rustig. (Die plek, het licht, het geluid.)
En toch weer onderweg, voor de workshop in die andere stad. In het station help je de Franse meneer die verdwaalt in de ticketautomaat, die volgens hem “speciaal voor Belgen” gemaakt is. Je brengt hem nog naar zijn perron, en hij bedankt je uitvoerig.
In de workshop. Het voelt een beetje als een voorrecht dat je erbij mag zijn. Mooie gesprekken. (En je zou willen dat de mensen achter al dat werk meer waardering zouden krijgen voor wat ze doen.)
Een andere dag. In de ochtend werk je thuis.
Aan het loket, voor je nieuwe identiteitskaart. De mevrouw vraagt ook je vingerafdrukken. (Je probeert die voor jezelf te visualiseren, het lukt niet echt.) (Even dacht je, in de voorafgaande dagen dat dit, als je even oud wordt als je vader, je laatste identiteitskaart zal zijn. Dat is niet het plan.)
Je bent blij je collega’s weer te zien. Verhalen.
Op tijd nog even over huis, om daar te zijn, en dan weer te vertrekken voor het concert.
Aan de ingang van de bijzondere zaal wacht je op haar. Je ziet haar komen, en even zie je die hele tijd dat jullie elkaar al kennen.
Het concert begint. De oude zanger, een klein mannetje, komt kwiek het podium op. De zaal gaat al meteen uit de bol. Hij begint met een meditatieve reeks. Zijn stem is zo breekbaar, zoekt zo mooi een eigen plek. Na de pauze bekendere oudere nummers. Wat zijn die muzikanten ongelooflijk goed. Hoe heerlijk is het, zo’n concert dat niet luid is, en waar je toch elke nuance kunt horen. Er hangt een zachte sluier van melancholie over alles. De woorden lijken onopvallend heel veel te willen zeggen. Je voelt je dankbaar voor zoveel breekbare schoonheid.
Je neemt afscheid van haar op het perron. (De sluier is er nog.)
Die nacht denk je aan dat ene nummer van hem. Hij speelde het niet tijdens het concert, maar de ritmes van die plaat waren er wel. (De melancholie, die je telkens weer raakt. There may come a time, When I will lose you, Lose you as I lose my light, Days falling backward into velvet night.) Hoe je vroeger vaak stond te dansen in de kamer, op dat nummer met die tedere insijpelende ritmes.
Een nieuwe dag. Het concert blijft bewegen in je hoofd.
De poetsmevrouw is blij dat je er weer bent. Ze maakte zich al een beetje zorgen omdat je een keer niet aan je bureau zat. Ze vertelt een heel verhaal. Over haar kinderen, over waar ze nog werkt, over het belang van chocolade. Ze wil weten of jij ook kinderen hebt. Nee, jammer genoeg niet, zeg je. Je vertelt dat je het belangrijk vindt dat mensen in alle seizoenen kunnen leven. Daar is ze het mee eens.
Je vertrekt voor het bedrijfsbezoek. (There may come a time…)
Het bezoek aan de chocoladefabriek. Je leert veel. (Je stelt, zoals steeds, de droomvraag. Wat je dan in ogen ziet gebeuren.)
De mevrouw in de winkel wenst je een mooie iets tussen een bijna-avond en een avond. (Het terugkerende verhaal aan de kassa.) Je glimlacht.
De avondvergadering. Er is een trage ernst. Alsof de beweging zou willen uitrusten.
Een andere dag. Je wilt vroeg vertrekken.
Je ziet het bericht over een beslissing van de regering. Het maakt je kwaad, verdrietig, moe. Je weet dat je even moet wachten nu, om weer verder te gaan. (Het gaat nooit over, denk je, wat het met je doet. Het is goed.)
Je krijgt veel deskundige informatie van je collega’s, over dumplings. (Mentale voorbereiding van de avondafspraak.)
Tussen het werk door volg je de stakeholder meeting op je scherm. (Het is zo vermoeiend. Je ziet ook in de reacties op het scherm iets van een lijn. Wat je een beetje vreesde, het wordt bevestigd.)
Je wacht voor het restaurant. Ze arriveren in etappes.
Kleine onderhandeling over bao’s, dumplings en bowls. En later ook nog over yuzu-ijs en brownies. Je kijkt naar het gesprek, beweegt mee. Je leert weer veel nieuwe woorden. (Je ziet iets van de tijd van jullie samen. Misschien ben je iets, of iemand, in die tijd.)
Ze vertrekken in etappes. Met de bus, en te voet door de stad. Je loopt nog met haar mee. Verhalen. (Iets over bewegen en blijven.)
(Die nacht praat je met de vader in jezelf, hij zou aanwezig kunnen zijn.)
Een nieuwe dag. Het is een vrije dag. Maar je werkt gewoon wat verder aan de dingen. (Het ritme van de week, iets van trouw zijn, iets van de beweging van de vrijdagtekst.)
(Je bent een beetje week, denk je.) Je krijgt een mooi bericht. (Hoe komt het dat zij voelt dat het net het moment is?)
Je werkt rustig verder. Je laat tijdens de middag de warmte van buiten naar binnen komen. (Het is alsof wat fris is tegelijk naar buiten gaat.)
Het is goed geweest, denk je, de rest is voor een volgende dag. Je zoekt de plek in de kamer waar je de warme lucht kunt voelen. (Alsof het je huid was.) Je zet dat ene nummer op, danst in kleine bewegingen, denkt aan de rivier.
Het verdriet heeft gewacht tot het koken. Het mag.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten