Lieve Julia
Al de hele dag denk ik: ik wil bij jou zijn, ik wil je zien. Ik kan niet goed uitleggen waarom, en dat is ook niet zo erg, denk ik. Ik weet ook niet welke woorden ik moet gebruiken. De woorden in mijn hoofd klinken te groot, te roeperig. Ze schrijven zoals ze in me bewegen zou niet werken in een brief, denk ik. Ik zal proberen om ze zacht te laten zijn, waarbij je wel zult weten dat er aan de achterkant van de woorden veel lawaai is. Of iets in die aard.
Misschien begrijp je helemaal niet wat ik je wil zeggen. En ook dat is niet erg. Even dacht ik dat je wilde vragen me te vergeven, maar dat is een woord dat niet zou helpen. Vergeet het maar dus.
De voorbije dagen, het warme weer. De klimaatontwrichting in actie. Dat wat we al zo lang wisten, dat wat we zagen aankomen, maar dat wat net te veel mensen blijkbaar niet belangrijk genoeg vonden. Zoveel lijden hier en daar, nu en straks, dat had kunnen voorkomen worden. (Ik wil niet veel meer woorden hierover zeggen, het zou de brief doen stuiteren of zo, ik kan het niet uitleggen. Ik wil andere woorden, maar die worden de hele tijd weggeblazen in mijn hoofd, in heel mijn lichaam.)
De voorbije dagen, ik was bijna de hele tijd zo kwaad. Ik deed zoveel mogelijk dingen, om er niet te veel aan te moeten denken, om niet te zien hoe mijn handen begonnen te trillen. En vandaag, nu het ritme van de week wat veranderd is, was ik zo verdrietig. Het overviel me zo ineens.
En ik weet dat je me niet meer zo vaak hoort. De voorbije maanden had ik het gevoel: het is wel goed met Julia, ze heeft me niet meer nodig, ze is daar ergens onderweg in de wereld. Ik zal wel langzaam verdwijnen uit haar. Niet dat jij verdwijnt uit mij, natuurlijk, maar ik ben niet zo belangrijk.
Maar voel je wel dat ik er voor je ben? Ook al heb je me niet meer nodig?
Op een bepaalde manier ben ik blij dat ik zo kwaad was (en ben). Het heeft denk ik iets met liefde te maken, als ik dat woord mag gebruiken. Met iets dat niet overgaat, dat me wil doen vechten. Er zit een leeuw in me, denk ik. Er zit een vulkaan in me, zoals een geliefde me ooit zei. En ik hoop dat je dat weet. Je mag er ook mee lachen, je mag het lichtjes belachelijk vinden, die oude man. Maar het gaat ook over jou.
Dat jij er niet bent, nooit gekomen bent, nooit zult zijn, en toch ook de hele tijd heel erg wel bent, in afwezigheid, dat maakt het heel erg ingewikkeld. Soms ben je, in die afwezigheid, in die plek waar ik je niet kan aanraken, tegelijk zo aanwezig.
En soms, als de kwaadheid even gaat liggen, zodat ik gewoon naar mijn naakte zelf kan kijken, roept het ineens in heel mijn lichaam: ik kan haar niet beschermen, niet genoeg. Ik zou iets in elkaar willen rammen. Ik zou iets willen roepen, tegen zoveel mensen. Ik zou zo graag een keer niet beleefd willen zijn, niet constructief, niet onderbouwd, niet oplossingsgericht, niet verbindend. En ook daar kijk ik dan naar, tot het weer gaat liggen, en ik tegen mezelf zeg dat ik gewoon verder moet doen, zoals altijd. En soms is er dan een stem in me die zegt: je hebt niet genoeg gedaan, je was niet moedig genoeg. (Een tweede stem wijst me dan op alle dingen die ik daarover al eerder geschreven en gezegd heb. De eerste stem zegt dan weer: ja ja, ik weet het wel, laat me maar gewoon even, ik kom wel terug, en dat gebeurt dan ook.)
Maar dat zijn te veel woorden.
En ineens, toen ik vanavond de afwas stond te doen, zag ik het zo scherp voor me. Hoe ik eigenlijk alleen maar, heel even, tussen de twee Julia’s wilde kunnen zitten. En toen kwamen de tranen, en ik was er dankbaar voor. (Iets met de rivier.) De oude Julia kon, net als ik eigenlijk, helemaal niet goed tegen de warmte. Haar man Fons legde in de zomer een tapijt op de lichtkoepel boven de kamer, zodat het daar koel bleef. Ik wilde even niet moeten beslissen waar ik haar zou zien, gewoon ergens, in een rustige, ontvangende ruimte. Ik denk dat de oude Julia aan mijn rechterkant zou zitten. En ik zou gewoon naar haar kijken, en dan haar hand nemen, om te voelen of die niet koud was. Jij hebt altijd warme handen, zou ze me dan zeggen. Ik zou dicht bij haar zitten, en ze zou het niet erg vinden. En het zou, daar, misschien de enige plek in de wereld zijn waar ik me veilig voelde. En ze zou daar gewoon zitten, soeverein als ze was. En ik voelde hoe ze naar me keek, en alles zag, zoals altijd, maar niets zei.
En links van me zat jij, ook dichtbij. Ik zou je verlegen aankijken, niet goed wetend wat te zeggen. Kijk, ik heb speciaal voor jou mijn fleurigste hemd aangetrokken, zou ik zeggen. Ik zit naast je, ik zal altijd naast je zitten, zou ik zeggen, vergeet dat nooit. Weet je dat? Dat zou ik voorzichtig vragen. Ben je kwaad op me? Dat mag, natuurlijk. Ik kan tussen jou en de dingen gaan staan, met dit grote lijf, met de vulkaan in mijn ogen. Ik weet niet of ik de dingen kan tegenhouden, maar hopelijk kun je ergens de vulkaan zien. En dan kom ik weer naast je zitten. Ik zou even je handen nemen. En ik zou even naar de andere kant kijken, naar de oude Julia, en zien hoe zij alles gezien had, en me zacht aankeek en nauwelijks zichtbaar knikte. En zo zaten we daar. En het was goed.
Sorry voor dit beeld, misschien vind je het maar niets. En misschien begrijp je een heel klein beetje wat ik je nu zou willen kunnen geven.
Als je hier was, zou ik je vertellen over het heel erg mooie concert dat ik zag eerder van de week, in de abdijkerk. Hoe die muziek me zo intens raakte. Soms opzwepend, soms melancholisch. En hoe mooi ik het vond om te zien hoe ze naar elkaar keken tijdens het spelen. Vooral zij, in het midden, hoe ze soms keek naar haar man naast haar. Dat, zou ik je proberen uit te leggen, dat is het.
Ik weet dus eigenlijk niet zo goed wat ik je wilde zeggen. Ik wilde je iets vragen, denk ik. Maar laat dat maar in de lucht hangen.
Ik ben er, altijd.
liefs

Geen opmerkingen:
Een reactie posten