02 oktober 2026

Helemaal mee


De week vroeg beginnen. Zoveel mogelijk van het lijstje al wegwerken. Om daarna tijd te hebben om traag te zijn.

Een heel mooie reactie op een vraag die je stelde, een dag eerder. (Ze ontroert je hevig. Misschien moet je die gedachte gewoon toelaten, niet wegduwen.)

Een mooi, traag, gesprek. Wat ze vertelt, het raakt je erg. Je ziet de pijn, je kent de pijn. Misschien ben jij daar ook geweest, misschien kun je iets vertellen. Iets van je verhaal geven, het mag naar haar.

Die namiddag. Die nota die je nog moest maken. (Je probeert een methodiek te zien.)

Later in de trein. Een veilig plekje. Even verdwijnen in de beweging.

Je werkt nog wat aan het gastcollege dat je mag geven, zoals elk jaar.

Een nieuwe dag. De vergadering waar je wat tegenop keek. (Iets had je heel verdrietig gemaakt.) Het lukt je om die lange reeks voorstellen te behandelen, en nog tijd over te houden. Daarna pas je de tekst aan, in de twee talen. (Je hoopt dat er nu geen opmerkingen zullen komen.)

(Je kunt een tekst voelen, denk je. En het maakt uit, denk je, hoe anderen jouw tekst aanraken.)

Lichte zenuwachtigheid die avond. De volgende ochtend moet je erg vroeg op. (Zal de wekker van je nieuwe telefoon wel aflopen op het juiste uur? Kun je zomaar op dat apparaat vertrouwen? Ongetwijfeld wel, maar dat besef helpt niet echt.)

Een rusteloze nacht, slapen in etappes, en dus – zoals verwacht – wakker worden voor je wekker.

Heel vroeg door de stad lopen. Er is licht in enkele ramen. Je ziet mensen door kamers gaan. In de verte klinkt er een sirene. Je zit op tijd in je trein. (Het mag.)

In die andere stad. Op weg voor je gastcollege. Je kijkt naar de mensen die ook op weg zijn, naar ergens.

Je les. De jonge vrouw op de eerst rij lijkt elk woord dat je zegt te volgen. Ze knikt de hele tijd, noteert alles in haar schriftje. (Je ziet hen. Je ziet de wereld waarin op ze opgroeien. Je zou zoveel willen, voor hen. Misschien voelen ze het.)

Terug op weg naar het werk, de trein. De vermoeidheid laat zich in je huid voelen. Je leest een artikel over vaders.

Die avond. Een beetje bang voor de vermoeidheid, bang om in de nacht te vallen. (Stiekem denk je aan gedragen worden, aan wiegen. Stiekem.)

Een nieuwe dag. De vorige avond had je nog lang doorgewerkt, merk je. Je loopt door de stad. Je denkt aan het jongetje. (Je weet nooit hoe oud hij zal zijn als je hem ziet.) Je ziet een jongen van twintig naast je lopen. Even is het alsof je ook door zijn ogen kunt kijken, alsof je door hem je oude zelf kunt zien. (Soms vroeg je je het af vroeger, hoe je er later als oude man uit zou zien. Nu kun je het zien.)

Je stuurt een bericht naar twee grote meiden waar je erg trots op bent, je hoopt dat het goed gaat met hen. Ze antwoorden allebei verbazend snel. (Je glimlacht.)

De vergadering. Je stelt de nota voor.

Je hoort een verhaal dat je een beetje verdrietig maakt.

De voorziene afspraak vervalt. Je zit iets vroeger weer in de trein, kunt rustiger koken en afwassen, voor je naar de vergadering vertrekt.

De vergadering, je bent bij je familie. Je probeert iets te formuleren wat je erg bezorgd maakt.

Een nieuwe dag. Zo vroeg mogelijk beginnen, om de vrijdagtekst af te krijgen.

Je afspraak. Je bent zo blij om haar weer te zien. Je ziet zoveel verhalen, ze leggen zich neer. (Soms lijken jouw verhalen zo klein, maar je probeert die gedachte weer los te laten.) Het is zo mooi wat ze met de aarde doet, met het leven dat wil bewegen na de dood. (Je ziet het.)

De vergadering. Het idee van een tijdje geleden begint steeds meer vorm te krijgen, het ontroert je. (Het is zo mooi dat je gewoon een beetje kunt volgen.)

Je hebt je voorgenomen om een beetje dapper te zijn. (Terugkerende boodschappen dat je je digicorder moet vervangen door een TV-box. Je weet het al een hele tijd, je schuift het al een hele tijd voor je uit. Het geeft je stress, apparaten die vervangen moeten worden. Maar je hebt met jezelf afgesproken dat dit dus het moment is.) Je gaat naar de winkel, wacht geduldig je beurt af. Je kwam binnen met een groot apparaat, gaat buiten met een klein apparaat. Thuis zou alles smoothly moeten lopen, je gaat het bijna geloven. Thuis begin je er meteen aan. Alles lijkt goed te lopen, tot ineens niet meer. (De afstandsbediening maakt geen verbinding met het apparaat. Er raast iets door je lichaam. Het zal wel iets symbolisch zijn, geen verbinding kunnen maken.) Je belt de helpdesk. De mevrouw is vriendelijk, maar wat ze ook zegt, niets helpt, en de telefoonverbinding valt de hele tijd uit. (Geen verbinding, je wordt op de proef gesteld.) Je belt terug. De man loodst je door een aantal stappen. (Hij maakt vanop afstand een verbinding. Hij kan dat dus wel.) En het lukt. (Je bent weer mee, helemaal mee, met de vaart der volkeren. Oude man, jongetje. Ook dit heb je overleefd. Je huid zal wat tijd nodig hebben om weer rustig te worden.)

Onderweg in de stad had je gezocht naar een beeld dat naar je toe zou komen. Een beeld dat iets zou zeggen. Je zag een vlinder. De dingen willen je iets zeggen.

Geen opmerkingen: