31 mei 2019

Bescherming

Lagen, ergens in je. Soms schrik je ervan.

Kijken, en jezelf leren.

Vaststellen dat je ’s avonds begint te roepen tegen het scherm. De meneer in beeld doet alsof hij de indruk geeft dat hij aangeslagen is door zijn verlies, maar hij doet eigenlijk iets heel anders. Instrumentele interpretatie, of zoiets, in functie van de eigen ultieme strategie. Roepen, en merken dat het er de volgende dagen nog enkele keren uit zal komen. (Misschien worden die dingen ergens tijdelijk opgeslagen, onzichtbaar.)

(Waarom ziet niet iedereen dat, roept iets in jou. Twee dagen later lees je exact hetzelfde in de krant.)

Zoals steeds een beetje moedeloos worden van al die mensen die al binnen enkele uren de meest omvattende analyses klaar hebben en misschien vooral zelf nog eens in beeld willen komen.

De dag na. Iets gonst in je lichaam.

Je leest dingen, je hoort dingen. (Iets in je roept.)

Later, op weg naar huis. Hele zinnen bonzen in je hoofd. (Misschien helpt het om ze straks uit te schrijven. Misschien niet. Waarom eigenlijk?)

Toch maar wel. De zinnen schrijven zichzelf, leggen zich een beetje neer.

(Je huid blijft alert.)

Een andere dag. Je leest dingen die je niet zo bevallen.

(Eerst zwijgen, dan verdriet, dan nadenken en dan vechten. Iets in je lichaam is bij die laatste fase aangekomen, denk je.)

(Misschien ben je ouder dan sommige anderen. Misschien heb je al veel gevechten gevoerd. Misschien heb je geen schrik voor alle gevechten die nog zullen komen. Misschien zijn die zinnen leesbaar in je lichaam.)

(Een of andere oerkracht die zich naar boven wringt, soms. Het heeft iets met beschermen te maken.)

Een andere dag. Het lijkt alsof de dingen wat rustiger worden.

(Tot ineens een zoveelste gesprek. Je had je voorgenomen helemaal rustig te blijven.)

Je kijkt naar de aflevering van die serie. (Het blijft de seizoensfinale te zijn. Extra emo dus. Stille geliefden, moeders en dochters, ze vinden elkaar uiteindelijk.) Een golf komt over je. Veel tranen. (Oer. Iets met bescherming, zie je.) Je leest de dingen.

Een vergadering. Je denkt dat de dingen zich rustig en duidelijk hebben neergelegd. Het lukt aardig. (Je had je voorgenomen helemaal rustig te blijven.) De dingen nemen je over. Ze zijn weer sterker dan je dacht. (Je schaamt je een beetje voor je kracht. Iets was niet de bedoeling. En tegelijk stelt het je op een of andere manier gerust.) Nadien zie je de dingen.

(Je huid blijft trillen, de hele nacht.)

Misschien is het toch goed om ze uit te schrijven, denk je, de volgende ochtend.

Je verlangt op een of andere manier naar dat schrijven, waar je tegelijk ook geen zin in hebt. (Het moet een doorlopende tekst zijn, denk je. Zodat je in dat ritme kunt komen, zodat de zinnen je zachter kunnen maken, zodat het voor anderen rustiger te zien is, zodat de woorden iets met je huid kunnen doen. De zinnen zaten er al, stuiterden heen en weer. Door ze te schrijven verbinden ze zich met elkaar, komen ze thuis.)

(Om een of andere reden moest je dit doen. Je moest ergens gaan staan. Daar. Om iets te laten zien. Je begrijpt het niet helemaal.)

(Later zegt een goede vriend dat jij die tekst bent, of zo.)

Een vriendin op bezoek. Een mooi gesprek op het terras. Over de echte dingen.

Over de liefde. Ze vraagt iets, je probeert het uit te leggen. (Je denkt dat het niets is, maar het is veel.)

Sommige zinnen die je zegt raken de rivier aan, ergens.

Je probeert iets te vertellen over dat ene stukje. (Je probeert iets te vertellen over bescherming. Alleen het woord al opent sluizen.) Je probeert die ene zin te stotteren. We blijven. Misschien is dat al iets. (Misschien was die zin er ook voor haar, en wil je dat ook zeggen.)

Ze legt de zin voor je uit.

(Misschien doe je heel af en toe het goede, denk je.)

Ook in afwezigheid kun je zijn. Die zin begrijp je nog beter.

(Het citroentaartje bewaar je voor de volgende dag.)

’s Avonds werk je de tekst af. Je voelt hoe die zijn eigen ritme heeft gekregen. Het is goed zo. Je kunt hem loslaten.

(Je huid wordt zachter.)

Geen opmerkingen: