Een zeer gevulde week dient zich aan. Je zult je goed moeten concentreren.
(Vakjes naast elkaar in je hoofd, of stapeltjes, het maakt niet uit. Netjes van het ene naar het andere, dat is het plan.)
De eerste vergadering. Ze hebben het over de tekst die je schreef. Ze vinden hem eigenlijk wel goed, zo blijkt. Je moet nog enkele kleine aanpassingen doen.
(Zouden die pakjes onderweg zijn? Je bent niet goed in pakjes die onderweg zijn.)
Op weg naar huis probeer je enigszins in een boog omheen de drukte in de stad te lopen. (Je hebt geen aanleg voor jaarmarkten.)
De aanpassingen voor het ene advies verwerken. Beginnen met schrijven aan het andere advies. (In je hoofd zie je de tekst al, min of meer.)
Een volgende dag. Vroeg beginnen. Om zo snel mogelijk verder te kunnen werken aan het tweede advies. (Tekstonrust. Een fenomeen van lichamelijke onrust als een tekst in de maak is. Verdwijnt pas wanneer de tekst zich neerlegt in zichzelf.)
Je krijgt een bericht dat het eerste pakje geleverd zal worden, tussen dat en dat uur. Tien minuten eerder belt de postmeneer aan je deur. (Je doet de doos nog niet open, die nieuwe telefoon wacht nog wel even op je.)
De namiddagvergadering die je mag voorzitten. (Je bent helemaal voorbereid.) Die vergadering maakt je steeds gelukkig. Je kijkt rond, luistert naar de verhalen, je bent trots. Zoals steeds heel goed op tijd klaar. Het is zo fijn te zien hoe ze allemaal nog even langsgaan bij elkaar om bij te praten.
Buiten, een onverwachte ontmoeting. Je bent blij haar te zien. (Misschien ben je een beetje verlegen.)
De meneer in de telefoonwinkel helpt je met dat ding dat nog moest gebeuren.
Je loopt traag naar huis. (Een beetje moe, van de concentratie. Je probeert even niet te denken aan de volgende vakjes in je hoofd.)
Je maakt die avond al maar meteen het verslag van die middag, werkt alle puntjes af, zodat het weg kan uit je hoofd.
(Een tragere nacht.)
Een nieuwe dag.
(Je begrijpt niets van die berichtjes over dat andere pakje dat onderweg zou zijn. Moet je het nu ophalen of komt het naar je huis? Je probeert meer te weten te komen, maar het virtuele wezen dat op je vragen antwoordt zegt dingen die het nog moeilijker maken.)
(Pakjesonrust.)
Het overleg bij de minister. Alles is netjes voorbereid. Hij doet zijn best om goed te antwoorden op alle vragen. Je kijkt naar het gesprek, hoe de vragen bewegen. Ze zijn tevreden, denk je.
Je stuurt het tweede advies weg. (Je mag even dat vakje verlaten.)
Op weg naar huis. (Zou dit de plek zijn waar je je pakje zou moeten ophalen als je het moet ophalen? Er stond toch dat het onderweg is naar jou thuis?)
De avondvergadering. Een merkwaardige, vervelende discussie. (Je begrijpt hen niet. Waarom doen ze het?)
Een volgende dag. Al snel zal duidelijk worden wat er de vorige avond aan het gebeuren was in de vergadering. (Je bent kwaad.)
De belangrijke vergadering. Ze staat al maanden in je agenda, jij moet het verslag maken. Je collega heeft vrij. Een onverwachte openingsvraag voor alle aanwezigen, hoe ze zich gevoeld hebben in die hete zomer. De antwoorden ontroeren je. Je weet niet heel zeker hoeveel je mag zeggen. Je vertelt toch maar. Je kijkt naar de vergadering, hoe ze beweegt, probeert alle details te zien.
Na de andere vergadering in de namiddag zoveel mogelijk proberen in te halen nog.
Op weg naar huis. Dus toch maar naar die winkel gaan voor je pakje. De vriendelijke meneer moet even zoeken. Je kijkt rond naar alle wonderlijke voedingsmiddelen in de winkel. Je verontschuldigt je dat je niet een dag eerder bent gekomen (omdat je dacht dat het pakje naar jou toe zou komen.) (Je bent geen pakjesmens, denk je.)
Weer thuis, een beetje moe. Je lichaam is klaar om door iets anders gevuld te worden, het mag worden overgenomen door schoonheid, denk je.
Je vertrekt naar het concert. Je zult wel een beetje te vroeg zijn, zoals steeds.
De stoelen staan dicht bij elkaar, rond het orgel. Er is maar plaats voor weinig mensen. Je kijkt naar het orgel. (De rest van de dag is al uit je lichaam aan het verdwijnen.)
Hij is nog zo jong, de organist. Hij zal vijf stukken van Bach spelen, vertelt er telkens een heel verhaal bij. (Je verdwijnt langzaam in iets.) Het is zo anders, nu je zo dicht bij het orgel bent, niet daar beneden in de kerk. Je ziet de materialiteit van het instrument, van het spelen, en daarboven is de muziek. Je ziet de partituur. (Wat zag Bach in zijn hoofd? Kon hij de muziek zien?) De fuga in g, waarmee hij afsluit. Hij speelt zo licht, zo helder. Je voelt de tranen komen. (Je ziet de muziek.)
Traag loop je weer naar huis. (Je was daar waar je wilde zijn.)
En een andere dag. Je collega is weer terug, je bent blij hem te zien.
(Hoe zou het met haar zijn, je stuurt haar een berichtje.)
Je krijgt een bericht. Een nieuw kindje is geboren, je bent zo blij.
De vrijdagtekst. Het vrijdagstuk.
Voor het weekend begint wil je het verslag van die vergadering van de vorige dag klaar hebben.
Het lukt net. En je haalt je normale trein ook nog net. (Je bent moe.).
Het mag zacht nu, denk je.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten