24 oktober 2026

Dansen, waar de tijd kantelt


Een week die zo vol lijkt. En je zou zo aanwezig willen zijn in momenten. (Misschien zou je soms de tijd een beetje willen kunnen uitrekken, om er dan in te kunnen liggen. Of zoiets.)

De vergadering. Je had het document al voorbereid in het weekend. (In zo’n nota lijkt de werkelijkheid een beetje controleerbaar. Alsof.)

Het overleg, met de sprekers van de conferentie. Het zoekt. En dat is goed.

En al het andere.

(Je hebt nog een stuk te schrijven deze week. Je wacht op wat zich zal aandienen.)

Een nieuwe dag. Thuis aan het werk. (Het langzame licht van de ochtend.)

De vergadering. Je probeert iets te formuleren, zoekend. Iets over bewegen.

Een mooi gesprek. Over een architectuur van het genoeg.

Een luisterend gesprek. Je hebt de volgende dag een belangrijke vergadering voor te zitten. Het is kwetsbaar. Je hoort hun verhalen. (Hopelijk zul je iets kunnen doen dat voor hen wat zal betekenen.)

Een avond in de schouwburg. In goed gezelschap. De bekende schrijfster op het podium, ze vertelt zelf het verhaal van haar leven. Als een daad van verzet. Ze staat er. (Je zou denk je niets tegen haar durven zeggen.) Het brengt je ook even terug naar toen je studeerde.

Je ziet iemand die je al lang niet meer zag. Je vraagt hoe het met haar gaat. Wat ze vertelt, maakt je een beetje droef. En ze zegt nog: jouw boek luistert. (Verlegen.)

Een andere dag. (Dat stuk dat je nog moet schrijven. Het is alsof je enkele dingen ziet drijven in je hoofd. Daar zal de tekst naartoe gaan, denk je.)

Je krijgt de bevestiging van de laatste spreker die je nog zocht voor het panel van binnen enkele weken. (Je bent zo blij dat het rond is.) Je probeert tussen alles door het ding nu echt op de sporen te krijgen. (Die achtergrondnota, de woorden stromen.)

Alles van het lijstje is klaar. Nu die tekst. Je ziet de tekst nog niet. Wel de punten die je als een lijn met elkaar zou moeten verbinden. (Je weet nooit helemaal waar de tekst je naartoe zal leiden.) En tot je verbazing is het Bob, die het begin en het einde van de tekst bij elkaar zal brengen. Je volgt de woorden. (Rivier.) Je probeert mee te bewegen, om te kunnen dansen. In de tijd. Iets in die aard.

De avondvergadering. Je hebt een delicate rol. (Je probeert een plek te maken.) Het is moeilijk, maar er lijkt iets te gebeuren. Je hoort dat mensen zeggen dat ze voor het eerst sinds lang weer een wij voelden. Misschien heb je iets kunnen doen

Een nieuwe dag. Verhalen van de collega’s.

Een lang lijstje. Je probeert zoveel mogelijk te doen.

Die avond. De abdij. Je luistert naar de woorden, kijkt rond. (Het is zo bijzonder denk je, al die jaren, die naar dit moment leidden.) En dan is het tijd om te dolen door de ruimtes, te luisteren naar wat die bijzondere kunstwerken doen met de plek. Het ontroert je heel erg allemaal. De volle leegte die je ervaart. Het is alsof je het kantelen van de tijd zou kunnen aanraken. Je ademt anders.

Een andere dag. Je werkt de vrijdagtekst af.

Je leest die lange tekst. Je probeert alleen maar te luisteren.

Stormboodschappen. Je vertrekt toch maar voor een tweede avond in de abdij. De curatoren vertellen over hun werk. En je loopt nog eens door alle ruimtes. Je kijkt al een beetje anders dan de vorige dag. Het ontroert je weer heel erg. In sommige zalen ben je helemaal alleen, jij en de ruimte. (Het kamertje met de rode muur. Er is iets, daar.)

Het waait nog stevig wanneer je weer naar huis fietst.

Een volgende dag. Op weg naar die andere stad, voor een vergadering. Een boeiend gesprek. (Je mag iemand van de oude generatie zijn.)

Terug. Je fietst eerst nog eens naar de abdij. Kijken naar de vele mensen die daar willen zijn. (Je voelt de plek.)

Je komt een dierbare vriendin tegen. Je wou haar al lang iets zeggen, je doet het.

En nog de boodschappen, en nog wat werken. (En je wacht nog op een moment van stilte. De volgende dag.) En dan aftellen naar Bob.

Geen opmerkingen: