24 juli 2025

Beladen huis


Hoeveel ruimte mag je innemen, in de wereld, in je huis? En hoeveel van jouw persoonlijke ruimte mag het huis innemen? Mogen vrouwen, mogen moeders even zichtbaar zijn als mannen? Kun je een ander, van wie je houdt, echt kennen? Of ben je gedoemd om van elkaar weg te drijven? Christien Brinkgreve heeft het over die vragen, in het indrukwekkende Beladen huis. Het boek is geen roman, maar een memoir, wat het niet minder literair maakt. Het citaat van Virginia Woolf bij het begin van het boek zegt het heel goed: “Alleen door het onder woorden te brengen kan ik er een geheel van maken.” Woorden kunnen een werkelijkheid die verstikkend en onkenbaar geworden was weer dichterbij halen en uit elkaar leggen en zuurstof geven. Woorden kunnen, met terugwerkende kracht, weer iets laten bewegen in wat onbeweeglijk geworden was. Woorden kunnen een huis laten zien dat niet gezien werd, en het zo bevrijden voor een andere toekomst.

In het boek beschrijft Christien Brinkgreve, emeritus hoogleraar sociale wetenschappen, de periode na de dood van haar man, in het boek “A” genoemd. Hij was in Nederland een bekende journalist en schrijver. Ze moet aan de slag met het grote huis waarin ze woonden. Het huis is een beladen huis. Het voelt als bezet gebied, overvol met spullen van haar man, overvol met herinneringen. Het is een symbool, uithangbord, slagveld en vergeetplek van verschillende levens, van een binnen- en een buitenwereld. Het uitruimen en heroveren van het huis is moeizame rouwarbeid. Het is het in woorden lezen en weer bij elkaar brengen van wat ergens onderweg ontsnapt was. Het is het (opnieuw) begrijpen van maatschappelijk ingesleten patronen van de verdeling van (maatschappelijke en persoonlijke) ruimte op basis van gender en hoe die inwerken in de binnenruimte van een relatie en een gezin. Het huis is het kruispunt van al die bewegingen.

Brinkgreve was als professor in de vrouwenstudies actief als een krachtige feministische stem in het maatschappelijk debat. Ze was succesvol, ze had een stem, ze nam vanzelfsprekend de ruimte in en werd gehoord. Thuis is het echter een andere werkelijkheid. Bij het begin van haar relatie met A is er grote liefde. Ze worden erg tot elkaar aangetrokken, onder meer door de woorden. Hij kan heel scherp dingen analyseren en verwoorden, is kritisch en aanwezig. Ze praten veel met elkaar, zijn geïnteresseerd in elkaars verhalen. Maar langzaam maar zeker verandert de balans, of wordt duidelijk wat zich al van in het begin aankondigde. Eigenlijk heeft A het moeilijk met de positie en groeiende erkenning die zijn vrouw krijgt in de buitenwereld. Hoewel hij haar officieel steunt bij alles, had hij eigenlijk liever gehad dat zij meer ten dienste van hem zou leven. Zij worstelt met haar rollen. Aan de ene kant een academische carrière uitbouwen, aan de andere kant de bijna volledige verantwoordelijkheid voor het gezin en de emotionele verantwoordelijkheid voor een man die zelf zwaar getraumatiseerd is door de vroege dood van zijn zusje. In de buitenwereld is ze een graag geziene en gewaardeerde feministe, in de binnenwereld zwijgt ze en probeert ze alle ballen in de lucht te houden voor de goede vrede. De twee leven steeds meer naast elkaar. Het is als geheel een levendig gezin, met hun twee zoons, en nog twee dochters uit een eerder huwelijk van A, maar achter dat beeld schuilt een andere werkelijkheid.

Brinkgreve probeert te achterhalen hoe het zover is kunnen komen. Het opruimen van het huis is een verhaalarbeid. Ergens onderweg zijn de dingen vastgelopen, konden de man en de vrouw elkaar niet meer bereiken, ondanks hun woorden. Vanaf dan zijn de vele spullen een vorm van bezetting geworden, die het huis tot een verstikkende plek maakten, vooral dan voor haar. Waarschijnlijk werd het anders ervaren door de kinderen, die het impliciet misschien normaal vonden dat hun moeder de vanzelfsprekende emotionele ruggengraat van het huis was. Voor A was het ook anders waarschijnlijk. Hij droeg een groot verdriet mee, en zoals zo vaak bij mannen, legde hij dat als vanzelfsprekend op de wereld, op het huis, op anderen. Hij nam het huis in voor zijn verhaal, was blijkbaar niet in staat zichzelf te helen, legde dat bij anderen, en werd met het ouder worden en het verlies van status steeds meer een mopperende man die niet wou sterven.

De mechanismen die Brinkgreve in haar academisch werk bestudeerde laten zich zien in haar eigen binnenwereld, ze is als het ware een ‘casus’ van haar wetenschappelijk werd. De “karrensporen van het patriarchaat” laten zich ook thuis voelen. De “empathiekloof” die maakt dat men het normaal vindt dat er meer empathie is voor het geworstel van mannen dat alle ruimte mag innemen dan voor het ingewikkelde evenwichtswerk van vrouwen wordt erg zichtbaar in dat beladen huis. De emotionele verantwoordelijkheid voor het oplossen van al die conflicten en voor het aan de gang houden van die kleine maatschappij die een gezin is ligt bij de vrouw, die het in haar rol als moeder goed doet als ze onzichtbaar is en geen eigen ruimte inneemt.

Elk hoofdstuk van het boek is als een kleine omcirkelende beweging die een beetje lucht en licht brengt in dat massief bezet gebied dat het huis geworden is. De verhalen die zo ontstaan halen een werkelijkheid terug en vormen een nieuw fundament om het huis een toekomst te geven. Het is schrijnend en mooi om te zien hoe Brinkgreve zich steeds kan terugtrekken in haar eigen werkkamer, haar veilige plek, waar ze met de woorden kan bezig zijn die haar verbinden met de buitenwereld. Die eigen ruimte is een redding, maar is ook dubbel. Voor de andere gezinsleden is zij zo vaak ‘weg’ of afwezig, hoewel zij dat zelf heel anders beleeft. Die eigen ruimte is ook het veilige eiland waarin zij en A naar elkaar mailen en zo via wat hen ooit verbond, de woorden, een ontroerende en soms ook harde intimiteit kunnen behouden. Zij gaat niet weg uit het huwelijk, uit het huis, wil blijven. Door het nadien verhalen van de emotionele blubber, reconstrueert ze zichzelf en kan ze ook terug zien hoeveel ingewikkelde liefde er ondanks alles wél was. Tegelijk blijft er een fundamentele onbereikbaarheid. Hij is zelf een beladen huis. Hoewel hij in de buitenwereld een belangrijke stem was in het debat over geestelijke gezondheidszorg kan hij toch niet de moed vinden om zijn eigen huis echt onder ogen te zien, te blijven staan in die wankele plek en zelf de verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen pijn. Hij heeft eigenlijk altijd gehoopt dat zijn vrouw de lege plek zou innemen die er door de dood van zijn zusje is gekomen, en dat door te gaan leven voor hem. Het gevecht met het huis is zo een gevecht met de eigen demonen.

Christien Brinkgreve heeft met Beladen huis een bijzonder indrukwekkend en aangrijpend boek gemaakt dat nog lang blijft nawerken na het lezen. Het is een dappere, soms genadeloze, maar tegelijk ook liefdevolle oefening in het zoeken naar het huis dat je zelf bent. De woorden brachten twee mensen samen in wat ooit een grote liefde was. De woorden konden niet voorkomen dat die liefde vastliep in te veel pijn en in onuitgesproken maatschappelijke verwachtingen. De woorden waren tegelijk soms de enige brug tussen eilanden in een huis dat te veel gewicht moest dragen. Maar het zijn ook de woorden die een onzichtbaar leven kunnen heroveren en leesbaar maken. Het zijn de woorden die tot een geheel kunnen maken wat onaanraakbaar was en zo ook doen helen. Het is Christien Brinkgreve die als verteller van verhalen het huis van iets van zichzelf heeft bevrijd en zo ruimte heeft gemaakt voor verder leven. Beladen huis is een heel bijzonder boek dat je als lezer ook naar jezelf laat kijken en dat je confronteert met hoe je zelf soms vastliep in je eigen huis, hoe je zelf niet ontsnapt aan je eigen karrensporen en je eigen falende eenzaamheid. Om te kunnen helen moet je aan het werk in je huis, en daarvoor heb je de tijd van verhalen nodig.

22 juli 2025

De zomer toen


Misschien wil iets in je vasthouden aan een zomer die maar niet voorbij zou mogen gaan. Misschien zie je niet dat de zomer voorbij is, of dat de zomer elders is, dichter bij wie je altijd al was. Misschien is er moed nodig om naar die plek te gaan. Misschien kun je daar een mannelijkheid vinden die je niet uitholt maar heelt. Misschien kun je daar de vader zijn die alleen jij kunt zijn, en kun je zo een beetje je eigen vader worden. Ook in afwezigheid kun je zijn, al heb je geduldige tijd nodig om tot daar te komen. En de liefde van een vrouw en een kind. Dat zou een weergave kunnen zijn van het mooie De zomer toen van Lieven Stoefs.

Na zijn debuut Peninsula is dit de tweede roman van Lieven Stoefs. Dat eerste boek maakte de weg vrij voor dit nieuwe boek. Het hoofdpersonage groeide op in Griekenland en zoekt terug in België een weg in het leven, een weg naar een volwassenheid die een eigen plek kan zijn. Hij komt uit een gezin dat geen veilige plek was. Een vader die worstelt met een alcoholverslaving en soms een tikkende tijdbom lijkt. Een moeder die aan- en afwezig is, misschien soms eigenzinnig en raar lijkt, maar vooral probeert te overleven. De twee broers maken het het hoofdpersonage als kind niet altijd gemakkelijk. Je leeft in hetzelfde leven, maar je hebt daarom nog niet hetzelfde leven. Een broer is geen vriend, is meer en minder tegelijk.

De ik-verteller kijkt door de ogen van het hoofdpersonage en blijft dicht bij hem. De verteller organiseert het geheel, in opeenvolgende vrij korte hoofdstukken. Alles wordt zorgvuldig opgebouwd, met mooie titels en zinnen. Maar er gebeurt veel onderhuids. En als lezer zie je soms meer dan de verteller laat zien. De dingen moeten hun tijd hebben.

Het hoofdpersonage zoekt aansluiting bij een groep mannen. Ze worden een heel hechte vriendengroep, althans dat lijkt toch zo. Ze doen veel dingen samen, dingen die jonge mannen doen, blijkbaar. Het lijkt een veilige plek, die steunt op voorspelbare rituelen en kameraadschap. Ruimte innemen, met vaste rollen, en veel lawaai.

Wat je als lezer al eerder ziet aankomen, komt met moeite en verwarring voor het hoofdpersonage. De groep vrienden valt deels uit elkaar. De anderen laten de ik min of meer achter. Misschien is hij er nooit echt bij geweest en beseft hij dat pas later. Misschien willen de anderen in hun vertrouwde rol blijven, terwijl de ik in het boek beweegt, zichzelf vindt.

Peninsula was op een bepaalde manier een heel hard boek. Er is een grote onderhuidse spanning, die op een heel lichamelijke manier beweegt in het boek. Een toon van hyperalert zijn, onveiligheid, niet weten en niet herkennen wat veilige geborgenheid of liefde zou kunnen zijn. Er klinkt soms een bittere machteloosheid tussen de woorden. Het is alsof er een soort beschermende afstand in dat boek zit. In De zomer toen is de intensiteit niet minder, maar lijkt er minder afstand. Het hoofdpersonage laat zich meer zien, laat je als lezer dichterbij komen. Je voelt ook hoe het boek meer één geheel is, met één lange beweging.

Tussen de mooie gestileerde woorden en de zorgvuldige opbouw voel je een sterke tragiek. Het kind dat van jongen naar man gaat zoekt een plek om te zijn, maar kan daarbij niet terugvallen op een interne grammatica die kinderen die kunnen opgroeien in een veilig warm en liefdevol gezin meekrijgen en hebben verankerd in hun lichaam. Het kind moet zelf zoeken hoe de dingen zouden kunnen zijn. Je sluit je aan bij een groep. Je bent hyper-opmerkzaam voor alle kleine regels, je construeert zo de externe grammatica en speelt als het ware mee, in de misschien onbewuste hoop dat dat je eenzaamheid zal wegnemen. Dat soort proces wordt op een erg fijnzinnige en indrukwekkende manier weergegeven in dit boek. Het hoofdpersonage komt in een vorm terecht die eigenlijk niet helemaal goed of vervullend is, maar blijft meedoen en verwachten dat de loyauteit echt en te vertrouwen is. Alsof daar toch iets onvoorwaardelijks zou zijn. Eigenlijk zou een andere plek beter zijn voor hem, maar hij blijft zijn best doen om de groep bij elkaar te houden, waardoor hij niet altijd ziet dat er geen evenwicht is en zich zelfs schuldig voelt wanneer de anderen hem laten vallen.

De weg die het hoofdpersonage volgt, is in zekere zin ook een weg langs mannelijkheden. Jongen, broer, vriend, zoon, vader. Het zijn rollen of plekken. Ze worden mee bepaald door verwachtingen, door een cultuur waarin mannelijkheid staat voor niet praten over je emoties. Ze komen overeen met dingen waarin je je thuis zou moeten voelen. Maar dat is niet noodzakelijk zo, ze vullen niet zomaar de lege plekken in je lichaam. Maar misschien moet je er doorheen, om te ontdekken wie je wilt en kunt zijn in die leegte. Een bepaalde vorm van mannelijkheid kan als een erfzonde voelen. Misschien zit het geweld ook wel diep in jou verankerd, kan het er ineens zomaar uitkomen. Maar dan is er die vrouw die de ik de kans geeft om een plek in zichzelf te zoeken. En dan is er die zoon, waardoor de ik de uitnodiging krijgt om een vader te zijn, de vader die alleen hij kon zijn door in die lege plek te gaan staan, en te blijven. En in dat blijven kan hij een veilige plek zijn voor zijn zoon.

De manier waarop Lieven Stoefs dat hele gegeven in woorden brengt, is bijzonder knap. Als lezer moet je de verteller volgen en krijg je het ritme van een rustige tekst die geduldig maar ingehouden verder beweegt. Wie wil, ziet onder de huid van die zinnen en woorden heel veel gebeuren. Een bepaald soort zomer toen was misschien nodig om tot hier te komen. Maar nu zijn we nu. Je kunt leven in alle seizoenen. Een heel mooi en moedig boek.

21 juli 2025

Real Estate


Vakantie is ook een tijd voor boeken die al even op de boekenstapel lagen, wachtend op het juiste moment. En dit was blijkbaar het moment voor het heel erg mooie 'Real Estate' van Deborah Levy, uit 2021. Het gaat over hoe je als vrouw een plek zoekt voor jezelf, een plek die je zelf bent. Er zijn verwachtingen, er is het patriarchale systeem, ze trekken je in een richting waarin je je plek gaat vertalen in het pad naar materieel bezit van een huis. 

Levy beweegt heen en weer tussen al die beelden, nu ze zestig is, ook haar jongste dochter uit huis is en ze na een scheiding een nieuw evenwicht zoekt. In haar hoofd heeft ze een groot droomhuis, dat de hele tijd met haar meegaat. Ze reist heen en weer, op bezoek bij vrienden, naar plekken waar ze een tijd kan blijven om te schrijven en waar ze nieuwe verhalen en talen leert. Ze wordt geconfronteerd met mannelijke verwachtingen over wat vrouwen, vrouwelijke schrijvers en vrouwelijke personages wel en vooral niet mogen zijn. 

De verteller zit tegelijk dicht op het echte leven van Deborah Levy en heeft ook de nodige afstand om het hele boek te componeren uit fragmenten die verspreid zijn in de tijd. Het is als lezer alsof je de hele tijd de schrijver dicht bij je kunt voelen en tegelijk toch ook niet. Het boek bestaat uit kleine fragmenten, telkens in een heel mooie taal, licht en ironisch, maar ook ingehouden. Met meer vragen dan antwoorden, en allerlei verwijzingen naar diverse kunstenaars. 

Naarmate je leest voel je steeds beter hoe dit boek veel meer is dan een gewone biografie. Je voelt hoe de tekst leeft. Je voelt hoe het boek meer zegt en laat zien dan enkel persoonlijke ervaringen. Deborah Levy beweegt hel mooi heen en weer tussen werkelijke en gedroomde plekken, levens van echte mensen en van personages. Dat eigen huis, die 'room of one's own', bestaat in de relaties met mensen, in je leven vormgeven, in verhalen, in een soeverein leven waarin het niet de mannen zijn die zeggen wat vrouwen moeten denken of zijn. Het mooi vormgegeven boek ademt mee met de tekst die in zekere zin ingehouden zindert. Heel mooi.