26 maart 2017

De bekeerlinge

Waar verlies je jezelf in de vlucht? De vlucht die je koos, die jou koos, die je niet koos, maar waaraan je niet meer kon ontsnappen? Hoe blijft de tijd in het landschap? Kunnen woorden iets van een leven behouden? Kunnen woorden een leven toevoegen, een leven tastbaar maken, een leven schrijven, en het zo onttrekken aan de vlucht in de vergetelheid? Deze, en nog veel meer vragen gaan door je hoofd tijdens het lezen van de schitterende, soms zelfs adembenemende roman De bekeerlinge van Stefan Hertmans.

Stefan Hertmans verblijft al jaren regelmatig in het dorpje Monieux, in het zuiden van Frankrijk. Via een krantenartikel komt hij op het spoor van een verhaal dat zich afspeelt in de 11de eeuw en dat (waarschijnlijk) met dat dorpje te maken heeft. Het boek dat zo ontstond volgt sporen, zoekt sporen en maakt sporen. Het is het verhaal van een jonge vrouw die gekneld raakt in de turbulentie van een tijdsgewricht. En het is het verhaal van de auteur die dat leven en die tijd reconstrueert, en zo iets onthult over onze tijd, over literatuur, over identiteit.

In het kleine dorpje zijn er nog sporen van hoe het daar was tien eeuwen geleden. Er zijn restanten in het landschap. En er zijn verhalen, over een schat. De tijd is nog ergens in het landschap. Die tijd heeft zijn eigen ritme en logica. Mensen kunnen genadeloos verdwijnen in de tijd. Literatuur kan verhalen redden uit de tijd, door ze te maken.

De bekeerlinge uit de titel van het boek is een jonge christelijke vrouw uit Rouen. Haar familie stamt af van Vikings en heeft ook Vlaamse roots. Ze leert een joodse jongen kennen, afkomstig uit het zuiden van het land. De liefde is te sterk, en ze trekken samen weg. Daardoor staat er een prijs op haar hoofd. Haar vader is woest, en wil haar ten koste van alles terug. Na een helse tocht komen ze aan in Narbonne, bij de familie van de jongen. Zij wordt joods, krijgt een andere naam. Het jonge koppel verhuist, om veiligheidsredenen naar Monieux, waar op dat moment ook een kleine joodse gemeenschap is. Ze leven in rust en harmonie. Zij lijkt een evenwicht te vinden in haar nieuwe identiteit. Er zijn ondertussen drie kinderen. Het lijkt een veilige plek, waar de Normandische gezanten de vrouw hopelijk niet kunnen vinden. Maar de wereld is in beweging. Er wordt opgeroepen tot een kruistocht. De spanning stijgt. Het samenleven tussen verschillende godsdiensten komt onder druk. Een leger op weg naar Jeruzalem komt langs Monieux, het loopt uit de hand. Er vindt een slachting plaats onder de joodse bewoners. Haar man wordt gedood, haar twee oudste kinderen worden meegenomen. Zij kan ontsnappen, met haar jongste kind. Ze is radeloos, bezeten door het idee dat ze haar twee andere kinderen terug moet vinden. Ze zal de overtocht maken over de zee, komt uiteindelijk in Egypte terecht, waar ze schijnbaar een nieuw leven vindt. Een eindpunt van haar vlucht wordt het evenwel niet. Weer vertrekt ze, terug naar nergens, zo zal blijken. Ze begint weg te lekken door de scheuren van haar getraumatiseerde identiteit. Ontheemd zal ze verdwijnen in de tijd, op een plek nabij het huis van de auteur.

Het verhaal van de jonge vrouw wordt verteld op een heel tastbare manier. Je krijgt als lezer erg veel informatie over hoe het leven was in de 11de eeuw. Je krijgt een ongemeen boeiende inkijk in het samenleven van verschillende religies, in het leven van joodse gemeenschappen die eerst nog veilig waren in de steden, maar rond die tijd het slachtoffer werden van pogroms. Het verhaal van de vrouw is verweven met het verhaal van de auteur die letterlijk de tocht aflegt van Rouen naar Narbonne, naar Egypte, en ten slotte ook naar Cambridge (waar enkele historische bronnen te vinden zijn voor het  verhaal). De auteur wil het landschap ervaren, de plekken benaderen en aanraken waar die jonge vrouw geweest is (of zou kunnen geweest zijn) zoveel eeuwen geleden. Die beschrijvingen zijn heel zinnelijk. Het landschap, door de tijd getekend, is als een personage. De auteur maakt geen historische roman met een verteller op afstand, maar kiest ervoor om zelf aanwezig te zijn. Hij onthult een geschiedenis die tegelijk ook zijn verhaal is. Het is fascinerend hoe hij uit het zwijgende en anonieme landschap de tijd en ook het leven van een heel bijzondere vrouw bevrijdt. Hij doet dit in een taal die betrokken, vaak poëtisch en wellustig, erudiet en ook respectvol observerend is. Het is niet moeilijk om op veel plaatsen allerlei parallellen te zien met onze huidige tijd, maar die worden meer aangeboden dan met zoveel woorden benoemd. Het verhaal spreekt voor zich. De auteur is als verteller heel aanwezig, maar hij houdt voldoende afstand. Soms voel je een jongensachtige begeestering in het zoeken naar sporen en tekens. Je voelt dat er enorm veel opzoekingswerk is gebeurd, maar al die historische contextelementen brengen het verhaal nooit uit evenwicht. Je ziet de hele tijd die jonge vrouw voor je. En door de schrijfstijl van Hertmans krijg je er de hele tijd ook het licht en de geuren bij. Om een of andere reden is het trouwens alsof het boek een zuiders licht uitstraalt.

Het verhaal van die jonge vrouw is natuurlijk diep en diep tragisch. Er zijn veel facetten aan. Het is een verhaal over verschuivende identiteiten. Hoe is het om als het ware in een nieuw geloof te gaan wonen, samen met alle culturele elementen die daarbij horen? Kun je rust vinden in die nieuwe vorm door jezelf een nieuwe naam te geven? Of zul je altijd een beetje tussen twee stoelen vallen? Hoe is het als je uit een begoede familie komt uit het noorden van het land en uiteindelijk gaat wonen in een kleine gemeenschap in het zuiden, waar je een heel ander soort leven krijgt? Hoe is het om altijd een onrust te voelen omdat je op de vlucht bent, wetend dat je alles hebt achtergelaten en dat je niet meer terug kunt? Hoe is het om ineens veiligheden te voelen kantelen? En wat doen al die dingen met je gevoel van identiteit, van thuis zijn in de plek die je zelf bent? Misschien is het sowieso al moeilijk in zo’n context niet in een gevoel van ontheemding terecht te komen. En wat als je daarnaast ook nog eens je geliefde (voor wie je dat oude leven opgaf) en je kinderen (je nieuwe plek) verliest? Het is bijzonder aangrijpend om te lezen hoe al die dingen samen die jonge vrouw zullen vermalen. Er zijn mensen die haar willen helpen. (De historische bronnen waarop de auteur zich baseert, zijn verbonden met mensen die haar wilden helpen. Als ze dat niet hadden geprobeerd, zou er waarschijnlijk nooit een spoor overgebleven zijn van haar verhaal.) Maar ze staan machteloos, de vrouw kan niet ontsnappen aan de vlucht.

De bekeerlinge is een heel bijzonder boek. Het kruipt onder je huid. Vaak is het boek erg meeslepend, je houdt je adem in om sneller te kunnen lezen of omdat je het gevoel hebt dat je naast het hoofdpersonage of naast de auteur staat. Het boek doet heel veel dingen tegelijk, en dat in een vorm die heel natuurlijk aanvoelt, hoewel die eigenlijk heel hybride is. Het verhaal van de jonge vrouw en het verhaal van de vertellende auteur die in het landschap op zoek gaat naar sporen van het verhaal dat hij aan het schrijven is houden elkaar in evenwicht. Van in het nu kun je kijken naar een woelige tijd tien eeuwen geleden, en zo kun je ook kijken naar de woelige tijden van nu. En dat in een taal die beweegt tussen romaans en barok, tussen rustig waarnemend en zinnelijk betrokken. Bij het einde van het boek voel je naast een diepe ontroering ook iets van dankbaarheid, omdat een leven door dit boek niet verloren is gegaan. En dat een boek dat kan, dat is wel heel bijzonder.

1 opmerking:

Stef Hublou Solfrian Vojvoditz zei

Mooie recensie. Als historicus en verzamelaar van vrouwenlevens herken ik het schone dat de auteur en de lezer heeft beroerd. En natuurlijk herken ik ons levensverhaal. Onze familie is ooit, wat de Franse tak betreft, op de vlucht gegaan; waarschijnlijk vanuit La Rochelle toen daar de pogrom tegen de Hugenoten (Hublou is aan die term verwant) plaatsgreep tijdens de fameuze Bartholomeusnacht. En dan de Duitse vader, die zijn land verliet in en soort vlucht vooruit, na de nederlaag van het Derde Rijk. Die naast een zeer beroemde, zeer sterke vrouw heeft gewerkt als dienstplichtige: Leni Riefenstahl. En moeder Maria die door heel Europa is weggegaan van haar Heverlee, waar de moeder de vlucht wég uit een ondragelijk geworden leven had gekozen. Tot de Noordpoolcirkel, Athene en Wiltshire, als gouvernante. En in Yougoslavië als creatieve, originele, bezielde reisgids, die gelauwerd werd door Tito zelf in september 1961. Misschien moet ik Hertmans eens vragen onze familiegeschiedenis te schrijven...