30 juli 2025

We Do Not Part


Het gebeurt je niet zo vaak, dat je een uur na het omslaan van de laatste bladzijde van een boek koude rillingen krijgt, gevolgd door tranen. Een boek brengt je naar een plek, ergens tussen droom en werkelijkheid, ergens aan de rand van wat je kunt waarnemen, ergens in het grensgebied tussen leven en dood. Het zijn de woorden, de beelden, het ritme die je in een staat brengen waar je de immense pijn van de tijd kunt voelen. Je moet er naartoe om verder te kunnen, als dat al kan. Naar de duisternis van de sneeuw. Dat doen, het is een vorm van ultieme liefde. En je merkt dat die plek waar het boek je bracht ook een plek in jezelf is.

Het is moeilijk te beschrijven hoe goed We Do Not Part is. Dit boek, de recente Engelse vertaling van het boek van de Zuid-Koreaanse Nobelprijswinnares Han Kang (eerder al in het Nederlands vertaald als: Ik zeg geen vaarwel), neemt je als lezer mee in een afdaling naar een vreselijke werkelijkheid die onder het zwijgen was bedekt. Diepe littekens in het landschap van de tijd laten littekens na bij wie erbij was en bij wie de die pijn heeft doorgekregen, door geboren te worden. De brutaliteit van meedogenloos geweld en het afgedwongen zwijgen leiden tot een schuldige stilte. Er is moed voor nodig om niet te buigen voor zoveel duisternis, de moed om de onbekende graven te zoeken van wie verdween, de moed om namen te blijven noemen en verhalen te blijven vertellen. De moed van de liefde.

Het boek begint bij de nachtmerries van Kyungha. Zij maakte een tijd geleden een boek over een niet nader genoemde massaslachting. Ze dacht dat het afwerken van dat boek er ook voor zou zorgen dat ze iets zou kunnen loslaten van de gruwel waarin ze zich had moeten begeven om het boek te maken. Maar dat is niet. Ze zit thuis, tot niets in staat. Ze werkt aan haar testament, maar het lukt niet om de brief juist te krijgen. Denkt ze dat ze zal sterven? Wil ze een eind maken aan haar leven? In de steeds terugkerende nachtmerries ziet iets als een helling vol met boomstammen, in het zwart, als duizenden mensen. Stille getuigen van iets vreselijks, zwijgende graven. Onderaan de helling vreet de zee die plek aan. Ze wil de plek waar zoveel doden zijn redden, maar ze voelt zich machteloos. De nachtmerries putten haar uit. Ze slaapt nauwelijks, eet niet meer.

Op dat moment krijgt ze een bericht van Inseon, met wie ze vroeger veel heeft samengewerkt. Inseon maakte documentaires, filmde en fotografeerde. Sinds een tijdje heeft ze die activiteit opgegeven om terug te gaan wonen op het eiland Jeju om voor haar moeder te zorgen. Die is ondertussen overleden en Inseon heeft nu een houtatelier. Kyungha had Inseon overtuigd om op basis van die nachtmerrie een kunstproject uit te werken, maar dat is er nooit van gekomen. Inseon heeft zich gekwetst, verloor stukjes van haar vinger, en is overgebracht naar het vasteland, naar Seoul. Ze roept Kyungha op dringend naar het ziekenhuis te komen. Daar vraagt ze aan haar om onmiddellijk naar Jeju te gaan om in haar huis een vogel water te gaan geven, anders zal die sterven.

Kyungha vertrekt, maar de omstandigheden zijn erg moeilijk. Er is een sneeuwstorm die het leven platlegt. Het lukt haar nog net om op het eiland te geraken. Ze probeert met veel moeite haar queeste verder te zetten. Uiteindelijk komt ze aan in het huis van Inseon, uitgeput, geveld door migraine. Ze komt in een soort tussenruimte tussen leven en dood terecht. Misschien is ze aan het ijlen, misschien is ze echt aan het sterven, misschien is het die plek waar alle verhalen samenkomen.

In die tussenruimte wordt dan de gruwelijke geschiedenis van die plek onthuld. Eind jaren 40, net voor het begin van de Koreaanse oorlog, is op het eiland een vreselijke slachting aangericht. De moeder van Inseon is door een gelukkig toeval ontsnapt aan de dood. Moeder en dochter hebben op hun manier geprobeerd die geschiedenis die jarenlang moest verzwegen worden terug naar het licht te brengen. Tegenover de anonimiteit van de verschrikkelijke dingen die gebeurden zijn er nog verhalen van mensen die beginnen te getuigen, die terug namen willen geven aan de stapels menselijke beenderen die terug worden opgegraven.

Han Kang heeft haar boek heel ingenieus opgebouwd. Elk deel heeft een eigen sfeer. Je voelt eigenlijk al vanaf de eerste bladzijden hoe elk element, elk beeld, van betekenis is. Je wordt stap voor stap meegenomen in iets wat tegelijk een soort hellevaart is en een poging om doorheen het lijden te vechten voor het leven, voor de liefde. Je komt in een universum dat een beetje magisch lijkt, maar ook beladen door pijn en schuld. Er is de alomtegenwoordige sneeuw, die zoveel ladingen heeft. Sneeuw zou kunnen staan voor zachtheid en stilte, voor vredigheid. Maar de sneeuwvlokken in de storm zijn misschien ook de eindeloze hoeveelheid mensen die vermoord werden. De sneeuw die de lijken bedekte, was als een opgelegd zwijgen, een manier om dingen te doen verdwijnen. Door de sneeuw moeten ploeteren op dat eiland waar de geesten ronddolen van wie er stierf, om in een donkere nacht waarin bomen lijken op stammen uit je nachtmerrie, is als een bijna onmogelijke maar ook onvermijdelijke confrontatie met het immense lijden. Misschien kun je een leven redden, misschien niet. Maar de dingen zullen je niet loslaten. Misschien is de enige weg, de goede weg, wel dat de lijntjes van de tijd je blijven prikkelen, zoals men dat met de herstellende vingers van Inseon in het ziekenhuis doet.

Al die beelden en motieven werken op elkaar in, op een heel intense manier. De droomachtige stukken staan naast harde verhalen die als in een documentaire gepresenteerd worden, ze vormen samen het universum van dit boek. Kang hanteert daarbij ook het ritme op een bezwerende manier. Ze neemt haar tijd voor het ploegen door de duisternis van het sneeuwlandschap en doet dat al helemaal bij de verhalen over wat er gebeurde tientallen jaren geleden. Je ontsnapt als lezer niet aan de zwaarte, maar je krijgt ook een relaas over grote volharding in het niet loslaten van verwanten of geliefden en moed in het maken van nieuwe verhalen die kunnen onthullen wat verborgen moest blijven.

Er is immens veel pijn in het leven. Wat je doet met die vaststelling, dat lijkt wel een centraal thema voor Han Kang. Een gemakkelijke weg is er niet. Als lezer krijg je geen troost, krijg je niet de kans om je te onttrekken aan de pijn die in jouw plek rust, en die zich evenzeer vertaalt in jouw lichaam. De enige weg is er doorheen, de moed om door de sneeuw te ploeteren, niet wetend of je je bestemming zult bereiken. De moed om dat risico te nemen voor iemand van wie je houdt, iemand die op haar manier probeert te overleven met doorgegeven pijn. We Do Not Part neemt je helemaal mee in die tocht. Het boek is intens, poëtisch, heftig, mooi, zacht en dwingend tegelijk. Het is alsof het je lichaam overneemt om iets te laten zien wat je nooit anders had kunnen zien dan door dit boek. Het is alsof het boek zich in jou heeft genesteld, merk je na een tijdje nadat je het uit hebt. Grote kunst.

25 juli 2025

Het ritme


Je zoekt nog een beetje naar de vakantie, die eerste dagen. Nog een lichte kortsluiting in het kantelen. (Je zou zoveel moeten, om in een andere stroom te komen, en je zou zo graag helemaal niets.) De dagen zullen het wel uitwijzen hoe het zal gaan.

Weer in het leesritme komen. Dat eerste boek. Het lag er al een tijd, op je te wachten. Het ontroert je erg. Iets over een eigen huis, een huis dat in je hoofd bestaat. Iets over ruimte mogen nemen. (Het is precies een thema, denk je enkele dagen later.)

Op het terras zitten lezen, terwijl het buiten regent. (Een meter verder dus.) Het heeft iets. (Ook als kind hield je ervan, buiten zitten, uit de regen, terwijl het regent, en luisteren.)

Je hebt een lijstje gemaakt met nuttige dingen. (De eerste dagen een beetje voorsprong nemen. Iets als door enkele relatief kleine dingen een stukje van het huis terugkrijgen. Iets minder falen.)

Een andere dag. Je loopt door de grote winkel, op zoek naar dat ding dat stuk is thuis. (Je denkt dat het logisch is, dat je het zou moeten vinden op een logische plek. Je probeert de ruimte te lezen. Je vindt niets.) Je vraagt het aan de mevrouw, en zij toont je waar het ligt. Of zou moeten liggen, het moet terug binnenkomen. (Terwijl je met haar praat voel je ineens hoe moe je bent, alsof je naar binnen zou kunnen plooien.) Dan nog maar zo’n borstel meenemen. (Ook voor het lijstje.)

Het tweede boek. Het ontroert je erg. Hij heeft dat zo goed gedaan, denk je. Wat je huid leest in het boek, het raakt een laag in jou, het ziet iets. (Ook iets met een thuis, een plek waar je veilig bent.)

Een andere dag. Je voelt hoe je in het ritme begint te komen, traag. (Je denkt aan het drijven. Wat water zou kunnen doen.)

(Interne dialoog. Jean, je moet de moed hebben om het boekenprobleem aan te pakken. De planetaire grenzen gelden ook binnen je appartement. Misschien mogen sommige boeken vertrekken, zodat de andere die blijven beter kunnen ademen.)

Die avond. In de bioscoop. Die film is zo ongelooflijk goed. (Je huid kijkt.) Er gaat zoveel door je heen, terwijl je naar huis loopt. (Je kunt iets in jezelf niet bereiken.)

Een andere dag. Het derde boek, je schrijft het stuk erover. Het heeft je erg geraakt. (Je herkent het, het beladen huis, het verstikkende huis, het heroveren ervan. Ruimte, sporen, onvermogen. Mannen en vrouwen.) (Iets in je voelt zich machteloos. Iets is bang. Misschien is er alleen tekortschieten.)

Je begint aan de boekenkast. Wat mag misschien weg, wat mag blijven. (Het lukt, doe maar Jean, je mag trots zijn.)

Even naar de grote stad. Even langs het werk. Je collega’s zijn net naar buiten of zo.

Je haalt nog een stapeltje exemplaren van je boek op. (Je sexy gewatteerde boekentas doet weer dienst.)

Een nacht in 117 stukjes, zo lijkt het wel. Die mug ziet jou niet graag, of zo. (Is misschien een MAGA-mug die heeft gemerkt hoe vaak je tegen het scherm of de krant zit te roepen wanneer die oranje eikel weer eens toeslaat.)

Een andere dag. Na de korte vergadering de trein, op weg naar de begrafenis.

Je kende de vader van die vriendin alleen uit haar verhalen. Nu kom je op de plek waar zij vroeger woonde.

De priester legt wel erg nadrukkelijk uit wat het verschil is tussen zij die wel en zij die niet geloven. Het aardse leven is blijkbaar alleen maar schemering. Voor jou gaat die schemering vooraf aan de nacht. Voor de anderen aan het licht, ongetwijfeld.

Het ontroert je, daar te zijn, iets te zien van een leven, mee mogen lopen naar de laatste plek. Het ontroert je, haar zonen weer eens te zien, even met hen te kunnen praten.

Mooie gesprekken, met mensen die je nog niet kende tot dan. Iets over jonge mensen die hun weg zoeken in het leven, verlangen naar een thuis. Iets over kinderen die er niet kwamen.

(En iets over een veilig huis, met sterke muren, wanneer het buiten stormt of onweert.)

Na de koffie loop je weer naar het station. Je probeert iets te lezen in deze plek. En dan is daar ineens die berm vol met bloemen.

In de trein wil je je een beetje terugtrekken in je boek. (Het vierde.) Je moet even door de vermoeidheid heen. (Die nacht zit nog in je.) Er is een ritme in de woorden, in de beelden. Je zult het goed vinden, weet je al. Het wordt nog heftig, denk je.

Je loopt door de straat, op weg naar huis. Je zoekt beelden, merk je. (Misschien bewegen de verhalen nog altijd verder in jou. Beladen huizen, beladen lichamen, een verlangen om thuis te komen, en te blijven. Misschien zal de rivier het zeggen.)

24 juli 2025

Beladen huis


Hoeveel ruimte mag je innemen, in de wereld, in je huis? En hoeveel van jouw persoonlijke ruimte mag het huis innemen? Mogen vrouwen, mogen moeders even zichtbaar zijn als mannen? Kun je een ander, van wie je houdt, echt kennen? Of ben je gedoemd om van elkaar weg te drijven? Christien Brinkgreve heeft het over die vragen, in het indrukwekkende Beladen huis. Het boek is geen roman, maar een memoir, wat het niet minder literair maakt. Het citaat van Virginia Woolf bij het begin van het boek zegt het heel goed: “Alleen door het onder woorden te brengen kan ik er een geheel van maken.” Woorden kunnen een werkelijkheid die verstikkend en onkenbaar geworden was weer dichterbij halen en uit elkaar leggen en zuurstof geven. Woorden kunnen, met terugwerkende kracht, weer iets laten bewegen in wat onbeweeglijk geworden was. Woorden kunnen een huis laten zien dat niet gezien werd, en het zo bevrijden voor een andere toekomst.

In het boek beschrijft Christien Brinkgreve, emeritus hoogleraar sociale wetenschappen, de periode na de dood van haar man, in het boek “A” genoemd. Hij was in Nederland een bekende journalist en schrijver. Ze moet aan de slag met het grote huis waarin ze woonden. Het huis is een beladen huis. Het voelt als bezet gebied, overvol met spullen van haar man, overvol met herinneringen. Het is een symbool, uithangbord, slagveld en vergeetplek van verschillende levens, van een binnen- en een buitenwereld. Het uitruimen en heroveren van het huis is moeizame rouwarbeid. Het is het in woorden lezen en weer bij elkaar brengen van wat ergens onderweg ontsnapt was. Het is het (opnieuw) begrijpen van maatschappelijk ingesleten patronen van de verdeling van (maatschappelijke en persoonlijke) ruimte op basis van gender en hoe die inwerken in de binnenruimte van een relatie en een gezin. Het huis is het kruispunt van al die bewegingen.

Brinkgreve was als professor in de vrouwenstudies actief als een krachtige feministische stem in het maatschappelijk debat. Ze was succesvol, ze had een stem, ze nam vanzelfsprekend de ruimte in en werd gehoord. Thuis is het echter een andere werkelijkheid. Bij het begin van haar relatie met A is er grote liefde. Ze worden erg tot elkaar aangetrokken, onder meer door de woorden. Hij kan heel scherp dingen analyseren en verwoorden, is kritisch en aanwezig. Ze praten veel met elkaar, zijn geïnteresseerd in elkaars verhalen. Maar langzaam maar zeker verandert de balans, of wordt duidelijk wat zich al van in het begin aankondigde. Eigenlijk heeft A het moeilijk met de positie en groeiende erkenning die zijn vrouw krijgt in de buitenwereld. Hoewel hij haar officieel steunt bij alles, had hij eigenlijk liever gehad dat zij meer ten dienste van hem zou leven. Zij worstelt met haar rollen. Aan de ene kant een academische carrière uitbouwen, aan de andere kant de bijna volledige verantwoordelijkheid voor het gezin en de emotionele verantwoordelijkheid voor een man die zelf zwaar getraumatiseerd is door de vroege dood van zijn zusje. In de buitenwereld is ze een graag geziene en gewaardeerde feministe, in de binnenwereld zwijgt ze en probeert ze alle ballen in de lucht te houden voor de goede vrede. De twee leven steeds meer naast elkaar. Het is als geheel een levendig gezin, met hun twee zoons, en nog twee dochters uit een eerder huwelijk van A, maar achter dat beeld schuilt een andere werkelijkheid.

Brinkgreve probeert te achterhalen hoe het zover is kunnen komen. Het opruimen van het huis is een verhaalarbeid. Ergens onderweg zijn de dingen vastgelopen, konden de man en de vrouw elkaar niet meer bereiken, ondanks hun woorden. Vanaf dan zijn de vele spullen een vorm van bezetting geworden, die het huis tot een verstikkende plek maakten, vooral dan voor haar. Waarschijnlijk werd het anders ervaren door de kinderen, die het impliciet misschien normaal vonden dat hun moeder de vanzelfsprekende emotionele ruggengraat van het huis was. Voor A was het ook anders waarschijnlijk. Hij droeg een groot verdriet mee, en zoals zo vaak bij mannen, legde hij dat als vanzelfsprekend op de wereld, op het huis, op anderen. Hij nam het huis in voor zijn verhaal, was blijkbaar niet in staat zichzelf te helen, legde dat bij anderen, en werd met het ouder worden en het verlies van status steeds meer een mopperende man die niet wou sterven.

De mechanismen die Brinkgreve in haar academisch werk bestudeerde laten zich zien in haar eigen binnenwereld, ze is als het ware een ‘casus’ van haar wetenschappelijk werd. De “karrensporen van het patriarchaat” laten zich ook thuis voelen. De “empathiekloof” die maakt dat men het normaal vindt dat er meer empathie is voor het geworstel van mannen dat alle ruimte mag innemen dan voor het ingewikkelde evenwichtswerk van vrouwen wordt erg zichtbaar in dat beladen huis. De emotionele verantwoordelijkheid voor het oplossen van al die conflicten en voor het aan de gang houden van die kleine maatschappij die een gezin is ligt bij de vrouw, die het in haar rol als moeder goed doet als ze onzichtbaar is en geen eigen ruimte inneemt.

Elk hoofdstuk van het boek is als een kleine omcirkelende beweging die een beetje lucht en licht brengt in dat massief bezet gebied dat het huis geworden is. De verhalen die zo ontstaan halen een werkelijkheid terug en vormen een nieuw fundament om het huis een toekomst te geven. Het is schrijnend en mooi om te zien hoe Brinkgreve zich steeds kan terugtrekken in haar eigen werkkamer, haar veilige plek, waar ze met de woorden kan bezig zijn die haar verbinden met de buitenwereld. Die eigen ruimte is een redding, maar is ook dubbel. Voor de andere gezinsleden is zij zo vaak ‘weg’ of afwezig, hoewel zij dat zelf heel anders beleeft. Die eigen ruimte is ook het veilige eiland waarin zij en A naar elkaar mailen en zo via wat hen ooit verbond, de woorden, een ontroerende en soms ook harde intimiteit kunnen behouden. Zij gaat niet weg uit het huwelijk, uit het huis, wil blijven. Door het nadien verhalen van de emotionele blubber, reconstrueert ze zichzelf en kan ze ook terug zien hoeveel ingewikkelde liefde er ondanks alles wél was. Tegelijk blijft er een fundamentele onbereikbaarheid. Hij is zelf een beladen huis. Hoewel hij in de buitenwereld een belangrijke stem was in het debat over geestelijke gezondheidszorg kan hij toch niet de moed vinden om zijn eigen huis echt onder ogen te zien, te blijven staan in die wankele plek en zelf de verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen pijn. Hij heeft eigenlijk altijd gehoopt dat zijn vrouw de lege plek zou innemen die er door de dood van zijn zusje is gekomen, en dat door te gaan leven voor hem. Het gevecht met het huis is zo een gevecht met de eigen demonen.

Christien Brinkgreve heeft met Beladen huis een bijzonder indrukwekkend en aangrijpend boek gemaakt dat nog lang blijft nawerken na het lezen. Het is een dappere, soms genadeloze, maar tegelijk ook liefdevolle oefening in het zoeken naar het huis dat je zelf bent. De woorden brachten twee mensen samen in wat ooit een grote liefde was. De woorden konden niet voorkomen dat die liefde vastliep in te veel pijn en in onuitgesproken maatschappelijke verwachtingen. De woorden waren tegelijk soms de enige brug tussen eilanden in een huis dat te veel gewicht moest dragen. Maar het zijn ook de woorden die een onzichtbaar leven kunnen heroveren en leesbaar maken. Het zijn de woorden die tot een geheel kunnen maken wat onaanraakbaar was en zo ook doen helen. Het is Christien Brinkgreve die als verteller van verhalen het huis van iets van zichzelf heeft bevrijd en zo ruimte heeft gemaakt voor verder leven. Beladen huis is een heel bijzonder boek dat je als lezer ook naar jezelf laat kijken en dat je confronteert met hoe je zelf soms vastliep in je eigen huis, hoe je zelf niet ontsnapt aan je eigen karrensporen en je eigen falende eenzaamheid. Om te kunnen helen moet je aan het werk in je huis, en daarvoor heb je de tijd van verhalen nodig.