Het gebeurt je niet zo vaak, dat je een uur na het omslaan van de laatste bladzijde van een boek koude rillingen krijgt, gevolgd door tranen. Een boek brengt je naar een plek, ergens tussen droom en werkelijkheid, ergens aan de rand van wat je kunt waarnemen, ergens in het grensgebied tussen leven en dood. Het zijn de woorden, de beelden, het ritme die je in een staat brengen waar je de immense pijn van de tijd kunt voelen. Je moet er naartoe om verder te kunnen, als dat al kan. Naar de duisternis van de sneeuw. Dat doen, het is een vorm van ultieme liefde. En je merkt dat die plek waar het boek je bracht ook een plek in jezelf is.
Het is moeilijk te beschrijven hoe goed We Do Not Part is. Dit boek, de recente Engelse vertaling van het boek van de Zuid-Koreaanse Nobelprijswinnares Han Kang (eerder al in het Nederlands vertaald als: Ik zeg geen vaarwel), neemt je als lezer mee in een afdaling naar een vreselijke werkelijkheid die onder het zwijgen was bedekt. Diepe littekens in het landschap van de tijd laten littekens na bij wie erbij was en bij wie de die pijn heeft doorgekregen, door geboren te worden. De brutaliteit van meedogenloos geweld en het afgedwongen zwijgen leiden tot een schuldige stilte. Er is moed voor nodig om niet te buigen voor zoveel duisternis, de moed om de onbekende graven te zoeken van wie verdween, de moed om namen te blijven noemen en verhalen te blijven vertellen. De moed van de liefde.
Het boek begint bij de nachtmerries van Kyungha. Zij maakte een tijd geleden een boek over een niet nader genoemde massaslachting. Ze dacht dat het afwerken van dat boek er ook voor zou zorgen dat ze iets zou kunnen loslaten van de gruwel waarin ze zich had moeten begeven om het boek te maken. Maar dat is niet. Ze zit thuis, tot niets in staat. Ze werkt aan haar testament, maar het lukt niet om de brief juist te krijgen. Denkt ze dat ze zal sterven? Wil ze een eind maken aan haar leven? In de steeds terugkerende nachtmerries ziet iets als een helling vol met boomstammen, in het zwart, als duizenden mensen. Stille getuigen van iets vreselijks, zwijgende graven. Onderaan de helling vreet de zee die plek aan. Ze wil de plek waar zoveel doden zijn redden, maar ze voelt zich machteloos. De nachtmerries putten haar uit. Ze slaapt nauwelijks, eet niet meer.
Op dat moment krijgt ze een bericht van Inseon, met wie ze vroeger veel heeft samengewerkt. Inseon maakte documentaires, filmde en fotografeerde. Sinds een tijdje heeft ze die activiteit opgegeven om terug te gaan wonen op het eiland Jeju om voor haar moeder te zorgen. Die is ondertussen overleden en Inseon heeft nu een houtatelier. Kyungha had Inseon overtuigd om op basis van die nachtmerrie een kunstproject uit te werken, maar dat is er nooit van gekomen. Inseon heeft zich gekwetst, verloor stukjes van haar vinger, en is overgebracht naar het vasteland, naar Seoul. Ze roept Kyungha op dringend naar het ziekenhuis te komen. Daar vraagt ze aan haar om onmiddellijk naar Jeju te gaan om in haar huis een vogel water te gaan geven, anders zal die sterven.
Kyungha vertrekt, maar de omstandigheden zijn erg moeilijk. Er is een sneeuwstorm die het leven platlegt. Het lukt haar nog net om op het eiland te geraken. Ze probeert met veel moeite haar queeste verder te zetten. Uiteindelijk komt ze aan in het huis van Inseon, uitgeput, geveld door migraine. Ze komt in een soort tussenruimte tussen leven en dood terecht. Misschien is ze aan het ijlen, misschien is ze echt aan het sterven, misschien is het die plek waar alle verhalen samenkomen.
In die tussenruimte wordt dan de gruwelijke geschiedenis van die plek onthuld. Eind jaren 40, net voor het begin van de Koreaanse oorlog, is op het eiland een vreselijke slachting aangericht. De moeder van Inseon is door een gelukkig toeval ontsnapt aan de dood. Moeder en dochter hebben op hun manier geprobeerd die geschiedenis die jarenlang moest verzwegen worden terug naar het licht te brengen. Tegenover de anonimiteit van de verschrikkelijke dingen die gebeurden zijn er nog verhalen van mensen die beginnen te getuigen, die terug namen willen geven aan de stapels menselijke beenderen die terug worden opgegraven.
Han Kang heeft haar boek heel ingenieus opgebouwd. Elk deel heeft een eigen sfeer. Je voelt eigenlijk al vanaf de eerste bladzijden hoe elk element, elk beeld, van betekenis is. Je wordt stap voor stap meegenomen in iets wat tegelijk een soort hellevaart is en een poging om doorheen het lijden te vechten voor het leven, voor de liefde. Je komt in een universum dat een beetje magisch lijkt, maar ook beladen door pijn en schuld. Er is de alomtegenwoordige sneeuw, die zoveel ladingen heeft. Sneeuw zou kunnen staan voor zachtheid en stilte, voor vredigheid. Maar de sneeuwvlokken in de storm zijn misschien ook de eindeloze hoeveelheid mensen die vermoord werden. De sneeuw die de lijken bedekte, was als een opgelegd zwijgen, een manier om dingen te doen verdwijnen. Door de sneeuw moeten ploeteren op dat eiland waar de geesten ronddolen van wie er stierf, om in een donkere nacht waarin bomen lijken op stammen uit je nachtmerrie, is als een bijna onmogelijke maar ook onvermijdelijke confrontatie met het immense lijden. Misschien kun je een leven redden, misschien niet. Maar de dingen zullen je niet loslaten. Misschien is de enige weg, de goede weg, wel dat de lijntjes van de tijd je blijven prikkelen, zoals men dat met de herstellende vingers van Inseon in het ziekenhuis doet.
Al die beelden en motieven werken op elkaar in, op een heel intense manier. De droomachtige stukken staan naast harde verhalen die als in een documentaire gepresenteerd worden, ze vormen samen het universum van dit boek. Kang hanteert daarbij ook het ritme op een bezwerende manier. Ze neemt haar tijd voor het ploegen door de duisternis van het sneeuwlandschap en doet dat al helemaal bij de verhalen over wat er gebeurde tientallen jaren geleden. Je ontsnapt als lezer niet aan de zwaarte, maar je krijgt ook een relaas over grote volharding in het niet loslaten van verwanten of geliefden en moed in het maken van nieuwe verhalen die kunnen onthullen wat verborgen moest blijven.
Er is immens veel pijn in het leven. Wat je doet met die vaststelling, dat lijkt wel een centraal thema voor Han Kang. Een gemakkelijke weg is er niet. Als lezer krijg je geen troost, krijg je niet de kans om je te onttrekken aan de pijn die in jouw plek rust, en die zich evenzeer vertaalt in jouw lichaam. De enige weg is er doorheen, de moed om door de sneeuw te ploeteren, niet wetend of je je bestemming zult bereiken. De moed om dat risico te nemen voor iemand van wie je houdt, iemand die op haar manier probeert te overleven met doorgegeven pijn. We Do Not Part neemt je helemaal mee in die tocht. Het boek is intens, poëtisch, heftig, mooi, zacht en dwingend tegelijk. Het is alsof het je lichaam overneemt om iets te laten zien wat je nooit anders had kunnen zien dan door dit boek. Het is alsof het boek zich in jou heeft genesteld, merk je na een tijdje nadat je het uit hebt. Grote kunst.