27 december 2025

Treinverdwijnen


Het is gekanteld, denk je. We zijn aan de andere kant van de lijn. De dagen gaan weer inademen. Elke dag een beetje meer. (Misschien kun je het horen als je goed luistert.)

Nog twee dagen te gaan, en dan. Eigenlijk ben je een beetje moe, maar het is goed. Er is al weinig volk in de trein. Misschien is het wel goed om nog even daar te zijn. Alles netjes opruimen, de dingen neerleggen.

Zoals elke dag zeg je merci tegen de poetsmevrouw. Zoals elke dag fluistert ze verlegen iets terug. (Wat zou ze zeggen? Misschien mag het altijd een mysterie blijven.)

De laatste dingen van het lijstje. En iets als een soort nieuwsonderhoud, om klaar te zijn in het nieuwe jaar.

Namen schrijven op omslagen, boodschappen op nieuwjaarskaarten, een stapel.

In het postkantoor, een lading postzegels.

In de boekhandel. De kerstcadeaus voor de familie. Een mooie stapel.

De nieuwjaarskaarten afwerken.

Een nieuwe dag. Op weg naar het werk de kaart binnensteken bij je dokter.

Alles zit in de postbus, nu gaan ze hun weg wel zoeken. (Iets valt van je schouders, en iets is ook een beetje verdrietig, al weet je niet waarom.)

Alles netjes achterlaten. Een lege afwasmachine. De planten nog extra water. De papierbak leeg.

Je lunchafspraak valt weg, zal voor later zijn.

Het is goed geweest denk je, je mag vertrekken. (Je zegt nog iets tegen de plek.)

Naar de winkel voor de kaasjes voor het kerstfeest. (Ze zijn er gek op, elk jaar.) Zo, dat is ook gedaan.

De volgende dag. (Het is vakantie nu, al dringt het nog niet helemaal door.)

De kinesiste duwt de deuken eruit.

Nog een korte vergadering, op het scherm.

Je fietst rond om nog enkele kaarten te bezorgen, en gaat op zoek naar nieuwe handschoenen. In de winkel valt het stangetje met alle handschoenen op de grond. Je verontschuldigt je bij de mevrouw. Voor de laatste kaarten wandel je de berg op. (De handschoenen zijn super. De warmte mag bij je blijven, denk je, het mag.)

(In de wereld daar maken mensen zich klaar voor kerstavond, je kunt het zoemen van de activiteit vermoeden. Je bent blij voor hen. En je bent blij dat je hier bent. Daar is het ‘zoveel’. Zoveel van alles. Zo samen, zo feest, zo gezellig, zo druk, zo veel, zo moeten.)

(De eerste dagen van een vakantie zijn altijd een beetje moeilijk. De vermoeidheid valt over je. Je ziet alles wat je zou moeten doen in het huis. En het zijn de laatste dagen van het jaar. Heb je alle nog resterende existentiële vragen opgelost? Niet echt.)

Je zit te lezen, in de stoel bij het raam. (Een plek aan de rand, aan de warme kant.) Je weet niet of je de planten buiten genoeg hebt beschermd. (Je zou het willen kunnen, die ijzige wind omleiden, zodat ze hen niet kunnen raken.)

Avond. Je zit te eten. Het is zo stil buiten. (Misschien zijn er nog meer mensen daar die zich, hoewel ze tussen anderen zitten, ontheemd voelen. Je wenst hen iets toe.)

Je krijgt enkele mooie berichtjes, stuurt iets naar twee meiden, ergens in de verte.

Een nieuwe dag. Je springt vroeg uit je bed en maakt alles klaar voor de grote reis naar je zus. (Hopelijk zullen alle treinen rijden.) Je vertrekt, met een zak vol boeken, en een zak met kaasjes. In het station praat je nog even met de mevrouw aan het loket.

De treinmeneer maakt er een heuse kerstshow van. Bij elke aankondiging hoor je belletjes rinkelen en spreekt hij met een voorname kerstmanstem. Terwijl hij door de gang loopt, roept hij: “Ho ho ho!!!” Je bedankt hem.

Een klein half uurtje bij de eerste overstap. Je loopt heen en weer over het perron. (Sommige mensen lopen gewoon in een korte broek of in een t-shirt…) Bij de tweede overstap heb je een half uur. Het is ijzig koud. Je gaat even zitten in het glazen huisje. Hier en daar op het perron zie je mensen die gestrand lijken, misschien hebben ze die nacht in het station geslapen, misschien is dit hun eindhalte in het leven. Bij de derde overstap loop je blij naar de trein. (De overdekte perrons zijn zo mooi hier, merk je telkens.) Het laatste stukje, je bent er bijna.

Het kerstfeest bij je zus. (Je bent zo blij dat je er bent.) De kinderen druppelen binnen. (Je hoort geweldig nieuws!) Ze vliegen op de kaasjes. Verhalen. (Proberen uit te leggen welke existentiële vragen je nog niet hebt opgelost.) Het ontroert je zo, gewoon naar hen zitten kijken. (Ineens zie je hoe oud je bent.) De cadeautjes. (Het is tijd om te vertrekken, je wilt nog op tijd weer thuis zijn vanavond.)

Een beetje verdwijnen in de trein. Je leest de laatste bladzijden van je boek. (Je moet er nog even over nadenken wat je ervan vindt.) Je bent een beetje bang voor de volgende overstap. Daar op dat station gaat het vaak fout, blijkt de internationale trein ineens niet meer te rijden. (En het was er al zo koud die ochtend.) Ineens verdwijnt de trein van het scherm. Hij is niet afgeschaft, zo blijkt, alleen een kwartier vertraging. De mensen op het perron die op die trein stonden te wachten, doen hun best om de koude niet te voelen, zo lijkt het. De trein rijdt binnen, eindelijk. Het is warm in de trein. (Nog één overstap straks, maar je ziet al dat er snel een andere trein komt na de aansluiting die je niet meer zult halen. Een warme gedachte.)

Weer thuis. Warme soep.

De volgende ochtend, vroeg. Je zet de vuilniszak en het oud papier buiten. Je probeert buiten op straat de wanordelijke hoop zakken en dozen een beetje beter te organiseren, zodat de ophalers die al snel zullen komen beter hun werk kunnen doen. (Waarom is het zo moeilijk voor sommigen om daar rekening mee te houden?)

Moet je vandaag ook één nuttig ding doen? (Je doet een nuttig ding.)

Je gaat op zoek in de stad naar dat ene boek dat je al een tijdje zou willen lezen, in het Engels. (Je vindt ook nog een ander boek.)

(Er is ook een sluimerend verdriet, tussendoor. De stille dagen zijn goed om te kijken.)

Je begint in je nieuwe boek. De stoel bij het raam. Je denkt na over het vorige boek, en wat je erover zult schrijven in je stukje.

Een nieuwe dag. Je bent zoals steeds de eerste klant in de winkel. Je geeft je nieuwjaarskaart af.

De rest van de dag mag gewoon komen. (Je kijkt.)

Geen opmerkingen: