Hevig verlangen naar woorden. Het kan je besluipen. Te drukke dagen, te veel tegelijk, te veel vergaderingen, te veel dat nog moet. En telkens na onderling overleg met jezelf tot het besluit komen: vandaag dan maar niet, nu maar gewoon gaan slapen, en zo. En hopen op snel daarna. Hopen op een weerzien. Met een plek waar je altijd al wilde zijn.
Je fietst door de stad. Op weg naar de tandarts. Ze zei vorige keer dat je moest terugkomen, vanwege een lekkage aan de vulling. Een lekkage? Is zo’n vulling dan vloeibaar? Dat is je nooit opgevallen. Zou je het durven vragen, hoe het werkelijk zit? Je doet het uiteindelijk wel, toch een beetje verlegen. Blijkt dat het niet de vulling is die naar buiten kan, maar wel iets dat naar binnen kan. Niet zozeer een lekkage, maar wel een corridor dus.
Je droomt van de woorden, al kun je ze in die dromen niet zien. Misschien droom je van bij de woorden zijn. Van daar waar ze zijn. Waar je kunt zitten wachten, tot ze naar je toe komen. Waar je naar je adem kunt kijken, en zien hoe die overgenomen wordt door de woorden.
Je fietst door de stad, dus. Je staat te wachten aan het verkeerslicht, en ziet het grote bord. Uw schoonheid is onze missie. Slik. Je krijgt akelige visioenen. Stel dat je dat huis zou binnengaan. Ze zouden daar allemaal klaar staan, in een lange rij, in witte jassen, klaar om jou meteen onder handen te nemen. Je zou binnenkomen, en hun monden zouden openvallen, en even snel zouden ze dat proberen te verbergen. Je zou zien hoe ze elkaar snel nog even aankijken, met veelbetekenende blikken. Maar ze hebben geleerd steeds diplomatisch te zijn met hopeloze gevallen. Ze zouden je voorzichtig toespreken: komt u maar mee meneer, het komt allemaal best in orde, wij zijn er om u te helpen, en we zullen alles doen wat nodig is, want zoals u weet, uw schoonheid is onze missie. Toch maar snel verder fietsen.
Hoe je zou verdwijnen in de woorden. Hoe je gewichtloos zou worden. Hoe alles van je af zou glijden, tot je enkel nog daar zou zijn. Daar waar de verhalen op je wachten.
Je zag haar die ochtend nog op de markt. Hoe ze tegelijk de mooiste glimlach en de droevigste ogen van de hele markt kan hebben. Er moet een verhaal zijn, er zou een verhaal moeten kunnen zijn. Het kan niet anders. Je zult het nooit horen.
Misschien vermengen de dromen van de nacht zich met de dromen van de woorden. Misschien zoeken ze elkaar op, hebben ze elkaar nodig, zijn ze voor elkaar bestemd, zijn ze elkaars lot. Het zou kunnen. Maar ze vragen genoeg stilte, genoeg rust, om in elkaar te vervloeien, traag, met alle tijd van de wereld, in dat ene moment. Nu is het alsof ze elkaar niet kunnen bereiken. Niet nu.
Je denkt aan iemand die een moeilijke week doormaakt. Er is niets wat je zou kunnen doen. Alleen hopen. Dat alles goed zal komen. Voor altijd. Als dat zou kunnen.
Als het lukt, als het een goede dag is, rust er troost in de woorden. Gewoon door er te zijn. Je moet even met hen meegaan, even alles achterlaten. En jezelf uit handen geven, dat is het moeilijkste. Waarna ze je aankijken. Kijk maar, nu zijn we er, hier. Hun bestaan daar, als telkens een eiland in het verlangen, als een mogelijkheid van even blijven, dat is hun troost.
Terwijl je in de stoel van de tandarts ligt, kun je aan alles denken. Je legt je handen op je buik, sluit je ogen, voelt de ademhaling, en probeert je de mooist mogelijke dingen voor de geest te halen. Dingen waar geen missie voor nodig is. Terwijl zit iemand stukken uit je tand te boren en er daarna andere weer in te steken. Die andere zijn eerst nog vloeibaar, denk je, maar niet voor lang. Geen lekkages meer, voorlopig.
Hoe je daarna van de woorden kunt weggaan. Moe, maar gerustgesteld. Iets van je onrust is even gaan liggen. Je kunt de woorden voorzichtig aanraken. Je kunt je ogen sluiten, en weten dat ze er zijn. Ze zijn een plek geworden. En meer wilde je nooit zijn.
Je fietst door de stad. De tand is weer gevuld, netjes. Je fietst wat trager nu je terug naar huis rijdt. In een poging tot sierlijk bewegen. Je voelt de adem van de stad. Trosjes mensen zijn op weg, naar de markt, of weer naar huis. Iedereen zal ooit weer naar huis gaan, denk je.
Soms laat de laatste zin je moeilijk los. Soms wil je blijven. Maar dan zou je het verlangen moeten opgeven. Het zou oplossen in zichzelf, en dat is een te groot verlies.
30 september 2011
25 september 2011
Een brief met schroom
Goede vriend Willy
Ik dacht dat het wel stilaan weer eens tijd werd voor een brief naar jou. Al weet ik niet zo goed of ik wel goed ben in het schrijven van brieven. Ik zou het wel altijd graag gekund hebben, maar of het me echt gegeven is, dat weet ik niet.
Maar er is nu wel een aanleiding, dat helpt al een beetje. Al weet ik niet goed hoe ik moet beginnen. Ik zou kunnen zeggen: we hebben je gevierd vandaag. Maar dat klinkt zo levend. Ik zou kunnen zeggen: we hebben je herdacht vandaag. Maar dat klinkt dan weer zo dood. Dat we daar waren vandaag, heeft natuurlijk wel een beetje te maken met het feit dat je niet meer leeft, zou je zelf ook fijntjes opmerken. Met een licht ironische ondertoon in je stem. Alleen heb ik vandaag zoveel last met een werkelijkheid die zou moeten beschreven worden met de woorden levend en dood, omdat ik dan onherroepelijk bij een van die twee zou uitkomen. In feitelijke zin dan. Het zou me bijzonder goed uitkomen als de dingen te vatten waren in een ander woordenpaar. En eigenlijk zou ik nog veel liever hebben dat er geen paar was. Iets dat rond zou zijn, zonder grens tussen hier en daar, toen en nu, dat zou geweldig zijn.
Je merkt het al, ik zit hier maar wat pseudofilosofisch te dollen. Altijd een handige strategie om je achter te verbergen. Als een grote warme jas die je om je naakte en kwetsbare lijf heen zou kunnen slaan. De werkelijkheid is dat ik, zoals steeds als ik je schrijf, niet al te veel woorden heb.
Gisteren moest ik nog aan je denken. Ik stond een douche schoon te maken. Daar, op de plek waar we ooit zoveel uren samen hebben gewerkt. Waar ik je telkens zag binnenkomen met je fiets. Het klep-klep-klep-geluid van je fietsschoenen op de grond. En dan ging je naar achter, om te gaan douchen. En terwijl ik daar stond, maakte het me een beetje gelukkig en verdrietig tegelijk. Ik was blij met de herinnering, ze deed me glimlachen. Maar er deed ook iets pijn. Het schoonmaken, het opruimen, het leegmaken, het verhuizen, al die dingen zijn in dit geval vormen van weggaan. Ik zal niet meer kunnen gaan kijken naar die douche, stiekem, en denken dat jij elk moment zou kunnen binnenkomen. Maar we laten je daar niet achter, wees maar gerust, we nemen je mee.
En vandaag waren er weer veel mensen om te fietsen en te wandelen, en ook gewoon veel mensen om er te zijn. Het zou je gelukkig gemaakt hebben. Je zou er geweldig in je element geweest zijn. Ik zag je al gaan, heen en weer, tussen de rijen tafels om overal een praatje te maken. Het zijn mooie mensen Willy. Dat ik hen allemaal mocht zien komen en gaan, dat was al een beetje goed.
Ik had meer willen zeggen tegen meer mensen, ik had meer willen doen, er waren mensen die ik graag even had vastgepakt, misschien hebben ze het wel gezien. Maar het lukte niet helemaal. Gelukkig kon ik me helemaal concentreren op de taak die ik had. Ook dat is een goede strategie, zoals je wel zult weten.
En als ik heel eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik had gewild dat je even naast me was komen zitten. In je fietsbroek, met die klepperschoenen. Daar naast me op de bank. Je zou naast me zitten, een beetje krom voorovergebogen, met je ogen bijna helemaal dichtgeknepen, en die rimpels in je kop. We zouden wat voor ons uit praten, zoals mannen dat vaak doen, zonder elkaar aan te kijken. Eigenlijk allebei een beetje verlegen.
Je was er dus ook vandaag, in een andere vorm van leven, die niet dood is, laten we het daar maar op houden. Er was veel leven. Ik zag kleine kindjes met hun mama en papa. Ze kwamen net met hun hoofd boven de inschrijvingstafel uit. Ze glimlachten. Zij hebben jou nooit gekend waarschijnlijk. En op een bepaalde manier ging er van die gedachte toch ook een soort troost uit. Omdat ze er waren, omdat ze gewoon het leven voortzetten, omdat ze gewoon gingen fietsen, omdat het zo moet zijn, omdat het mooi weer was, en waarom niet eigenlijk.
En als ik opnieuw heel eerlijk ben, moet ik toegeven dat de ziekte er ook was. Als een onzichtbare toeschouwer. Ik zag het in de ogen van velen, en als ik mezelf had kunnen zien, zou ik het ook in de mijne gezien hebben. Gisterenavond, bij een verjaardagsfeest, heb ik nog over je verteld. Sommige verhalen over jou zijn niet moeilijk om te vertellen. Het verhaal over de ziekte valt me nog steeds zwaar. Dat ik zelf een ziekte met dezelfde naam mocht overleven, het lijkt soms zo futiel. Al zo vaak hoorde ik dat ik dat niet mag minimaliseren, en dat is terecht. En toch. Jouw hartverscheurende lot, de machteloosheid die er deel van was. De razernij gaat weer door mijn hoofd, zodra ik er nog maar aan denk. Het zal wel nooit overgaan, je mag het me niet kwalijk nemen. Ik zag het in de ogen van velen, dat ze wisten wie de onzichtbare toeschouwer was. Ze hebben allemaal hun manier gevonden om met dat besef te leven.
Terwijl ik bezig was met mijn bescheiden taak, dacht ik nog: ik hoop dat die mevrouw van die filmploeg niet naar mij komt met haar camera om me te vragen om iets te zeggen. Het zou me niet gelukt zijn veel meer te zeggen dan: Willy was een goede vriend. Dat zou nogal kort zijn, dat zou jij ook wel vinden ongetwijfeld. Je zou van in de verte staan roepen dat ik iets grappigs moest zeggen in de camera. Maar het zou me niet gelukt zijn, niet vandaag. Maar gelukkig kwam die camera niet naar me toe.
We waren er weer vandaag, en ik hoop dat je daar toch een klein beetje blij mee was. Misschien is dat wel genoeg.
Ik dacht dat het wel stilaan weer eens tijd werd voor een brief naar jou. Al weet ik niet zo goed of ik wel goed ben in het schrijven van brieven. Ik zou het wel altijd graag gekund hebben, maar of het me echt gegeven is, dat weet ik niet.
Maar er is nu wel een aanleiding, dat helpt al een beetje. Al weet ik niet goed hoe ik moet beginnen. Ik zou kunnen zeggen: we hebben je gevierd vandaag. Maar dat klinkt zo levend. Ik zou kunnen zeggen: we hebben je herdacht vandaag. Maar dat klinkt dan weer zo dood. Dat we daar waren vandaag, heeft natuurlijk wel een beetje te maken met het feit dat je niet meer leeft, zou je zelf ook fijntjes opmerken. Met een licht ironische ondertoon in je stem. Alleen heb ik vandaag zoveel last met een werkelijkheid die zou moeten beschreven worden met de woorden levend en dood, omdat ik dan onherroepelijk bij een van die twee zou uitkomen. In feitelijke zin dan. Het zou me bijzonder goed uitkomen als de dingen te vatten waren in een ander woordenpaar. En eigenlijk zou ik nog veel liever hebben dat er geen paar was. Iets dat rond zou zijn, zonder grens tussen hier en daar, toen en nu, dat zou geweldig zijn.
Je merkt het al, ik zit hier maar wat pseudofilosofisch te dollen. Altijd een handige strategie om je achter te verbergen. Als een grote warme jas die je om je naakte en kwetsbare lijf heen zou kunnen slaan. De werkelijkheid is dat ik, zoals steeds als ik je schrijf, niet al te veel woorden heb.
Gisteren moest ik nog aan je denken. Ik stond een douche schoon te maken. Daar, op de plek waar we ooit zoveel uren samen hebben gewerkt. Waar ik je telkens zag binnenkomen met je fiets. Het klep-klep-klep-geluid van je fietsschoenen op de grond. En dan ging je naar achter, om te gaan douchen. En terwijl ik daar stond, maakte het me een beetje gelukkig en verdrietig tegelijk. Ik was blij met de herinnering, ze deed me glimlachen. Maar er deed ook iets pijn. Het schoonmaken, het opruimen, het leegmaken, het verhuizen, al die dingen zijn in dit geval vormen van weggaan. Ik zal niet meer kunnen gaan kijken naar die douche, stiekem, en denken dat jij elk moment zou kunnen binnenkomen. Maar we laten je daar niet achter, wees maar gerust, we nemen je mee.
En vandaag waren er weer veel mensen om te fietsen en te wandelen, en ook gewoon veel mensen om er te zijn. Het zou je gelukkig gemaakt hebben. Je zou er geweldig in je element geweest zijn. Ik zag je al gaan, heen en weer, tussen de rijen tafels om overal een praatje te maken. Het zijn mooie mensen Willy. Dat ik hen allemaal mocht zien komen en gaan, dat was al een beetje goed.
Ik had meer willen zeggen tegen meer mensen, ik had meer willen doen, er waren mensen die ik graag even had vastgepakt, misschien hebben ze het wel gezien. Maar het lukte niet helemaal. Gelukkig kon ik me helemaal concentreren op de taak die ik had. Ook dat is een goede strategie, zoals je wel zult weten.
En als ik heel eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik had gewild dat je even naast me was komen zitten. In je fietsbroek, met die klepperschoenen. Daar naast me op de bank. Je zou naast me zitten, een beetje krom voorovergebogen, met je ogen bijna helemaal dichtgeknepen, en die rimpels in je kop. We zouden wat voor ons uit praten, zoals mannen dat vaak doen, zonder elkaar aan te kijken. Eigenlijk allebei een beetje verlegen.
Je was er dus ook vandaag, in een andere vorm van leven, die niet dood is, laten we het daar maar op houden. Er was veel leven. Ik zag kleine kindjes met hun mama en papa. Ze kwamen net met hun hoofd boven de inschrijvingstafel uit. Ze glimlachten. Zij hebben jou nooit gekend waarschijnlijk. En op een bepaalde manier ging er van die gedachte toch ook een soort troost uit. Omdat ze er waren, omdat ze gewoon het leven voortzetten, omdat ze gewoon gingen fietsen, omdat het zo moet zijn, omdat het mooi weer was, en waarom niet eigenlijk.
En als ik opnieuw heel eerlijk ben, moet ik toegeven dat de ziekte er ook was. Als een onzichtbare toeschouwer. Ik zag het in de ogen van velen, en als ik mezelf had kunnen zien, zou ik het ook in de mijne gezien hebben. Gisterenavond, bij een verjaardagsfeest, heb ik nog over je verteld. Sommige verhalen over jou zijn niet moeilijk om te vertellen. Het verhaal over de ziekte valt me nog steeds zwaar. Dat ik zelf een ziekte met dezelfde naam mocht overleven, het lijkt soms zo futiel. Al zo vaak hoorde ik dat ik dat niet mag minimaliseren, en dat is terecht. En toch. Jouw hartverscheurende lot, de machteloosheid die er deel van was. De razernij gaat weer door mijn hoofd, zodra ik er nog maar aan denk. Het zal wel nooit overgaan, je mag het me niet kwalijk nemen. Ik zag het in de ogen van velen, dat ze wisten wie de onzichtbare toeschouwer was. Ze hebben allemaal hun manier gevonden om met dat besef te leven.
Terwijl ik bezig was met mijn bescheiden taak, dacht ik nog: ik hoop dat die mevrouw van die filmploeg niet naar mij komt met haar camera om me te vragen om iets te zeggen. Het zou me niet gelukt zijn veel meer te zeggen dan: Willy was een goede vriend. Dat zou nogal kort zijn, dat zou jij ook wel vinden ongetwijfeld. Je zou van in de verte staan roepen dat ik iets grappigs moest zeggen in de camera. Maar het zou me niet gelukt zijn, niet vandaag. Maar gelukkig kwam die camera niet naar me toe.
We waren er weer vandaag, en ik hoop dat je daar toch een klein beetje blij mee was. Misschien is dat wel genoeg.
21 september 2011
En ergens onderweg
Het is nog donker als je ’s morgens opstaat. Of is het: het is al terug donker als je ’s morgens opstaat? Een nacht in etappes. Te kort, na enkele drukke dagen en te weinig niets. Een lichaam dat zich niet helemaal overgeeft aan de nacht. Een beetje tussen twee zones zwevend. En toch is het niet zo heel erg. Het leken wel halve dromen, in dichte drommen aanwezig in de kamer. Daar waar anders meer leegte huist. Ze gingen ook weer weg.
Een hoop lawaai in de winkelstraat, terwijl de ochtend zich op gang trekt. Een trosje jongens zwalpt al roepend over de straat. Dolle pret, denken ze blijkbaar. Ze gaan de poetsmevrouw knuffelen die al aan het werk is. Ze doet of ze het wel een beetje grappig vindt, maar het lijkt geforceerd.
Net voor jou komt de conducteur de krantenwinkel binnen. Misschien heeft hij wel een boon voor de mevrouw aan de kassa. Misschien houdt hij van het leven. Misschien zingt hij hard onder de douche. Hij spreidt zijn armen, en begint luid te zingen. “Is your heart filled with pain, shall I come back again? / Tell me dear, are you lonesome tonight?” Als jij ook aan de kassa bent, begin je even luid mee te zingen. Het is eens wat anders, zo ’s morgens.
Je zit in de zaal, dicht bij de zangeressen en muzikanten op het podium. Je kunt de gitaren goed zien, ziet de vingergrepen, ziet hoe ze met elkaar praten en dollen. Wat is het mooi. Je moet toegeven dat je het ongetwijfeld ook mooi zou hebben gevonden als de derde zangeres niet ziek was geweest, maar je hoopt dat ze lekker warm in bed ligt. En steeds, heel even, denk je: stel je voor, dat ik ook, met zo’n gitaar, die ene daar, en dan ook een pak, … Het gaat ook altijd weer snel over. Wat is het mooi.
Het is al een beetje nacht als je weer naar huis loopt. Koud is het nog niet. Er zijn nog veel mensen onderweg. Ze doen je glimlachen. Je hoort vier verschillende talen op honderd meter. Waar zouden ze naartoe gaan? Welke dromen zullen ze krijgen straks? De man met zijn brommerhelm komt het café uit. Het is een heel klein café, de man is heel groot, zijn helm ook, zijn brommer lijkt heel klein. Verderop staat het meisje voor de deur van wat wel haar nieuwe kot zal zijn. Een deur met een in te tikken cijfercode. Ze staat lichtjes wanhopig allerlei cijfers in te tikken. Hopelijk zal de deur ooit opengaan. Je loopt het bruggetje over, bijna thuis. Het water is stil.
Het blijkt dat je vaak lichtjes zingend door de gang loopt. Iets als pom pom pom pom. Zo zegt je collega. Je vermoedt dat de man achter de muur, in het andere kantoor, wel zal vinden dat je lacht met erg veel volume. Je zou hem willen uitleggen dat dat elke keer een kleine herdenking is voor een vroegere collega die te vroeg gestorven is. Je zou willen dat zijn lach altijd in je buurt blijft, dus zorg je er zelf maar voor.
De politieman loopt met een sierlijke souplesse tussen de auto’s door op het grote kruispunt dat tijdelijk anders is aangelegd. Iedereen lijkt zich geweldig op te winden hier, alleen hij niet. Strak in zijn politiemanpak. Misschien zingt hij ook wel tussendoor. Maar het zal toch geen Elvis zijn, waarschijnlijk.
Hoe de mensen zich verspreiden over de wagon, er zit ongetwijfeld een systeem in. Kun je ervoor zorgen dat je een zekere betrouwbaarheid en vriendelijkheid uitstraalt, waardoor mensen bij jou komen zitten? Het omgekeerde kan alleszins wel. Mensen die heel erg hun best doen om met hun hele lijf uit te stralen dat ze niet willen dat er iemand bij hen zou komen zitten. Je zou het niet durven, zij hebben er geen enkele moeite mee. Iedereen zit ondertussen. De mevrouw tegenover je begint ijverig te sms’en, voor de rest van de rit. De mevrouw op de bank naast je zou willen verdrinken in het boek dat ze aan het lezen is. Ze vergeet bijna om nog te ademen. De man tegenover haar kijkt licht wanhopig voor zich uit. Hij heeft schijnbaar geen zin om naar huis te gaan.
Onderweg naar huis alle mensen aankijken die je voorbij loopt. De oude vrouw die zo krom is gegroeid dat ze amper een meter hoog lijkt. De mannen met hun elektrische wagentjes op het caféterras, grote pinten bier drinkend. De jonge meiden met hun te kleine en te strakke kleedjes waar allerlei onderdelen hevig wiebelend vervaarlijk uit dreigen te floepen. De man die doelloos lijkt te ijlen, met zijn hoofd in een andere wereld, ver heen. Het kleine meisje dat meters voor haar mama uit loopt en waarschijnlijk stiekem hoopt dat die iets zal roepen. Hopen mannen die lelijk kijken, opgedroogd in het leven. Twee meisjes, hevig kwetterend op de bank. De mevrouw die bladzijden uit een tijdschrift zit te scheuren, op een andere bank. De vrouw waar je een tijdje achteraan loopt in wat een kleine voetgangersfile lijkt en die net te veel zwart aan heeft. De jongen die wezenloos op de bus staat te wachten. Het meisje dat zingend voorbij fietst.
Misschien zou iedereen wat meer moeten zingen. Misschien is de kosmos dan toch nog te redden.
Een hoop lawaai in de winkelstraat, terwijl de ochtend zich op gang trekt. Een trosje jongens zwalpt al roepend over de straat. Dolle pret, denken ze blijkbaar. Ze gaan de poetsmevrouw knuffelen die al aan het werk is. Ze doet of ze het wel een beetje grappig vindt, maar het lijkt geforceerd.
Net voor jou komt de conducteur de krantenwinkel binnen. Misschien heeft hij wel een boon voor de mevrouw aan de kassa. Misschien houdt hij van het leven. Misschien zingt hij hard onder de douche. Hij spreidt zijn armen, en begint luid te zingen. “Is your heart filled with pain, shall I come back again? / Tell me dear, are you lonesome tonight?” Als jij ook aan de kassa bent, begin je even luid mee te zingen. Het is eens wat anders, zo ’s morgens.
Je zit in de zaal, dicht bij de zangeressen en muzikanten op het podium. Je kunt de gitaren goed zien, ziet de vingergrepen, ziet hoe ze met elkaar praten en dollen. Wat is het mooi. Je moet toegeven dat je het ongetwijfeld ook mooi zou hebben gevonden als de derde zangeres niet ziek was geweest, maar je hoopt dat ze lekker warm in bed ligt. En steeds, heel even, denk je: stel je voor, dat ik ook, met zo’n gitaar, die ene daar, en dan ook een pak, … Het gaat ook altijd weer snel over. Wat is het mooi.
Het is al een beetje nacht als je weer naar huis loopt. Koud is het nog niet. Er zijn nog veel mensen onderweg. Ze doen je glimlachen. Je hoort vier verschillende talen op honderd meter. Waar zouden ze naartoe gaan? Welke dromen zullen ze krijgen straks? De man met zijn brommerhelm komt het café uit. Het is een heel klein café, de man is heel groot, zijn helm ook, zijn brommer lijkt heel klein. Verderop staat het meisje voor de deur van wat wel haar nieuwe kot zal zijn. Een deur met een in te tikken cijfercode. Ze staat lichtjes wanhopig allerlei cijfers in te tikken. Hopelijk zal de deur ooit opengaan. Je loopt het bruggetje over, bijna thuis. Het water is stil.
Het blijkt dat je vaak lichtjes zingend door de gang loopt. Iets als pom pom pom pom. Zo zegt je collega. Je vermoedt dat de man achter de muur, in het andere kantoor, wel zal vinden dat je lacht met erg veel volume. Je zou hem willen uitleggen dat dat elke keer een kleine herdenking is voor een vroegere collega die te vroeg gestorven is. Je zou willen dat zijn lach altijd in je buurt blijft, dus zorg je er zelf maar voor.
De politieman loopt met een sierlijke souplesse tussen de auto’s door op het grote kruispunt dat tijdelijk anders is aangelegd. Iedereen lijkt zich geweldig op te winden hier, alleen hij niet. Strak in zijn politiemanpak. Misschien zingt hij ook wel tussendoor. Maar het zal toch geen Elvis zijn, waarschijnlijk.
Hoe de mensen zich verspreiden over de wagon, er zit ongetwijfeld een systeem in. Kun je ervoor zorgen dat je een zekere betrouwbaarheid en vriendelijkheid uitstraalt, waardoor mensen bij jou komen zitten? Het omgekeerde kan alleszins wel. Mensen die heel erg hun best doen om met hun hele lijf uit te stralen dat ze niet willen dat er iemand bij hen zou komen zitten. Je zou het niet durven, zij hebben er geen enkele moeite mee. Iedereen zit ondertussen. De mevrouw tegenover je begint ijverig te sms’en, voor de rest van de rit. De mevrouw op de bank naast je zou willen verdrinken in het boek dat ze aan het lezen is. Ze vergeet bijna om nog te ademen. De man tegenover haar kijkt licht wanhopig voor zich uit. Hij heeft schijnbaar geen zin om naar huis te gaan.
Onderweg naar huis alle mensen aankijken die je voorbij loopt. De oude vrouw die zo krom is gegroeid dat ze amper een meter hoog lijkt. De mannen met hun elektrische wagentjes op het caféterras, grote pinten bier drinkend. De jonge meiden met hun te kleine en te strakke kleedjes waar allerlei onderdelen hevig wiebelend vervaarlijk uit dreigen te floepen. De man die doelloos lijkt te ijlen, met zijn hoofd in een andere wereld, ver heen. Het kleine meisje dat meters voor haar mama uit loopt en waarschijnlijk stiekem hoopt dat die iets zal roepen. Hopen mannen die lelijk kijken, opgedroogd in het leven. Twee meisjes, hevig kwetterend op de bank. De mevrouw die bladzijden uit een tijdschrift zit te scheuren, op een andere bank. De vrouw waar je een tijdje achteraan loopt in wat een kleine voetgangersfile lijkt en die net te veel zwart aan heeft. De jongen die wezenloos op de bus staat te wachten. Het meisje dat zingend voorbij fietst.
Misschien zou iedereen wat meer moeten zingen. Misschien is de kosmos dan toch nog te redden.
18 september 2011
We hebben alle tijd
‘Wat denk je nu?’
‘We hebben alle tijd.’
‘Tijd genoeg voor traag, heel traag.’
‘Ja, heel traag.’
‘Je bent wel grappig. Ik vroeg me soms af hoe je zou zijn, en het is zoals ik dacht.’
‘Ja? Oef, dat valt al mee dan.’
‘Maak je maar geen zorgen, alles komt goed. Hoor mij hier nu bezig. Lijkt wel oudemensenpraat.’
‘Tja, zelfkennis is een grote, wat was het ook weer?’
‘Laat al maar.’
‘Wat is er?’
‘Ben je nooit bang dat we te veel zullen verliezen, met het oud worden?’
‘Nee, eigenlijk niet. En trouwens, vandaag, en hier en nu wil ik daar niet echt over nadenken. Alles wat ik kan willen is hier.’
‘Meer wil je niet?’
‘Meer wil ik niet.’
‘Wat is dit? Doet dit pijn?’
‘Nee, een beetje maar.’
‘Een beetje maar, typisch voor jou.’
‘Ja, waarschijnlijk. Als je zo kijkt, ben je echt onvatbaar, nog meer dan anders.’
‘Krijg je al schrik?’
‘Nee, dat had ik al. Grapje!’
‘Onnozelaar.’
‘Het licht is mooi hier, vind je ook niet? Die lijnen worden zo zacht, bijna breekbaar. Alsof het licht kan troosten.’
‘Jij kijkt altijd. Kijk je ooit ook een keer niet?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Ik moest er wel wat aan wennen, toen ik je pas kende. Hoe je altijd zat te kijken. Het was niet negatief, maar wel een beetje veel voor mij, in het begin.’
‘Kun je er nu al beter tegen?’
‘Een beetje. En soms vind ik het al fijn, om jouw ogen te voelen.’
‘Ze gaan niet weg, je kunt er maar beter aan wennen.’
‘Dat mag ook traag hopelijk?’
‘Dat mag ook traag.’
‘Je bent heel voorzichtig, in alles eigenlijk. Niet alleen hier. Ik zag het ook vandaag, hoe je door het huis ging.’
‘Soms probeer ik erop te letten, dat ik traag, ja, ook traag, door het huis ga. En dat ik heel voorzichtig het gewicht op mijn voeten laat komen, bijna de vloer betastend. En dan ziet alles er ineens anders uit.’
‘Is het een soort van voorbereiding, voor momenten als deze?’
‘Wie weet, misschien wel.’
‘Dat doe je dan goed. Ik ben eigenlijk helemaal niet bang van jou.’
‘Is dat zo?’
‘Twijfel je dan nog?’
‘Over zoiets zal ik altijd twijfelen, wie het ook is. Je moet je dat niet aantrekken, het ligt aan mij.’
‘Laat het maar gewoon van je afglijden. Ik vond het trouwens heel mooi, hoe je vertelde over je dochter vanmiddag.’
‘Ik vond het niet gemakkelijk, eerlijk gezegd. Maar bij jou lukt het wel.’
‘Je bent dan zo breekbaar, op zo’n moment. Heel mooi ook.’
‘Zeg dat maar niet te veel, dat is niet goed voor mij.’
‘Wat een onzin, daar ga ik zelfs niet op in.’
‘Dit hier vind ik ook mooi, om even over iets anders te beginnen.’
‘Ik geloof er niet veel van, maar ik zal doen alsof.’
‘Ik meen het eigenlijk wel, maar dat is dan maar zo.’
‘Als we heel lang blijven hier, zou er dan iemand zijn die ons mist?’
‘Ongetwijfeld, maar misschien willen we dat nu niet weten.’
‘Nee, ik wil niets weten nu, niets denken.’
‘Alleen traag?’
‘Alleen traag.’
‘We hebben alle tijd.’
‘Tijd genoeg voor traag, heel traag.’
‘Ja, heel traag.’
‘Je bent wel grappig. Ik vroeg me soms af hoe je zou zijn, en het is zoals ik dacht.’
‘Ja? Oef, dat valt al mee dan.’
‘Maak je maar geen zorgen, alles komt goed. Hoor mij hier nu bezig. Lijkt wel oudemensenpraat.’
‘Tja, zelfkennis is een grote, wat was het ook weer?’
‘Laat al maar.’
‘Wat is er?’
‘Ben je nooit bang dat we te veel zullen verliezen, met het oud worden?’
‘Nee, eigenlijk niet. En trouwens, vandaag, en hier en nu wil ik daar niet echt over nadenken. Alles wat ik kan willen is hier.’
‘Meer wil je niet?’
‘Meer wil ik niet.’
‘Wat is dit? Doet dit pijn?’
‘Nee, een beetje maar.’
‘Een beetje maar, typisch voor jou.’
‘Ja, waarschijnlijk. Als je zo kijkt, ben je echt onvatbaar, nog meer dan anders.’
‘Krijg je al schrik?’
‘Nee, dat had ik al. Grapje!’
‘Onnozelaar.’
‘Het licht is mooi hier, vind je ook niet? Die lijnen worden zo zacht, bijna breekbaar. Alsof het licht kan troosten.’
‘Jij kijkt altijd. Kijk je ooit ook een keer niet?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Ik moest er wel wat aan wennen, toen ik je pas kende. Hoe je altijd zat te kijken. Het was niet negatief, maar wel een beetje veel voor mij, in het begin.’
‘Kun je er nu al beter tegen?’
‘Een beetje. En soms vind ik het al fijn, om jouw ogen te voelen.’
‘Ze gaan niet weg, je kunt er maar beter aan wennen.’
‘Dat mag ook traag hopelijk?’
‘Dat mag ook traag.’
‘Je bent heel voorzichtig, in alles eigenlijk. Niet alleen hier. Ik zag het ook vandaag, hoe je door het huis ging.’
‘Soms probeer ik erop te letten, dat ik traag, ja, ook traag, door het huis ga. En dat ik heel voorzichtig het gewicht op mijn voeten laat komen, bijna de vloer betastend. En dan ziet alles er ineens anders uit.’
‘Is het een soort van voorbereiding, voor momenten als deze?’
‘Wie weet, misschien wel.’
‘Dat doe je dan goed. Ik ben eigenlijk helemaal niet bang van jou.’
‘Is dat zo?’
‘Twijfel je dan nog?’
‘Over zoiets zal ik altijd twijfelen, wie het ook is. Je moet je dat niet aantrekken, het ligt aan mij.’
‘Laat het maar gewoon van je afglijden. Ik vond het trouwens heel mooi, hoe je vertelde over je dochter vanmiddag.’
‘Ik vond het niet gemakkelijk, eerlijk gezegd. Maar bij jou lukt het wel.’
‘Je bent dan zo breekbaar, op zo’n moment. Heel mooi ook.’
‘Zeg dat maar niet te veel, dat is niet goed voor mij.’
‘Wat een onzin, daar ga ik zelfs niet op in.’
‘Dit hier vind ik ook mooi, om even over iets anders te beginnen.’
‘Ik geloof er niet veel van, maar ik zal doen alsof.’
‘Ik meen het eigenlijk wel, maar dat is dan maar zo.’
‘Als we heel lang blijven hier, zou er dan iemand zijn die ons mist?’
‘Ongetwijfeld, maar misschien willen we dat nu niet weten.’
‘Nee, ik wil niets weten nu, niets denken.’
‘Alleen traag?’
‘Alleen traag.’
17 september 2011
Zou je iets leren
Zou je iets leren, met het ouder worden? Misschien wel, een klein beetje.
Het zou kunnen dat je het verliest. Het geloof dat je ooit zult weten wanneer je er bent. Daar waar je zult weten hoe de dingen in elkaar zitten. Het is zo mooi, als je kind bent. Er is een daar en een hier. En daar ben je groot, daar weet je de dingen. En vooral, daar weet je dat je daar bent. En naarmate de jaren verstrijken, vraag je je af wanneer dat moment zal komen. Het is alsof daar steeds verder opschuift, terwijl jij altijd hier blijft, een hier dat steeds groter wordt. En stilaan doet dat er misschien wel niet meer zo veel toe. Daar zul je nooit komen.
Zou het gemakkelijker worden om met de eenzaamheid om te gaan? Ze is anders dan je je voorstelde. Het gaat niet zozeer over alleen zijn of niet, soms of altijd. Er is een langzaam besef van wat je eenzaamheid zou kunnen noemen. Misschien omdat je de dingen beter ziet. De sluiers verdwijnen, een voor een. Er komt een leegte voor in de plaats, maar in die leegte zie je meer. Je kijkt anders, beter, en je ziet meer. En misschien besef je dat we elkaars lege plekken niet weg kunnen nemen. Waardoor er meer te troosten overblijft, en ook wel meer troost.
En soms worden de dingen lichter, merkwaardig genoeg omdat je hun zwaarte beter ziet. Het zou kunnen dat de sleutel ligt in het af en toe loslaten van het verzet tegen de dingen, waardoor je ze beter kunt zien. Je kunt ze door je heen laten stromen, en ze zullen je raken. Maar de stroom kwetst je minder dan een dam, af en toe toch.
En je verliest zoveel. Zoals je overtuiging dat je zou weten hoe een ander is. Ooit dacht je dat het te weten is. Een ander kon in een plaatje worden ondergebracht, in een verhaal met een begin en een eind. En dat verlies je, en wat een gelukkig verlies dat is. Er is alleen het vertellen van het verhaal, en dat blijft bewegen.
Leer je je ongeduld temperen? Soms wel. Soms stel je het vast, tot je eigen verbazing, hoe je je onvermogen kunt aanvaarden, hoe het je zelfs rustig maakt. Meer dan de beweging heb je niet nodig, het doel geeft enkel de richting aan, meer niet. En soms ook niet, soms helemaal niet.
En de tijd, en het verglijden ervan. Misschien leer je enkel dat verglijden zelf.
Hoe je tegelijk milder kunt worden, en toch minder verdraagzaam voor onzin. Het zou ook een vorm van leren kunnen zijn.
Sommige muziek komt met de jaren, net als zoveel andere dingen. Je wou het vroeger nooit horen, dat je pas na een tijd klaar bent voor iets. Je wilt zo alles, als je jong bent. En langzaamaan besef je dat er een tijd is voor sommige dingen. Het kan zijn dat je gewoon anders kijkt, anders luistert. Zoals je anders kijkt naar de seizoenen, die er ook al waren toen je jong was.
Dat ouder worden toch nog heel anders is dan oud zijn, dat leer je ook. En dat blijkt bij nader inzien een geweldige opluchting. Het zou natuurlijk ook kunnen dat je steeds betere manieren vindt om jezelf ervan te overtuigen dat oud nog heel erg ver weg is, en dat oud enkel iets is voor echt oude mensen.
Dat je misschien beter weet wat er kan verdwijnen uit je leven, in een flits. Je gaat beter en langer kijken naar al wie je lief is. Onbewust waarschijnlijk je herinneringen voorbereidend.
Misschien zie je meer schoonheid, omdat je ook beter het achteloos verdwijnen ervan kunt zien. Het zou kunnen dat je leert dat schoonheid niet zomaar onopgemerkt mag blijven, dat het zonde zou zijn. De vanzelfsprekendheid ervan ligt al lang achter je, en dat is een goede zaak. En zo wordt schoonheid van iets dat bijna passief is tot een daad, in het kijken, en dat zou wel eens beter kunnen zijn.
Het zou kunnen dat je het verliest. Het geloof dat je ooit zult weten wanneer je er bent. Daar waar je zult weten hoe de dingen in elkaar zitten. Het is zo mooi, als je kind bent. Er is een daar en een hier. En daar ben je groot, daar weet je de dingen. En vooral, daar weet je dat je daar bent. En naarmate de jaren verstrijken, vraag je je af wanneer dat moment zal komen. Het is alsof daar steeds verder opschuift, terwijl jij altijd hier blijft, een hier dat steeds groter wordt. En stilaan doet dat er misschien wel niet meer zo veel toe. Daar zul je nooit komen.
Zou het gemakkelijker worden om met de eenzaamheid om te gaan? Ze is anders dan je je voorstelde. Het gaat niet zozeer over alleen zijn of niet, soms of altijd. Er is een langzaam besef van wat je eenzaamheid zou kunnen noemen. Misschien omdat je de dingen beter ziet. De sluiers verdwijnen, een voor een. Er komt een leegte voor in de plaats, maar in die leegte zie je meer. Je kijkt anders, beter, en je ziet meer. En misschien besef je dat we elkaars lege plekken niet weg kunnen nemen. Waardoor er meer te troosten overblijft, en ook wel meer troost.
En soms worden de dingen lichter, merkwaardig genoeg omdat je hun zwaarte beter ziet. Het zou kunnen dat de sleutel ligt in het af en toe loslaten van het verzet tegen de dingen, waardoor je ze beter kunt zien. Je kunt ze door je heen laten stromen, en ze zullen je raken. Maar de stroom kwetst je minder dan een dam, af en toe toch.
En je verliest zoveel. Zoals je overtuiging dat je zou weten hoe een ander is. Ooit dacht je dat het te weten is. Een ander kon in een plaatje worden ondergebracht, in een verhaal met een begin en een eind. En dat verlies je, en wat een gelukkig verlies dat is. Er is alleen het vertellen van het verhaal, en dat blijft bewegen.
Leer je je ongeduld temperen? Soms wel. Soms stel je het vast, tot je eigen verbazing, hoe je je onvermogen kunt aanvaarden, hoe het je zelfs rustig maakt. Meer dan de beweging heb je niet nodig, het doel geeft enkel de richting aan, meer niet. En soms ook niet, soms helemaal niet.
En de tijd, en het verglijden ervan. Misschien leer je enkel dat verglijden zelf.
Hoe je tegelijk milder kunt worden, en toch minder verdraagzaam voor onzin. Het zou ook een vorm van leren kunnen zijn.
Sommige muziek komt met de jaren, net als zoveel andere dingen. Je wou het vroeger nooit horen, dat je pas na een tijd klaar bent voor iets. Je wilt zo alles, als je jong bent. En langzaamaan besef je dat er een tijd is voor sommige dingen. Het kan zijn dat je gewoon anders kijkt, anders luistert. Zoals je anders kijkt naar de seizoenen, die er ook al waren toen je jong was.
Dat ouder worden toch nog heel anders is dan oud zijn, dat leer je ook. En dat blijkt bij nader inzien een geweldige opluchting. Het zou natuurlijk ook kunnen dat je steeds betere manieren vindt om jezelf ervan te overtuigen dat oud nog heel erg ver weg is, en dat oud enkel iets is voor echt oude mensen.
Dat je misschien beter weet wat er kan verdwijnen uit je leven, in een flits. Je gaat beter en langer kijken naar al wie je lief is. Onbewust waarschijnlijk je herinneringen voorbereidend.
Misschien zie je meer schoonheid, omdat je ook beter het achteloos verdwijnen ervan kunt zien. Het zou kunnen dat je leert dat schoonheid niet zomaar onopgemerkt mag blijven, dat het zonde zou zijn. De vanzelfsprekendheid ervan ligt al lang achter je, en dat is een goede zaak. En zo wordt schoonheid van iets dat bijna passief is tot een daad, in het kijken, en dat zou wel eens beter kunnen zijn.
14 september 2011
Er valt nog veel te leren
Alles kan beter, zo zegt men wel eens. Het zou kunnen, al is het wel een beetje vermoeiend. Alles is te leren, zeggen sommigen. Dat weet je toch niet zo goed. Alleszins een gedachte die goed is voor preventief faalbesef. Wat dan ook weer tot lichte troost kan leiden in het licht van de kosmische orde.
Er zijn van die dingen die je eigenlijk niet mag doen. Zoals stiekem meelezen op het telefoonschermpje van iemand anders. Maar soms kun je bijna niet anders.
Er zijn van die dagen. Een vroege herfst, een late nazomer, er zindert iets in de lucht. Liefde en lust, zo blijkt, en alle tintelingen die daarbij horen. Zomaar. Terwijl je je best doet om na te denken over duurzame oplossingen voor de double dip (of zaten we al aan de triple dip), de dagelijkse worsteling met het ethisch kader dat nodig zou zijn om ooit in een volgend leven een goed mens te worden of de vraag of je volgens de criteria van een Vlaamse werkgeversorganisatie als ambtenaar wel genoeg performant bent.
En zo sta je daar, geprangd tussen heel wat anderen in de metro. Je kunt alleen maar schuin naar beneden kijken. Het meisje haalt haar gsm boven, klapt hem open, en begint te lezen. Een bericht dat begint met “Mon amour”. Heerlijk toch, je zou haar bijna feliciteren. Gewoon, de liefde, dat is nog te vatten. Maar de lust, dat is wat anders.
Even later zit je in een zaaltje. De rijen steeds voller. Voor jou is een man in een sjiek pak komen zitten. Met een al even sjieke telefoon, met een groot scherm. Hij is ijverig aan het tikken, het lijkt wel een essay te gaan worden. Misschien ook over de double dip. Hij is klaar, en houdt de telefoon omhoog om alles nog eens na te lezen. Wat jij dus ook kunt doen.
In het bericht beschrijft hij in detail hoe hij de borsten van zijn geliefde zal kussen. Waarna hij zal overgaan tot allerlei andere onderdelen van haar ongetwijfeld goddelijke lichaam. En nog andere dingen, die niet meteen voor weergave vatbaar zijn, maar die wel tot enig licht innerlijk blozen leiden.
Oeps. Zou dat te leren zijn? Zou je dat zomaar kunnen als dat ooit van pas zou komen? Misschien kan er al geoefend worden. Af en toe krijg je de commentaar dat je kiest voor een licht omzwachteld taalgebruik, dat je niet meteen op je doel afgaat, te voorzichtig bent, en zo de opportuniteiten voorbij laat gaan. Of zoiets. Het komt er dus op aan een scherpe focus aan te brengen in het bericht dat dan daarna via de mobiele telefonie (of anders per postduif) zou kunnen worden overgebracht
Geachte weledelgestrenge mevrouw. Als u er geen fundamenteel bezwaar tegen heeft, zou ik graag willen overgaan tot het bilabiaal betasten van de golvende glooiingen van uw landschap. Ik kan u hierbij via dit schrijven melden dat de hoger genoemde glooiingen mijn heftige verbeelding in beroering hebben gebracht. Ik zou het bijgevolg niet geheel onaangenaam vinden om binnen afzienbare tijd over te kunnen gaan tot een vorm van toenadering die mij in staat stelt tot het hoger genoemde betasten, waarbij ik zoals gezegd de bilabiale benadering verkies boven de labiodentale. Ik hoop van harte dat u mijn verzoek zult inwilligen en dat we spoedig een afspraak kunnen maken die hopelijk allerlei gewenste effecten zal hebben voor u en voor mij. Hoogachtend, uw dienaar.
Iets van die aard, dat moet toch al inslaan als een bom van wild en stout leven. Misschien is het wel een beetje lang voor een sms, en is het wat moeilijk met al die lange woorden. Maar als je dat nu al zou voorbereiden, dan kun je er wel voor zorgen dat ze allemaal in je woordenboek zitten. Als ze dan van pas komen, flitsen ze zo op je scherm.
Het komt nog wel goed, denk je. Misschien moet er nog een verkorte variant ontwikkeld worden voor noodgevallen, je weet maar nooit. Maar voor de rest: laat die lente in de herfst maar komen.
Er zijn van die dingen die je eigenlijk niet mag doen. Zoals stiekem meelezen op het telefoonschermpje van iemand anders. Maar soms kun je bijna niet anders.
Er zijn van die dagen. Een vroege herfst, een late nazomer, er zindert iets in de lucht. Liefde en lust, zo blijkt, en alle tintelingen die daarbij horen. Zomaar. Terwijl je je best doet om na te denken over duurzame oplossingen voor de double dip (of zaten we al aan de triple dip), de dagelijkse worsteling met het ethisch kader dat nodig zou zijn om ooit in een volgend leven een goed mens te worden of de vraag of je volgens de criteria van een Vlaamse werkgeversorganisatie als ambtenaar wel genoeg performant bent.
En zo sta je daar, geprangd tussen heel wat anderen in de metro. Je kunt alleen maar schuin naar beneden kijken. Het meisje haalt haar gsm boven, klapt hem open, en begint te lezen. Een bericht dat begint met “Mon amour”. Heerlijk toch, je zou haar bijna feliciteren. Gewoon, de liefde, dat is nog te vatten. Maar de lust, dat is wat anders.
Even later zit je in een zaaltje. De rijen steeds voller. Voor jou is een man in een sjiek pak komen zitten. Met een al even sjieke telefoon, met een groot scherm. Hij is ijverig aan het tikken, het lijkt wel een essay te gaan worden. Misschien ook over de double dip. Hij is klaar, en houdt de telefoon omhoog om alles nog eens na te lezen. Wat jij dus ook kunt doen.
In het bericht beschrijft hij in detail hoe hij de borsten van zijn geliefde zal kussen. Waarna hij zal overgaan tot allerlei andere onderdelen van haar ongetwijfeld goddelijke lichaam. En nog andere dingen, die niet meteen voor weergave vatbaar zijn, maar die wel tot enig licht innerlijk blozen leiden.
Oeps. Zou dat te leren zijn? Zou je dat zomaar kunnen als dat ooit van pas zou komen? Misschien kan er al geoefend worden. Af en toe krijg je de commentaar dat je kiest voor een licht omzwachteld taalgebruik, dat je niet meteen op je doel afgaat, te voorzichtig bent, en zo de opportuniteiten voorbij laat gaan. Of zoiets. Het komt er dus op aan een scherpe focus aan te brengen in het bericht dat dan daarna via de mobiele telefonie (of anders per postduif) zou kunnen worden overgebracht
Geachte weledelgestrenge mevrouw. Als u er geen fundamenteel bezwaar tegen heeft, zou ik graag willen overgaan tot het bilabiaal betasten van de golvende glooiingen van uw landschap. Ik kan u hierbij via dit schrijven melden dat de hoger genoemde glooiingen mijn heftige verbeelding in beroering hebben gebracht. Ik zou het bijgevolg niet geheel onaangenaam vinden om binnen afzienbare tijd over te kunnen gaan tot een vorm van toenadering die mij in staat stelt tot het hoger genoemde betasten, waarbij ik zoals gezegd de bilabiale benadering verkies boven de labiodentale. Ik hoop van harte dat u mijn verzoek zult inwilligen en dat we spoedig een afspraak kunnen maken die hopelijk allerlei gewenste effecten zal hebben voor u en voor mij. Hoogachtend, uw dienaar.
Iets van die aard, dat moet toch al inslaan als een bom van wild en stout leven. Misschien is het wel een beetje lang voor een sms, en is het wat moeilijk met al die lange woorden. Maar als je dat nu al zou voorbereiden, dan kun je er wel voor zorgen dat ze allemaal in je woordenboek zitten. Als ze dan van pas komen, flitsen ze zo op je scherm.
Het komt nog wel goed, denk je. Misschien moet er nog een verkorte variant ontwikkeld worden voor noodgevallen, je weet maar nooit. Maar voor de rest: laat die lente in de herfst maar komen.
11 september 2011
Het chocoladeverlangen
Misschien is het er altijd wel een beetje. Een beetje toch.
Alles wat je zou kunnen dromen. En hoe je het toch in je hoofd op verschillende stapeltjes kunt leggen. Alsof er nog gradaties in droomhaalbaarheid zijn. Met een stapeltje ‘als ik dan toch moet kiezen, doe er dan maar een van deze’. En een stapeltje ‘nog niet klaar om in woorden omgezet te worden’.
Het omzetten. Van woorden naar dans gaan, hoe zou je dat doen? Welke bruggen zijn er nodig? Welke wisselwegen? Welke sprong in het duister? Je probeert het je in te beelden.
Je doet de gordijnen dicht, laat nog net genoeg licht in het huis, en je trekt je terug. Een kleine terugtocht uit de dingen, het was nodig om hier alleen te zijn nu, de dag vroeg te veel. Je legt de film in de dvd-speler. De film van het boek dat je ooit kreeg met de inscriptie ‘een boek over de liefde’. Je bent een beetje bang. Zal de film iets zijn dat kan staan naast het boek zoals het in je geheugen zit? Je bent eigenlijk ook te moe, zou beter meteen gaan slapen. Maar dat kan nu niet. Dit is nu. Langzaam kom je in de film. Het valt je op dat er in de film meer kleuren zijn dan in het boek in je hoofd. Misschien zie je in een boek in je hoofd alleen de personages een beetje scherp, en is de rest vaag, hoogstens in pastel. Je ziet hoe de jongen heen en weer beweegt tussen twee vrouwen, willoos verscheurd door liefde. Je ziet de velden waar hij met een van hen doorheen loopt. In je hoofd waren die even groen, dat merk je ineens. Het ritme van de film neemt je over, haalt je weg uit deze plek. Tot je hoort: I once had a girl, or should I say she once had me. Daarna is het tijd voor de nacht. Een nacht met een volle maan.
Wakker worden in etappes. Langzaam terug komen naar de dag. Het licht dat voorzichtig de kamer binnenkomt. Bijna verlegen. Niet alle pijn is verdwenen.
Een traag verdriet heeft je verder overgenomen, haast ongemerkt. Het glijdt over je rug, betast je slapen, en nestelt zich tegen je aan. Je zou willen blijven zitten hier, en alles laten. En toch ook niet. Het is tijd voor de stofzuiger. Terwijl je het stof ziet verdwijnen, is het alsof er ook iets van jezelf afvalt. Met de zwabber en de dweil daarna wordt wat zwaar was al een beetje zoeter. En zo zoek je je weg door de dag.
Je gaat het nieuwe gebouw bekijken, bij jou achter de hoek. Er is een rondleiding, die pas over twintig minuten zal beginnen. Je doet alsof je ontspannen zit, daar in je eentje aan dat tafeltje met een glas water. De twee foldertjes zijn te snel uitgelezen. Wanneer je er op een treinrit drie kranten door moet jagen komt het snelle lezen altijd erg goed van pas. Maar nu zou je in staat moeten zijn om de leesknop naar traag om te zetten. Of zo. Je kijkt dan maar een beetje voor je uit, met wat een culturele blik zou moeten zijn. De rondleiding begint gelukkig net een beetje te vroeg.
Je hangt de was op aan het rekje. Een moment voor diepe gedachten, of zo. De stofzuigrugpijn is ook dit keer blijkbaar niet uit te stellen. Het is niet zo erg. Je zult nog wel even gaan liggen straks. Je staat even later voor de piano. Je stelt je voor hoe je daar zit. Urenlang. Alleen maar Bach. Niets anders, er mag niets anders zijn nu. Hoe je zou verdwijnen, hoe leeg en tegelijk vol je zou worden.
De naweeën van de ochtend lijken te verdwijnen bij het koken. Een beetje toch. En met de afwas is het alsof er een rust weerkeert in het huis.
En terwijl denk je. Aan chocolade. Er zouden mensen zijn die dat verlangen niet hebben. Je kent er zelfs een. Jij bent niet bij hen die het niet hebben. Het verlangen mag straks gestild worden. Een beetje toch. Als de klussen klaar zijn, het aanrecht opgeruimd. Een klein stukje, meer niet. Het is intens lekker. Al het andere genot mag ook dit keer weer uitgesteld worden.
Je ziet een bericht over een dubbele regenboog. Je loopt meteen naar het raam, maar je ziet hem niet. Net gemist waarschijnlijk. Of niet zichtbaar van hier. Je kunt de regenboog dromen, daar ergens. Of zo.
Alles wat je zou kunnen dromen. En hoe je het toch in je hoofd op verschillende stapeltjes kunt leggen. Alsof er nog gradaties in droomhaalbaarheid zijn. Met een stapeltje ‘als ik dan toch moet kiezen, doe er dan maar een van deze’. En een stapeltje ‘nog niet klaar om in woorden omgezet te worden’.
Het omzetten. Van woorden naar dans gaan, hoe zou je dat doen? Welke bruggen zijn er nodig? Welke wisselwegen? Welke sprong in het duister? Je probeert het je in te beelden.
Je doet de gordijnen dicht, laat nog net genoeg licht in het huis, en je trekt je terug. Een kleine terugtocht uit de dingen, het was nodig om hier alleen te zijn nu, de dag vroeg te veel. Je legt de film in de dvd-speler. De film van het boek dat je ooit kreeg met de inscriptie ‘een boek over de liefde’. Je bent een beetje bang. Zal de film iets zijn dat kan staan naast het boek zoals het in je geheugen zit? Je bent eigenlijk ook te moe, zou beter meteen gaan slapen. Maar dat kan nu niet. Dit is nu. Langzaam kom je in de film. Het valt je op dat er in de film meer kleuren zijn dan in het boek in je hoofd. Misschien zie je in een boek in je hoofd alleen de personages een beetje scherp, en is de rest vaag, hoogstens in pastel. Je ziet hoe de jongen heen en weer beweegt tussen twee vrouwen, willoos verscheurd door liefde. Je ziet de velden waar hij met een van hen doorheen loopt. In je hoofd waren die even groen, dat merk je ineens. Het ritme van de film neemt je over, haalt je weg uit deze plek. Tot je hoort: I once had a girl, or should I say she once had me. Daarna is het tijd voor de nacht. Een nacht met een volle maan.
Wakker worden in etappes. Langzaam terug komen naar de dag. Het licht dat voorzichtig de kamer binnenkomt. Bijna verlegen. Niet alle pijn is verdwenen.
Een traag verdriet heeft je verder overgenomen, haast ongemerkt. Het glijdt over je rug, betast je slapen, en nestelt zich tegen je aan. Je zou willen blijven zitten hier, en alles laten. En toch ook niet. Het is tijd voor de stofzuiger. Terwijl je het stof ziet verdwijnen, is het alsof er ook iets van jezelf afvalt. Met de zwabber en de dweil daarna wordt wat zwaar was al een beetje zoeter. En zo zoek je je weg door de dag.
Je gaat het nieuwe gebouw bekijken, bij jou achter de hoek. Er is een rondleiding, die pas over twintig minuten zal beginnen. Je doet alsof je ontspannen zit, daar in je eentje aan dat tafeltje met een glas water. De twee foldertjes zijn te snel uitgelezen. Wanneer je er op een treinrit drie kranten door moet jagen komt het snelle lezen altijd erg goed van pas. Maar nu zou je in staat moeten zijn om de leesknop naar traag om te zetten. Of zo. Je kijkt dan maar een beetje voor je uit, met wat een culturele blik zou moeten zijn. De rondleiding begint gelukkig net een beetje te vroeg.
Je hangt de was op aan het rekje. Een moment voor diepe gedachten, of zo. De stofzuigrugpijn is ook dit keer blijkbaar niet uit te stellen. Het is niet zo erg. Je zult nog wel even gaan liggen straks. Je staat even later voor de piano. Je stelt je voor hoe je daar zit. Urenlang. Alleen maar Bach. Niets anders, er mag niets anders zijn nu. Hoe je zou verdwijnen, hoe leeg en tegelijk vol je zou worden.
De naweeën van de ochtend lijken te verdwijnen bij het koken. Een beetje toch. En met de afwas is het alsof er een rust weerkeert in het huis.
En terwijl denk je. Aan chocolade. Er zouden mensen zijn die dat verlangen niet hebben. Je kent er zelfs een. Jij bent niet bij hen die het niet hebben. Het verlangen mag straks gestild worden. Een beetje toch. Als de klussen klaar zijn, het aanrecht opgeruimd. Een klein stukje, meer niet. Het is intens lekker. Al het andere genot mag ook dit keer weer uitgesteld worden.
Je ziet een bericht over een dubbele regenboog. Je loopt meteen naar het raam, maar je ziet hem niet. Net gemist waarschijnlijk. Of niet zichtbaar van hier. Je kunt de regenboog dromen, daar ergens. Of zo.
Abonneren op:
Posts (Atom)