21 april 2016

De zon! De lente!

Soms heb je het koud, een beetje. Soms denk je: het zou warm mogen zijn, gewoon.

Een vergadering. Er was enige zenuwachtigheid over het voorstel dat je had uitgewerkt. Het wordt vlotjes aangenomen (ook een beetje tot jouw verbazing). Iedereen is een beetje in de war. Is de vergadering al voorbij? Ja, dus. Ze blijven nog wat hangen.

Bij het instappen in de trein duwt een man je vrij brutaal opzij. Hij kijkt je aan met een blik alsof hij er ook nog heel trots op is. Iets als: ik  ben ego├»stisch, en dan? (Akelige man, denk je. Je had het al eerder gedacht, als je hem zag staan. Of zoiets.)

Op weg weer naar huis, na een avondafspraak. (Je denkt: vertel eens een verhaal, eender wat.)

De volgende dag. Op tijd naar huis, want je moet nog naar een conferentie. Een event. Klinkt belangwekkender. Dicht bij huis, weliswaar. Achter de hoek, eigenlijk.

Een uur voorzien voor het onthaal, pas daarna zal het event beginnen. Natuurlijk ben je weer vroeg daar. Netwerken, dat moet je dus doen. Je staat aan een tafeltje een broodje te eten. Poging tot spontaan gesprek met iemand die je niet kent. (Misschien zul je het ooit nog wel leren.)

Net op dat moment: een berichtje met de vraag of je twee kleine meisjes in bed wilt steken. Jammer…

De twee acteurs die het event aan elkaar moeten praten zijn grappiger dan je had verwacht.

Een beetje koud, als je gaat slapen.

Een vergadering. Je loopt door de zaal, om foto’s te maken. Brengt je ineens een beetje terug bij vroeger, toen met je vader.

Een experiment, tijdens diezelfde vergadering. Een interactief moment. Een beetje onwennig nog gaan ze bij de drie tafeltjes staan, maar het loopt opvallend goed. Het doet je eigenlijk veel plezier om hen zo bezig te zien.

De studente die je komt interviewen voor haar thesis. Je had een beetje schrik, maar het valt nog mee met je geheugen.

Meer plaats in de trein. Je gaat zo ver mogelijk van de akelige man zitten. De boekenbijlage. Feest.

(Je denkt: ik vertel verhalen, eender wat.)

Je denkt aan een  geur. Je denkt: ineens was die er weer, toen, en die andere keer ook.

(Het is tijd voor iets onnozels, denk je.)

In een droom, die nacht: vind je me niet meer mooi dan? Natuurlijk wel, wat dacht je nu?

Een vergadering. Soms ben je niet echt in voor veel gepalaver. Of mensen die de hele tijd ‘nog iets willen toevoegen’.

Op weg naar het station. Je moet op tijd terug in de thuisstad zijn voor die afspraak.

De zon! Je denkt aan haar. Het is tijd voor iets onnozels, denk je.

Netjes op tijd voor je afspraak.

De mevrouw kijkt je hele huid na. De vlekjes op je huid. (Kleine eilandjes van niet-wit.) Het zorgt voor tintels. (Mag dat wel?) Alles is in orde. Ze zegt dat je binnen een jaar weer terug moet komen. Of eerder als je iets verdachts zou zien. Je zou haar willen zeggen dat je niet elke dag kijkt naar de vlekjes op je rug, maar je doet het maar niet.

Op weg naar huis, een moment van ontroering. Niemand ziet het. De jonge mensen zitten in de zon op het plein. En je denkt: alle controles zijn weer voorbij voor dit jaar, nu kan de lente beginnen!

Het is of de ontroering je moe maakt, zo blijkt enkele uren later.

Een beetje koud.

Een aangename verstoring van het kookgebeuren. Iets met een hangmat, ook.

Nee mevrouw, natuurlijk niet, alle seizoenen! En dat is de korte samenvatting. (Moet ik meer zeggen? Nee, niet doen! Haha.)

Een beetje lente.

(Misschien had je door de aangename verstoring toch tweemaal sojasaus in de pan gedaan…)

Geen opmerkingen: