30 november 2017

Ergens onderweg sneeuwt het

Naar huis rijden en de lucht zien. En denken aan een moment, toen, toen je ’s nachts naar de lucht lag te kijken. En luisterde naar een adem.

Een vraag die je diep ontroerde.

Ze vindt een plek in je hart.

De nacht lijkt stil. De regen spoelt je tranen weg.

En iets over thuiskomen. Je vertelde het, met een omweg. Je wou veel vertellen.

Eerder hoorde je al iets over hoe je lichaam bewoog, terwijl je daar stond, vooraan. Wat je handen deden, waar ze bleven, en wat het zei. Het bleef nog in je ronddolen.

Wat je lichaam zei.

En waar het woonde.

Je bent op weg naar huis. Het mooie aan op weg zijn naar huis is de gedachte dat het zou kunnen, dat je thuis zou kunnen komen.

Je denkt aan een andere plek met water, waar je ooit was. En warmte, dat was er ook. Terwijl de regen je rimpels vult met verdwijnen. Alsof je daar opnieuw zou kunnen zijn. Misschien is het verhaal genoeg.

Het zal zich neerleggen, de volgende dagen. Zoals de rivier.

Thuis kun je de gordijnen naar beneden rollen, kun je de kamer warm maken, kun je bijna verlangen naar de plek in je huid van het slapen, kun je dicht bij de dromen komen die zouden kunnen opduiken.

Ergens onderweg.

Misschien ben je dat thuis ook.

De dingen zijn echt. Het is een zin die je niet helemaal begrijpt.

En ineens zie je voor je wie je zult zijn, als je groot bent.

Thuis ondertussen. Je raakt de ruimte aan. Je bent welkom.

Die nacht denk je aan de lucht. Het is goed om even te verdwijnen in de nacht, om aan de andere kant weer terug te komen.

Het is een andere dag.

De volgende dagen bewegen zichzelf, ze volgen hun ritme, je kijkt toe.

Misschien was leegte ook goed geweest.

Je huid weet de dingen.

De trage muziek, de eindeloze beweging, op en neer. Tot alleen je adem blijft.

Wat je handen deden, waar ze bleven, je denkt er weer aan. Die plekken laten zich denken.

En je weet nog steeds niet hoe het nu juist zit, dat denken met je lichaam. (Iemand glimlacht.)

Je had de planten bij elkaar gezet, dicht bij elkaar. Je had ze afgeschermd van de koude die zou kunnen komen. Je handen kunnen dingen beschermen, ze blijven. Je had er een doek over gelegd, heel zachtjes. Je had nog iets gefluisterd.

Je was moe, en een stuk van jou was nog een beetje hoekig. Misschien was het de sneeuw in de lucht, nog lang voor die te zien was, die je huid zocht.

Je keek naar de lucht, hoe die de nacht ontving. Als na een vraag die niet eens gesteld werd.

Ergens onderweg sneeuwt het, dacht je.

Geen opmerkingen: