25 februari 2008

Nabij


Een overvolle trein. Veel mensen, met veel pakken en zakken. Ze vraagt of er nog plaats is naast mij. Ja hoor, zeg ik. Nu nog wel, nu niet meer. Tussen die twee is ze gaan zitten. Ik doe een poging een hoofdstuk te lezen in een boek over boeddhisme. Het zal nog even moeten wachten. Het landschap schuift voorbij. Misschien wil ik vandaag meer ruimte om beter te kunnen lezen. Het geeft niet. Ergens tussen vertrek en bestemming laat je het los. In het begin probeer je nog jezelf op te trekken, als een soort poging tot adem inhouden. In je eigen gebied blijven, om de ander ook een plek te geven. Pas na even weet je hoe dicht die ander zou mogen komen. En na een tijd, ergens tussen hier en daar, laat je het los. Je beseft dat je tegen elkaar zit. Been tegen been, of arm tegen arm. En je wilt niet dat het overgaat. Je weet niet wat die ander weet.

De buik is onvoorspelbaar. Zo is het nu. De naweeën van wat ooit ziek was. Het resultaat van een oefening knippen en plakken. Je probeert telkens de lijn een beetje te verleggen. Telkens meer terrein te veroveren. Meer vrijheid. Zo werkt het niet. Rustig maar dwingend neemt de buik het terrein weer in. De vrijheid is paradoxaal, ze bestaat enkel in het luisteren naar. Teruggaan vanwaar je kwam. En wachten. En na de tijd die nodig was, leg je je handen op je buik. De adem verwelkomt je als een verloren zoon. De buik is zacht en ontvankelijk. Je zou willen zeggen aan iemand: voel eens aan mijn buik. Het is de slaap die komt voelen.

Lopen door weer een nog leeg appartement. Zou het kunnen dat hier? Kan er hier gebleven worden? En wat als het waait? Kan er hier gedroomd worden? En wat met het verlangen? Soms is een huis een antwoord op een verlangen naar thuis. Soms niet. Het zal weer voor een volgende keer zijn.

Het licht is definitief aan de goede kant van de lijn gekomen. Het kan nu niet meer terugvallen. Het blijft lang genoeg in de dag om de toestand veilig te verklaren. Nu gaat het snel. In de tuin kondigen de gele bloemetjes waarvan ik de naam elk jaar opnieuw vergeet zich aan. Net als elk jaar zal ik ook dit jaar gewezen worden op de naam van de bloemetjes. Zo hoort het. Het hoort bij de seizoenen.

Waarom ik niet zo graag reis, dat vraagt ze. Hoe is het uit te leggen. Elke week hetzelfde bospad lopen, om zo beter de kleine wijzigingen te zien. De nood aan het voelen van de afstand. Voelen hoe je van hier naar daar gaat. Niet ineens daar zijn aangekomen, zonder de afstand tussen hier en daar gezien te hebben. Niet te veel indrukken ineens. Omdat altijd alles vraagt om gezien te worden. En ook weten dat wat je zoekt alleen hier, in jezelf kan gevonden worden. Het is moeilijker, maar beter. Maar toch ook, in het hoofd, steeds de hele wereld. Steeds het verlangen naar andere talen, andere geuren, en de verhalen die bij plekken horen. Maar ook het verlangen om goed en traag te kunnen kijken. Misschien het verlangen om te reizen zonder jezelf te verliezen.

Oefenen in het winkelen met langer oogcontact. Terwijl de roltrap naar boven schuift. Erop letten dat je bij het stellen van de vraag trager spreekt. En recht in haar ogen blijven kijken. Langer dan wat je anders zou doen. En zo gebeurt.

Soms zie je mensen die de belofte van schoonheid in zich dragen. Het wacht daar, maar het kan nog alle kanten uit. Je zou willen zeggen: neem de mooie weg, kies voor de schoonheid. Het is aanraakbaar. En dan zie je hen weer terug. Een tijd later. Hoe lang die tijd was, weet je niet. En je ziet dat de verkeerde weg is gekozen. Een klein moment van droefenis. Je zou nog iets willen zeggen, heel voorzichtig. Maar je doet het niet.

Soms loop je trager door het huis. Alsof je elke spier wilt voelen. Alsof je elke beweging zou willen zien. Alsof je heel even zou willen toegeven aan een verlangen naar sierlijkheid. Alsof je even jezelf nabij zou willen zijn.

De twee verliefde meisjes zitten tegenover elkaar. Ze kijken een beetje gulzig. Benen verstrengeld. De mp3-speler staat op aan. Dat is tot hier te horen. Oortjes in. En zonder ze uit te doen praten ze met elkaar. Waarom niet even de muziek af mag, of alleszins de oren hun vrijheid krijgen voor de woorden, ik begrijp het niet. Twee banken verder roept de vrouw in haar gsm. Dat de trein net de staaaaassse uit is, en dat ze straks in de staaaaassse wel zal wachten. Een andere vrouw kijkt rond, en hoopt bekeken te worden. Het einde van het boek komt dichterbij. Het maakt me preventief verdrietig. Maar alle pogingen om trager te lezen, falen. Zo zal het wel zijn altijd.

2 opmerkingen:

http://uvi.skynetblogs.be/ zei

.
Jan,

Puur praktisch,
spijtig na zo'n mooie tekst.

Kan je die twee andere reacties niet verwijderen?

Er gebeuren rare dingen mee ...

Virussen die aanvallen.

tie zei

Lieve Jan,
Toen vanmorgen je verzoek tot nabijheid in mijn electronische brievenbus viel, wilde ik er zo snel mogelijk in kruipen: ja, ik wil nu dicht bij je zijn.
Ik wil je troosten bij het einde van weer een verhaal, het leven van je papa, bij het "verlangen naar" dat nu hij, naar Bram Vermeulen, weer heeft achtergelaten.
Met nabij liefs, tie