11 juni 2016

Doei

Bij het begin van de week wakker worden met een lijf dat precies ergens achter je aan bungelt. Het hoofd loopt voorop. Of doet alsof.

Die avond. Je brengt je presentatie terwijl het buiten hevig onweert. Het gaat beter, denk je, zo’n verhaal vertellen met kort haar. (Veel dingen gaan beter, overigens, met kort haar.)

Nadien loop je terug naar het station. Die straat langs het spoor. En je denkt: dit is de straat waar we toen liepen, toen die dag dat… (Iets met een glimlach.)

In de trein roept een vrouw, je kent haar, de hele wagon bij elkaar. Ze is razend op de schuifdeur, vermoedt dat die het op haar gemunt heeft. Als jij langs daar naar buiten gaat, is er niets abnormaals te merken aan de deur. Misschien heb jij een andere relatie met de kosmos.

Korte nacht. Een of andere stekende kramp heeft zich in je lichaam gevestigd. Vooral aan die ene kant.

Die namiddag net op tijd thuis voor het begint te regenen. Regen lijkt een understatement voor regen, alleszins iets met veel water.

En je denkt aan haar en haar, ginder, en hoe het zou kunnen zijn daar, met al het water.

De volgende ochtend. Niet verpletterend wakker, maar goed. Je ligt op de tafel bij je kinesiste. Ze is bezig met je rug. Een stemmetje ergens in jou denkt stiekem: kon dit maar uren duren?

Je luistert naar de sprekers, daar in de grote zaal met de groene stoelen. Iemand achter zegt je later dat hij je herkende aan je kale kop. (Misschien toch beter dan aan je dikke kop. Nog een voordeel van kort haar, die lijkt iets minder dik.)

Tijdens de vergadering die avond. Die kramp zit er nog steeds. Ergens aan je slaap, onder meer.

De ochtend daarna. Iets als een brief. Je zou elders willen zijn, denk je. Daarom. Iets durf je haar niet vertellen, of zoiets.

Je zegt de afspraak voor die avond af. Je wilt gewoon thuis zijn dan. Beetje schrijven, beetje niets. En proberen te bellen. Waarom ben je zo zenuwachtig terwijl je iets in de categorie ‘lullig’ inspreekt in haar voice mail.

Later zal ze nog even bellen. En de dag is goed.

De ochtend daarna. Vroeg naar de markt. Geen aardbeien? Een lichte ontheemding.

Je vraagt je af of ze goed geslapen heeft, daar, ginder. (Waarschijnlijk niet echt.)

Verhalen verzamelen zich de hele tijd.

Na het werk eerst nog even naar de platenwinkel. (Die meneer in zijn lezing twee dagen eerder, over de grote transformaties, mag zeggen wat hij wil, jij wilt dat de platenwinkel blijft bestaan, en dat je daar ook platen kunt kopen, dus.) In het kader van de verjaardagsplanning. Hopelijk zal het cadeau op tijd aankomen. En daarnaast ook nog iets in het kader van de zelfverwennerij, of zoiets. (Al is dat volstrekt onaanvaardbaar natuurlijk.)

Eigenlijk geen zin om de telefoon in te leggen die avond.

Het lijf zit nog een beetje vast. (In je fantasie zie je een volledige massage die minstens een uur of twee zou duren. Zacht als een watje zou je overblijven. Mmm.)

De ochtend daarna. Te vroeg wakker. Zoals te verwachten.

Je zit helemaal klaar aan je computer voor de kaarten voor het nieuwe cultuurseizoen. Plop. Je hebt nummer 800. Dat zou nog 53 minuten duren. Je doet of je helemaal zen de minuten wegtelt. (Die nieuw uitgebrachte plaat van Van Morrison helpt geweldig. Je herinnert je nog toen je – het moet zo’n 35 jaar geleden zijn – in die platenwinkel in Antwerpen de vinylplaat kocht met die liveopnames van Van, waaraan er nu nog een hoop zijn toegevoegd.) Uiteindelijk worden het 29 minuten. Plop. Je mag binnen. Op de speelplaats. Yes! Het lukt, alle kaarten die je wilde hebben.

Die namiddag in de trein op het perron. Er is blijkbaar een serieuze barst in een van de ruiten. De treinmeneer roept met een droge, lichtjes slepende stem om dat er een probleem is met een van de ruiten, en dat nu Carglass eerst moet komen voor we kunnen vertrekken. Die treinmeneer heeft aanleg voor humor. Een meneer van de NMBS, met zo’n geel pak, arriveert. De mevrouw naast het bewuste raam komt blijkbaar net uit Italië. De warmte die ze uitstraalt zou dan de oorzaak zijn van de barst. Een van de conducteurs begint spontaan Italiaans te praten. Iedereen is opgewekt en jolig, alleen niet die twee zagende Antwerpenaars enkele zetels verder, ze zagen gewoon door. De gele NMBS-meneer heeft speciale wondertape en plakt de barst weg. De treinmeneer roept om dat Carglass herstelt en dat we nu zullen kunnen vertrekken.

Een fijn gesprek met de vrienden.

En, het is niet anders, zo vaak denk je: dit zou ik haar moeten kunnen vertellen. Of: als ze nu hier was, wat zou zij zeggen?  (Het is belangrijk dat ik haar dat even meld straks, denk je, anders kan de wereld weer vergaan.)

De trein terug naar huis. De conducteur verwelkomt jullie in de trein met veel omhaal en joligheid. Nadien, dicht bij het station van aankomst, begint hij allerlei dingen om te roepen. Het gaat zo snel allemaal dat het lijkt alsof hij aan een of andere ratelrap bezig is. Hij lijkt een beetje extreem opgewekt. Iedereen glimlacht. En je kunt daarna alleen maar luidop roepen: DOEI!!!

En ja, toch weer een beetje verbrand, denk je.

Weer thuis.

Iets met verhalen, denk je.

Geen opmerkingen: