19 februari 2021

Kleine tintels


Chocoladetruffels, in zeer kleine porties. Gespreid.

Het voorzichtig wiebelen van de wagon.

De toetsen die zichzelf volgen. Eerst even vooraf aan te raken.

De stem van de fadozangeres.

Witloof op de snijplank, in heel kleine stukjes.

Terug in het warme bed, na even weg.

Een onbewaakt moment. En een beeld van vroeger.

Die stem in dat filmpje, inderdaad. En al die geluidjes.

Zoals het geluid van speelkaarten.

De vogels, in overdaad, in de ochtend.

Die foto.

Die herinnering in je hand.

De ogen van die actrice.

Dat alleen al lezen in de krant.

De herinnering aan hoe zij over dat boek sprak.

De herinnering aan dat concert.

Je stem die zakt.

De wervels.

Het dansje bij het raam, met uitzicht op de grote stad.

Die haarband.

Dat kanten randje.

Die zucht.

De stem op de radio, vroeg in de ochtend.

Het eerste water uit de douche.

De woordspelletjes.

Het geluid van het fototoestel. De herinnering aan het geluid van het oude fototoestel.

De rand van je schedel aan je nek.

Traag wiebelen.

Het litteken in je huid.

Die droom.

De appel heel traag schillen.

De opzuigbare peer.

In de warmte kantelen.

Daar boven je ogen.

De huidindruk.

Zo weinig mogelijk bewegen bij het openen van de deur.

Stille benen.

Het betasten van het boek. Elk hoofdstuk verkennend.

De herinnering aan iemand die net iets te dicht tegen je aan zit in de trein.

Die zangeres, hoe haar stem met haar mee ouder wordt, en net niet breekt.

Het hemd dat soms een beetje kraakt.

Je vingertoppen over de boeken op de tafel.

En het licht van februari.

14 februari 2021

Dingen die blijven duren


Nadenken over die stoel. Hoe die te redden zou zijn.

Als het te veel is, zal het je verstikken. Als het te weinig is, weet je misschien niet meer wie je bent.

Verlangen is een ingewikkeld woord.

Uit een droom kantelen in de ochtend. Even rondom kijken, zien waar je bent.

De dingen bieden weerstand. Ze houden de stroom op.

Tijdens het poetsen telkens even de rand van je lichaam voelen.

Er zijn tranen, net onder je huid.

Weer enkele platen uit zijn collectie, ze ontroeren je. Wat zou je best doen?

De dingen nu al opruimen, voor na jouw leven. Het is ook iets.

De stofzuiger wijst je op de zwaartekracht.

Zou de stoel daar kunnen staan? Misschien moet er een andere zetel komen.

Je ziet iemand die naast je zit en mee de kamer aanpakt.

De was ophangen.

Het was ook de dag van de liefde.

Zoveel hoopjes die je al gedaan hebt.

Misschien moet je een foto maken van de CD-kast om naar haar op te sturen.

Het betekent misschien veel voor haar.

De mensen die je nog zou moeten bellen.

Je hebt de foto van hun trouw op de piano gezet. Het lijstje blijft mooi rechtop staan.

En dat jij het was die 50 jaar later opnieuw een foto zou maken van hen.

Nu je rug niet aanraken, je zou kunnen breken.

De dingen die je zou veranderen, misschien is de zomer een goed moment.

Het liggen is een beetje rusteloos, er moet nog iets.

De nieuwe boeken. Je naam erin. En van wie. Netjes op de stapel. Rustig.

Je leest verder in de tekst. Het potlood balanceert. De woorden van je reactie.

Een chocoladetruffel als een ritueel.

Zien hoe je alleen bent.

Zoeken naar de stroom.

Dat jouw handen niet met hout zijn gaan werken. Was de tijd teleurgesteld?

Misschien zei je altijd nee. Of toch heel vaak.

Misschien kunnen de dingen je claimen.

Even helemaal niets, en dan lente, dat kun je wel zien.

En de dingen die je niet allemaal goed kunt doen.

Iets is moe. Iets is het niet meer. Denk je.

Het mooiste cadeau zou zijn dat je zomaar de grens over zou kunnen rijden en met haar praten.

Pijn.

Het licht is zo mooi, het blijft zo lang. Het licht van februari. Je smelt telkens weer.

Je denkt aan de kinderen. En het verschil tussen wel of niet, in dat beeld.

Je ziet iets van Bach. En je denkt dat ze te snel bewegen voor de muziek.

De aardappeltjes bakken. Iemand kijkt mee. En het is goed.

13 februari 2021

De verhalen en het huis


Hoe gaat dat met verhalen? Ze huizen in een huis.

De verhalen waren al voor jij er was. Het oude huis stond er al lang.

Het oude huis vooraan aan de straat was wankel. Het leek mee te bewegen met elke auto die over de kasseien reed.

(Je weet nog hoe de kasseien verdwenen, hoe de straat werd opengebroken, hoe eindeloos diep er gegraven werd. Zo leek het toch. Die grote buizen in de grond. De straat kreeg een asfaltlaag.)

Het huis stond er al heel lang, zo hoorde je. (In je herinnering was het 300 jaar, maar dat is misschien een vergissing.) Het was onbewoonbaar verklaard. Het hing met kabels in elkaar. Er was een ijzeren plaat met een grote bout, nabij het raam van de kamer van je zus.

Er moeten dus al veel verhalen geweest zijn, in het huis.

De winkel kwam in het huis.

En toen werd er een stuk gebouwd aan de achterkant. Je zat nog in de kleuterschool.

Je herinnert je nog die kraan die in de tuin stond. Je herinnert je nog ‘Janneke de metser’.

De achterkant stond er. Daarna zou de voorkant aangepakt worden.

Toen was er het zware auto-ongeluk van je vader. (Hij kon er niets aan doen, werd aangereden door een dronken chauffeur.)

Je ziet nog vaag de beelden. Hoe het was in die maanden.

De plannen voor de voorkant werden uitgesteld. (Zo is het toch in je herinnering.)

Nieuwe verhalen hadden zich gevoegd bij de oude. Ze leefden samen in het huis.

(En jouw verhalen. Wat het huis met je deed, met jou en je zus. Misschien was je altijd op de vlucht in het huis. En evenzeer was het ook een plek overvol van betekenis. Zoveel spullen, zoveel kamers, pas veel later zou je merken hoe intens alle verhalen nog in jouw lichaam aanwezig zijn.)

Zo vaak was je ook aan de andere kant van de straat, bij je grootouders. Misschien was het als een soort schiereiland waar je altijd naartoe kon. Daar legden de verhalen zich neer.

In de nacht vertelde je verhalen aan je zus, die niet kon slapen. Ook die zijn er misschien nog.

En nadat je de twaalf voorbij was, werd ook de voorkant aangepakt.

Het oude huis werd afgebroken. Je ziet nog hoe ze in een vloeiende beweging de zijgevel aan de kamer van je zus naar beneden duwden. De winkel was tijdelijk verhuisd naar de achterkant.

De stenen werden verzameld, ze gingen niet verloren. Ze werden schoongemaakt. De oude stenen zouden het nieuwe huis bouwen. Misschien konden de oude verhalen zo dichtbij blijven. De nieuwe trap in het huis was een kopie van de oude trap, maar dit keer wel stevig.

Het nieuwe huis kwam.

(Je hebt de tekeningen nog die je daar maakte, in je kamer onder het dak.)

Het huis rammelde niet meer zoals vroeger. Maar iets was nooit veranderd, was nooit gekomen.

(Iets overvalt je nog elke keer, na al die jaren. Het doet iets met je adem. Er is zoveel weg, en er is zoveel nog, in afwezigheid. En er is ook afstand gegroeid. Nieuwe verhalen zijn erbij gekomen, ze leven naast de oude en de heel oude. Ze bewegen allemaal daar.)

Mensen worden oud, en het huis kijkt toe. Mensen gaan weg, naar het noorden, naar het zuiden, om af en toe weer terug te keren, om dan weer weg te gaan. Er kwamen steeds meer verhalen bij die mensen die niet meer bij het huis hoorden.

De winkel was moe, nam de tijd om langzaam uit te doven.

Je vader ging op pensioen. De verhoudingen in het huis veranderden. Niet zoveel later stierf hij.

Er was nog een overdaad aan spullen, in alle kamers. Zoveel herinneringen, zoveel gecondenseerde verhalen.

De balans verschoof. Kamers veranderden. De studio verdween. De donkere kamer werd een lichte slaapkamer, met een raam in het dak. De kamer van de bouwplannen werd een badkamer. Dat was de kamer die de werkplek van je grootmoeder was, waar zij de schetsen op kalkpapier afdrukte op die lange rollen papier. Nieuwe plekken in een oude bedding. Het kantelde. En het kantelde nooit helemaal, denk je nu.

De dingen werden voorbereid, het gesprek werd gevoerd, voorzichtig. Het huis zou verkocht worden.

Het leegmaken van de hele voorkant. Waar het oude huis was geweest ooit. De herinneringen waren weerspannig. Elk ding moest betast worden. Elke keer weer die verhalen, ingedikt. Ademdrempels. Het leek eindeloos. En het besef van wat er niet was geweest. De tijd die nodig was.

Het huis, waar het oude huis was, was leeg. Het huis werd verkocht. (Je zat aan de tafel, en je dacht: “Weten zij wel dat ze een zwaar huis kopen?” Maar voor hen was het een sterk huis, klaar voor nieuwe verhalen, die zich zullen nestelen naast, en stilaan over de oude.)

Iets van het huis had jou al verlaten.

De achterkant was er nog voor enkele jaren voor je moeder. Nieuwe verhalen, in een nieuwe balans, en toch ook het gewicht van te veel oude verhalen, denk je.

En je moeder stierf. Die laatste weken had ze gezegd dat ze niet terug wilde naar het huis. Daar in het bed in het ziekenhuis, omringd door de foto’s van haar dierbaren, leek het of iets van het gewicht van het huis weg was. Je was blij voor haar.

Week na week werken jullie verder. De spullen verdwijnen. De verhalen worden betast. Iets is niet veranderd, je voelt het aan je adem. En toch, ook, week na week zie je hoe de verhalen zich terugtrekken in de kieren van de tijd. De spullen worden aardser, misschien wel bevrijd van verhalen. Je weet niet hoe het juist zit.

Misschien is een huis een ritueel. Misschien moet je de tijd in je handen dragen, al het verlangen en al het verdriet, alle herinneringen en alle demonen. Aanraken, opheffen, en neerleggen. Sommige spullen zwerven uit, krijgen een nieuwe bestemming. Het hoort bij het ritueel, ze gaan naar een ander huis, waar ze kunnen rusten. Sommige spullen neem je mee, ze mogen zich voegen in de verhalen van het huis waar je nu bent. Sommige spullen verdwijnen.

Het huis klinkt al anders, het bereidt zich voor op het laatste loslaten.

12 februari 2021

Haarscheurtjes


Regelonrust. Al die dingen die nog moeten geregeld worden. Soms kijk je naar het woord nalatenschap. Het is een fascinerend woord, al zou je niet kunnen zeggen waarom. Er lijkt een zekere rust van uit te gaan. Het woord zelf is rustiger dan wat het doet in de echte wereld. Je belt met de meneer van de overheid om nog wat uitleg te vragen. Je had al gezien dat er een document moet ingevuld worden van 28 pagina’s. Ook al zijn ze niet allemaal ingevuld, ze moeten allemaal verstuurd worden, staat er. Je legt papieren klaar die je nog moet inscannen. (Zoals steeds ben je ook bang dat je om een of andere reden niet genoeg belastingen zult betalen.)

Vroeg in de ochtend ben je bezig om de sneeuw te ruimen rond het huis. Zo kan de postbode wel rustig en veilig je kranten komen brengen. Je babbelt even met de meneer van de vuilniskar die de zakken aan het verzamelen is op hoopjes.

Een verjaardag. Het maakt je elk jaar een beetje verlegen. De hele dag lijkt een stroom van liefde of zo. (Je kijkt even achter je of het niet voor iemand anders bedoeld is.) De stroom meandert tussen videovergaderingen. Je voelt je dankbaar voor het leven.

Je doseert het genot.

(Je staat jezelf ook toe dat je die dag een extra stukje chocolade krijgt.)

Iemand zegt je dat je eigenlijk vakantie zou moeten hebben. Ze heeft gelijk. Soms overvalt het je in een onbewaakt moment. Een nietsverlangen. (Je kunt je zelfs voorstellen hoe het is om in een warm bad te zitten.)

Een meneer komt bloemen afgeven. Hoe zijn die namen op dat kaartje gekomen? Er zijn mysteries in het leven.

Een zakje suikerbonen en een mooi briefje van de bovenbuurvrouw. Iets laat voelen dat het gebouw veranderd is, nu er een baby is. Het ademt anders.

Je gaat op zoek naar een cadeau voor een andere jarige. Het wordt een heel verhaal over kanker aan de kassa van de boekhandel. Je vertelt hoe het je na al die jaren nog ineens op een onbewaakt moment kan overvallen. Alsof je ineens door jezelf valt, naar iets van toen. Ineens zijn er tranen, merk je.
Je volgt tussendoor het nieuws over dat proces van die vorige president. Je ziet de verschrikkelijke beelden. Nog steeds, elke keer opnieuw, verkrampt iets in je huid. Hij is daar, aan de andere kant van de oceaan, en het is alsof je hem kunt ruiken. Je zou nauwelijks de weerzin kunnen beschrijven die je nog steeds voor hem voelt. Alles is giftig aan hem. Het wasemt door muren heen. (Ergens in je zijn er wezens die door mannen zoals hij is zijn gelittekend, zijn overmeesterd. Je voelt hun rusteloosheid, hun angst, hun machteloze hoop dat dat ooit zal ophouden, hun vrees dat het nooit zal, dat. En je staat daar, rechtop, je wilt dat zij het zien. Je wilt dat het bij jou stopt. Zoiets moet het zijn.) Het gif beweegt verder. Er zijn andere mannen, cynische opportunisten, met veel lawaai, maar zo slap als een theedoek. Ze zullen hem verdedigen, nog altijd, na alles. Walging. En misschien, dat het toch gebeurt, ook al zal het niet lukken, misschien, dat mensen zeggen dat er een lijn is die je niet mag overschrijden, dat ze het zeggen, dat ze rechtop staan, dat ze proberen om iets te doen stoppen, daar. (Ze begrijpen niet hoe het kan, dat zo iemand niet gestopt zou kunnen worden, dat zo iemand anderen vergiftigt, zelf onaantastbaar blijft. Ze begrijpen het niet, dat ze eeuwig op hun hoede moeten blijven, dat ze altijd zo maar oog in oog met hem zouden kunnen staan. Ze willen alleen maar dat het ophoudt, voor altijd.)

Je zit in de trein. Je ziet die muts op de bol van het Atomium. De beweging maakt je rustig. Je voelt je omhuld.

De poetsmevrouw ziet dat je in een videogesprek zit. Ze vraagt of ze de deur mag sluiten, zodat ze je niet zal storen bij het stofzuigen van de gang.

Die avond. Je staat in de kamer, je kijkt naar iets op de televisie. Het is alsof je rug zindert. Met je vingers schuif je over je wervels. Even ben je bang dat je zomaar zou kunnen breken. Tranen lopen.

De nachten zijn anders alleen, je merkt het weer.

Je droomt over een ingewikkelde tocht onder water, in een soort duikerspak. Je gaat een trap af naar een kelder. Een mooie jas zweeft voorbij.

Je huid tintelt.

Je hebt weer een stapeltje boeken uit de boekenkast gehaald. Ze mogen het huis verlaten. Je doet het in kleine hoopjes, telkens net een boodschappentas vol.

Tijdens het koken denk je dat het fijn zou zijn om enkele dagen helemaal niets te moeten regelen. 

Misschien moet je dat ene boek toch maar bestellen.

Je rug heeft verhalen.

07 februari 2021

Het is warm hier


‘Kom er gewoon even bij zitten, wat maakt het uit?’
‘Ja, misschien wel.’
‘Het is warm hier, het zal jou ook goed doen.’
‘Zo?’
‘Ja hoor.’
‘Vandaag was het een stille dag. Ik had tot nu toe nog niets gezegd. Ik moet weer even wennen aan het geluid van mijn stem.’
‘Als ik een hele dag alleen ben, begin ik soms even hardop te praten. Om mijn stem te horen in de ruimte.’
‘Ben je soms bang dat je zult verdwijnen, in een soort zwart gat of zo, als je heel lang niets zou zeggen en als het de hele tijd stil zou blijven?’
‘Ik denk het niet. Ik weet het eigenlijk niet zo goed.’
‘Soms denk ik dat ik zomaar naar binnen zou kunnen kantelen, in mezelf. Een beetje zoals wanneer je iets als een kussensloop of een handschoen of zo binnenstebuiten zou keren, en dat je dan niet meer terug zou kunnen of zo. Dat iets het dan zou overnemen, iets dat daar al de hele tijd was. Dat dan ineens bovenaan zou zitten of zo.’
‘Ik ben daar niet zo bang voor, ik kom wel altijd terug.’
‘Vroeger had ik er meer schrik voor, nu is het een gedachte die maar heel af en toe eens komt, ineens, in een schok of zo. Had je nog mooie gedachten vandaag?’
‘Even denken. Ja, toch wel. Ik was buiten, in de sneeuw. Het was of die koude lucht me helemaal vulde. Alsof ik mijn hele huid aan de binnenkant kon voelen bij het ademen. En ik voelde me zo vrij en zo licht. Voor het eerst sinds dagen. En ik moest aan mijn vader denken, en het was goed.’
‘Dat is een mooie gedachte. Soms kan de koude lucht een beetje pijn doen als je diep inademt. Het is alsof je dan pas beseft dat de lucht daarbuiten ook gewoon in je is. Dat je lichaam als een soort inlandse watergeul is waar het water van de zee in en uit kan stromen. En dat je dat dan pas beseft.’
‘Eerst was het een beetje zo, dat je die koude lucht precies in je longen kunt voelen. Maar daarna werd het warm.’
‘Ik vond gisteren nog een oude foto terug. En het was alsof ik mezelf niet herkende. Het was alsof ik mezelf bijna rationeel moest overtuigen dat die persoon op die foto door dezelfde ogen keek als ik nu doe. Het is raar. Er zijn veel beelden in mijn hoofd van toen ik kind was. Ik heb ook al veel foto’s van die tijd gezien. Maar zo de jaren tussenin, ergens halverwege tussen toen en nu, daar is er precies meer mist. Ik zag die foto, en ik leek zo lelijk, zo ver weg. Misschien ben ik nu gewoon rustiger dan toen.’
‘En misschien ook mooier?’
‘Dat kan ik natuurlijk niet zeggen over mezelf. Misschien zou ik het ooit eens moeten doen. Foto’s in een chronologische lijn ophangen, jaar per jaar. En dan zien of ik ze zo in mijn hoofd krijg.’
‘Het is toch wel een ding bij jou, dat herkennen. Of de angst dat je iemand niet zult herkennen.’
‘Ja.’
‘Herken je mij nu?’
‘Nu wel. Het had even nodig. En jij?’
‘Ik weet nog alles. In mijn hoofd is het wel duidelijk. Maar in het echt is het dan toch altijd meer. Mijn lichaam reageert dan een beetje als een entiteit op zichzelf of zo. Jouw stem, om maar iets te zeggen. Die klinkt anders, lichamelijker, als je er ook echt bent. Ze raakt me over een grotere oppervlakte of zo. Ik kan het niet uitleggen.’
‘Ik denk dat ik het wel begrijp. Ik ben soms bang van dat wachten.’
‘Het is misschien ook wel iets van alleen zijn. Dat je lichaam geen routine opbouwt of zo. Misschien is het wel heel normaal.’
‘Het zou kunnen. Had je veel last van de koude de voorbije dagen?’
‘Ja, toch wel. Het kan me heel erg verstoren. Eens mijn rug koud is, komt het precies niet meer goed. En dan voel ik me soms ineens bang en alleen. De ruimte lijkt dan zo groot, terwijl dat eigenlijk niet zo is.’
‘Dit is dus wel goed voor jou?’
‘Ja, het heeft ook iets met herkennen te maken. Als alles weer warm voelt, herken ik mijn eigen lichaam, val ik er terug mee samen.’
‘Zoals nu dus?’
‘Ja.’
‘Dan is het goed. Ik blijf nog even, nog een beetje reservewarmte opbouwen hier.’
‘Lijkt me een heel goed plan. Ik kijk wel.’

06 februari 2021

Licht

(Ik zal er eens over nadenken, zei je, over die zwaarte.)

Angela Hewitt speelt Bach. Iets klaart op in je hoofd.

Nog een beetje nadampen na de douche, een beetje wiebelen met je rimpels.

Net te veel confituur op de platte kaas. Niemand ziet het.

Lekker soepel door de ochtend stappen, net echt.

In die ene weekendkrant eerst het verhaal over de liefde lezen.

Iets te uitbundig goedemorgen zeggen tegen de treinmevrouw.

Om een of andere reden blijf je altijd kijken naar de hoedjes van die treinmevrouwen. Hoe komt het dat die daar zo mooi op blijven staan? (Ze heeft ook een zwoele omroepstem, stel je vast.)

Op de lange roltrap denken aan een droom.

Je mag even in die ene trein zitten, tot net voor de grens. (Stel je voor dat je weer helemaal over de grens mag, dat er zomaar iemand naast je zou kunnen zitten. Grenstintels.)

Binnenkomen in het huis. Nog altijd niet echt gewend aan die automatische rolluiken. Het was altijd een heel gedoe, en ritueel, vroeger om die grote dingen naar omhoog te halen. Nu moet je gewoon aan een knop draaien. Het lijkt bijna frivool.

Er liggen van die kleine rolletjes muntjes. Je bedenkt een plan voor twee meisjes.

Je weerstaat aan de chocolade die er net naast ligt. (Genot uitstellen, is dat licht of zwaar?)

Je zus laat de kleine kommetjes zien waarin vroeger de pudding werd gemaakt.

Als kind was er een doos met stukken zeep in huis. Palmolive. In groenzilverachtig papier ingepakt. Je dacht toen, met een vooruitziende blik, dat het technisch onmogelijk zou zijn om die doos ooit leeg te krijgen. Bij het opruimen van een van de kasten zie je dat er nog steeds drie stukken over zijn.

Je laat je zus een rol met kastpapier zien. Het lag in de kast in de badkamer in het oude huis.

In een doos met sleutels zie je meteen de sleutel van de voordeur van je grootouders. (Eerst duwen, dan een beetje trekken, en dan draaien.)

Je staat aan te schuiven in de broodjeszaak. Je ziet die vier mensen heen en weer dansen in hun keuken. Wonderlijk. Die zwarte petjes hebben wel iets. Je wiebelt een beetje heen en weer.

Met dozen op het bed een minicontainerpark maken.

Met enige pret zeggen dat je zus op je vader lijkt. Waarop zij zegt dat jij op je moeder lijkt.

Dat bolletje touw kan nog handig zijn. Dat speciale schoonmaaksponsje voor kookplaten misschien ook wel.

De bus rijdt door het dorp. Denken aan die wekelijkse expedities van vroeger. Hoe jij en je zus met je grootmoeder op vrijdag gingen winkelen in de supermarkt. (Je zou nu moeite moeten doen om tien minuten te stappen tot daar. Toen leek het de andere kant van het dorp.) En vooral, bij het terugkeren, die stop in het ijssalon.

Er is lekker veel plaats in de trein.

Er stapt een jonge vrouw door de trein. Achter op haar broek staat in glitterletters: “I’m Juicy”. Je probeert je voor te stellen wat de diepere existentiële betekenis van die woorden zou kunnen zijn. Maar je hoofd mist zwaarte.

(Voor zover je weet, staan er geen woorden op jouw billen.) 

Het huis is blij je te zien.

Angela Hewitt speelt nog steeds. De eeuwigheid is aanraakbaar.

05 februari 2021

Slepende verwarring


Er was veel aandacht de voorbije dagen voor kanker. En dat is goed. Je hoorde nieuwe Europese plannen. Je hoorde verhalen over mensen die werken in het ziekenhuis en ziek worden door kankerverwekkende stoffen. Je hoorde verhalen over mensen die kanker hebben en misschien de voorbije maanden eerder hadden kunnen geholpen worden als dat andere ding er niet was geweest. Je hoorde hoe meer mensen het overleven, vergeleken met enkele jaren geleden. Je las hoe mensen bezig zijn met chemokuren. Je hoorde hoe mensen het slechte nieuws kregen en enkele dagen later al uit het leven weg waren. Je las hoe mensen blij zijn dat ze er na al die jaren nog steeds zijn.

Misschien was het goed dat wat daar in de schaduw was, door die grote gezondheidscrisis, even in het licht mocht komen, denk je.

Soms is het weg uit je hoofd. Tot het ineens weer komt.

Het komt soms met rare kronkels. Bij een van die vorige controles in het ziekenhuis schreef de dokter in jouw verslag: “Toch blijven we hem best als een hoger-risicopatiënt beschouwen, zelfs 15 jaar postprimodiagnose (…)." Rare woorden. Waar gaan ze naartoe? Je hoort in het nieuws elke dag uitspraken over ‘risicopatiënten’. En je vraagt je af of die zin ergens is terechtgekomen, of er iemand was die een schriftje met namen van mensen had, waar men dan de jouwe heeft bij geschreven.

Door die kronkels is het weer even bij jou, en dat is goed, denk je.

Het komt in plotse zorg. Je hebt je geliefden gewaarschuwd, dat je redelijk onredelijk bent als het over hun gezondheid gaat. (Het blijft een van die rare vormen van magisch denken. Dat je dat toen dacht, ondertussen meer dan twintig jaar geleden. Dat niemand in jouw omgeving kanker mocht krijgen, omdat jij het al had gehad. De kosmos heeft met die wens niet echt rekening gehouden.) Je zou hen willen kunnen beschermen, zodat zij heel kunnen blijven. Je bent waarschijnlijk dus een klein beetje onredelijk als het over hen gaat, maar hopelijk vinden ze het niet al te erg.

Je beseft ineens. Het was deze maand van het jaar. Dat heb je nadien gereconstrueerd. Eigenlijk waren toen de eerste symptomen zichtbaar. Pas maanden later kwam de diagnose. Je had er eerder bij kunnen zijn. Je hebt ongelooflijk veel geluk gehad. Het verklaart je rusteloosheid. Elke keer dat je daarna hoorde van mensen dat ze te lang gewacht hadden om iets te zeggen. (Het raakt aan een diepe kwaadheid, als een golf.)

Het is goed dat de dingen af en toe terugkomen. Beseffen dat je binnen een aantal weken moet bellen voor de afspraak van volgend jaar. En die andere afspraak nog dit jaar.

Je had het je voorgenomen om lid te blijven van de familie. Het is als een ritueel, dat je de dingen uitnodigt om terug te komen, om zo dicht te zijn bij de anderen, zij die er niet meer zijn. Er blijft die merkwaardige verwarring. Waarom mocht jij blijven en zij niet? De vraag slaat nergens op, dat weet je ook wel. Toch doolt ze soms nog door je hoofd. Zij die er niet meer zijn, ze kijken naar je, en dat is goed. Koester het leven, lijken ze soms te zeggen, leef het een beetje mee voor ons. En zij die ervoor zorgden dat jij in het leven kon blijven. Je doet het ook voor hen, in het leven proberen te blijven. (Je vertelt steeds hetzelfde verhaal, denk je. Maar misschien is dat de essentie van een ritueel. Dat het je herinnert, en dat je je dankbaar voelt. Zoals je elke avond voor je in de nacht kantelt je hoofd buigt in dankbaarheid.)

En er is die verwarring die al enkele dagen door je hoofd gaat. Je las het weer eens in de krant, dat iemand was overleden na ‘een slepende ziekte’. Die uitdrukking verwart je telkens weer. Misschien wilden die mensen zelf die woorden gebruiken. Misschien wilden ze zo hun liefde uitdrukken voor hun partner of vriend. Misschien was het alsof iets zo zachter leek, alsof de ziekte zich anders leek neer te leggen in de dood. Je wilt helemaal niets zeggen over anderen en wat de woorden voor hen betekenen. Jou doen ze pijn, stel je vast. In veel gevallen staan ze voor het woord kanker. Soms lijkt het alsof sommige mensen bang zijn van dat woord, dat ze ervoor terugdeinzen. Alsof het jou zou kunnen raken, zou kunnen besmetten, omdat iemand anders het woord heeft gezegd. Het is in veel gevallen een vreselijke ziekte, maar het is ook niet meer en niet minder dan dat, een vreselijke ziekte. Soms lijkt het alsof het schokeffect bij het woord kanker, dat dan ineens iets bovenmenselijks is, ons paradoxaal genoeg afleidt van de soms harde en echte werkelijkheid. Door het zo groot te maken, zo onbenoembaar, zo duivels, komt er afstand van de heel echte pijn, de heel echte radeloosheid en de heel echte (en daardoor gewone) existentiële vragen over de zin van de dingen. Door de ziekte als Kanker te zien, zien we de kanker niet helemaal, denk je soms. En door ze als een slepende ziekte te omschrijven lijkt het soms alsof ze wordt verhuld achter een schaamte. Een schaamte die een soort beleefdheid is tegenover anderen, zodat ze niet te hard schrikken. Misschien zijn het twee bewegingen die de eenzaamheid van het ziekteproces nog intenser zouden kunnen maken, denk je soms. Ofwel mogen we niet zeggen dat het kanker is, ofwel zeggen we dat het Kanker is. Je kunt het niet goed uitleggen. Ergens in jou huist die radeloze kwaadheid op die kloteziekte. En die lijkt je te zeggen dat het is alsof de ziekte, door ze te groot en ook door ze te klein te maken, net meer macht krijgt. En zij die achterblijven zullen dan vervolgens te horen krijgen dat ze ‘sterk’ moeten zijn. Iets klopt aan dat alles niet, maar je kunt het niet goed uitleggen. We hopen allemaal dat een ander niet te veel zal moeten lijden, maar soms is het wel zo. Misschien is er ook liefde in het erkennen daarvan, in de woorden. Of zoiets.

Laat het nog maar even dichtbij zijn, denk je. Je kijkt hen in de ogen, en zegt dat je hen nooit zult vergeten. Je zult nog honderd keer hetzelfde verhaal vertellen, zodat hun leven niet helemaal verdwijnt in de dood.