31 oktober 2006

Ziel

Ik denk al langer dat apparaten een ziel hebben. Volgens mij is die overtuiging er gekomen dankzij de telefoon. Als kind heb ik vaak erg lang nagedacht over het fenomeen telefoon. Meerbepaald zo’n telefoon met een schijf erop waarmee je het nummer moest draaien.

Het is zoals met het nummer van je bankkaart. Zolang je er niet over nadenkt, vergeet je het nooit. Zodra je erover begint na te denken, is het weg.

Zoiets had ik dus met die telefoon. Ik was altijd bang dat de telefoon mijn nummer zou vergeten. De cijfers stonden immers op de telefoon zelf, en niet op de draaischijf. Daarin zaten alleen gaatjes. Het was een raadsel voor mij hoe die telefoon dat nummer dat ik draaide kon onthouden. Want de schijf draaide weg van dat nummer, dat zelf netjes bleef staan op de telefoon. Er gebeurde iets magisch of iets ‘blinds’ in die telefoon. En zodra ik erover na begon te denken, dacht ik altijd dat ik niet ver genoeg gedraaid had of zo. Waardoor ik soms tot drie keer opnieuw begon, eer ik zeker was. En toch, zeker kon je nooit zijn.

Tot de telefoon met drukknoppen kwam. Dat gaf meteen een veiliger gevoel. Op de knop die voor de 2 stond, stond ook het cijfer 2. Zo kon de telefoon zich dus niet vergissen. (Telefoons uit die tijd hadden nog van die veilig grote toetsen, niet van die millimeterknopjes die nu op een gsm zitten…) Ik ging ervan uit dat deze vormgeving ook tot grotere rust binnen in de telefoon moest leiden. Het was dan ook gemakkelijker om tot een vertrouwensband met het apparaat te komen.
Volgens mij is een dergelijk vertrouwen echt nodig in de omgang met computers. Je moet er af en toe tegen praten (net als tegen een boom trouwens). Positieve vibrations naar de computer zijn beter voor een goede verstandhouding. Het is een wetenschappelijk bevestigd feit (op basis van onderzoek in minstens één kantoor) dat minder goede vibrations leiden tot minder smoothly werkende computers.

Je zou kunnen zeggen dat de man in mij hier op de voorgrond treedt. In de tijd voor de vrouwenemancipatie was het toch een overtuiging (volstrekt ongegrond natuurlijk) van de man des huizes dat de auto op een of andere manier het fingerspitzengefühl van de man in kwestie overnam. Als een soort etherische imprint nam het apparaat iets van die man over. En zodra zijn vrouw dan met de auto reed, was er volgens hem iets verstoord. De versnellingsbak reageerde als uit een veilige routine gewekt. Niets van dat alles bij mij natuurlijk. Ik heb dergelijke fantasieën enkel bij een nietjesmachine. (In dat geval ben ik er stiekem van overtuigd dat ik weet hoe het komt dat het apparaat bij mij nooit stuk gaat en bij een ander wel…)

Misschien is er toch een dieperliggende oorzaak die hier naar het voetlicht moet gebracht worden. Ik kan niet goed tegen dingen die stuk gaan. Om de zoveel avonden als ik ga slapen doet het simpele besef dat dat bed kan verslijten (en dan zwijg ik nog over het ergonomisch kussen) mij vervallen in diepe droefheid. Hoewel stoffen niet echt bij de categorie apparaten horen, is het daar niet anders. Toen ik gisterenavond lekker verse lakens op mijn bed legde, zag ik dat de dekbedovertrek aan het verslijten is. Hoe dat kan, ontgaat me nog steeds. Meer zelfs: dingen als een mooie dekbedovertrek (waarvan de hele levenscyclus als een verhaal in mijn hoofd zit) mogen niet verslijten.

Bij elk nieuw of oud apparaat in mijn huis overvalt me soms al een preventief verdriet. Ik herinner me nog hoe mijn oud gasfornuis ineens de geest gaf. (Het was, om eerlijk te zijn, een kroniek van een lang aangekondigde niet meer functionerende draaiknop, maar ik doe of ik me dat niet meer herinner.) Soms sta ik in de keuken naar mijn ijskast te kijken. Ik kreeg ze ooit van een vriend, die toen enkele huizen verder woonde. En dan word ik al bang voor het moment – dat zal zoals altijd een verkeerd moment zijn – waarop die ijskast ineens uitvalt. Ik zie het al voor me. Naar de winkel gaan om een nieuwe ijskast te bestellen, die dan thuis geleverd wordt. De oude ijskast nog vlug een extra poetsbeurt geven, want anders denkt de man van de ijskastenwinkel dat ik niet proper op mijn eigen ben. En al een antwoord klaar hebben voor als die man zegt: “Maar meneer toch, zo’n oude ijskast nog? Dat zie je toch bijna nooit meer.” Op dat moment zal ik even vertrouwenwekkend knipogen naar de ijskast. En de ijskast verlaat daarna met opgeheven hoofd het huis…

29 oktober 2006

Het verhaal van het verhaal


Weer een merkwaardig bericht in de krant deze week. Het schrijven van een verhaal is beter voor de geestelijke gezondheid dan het schrijven van een gedicht. Ook dat is ondertussen onderzocht. Het uitgangspunt is dat het schrijven over emoties een helend effect kan hebben. En toch zijn mensen die van schrijven hun vak hebben gemaakt meer depressief dan anderen. Dichters, en dan nog vooral vrouwelijke dichters, zijn het slechtst af.

Er is dan verder onderzocht waar die paradox vandaan komt. Ik citeer uit het artikel in De Standaard. “Dichters zijn slecht af, omdat de vorm die zij gekozen hebben, vaak niet het waarschijnlijk belangrijkste therapeutische element van schrijven bevat: een sterk narratief eindproduct.” Daarna wordt uitgelegd dat een ervaring die is verwerkt tot een verhaal, met een begin, midden en slot, gemakkelijker kan worden opgeslagen in het geheugen. De Amerikanen zouden dat ‘closure’ noemen waarschijnlijk. Ongestructureerd schrijven kan de klachten doen toenemen. Dichters mogen nog altijd dichten, maar ze zouden zich daarnaast het best ook ‘narratief uiten’, via dagboeken, brieven of e-mails.

Via een omweg zegt dit onderzoek iets over de levensnoodzakelijkheid van verhalen. Het intense verlangen dat een klein kind kan hebben naar een verhaal, kan niet genoeg gekoesterd worden. Hoe mooi dat is. Zelfs al kent het kind het verhaal al letterlijk van buiten, het wil het telkens opnieuw horen. En zal je corrigeren als je hier of daar een zin anders zegt. Het is nog altijd een van de mooiste dingen die je als grote mens tegen een ander kan zeggen: vertel eens een verhaal.

De rust en onrust die gepaard kunnen gaan met een verhaal kennen we allemaal. Je leest een boek, en op een bepaald moment gaat het verhaal een akelige richting uit. In eerste instantie bekijk je dan de dikte van het nog resterende deel van het boek. Kan het nog goed komen in dat aantal bladzijden? Of – als je echt stout bent – je gaat heel even stiekem kijken op de voorlaatste bladzijde om te zien of de naam van dat ene personage waar je ondertussen verliefd op bent geworden er nog op voorkomt. (Dan kun je al hopen dat het toch nog goed komt.) Even later zit je (al dan niet met je dekentje) voor de televisie. Het wordt heel spannend of zo. Dan kun je ook snel even in de HUMO kijken hoe lang de film nog duurt. Zo weet je hoe lang je onrust nog zal duren.

Iets gelijkaardigs zou dus ook voor de schrijver gelden. Het gevoel van uitkijken naar het einde van het verhaal dat je aan het schrijven bent, ken ik wel. Eens het verhaal begonnen is, leidt het zichzelf. Je kunt proberen het een andere richting uit te sturen, maar dat lukt niet. Bij een gedicht ben je meer bezig met een soort autonome talige werkelijkheid. Je worstelt met elk woord. Het is als een muur waar je stenen uit haalt om er weer nieuwe in te schuiven. Waarom die steen daar wel past en daar niet, kan niemand je zeggen, en toch is het zo.

Zo bekeken klopt dat onderzoek dus misschien wel. En toch. Waar het niets over zegt, is het verlangen naar een verhaal of een gedicht dat je kunt voelen. Waarom wil iemand op het ene moment een verhaal maken en op het andere een gedicht? Hoe komt het dat je als je naar de dingen kijkt het idee van een verhaal zo oneindig veel moeilijker vindt? Op zo’n moment is een gedicht dat over een minuscule vierkante millimeter gaat al moeilijk genoeg. Hoe kan men het fysieke verlangen naar woorden beschrijven? En wat met de pijn die je kunt voelen als die woorden niet komen? Hoe kun je iets zeggen over de mengeling van genot en onmacht die je voelt tijdens het schrijven?

Vanuit mijn intuïtie heb ik altijd het gevoel gehad dat er meer moed nodig is om gedichten te maken dan om verhalen te schrijven. De dichter die ervoor kiest om van het dichten zijn of haar levenstaak te maken, waagt zich op een terrein waar de meesten van ons nooit zullen durven komen. Die dichter heeft misschien geen andere keuze dan te dichten.

Kunstwerken die je echt raken, hebben steeds iets van die pijn in zich. Kunst heeft te maken met op een bepaalde manier naar de dingen kijken. De eigen werkelijkheid die in de kunst ontstaat, zegt zo iets over de grotere werkelijkheid daarbuiten. Maar nooit in een één-op-één-verhouding. Uitdagend, ontsnappend, en verlangend tegelijk. Om dat punt te bereiken, neemt een kunstenaar risico’s. Die risico’s niet nemen is misschien wel nog gevaarlijker voor de geestelijke gezondheid.

28 oktober 2006

Een tweede leven

Misschien word ik gewoon ouder. Misschien is mijn hoofd maar in staat tot een bepaalde mate van flexibiliteit. Dat kan ook. En toch probeer ik steeds met een open hoofd alle nieuwe kronkelingen van onze hypermoderne tijden te volgen. Zij het van op een grote afstand vaak.

Zo las ik deze week in de krant een artikel over een virtuele wereld die bestaat op het internet. Het ding heeft als naam Second Life. Het is geen game of zo, maar letterlijk een virtuele wereld. Je kunt daar rondlopen en het leven leiden dat je zou willen leiden. Je maakt van jezelf een ‘avatar’, een soort virtuele tweede ik. Ben je lelijk of saai in het gewone leven, dan kun je daar een mooi en opwindend leven leiden.

Alles wordt door de gemeenschap van virtuele mensen daar (ondertussen al meer dan een miljoen) zelf gemaakt. Je kunt er huizen bouwen. Je kunt er naar feestjes gaan. Je kunt er een virtueel lief strikken. Problemen van ruimtelijke ordening zijn er niet. Als het land op is, maakt men gewoon een stuk bij. Het is eindeloos.

Als ik zoiets lees in de krant, dan ga ik snel wat meer informatie opzoeken. Zodat ik me er iets bij kan voorstellen. Ondertussen heb ik dus vernomen dat Second Life ook big business is. Als je bewoner bent, krijg je wekelijks een beetje zakgeld, en daar kun je dan allerlei economische transacties mee doen. Meer zelfs, je kunt dat virtueel geld omzetten in echte harde dollars. Echte bedrijven zijn actief op Second Life, b.v. om (virtuele) architectuur te verkopen. Echte politici laten zich interviewen op Second Life en echte muziekgroepen treden er virtueel op. Echte proffen geven les via Second Life. Therapeuten gebruiken deze virtuele wereld om b.v. autistische mensen te helpen. En zo gaat het maar door.

Man, man, man, wat moet ik daar allemaal mee? Het tolt in mijn hoofd en maakt me onrustig. Misschien moet ik wat beschouwende literatuur opzoeken over dit fenomeen. Ik ga dus zoeken en kom al snel op de virtuele encyclopedie Wikipedia bij allerlei achtergrondinformatie. Alleen al het lezen van een willekeurig artikel over Second Life maakt me nog duizeliger…

Als ik dit nu raar of beangstigend vind, ben ik dan een ouwe zak? Ik las onlangs een artikel over het fenomeen ‘fantaseren’. Er was onderzocht hoe vaak mensen per dag fantaseren, en waarover. Het onderwerp ‘een ander leven’ kwam daarbij vaak aan bod. En daar kan ik me iets bij voorstellen. Ik ben overigens een grote voorstander van fantasie. Het stimuleren en koesteren van de verwondering over wat is en wat zou kunnen zijn kan niet genoeg bejubeld worden. Omdat het creatief is, en steeds een laagje mooi glimmende en lekker ruikende boenwas over de werkelijkheid legt.

Maar moet zo’n tweede leven ook op je computer? Brrrr… Ik hou van de open verwondering die het lezen van een boek is. Terwijl je leest word je zoveel uur meegenomen in een wereld die alleen ergens tussen jou en dat boek bestaat. Als je de film ziet van het boek, valt dat meestal al tegen. Ik hou van het meegezogen worden in een film, in de bioscoop of thuis in de zetel. Maar ik wil vooral geen interactie met die film. Na de film wil ik buitenwandelen, of thuis even een boterham halen en een ander programma opzetten. En zelfs als ik naar een foto kijk, is er nog steeds oneindig veel ruimte voor allerlei werkelijkheden en verhalen die rond dat ene beeld cirkelen.

Als je met anderen praat over de dromen in je hoofd en ze daarna zelfs in de praktijk probeert om te zetten, dan bots je meteen op de weerspannige korreligheid van de werkelijkheid. De andere is fysiek aanwezig, praat met een stem die niet altijd mooi klinkt, ruikt soms lekker en soms niet, is wel of niet uitgeslapen. De ander is even incoherent als jij bent. Alleen in het verhaal dat zij of hij over zichzelf vertelt ontstaat er iets van een min of meer samenhangende identiteit. Het is dus een rommeltje. En gelukkig maar.

Er bestaan heel veel tweede levens in mijn hoofd. Maar je zult mij voorlopig niet zien op Second Life. Dat idee maakt me toch al weer een beetje rustiger… Gewoon elke dag een beetje dromen, en het wonder opzoeken in de onvolmaakte dingen rondom mij is al meer dan genoeg. In mijn dromen is er geen munteenheid. Er zijn geen aparte websites in mijn hoofd waar mijn hersenspinsels van die dag te koop worden aangeboden. En niemand zal zien hoe ik er die dag in mijn hoofd uit zie, tenzij ik het probeer te vertellen. In dat geval is er de soms zo ontregelende maar tegelijk troostende onvolmaaktheid van de woorden die tussen ons staat. In de afstand tot de woorden beweegt het echte leven. In het zoeken, en altijd een beetje vinden.

De kleinste glinstering van een oog, de minuscuulste aarzeling in een stem, de gradaties van tijd die in de huid van een hand rusten, ze lijken mij allemaal zo oneindig veel boeiender. Daarmee omgaan is al moeilijk genoeg. Het is vol falen. Ik bedenk ineens dat die vorm van falen nooit kan bestaan in Second Life. Ik hou van falen, sinds vandaag weet ik het wel zeker.

27 oktober 2006

Lieveheersbeestje

Het is donderdag. Op het nieuws heb ik net gehoord dat dit de warmste donderdag van eind oktober is die ooit is gemeten.

Ik zit te wachten in de wachtzaal waar ik elke week rond deze tijd zit. Net voor ik weer onder handen zal genomen worden. Ik concentreer mij op wat zal komen, door mijn hoofd leeg te maken. Zijn er plekjes op deze muren die ik in de loop der jaren nog niet bekeken heb? Het geeft niet. Het geeft me een soort rust dat alles is zoals het is.

Soms zit er iemand tegenover mij. Ook wachten. Ik kijk of zij of hij ook naar de muur kijkt.

Net op het moment dat ik me afvraag of ik het nu wel of niet erg zou moeten vinden dat het nog zo warm is in oktober, komt er een klein lieveheersbeestje op mijn hand gekropen.

Ik kijk naar het beestje en vraag me af hoe je dat nu eigenlijk moet noemen. Zit of staat dat beestje op mijn vinger? Het is er alleszins. En het blijft erg rustig gewoon daar, op dezelfde plek.

Zo klein. Lichtrood. En met mooie symmetrische stippen. De stippen hebben niet allemaal dezelfde vorm. Hoe zou trouwens het modebewustzijn van de lieveheersbeestjes zijn? Zou er per seizoen een ander patroon in de mode zijn? Zouden sommige stippenpatronen als sexy of als ordinair worden beschouwd?

Lieveheersbeestjes doen mensen glimlachen. Mij dus ook. Is het omdat ik ergens ooit gehoord hebben dat ze geluk brengen? Of is het het wezen van het lieveheersbeestje zelf dat tot licht dromen en een vorm van tederheid aanzet? Ik kan mijn kennis over het lieveheersbeestje (overigens bijzonder beperkt) nooit meer ont-weten, dus ik zal die vraag ook nooit meer kunnen beantwoorden.

Wat moet ik nu doen als ik hier zo meteen wordt weggeroepen? Het beestje blijft roerloos op mijn vinger zitten. Ik schuif het voorzichtig van mijn vinger op een speelgoedhuisje voor de kinderen. Ineens begint het wel te bewegen, en vliegt weg.

Net voor ik binnen ga, ruik ik dat het lieveheersbeestje in de lamp gevlogen is. Als Icarus, te dicht bij het licht. Of misschien wel bewust. Om de volheid van een warme dag in oktober niet verloren te laten gaan tot een herinnering op koudere winterdagen.

25 oktober 2006

Een levende planeet

Gisteren stelde het WWF haar tweejaarlijks ‘Living Planet’-rapport voor. In dat rapport worden twee indicatoren gebruikt om de ecologische staat van de aarde in te schatten. Enerzijds de ‘living planet index’, die de trends in de biodiversiteit in kaart brengt. Daaruit blijkt onder meer dat de populaties van gewervelde dieren in de periode 1970-2003 met 33% achteruit gegaan zijn. Anderzijds is er de ‘ecological footprint’ die meet hoe zwaar de mens weegt op de aarde.

Uit dit rapport blijkt eens te meer dat we veel meer vragen van de aarde dan die kan geven. De menselijke voetafdruk is meer dan verdrievoudigd in de periode 1961-2003. In 2003 was de overschrijding (de zogenaamde ‘overshoot’) van de biocapaciteit 25%. In 2001 (cijfers van vorig rapport) was dat 21%.

Als men de voetafdruk uitdrukt in hectaren per persoon dan blijkt dat de biocapaciteit in 2003 1,8 ha was, terwijl de voetafdruk gemiddeld 2,2 was. Voor België is de voetafdruk 5,6 ha. Veel te veel dus. Als iedereen op aarde zo zou leven, zouden we drie aardes nodig hebben… De manier waarop we ons energiegebruik organiseren in dit land is daarvoor de grote boosdoener.

Het WWF-rapport is een zoveelste in een reeks van rapporten en studies van de voorbije weken. Er lijkt wel een ‘groene golf’. Het is bijna ontroerend om te horen hoe allerlei mensen nu ineens het licht hebben gezien en forse verklaringen afleggen. Ze zeggen die dingen die de groenen al jarenlang zeggen en waarvoor ze die hele tijd door diezelfde mensen zijn uitgemaakt.

Wie goed kijkt naar wat er in die rapporten staat, ziet echter al snel dat de toestand zeer ernstig is. Een beetje groene PR zal niet meer volstaan om de planeet te redden. Vertegenwoordigers van de traditionele partijen houden nog altijd het win-win-verhaal op: we zouden perfect de klimaatdoelstellingen kunnen halen zonder wijziging aan onze manier van leven of zonder vrij radicale economische bijsturingen. Het wordt met de dag duidelijker dat dat holle woorden zijn. Op dat pad verder gaan, is gevaarlijk.

De Belgische regering heeft het evenwel nog niet begrepen. Gisteren stelde de federale milieuminister een rapport van het Planbureau voor over de economische kosten van het Kyoto-traject. En eigenlijk was het verhaal duidelijk. Met de nodige inspanningen kunnen we door vooral technologische aanpassingen en enkele lichte fiscale verschuivingen de doelstellingen van het Kyoto-verdrag halen. Als je gaat kijken naar wat België werkelijk doet, dan blijkt dat zelfs die doelstelling niet gehaald wordt. Maar het belangrijkste is tegelijk dat de minister moet toegeven dat een fundamentele aanpak van het klimaatprobleem (post-2012) niet haalbaar is als men binnen de geijkte paden blijft. Om echt tot een duurzame situatie te komen, moet in een land als België de uitstoot van broeikasgassen met 80% of meer naar beneden. Met wat we nu weten over de ontwikkelingen in het klimaat is het enkel op die manier mogelijk een globale temperatuurstijging van meer dan 2°C te voorkomen. Klimaatverandering tegenhouden is al niet meer mogelijk.

In zijn federale regeerverklaring vorige week was onze eerste minister weer goed op dreef. Na een hele uiteenzetting over de nieuwe klimaatfilm van Al Gore hield Verhofstadt een ontroerend pleidooi voor een gedurfde aanpak. En dat om te eindigen met de aankondiging van een nieuwe milieuheffing… Natuurlijk is het goed dat de fiscaliteit vergroend wordt en dat de energie-inhoud van een product richtinggevend zou zijn voor het bepalen van een heffing. Maar als de voorgestelde heffing zo laag is, dan is er geen gedragswijziging te verwachten. De heffing is in dat geval enkel financierend, en niet regulerend. Als deze maatregel nog onderdeel zou zijn van een globaal pakket forse maatregelen, dan zou ik het misschien nog geloven. Maar in dit geval is het niet overtuigend. De uitvoering moet trouwens gebeuren door een volgende regering… Ik begreep dan ook helemaal niet dat de milieubeweging zo positief reageerde op deze non-maatregel.

Volgende week verschijnt een Brits rapport dat berekent hoeveel het niet voeren van een duurzaam klimaatbeleid aan de gemeenschap zal kosten. Daarmee zal dan met cijfers kunnen onderbouwd worden dat de economische kost van doorgaan met hetzelfde oneindig veel hoger zal zijn dan nu radicaal te kiezen voor een groener spoor.

In de recente versie van het rapport Limits to Growth las ik dat een van de belangrijke paden voor een oplossing bestaat in een strategie van ‘truth-telling’. Alleen als we dat ook doen, kunnen we vooruitgang maken. Al te vaak worden uiteenzettingen over de staat van de aarde afgeblokt met de redenering dat je geen ‘doemscenario’s’ mag vertellen. Het wordt tijd dat we die misplaatste angst afleggen. Met de cijfers in de hand kun je rustig duidelijk maken dat er wel degelijk hoop is voor deze planeet als we nu de goede (en dat zijn ondertussen radicale) keuzes maken. Als we dat niet doen, dan is de toekomst van de planeet echt in gevaar.

23 oktober 2006

Zitliggen en hangstaan

Ik probeer soms te zitliggen. Iets tussen de twee in. En hoewel ik het elke keer opnieuw al van tevoren weet, moet ik telkens ervaren dat dat met mijn lijf eigenlijk niet gaat. Het is te lang, te hoekig en doet aan te veel kanten pijn om het langer dan even vol te houden. En – en dat telt ter verdediging – de meeste stoelen of zetels zijn gemaakt voor gemiddelde mensen. En die zijn net iets korter dan ik ben.

Zitliggen in de bioscoop lukt maar voor enkele minuten. Het wordt na een tijdje al snel iets als scheefhangzitten. Maar ja, soms zit er toch iemand naast je, en dan kun je niet zomaar tot het tegeniemandaanhangzitten overgaan. En als ik dan gewoon mooi rechtop zit, wordt het halve scherm ingenomen door mijn dikke kop voor wie achter mij zit te zitliggen.

Maar gisteren kon ik wat dit betreft het betere werk aanschouwen. Meer zelfs, ik kon het stoelgevoel ervaren. Ik kon dus voelen wat de stoel moet voelen als er iemand succesvol zitligt.

Tijdens een halve vergadering had ik een leuk klein jongetje op mijn buik liggen. Het was de naborstperiode, dat moet ik toegeven. Dat zal wel in grote mate zijn gelukzalige overgave verklaren. Maar toch hoop ik dat het toch ook met de zitligkwaliteit van mijn buik te maken heeft.

Hoe hij daar lag, ergens tussen half en helemaal slapend… Lekker tegen mijn buik. Mijn grote hand op zijn buik. En zo samen warm en warmer. Na een tijdje was het iets tussen half slapen en half wakker. Af en toe draaide hij zich om om lang en indringend in mijn ogen te kijken. Om dan weer te gaan zitliggen. Met een lichaam dat daar perfect voor gemaakt lijkt.

Het kijken nam toe, met steeds kortere intervallen. Op basis daarvan kon ik opmaken dat de kleine jongen zich liever helemaal naar mij omdraaide, waardoor hij met zijn rug naar de vergadering zat. En dat om zo stilaan over te kunnen gaan tot het hangstaan. Hangend tussen mijn handen gingen zijn voeten aan het werk. Een beetje rechtstaan. (Het gevoel van topzwaar te zijn is mij goed bekend trouwens…) Met steeds groter plezier. Het ging zelfs over in een zeer lichte vorm van hangstaanspringen. Ik voelde zijn al sterke voetjes op mijn schoot. En zijn ogen werden steeds groter.

Als ik nu nog zou weten wat de verleden tijd van zitliggen is…

22 oktober 2006

Verzet

Ik heb het vaak moeilijk met de te gemakkelijke manier waarop heel wat mensen bepaalde woorden gebruiken. Het woord ‘verzet’ is er zo een. Het woord ‘strijd’ is een ander. Ik krijg het al snel op mijn heupen als ik in een of andere linkse tekst weer eens alle geijkte woorden op een rijtje vind. Het heimwee naar de grote revolutionaire helden wordt gekoesterd en vooral gecultiveerd. En in het ritueel van het bijpassend jargon voelt men zichzelf een deel van een – zo denkt men toch – gerealiseerde utopie. De grote helden mogen alleen maar ‘held’ zijn. Alleen hun icoon-zijn heeft nog belang.

Wat mij dan interesseert, zijn de dingen die niet kloppen. Pas als je de achterkant ziet van de mens achter het logo, wordt het interessant. De geschiedenis is steeds een brokkelig verhaal. Mensen zijn altijd in het beste geval een poging tot eenheid. Wie maar één rol kan spelen, kan dat alleen maar ten koste van een ander deel van zichzelf. Het feit dat een of andere ‘grote’ leider eigenlijk in het gewone leven een vervelende klier is, is geen bijkomstigheid die uit het beeld van de bijna-heilige moet weggefilterd worden. En het idee dat moed of heldendom zo gemakkelijk alleen verbonden wordt met de grote figuren uit de geschiedenis, is vermoeiend eenzijdig. In de context van de tijd zoals die is, heb je elk uur van de dag de kans om dingen te doen die een klein beetje moed vergen, en die misschien ooit een heldendaad zullen blijken te zijn.

Ik heb te veel respect voor de heldendaden van zoveel grote en kleine mensen om het woord verzet lichtzinnig te gebruiken. Wat zou je zelf gedaan hebben, op die plaats, op dat moment? Dat is een vraag die altijd opnieuw door mijn hoofd blijft gaan. En het antwoord daarop lijkt zo essentieel. De morele consequenties daarvan kunnen immers erg groot zijn. Heb je nog wel het recht om bepaalde woorden in de mond te nemen? Heb je nog wel het recht om bepaalde stellingen in te nemen? Hoe kun je iets zeggen over het nu of over de toekomst zonder tenminste geprobeerd te hebben de geschiedenis te kennen? Misschien kom ik wel nooit in het reine met die vragen, en rest er alleen een houding van schroomvol zwijgen.

Ik dacht er weer aan toen ik vanmorgen bij het ontbijt de kranten zat te lezen. De verhalen over de Hongaarse opstand in 1956. Ik heb er al veel over gelezen, maar het blijft me fascineren. Hoewel ik toen nog lang niet geboren was, voel ik nu nog steeds iets van schaamte. Waarom heeft het toenmalig West-Europa die dingen zomaar laten gebeuren? Het kwetst me vaak dat zoveel mensen, ook progressieven, in het debat over de uitbreiding van de EU die hele historische context al vergeten zijn. Het doet pijn als mensen die zichzelf links noemen ervoor pleiten om de uitbreiding stop te zetten, met als argument (al dan niet openlijk) dat onze welvaart in het gedrang zou kunnen komen…

Elders in de krant zag ik de lijstjes van enkele professoren voor een ‘Belgische canon’. En een van de genoemde gebeurtenissen maakt me meteen stil: het stoppen van het XX-ste treinkonvooi naar Auschwitz-Birkenau door drie Belgische verzetsmensen in Boortmeerbeek op 19 april 1943. Het is de enige keer dat dit gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog. En wie het verhaal leest over deze verzetsdaad, kan alleen maar respect hebben. Ze werd uitgevoerd door drie jonge studenten uit Ukkel. Gewapend met één revolver, een stormlamp en rood papier verplichtten ze de trein te stoppen op de lijn Mechelen-Leuven tussen Boortmeerbeek en Haacht. 231 mensen konden ontsnappen, en voor 115 daarvan slaagde de ontsnapping.

Ik herinner me nog goed een TV-documentaire over dit feit. Het gebrek aan grote heroïek is me bijgebleven. Ze deden het gewoon. Het maakt me alleen maar nederig. Het was op zich een kleine daad die de grote oorlog niet gestopt heeft. De ontsnapten die ter plekke door de Duitsers werden gedood hadden weinig geluk. De 115 die wel konden ontkomen, kregen een kans, en velen van hen overleefden de oorlog en konden het navertellen. Ze danken hun leven aan anderen.

Je hoopt dat je door kennis van de geschiedenis, door een poging tot integer in de wereld zijn, door de wil je niet neer te leggen bij onrecht beter zult gewapend zijn om overeind te blijven in echt moeilijke tijden. Je hoopt dat je op het ultieme moment de moed zult hebben om met het woord verzet waardig om te gaan. Maar of het zo is, weet je misschien wel nooit…