31 mei 2009

Deelgenoot


“Door te voelen dat wij het bos zijn, worden we deelgenoot van de hoop en angsten van de bomen. Als we dat niet kunnen, zullen de bossen ten dode opgeschreven zijn en zal vrede buiten bereik blijven.” (Thich Nhat Hanh)

Een mooie zin uit een mooi boekje. Er is veel nodig om de klimaatcrisis te keren. En, te veel mensen hopen waarschijnlijk nog steeds dat alles wel vanzelf in de plooi zal vallen, alsof het alleen maar een vervelende nachtmerrie was. Hardnekkig willen ze doorgaan met alles zoals het nu is, omdat ze dat willen, ongeacht de werkelijkheid. Het is een overlevingsmechanisme als een ander waarschijnlijk. Er spreekt veel krampachtige angst uit de manier waarop veel mensen die beter kunnen weten zichzelf willen blijven wijsmaken dat ze als een stoere manager alles ongemerkt kunnen laten passeren, omdat je mensen vooral niet ‘bang’ mag maken. Daar is op zich ook wel iets voor te zeggen. Je moet mensen energie en hoop blijven geven, anders raken ze verlamd door machteloosheid.

Absoluut waar, en zeer belangrijk. Maar tegelijk moet je steeds blijven bewaken dat je een bepaalde grens niet overgaat. Een verkeerd soort ‘positivisme’ kan in de feiten neerkomen op je ogen sluiten voor de omvang of de verschillende dimensies van de uitdaging. Sommige waarheden zijn niet aangenaam, maar ze vormen wel de essentie van het probleem. Uit een nieuwe studie blijkt de veronderstelde menselijke impact van de klimaatverandering. Die is nu al verantwoordelijk voor 300.000 doden per jaar, en beïnvloedt het leven van 300 miljoen mensen. Tegen 2030 zouden we al aan 500.000 doden zitten. Op dit moment is er al een economisch verlies door klimaatverandering van 125 miljard dollar per jaar, en dat zou kunnen oplopen tot 600 miljard tegen 2030. Als we de uitstoot van broeikasgassen niet onder controle krijgen zullen binnen 25 jaar 310 miljoen meer mensen negatieve gezondheidseffecten ondergaan, 20 miljoen meer mensen in de armoede terechtkomen, en 75 miljoen mensen moeten verhuizen door klimaatverandering. En wat blijkt eens te meer? De klimaatverandering is vooral een rechtvaardigheidsprobleem. Bijna 98% van de mensen die erdoor getroffen worden, 99% van alle doden door weergerelateerde rampen en 90% van alle economische verliezen situeren zich in de armste landen.

Een hoopvol realisme lijkt de beste strategie. Steeds zoeken naar boodschappen en oplossingen die zoveel mogelijk positieve energie oproepen en mensen wapenen om vol vertrouwen hun toekomst in handen te nemen. Maar tegelijk ook op nuchtere wijze de werkelijkheid blijven zien, in alle eerlijkheid. Want anders sluiten we gewoon onze ogen, ook al doen we of we geweldig hard bezig zijn…

Hoe of waar kun je echter als individu de energie vinden om die uitdaging aan te gaan? Het is een aartsmoeilijke vraag, die het echter wel verdient om gesteld te worden. Cynisme of een zichzelf voorbijhollend activisme zijn niet het antwoord. Ze putten ons uit, of maken ons leeg en hard vanbinnen. In beide gevallen hebben we niets meer te geven. Het zoeken van een plek van verdieping in jezelf, kan een begin van antwoord geven voor wie het wil proberen. Zeker niet in de zin van een zich terugtrekken uit de wereld, maar wel als een zoeken naar een andere relatie met die wereld.

Het zijn allemaal grotere woorden dan bedoeld, en het kan enkel een schroomvol zoeken zijn, met veel twijfel, maar al tastend kun je ook vooruit gaan. Beseffen wat iets als de klimaatverandering werkelijk kan betekenen voor de mens, en wat er zou moeten gebeuren om dat werkelijk te keren, is niet gemakkelijk. Waarschijnlijk omdat het door velen als ‘verlies’ zal worden aangevoeld. En om de angst voor dat verlies niet te voelen, is de verleiding groot om als mens nog meer het gevecht aan te gaan met de natuur. Waarbij de natuur als de ‘andere’ wordt gezien, die ten dienste zou moeten staan van de kwetsbare identiteit van de mens. Zo kun je in een infernale spiraal terechtkomen, die alleen maar naar de afgrond kan leiden.

Een andere houding bestaat erin de natuur als een deel van jezelf te zien, en jezelf als een deel van de natuur. Voor de een kan dit religieus geïnspireerd zijn, voor de ander kan het ook zuiver wetenschappelijk gefundeerd zijn. Inzien dat planten, dieren en mensen in wezen uit dezelfde bouwstenen zijn gemaakt, en innig met elkaar verbonden zijn hoeft niets af te doen aan het unieke van de mens binnen dat geheel. Maar het kan ook aanzetten tot een nuttige nederigheid. Als we de bomen allemaal kappen, doden we ook onszelf. En als we de vergankelijkheid in alles durven zien, krijgt een idee als ‘verlies’ een ander perspectief. Een ander pijn doen kun je gemakkelijker als die ontmenselijkt is, als die tot een andere categorie wordt gemaakt dan je zelf bent. Als je echter bij wijze van spreken de zee in jezelf durft voelen, kun je ook voelen wat de zee voelt. Proberen het lijden te verminderen krijgt dan ook een ruimere lading. Misschien voel je meer verdriet, maar je voelt ook meer verbondenheid, waardoor het je minder verlamt en je minder alleen bent. En in plaats van alleen maar verlies kun je ook meer vrede vinden in het ‘leven in aandacht’, in het zoeken naar een andere relatie tussen jou en de rest van de natuur.

30 mei 2009

Het stroomt


‘Dit leek me de beste plek om te zitten, hier in het water. Hier kunnen we goed praten, het is alsof de dingen lichter wegen hier.’
‘Ik voel me alleen een beetje verlegen.’
‘Dat hoeft niet, helemaal niet.’
‘Ik wou al langer met je praten. Het lijkt alsof je iets weet.’
‘Dat denk ik niet eigenlijk. Maar misschien maakt het niet uit.’
‘Als je van hieruit de dingen ziet, dan lijkt alles zo rustig. Alsof alles een plaats heeft. Alsof er een samenhang is. Maar in mijn hoofd is dat zo anders soms. Dan is het alsof ik nergens in pas.’
‘En passen al die anderen er dan wel in?’
‘Toch veel. Of anders voelen ze het niet. Heb jij nooit het gevoel dat je op een verkeerde plek bent terechtgekomen of zo?’
‘Het is minder geworden. Misschien vind ik het niet meer zo erg om alleen te zijn, bij wijze van spreken. Er zijn natuurlijk veel mensen en zo, maar je bent toch alleen, ik toch. Af en toe is het alsof ik er vrede mee heb gesloten.’
‘Weet je dan altijd waar je naartoe wilt? Weet je wat je bestemming is?’
‘Nee, helemaal niet. Ik denk dat ik de vraag niet meer stel. Hoe ik de dingen doe, dat is belangrijker geworden dan waar ik naartoe ga. Het heeft lang geduurd eer ik dat besefte.’
‘Is dat het litteken daar?’
‘Ja, hier en hier. Er was een gat daar, en nu is het weer dicht.’
‘Mag ik eens voelen?’
‘Ja, doe maar.’
‘Doet het pijn?’
‘Nee. Soms is er een herinnering daar in de huid, en die doet pijn. Maar meer is er niet.’
‘Je had dood kunnen zijn.’
‘Ja. Dat besefte ik pas later. Het is raar hoe de dood het leven gemakkelijker kan maken.’
‘Soms zou ik willen weten waar ik moet zijn. Soms denk ik dat er ergens een plek is waar alles van me af zal vallen, en waar ik zal weten dat ik eindelijk thuis gekomen ben.’
‘Misschien ben jij zelf die plek wel.’
‘Maar het lijkt zo weinig. Er zijn nog zoveel tochtgaten in mij. Alles waait er doorheen.’
‘Maar die gaten zijn wel van jou, en ze zijn mooi. Misschien zijn ze wel belangrijker dan wat er omheen is.’
‘Ben jij nooit bang dan?’
‘Natuurlijk wel, meer dan me lief is.’
‘Gaat dat niet over?’
‘Ik denk het niet. Maar dat is niet zo erg.’
‘Ze zeggen soms dat alles wat je zoekt er al is. Het is zo moeilijk om dat te aanvaarden.’
‘Ze zeggen ook dat je niet moet zoeken om te vinden. Ik begrijp het nog altijd niet helemaal, maar er klopt iets van.’
‘Ik dacht vroeger dat het anders zou zijn. Dat je op een bepaald moment zou beseffen dat je daar was waar je wou zijn, maar dat is niet zo.’
‘Nee, dat is niet zo. Maar op een bepaalde manier wordt het dolen minder erg.’
‘Het kan dus ook minder pijn doen?’
‘Ja, soms toch.’
‘Het water is goed. Je had gelijk, het maakt de dingen lichter.’
‘Vroeger hadden we zo’n vloeiblad, in het roze, voor onze pen. En als je de punt van je pen ertegen hield, dan vloeide alles uit. Als ik in het water zit, is het alsof ik zelf een beetje mag uitvloeien. Het lijkt soms zelfs alsof je uitgevloeid dichter je natuurlijke staat bereikt.’
‘Het valt me op dat dit alles me eigenlijk wel rustig maakt. Ik had het nooit gedacht. Ik zou er ook nooit op gekomen zijn om dit zo te doen.’
‘Ik heb het ook moeten leren.’
‘Dit uur van de dag heeft iets van troost in zich. Hoe het licht zich terugtrekt. Het is alsof iets je vraagt om alles even toe te dekken. Gewoon, zoals je je klaarmaakt om te gaan slapen, en je alles van de dag van je aflegt. Zo zou het toch moeten, denk ik. Het lukt me niet altijd.’
‘Wil je nog blijven hier?’
‘Ja, nog even, als dat niet erg is.’
‘Nee, het is goed, we blijven nog.’

28 mei 2009

Vertraging

Het warme water loopt over mijn huid. Een nieuwe dag is weer begonnen. Dit moet snel gaan. Heel even is er bijna een blijven. Niet denken aan al wat moet komen vanaf zo. Alleen maar het water, en wat het doet. Hoe het verzoent. Maar het moment is weer voorbij.

De hele wagon blijkt gereserveerd. Dan maar naar een andere. Door de gang, naar de deur tussen de ene en de andere. Net naast de deur geeft een vrouw haar kind de borst. Even, tussen twee seconden, is er een eeuwigheid. Even verschijnen er vertraagde beelden op het scherm. Even is alles er. Tot de deur openschuift, en de oversteek gemaakt wordt. Het is al een streelbare herinnering geworden.

Een platte band is meer dan weerloos. Dat beetje verdwenen lucht heeft een hele identiteit weggenomen. Hoe langer je het uitstelt, hoe troostelozer die afwezigheid wordt. Je kunt niet anders dan even de trage tijd in stappen. Het is zoeken naar een kleine leegte die al wat vol en zo zichzelf was deed verdwijnen. Luchtbellen in het water. Gaten in het water. De plek wordt afgetekend, daar waar het moet gebeuren. Wachten tot de lijm klaar is voor het ontvangen van het nieuwe lichaam, waarna de eenheid zou kunnen teruggevonden worden. Daarna de fiets weg zetten, het is een kwestie van geloof. Geloven dat morgen, aan de andere kant van de nacht, alles er nog zal zijn. Alleen maar aanwezigheid die wacht.

De beelden komen terug. De mannen die aan de boot werken. De platbodem is er al. Je kunt hem al zien. Hij moet alleen nog aan de ruimte ontlokt worden. Zoveel handen betasten zijn vorm, ook al lijkt die nog onzichtbaar voor wie niet goed kijkt. Maar zij zien hem al. Het hout laat zich geduldig bewerken. De schaven hebben hun tijd nodig. Het heeft met de ziel van het hout te maken. Iemand vraagt wanneer hij af zal zijn. Misschien een jaar of drie. Als het meezit. En anders later. Wanneer het tijd is om boot te zijn.

De struik met rozen. Ze zijn aangeraakt door het licht. Ze moeten elke dag even bekeken worden. Al is het maar in het voorbij gaan. Voor minder doen ze het niet. Al wat vergankelijk is verdient het bekeken te worden.

De verontwaardiging laat zich later voelen. Het nieuws wordt ’s morgens gelezen. Een kleine storm steekt op. En zoveel later, het is al bijna avond, komt de kramp. In vertraging. De borst krimpt samen. De adem benomen. Even zou er een moment van angst kunnen zijn. Laat het lichaam zichzelf maar terugvinden, hoor je jezelf zeggen. Het plooit zich uit in een nieuwe vorm. Nog voor de voordeur wordt bereikt.

Hoe lang mag je kijken naar al wie om je heen zit? Soms zou je de toestemming willen om alle tijd te nemen. Om geen detail te missen. En alle verhalen die je daarbij zou kunnen vermoeden.

Het duister wordt weggenomen. Ononderbroken. Flitsen lijken zich bijna met elkaar te verweven. Het houdt niet op. Evenmin als het gerommel. De handen op de buik doen de adem verder vertragen. Alsof deze beweging alles daarbuiten zou kunnen afweren.

De vragen moeten beantwoord worden. Ze schuiven aan in rijen, zo lijkt het wel. Maar deze vragen verdienen traag. De woorden moeten langzaam naast elkaar gezet worden. Als kleine steentjes in het cement. Er mag geen spatie verkeerd staan.

In de droom wordt iets hersteld. Het past in elkaar, herkent zichzelf en maakt zich klaar voor wat zou kunnen komen.

De fietsster voor mij rijdt trager dan ik zou willen. Waarom eigenlijk niet meedrijven? Zou ik haar niet moeten zeggen dat een purperen jas samen met purperen fietstassen misschien net iets van het goede te veel is? Met een vloeiende beweging maakt ze haar haar los, dat ineens heel lang blijkt te zijn. Ze schudt er nog even mee, en laat de wind de rest doen. Anders had ik dit nooit gezien. Het is goed zo.

24 mei 2009

Wat je achterlaat


Misschien is het daar dat je bent. En alleen daar. Waar het zand wordt overgenomen door het water, en waar het later weer verlaten wordt. Misschien kun je alleen daar zijn. Nooit kun je weten naar welke kant je echt zou moeten gaan. Misschien wil de zee je zeggen dat die vraag verkeerd is. Dat de grootste rust bereikbaar enkel daar te vinden is waar er alleen die eindeloze beweging is. Dat de grootste onbeweeglijkheid daar is, midden in de getijden.

Soms is het alsof je het heel even weet. Je oefent jezelf in trage bewegingen. De handen als een op- en ondergaande zon, in een eindeloze reeks, waar nergens een naad te zien is. En je adem volgt dat ritme. En het is alsof het je beschermt tegen alles wat daarbuiten gebeurt. Alles wat je zou kunnen mee trekken in een stoet die de jouwe niet is. En even lijkt het alsof je dichter bij de aarde bent gekomen. Tot je opschrikt van de lucht die in en uit je gaat, en er net te veel eenzaamheid is overgebleven. De twijfel neemt het over. Dat het misschien toch beter is van hier te gaan, naar waar alles beweegt, waar de anderen zijn.

Het lichaam kan je niet leiden. Het is even ongrijpbaar als al het andere.

Soms wil je je gedachten enkel formuleren in woorden die iedereen begrijpt. Soms wil je zo opgewekt zijn als anderen van je verwachten. Soms wil je zoveel hoop uitstralen als nodig is, naar men zegt. En soms lijkt het alsof dat ook je voetstappen overneemt, en ervoor zorgt dat de gemakkelijke weg voor je ligt. En soms wil je alleen de woorden overhouden zoals ze onder je huid bewegen. Soms is er een waarheid die je niet mag verzwijgen. Soms zou het naakte inzicht in wat zou kunnen komen meer helderheid overlaten. Soms zou het gesprek pas daarna, en dan eindelijk beginnen.

Verdriet is gewoon een gevoel. Het komt en het gaat. Net als geluk. Het komt en het gaat. Het is niet meer dan dat, als je daar staat. Het heeft niet veel zin je tegen het water te verzetten. Tegenhouden wat gewoon door je heen kan stromen, het hoeft niet. Evenmin als niet toelaten wat gewoon naar je toe komt. Af en toe lukt het je.

Je kijkt naar je huid, en je ziet de littekens. Soms trekken ze je weg, naar hun kant. Alsof alleen de gaten overblijven. Soms zijn ze een rivier, waarin je gewichtloos kunt worden. In het volle besef van alles wat niet gehavend kan worden, zolang de tijd beweegt.

Misschien zijn de foto’s ergens in je begraven. Hoe de dingen waren. Wat ooit gebeurde, wat ooit gezegd werd. Soms lijkt het alsof ooit ergens een weg werd gesloten. Het kan je overvallen, onbewaakt als je bent. Het heeft je longen kleiner gemaakt, je armen korter. En soms is er alleen de vrijheid die je zelf hebt gewonnen op de tijd. Alles wat je kunt zien omdat je zo geworden bent. Je zou het nooit anders willen.

Misschien zou je iets willen kunnen vasthouden. Misschien verlang je dat er ooit iemand is die zal blijven. Misschien zou je het laatste woord willen kennen. Misschien wil je weten wat je achterlaat. En dat terwijl je daar staat. Waar het water heen en weer gaat. Niets is zachter dan water, en niets heeft meer kracht. Je kijkt naar je voet, en wat er beweegt tussen je tenen. Hoe snel je kunt verdwijnen als je je verzet. Of je kunt het bewegende water strelen, in een onbeweeglijk moment. En hopen dat dat ooit genoeg zal zijn. Zou je dichter kunnen komen?

23 mei 2009

Onder hoge druk

Dat de dingen waaraan je je het meest ergert bij anderen ook wel eens je eigen onderdrukte ikken zouden kunnen zijn. Dat las ik onlangs. Opnieuw goed voor diepgaand wetenschappelijk onderzoek. Een speciaal programma werd opgestart. Met name eerst een onthullend gesprek onder hypnose, begeleid door de mysterieuze Esmeralda, daarna gevolgd door een speciaal therapeutisch programma om zo als het ware oog in oog te gaan staan met je demonen, of minstens je ergernissen.

Gelukkig kon ik zelf de selectie maken uit de ontzaglijke lijst die bleek op te duiken tijdens de hypnose, waardoor ook voldoende zelfconstructie overeind kon blijven in het kader van de zelfverzoening, wat dan weer een ander speciaal therapeutisch programma is. Maar dat is een ander onderwerp natuurlijk.

Mannen die vertellen over hun hogedrukreiniger. Dat bleek al meteen een topper te zijn. Voor alles wat ook simpel kan, gebruiken die mannen toch liever een apparaat. Ze zijn vooral goed in het bedenken van de meest waanzinnige toepassingen, waardoor het ding ook meteen het meest onmisbare instrument is voor de hedendaagse levenswijze. Laat de hogedrukreiniger in jezelf toe, had Esmeralda nog gezegd. Ik had mezelf eens even goed bekeken in de spiegel nadat ik uit de douche was gestapt, maar ik zag het niet zo meteen. Maar ik was vastbesloten me er helemaal voor open te stellen. En inderdaad, enkele dagen geleden is het apparaat tot mij gekomen. Bij een gezamenlijke opruimklus dook het ineens op. Of ik ook even mocht, hoorde ik mezelf zeggen. En ik moet het bekennen: wat is dat lekker! Met zo’n spuit een vuil koertje te lijf gaan, het heeft wel iets. Ik keek even om me heen of niet te veel mensen het gezien hadden, en vertelde later aan Esmeralda dat ik nooit zal praten over de hogedrukreiniger die ik ook nooit zelf zal bezitten natuurlijk, waardoor ik me in principe nog steeds zou kunnen ergeren aan mannen die praten over hun spuit, maar die argumentatie kwam blijkbaar niet geheel geloofwaardig over…

Trosjes Limburgse vrouwen van pensioengerechtigde leeftijd die de trein nemen naar Oostende, naast je zitten, en doodgemoedereerd als het moet uren kunnen doorpraten over alle varianten van lekkere recepten. En zelfs al zou de trein naar Timboektoe gaan, dan nog zouden ze gewoon doorgaan. Dit vond Esmeralda een bijzonder interessant geval. Niet zozeer omwille van de recepten, want er bleek bij mij geen schroom te zijn om te praten over recepten, integendeel. Maar wel blijkbaar over de tentoon gespreide ‘zen in action’. Zij vond dat ik vooral goed was in praten over zen, maar minder goed in de overgave aan een vorm van totale ledigheid. Zij vermoedde dat allerlei niet-verwerkte trauma’s aan de oorsprong zouden liggen van het opduikende schuldgevoel bij zoveel nietsigheid. Een boek lezen leidt nog altijd minstens tot iets… En ja, ik heb gekozen voor de totale confrontatie. Ik ben naar Oostende gespoord, en heb het vrouwenclubje opgewacht. Ik vroeg of ik me tussen hen mocht plaatsen. Wat geen probleem bleek te zijn, ze waren immers nog lang niet uitgepraat, over die recepten. Eerst ging het nog goed, maar al tussen Brugge en Gent was het moeilijk om niet totaal in de hyperventilatie te gaan door zoveel kabbelend zeemzoet getater. Ga met de stroom, had Esmeralda me nog gezegd. En ja, naarmate we Brussel naderden was ik helemaal verzonken in deze mantra van de totale aanwezigheid in het nu. Pas in Hasselt ben ik uitgestapt, vastbesloten om de Limburgse vrouw in mij meer toe te laten…

Voetbalsupporters, met lelijke sjaaltjes, met te dikke bierbuiken, met te veel kabaal, met iets te veel massale joligheid. Esmeralda vermoedde hier een diepe eenzaamheid, een lichte afgunst op mensen die wel lid waren van een groep en daaruit een identiteit konden halen, en een sterke verbondenheid. Ik kon me eerlijk gezegd moeilijk voorstellen dat er ergens een onderdrukte voetballer in mij zat. Maar goed, ik heb het geprobeerd. Ik kocht een volledige outfit. In onverslijtbare stof, die minstens 174.899 kan gewassen worden en nog geen krimp geeft. Ik kocht zo’n vreselijke toeter op een spuitbus. Grote hoeveelheden bierblikken werden opgestapeld. En elke dag oefende ik, om toch in staat te zijn genoeg te kunnen drinken na de match. Ik droomde ’s nachts van voetbalprentjes van Panini, die vroeger op school werden geruild. Ook toen wist ik al niets van voetbal, en ik kreeg de restjes van de anderen, nerd als ik was. Alles kwam weer terug… Ik heb het geprobeerd, maar het is niet gelukt. Ik ben naar de grote bekerwedstrijd gegaan, maar ben tijdens de pauze weer vertrokken, stiekem ervandoor. Alleen liep ik weg van het grote stadion, en hoorde achter mij de kreten. En ik dacht: alles is goed zoals het is. Er zal nooit een voetballer in mij huizen. Bier drink ik toch liever uit een glas. En dat linnen hemd met dat gat in, voelt toch veel lekkerder dan die plastic dingen.

21 mei 2009

De rug


‘Ik wist dat het tijd was om nog eens langs te komen.’
‘Dat is heel lief van je.’
‘Het is voor mij nu ook anders. Misschien wel gemakkelijker, hoe raar het ook klinkt.’
‘Ik denk dat ik het wel begrijp.’
‘Ik vermoedde al dat je hier zou zitten, hier op de bank in je tuin.’
‘Hier zit ik vaak. Vroeger minder eigenlijk. Ik keek vaak naar de bank, vanuit het raam, maar ik zat er weinig op. Maar sinds een tijd doe ik het wel vaak. Ik hou ook wel van dit moment van de dag.’
‘Op dit moment zit ik ook dikwijls in de tuin, en kijk ik naar de planten. Soms heb ik helemaal geen zin om te lezen, en dan doe ik niets anders dan kijken.’
‘Volgens mij kon je dat altijd al beter dan ik. Als ik het te lang deed, maakte het me altijd erg onrustig.’
‘Maar jij kon misschien beter alleen zijn dan ik, met of zonder boek.’
‘Zou het zo zijn? Ik vraag het me wel eens af. Het voelde altijd al als het beste voor mij. Maar soms was ik wel bang voor het ouder worden. Dan had ik schrik dat er bij het ouder worden een moment zou komen waarop ik ineens de kinderen zou missen. En nu ben ik ouder, en soms is het alsof die schrik op de loer ligt. Alsof ik weet dat ik bijna bang ga worden.’
‘Ik weet dat je het niet gelooft, maar er is iets dat niet anders is. Ik kan het je nog altijd niet goed uitleggen. Ik had er nooit de woorden voor, en nu nog niet. Maar ik weet dat dat je angst is, en het is moeilijk dat ik ze niet weg kan nemen van jou.’
‘Dat hoeft ook niet, niemand kan er iets aan veranderen. De dingen zijn wat ze zijn, en ik ben blij met alles wat er op mijn weg is gekomen. Ik heb de kinderen, ook de jouwe, zien opgroeien tot de mensen die ze nu zijn. Het ontroerde me soms meer dan ik aankon. Het was af en toe gemakkelijk dat ik enkel toeschouwer was. Misschien ben ik dat altijd wel geweest, een toeschouwer.’
‘Maar je deed het wel goed. Je kon altijd goed kijken.’
‘Misschien wel. Het heeft me wel geholpen bij de boeken. Hoewel het me nooit echt gelukt is te schrijven wat er soms in me omging. De laatste moed had ik niet.’
‘Ik denk dat je je vergist. Je bent te streng. Ik ben alleszins blij dat je het toch gedaan hebt. Ze zijn heel bijzonder, die boeken van jou.’
‘Ik had gehoopt dat het me meer vrede zou geven, maar dat was niet zo.’
‘Ook dat zie je verkeerd denk ik. Je zou eens moeten weten wat er werkelijk omgaat in het hoofd van alle anderen. Jij bent er dichter bij gekomen dan je zelf beseft.’
‘Zou dat zo zijn? Misschien wel.’
‘Waar denk je aan?’
‘Mag ik je hand eens zien? Ze zit altijd ergens in mijn hoofd. Hoe zit het nu, wat is nu weer de palm en wat de rug? Ik kan het nog steeds niet uit elkaar houden. Dit dus.’
‘Wat zie je dan?’
‘Ik wou gewoon even zien of alles nog klopt. Of alles nog goed in de tijd past. De tijd die achter je ligt is soms precies een soort blokkendoos of zo. En elke dag moet je alle blokken weer opbouwen, tot ze allemaal staan, en netjes in elkaar passen zonder om te vallen.’
‘Ik denk dat ik uiteindelijk toch altijd meer vooruit wilde kijken. Maar of het werkelijk zoveel verschil maakt, weet ik niet meer.’
‘Zijn er dingen die je anders zou hebben gedaan, nu je alles weet?’
‘Ja, toch wel denk ik. Maar ik kan je nog niet uitleggen welke. Het is voor het eerst dat ik dit nu aan mezelf toegeef, en het is nog te vroeg om alles te zeggen. Maar jij zult het zeker van me horen.’
‘Het is goed, we hebben nog alle tijd van de wereld.’
‘Alle tijd die de wereld ons nog geeft, en ik weet niet hoeveel dat nog is. Maar het maakt niet uit.’
‘Ik heb je altijd mooi gevonden, weet je dat?’
‘Ja hoor, dat weet ik. Ik heb het wel nooit begrepen, maar ik weet het.’
‘Het is zo. Wordt het niet te koud voor jou hier buiten?’
‘Nee, nog niet. Laten we nog even blijven zitten.’
‘Ik weet nog dat je me ooit vroeg om samen te zwijgen. We hebben daar een hele tijd gezeten, zonder iets te zeggen.’
‘Ja, dat weet ik nog. Het maakte me heel gelukkig op dat moment.’
‘Wil je dat nu ook doen? Tot het donker is?’
‘Ja, dat is goed.’

17 mei 2009

Van over de oceaan



De zoete melancholie kan je bereiken op een onbewaakt moment. En je kunt ernaar verlangen op een late zondagmiddag. Ze kan je langzaam innemen, als een zachte vesting die zich gewillig laat overhalen tot verlies.

Het is ongemerkt gegaan. Je spreekt over lichamen die het laten afweten. In welke richting zou de herinnering gaan? Zou het jonge en nog ongeschonden lichaam zich herinneren wat er nog moet komen, of zou het omgekeerd gaan? Je weet het niet. Je kijkt elkaar aan en ziet dat je in de fase van de deuken bent gekomen. De woorden worden gekeerd.

Misschien kan het je lichaam zacht maken. Daar waar je schouders huizen zou het zichzelf los kunnen laten. Het zou je buik terug kunnen brengen in het ritme van trage stappen.

De dingen blijven, gelukkig. Het mooie ingelegde doosje. Schijnbaar verloren tussen allerlei spullen. Maar zo hoort het. Het omvat het oude zakhorloge. Als een plek waar je naartoe kunt gaan. Het wacht om de tijd weer over te nemen. Je moet het alleen opdraaien. Het komt van ver in de andere eeuw. Het zal altijd bij je blijven. En nog lang daarna zou het er nog kunnen zijn. Het niet bewegen van de wijzers is dus nooit het einde, enkel een wachten.

Er zijn verhalen die je zou kunnen hebben meegemaakt. Je moet er alleen naar luisteren. Wat moet er meegebracht worden van over de zee? En het lied dat eeuwig zou mogen duren.

Je groeit in het lichaam van je vader. Even dacht je dat je die trage, bijna stilerende bewegingen van je gelaat zelf ontdekt had, dat ze zelf naar jou toe gekomen waren. Met ogen vooraan, maar met heel veel heel ver daar achter. Een beetje afwachtend. Klaar voor kleine bewegingen. Maar het is niet zo. Je groeit in iets. Je oorsprong wordt je bestemming. Tot je hem ziet, en begrijpt waar hij in gegroeid was. Hoe je door vooruit te gaan kunt verdwijnen in waar je vandaan komt.

En ’s nachts in het volkomen donker de trappen opgaan. En traag bewegen, alsof er nergens een lek zou zijn. En alleen de beweging overblijft. Ontlichaamd.

Je zou er veel voor geven om hem opnieuw dezelfde verhalen te horen vertellen. Steeds opnieuw, nu zou het niet geven.

Soms doe je het zelf ook. Verhalen klaarmaken die je opnieuw kunt vertellen. Ze moeten het goede ritme hebben, en genoeg verlies. Ze moeten nog lang mee.

Soms blijft alleen de muziek over. Meer moet er niet zijn.

En aan het einde van de dag kun je telkens opnieuw even buigen. Dankbaar voor wat er was. Ook al komt er niets voor je geest. Met overgave voor de nacht. Ook al is je lichaam daar nog niet. Klaar voor het niet-weten van de rivier die je door moet om aan de andere kant te komen. Ook al weet je dat je dat mysterie nooit zult begrijpen. Het helpt even te buigen. De vragen die niet te beantwoorden zijn, vragen dat ook niet.