31 oktober 2010

Scheuren in de aardkorst

Hoe je nieuwe gewoontes probeert aan te leren. Nu je in het nieuwe bent. Hoe je was vastgelopen in zoveel, je wist het eigenlijk al. Maar nu weet je het nog beter. Nu je de kans hebt om te veranderen, opnieuw te beginnen. Goede voornemens zijn er genoeg. Dat alles anders zal zijn, dit keer. Of zoiets. Je lijkt het te geloven.

Eindeloos veel nieuwe systeempjes bedenken. Zo lijkt het wel. Het voelt vrij. Alsof je jezelf zou kunnen heroveren. Een beetje toch.

En de verleiding is er elke keer weer. Om maar snel de hele doos ongeselecteerd te laten. Het ‘ik doe het later ooit nog wel eens’-gevoel. Het zou zo gemakkelijk zijn. Maar je weet dat het niet mag. Nu moet het gebeuren. Het is gewoon wachten, tot alle stappen gezet zijn. Al vraagt het veel van je geduld. Nadien ben je telkens weer blij.

Waaraan je allemaal kunt denken tijdens het schilderen van de deurlijsten.

Pas als een deel van de ballast weg is, weet je hoe zwaar die eigenlijk was.

Ze hadden allemaal gelijk, zij die het je al zo lang zeiden. Je wist het wel.

Je ziet de mensen rondlopen. Je ziet graag mensen rondlopen.

Je maakt lijstjes van alle dingen die nog moeten gebeuren. De volgende dagen, de volgende weken. Je kunt het niet laten, misschien.

Eerst moet je zoveel dingen aan kant hebben eer je je weer kunt concentreren op werk dat is blijven liggen al die tijd. En zelfs dat heb je leren doseren. Het is raar, hoe het werkt. Er moeten genoeg kleine plekjes zijn die klaar zijn. Raar, dat woord klaar. Zo dient het zich aan in je hoofd. Het heeft iets met verlangen te maken.

Het zou kunnen dat je lichaam alleen nog maar moe is. Al het andere lijkt je heel langzaam te verlaten. Gevechtsklaar, of zoiets. Het hoeft niet meer. Hoe lang heb je gehoopt op dat gevoel? Je weet het niet.

Ze zijn allemaal hier. Ze hebben allemaal hun sporen nagelaten hier. Nu zullen ze altijd hier zijn.

De plek waar je woorden zult maken. Waar verhalen zullen ontdekt worden. Je moet nog even ontdekken hoe ze voelt. Je had gedroomd van deze plek. Over hoe dichtbij alle andere plekken ze zou zijn. En net dat is wat je voelt nu.

Het heeft iets met verlangen te maken. Je beseft het weer.

En net op de dag dat je langer had mogen slapen word je nog vroeger wakker, zo lijkt het wel. Je kunt nog de hele tijd in en uit je droom wandelen.

Misschien is het wel een goed teken dat je rug zoveel pijn doet.

De verhalen over het gaan naar het nieuwe zullen langzaam weer verdwijnen. Ze zullen geen plaats meer vragen. Dat is misschien wel nog beter.

De stad klinkt anders hier, denk je. Het is zo stil hier.

Dat het een plek is waar altijd ook anderen zullen zijn.

30 oktober 2010

Het zachte water


‘Gaat het?’
‘Ja, het gaat wel. Het doet gewoon deugd om dat warme zachte water te voelen.’
‘Het lijkt bijna een beetje op hoe je een klein kind een badje geeft.’
‘Ja, misschien wel. Maar laten we daar nu maar niet aan denken.’
‘Trek je er maar niets van aan allemaal. Misschien moet je denken dat je zelf het water wordt.’
‘En dan met mezelf wegvloeien?’
‘Zou je dat willen dan?’
‘Soms wel. Sommige dagen heb ik zoveel energie nodig om gewoon de dag door te komen. Alles komt dan op me af, allemaal tegelijk. En dan zou ik willen zeggen: stop allemaal, vandaag niet. Maar dat gaat natuurlijk niet.’
‘Het zou soms goed zijn als het wel ging. Zodat je jezelf even kunt terugtrekken. Al mag je niet te veel toegeven aan je verlangen om alleen te zijn op zo’n moment denk ik.’
‘Dat is waar. Het is op een bepaalde manier verleidelijk om alleen te zijn als je verdrietig bent. En het is soms ook wel goed, maar niet altijd.’
‘Heb je soms ook niet het gevoel dat je gewoon even alles uit handen zou willen geven. Niet dat je het op zou willen geven, maar wel gewoon even van jezelf verlost of zo. Even alles naast jezelf neerleggen. Zoals je een zware doorweekte mantel aflegt.’
‘Ja, dat gevoel ken ik goed. Maar als je die mantel neerlegt, ben je zo kwetsbaar, zo naakt. Ook dat is niet gemakkelijk.’
‘Dat is zo. Maar nu is het gewoon warm en veilig.’
‘Het is raar soms. Je bent bezig, zoveel mogelijk. Soms gaan de dingen goed, en lijkt het alsof je de dingen aan kunt, alsof je voor de wereld gemaakt bent. En soms gaat het niet, en dan is het alsof door een scheur in je huid iets van het kleine kind zichtbaar wordt. Alles wat je vroeger dacht of wilde als kind, zoals iemand die je koestert en zegt dat alles goed zal komen, dat de storm aan je huis voorbij zal gaan, dat blijkt er dan nog allemaal ergens te zijn.’
‘Zou dat niet normaal zijn? Zouden we dat niet allemaal willen af en toe? Soms denk ik wel eens dat veel van die mensen die zo geweldig geslaagd zijn in het leven in wezen gewoon andere mechanismen gebruiken om diezelfde verlangens te voeden.’
‘Dat zou best kunnen.’
‘Wat denk je nu?’
‘Niet veel eigenlijk. Het is alsof dit voor eeuwig mag doorgaan. Nu is het toch zo, voor zo lang dit duurt. Ik wil even niet aan iets anders denken. Niet aan morgen, niet aan overmorgen.’
‘Straks zul je wel goed slapen, denk ik. Gewoon jezelf overgeven aan de nacht, er kan je niets gebeuren nu.’
‘Ja, zo voelt het wel.’
‘Is het water nog warm genoeg?’
‘Ja hoor, het is perfect zo.’
‘Het zou mooi zijn als je zo simpel als dit bij een ander zijn of haar pijn zou kunnen wegnemen.’
‘Zou je dat willen dan?’
‘Soms wel. Soms zou ik het willen kunnen, bij mensen die me dierbaar zijn, om iets van hun verdriet of pijn gewoon weg te nemen. Het voorzichtig vanonder hun huid vandaan halen, het nog even in je handen bekijken, en het dan wegleggen. Ergens aan de rand van de weg of zo. Voorzichtig, maar ver genoeg.’
‘Het klinkt mooi, als je dat zo zegt. Misschien doe je het soms al wel.’
‘Ik weet het niet, ik denk het niet eigenlijk. Soms vind ik het moeilijk dat je alleen een beetje kunt verzachten, een beetje kunt troosten.’
‘Misschien is dat wel genoeg. Soms hebben we allemaal wel het verlangen dat een ander alles zal zijn, het ontbrekende stuk van jezelf, waardoor je weer heel zou kunnen worden. Maar zo is het natuurlijk niet. En het is ook geen eerlijke verwachting. Misschien mag je wel helemaal niets verwachten, waardoor je intenser kunt genieten van elk moment dat je gewoon samen bent. Ik zeg het nu allemaal wel erg wijs en zo, maar zelf ben ik er nog lang niet aan toe, denk ik soms.’
‘Dat geeft toch niet, vanavond alleszins niet. Ik herinner me hoe ik vroeger soms panisch kon zijn als het nacht werd. Doodsbang was ik om te slapen, en tegelijk wilde ik niets liever. Misschien wilde ik gewoon dat er iemand in de buurt was.’
‘Die je zou beschermen tegen alle monsters?’
‘Ja, natuurlijk. Heb jij dat nooit gehad?’
‘Ja hoor, wat dacht je?’
‘Het zal bij iedereen wel zo zijn. In elk geval, het slapen heb ik ondertussen wel geleerd. Maar soms herinner ik me die angst nog. Dan herinner ik me weer hoe het was, en wat het met me deed.’
‘En nu ben jij diegene geworden die een ander gerust kan stellen. Dat is toch mooi, of niet soms?’
‘Ja, misschien wel.’
‘Laat het maar gewoon toe, ik vind het alleszins geweldig.’
‘Dan is het goed. Maar ik denk dat het water nu toch een beetje koud begint te worden.’

28 oktober 2010

De dozen

Je schuift met de dozen. Telkens een beetje plaats maken om weer iets uit te laden of af te werken. Hoe je leven in dozen kan zitten. Soms ga je even zitten om te kijken. Weggaan om beter verder te kunnen gaan, dat was het misschien wel. Alle dozen zullen leeg gemaakt worden. Misschien zal het nog even duren. De dingen moeten hun plaats vinden. Ze moeten je verder beschermen, in de tijd die komt, dus moeten ze hun goede plek vinden. Zodat ze je kunnen omringen met net genoeg herinneringen. Wat te veel is, mag dit keer weg.

Hoe je opzag soms, tegen elke stap. En hoe je tegelijk verlangt naar het achterlaten van ballast. En hoe je voelt dat dat dichterbij komt.

De mevrouw in de winkel zegt dat je een zwarte streep op je hoofd hebt. Dat zou kunnen zeg je. Je komt net uit een vieze en donkere kelder, die ook leeg gemaakt moest worden. Die kelder leek de zwaarste dobber. En toch is het ook grotendeels gelukt. Je denkt aan het geluid van de grote machine op het containerpark, die de grote brokken in elkaar perst. Je wilde dat ze weg waren, ze zijn weg.

Een andere mevrouw, in een andere winkel, bijna een week geleden. Je moet ook nog even een nieuwe fluitketel kopen, de oude komt niet meer in aanmerking voor verder gebruik in het nieuwe huis. Je bent zo moe dat je niet op het woord komt. Zo’n ding om water te koken, probeer je. De waterkokers staan daar meneer. Nee, geen waterkoker, maar zo’n ding om water op te gieten in een koffiefilter. Aha, een fluitketel, meneer. Inderdaad, een fluitketel. Nee, die hebben we hier niet.

Het is goed om geduwd te worden. Het is goed dat er mensen zijn die je telkens over een drempel duwen. Je zou het misschien vroeger nooit toegestaan hebben. Nu geniet je ervan. Het ontroert je, steeds weer.

De twee mannen brengen de wasmachine binnen. Het is een mooie machine, denk je nog even. Je durft er nog niet goed aan komen. Misschien toch nog maar een dagje wachten. Het zou te veel worden. Je weet trouwens niet meer in welke doos de wasknijpers nu zitten. Eerst moet je die vinden, eer er gewassen mag worden. Kwestie van jezelf toch voldoende kort te houden…

Misschien is het de vermoeidheid. Ineens overvalt het je. Je ziet dat iets niet werkt zoals het zou moeten. Even is er totale paniek. De dingen moeten wel allemaal werken, alles moet normaal zijn of worden. De meest voor de hand liggende oplossing zou zijn dat er een kabeltje niet is bevestigd. Maar daar ga je even niet van uit. Tot je ziet dat het kabeltje inderdaad niet is aangesloten. Daarna werkt alles weer normaal. En eindelijk kan je rustig gaan slapen.

Je kijkt uit naar gewoon werken. Ook wel naar gewoon niets. Maar ook naar gewoon werken. Gewoon aan je tafel zitten, en woorden maken. Alles netjes afwerken. Een hele tekst, tot het einde. Alle berichten die nog moeten beantwoord worden. De taken die op je wachten. Gewoon doen, terwijl alles om je heen netjes opgeruimd is. Het zal ooit wel lukken.

De restdozen, dat zullen de moeilijkste zijn. De spulletjes die overal rondslingeren, en die je eigenlijk toch zo vaak nodig hebt. Op welke plaats zul je de nagelknipper leggen? En waar de kaarten van het cultuurabonnement? Waar de batterijlader? Het zal zich uitwijzen.

Je beseft dat je al weken leeft in: altijd doordoen. Misschien is de grote volle leegte die je zal overvallen als alle dozen leeg zijn en alles een plek heeft gevonden ook wel aantrekkelijk. Ze mag langzaam dichterbij komen, en zich klaarmaken. Even nog, maar toch niet meer zo heel lang.

24 oktober 2010

De eerste ochtend


Nog een beetje sufjes, nog een beetje stram, nog een beetje zwaar onder de indruk. Tussen de dozen een klein plekje maken om even naar de woorden te gaan. Voor er weer een dag van schuiven, uitladen, herschikken, selecteren, en nog meer begint. De woorden zijn ook een thuis.

Wonderlijk, te zien hoe hopen spullen uit het oude huis verdwenen en hoe ze langzaam maar zeker weer hun weg zochten in het nieuwe huis. Wonderlijk hoe het zelfs normaal leek.

Verlegen en ontroerd, meer dan te zeggen valt. Al die mensen zien, de dag zelf, en daarvoor en daarna, die het allemaal deden. Pas de eerste ochtend komen de tranen. Aan het raam met de gele muur. Hoe verbonden en gedragen je je voelt. Je steeds even afvragen of het allemaal wel echt is. En het is echt. Tegen jezelf zeggen dat je dat niet in vraag mag stellen. Hoe verward gelukkig je kunt zijn.

De eerste avond, iedereen is net weg. Voor het eerst het warme water voelen, en hoe het je lichaam tot hier brengt. Daarna voor het eerst even gaan liggen, op de rode bank. Ze lijkt nog zachter te zijn geworden dan daarvoor. Je kijkt even rond. Buiten is het donker, alleen de toren is te zien. Hij staat daar rustig en soeverein deze plek te bewaken. Het is goed, lijkt hij te zeggen. Je probeert je te concentreren op het scherm, op het verhaal dat zich daar afspeelt. Je merkt hoe je lichaam nog in het ritme van de voorbije weken zit. Het zal nog even duren eer het weer vertraagt, eer het weer helemaal open is voor de stilte van enkel maar een adem. Het is niet zo erg.

Het huis is nog helemaal doorkijk. Vanuit je bed kijk je naar wat de voortuin zal worden. Zo bijna buiten en toch zo binnen.

Je staat nog even op om in het donker door alle kamers te lopen. Helemaal donker is het niet. Er is nog licht buiten, van de toren. Hij is er nog steeds.

Wat zou in welke doos zitten? Je weet het ongeveer. Er is al heel veel weg. Er is al veel geselecteerd om niet te mee te gaan, dat is al weg. Bij het uitpakken zal er nog veel weg gaan. Het is niet gemakkelijk, maar het is nu het moment. Hoe het helpt als anderen zeggen: zou je dit ook niet wegdoen? Je had het al ettelijke keren daarvoor zelf gezegd, maar blijkbaar is er een limiet aan doe maar weg, per keer dan.

Lichte schaamte, daar had je het meest schrik van. Hoe bij het weggaan uit het oude huis je ware aard zou onthuld worden. Je niet in staat zijn het grote huis bij elkaar te houden. Je algehele falen. Of zoiets. Je had er nachten van wakker gelegen. Maar de tijd ging gewoon door. Het was maar in beperkte mate nog te redden. Of zoiets. Hoe lief iedereen geweest is. Niet meer dan een beetje plagen was het. Eeuwige dankbaarheid. Of zoiets.

Je wilde zo graag dat deze nieuwe plek ook een soort breuk zou zijn. Voor echte breuken ben je niet gemaakt. Het gaat altijd langs wegen van geleidelijkheid, waarschijnlijk. Lang wachten om dan stappen te zetten, maar dan ineens wel. Je wilde dat het zou voelen als helemaal anders. En je denkt dat het zal lukken.

Het is bijna tijd om weer te beginnen. De verleiding is groot om bij de woorden te blijven. Een beetje sufjes en stram voor je uit kijken. Naar de lucht die zo mooi is. Naar de boomkruinen die je nog net kunt zien. Ze zijn aangeraakt door de herfst. Het is goed om hier te zijn, voor de winter komt.

17 oktober 2010

Girl From The North Country


Verhuizen is een proces. Die indruk wordt sterker met de dag. Een organisch proces waarschijnlijk. Even beweeglijk en uiteindelijk zichzelf vindend als de leemverf op de muren. Eerst denk je nog dat het niet zal lukken, dat het niet dekt, dat het niet de kleur is die je zocht, dat alles anders had moeten zijn. Maar als je wacht, en het proces gewoon zijn gang laat gaan, komt alles nog mooi in orde. Beter zelfs dan je vooraf dacht, zo lijkt het wel. De kleuren hebben hun tijd nodig. Je ziet hoe ze zichzelf vinden, langzaam maar zeker. Uiteindelijk leggen ze zich neer, als in een teder gebaar.

Gewoon de stroom van de dingen volgen, soms moet je dat doen. Je had alles perfect willen voorbereiden. Maar elke vorm van perfectie is al lang aan je deur voorbij gegaan. Alles komt uiteindelijk ook in orde. Niet zo georganiseerd als je hoopte, maar alles valt wel in de plooi. Eigenlijk zelfs beter dan je had gevreesd. Het overweldigt je soms. Meer dan je zou kunnen zeggen. Dat is voor later.

Heen en weer rijdend tussen twee huizen. Het is nog erg vroeg, diezelfde dag. De stad wordt voorzichtig wakker. Sommigen zijn nog niet gaan slapen en slenteren over de straat, duidelijk veel te licht gekleed voor deze koude ochtend. Grote potten verf in je fietstassen. Breed fietsen, zo voelt het. Lijstjes in je hoofd. Wat moet er nog gebeuren de volgende dagen? Wat moet wanneer met wie? Telkens opnieuw worden ze overlopen en in de juiste volgorde gezet. Je voelt hoe je langzaam moe begint te worden. Een zoveelste ochtend heel vroeg opstaan. Het zal ooit anders zijn, binnen enkele dagen, zo dicht komt het nu al.

Wat mis je tijdens het heen en weer rijden? Verlangen, naar muziek. Je hebt nog net die nieuwe plaat met oude muziek kunnen kopen, tussen alle andere boodschappen in. En ze ligt daar thuis op je te wachten. Je zou de tijd willen hebben om alleen maar te luisteren. Elk nummer rustig tot je laten komen. De muziek laten binnensijpelen in je huid. Als een traag proces. Kijken hoe de muziek zich in je neerlegt. En zich mengt met de kleuren die daar onder je huid bewegen. Je zou willen dat je hoofd leeg was nu, je lichaam vrij en open, om alleen maar de muziek toe te laten. Maar het is niet zo. Het zal later wel weer terugkomen. Misschien is dan de kans gemist om traag door te dringen. Het is niet anders.

Later, na een lange dag, even tijd om te gaan zitten en te schrijven. De muziek is er wel nu. Je lichaam is er nog niet helemaal, maar dat geeft nu even niet. De nummers omcirkelen je langzaam. Je hebt ze nodig om thuis te komen, daar waar je zou willen zijn. Die muziek van toen, van net voor je er zelf was in dit geval, ze is ondertussen zo verweven met alles wat je bent geworden. Naarmate de plaat verder gaat, en het ene op het andere nummer volgt, is het alsof je anders gaat ademen. Je lichaam is er nog niet aan toe om zich soepel en teder neer te leggen, maar ergens is er iets dat al wel een ander ritme heeft gevonden.

Elke stap in het verhuizen brengt je in contact met zoveel momenten die er ooit aan voorafgegaan zijn. Zoveel herinneringen, en de dingen die ermee verbonden zijn. Je moet ze allemaal aanraken, om een voor een te kunnen voelen wat je mee zult nemen en wat je achter zult laten. Je moet elke stap zetten. Eerst was je nog overweldigd dat het er zoveel waren. Je wilde zo vaak zo graag heel ver weg lopen. En langzaam voel je hoe het je helpt om zelf in een ander ritme te komen.

Zoveel herinneringen. Je hoort de Girl From The North Country en ziet ineens weer alle beelden die ooit met dat nummer verbonden waren. Wat het voor je betekende. Waarom je het steeds weer wilde opzetten. Alle brieven die je schreef met dat nummer ergens in je achterhoofd. Misschien moet je het doen, zodra het nieuwe huis af genoeg is. De oude plaat uit de hoes halen, en de naald zachtjes in de groef laten zakken. Horen hoe de naald rustig zijn weg zoekt, waarna het nummer zijn plek inneemt. Misschien zal je lichaam tegen dan rustig genoeg geworden zijn voor een late traan. Het is allemaal goed.

16 oktober 2010

Een trage landing

‘Wat is er?’
‘Ik ben blij je zo nog eens te kunnen zien, dat doet goed.’
‘Ja? Meen je dat?’
‘Ja, natuurlijk, wat dacht je?’
‘Dat is mooi. Ik had het misschien niet verwacht, om jou dat te horen zeggen.’
‘Dat zou kunnen, maar nu is het anders, dus ben ik misschien ook wel anders. Laat het maar gewoon zijn.’
‘Op een of andere manier past het goed bij vandaag. Alles valt heel langzaam in de plooi.’
‘Ja, dat is waar. Ik zie het aan je, zo heb ik je lang niet meer gezien. Het is goed voor jou.’
‘Sommige mensen doen er lang over om thuis te komen. Ik ben zo iemand, denk ik. Soms hebben de dingen hun tijd nodig. Je zou je kunnen afvragen of de dingen niet anders hadden kunnen lopen, sneller, of gewoon anders. Maar ik weet niet of het anders had kunnen gaan, als ik er nu op terugkijk.’
‘Je stelt te veel vragen, dat heb je altijd gedaan. Het helpt niet. De tijd was nu, denk ik.’
‘Ja, misschien wel.’
‘Waar denk je aan?’
‘Als ik deze plek hier zie, dan zie ik hoe het geworden is. Eigenlijk wil ik niet dat alles hier van mij komt. Overal zie ik verhalen van anderen. Ik kan ze aanraken, ze hebben hun weg hier gezocht, en hebben zich verankerd in de muren. En zo is het goed.’
‘Zo heb je het altijd al gedaan, er is niets nieuws, denk ik.’
‘Waarschijnlijk wel. Soms is het raar om jezelf te observeren, en naar jezelf te kijken, als stond je op een afstandje. Dan zie je dingen die je zelf niet altijd merkt.’
‘Dat ken ik. Vaak wil ik dat liever niet doen. Er is te veel dat ik niet wil zien, denk ik.’
‘Je bent te streng voor jezelf, dat ben je altijd geweest. Het is niet nodig.’
‘Ik weet dat je dat denkt, maar ik kan het niet zomaar veranderen.’
‘Misschien is het ook voor jou tijd om thuis te komen.’
‘Ik denk dat ik dat nu een beetje aan het doen ben. Ik kan het niet zo goed uitleggen, en eigenlijk wil ik er ook niet over nadenken. Als ik niet denk, gaat het misschien wel vanzelf.’
‘Zou dat zo zijn? Laat me eens goed kijken.’
‘Wat zie je?’
‘Dat je ogen mooi blinken.’
‘Ja, dat zal wel.’
‘Nee, het is zo. Maar alleen ik kan het zien.’
‘Goed zo. Het valt me nu ineens op hoe stil het hier is. Je hoort alleen de bomen buiten.’
‘Ja, het is erg stil hier. Soms wil ik even weg, dan wil ik beweging, en lawaai. Heel even maar, en dan kom ik weer terug.’
‘Misschien zou het voor mij te stil zijn om hier altijd te zijn. Maar het idee dat ik hier naartoe kan komen bevalt me wel heel erg.’
‘Je kunt misschien nog eens komen, zoals je ooit deed, en dan vragen om helemaal niets te zeggen, zoals we ooit deden. Een hele avond lang. Ik herinner me het nog.’
‘Ja? Heb ik dat ooit gedaan?’
‘Ja hoor. En het was een heel mooie avond.’
‘Raar, hoe ik zo’n dingen vergeet. Ik heb vaak de indruk dat jij alles veel beter kunt onthouden. Je wilt ook meer onthouden, denk ik. Je kijkt op zo’n manier naar de dingen dat je ze zult kunnen onthouden. Is dat niet zo?’
‘Misschien wel.’
‘Herinner je je dit nog?’
‘O ja, wees maar gerust.’
‘Dan is het goed.’

14 oktober 2010

Binnen in de spiegel


Je loopt en zit tussen de andere mensen op het congres. Een beetje achteraan. Rustig toekijkend naar het gebeuren. En je denkt aan hoe je straks ook weer weg zal gaan, terwijl zowat alle anderen zullen blijven. Een wereld daarbuiten voor jou alleen.

Je zit op het perron te wachten op de trein die zal komen. Er is een glazen wand midden op het perron. Je kijkt door het glas naar het aankondigingbord van het andere spoor. En ineens zie je het. Door het glas worden op dat bord ook de letters weerspiegeld van het bord van het spoor waar jij nu zit. Het is alsof de twee woorden netjes in elkaar doorlopen. Brussel zie je, en het loopt door in Oostende, dat wel in spiegelbeeld staat. En even is het alsof je binnen in een spiegel zit.

Je bent opgestapt, en wacht op het vertrek. Je kijkt uit naar verdwijnen, in het ritme van de trein, in het wegglijdende landschap. Nu nog in het licht, straks in het donker.

Je vouwt de krant langzaam open. De boekenbijlage wacht op helemaal gelezen worden. Je zult traag lezen, tot er alleen nog die woorden zijn.

De trein staat nog steeds stil. Even sluit je je ogen een klein beetje, niet helemaal. Een droom van gisteren schuift voor je ogen. Je zou er zo in kunnen stappen en hem verder sturen.

De trein vertrekt. Even zie je iets wat je je nu zou kunnen voorstellen. Al is het er niet.

Pas na een tijdje zie je het. Het landschap is er nog, daarbuiten, er is nog licht, al is het aarzelend. De wagon weerspiegelt zichzelf. Het is alsof er een wagon naast je rijdt. Je kunt er binnen kijken. Net tegen het raam, aan de andere kant, is er iemand die verdacht veel op jezelf lijkt. En doorheen jezelf kun je ook nog het landschap zien. Je ziet zo, in die wagon naast je wie in deze wagon voor je zit. Dat zal dus waarschijnlijk het spiegelbeeld van het spiegelbeeld zijn. En in dat raam zie je hoe de wagon nog zoveel keer opnieuw wordt gespiegeld.

Je hebt de houding gevonden die tot verdwijnen kan leiden. De trilling doet de rest. Hoe zalig is dit.

In dit verdwijnend bewegende spiegelpaleis zou je heel even eeuwig willen blijven. Misschien zouden de dromen dan ook terugkomen, met alle tijd die nodig is, alles kan dan gebeuren.

Ondertussen is het donker geworden. De spiegelwagon is er nog steeds, maar er is niets meer achter, geen landschap dat zich bijna laat aanraken. Je kunt het alleen vermoeden.

De trein rijdt het station binnen. Je stapt uit. Het is even donker als het vanmorgen heel vroeg was toen je vertrok. Je kijkt nog even van buiten de trein in. En in het raam zie je jezelf de trap op het perron af gaan. Alsof je ook in de trein bent, en daar naar beneden gaat. Je bent dus nog steeds binnen, en je was dus ook buiten, de hele tijd.

Je loopt door de straat, op weg naar huis. De straatlichten voegen jezelf steeds opnieuw aan jezelf toe. Terwijl je loopt zie je je schaduw links van jezelf opdoemen, en steeds verder voor je uitlopen. Om weer te verdwijnen. Een andere schaduw van jezelf komt later onder je uit gekropen. Nog een andere loopt daarna rechts van jou. En heel even zijn er twee. Met hoeveel ben je eigenlijk vandaag?

In het huis kom je ook jezelf tegen. Al doe je je best om elke spiegel te ontwijken.