Zoals de dagen gaan, het andere leven is weer begonnen.
Lijstjes voor wat je te doen staat, in de tijd die komt. En basisvoorzieningen. Zoals grote pakken koffie, en chocolade. Zo blijft de publieke dienst overeind, in barre tijden. Of zoiets.
Je lichaam heeft iets geleerd van de zee, en dat is goed.
(Een lichte rusteloosheid voor een clubje.)
Even naar huis, om snel daarna weer te vertrekken. En het verschil dat dat maakt. Het verbaast je telkens weer. Even thuis zijn, als de dag lang duurt. En daarna een hele wagon voor jou alleen, zo lijkt het wel.
Weer een boek uit. (De zomer was goed.)
Twee mannen van een eerbiedwaardige instelling komen je interviewen. Je zoekt de juiste woorden. Je spreidt die netjes voor je uit. De mannen vinden het allemaal wel goed precies.
Je bent getuige van een innerlijke dialoog. Iets over varianten van bezorgd zijn.
Sommige discussies in belangwekkende organen gaan over ernstige dingen. Zoals over het verschil tussen een fancy, een hippe of een heftige projectfiche. (Soms ben je ook ernstig, beweren sommigen.)
(Iets willen doen met een lichte rusteloosheid.)
De dingen van dit andere leven komen in je terug, in een ritme.
Ingewikkelde dromen soms.
Een mooi bericht. Iets over verdriet.
Je denkt nog aan een gesprek van enkele dagen geleden. Wat is dat toch met die mannen die klimaatmeisjes kapot willen maken? Iets in die aard. Net op dat moment komt er een tekst binnenwandelen die het net daarover heeft.
Een fijn gesprek, in een cel. Het is alsof je samen met iemand aan een droom zit te knutselen. Plannen maken. In je hoofd zie je alle stukken. Je begrijpt nooit goed hoe dat werkt, dat zien. Plezier van een jongetje.
De woorden die zich schrijven, ze willen nog iets doen wat de zee je vroeg, denk je. Je kunt alleen volgen.
Je spreidt de papiertjes naast je uit. Je knutselt de stukken tot een tekst in elkaar.
Iemand die je erg dierbaar is, laat je weten dat er binnenkort een speciaal moment aan zit te komen. Je bent toch een heel klein beetje zenuwachtig, eigenlijk.
(De rusteloosheid kantelt naar diepe teleurstelling en verdriet. Het maakt je een beetje misselijk.)
En daarnaast is er het mooiste moment van de dag. Een gesprek over een gesprek, eerder, over kinderen en zonder kinderen. En hoe mooi en veilig het kan zijn, dat ze allebei rustig naast elkaar kunnen zijn in een gesprek, in een aanwezigheid. Het ontroerde je toen zo hevig. Je voelde een openheid, en zij voelde dat ook. Je bent dankbaar voor haar woorden, een geschenk.
(Misschien ligt het aan de rusteloosheid. Loeiende rugpijn.)
Een voorstelling. Je hebt, denk je, de slechtste rugstoel uit de hele kamer getroffen. Misschien wil de kosmos je iets leren, misschien had je gewoon beter moeten kiezen. De voorstelling verwart je.
Om sommige stukken in de ochtendkranten te lezen wijk je bewust een beetje achteruit, knijp je je ogen een beetje toe. Alsof je ze alleen op een afstand kunt lezen.
Je roept tegen de krant. Nee, mensen moeten niet god spelen. Mens zijn is genoeg. Al is die gedachte blijkbaar te ingewikkeld voor sommige mannen. Of zoiets.
Ook in de krant, kwestie van contrast, praktische suggesties om je te bewegen in het Tindermijnenveld. Werelden die aan je voorbij gaan. Gelukkig.
(Praten. Lichtjes machteloos. Telefoneren. Misschien toch goed dat je iets probeert.)
En je zou ook nog antwoorden. Merkwaardig toch. Mannen die je – enigszins paternalistisch – laten weten dat je toch een beetje te emotioneel bent. Een soort klimaatmeisje, waarschijnlijk. Zij zijn altijd rationeel, wat jij niet bent, vanzelfsprekend. Misschien ben je wel trots dat jij een klimaatmeisje bent. Zullen zij nooit begrijpen, waarschijnlijk.
Je denkt aan twee meisjes die weldra weer naar school gaan, en hoe spannend dat is.
Je kijkt naar de beelden in je hoofd, je lichaam wordt rustiger. Je kunt weer buiten gaan zitten en verder lezen in het boek. Het is een indrukwekkend boek. Het beschrijft iets over tijden die veranderden, zo lang geleden. Het zegt iets over tijden die veranderen, nu.
Je probeert te schrijven, je rug blijft loeien.
31 augustus 2019
29 augustus 2019
Kwetsbaar evenwicht
‘Het was moeilijk om die dingen op te schrijven.’
‘Ja? Het is toch maar heel gewoon eigenlijk, een heel gewoon verlangen.’
‘Is dat zo? Ik denk altijd dat het iets is als te veel vragen. Iets waar ik geen recht op heb, of iets dat te laat komt in de tijd.’
‘Als dingen die je voorbij hebt laten gaan?’
‘Ja. Maar het kan zijn dat je niet op de draaimolen of de voorbij rijdende trein kunt springen omdat je benen nog slapen of zo. En wanneer je dan bijna klaar bent, is iedereen weg. Je kunt er eigenlijk niet zoveel aan doen, maar het resultaat is wel hetzelfde.’
‘Ik denk eigenlijk dat dat niet klopt, wat je zegt. Misschien zijn er wel veel meer mensen die staan te kijken naar de draaimolen dan jij denkt. Misschien zelfs meer dan er op de draaimolen zitten. Maar we beseffen dat niet altijd.’
‘Dus het is niet zo raar wat ik schreef?’
‘Nee, helemaal niet. En trouwens, met het woord raar ben je niet zoveel. Het is gewoon jij, dus het maakt eigenlijk niet uit. Jij bent gewoon je eigen ecosysteem. En alle verhalen die zich in je lichaam genesteld hebben zijn een deel van wie je bent.’
‘Heb jij dan nooit het gevoel dat je hapert, en dat je alleen maar kunt toekijken hoe je hapert?’
‘Ja, natuurlijk wel. Maar is dat zo erg? De vraag is evenzeer of de ander wil kijken en wil zien.’
‘Het was raar, die beelden van de zee die ik probeerde te beschrijven. Het was alsof ik die beelden in mijn lichaam kon laten glijden. Alsof ze daar een nieuwe herinnering konden maken of zo.’
‘Waardoor je dan van die plek uit anders kon voelen?’
‘Ja, inderdaad.’
‘Je bent eigenlijk geweldig, besef je dat wel?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Kieken!’
‘Ja, minstens.’
‘Maar we gaan het dus proberen. En ik heb alle tijd.’
‘Dat zijn woorden die tot lichte kortsluiting leiden.’
‘Laat de woorden maar gewoon zijn, misschien helpt dat wel. Misschien is het er wel gewoon, moest je het gewoon zien.’
‘Zoiets zei de zee ook.’
‘Heb je trouwens het onweer gehoord vorige nacht?’
‘O ja, heftig. De geluiden waren hevig, en het licht soms ook. Het was alsof het ging en kwam, als een soort getijde. De regen ook trouwens. Heel hard, en dan weer zacht. Maar ik voelde me wel veilig.’
‘Ik moest nog aan je denken terwijl het onweer bezig was. Ik wou nog een berichtje sturen, maar dat leek zo onnozel.’
‘Dat zou ik heel bijzonder hebben gevonden.’
‘Weet je nog van vroeger, onze namiddernachtgesprekken?’
‘Natuurlijk. Al die dingen die pas na middernacht konden gezegd worden.’
‘Het was mooi, maar ik durfde dat toen eigenlijk niet toegeven.’
‘Waarom niet?’
‘Dat zou zo kwetsbaar geweest zijn, op dat moment. Iets van blijven. En dan had ik moeten kijken. Het was gemakkelijker om dat niet te doen.’
‘Had je zoveel te verliezen dan?’
‘Ja natuurlijk. Dat dacht ik toch toen. Jij was altijd beter in missen.’
‘Beter niet denk ik, beter geoefend misschien.’
‘Weet je dat ik vaak naar je opkeek, hoe je je liet zien. Voor wie wilde kijken.’
‘Nee, dat wist ik niet toen. Het paste niet in mijn lichaam denk ik.’
‘Die denk ik die er altijd achteraan komt, die is wel grappig.’
‘Ik denk nu ineens aan dat heel mooie liedje van Joe Henry. God Only Knows. Ik laat het je nog wel eens horen.’
‘Ik zoek het ook wel op.’
‘Het is zo droevig en troostend tegelijk, op een of andere manier. Over waar we tekortschieten, en waar iets of iemand toch weet dat we proberen elkaar te bereiken.’
‘Je ogen zijn mooi als je over muziek praat.’
‘Ze zijn er voor jou.’
‘Ja? Het is toch maar heel gewoon eigenlijk, een heel gewoon verlangen.’
‘Is dat zo? Ik denk altijd dat het iets is als te veel vragen. Iets waar ik geen recht op heb, of iets dat te laat komt in de tijd.’
‘Als dingen die je voorbij hebt laten gaan?’
‘Ja. Maar het kan zijn dat je niet op de draaimolen of de voorbij rijdende trein kunt springen omdat je benen nog slapen of zo. En wanneer je dan bijna klaar bent, is iedereen weg. Je kunt er eigenlijk niet zoveel aan doen, maar het resultaat is wel hetzelfde.’
‘Ik denk eigenlijk dat dat niet klopt, wat je zegt. Misschien zijn er wel veel meer mensen die staan te kijken naar de draaimolen dan jij denkt. Misschien zelfs meer dan er op de draaimolen zitten. Maar we beseffen dat niet altijd.’
‘Dus het is niet zo raar wat ik schreef?’
‘Nee, helemaal niet. En trouwens, met het woord raar ben je niet zoveel. Het is gewoon jij, dus het maakt eigenlijk niet uit. Jij bent gewoon je eigen ecosysteem. En alle verhalen die zich in je lichaam genesteld hebben zijn een deel van wie je bent.’
‘Heb jij dan nooit het gevoel dat je hapert, en dat je alleen maar kunt toekijken hoe je hapert?’
‘Ja, natuurlijk wel. Maar is dat zo erg? De vraag is evenzeer of de ander wil kijken en wil zien.’
‘Het was raar, die beelden van de zee die ik probeerde te beschrijven. Het was alsof ik die beelden in mijn lichaam kon laten glijden. Alsof ze daar een nieuwe herinnering konden maken of zo.’
‘Waardoor je dan van die plek uit anders kon voelen?’
‘Ja, inderdaad.’
‘Je bent eigenlijk geweldig, besef je dat wel?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Kieken!’
‘Ja, minstens.’
‘Maar we gaan het dus proberen. En ik heb alle tijd.’
‘Dat zijn woorden die tot lichte kortsluiting leiden.’
‘Laat de woorden maar gewoon zijn, misschien helpt dat wel. Misschien is het er wel gewoon, moest je het gewoon zien.’
‘Zoiets zei de zee ook.’
‘Heb je trouwens het onweer gehoord vorige nacht?’
‘O ja, heftig. De geluiden waren hevig, en het licht soms ook. Het was alsof het ging en kwam, als een soort getijde. De regen ook trouwens. Heel hard, en dan weer zacht. Maar ik voelde me wel veilig.’
‘Ik moest nog aan je denken terwijl het onweer bezig was. Ik wou nog een berichtje sturen, maar dat leek zo onnozel.’
‘Dat zou ik heel bijzonder hebben gevonden.’
‘Weet je nog van vroeger, onze namiddernachtgesprekken?’
‘Natuurlijk. Al die dingen die pas na middernacht konden gezegd worden.’
‘Het was mooi, maar ik durfde dat toen eigenlijk niet toegeven.’
‘Waarom niet?’
‘Dat zou zo kwetsbaar geweest zijn, op dat moment. Iets van blijven. En dan had ik moeten kijken. Het was gemakkelijker om dat niet te doen.’
‘Had je zoveel te verliezen dan?’
‘Ja natuurlijk. Dat dacht ik toch toen. Jij was altijd beter in missen.’
‘Beter niet denk ik, beter geoefend misschien.’
‘Weet je dat ik vaak naar je opkeek, hoe je je liet zien. Voor wie wilde kijken.’
‘Nee, dat wist ik niet toen. Het paste niet in mijn lichaam denk ik.’
‘Die denk ik die er altijd achteraan komt, die is wel grappig.’
‘Ik denk nu ineens aan dat heel mooie liedje van Joe Henry. God Only Knows. Ik laat het je nog wel eens horen.’
‘Ik zoek het ook wel op.’
‘Het is zo droevig en troostend tegelijk, op een of andere manier. Over waar we tekortschieten, en waar iets of iemand toch weet dat we proberen elkaar te bereiken.’
‘Je ogen zijn mooi als je over muziek praat.’
‘Ze zijn er voor jou.’
25 augustus 2019
En de zee fluisterde zacht
Je laat het huis achter je, om naar de zee te gaan. (Je hebt nog iets gezegd aan de planten.)
Een reis naar het uiteinde van het land, daar waar je ook zelf bent, in haar.
Het ritme van de trein. Het is stil. Jij en de boeken.
De tram is onderweg. Soms is er zoveel lelijkheid. En waarnaar je verlangt, is alleen maar de zee. Soms laat ze zich zien, tussen de gebouwen, en het is alsof je anders kunt ademen.
Je legt het gewicht van de reis van je af. Je bent er. (Er is een mysterieus woord.)
Gesprek met de zee. Soms moet je lang wachten, soms lijkt de zee lang te zwijgen. Misschien is ze een beetje nukkig. Dit keer niet. Het is alsof ze je open ontvangt, met zachte ogen. Ze is blij dat je er bent, ze wist dat je zou komen, ze was ginder ook. (Ginder is een mysterieus woord.) Het gesprek dat naar je toe komt heeft iets met huid te maken.
De geluiden van de nacht. Slapen in etappes.
Een stille en nog vroege morgen, denk je. Er is nog een kleine deuk in je hoofd, of zoiets. De zee kan je uitdeuken.
Een lange rij met mannen die aanschuiven in de kleine krantenwinkel.
De zee wacht op je.
Gewoon even luisteren naar de zee, dat was het plan. Maar het lukt niet.
Lawaai. Er is iets als een processie door de lucht op weg, van de geul over de waterrand, boven je hoofd. Iets als vliegende parachutes. (Er zal wel een woord voor zijn. Geen mysterieus woord.) En je schrikt ervan, hoeveel pijn het doet. Alsof er een rij grasmachines boven je hoofd vliegt, in een trage optocht. Het verwart je. (Hoewel je op de rand staat, die nooit een rand is, lijkt de zee ineens zo ver weg.)
Een mooie film over bomen. Over hoe ze leven, als een familie. Met moederbomen en kindjesbomen. Hoe ze elkaar voeden, in leven houden, waarschuwen voor gevaar. Het is zo mooi, en het maakt je zo verdrietig.
Een boeiend gesprek over cultuur. Het is alsof je de kramp uit startnota’s als een kramp in je lichaam kunt voelen. Hoe kan een cultuurbeleid eruit zien dat niet als doel heeft de natie te dienen? Het antwoord doet je lichaam weer openen. Het lied brengt je bij de zee in je.
De zee lijkt licht, helder, zacht, teder. Hoe je aanraakbaar zou kunnen zijn. Hoe het voelbaar zou zijn, zonder bevriezen. Ze laat het zien, in hoe ze naar je toe komt. (Dit is dus het verhaal, blijkbaar. Je kiest het niet, zij doet dat.) Je kijkt, gaat niet weg.
Een mooi gesprek over kinderen, het maakt je een beetje verlegen. En zou je ook een platensalon kunnen maken? Met verhalen over platen? Platen die je leven veranderden.
En hoe het zou zijn voorbij de aanraakgrens. Ze laat het je zien. Kijk maar, zegt ze, je bent het zelf. Het is twee dingen tegelijk, denk je. Het verwart je, en het laat je anders ademen, alsof je er zou zijn. Alsof daar ook hier zou kunnen zijn. Kijk maar. Je sluit je ogen niet.
Terwijl je daar zit op de bank, gaat de zon onder. Het verdwijnen is tegelijk een feest van het licht, van de kleuren. Alsof de zee je wil zeggen dat het veilig is hier.
En zodra de zon echt is verdwenen, haar laatste streepje achterlatend, is het alsof de golven ineens luider klinken. Ze zijn als huid. Je zoekt je houding op de bank. (Voe.) Je adem zakt. Je ruikt veel meer.
Terwijl je terugloopt, denk je aan iemand met wie je hier ooit was. Je merkt ineens dat je hetzelfde truitje aan hebt als toen.
Het vuurwerk maakt zoveel lawaai…
De nacht is anders.
Een vroege morgen. Het is stil aan de rand van het water. Het wateroppervlak lijkt bijna in zichzelf te verdwijnen. De horizon heeft zichzelf opgelost.
Ze lijkt zo rustig in zichzelf, zo soeverein. Ze komt ook even naar je toe, niet om je aan te raken, niet om je iets te laten zien. Ze is open voor jou, zoiets. Ik ben er, zegt ze. Hier en daar, daar en hier. Terwijl je nooit kunt weten waar het land ophoudt en de zee begint. Straks mag je vertrekken, zegt ze.
Hoe gelukkig kun je zijn, denk je, terwijl het warme gesprek over de boeken je omhult. Je valt samen met je stem, besef je. Sporen in het landschap, verhalen net onder het oppervlak van de stad, fossielen, de stappen van kindjes in het zand duizenden jaren geleden, rouwen om een liefde, rouwen om een landschap dat verdwijnt, de hemel aanraken, de zee die neemt en geeft. En dat je dat zomaar mag doen.
Een lange reis terug, met mooie gesprekken (en veel lelijkheid aan de andere kant van het raam).
Het is goed om weer thuis te zijn.
De dingen weer op hun plaats leggen, het huis bedanken voor het wachten.
Terwijl je de foto’s schikt, terwijl je de woorden schikt, begrijp je wat de zee je wou zeggen.
En de dag afronden met de planten, ze wachten op je.
Een reis naar het uiteinde van het land, daar waar je ook zelf bent, in haar.
Het ritme van de trein. Het is stil. Jij en de boeken.
De tram is onderweg. Soms is er zoveel lelijkheid. En waarnaar je verlangt, is alleen maar de zee. Soms laat ze zich zien, tussen de gebouwen, en het is alsof je anders kunt ademen.
Je legt het gewicht van de reis van je af. Je bent er. (Er is een mysterieus woord.)
Gesprek met de zee. Soms moet je lang wachten, soms lijkt de zee lang te zwijgen. Misschien is ze een beetje nukkig. Dit keer niet. Het is alsof ze je open ontvangt, met zachte ogen. Ze is blij dat je er bent, ze wist dat je zou komen, ze was ginder ook. (Ginder is een mysterieus woord.) Het gesprek dat naar je toe komt heeft iets met huid te maken.
De geluiden van de nacht. Slapen in etappes.
Een stille en nog vroege morgen, denk je. Er is nog een kleine deuk in je hoofd, of zoiets. De zee kan je uitdeuken.
Een lange rij met mannen die aanschuiven in de kleine krantenwinkel.
De zee wacht op je.
Gewoon even luisteren naar de zee, dat was het plan. Maar het lukt niet.
Lawaai. Er is iets als een processie door de lucht op weg, van de geul over de waterrand, boven je hoofd. Iets als vliegende parachutes. (Er zal wel een woord voor zijn. Geen mysterieus woord.) En je schrikt ervan, hoeveel pijn het doet. Alsof er een rij grasmachines boven je hoofd vliegt, in een trage optocht. Het verwart je. (Hoewel je op de rand staat, die nooit een rand is, lijkt de zee ineens zo ver weg.)
Een mooie film over bomen. Over hoe ze leven, als een familie. Met moederbomen en kindjesbomen. Hoe ze elkaar voeden, in leven houden, waarschuwen voor gevaar. Het is zo mooi, en het maakt je zo verdrietig.
Een boeiend gesprek over cultuur. Het is alsof je de kramp uit startnota’s als een kramp in je lichaam kunt voelen. Hoe kan een cultuurbeleid eruit zien dat niet als doel heeft de natie te dienen? Het antwoord doet je lichaam weer openen. Het lied brengt je bij de zee in je.
De zee lijkt licht, helder, zacht, teder. Hoe je aanraakbaar zou kunnen zijn. Hoe het voelbaar zou zijn, zonder bevriezen. Ze laat het zien, in hoe ze naar je toe komt. (Dit is dus het verhaal, blijkbaar. Je kiest het niet, zij doet dat.) Je kijkt, gaat niet weg.
Een mooi gesprek over kinderen, het maakt je een beetje verlegen. En zou je ook een platensalon kunnen maken? Met verhalen over platen? Platen die je leven veranderden.
En hoe het zou zijn voorbij de aanraakgrens. Ze laat het je zien. Kijk maar, zegt ze, je bent het zelf. Het is twee dingen tegelijk, denk je. Het verwart je, en het laat je anders ademen, alsof je er zou zijn. Alsof daar ook hier zou kunnen zijn. Kijk maar. Je sluit je ogen niet.
Terwijl je daar zit op de bank, gaat de zon onder. Het verdwijnen is tegelijk een feest van het licht, van de kleuren. Alsof de zee je wil zeggen dat het veilig is hier.
En zodra de zon echt is verdwenen, haar laatste streepje achterlatend, is het alsof de golven ineens luider klinken. Ze zijn als huid. Je zoekt je houding op de bank. (Voe.) Je adem zakt. Je ruikt veel meer.
Terwijl je terugloopt, denk je aan iemand met wie je hier ooit was. Je merkt ineens dat je hetzelfde truitje aan hebt als toen.
Het vuurwerk maakt zoveel lawaai…
De nacht is anders.
Een vroege morgen. Het is stil aan de rand van het water. Het wateroppervlak lijkt bijna in zichzelf te verdwijnen. De horizon heeft zichzelf opgelost.
Ze lijkt zo rustig in zichzelf, zo soeverein. Ze komt ook even naar je toe, niet om je aan te raken, niet om je iets te laten zien. Ze is open voor jou, zoiets. Ik ben er, zegt ze. Hier en daar, daar en hier. Terwijl je nooit kunt weten waar het land ophoudt en de zee begint. Straks mag je vertrekken, zegt ze.
Hoe gelukkig kun je zijn, denk je, terwijl het warme gesprek over de boeken je omhult. Je valt samen met je stem, besef je. Sporen in het landschap, verhalen net onder het oppervlak van de stad, fossielen, de stappen van kindjes in het zand duizenden jaren geleden, rouwen om een liefde, rouwen om een landschap dat verdwijnt, de hemel aanraken, de zee die neemt en geeft. En dat je dat zomaar mag doen.
Een lange reis terug, met mooie gesprekken (en veel lelijkheid aan de andere kant van het raam).
Het is goed om weer thuis te zijn.
De dingen weer op hun plaats leggen, het huis bedanken voor het wachten.
Terwijl je de foto’s schikt, terwijl je de woorden schikt, begrijp je wat de zee je wou zeggen.
En de dag afronden met de planten, ze wachten op je.
21 augustus 2019
De jongens van Nickel
Een verhaal van gruwelijk onrecht. Het onrecht was ‘gewoon’, want verankerd in wetten en praktijken van structureel racisme. Het onrecht was zogenaamd begraven in het verleden, veilig in een andere tijd. Maar de doden worden uit hun verborgen graven gehaald en krijgen hun verhaal terug. Dat is wat de Amerikaanse schrijver Colson Whitehead doet in zijn indrukwekkende boek De jongens van Nickel. In een spaarzame ingehouden stijl laat de auteur het verhaal voor zich spreken. Het boek is een roman, in deze vorm fictie. Maar het is wel gebaseerd op een erg pijnlijke bladzijde uit de Amerikaanse geschiedenis die net niet verdwenen is onder de betonlaag van de vergetelheid.
Het boek begint in de jaren 60 in Talahassee in Florida. In die tijd bestond er nog segregatie tussen witte en zwarte mensen. Dat was toen nog wettelijk georganiseerd in de zuidelijke staten (door de Jim Crow-wetten) tot half de jaren 60 en het was ook nog de dagelijkse praktijk. Het is de periode van de opkomende burgerrechtenbeweging met de charismatische Martin Luther King. Elwood Curtis woont bij zijn grootmoeder en doet het goed op school. Hij wil het goed doen, wil het ver brengen in het leven. Hij wil een goed mens worden en voelt zich enorm geïnspireerd door de woorden van Martin Luther King, via een plaat die telkens opnieuw gedraaid wordt. Hij is een jongen die van aanpakken weet, een beetje naïef. Hij doet baantjes, in het hotel waar zijn grootmoeder werkt en in een winkel. Zijn ouders zijn met de noorderzon verdwenen. In de verhalen over zijn overgrootvader, grootvader en vader en in de beschrijving van het hotel en de winkel waar hij werkt krijg je op een nuchtere manier het beeld van de structurele achterstelling van de zwarten. Via een leraar op school die ook activist is, krijgt Elwood uitzicht op studiekansen in een hogeschool voor gekleurde mensen. Op weg daar naartoe gaat hij in op het aanbod van een automobilist die hem een lift aanbiedt. Nadien blijkt dat dat een autodief is. Elwood wordt ook gearresteerd als autodief en wordt naar Nickel gestuurd, een heel erg strenge tuchtschool.
Nickel is een vreselijke plek waar jongens voor de kleinste of onbestaande vergrijpen kunnen terechtkomen. Op het domein zijn witte en zwarte jongens ook gescheiden. Er heerst volstrekte willekeur. Via een soort puntensysteem kun je opklimmen en zo misschien terug vrijkomen. Corruptie is geïnstitutionaliseerd. Een groot deel van het voor de zwarte jongens voorziene eten wordt doorverkocht aan de lokale middenstand. Onder het mom van sociale dienst worden jongens ingehuurd om allerlei klussen in huis uit te voeren bij de witte mensen die in het schoolbestuur zitten. De verantwoordelijken van de school houden een regime van terreur in stand. Als je iets doet dat als fout wordt beschouwd kun je heel zwaar gestraft worden. ’s Nachts worden jongens uit hun bed gelicht en naar het ‘witte huis’ gebracht, waar ze gemarteld, misbruikt en soms gedood worden. Als men je ‘naar achter’ brengt, kom je waarschijnlijk nooit meer terug. Aan de families wordt dan verteld dat de jongens gevlucht zijn. Elwood komt in deze gruwelwereld terecht en blijft dromen van de weg van het goede die hij voor zichzelf zag, al is het soms moeilijk om in de boodschap van liefde van Martin Luther King te blijven geloven. Hij vindt een vriend in Turner, die meer cynisch is en beter weet hoe je moet overleven in dit horroruniversum.
In het proloog van het boek, in de huidige tijd, zijn archeologiestudenten aan het werk op wat de verborgen begraafplaats van Nickel was. Daar vinden ze de restanten van de jongens die daar anoniem begraven werden. Er waren al eerder geruchten geweest van misstanden in Nickel, maar de openbare aanklager had net zijn onderzoek – zonder resultaat – afgerond. Een projectontwikkelaar wilde net beginnen met een groot bouwproject op de site. Het boek bestaat verder uit drie grote delen. Het eerste deel gaat over de jonge jaren van Elwood, voor hij naar Nickel moet. Het tweede deel gaat over de periode in Nickel. Het derde speelt jaren later in New York. En de epiloog sluit weer aan bij de proloog.
De gebeurtenissen in het boek verwijzen naar een tuchtschool die werkelijk heeft bestaan, zo blijkt uit het nawoord van de auteur. Die school is pas gesloten in 2011. In 2012 vonden archeologiestudenten daar inderdaad de lichamen terug van meer dan 80 jongens. Sindsdien hebben heel wat nog levende mannen die ooit op die school zaten zich verenigd en delen ze hun verhalen.
Colson Whitehead heeft in dit boek voor een enigszins onderkoelde verhalende stijl gekozen. De gebeurtenissen spreken voor zich. Regelmatig worden lege plekken gelaten. Door de dingen zo nogal schijnbaar afstandelijk te beschrijven komt het voor sommigen ‘gewone’ van dat maatschappelijk verankerde racisme nog harder aan. Het weegt als een loden doek op de verhoudingen tussen mensen. Heel wat mensen profiteerden er mee van, konden zichzelf ervan overtuigen dat ze niet zagen dat er een probleem was of vergaten dat er zo duidelijk een ongelijke behandeling was tussen wit en zwart. Je verzetten is goed, maar het is bijna onmogelijk om het systeem te veranderen. Heel wat kleine details of zinnetjes die subtiel in de tekst verwerkt zijn, illustreren telkens opnieuw hoe structureel dit alles was. En je voelt als lezer ook hoe de woorden van Martin Luther King voor Elwood als het ware licht geven in de duisternis. Het is hoop die pijn doet, gezien wat er verder in het verhaal gebeurt (en wat je weet over wat er met King is gebeurd). In het derde deel lijkt er meer lucht te zijn tussen de woorden. Het lijkt meer ontspannen. Maar je voelt tussen de regels en indirect hoe die school de levens van zoveel jongens die zoveel hadden kunnen worden kapot heeft gemaakt. Op het einde krijgt het boek een verrassende wending waardoor het verhaal nog veel harder binnenkomt.
Met De jongens van Nickel heeft Colson Whitehead een zeer indringend boek geschreven over een donkere bladzijde uit de recente geschiedenis van de Verenigde Staten. Velen hadden waarschijnlijk gehoopt dat ze was verdwenen in de plooien van de tijd. Velen vonden het wel zo handig dat niemand ooit zou weten dat zoveel jongens niet weggelopen waren, maar wel anoniem begraven na een gruwelijke dood. De archeologen hebben de lichaamsresten gevonden, de auteur redt hun verhaal. En jammer genoeg is de grote droom van Martin Luther King in het Amerika van Donald Trump nog altijd niet uitgekomen…
Het boek begint in de jaren 60 in Talahassee in Florida. In die tijd bestond er nog segregatie tussen witte en zwarte mensen. Dat was toen nog wettelijk georganiseerd in de zuidelijke staten (door de Jim Crow-wetten) tot half de jaren 60 en het was ook nog de dagelijkse praktijk. Het is de periode van de opkomende burgerrechtenbeweging met de charismatische Martin Luther King. Elwood Curtis woont bij zijn grootmoeder en doet het goed op school. Hij wil het goed doen, wil het ver brengen in het leven. Hij wil een goed mens worden en voelt zich enorm geïnspireerd door de woorden van Martin Luther King, via een plaat die telkens opnieuw gedraaid wordt. Hij is een jongen die van aanpakken weet, een beetje naïef. Hij doet baantjes, in het hotel waar zijn grootmoeder werkt en in een winkel. Zijn ouders zijn met de noorderzon verdwenen. In de verhalen over zijn overgrootvader, grootvader en vader en in de beschrijving van het hotel en de winkel waar hij werkt krijg je op een nuchtere manier het beeld van de structurele achterstelling van de zwarten. Via een leraar op school die ook activist is, krijgt Elwood uitzicht op studiekansen in een hogeschool voor gekleurde mensen. Op weg daar naartoe gaat hij in op het aanbod van een automobilist die hem een lift aanbiedt. Nadien blijkt dat dat een autodief is. Elwood wordt ook gearresteerd als autodief en wordt naar Nickel gestuurd, een heel erg strenge tuchtschool.
Nickel is een vreselijke plek waar jongens voor de kleinste of onbestaande vergrijpen kunnen terechtkomen. Op het domein zijn witte en zwarte jongens ook gescheiden. Er heerst volstrekte willekeur. Via een soort puntensysteem kun je opklimmen en zo misschien terug vrijkomen. Corruptie is geïnstitutionaliseerd. Een groot deel van het voor de zwarte jongens voorziene eten wordt doorverkocht aan de lokale middenstand. Onder het mom van sociale dienst worden jongens ingehuurd om allerlei klussen in huis uit te voeren bij de witte mensen die in het schoolbestuur zitten. De verantwoordelijken van de school houden een regime van terreur in stand. Als je iets doet dat als fout wordt beschouwd kun je heel zwaar gestraft worden. ’s Nachts worden jongens uit hun bed gelicht en naar het ‘witte huis’ gebracht, waar ze gemarteld, misbruikt en soms gedood worden. Als men je ‘naar achter’ brengt, kom je waarschijnlijk nooit meer terug. Aan de families wordt dan verteld dat de jongens gevlucht zijn. Elwood komt in deze gruwelwereld terecht en blijft dromen van de weg van het goede die hij voor zichzelf zag, al is het soms moeilijk om in de boodschap van liefde van Martin Luther King te blijven geloven. Hij vindt een vriend in Turner, die meer cynisch is en beter weet hoe je moet overleven in dit horroruniversum.
In het proloog van het boek, in de huidige tijd, zijn archeologiestudenten aan het werk op wat de verborgen begraafplaats van Nickel was. Daar vinden ze de restanten van de jongens die daar anoniem begraven werden. Er waren al eerder geruchten geweest van misstanden in Nickel, maar de openbare aanklager had net zijn onderzoek – zonder resultaat – afgerond. Een projectontwikkelaar wilde net beginnen met een groot bouwproject op de site. Het boek bestaat verder uit drie grote delen. Het eerste deel gaat over de jonge jaren van Elwood, voor hij naar Nickel moet. Het tweede deel gaat over de periode in Nickel. Het derde speelt jaren later in New York. En de epiloog sluit weer aan bij de proloog.
De gebeurtenissen in het boek verwijzen naar een tuchtschool die werkelijk heeft bestaan, zo blijkt uit het nawoord van de auteur. Die school is pas gesloten in 2011. In 2012 vonden archeologiestudenten daar inderdaad de lichamen terug van meer dan 80 jongens. Sindsdien hebben heel wat nog levende mannen die ooit op die school zaten zich verenigd en delen ze hun verhalen.
Colson Whitehead heeft in dit boek voor een enigszins onderkoelde verhalende stijl gekozen. De gebeurtenissen spreken voor zich. Regelmatig worden lege plekken gelaten. Door de dingen zo nogal schijnbaar afstandelijk te beschrijven komt het voor sommigen ‘gewone’ van dat maatschappelijk verankerde racisme nog harder aan. Het weegt als een loden doek op de verhoudingen tussen mensen. Heel wat mensen profiteerden er mee van, konden zichzelf ervan overtuigen dat ze niet zagen dat er een probleem was of vergaten dat er zo duidelijk een ongelijke behandeling was tussen wit en zwart. Je verzetten is goed, maar het is bijna onmogelijk om het systeem te veranderen. Heel wat kleine details of zinnetjes die subtiel in de tekst verwerkt zijn, illustreren telkens opnieuw hoe structureel dit alles was. En je voelt als lezer ook hoe de woorden van Martin Luther King voor Elwood als het ware licht geven in de duisternis. Het is hoop die pijn doet, gezien wat er verder in het verhaal gebeurt (en wat je weet over wat er met King is gebeurd). In het derde deel lijkt er meer lucht te zijn tussen de woorden. Het lijkt meer ontspannen. Maar je voelt tussen de regels en indirect hoe die school de levens van zoveel jongens die zoveel hadden kunnen worden kapot heeft gemaakt. Op het einde krijgt het boek een verrassende wending waardoor het verhaal nog veel harder binnenkomt.
Met De jongens van Nickel heeft Colson Whitehead een zeer indringend boek geschreven over een donkere bladzijde uit de recente geschiedenis van de Verenigde Staten. Velen hadden waarschijnlijk gehoopt dat ze was verdwenen in de plooien van de tijd. Velen vonden het wel zo handig dat niemand ooit zou weten dat zoveel jongens niet weggelopen waren, maar wel anoniem begraven na een gruwelijke dood. De archeologen hebben de lichaamsresten gevonden, de auteur redt hun verhaal. En jammer genoeg is de grote droom van Martin Luther King in het Amerika van Donald Trump nog altijd niet uitgekomen…
18 augustus 2019
Plekken waar je kunt zijn
Soms verdwijn je in een boek. Je voelt het boek aan je vingertoppen. Het doet je tintelen, heel zachtjes. Je ziet het papier, je ziet de letters, je ziet de vorm van de letters. Je voelt de rug van het boek. Je kantelt in een andere kant, waar er een stroom is, een rivier. Waar je rivier wordt. Vanaf de rivier moet je terug naar het land.
Soms neemt het verdriet je huid over. Je weet niet waar het vandaan komt, je weet niet welk verdriet het is. Het heeft zichzelf uitgenodigd in je huid. Misschien is het een nawee van een vorige dag, iets van ergens anders. Misschien is het oud, al een tijdje op de dool. Misschien is je lichaam zich aan het herorganiseren.
Soms komen liefdes van ooit je hoofd weer binnenwandelen. Ze zijn nog wel ergens in je leven, daar. En soms zijn ze ineens weer hier. In een droom. In je handen. In je ogen. In de kamer. Verhalen blijven op plekken rondhangen. En zo wil je het ook. Je weet nooit welke momenten ook aan de andere kant gezien worden.
Soms ben je in verwarring. Je doolt in je uithoeken. Je wacht op iets dat jou zal zeggen dat je thuis bent. Niet dat je al niet bent op de plek die je thuis zou moeten zijn, maar toch ben je er nog niet. Alsof de silhouetten van jezelf tegen elkaar aan schuren, nog niet samenvallen. Het is gewoon wachten, dat weet je.
Soms ben je onderweg. Je ziet het landschap aan de andere kant van het raam in de trein. Je hoeft niet te kijken, het is daar. Aan deze kant ben je, met het boek. Zo lang de reis duurt, is iets van je gewichtloos. Het zou kunnen dat iets je draagt. Iets wordt stil, in die beweging. Tot alleen de woorden blijven.
Soms ben je in het ritme. Soms lukt het helemaal niet, soms lukt het wel. Er is ergens een ritme in het huis, los van jou. Soms, als je staat te koken, voel je het al, dat je in het ritme bent. Hoe de dingen voelen in je handen. Hoe je door de kamer loopt, met het eten. Hoe de grond voelt. Hoe het smaakt. Hoe de afwas loopt.
Soms doet je lichaam alleen maar pijn. Alles zindert, waardoor je nauwelijks op je stoel kunt blijven zitten. Of ineens heeft iets besloten om te verkrampen of hard te worden. Het is echopijn, denk je. Een lichaam in, naast of over je lichaam. In je vinger snijden, en enkele seconden later de pijn voelen, dat is zonder echo.
Soms weet je wie je bent, net voor je je aan de nacht geeft. Het huis is donker, je ziet de grote maan daarbuiten. Zoveel licht. En even zie je alle dingen. Zie je waar je vandaan komt, waar je naartoe gaat. De volle leegte. Als je even later in het bed ligt, het licht uit, weet je dat dat moment weer voorbij is.
Soms ben je in de verhalen die je hoort. Iemand zit ergens, dicht bij je, en vertelt. Van alle vragen die je zou willen stellen kies je er enkele uit. En je hoort de antwoorden, en iets neemt het over. Je kunt de verhalen zien, in je hoofd. Je voelt het water, of de wind, of de stilte. Je ziet jezelf niet meer, en dat is goed.
Soms zie je iemand die je niet kent. Enkele meters verder, of zo. Iets in je zou willen vragen: mag ik naar u kijken? Je kijkt naar de beweging. Je ziet een herinnering in een lichaam, je weet alleen niet welke herinnering, maar dat geeft niet. Je ziet een verhaal. Soms weet je dat je dat verhaal zult herkennen, als je het hoort.
Soms verschuift een geur. Je bent ergens, een plek die je kent. Je doet iets. En ineens ruik je iets dat je net daarvoor niet zo had opgemerkt. (Soms doet het je denken aan de geurverwarring van toen, door de chemo. Hoe dingen ineens heel intens werden.) En je herinnert je momenten toen de geur veranderde, en wat dat wou zeggen.
Soms ben je ineens weer daar, toen bij de zonsverduistering, twintig jaar geleden. Snel daarna zou je te horen krijgen dat je ziek was. In de tuin, in het donker, begon je lichaam te trillen van de koorts. Er is sindsdien een plek in je. Soms kun je onverhoeds in die plek vallen. Soms kun je er zelf naartoe gaan, om het leven aan te raken.
Soms ben je daar, waar je aanraakbaar bent. Je weet niet of er wegwijzers zijn. Je weet niet aan welke kant je open zult scheuren en of dat wel zal gebeuren. Het is te leren, denk je, om daar te blijven. In die lege plek, die zich laat vermoeden. Ze zou heel gevaarlijk kunnen zijn, of misschien ook niet. Die plek dus.
Soms neemt het verdriet je huid over. Je weet niet waar het vandaan komt, je weet niet welk verdriet het is. Het heeft zichzelf uitgenodigd in je huid. Misschien is het een nawee van een vorige dag, iets van ergens anders. Misschien is het oud, al een tijdje op de dool. Misschien is je lichaam zich aan het herorganiseren.
Soms komen liefdes van ooit je hoofd weer binnenwandelen. Ze zijn nog wel ergens in je leven, daar. En soms zijn ze ineens weer hier. In een droom. In je handen. In je ogen. In de kamer. Verhalen blijven op plekken rondhangen. En zo wil je het ook. Je weet nooit welke momenten ook aan de andere kant gezien worden.
Soms ben je in verwarring. Je doolt in je uithoeken. Je wacht op iets dat jou zal zeggen dat je thuis bent. Niet dat je al niet bent op de plek die je thuis zou moeten zijn, maar toch ben je er nog niet. Alsof de silhouetten van jezelf tegen elkaar aan schuren, nog niet samenvallen. Het is gewoon wachten, dat weet je.
Soms ben je onderweg. Je ziet het landschap aan de andere kant van het raam in de trein. Je hoeft niet te kijken, het is daar. Aan deze kant ben je, met het boek. Zo lang de reis duurt, is iets van je gewichtloos. Het zou kunnen dat iets je draagt. Iets wordt stil, in die beweging. Tot alleen de woorden blijven.
Soms ben je in het ritme. Soms lukt het helemaal niet, soms lukt het wel. Er is ergens een ritme in het huis, los van jou. Soms, als je staat te koken, voel je het al, dat je in het ritme bent. Hoe de dingen voelen in je handen. Hoe je door de kamer loopt, met het eten. Hoe de grond voelt. Hoe het smaakt. Hoe de afwas loopt.
Soms doet je lichaam alleen maar pijn. Alles zindert, waardoor je nauwelijks op je stoel kunt blijven zitten. Of ineens heeft iets besloten om te verkrampen of hard te worden. Het is echopijn, denk je. Een lichaam in, naast of over je lichaam. In je vinger snijden, en enkele seconden later de pijn voelen, dat is zonder echo.
Soms weet je wie je bent, net voor je je aan de nacht geeft. Het huis is donker, je ziet de grote maan daarbuiten. Zoveel licht. En even zie je alle dingen. Zie je waar je vandaan komt, waar je naartoe gaat. De volle leegte. Als je even later in het bed ligt, het licht uit, weet je dat dat moment weer voorbij is.
Soms ben je in de verhalen die je hoort. Iemand zit ergens, dicht bij je, en vertelt. Van alle vragen die je zou willen stellen kies je er enkele uit. En je hoort de antwoorden, en iets neemt het over. Je kunt de verhalen zien, in je hoofd. Je voelt het water, of de wind, of de stilte. Je ziet jezelf niet meer, en dat is goed.
Soms zie je iemand die je niet kent. Enkele meters verder, of zo. Iets in je zou willen vragen: mag ik naar u kijken? Je kijkt naar de beweging. Je ziet een herinnering in een lichaam, je weet alleen niet welke herinnering, maar dat geeft niet. Je ziet een verhaal. Soms weet je dat je dat verhaal zult herkennen, als je het hoort.
Soms verschuift een geur. Je bent ergens, een plek die je kent. Je doet iets. En ineens ruik je iets dat je net daarvoor niet zo had opgemerkt. (Soms doet het je denken aan de geurverwarring van toen, door de chemo. Hoe dingen ineens heel intens werden.) En je herinnert je momenten toen de geur veranderde, en wat dat wou zeggen.
Soms ben je ineens weer daar, toen bij de zonsverduistering, twintig jaar geleden. Snel daarna zou je te horen krijgen dat je ziek was. In de tuin, in het donker, begon je lichaam te trillen van de koorts. Er is sindsdien een plek in je. Soms kun je onverhoeds in die plek vallen. Soms kun je er zelf naartoe gaan, om het leven aan te raken.
Soms ben je daar, waar je aanraakbaar bent. Je weet niet of er wegwijzers zijn. Je weet niet aan welke kant je open zult scheuren en of dat wel zal gebeuren. Het is te leren, denk je, om daar te blijven. In die lege plek, die zich laat vermoeden. Ze zou heel gevaarlijk kunnen zijn, of misschien ook niet. Die plek dus.
17 augustus 2019
Motherhood
Wil ik een kind? Of wil ik geen kind? Moet ik een kind willen als ik het, eigenlijk, misschien, hoewel niet helemaal zeker, niet wil? Kan een kind mij een plaats geven in het grotere geheel? Of moet ik toch vooral een boek schrijven? Hoe kan ik al die vragen beantwoorden als ik de hele tijd in dit rusteloze lichaam zit? Hoe overleeft mijn relatie al die vragen? In het heel eigenzinnige en indringende boek Motherhood (vertaald als Moederschap) van de Canadese schrijfster Sheila Heti beweeg je heen en weer als een stuiterbal doorheen een eindeloos lijkende twijfel. Het boek gaat niet alleen over kinderloos (willen) zijn, het gaat ook over hoe het is om vrouw te zijn, waarbij je lichaam het knooppunt of slagveld is van zoveel (maatschappelijke) verwachtingen of projecties. Het gaat ook over ‘heel’ worden, en de manieren waarop je dat zou kunnen. De auteur doet dat in een heel bijzondere vorm die heel dicht op je huid komt en tegelijk ook speels en diepzinnig is.
De persoon die het boek vertelt lijkt – zo vermoed je toch als lezer – erg op de auteur Sheila Heti. Ze is bij het begin van het boek 36, bij het einde bijna 40. Ze was ooit vroeger al even getrouwd, maar woont nu al een tijd samen met Miles. Ze komt uit een joodse familie. Haar grootmoeder zat in een concentratiekamp. Haar moeder was dokter en in het gezin erg afwezig, door haar werk. Haar vader deed de huishoudelijke taken. Miles heeft al een dochter uit een vorige relatie, maar hij ziet haar maar af en toe. Hij is advocaat, zij schrijft.
Het boek is de weergave van een slopend en erg complex innerlijk zoekproces en is tegelijk ook het antwoord erop. De vertelster voelt de klok tikken, weet dat ze stilaan naar het einde van haar vruchtbare jaren gaat, en wil voor zichzelf uitmaken of ze een kind wil. Het boek voelt vaak aan als een dagboek van een soort tocht door de woestijn. Er zijn gesprekken met vriendinnen die kinderen hebben. Er zijn discussies met Miles. Maar er is vooral de innerlijke wereld, waarin een schijnbaar eindeloze twijfel alle kanten opgaat. Het ene moment is er een groot verlangen naar een kind, het andere moment is er een wankel vermoeden dat het helemaal geen goed idee zou zijn. Gevoelens kunnen onmiddellijk weer omslaan naar de andere kant. Het proces is een vloeiende wisselwerking tussen het hoofd en de rest van het lichaam. Dat lichaam heeft ook nog een eigen ritme. Een deel van het boek is gestructureerd volgens de momenten van de menstruele cyclus. De vertelster kan soms alleen maar vaststellen dat ze machteloos is tegenover zichzelf en dat ze conflicten zoekt met haar partner. Ze worstelt met beelden die blijkbaar geïnternaliseerd zijn of die ze op zich voelt drukken. Ze worstelt ook met de wereld die complex en ingewikkeld is, terwijl ze een groot verlangen heeft naar een plek waar ze ongestoord samen kan vallen met zichzelf. Schrijven, in haar eentje, geeft haar soms het gevoel van een warme en veilige cocon. Al het andere lijkt soms te moeilijk.
Het boek lijkt vormelijk iets van de grilligheid van de twijfel weer te geven. Naast de korte fragmenten zijn er ook stukken waarbij de vertelster lange reeksen vragen voorlegt waarna ze met drie munten, als een soort I Tjing, die vragen laat beantwoorden met ja of nee. De vragen zijn grappig en ook heel diepzinnig. Je volgt als lezer heel direct mee wat er komt, soms wil je bijna zelf ja of nee roepen. Soms komen er foto’s tussendoor. De hoofdstukken kunnen verwijzen naar plaatsen of dus naar de cyclus. Het geheel is erg knap gecomponeerd. Als lezer voel je je in het hoofd van de vertelster. Je voelt haar onvermijdelijke eenzaamheid in de twijfel die ze zelf niet kan controleren. Je voelt hoe ze soms vanop een afstand naar zichzelf kijkt. Je voelt hoe ze met haar hoofd grip probeert te krijgen en hoe dat niet lukt. Naarmate het boek vordert zie je hoe de lagen op elkaar inwerken en zie je ook hoe de tekst heel knap beweegt tussen verschillende registers. Soms heel persoonlijk, soms verheven en bijna religieus. Discussies met Miles zie je ergens in de verte, en dan ineens een seksscène die ineens heel dichtbij is.
De behoorlijk genadeloze bevraging van alle redenen waarom je wel of niet kinderen zou hebben en waarom jij daar wel of niet toe in staat zou zijn evolueert langzaam maar zeker naar een onderhuids groeiend besef dat ze geen kinderen wil. Ze krijgt van zichzelf de indruk dat het lange schrijfproces als het ware een stiekeme manier is om op een punt te komen, aan de andere kant, waar het te laat is voor kinderen. Zo heeft het schrijven zelf een doel. Tegelijk is het boek dat het resultaat zal zijn ook een antwoord op een soort spirituele zoektocht. Iets in de wereld zetten en daardoor ook zelf bestaansrecht hebben. Het is als een gevecht met god. (Het verhaal van Jacob en de engel speelt een rol in het boek.)
De zoektocht kun je eveneens zien als een rouwproces. Niet alleen van verwachtingen of beelden die in je lichaam botsen. Het gaat ook over doorgegeven verdriet in de lijn grootmoeder – moeder – dochter. Invullen wie je bent kan ook vervullen zijn van iets dat buiten je ligt. Een kind legt de lijn naar de toekomst, maar die lijn gaat ook naar het verleden. Wanneer het manuscript bijna klaar is, zal de vertelster in dat verband een vraag stellen aan haar moeder. Je voelt hoe die vrouwen in het proces aanwezig zijn. Zeker naar het einde van het boek voel je hoe het daar in wezen ook over gaat.
Een boek maken over de keuze om geen kinderen te hebben is je begeven in een mijnenveld. Het onderwerp is ongelooflijk gevoelig en kan leiden tot heftige reacties. Sommigen zullen misschien klaar staan om de schrijfster persoonlijk dingen te verwijten (b.v. varianten op: het is egoïstisch om geen kinderen te willen en het schrijven van boeken over je eigen wereldje blijkbaar belangrijker te vinden). Zo’n reacties staan dan eigenlijk een beetje los van het boek. Er is immers veel moed voor nodig om zo diepgaand het hele spectrum aan vragen rond al dan niet kinderen hebben op de tafel te leggen en daarbij behoorlijk genadeloos de eigen twijfel en wisselvalligheid en uiteindelijk de keuzes in beeld te brengen. De hybride vorm van het boek, de taal en de verschillende motieven zorgen ervoor dat het boek geen pamflet of oninteressant egodocument is geworden. Je kunt feministische beschouwingen vinden over de dingen die op het vrouwelijk lichaam geprojecteerd worden, naast een moeizame maar ook ontroerende zoektocht naar liefde en balans in een relatie, naast het doorwerken van de tijd in de relatie met je eigen moeder en grootmoeder en naast het verlangen naar literatuur. Het boek raakt je heel persoonlijk in al die complexe vragen over kinderloosheid maar geeft je ook die andere lagen en de kracht van die heel eigen vorm. Het is een boek dat je alleen maar op een heel lichamelijke manier kunt lezen, waarbij je dan je hoofd weer tegenkomt. Motherhood is een bijzonder boek dat onder je huid kruipt.
De persoon die het boek vertelt lijkt – zo vermoed je toch als lezer – erg op de auteur Sheila Heti. Ze is bij het begin van het boek 36, bij het einde bijna 40. Ze was ooit vroeger al even getrouwd, maar woont nu al een tijd samen met Miles. Ze komt uit een joodse familie. Haar grootmoeder zat in een concentratiekamp. Haar moeder was dokter en in het gezin erg afwezig, door haar werk. Haar vader deed de huishoudelijke taken. Miles heeft al een dochter uit een vorige relatie, maar hij ziet haar maar af en toe. Hij is advocaat, zij schrijft.
Het boek is de weergave van een slopend en erg complex innerlijk zoekproces en is tegelijk ook het antwoord erop. De vertelster voelt de klok tikken, weet dat ze stilaan naar het einde van haar vruchtbare jaren gaat, en wil voor zichzelf uitmaken of ze een kind wil. Het boek voelt vaak aan als een dagboek van een soort tocht door de woestijn. Er zijn gesprekken met vriendinnen die kinderen hebben. Er zijn discussies met Miles. Maar er is vooral de innerlijke wereld, waarin een schijnbaar eindeloze twijfel alle kanten opgaat. Het ene moment is er een groot verlangen naar een kind, het andere moment is er een wankel vermoeden dat het helemaal geen goed idee zou zijn. Gevoelens kunnen onmiddellijk weer omslaan naar de andere kant. Het proces is een vloeiende wisselwerking tussen het hoofd en de rest van het lichaam. Dat lichaam heeft ook nog een eigen ritme. Een deel van het boek is gestructureerd volgens de momenten van de menstruele cyclus. De vertelster kan soms alleen maar vaststellen dat ze machteloos is tegenover zichzelf en dat ze conflicten zoekt met haar partner. Ze worstelt met beelden die blijkbaar geïnternaliseerd zijn of die ze op zich voelt drukken. Ze worstelt ook met de wereld die complex en ingewikkeld is, terwijl ze een groot verlangen heeft naar een plek waar ze ongestoord samen kan vallen met zichzelf. Schrijven, in haar eentje, geeft haar soms het gevoel van een warme en veilige cocon. Al het andere lijkt soms te moeilijk.
Het boek lijkt vormelijk iets van de grilligheid van de twijfel weer te geven. Naast de korte fragmenten zijn er ook stukken waarbij de vertelster lange reeksen vragen voorlegt waarna ze met drie munten, als een soort I Tjing, die vragen laat beantwoorden met ja of nee. De vragen zijn grappig en ook heel diepzinnig. Je volgt als lezer heel direct mee wat er komt, soms wil je bijna zelf ja of nee roepen. Soms komen er foto’s tussendoor. De hoofdstukken kunnen verwijzen naar plaatsen of dus naar de cyclus. Het geheel is erg knap gecomponeerd. Als lezer voel je je in het hoofd van de vertelster. Je voelt haar onvermijdelijke eenzaamheid in de twijfel die ze zelf niet kan controleren. Je voelt hoe ze soms vanop een afstand naar zichzelf kijkt. Je voelt hoe ze met haar hoofd grip probeert te krijgen en hoe dat niet lukt. Naarmate het boek vordert zie je hoe de lagen op elkaar inwerken en zie je ook hoe de tekst heel knap beweegt tussen verschillende registers. Soms heel persoonlijk, soms verheven en bijna religieus. Discussies met Miles zie je ergens in de verte, en dan ineens een seksscène die ineens heel dichtbij is.
De behoorlijk genadeloze bevraging van alle redenen waarom je wel of niet kinderen zou hebben en waarom jij daar wel of niet toe in staat zou zijn evolueert langzaam maar zeker naar een onderhuids groeiend besef dat ze geen kinderen wil. Ze krijgt van zichzelf de indruk dat het lange schrijfproces als het ware een stiekeme manier is om op een punt te komen, aan de andere kant, waar het te laat is voor kinderen. Zo heeft het schrijven zelf een doel. Tegelijk is het boek dat het resultaat zal zijn ook een antwoord op een soort spirituele zoektocht. Iets in de wereld zetten en daardoor ook zelf bestaansrecht hebben. Het is als een gevecht met god. (Het verhaal van Jacob en de engel speelt een rol in het boek.)
De zoektocht kun je eveneens zien als een rouwproces. Niet alleen van verwachtingen of beelden die in je lichaam botsen. Het gaat ook over doorgegeven verdriet in de lijn grootmoeder – moeder – dochter. Invullen wie je bent kan ook vervullen zijn van iets dat buiten je ligt. Een kind legt de lijn naar de toekomst, maar die lijn gaat ook naar het verleden. Wanneer het manuscript bijna klaar is, zal de vertelster in dat verband een vraag stellen aan haar moeder. Je voelt hoe die vrouwen in het proces aanwezig zijn. Zeker naar het einde van het boek voel je hoe het daar in wezen ook over gaat.
Een boek maken over de keuze om geen kinderen te hebben is je begeven in een mijnenveld. Het onderwerp is ongelooflijk gevoelig en kan leiden tot heftige reacties. Sommigen zullen misschien klaar staan om de schrijfster persoonlijk dingen te verwijten (b.v. varianten op: het is egoïstisch om geen kinderen te willen en het schrijven van boeken over je eigen wereldje blijkbaar belangrijker te vinden). Zo’n reacties staan dan eigenlijk een beetje los van het boek. Er is immers veel moed voor nodig om zo diepgaand het hele spectrum aan vragen rond al dan niet kinderen hebben op de tafel te leggen en daarbij behoorlijk genadeloos de eigen twijfel en wisselvalligheid en uiteindelijk de keuzes in beeld te brengen. De hybride vorm van het boek, de taal en de verschillende motieven zorgen ervoor dat het boek geen pamflet of oninteressant egodocument is geworden. Je kunt feministische beschouwingen vinden over de dingen die op het vrouwelijk lichaam geprojecteerd worden, naast een moeizame maar ook ontroerende zoektocht naar liefde en balans in een relatie, naast het doorwerken van de tijd in de relatie met je eigen moeder en grootmoeder en naast het verlangen naar literatuur. Het boek raakt je heel persoonlijk in al die complexe vragen over kinderloosheid maar geeft je ook die andere lagen en de kracht van die heel eigen vorm. Het is een boek dat je alleen maar op een heel lichamelijke manier kunt lezen, waarbij je dan je hoofd weer tegenkomt. Motherhood is een bijzonder boek dat onder je huid kruipt.
15 augustus 2019
Het web
Een mooi gesprek. Een onverwachte ontmoeting, na zo lang. Hoe de dingen in elkaar schuiven, als een slinger die geduldig heen en weer gaat, zonder ooit een lege plek te laten. Hoewel het wel over lege plekken gaat.
Dankbaar.
De zinnen die in lichamen geschreven zijn. (Soms kun je ze lezen.)
(Al dagen probeer je het te lezen, naast de boeken. Boeken zijn gemakkelijk.)
(Echo’s in je huid.)
Misschien was het wel goed, die hand die stokte. Ergens onderweg.
(Je probeert beelden opnieuw te bekijken, ergens. Momenten van terugtrekken.)
Je kijkt naar je hand.
(Je denkt aan de handen die je deze week al zag.)
En verhalen over het web.
Hoe we allemaal een deel zijn van het web van het leven. Hoe die knooppunten met elkaar verbonden zijn. Hoe je het kunt zien, hoe je het kunt ademen.
Je bent zelf de hele tijd bezig om je web te maken. Je zou er ook op kunnen vertrouwen dat het web jou zal dragen.
(Die zin. Het is alsof je lichaam die zin ziet. Even is er paniek. Als een echo.)
(De zin verandert je adem, je moet wachten op de terugkeer.)
Zo dapper ben je nog niet, zeg je.
Iets met vertrouwen. Ze vertelt over vertrouwen.
(Je ziet het verhaal verschuiven binnen de zinnen, van buiten naar binnen.)
(Het is een moeilijk woord, als je het echt aanraakt.)
(Je ziet die beelden weer. Je ziet de lege plekken waar je had willen zijn. Je ziet de woorden niet die je daarvoor nodig had gehad.)
Het gesprek volgt zichzelf.
(Zo dapper ben je nog niet, denk je nog steeds.)
En het ging ook over de plek waar je schildert, waar je een beeld maakt. (Waar je een boek schrijft.)
(Het heeft er op een of andere manier mee te maken.)
Je wilt iets zeggen over onbestemdheid.
(Je ziet de onbestemdheid, je bent wankel daar, je bent daar.)
Verhalen over iets willen beschermen, verhalen over de leeuw. Verhalen over huizen.
Verhalen over kinderen op afstand. En de verwarring.
Het is mooi hoe de slinger blijft bewegen. Alsof alles er zomaar mag zijn. Met trage spiegels. Dit web draagt, hier, nu.
(Even zie je het.)
Je zegt haar dat jij niet zo dapper bent als zij.
In het huis is de stilte er weer.
(De tijd die het vraagt.)
Een andere dag. Er zijn teksten te schrijven. Boeken te lezen.
Je kijkt naar de regen.
(Soms maken de echo’s je moe. Soms zou je die zinnen willen kunnen zien, niet alleen weten dat ze er zijn. Soms wil je de pijn niet.)
(Je ziet de beelden. Je ziet het web.)
Huidverdrietherinnering.
(Misschien komt er later iets.)
Je werkt verder aan het eten. Je vult de pepermolen.
Het wordt zeker lekker.
Dankbaar.
De zinnen die in lichamen geschreven zijn. (Soms kun je ze lezen.)
(Al dagen probeer je het te lezen, naast de boeken. Boeken zijn gemakkelijk.)
(Echo’s in je huid.)
Misschien was het wel goed, die hand die stokte. Ergens onderweg.
(Je probeert beelden opnieuw te bekijken, ergens. Momenten van terugtrekken.)
Je kijkt naar je hand.
(Je denkt aan de handen die je deze week al zag.)
En verhalen over het web.
Hoe we allemaal een deel zijn van het web van het leven. Hoe die knooppunten met elkaar verbonden zijn. Hoe je het kunt zien, hoe je het kunt ademen.
Je bent zelf de hele tijd bezig om je web te maken. Je zou er ook op kunnen vertrouwen dat het web jou zal dragen.
(Die zin. Het is alsof je lichaam die zin ziet. Even is er paniek. Als een echo.)
(De zin verandert je adem, je moet wachten op de terugkeer.)
Zo dapper ben je nog niet, zeg je.
Iets met vertrouwen. Ze vertelt over vertrouwen.
(Je ziet het verhaal verschuiven binnen de zinnen, van buiten naar binnen.)
(Het is een moeilijk woord, als je het echt aanraakt.)
(Je ziet die beelden weer. Je ziet de lege plekken waar je had willen zijn. Je ziet de woorden niet die je daarvoor nodig had gehad.)
Het gesprek volgt zichzelf.
(Zo dapper ben je nog niet, denk je nog steeds.)
En het ging ook over de plek waar je schildert, waar je een beeld maakt. (Waar je een boek schrijft.)
(Het heeft er op een of andere manier mee te maken.)
Je wilt iets zeggen over onbestemdheid.
(Je ziet de onbestemdheid, je bent wankel daar, je bent daar.)
Verhalen over iets willen beschermen, verhalen over de leeuw. Verhalen over huizen.
Verhalen over kinderen op afstand. En de verwarring.
Het is mooi hoe de slinger blijft bewegen. Alsof alles er zomaar mag zijn. Met trage spiegels. Dit web draagt, hier, nu.
(Even zie je het.)
Je zegt haar dat jij niet zo dapper bent als zij.
In het huis is de stilte er weer.
(De tijd die het vraagt.)
Een andere dag. Er zijn teksten te schrijven. Boeken te lezen.
Je kijkt naar de regen.
(Soms maken de echo’s je moe. Soms zou je die zinnen willen kunnen zien, niet alleen weten dat ze er zijn. Soms wil je de pijn niet.)
(Je ziet de beelden. Je ziet het web.)
Huidverdrietherinnering.
(Misschien komt er later iets.)
Je werkt verder aan het eten. Je vult de pepermolen.
Het wordt zeker lekker.
Abonneren op:
Posts (Atom)

