30 november 2014

Late rimpels in het water

‘Mag ik erbij komen zitten?’
‘Ja, doe maar. Is het niet te warm?’
‘Nee hoor, gaat best. Ik kan dat wel hebben.’
‘Wat je vertelde, ik herinner me dat niet meer. Het is ook wel al lang geleden. Maar ik denk dat jij ook een beter geheugen hebt.’
‘Dat zou kunnen. Er zijn van die beelden die soms ineens terugkomen, op een onverwacht moment. Ik vraag me dan ook af waarom dat zo is. Maar dat zijn dingen die je nooit weet waarschijnlijk.’
‘Die foto’s in dat dikke boek. Bij het zien ervan dacht ik soms dat het herinneringen waren. Alsof ze ergens in mijn hoofd zouden kunnen zitten, hoewel ik dus een slecht geheugen heb.’
‘Ik begrijp wel wat je bedoelt. Het is een raar gevoel, dat boek. Zodra je het opent, is het alsof je in zoveel andere werelden bent. Je kunt naar dat boek kijken, en weten: als ik het open, kan ik er naartoe gaan. En als je het weer weglegt, is het alsof je een doek legt over die werelden. Ik kan het niet uitleggen, maar ik voelde me een beetje schuldig, of zoiets.’
‘Dat andere boek was ook wel heftig.’
‘Ja, op een bepaald moment had ik het bijna weggelegd. Het kwam een beetje te hard binnen, of zo. Ik weet het niet.’
‘Ik ga er zeker nog eens in kijken.’
‘Wat denk je? Zijn we veranderd?’
‘Dat is misschien wel een van de voordelen van je niet alles herinneren, dat je op zo’n vraag niet goed kunt antwoorden. Ik denk het eigenlijk niet.’
‘Ik dacht daarnet nog: we zijn beter geworden.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Als ik naar je kijk, zie ik de jaren. Maar ik zie ook nog altijd aan je mond wanneer je iets vertelt dat een beetje moeilijk is. Je trekt er een beetje mee dan. En je ogen natuurlijk. We hebben allebei onze omzwervingen gehad. Op zoek, naar een veilige plek. Ik had ook het gevoel dat we groot geworden zijn of zo, ik kan het niet uitleggen.’
‘Het is wel een mooie gedachte.’
‘Vertel nog eens iets.’
‘We zouden iets geks moeten doen.’
‘Zijn we nog niet bezig dan?’
‘Nee, nog lang niet.’
‘Ga je iets bedenken?’
‘Ja, maar het zal een verrassing zijn. En dan moet je alleen maar ja zeggen.’
‘In blind vertrouwen?’
‘Ja, daar gaat het over.’
‘Wat je vanmiddag zei, over dat willen. Eigenlijk is het voor mij niet anders. Dat wou ik je nog uitleggen, maar ik denk dat je het al weet eigenlijk.’
‘Ja, ik weet het.’
‘En ik wil ook dat het goed gaat met jou. En dat je gelukkig bent.’
‘Ja, ik weet het.’
‘Misschien moet ik nog eens een brief schrijven.’
‘Heel goed, maar ik eerst. Daar moet je nog op wachten.’
‘Zal ik doen, maar het maakt me wel een beetje zenuwachtig.’
‘Dat is nergens voor nodig.’
‘Ik ga je straks nog uitwuiven trouwens.’
‘Vanzelfsprekend, ook dat wist ik.’
‘We zijn wel grappig.’
‘En groot geworden.’
‘Minstens.’

Geen opmerkingen: