30 december 2025

Big Kiss, Bye-Bye


Hoe raast het leven door je heen? Hoe ziet een liefde (of het verdwijnen ervan) eruit in je hoofd? Wat zie en voel en hoor en ruik je tegelijkertijd op een moment van grote lust? Wat zijn de dingen die je uit de werkelijkheid plukt en waar je aan blijft vasthangen? Hoe bewegen al die processen door de taal? Als je dat alles zou willen beschrijven, of tonen, kies je dan voor een klassieke verhaalvorm of kies je voor het in woorden proberen te benaderen van een constante stroom van indrukken en woorden en gewaarwordingen? En wat is er dan meer ‘echt’? Hoe laat je die woorden in je hoofd reageren of spiegelen op bestaande literaire teksten en welke soms exotische woorden heb je daarvoor nodig? Met zo’n vragen aan de slag gaan kan een boek opleveren dat heel erg saai of aanmatigend of volstrekt ondoordringbaar is. Het kan ook een boek opleveren dat een avontuur is. En dat laatste heeft Claire-Louise Bennett gedaan met Big Kiss, Bye-Bye (vertaald als: Dikke kus, dag-dag). Het is een fascinerend, soms weerbarstig, soms heel grappig, soms heel opwindend, soms enerverend, soms aangenaam verwarrend boek. Het is moeilijk uit te leggen waar het eigenlijk over gaat, en het is moeilijk uit te leggen wat voor boek het eigenlijk is. Het stuwt zichzelf voort, bewegend tussen tekstsoorten, met ritmische patronen en herhalingen, via allerlei zijwegen. En misschien is dat het wel, dat het leven iets met zijwegen is.

De vrouw die als ik-verteller aan het woord, komt verhuist van de stad naar een huisje in het bos, ergens in Ierland. Ze had een relatie met Xavier, een veel oudere man van 75, maar die is voorbij, waarschijnlijk toch. Zij is schrijver. Ze blikt terug op de voorbije relatie, met verwarrende gevoelens. Ze zegt tegen zichzelf dat het goed is dat het voorbij is, maar tegelijk blijft ze er in haar hoofd naar terugkeren. Ze denkt terug aan andere relaties. Via een brief krijgt ze contact met een vroegere leraar Engels uit de middelbare school, en dat is dan een opstapje naar een affaire die ze in die periode had met de leraar filosofie die waarschijnlijk best al grensoverschrijdend kan worden omschreven.

Als lezer volg je dat alles in de binnenwereld. Je zou je kunnen voorstellen dat wat je leest de notitieboeken zijn van de vrouw. Soms lijken het dagboeknotities, die zoekende reflecties zijn over wat er in haar gebeurt. Via allerlei alledaagse gebeurtenissen of dingen of voorwerpen kijk je mee in een soort intieme verwarring. Soms lijken het meer bewerkte teksten die een deel zouden kunnen zijn van een literair werk. Soms zijn ze vrij eenvoudig beschrijvend. Soms zijn ze een taalstroom die aandacht vraagt voor conventies in het weergeven van dialogen, door eindeloze herhalingen. Soms zijn ze een zinderende rivier aan woorden die als een stream of consciousness de gelijktijdigheid proberen te vatten van allerlei in alle richtingen stuitende gedachten in je hoofd. Misschien maakt het helemaal niet uit wat het juiste statuut is van die teksten. Als het zo is dat je de complexe en steeds wisselende werkelijkheid niet zomaar kunt vatten in de illusie van één lineaire en ‘vattende’ tekst, dan is een collage van verschillende fragmenten in een diversiteit aan registers misschien wel waarheidsgetrouwer.

Als lezer krijg je door die vorm een fascinerende inkijk in hoe een lichaam een soort kruispunt van betekenisprocessen is. De vrouw denkt terug aan vroegere relaties en herhaalt allerlei momenten uit haar contacten met Xavier. Hij lijkt een nogal zelfingenomen man. Vroeger was hij rijk, nu mogelijk niet meer. Hij idealiseert haar, en wil haar zo controleren. Zij wil zich niet zomaar schikken in die rol, maar voelt zich tegelijk toch ook aangetrokken tot iets in die relatie. Er is een machtsdynamiek. Hij wil haar telkens bloemen geven, wat dan leidt tot een formule dat zij elke week op zijn kosten bloemen mag/moet ophalen in de winkel of laten brengen. Wat eerst fijn is, wordt tegelijk dwingend (het moet telkens over een relatief groot bedrag gaan) en verstikkend. Ze komt er in haar beschouwingen eindeloos op terug. Dat zegt dan weer iets over hoe zo’n dingen werken in je hoofd. Je wilt de werkelijkheid als geheel benaderen, maar doet dat via concrete ankerpunten die het proces verhelderen en tegelijk in de weg staan. Alle tegenstrijdige gevoelens tussen die jongere vrouw en oudere man komen aan bod, in het beleven ervan. Er is geen verteller die nadien of vanuit een overzichtelijke hoogte kan duiden of ordenen. En hoewel we zelf wel eens denken dat processen van reflectie en beslissen relatief rechtlijnig of ‘rationeel’ verlopen, verloopt dat alles in je hoofd veel rommeliger. Een fascinerend voorbeeld daarvan in het boek is de manier waarop de vrouw het mailverkeer met die leraar Engels aanpakt. Het is een amalgaam van twijfels, strategische zetten, zelfverfraaiing, irritatie en niet weten. De eindeloze rituele dans van aantrekken en afstoten met Xavier is een ander voorbeeld.

Als lezer moet je je gewoon een beetje uit handen geven aan het eigenzinnige avontuur dat dit boek is. Het is misschien in eerste instantie – als toegangspoort – vooral een tekstueel avontuur. Als je je gewoon zou afvragen wat er nu zo boeiend zou kunnen zijn aan Xavier en wat zij in hem ziet, dan loop je mogelijk al snel vast. Als je een min of meer afgerond ‘verhaal’ zou willen dat je ook netjes zou kunnen navertellen, dan zul je mogelijk verdwalen. Je zou dan in beide gevallen hopen op iets als een ‘hoofdweg’, die min of meer herkenbaar van a naar b gaat. Maar hier krijg je een beleving van teksten in verschillende lagen en registers, die in hun meerstemmigheid iets proberen te vatten van de complexiteit en onvatbaarheid van de (lichamelijk) beleefde menselijke ervaring. In de zijwegen gebeuren de dingen, zou je kunnen zeggen. In die teksten vind je dan ook nog verwijzingen naar bestaande literaire werken of films. Het is allemaal, in verschillende tempo’s, heel ritmisch. Als lezer moet je dat ritme volgen. Soms gaat het trager dan je zou willen, soms raak je buiten adem. Af en toe stelt het je geduld op de proef en moet je jezelf bij de les houden. Maar vaak voelt het als een groot genot om je te laten meevoeren. Het is uiteindelijk zo dat je het gevoel krijgt dat je door dit merkwaardige boek iets hebt begrepen over hoe de liefde beweegt en hoe het leven zich laat voelen, met alle verwarring en onvatbaarheid die daarbij horen. Het is een boek dat zich niet laat ‘vatten’, en dat maakt het zo goed.  

27 december 2025

Treinverdwijnen


Het is gekanteld, denk je. We zijn aan de andere kant van de lijn. De dagen gaan weer inademen. Elke dag een beetje meer. (Misschien kun je het horen als je goed luistert.)

Nog twee dagen te gaan, en dan. Eigenlijk ben je een beetje moe, maar het is goed. Er is al weinig volk in de trein. Misschien is het wel goed om nog even daar te zijn. Alles netjes opruimen, de dingen neerleggen.

Zoals elke dag zeg je merci tegen de poetsmevrouw. Zoals elke dag fluistert ze verlegen iets terug. (Wat zou ze zeggen? Misschien mag het altijd een mysterie blijven.)

De laatste dingen van het lijstje. En iets als een soort nieuwsonderhoud, om klaar te zijn in het nieuwe jaar.

Namen schrijven op omslagen, boodschappen op nieuwjaarskaarten, een stapel.

In het postkantoor, een lading postzegels.

In de boekhandel. De kerstcadeaus voor de familie. Een mooie stapel.

De nieuwjaarskaarten afwerken.

Een nieuwe dag. Op weg naar het werk de kaart binnensteken bij je dokter.

Alles zit in de postbus, nu gaan ze hun weg wel zoeken. (Iets valt van je schouders, en iets is ook een beetje verdrietig, al weet je niet waarom.)

Alles netjes achterlaten. Een lege afwasmachine. De planten nog extra water. De papierbak leeg.

Je lunchafspraak valt weg, zal voor later zijn.

Het is goed geweest denk je, je mag vertrekken. (Je zegt nog iets tegen de plek.)

Naar de winkel voor de kaasjes voor het kerstfeest. (Ze zijn er gek op, elk jaar.) Zo, dat is ook gedaan.

De volgende dag. (Het is vakantie nu, al dringt het nog niet helemaal door.)

De kinesiste duwt de deuken eruit.

Nog een korte vergadering, op het scherm.

Je fietst rond om nog enkele kaarten te bezorgen, en gaat op zoek naar nieuwe handschoenen. In de winkel valt het stangetje met alle handschoenen op de grond. Je verontschuldigt je bij de mevrouw. Voor de laatste kaarten wandel je de berg op. (De handschoenen zijn super. De warmte mag bij je blijven, denk je, het mag.)

(In de wereld daar maken mensen zich klaar voor kerstavond, je kunt het zoemen van de activiteit vermoeden. Je bent blij voor hen. En je bent blij dat je hier bent. Daar is het ‘zoveel’. Zoveel van alles. Zo samen, zo feest, zo gezellig, zo druk, zo veel, zo moeten.)

(De eerste dagen van een vakantie zijn altijd een beetje moeilijk. De vermoeidheid valt over je. Je ziet alles wat je zou moeten doen in het huis. En het zijn de laatste dagen van het jaar. Heb je alle nog resterende existentiële vragen opgelost? Niet echt.)

Je zit te lezen, in de stoel bij het raam. (Een plek aan de rand, aan de warme kant.) Je weet niet of je de planten buiten genoeg hebt beschermd. (Je zou het willen kunnen, die ijzige wind omleiden, zodat ze hen niet kunnen raken.)

Avond. Je zit te eten. Het is zo stil buiten. (Misschien zijn er nog meer mensen daar die zich, hoewel ze tussen anderen zitten, ontheemd voelen. Je wenst hen iets toe.)

Je krijgt enkele mooie berichtjes, stuurt iets naar twee meiden, ergens in de verte.

Een nieuwe dag. Je springt vroeg uit je bed en maakt alles klaar voor de grote reis naar je zus. (Hopelijk zullen alle treinen rijden.) Je vertrekt, met een zak vol boeken, en een zak met kaasjes. In het station praat je nog even met de mevrouw aan het loket.

De treinmeneer maakt er een heuse kerstshow van. Bij elke aankondiging hoor je belletjes rinkelen en spreekt hij met een voorname kerstmanstem. Terwijl hij door de gang loopt, roept hij: “Ho ho ho!!!” Je bedankt hem.

Een klein half uurtje bij de eerste overstap. Je loopt heen en weer over het perron. (Sommige mensen lopen gewoon in een korte broek of in een t-shirt…) Bij de tweede overstap heb je een half uur. Het is ijzig koud. Je gaat even zitten in het glazen huisje. Hier en daar op het perron zie je mensen die gestrand lijken, misschien hebben ze die nacht in het station geslapen, misschien is dit hun eindhalte in het leven. Bij de derde overstap loop je blij naar de trein. (De overdekte perrons zijn zo mooi hier, merk je telkens.) Het laatste stukje, je bent er bijna.

Het kerstfeest bij je zus. (Je bent zo blij dat je er bent.) De kinderen druppelen binnen. (Je hoort geweldig nieuws!) Ze vliegen op de kaasjes. Verhalen. (Proberen uit te leggen welke existentiële vragen je nog niet hebt opgelost.) Het ontroert je zo, gewoon naar hen zitten kijken. (Ineens zie je hoe oud je bent.) De cadeautjes. (Het is tijd om te vertrekken, je wilt nog op tijd weer thuis zijn vanavond.)

Een beetje verdwijnen in de trein. Je leest de laatste bladzijden van je boek. (Je moet er nog even over nadenken wat je ervan vindt.) Je bent een beetje bang voor de volgende overstap. Daar op dat station gaat het vaak fout, blijkt de internationale trein ineens niet meer te rijden. (En het was er al zo koud die ochtend.) Ineens verdwijnt de trein van het scherm. Hij is niet afgeschaft, zo blijkt, alleen een kwartier vertraging. De mensen op het perron die op die trein stonden te wachten, doen hun best om de koude niet te voelen, zo lijkt het. De trein rijdt binnen, eindelijk. Het is warm in de trein. (Nog één overstap straks, maar je ziet al dat er snel een andere trein komt na de aansluiting die je niet meer zult halen. Een warme gedachte.)

Weer thuis. Warme soep.

De volgende ochtend, vroeg. Je zet de vuilniszak en het oud papier buiten. Je probeert buiten op straat de wanordelijke hoop zakken en dozen een beetje beter te organiseren, zodat de ophalers die al snel zullen komen beter hun werk kunnen doen. (Waarom is het zo moeilijk voor sommigen om daar rekening mee te houden?)

Moet je vandaag ook één nuttig ding doen? (Je doet een nuttig ding.)

Je gaat op zoek in de stad naar dat ene boek dat je al een tijdje zou willen lezen, in het Engels. (Je vindt ook nog een ander boek.)

(Er is ook een sluimerend verdriet, tussendoor. De stille dagen zijn goed om te kijken.)

Je begint in je nieuwe boek. De stoel bij het raam. Je denkt na over het vorige boek, en wat je erover zult schrijven in je stukje.

Een nieuwe dag. Je bent zoals steeds de eerste klant in de winkel. Je geeft je nieuwjaarskaart af.

De rest van de dag mag gewoon komen. (Je kijkt.)

26 december 2025

Wild van een woeste droom


Wie ben je in het leven? Welke rol heb je wanneer te spelen? Moet je weggaan om bij jezelf uit te komen, of was er altijd al een onkenbare plek waaraan je niet kon ontsnappen? Misschien zijn dat vragen die iets zeggen over Wild van een woeste droom, van de Duitse Julia Schoch. Het gaat over liefde, maar misschien nog meer over het schrijven. Een leven schrijven, een geschreven leven zijn. Kijken naar de verhaalfragmenten die je zelf bent. In woorden die aanraken wat echt belangrijk is, en er tegelijk ook afstand van houden.

De ik-figuur in het boek is in het begin een jonge vrouw die aan de universiteit werkt en een beetje door toeval terechtkomt in een kunstenaarskolonie in het noordoosten van de VS. Op dat moment zou ze moeten werken aan haar proefschrift, maar dat lukt niet echt. Er dient zich ook de mogelijkheid van een literaire tekst aan, een boek dat ze zou kunnen schrijven dat cirkelt rond een gebeurtenis uit haar jeugd. Op die plek leert ze een man kennen, die enkel als “de Catalaan” wordt omschreven. Ze voelt zich – onverklaarbaar, want ze vindt hem niet knap – sterk tot hem aangetrokken. Hoewel ze thuis een man heeft, ontstaat er een soort vanzelfsprekende relatie. Het gebeurt. Er is een fysieke aantrekkingskracht. Hij lijkt een zekere macht over haar te hebben, maar zij beseft met terugwerkende kracht dat ze dicht wil zijn bij een man die schrijft, en dat blijkbaar als zijn hoogste doel heeft. Zo zelfzeker als hij is, zal zij nooit zijn, maar er is iets in gang gezet.

In het boek beweegt de stem van de verteller heen en weer tussen toen, een korte periode in het begin van haar huwelijk, en nu, nadat haar huwelijk voorbij is en haar kinderen groot. Al die tijd is de Catalaan ergens in haar achterhoofd gebleven, als een soort onbewust referentiepunt, als de mogelijkheid van een verhaal. Als ze hem bij het einde van het boek opnieuw in het echt tegenkomt, is er nog weinig magie. (Misschien was die magie er wel nooit.)

Het verhaal van de Catalaan wordt verbonden met het verhaal van de soldaat. Het vertellende hoofdpersonage groeide op in de voormalige DDR, en woonde als kind in een garnizoensstadje. Haar vader was officier in het leger. Als kind maakt ze in het bos kennis met een jonge soldaat die duidelijk niet op zijn plaats is in het leger. Ze krijgen een sterke band. Hij is een romantische ziel, die zich een beetje vastklampt aan de droom die hij in het meisje ziet. Zij zegt dat ze later boeken wil schrijven, al denkt ze dat ze dat niet zal kunnen. Hij wil haar overtuigen dat dat haar weg is.

Het is de volwassen vrouw die in die Amerikaanse kunstenaarskolonie in haar gesprekken met de Catalaan voelt dat het verhaal van de soldaat en het meisje haar boek zou kunnen zijn. De mannen uit die twee verhalen vormen voor haar een soort katalysator die haar er uiteindelijk toe zal brengen om voor de literatuur te kiezen.

De ik-verteller observeert de fragmenten van haar eigen leven, en observeert tegelijk het schrijven. Anderen geven misschien de indruk dat ze ‘grote’ keuzes maken, op allerlei kruispunten in hun leven komen, en dan heel bewust de juiste weg kiezen en niet meer omkijken. Zo gaat het niet in het leven van de vrouw in dit boek. Je voelt wel dat de uiteindelijke bestemming het schrijven is. Maar ondertussen zijn er nog al die rollen die je in te nemen hebt. Je bent iemand die aan de universiteit werkt. Je bent de vrouw van. Je bent de moeder van. Het loopt allemaal in elkaar over. Het trekt je aan en duwt je ook weg. Je bent ook mee bepaald door de plek waar je geboren bent, in die fase van de geschiedenis.

De ik-verteller is een twijfelende observator, die terugkijkt met een ingehouden nuchterheid. De vrouw is de optelsom van al die fragmenten. De jonge soldaat lijkt heel duidelijk voor een ander te weten wat haar enige goede bestemming is en welke prijs je daarvoor moet betalen. De Catalaan kan op een nogal arrogante zelfbewuste manier praten over de auteur die hij is. Bij haar is er uiteindelijk wel een plek waar ze terecht zal komen. Het was in zekere zin de enig mogelijke plek, maar elk moment is toch ook een moment van twijfel, van onbestendigheid. Ze beschrijft alles, reflecteert, twijfelt, en maakt de fragmenten die ze is. Je voelt dat er veel onderhuids is gebeurd, of je vermoedt dat toch. Veel wordt niet gezegd. Er blijft in de woorden ook veel afstand. Dat is soms als lezer ook een beetje moeilijk. De stijl van de zinnen is zeer uitgekleed, zonder franjes. Het is soms alsof je door de ogen van de ik mee probeert te begrijpen wat nu eigenlijk hoe heeft gewerkt. Je ziet dat die Catalaan een heel leven ergens aanwezig was als iets dat maar niet wegging, maar tegelijk voel je niet echt wat er nu eigenlijk zo bijzonder was aan die man. Het is soms alsof de emoties een beetje naar de achterkant van de woorden worden geduwd. Tegelijk zijn er veel reflecties, ook al even beknopt, over het schrijven zelf, wat het kan zijn en hoe het zich verhoudt tot het echte leven. Je voelt hoe het hoofdpersonage zelf worstelt met de woorden en alleen in het schrijven een soort rust lijkt te vinden. Woorden kunnen maar één keer gebruikt worden. Als je ze uitspreekt, kun je ze niet meer in een tekst gebruiken.

Als lezer worstel je soms een beetje met dit boek. Alles is heel helder en compact beschreven. Veel dingen worden niet gezegd, moet je zelf invullen. Je krijgt geen duiding van de verteller, die niet boven het verhaal staat. Je voelt dat er onder die gecondenseerde tekst een grote complexiteit schuilt. De stijl van het boek is in dat verband een kracht, en tegelijk een soort drempel die je als lezer een beetje weg lijkt te duwen. Het is een beetje alsof je als lezer mee het proces volgt van de ik-verteller die reconstrueert wat er gebeurd is en hoe dat doorwerkte in een leven. Dat is een proces van observeren van fragmenten die deels onkenbaar zijn en zo tegelijk construeren van een leven in woorden. De gecondenseerde woorden houden je als lezer wat op afstand. Die afstand is tegelijk een afstand in de verteller zelf, een vorm van constructieve twijfel die in zekere zin ook wijst op woorden die onontkoombaar zijn. Dat is dan misschien het enige antwoord op de “ontroostbaarheid” die blijkbaar een kenmerk is van het vertellende hoofdpersonage. Als je een ‘wilde droom’ hebt, dan moet je ervoor gaan, en moet je je leven schrijven.

19 december 2025

Bewegen in Bach


Een aftelweek, misschien is het dat wel, denk je. (Die dingen die je nog moet doen, op het lijstje. En daarna…) (Er mag nu geen enkele vraag meer bij komen, denk je. Geen ‘zou je ook nog even…’.)

Je denkt nog aan de vorige dag. Kinderen die er niet meer zijn. (Zouden ze de lichtjes zien? Je probeert te voelen, ergens in je, waar ze zijn, hoe het zou zijn om hen te verliezen. Je buigt het hoofd.)

Je krijgt een mail. Er is hard over de woorden nagedacht, zie je. Je antwoordt snel. (Misschien was je al verdrietig.)

Je wist het al. (Je bent hier nu.)

Die avond. Je schrijft het stukje over dat boek dat je zo goed vond. Het beweegt. (Je bent blij voor haar, hoopt dat zij alle aandacht zal krijgen.)

(Je kijkt naar jezelf. Hoe iets je terug wil trekken, na een afscheid. Het zal nog even aan je trekken, en dan verdwijnt het wel. Het maakt je moe.)

Een andere dag. Je maakt een kort praatje met de meneer van de krantenwinkel.

Je kijkt naar horloges. (Wat als hij dat oude horloge niet terug aan de praat krijgt? Waar moet je dan een nieuw kopen? Waarom zijn al die horloges die je op je scherm ziet zo lelijk? Ze zijn zo venterig.)

Je gaat naar de voorstelling van het verslag. Je luistert naar de verhalen. (De mensen die in het filmpje komen zitten naast je, zie je ineens. En ja hoor, uit de Kempen.)

Op weg naar huis. Je brengt het horloge binnen, hoopt dat die man met een nieuwe batterij het ding terug levend kan krijgen. (Het was het horloge van je moeder.)

Na de andere boodschappen ga je terug naar de winkel. Het is gelukt! Je bent zo blij. (Dingen die niet stuk gaan.) Je kijkt naar de secondewijzer. (Een geschenk.)

Die avond. Je maakt een lege plek in je hoofd. Het is het moment voor de tekst van je nieuwjaarskaart, nu moet het gebeuren. (Je wacht op een beeld. Er komt een zin. Er komt een beeld. Je schrikt er zelf een klein beetje van. Dit zal het worden, denk je.)

Nadien is iets in je heel rustig, merk je.

Een andere dag. De dag van de grote conferentie. In de voormiddag loop je de hele tijd rond met het fototoestel. Je luistert terwijl naar de verhalen op het podium. (Het is zo interessant allemaal.) Na de middagpauze heb je een panel te modereren. (Het horloge ligt naast je op de bank.) Je probeert het gesprek te zien, hoe het beweegt.

Daarna neem je het fototoestel weer over. Je kijkt en luistert naar de mensen in het volgende panel. (Wat is ze goed, die vrouw in het panel.) (Gedurende tien seconden ben je even helemaal verliefd op haar. Misschien wel elf.) Na de conferentie ruim je mee op. Je maakt je klaar om nog wat spullen terug naar kantoor te brengen. Op de trap loop je ineens naast de mevrouw uit het panel. (Zou je iets tegen haar durven zeggen?) Ze spreekt je zelf aan. Je stottert een beetje terwijl je haar de vraag stelt die je haar wilde stellen. Ze weet meteen waar je het over hebt, je krijgt een interessant antwoord.

Die avond. De dansvoorstelling. (Je hebt onverwacht nog een kaart over, gaat die afgeven aan het onthaal. Geef ze maar aan iemand op de wachtlijst. Als je zo iemand gelukkig kunt maken, ben jij het ook.)

De vrouw stapt langzaam op het witte dansoppervlak. De klaviermuziek van Bach begint. Ze danst. Je probeert te lezen wat je ziet. Ze is een beetje ouder dan jij bent, denk je. Het is alsof ze elke keer weer, letterlijk of figuurlijk, in het vlak moet stappen waar het gebeurt. En dan is het telkens alsof de pianoklanken door haar heen bewegen. Ze lijkt soms te observeren wat die klanken met haar doen. Alsof het elke keer de eerste keer is. Het is niet de muziek die je ziet. Er lijkt telkens iets te rafelen, net naast de muziek. De klanken lijken niet te twijfelen aan zichzelf, het lichaam wel. Na het stuk spreekt ze nog even het publiek toe. Voor het eerst zie je haar glimlachen. Ze roept haar danspartner erbij, ze zullen nog een toegift doen. Ze dansen samen nog op twee stukjes uit hetzelfde boek van Bach. En het is zo mooi. Ineens lopen de tranen over je gelaat, onverwacht.

Traag loop je door de nacht weer naar huis. Je bent blij dat je niets moet zeggen nu tegen iemand. (Al zou je het niet erg vinden als iemand met haar arm zou inhaken, om zo samen zwijgend verder te stappen.)

Een andere dag. Je moet die ochtend nog enkele dingen maken voor het kerstetentje straks op het werk.

Wanneer je vertrekt, zie je die wonderlijk mooie lucht. (Alsof je even niet alleen bent. Alsof iets je omhult.)

Tussen de drukte door probeer je nog wat te werken. (Je hebt nog dingen in te halen, door de conferentie van de vorige dag.) Je bent blij dat die voorziene vergadering is weggevallen.

Samen rond de tafel. Veel verhalen. (Terwijl buiten op straat de boerenbetoging voorbij trekt, met veel lawaai.) Je bent een beetje stil, kijkt naar de dingen. Het is goed. Je schuift al vrij snel weer weg van de tafel. (De afwasmachine vullen en laten draaien. Terug naar je bureau gaan om in die lege plek verder te werken.) En later zijn er ook nog cadeautjes.

Die avond. Je ziet iemand die je kent in het journaal. Je stuurt haar een berichtje.

Nog een dag. Het zal al een beetje stil zijn op het werk. Je puzzelt de vrijdagtekst in elkaar. (Na vandaag mag die twee weken in vakantie. Het mag, denk je.) Je luistert naar de muziek van Bach van tijdens de voorstelling. (Een plek, denk je. Je kunt die plek al aanraken. Je weet niet of je ook in die plek zou kunnen staan.)

In de trein op weg naar huis. Je begrijpt iets over hoe oud je bent.

Thuis. Misschien is het nu wel tijd om dat kleine houten kerstboompje op te stellen. Met de lichtjes.

15 december 2025

Archief van mogelijk verlies


Het is moeilijk uit te leggen hoe diep dit heel bijzondere boek van Tine Hens me heeft geraakt.

Verhalen over wat we dreigen te verliezen, wat aan het verdwijnen is onder onze ogen. Het gaat over gletsjers, de olm, de paling, de sneeuw, en nog zoveel meer.

Er gaat een verwarrende troost uit van dit boek. Het doet je op een bepaalde manier goed om door deze verhalen zoveel dingen te zien, nog even dichtbij te voelen. Die troost is tegelijk verdriet en kwaadheid. Het doet pijn, heel erg veel pijn, om nog eens alles op een rijtje te krijgen. Het hele verhaal, dingen die je nog niet wist. Het maakt je kwaad, heel erg kwaad, om te lezen hoe tegelijk doelbewust en achteloos de vernietiging vorm krijgt. Het had anders kunnen zijn, het was en is wel degelijk mogelijk om andere keuzes te maken. Je voelt je innerlijke razernij om zoveel verlies, en tegelijk voel je een nabijheid bij zoveel schoonheid, dankzij de verhalen.

Het is een heel erg mooi boek. Met heel veel heel erg mooie en heel persoonlijke zinnen. Aan elke zin is gewerkt, en het is alsof je de hele tijd de stem van Tine kunt horen. Je kunt als het ware door de zinnen heen zien wat er onder de huid van de woorden beweegt. De heel erg mooie houtsneden van Jan De Kinder geven het boek een soort adem waarin je je een beetje kunt neerleggen.

Ik dacht de hele tijd iets als: hoe je een boek kunt zijn.

Het is waar we nu zijn aanbeland, als mens. Op een punt waar je te kijken hebt, om te leven in waarheid. Dit boek schrijft over wat verdwijnt, wat verloren zou kunnen gaan, en blijft tegelijk. Het boek is een vorm van blijven, rechtop blijven staan in verzet. Als je jezelf uit handen geeft aan dit boek, zie op elke bladzijde de verwondering. Verwondering is misschien wel een van de grootste vijanden van het cynisme.

Eigenlijk is dit vooral een boek over liefde. Een bijna ondraaglijke liefde. Het is een geschenk.

Dit boek zou moeten gelezen worden door onder meer die politici die zichzelf zo belangrijk en stoer en ‘realistisch’ vinden, die dit overweldigende verpletterende verlies omschrijven als ‘de prijs die we moeten betalen voor onze welvaart’. Ik denk dat ze het boek liever niet willen lezen. Als je eenmaal de verwondering toelaat, kun je niet anders dan zien dat er geen scheiding is tussen ons en de rest van de natuur, we zijn elkaar. Maar voor nederigheid is moed nodig. En misschien zijn ze wel vooral bang van de liefde, denk ik wel eens.

Om maar te zeggen: Archief van mogelijk verlies, het is een noodzakelijk boek.

13 december 2025

Dingen die stuk gaan


(En om een of andere reden denk je dat de tijd vorig jaar toch trager ging. Dat dacht je vorig jaar trouwens ook. Dat het al half december is, het is eigenlijk onvatbaar, denk je. En dat soort dingen.)

Die heel gevulde week nog, denk je. (Als ik die min of meer in één stuk doorkom, komt het wel goed.)

(Het was toch ook de afspraak met de kosmos dat die verkoudheid sneller helemaal voorbij zou zijn? Hoezo afspraak, zegt de kosmos?) (Leven in onbestendigheid, een dagelijkse oefening.)

Je denkt nog aan die serie waarvan je de laatste afleveringen de vorige avond zag. (Je hebt zitten roepen tegen het scherm, je hebt zitten wenen, alles. Dat die man dertig jaar door kon gaan, vooraleer men hem eindelijk kon pakken…) Je bent er midden in de nacht van wakker geworden, in een kramp. Je ziet die vrouwen de hele tijd voor je. (Iets in je huid voelt alles, zo lijkt het.)

Die avond, de vergadering, voor het scherm. (Je bent eigenlijk wel blij dat je thuis kunt blijven.) Een boeiende discussie.

Een andere dag. De controle bij de tandarts is goed. (Je doet het nog goed voor je leeftijd, blijkbaar.) Je hoort een geweldig verhaal over duiken, en onder water ruzie krijgen.

Twee vergaderingen. Je bent blij haar terug te zien, na zo lang. (In je hoofd ben je die andere vergadering al verder aan het voorbereiden.)

Verhalen van de collega’s. Ze weven zich tussen de dingen.

Die avond. Een nieuwe klimaatwake. Je hoort hoe ze vertelt over haar boek. (Je hebt het bijna uit ondertussen.) Het ontroert je weer erg. (En je denkt ook: dit verhaal is genoeg.)

Een andere dag. Het is de sterfdag van je moeder, zie je. Vijf jaar al. (Beelden komen terug van die dag. Hoe het was, daar, toen, samen met je zus.)

(Alle dingen die je denkt, en niet denkt, alle dingen die je zou moeten denken, en niet denkt. Of zoiets.)

Je werkt nog de laatste dingen af voor de vergadering van de volgende dag. (Je wilt dat alles netjes voorbereid is.)

Die avond. (Eerst naar huis, dan terug naar de grote stad.) Je zoekt een plekje in de zaal. De twee sprekers op het podium voeren een boeiend gesprek. (Soms denk je: nee, soms denk je: ja. Soms heb je geen zin in telkens opnieuw dezelfde vragen. Doe iets, denk je.)

In de trein terug lees je verder in het boek.

Een andere dag. Die ene vergadering. Je hebt alles goed voorbereid. Alles loopt vlotjes (behalve de techniek, af en toe). (Eigenlijk maakt het je zo gelukkig, die mensen bezig zien. Hoe het gegroeid is, hoe de dingen bewegen. En dat je daar een klein schakeltje van mag zijn.)

Die avond, gewoon thuis. (Nu eerst even de douche schoonmaken.) Je werkt de dingen bij, de punten op het lijstje.

(De nacht is diep.)

De volgende dag. Het ritueel van de vrijdagtekst.

Het prutswerk om die ene tekst op de website te krijgen. (Uren heeft het je al gekost.) (Het is waarschijnlijk ook een oefening in onbestendigheid. Een tekst die zich niet wil neerleggen.)

Weer eerst even naar huis, om dan weer terug te keren. Weer een avond in dezelfde zaal. Dit keer is het de grote zaal, waar je onlangs nog je grote held zag zingen. Dit keer zit je in een loge, zie je nog beter hoe groot de zaal is. De drie Franse sprekers komen het podium op. Meteen al een overweldigend onthaal. Het gesprek danst zwierig alle richtingen uit. (Dit is zo Frans, denk je de hele tijd. Wat een spektakel. Mensen die kijken naar mensen die gedachten formuleren en laten dansen.)

Je bent moe, in de trein terug. Je leest nog een stukje in het boek.

(Die nacht denk je aan dingen die je zou willen zeggen in de vergadering de volgende dag. Iets met een afscheid.)

De volgende ochtend. Boodschappenronde. Alle spullen op het aanrecht.

Op weg naar de trein loop je nog even om langs die alternatieve kerstmarkt. (Die kun je nog net aan, zo lang maar niet naar de ‘niet-andere’ moet gaan…)

Trein met hindernissen. Beetje te laat. (En erg moe, merk je.)

In de vergadering. Dingen die je al wist, eigenlijk. Misschien wou je een bevestiging. (Je lichaam heeft al beslist, denk je, voel je.) Je vertrekt voor je de dingen hebt kunnen zeggen die je wou zeggen, je hebt een trein te halen.

(Waarom kan die ene man niet gewoon stil zijn, dit is de stiltewagon?)

Je leest de laatste bladzijden van het boek. (Het heeft je zo diep geraakt…)

Net op tijd thuis, voor je bezoek arriveert. Verhalen.

Na de afwas. Je horloge valt op de grond, het is stuk. (Verdrietig.) (Is dit ook een oefening in onbestendigheid? Misschien heb je nog dat horloge dat je van je moeder kreeg? Misschien werkt dat nog?)

Je zoekt naar dingen die niet stuk gaan. (Je weet – interne dialoog – dat dingen nu eenmaal stuk gaan, jijzelf ook, en dat daarmee geconfronteerd worden ongetwijfeld goed is voor je spirituele ontwikkeling.) En ineens zie je het potlood met de twee kanten, rood en blauw. Iets van vroeger, dat zomaar gebleven is, misschien zonder functie in deze tijd, maar het is bij je gebleven.

05 december 2025

Hij komt, hij komt


Nog een beetje moe na het drukke weekend, de drukke weken, ben je op weg voor de conferentie. Je zoekt een plekje in de trein. (Die hoek zou je mooi kunnen omarmen, daar is het veilig.)

De vrouw die net is ingestapt lijkt zo onrustig. Ze begint precies heel uitvoerig alle spullen uit haar tas te halen om ze daarna weer in te laden. Ze gaat zitten, staat weer op, gaat weer zitten. (Zou ze altijd zo zijn? Op de vlucht voor iets.)(Er zijn zoveel verhalen.)

Je hebt de conferentieplek gevonden, ziet dat er veel bekenden zijn. Je neemt een plekje in de zaal. D vrouw die je twee dagen eerder ook al zag spreken geeft haar lezing. Je vindt het nog altijd even indrukwekkend. (Soms zeggen mensen dat je te snel gaat tijdens een presentatie. Ze stelt je door haar verhaal helemaal gerust, je zult altijd trager zijn dan zij is.)

Net na het verhaal van de laatste spreker glip je weg, je wilt een trein halen. Het lukt nog net, zelfs eentje eerder dan waarop je had gerekend. (Misschien stap je toch snel, zoals sommigen zeggen.) Sommige mensen zijn heel goed in: mijn handtas heeft absoluut ook een eigen zitplaats nodig + (variant a) ik ben heel druk bezig en door die koptelefoon kan ik echt niets horen / (variant b) ik kijk brutaal voor me uit, alsof ik hier absoluut recht op heb. (Vermoeiend.)

Je loopt nog even langs de winkel, die na de verbouwing voor het eerst weer open is. In de winkel loop je een klein beetje verloren. Je kunt de winkel nog niet goed lezen. (Ben je zelf leesbaar?)

Een andere dag. Een ontmoeting met een groep studenten. Ze ontroeren je.

Je hebt een bijzonder bericht gekregen, dat je erg ontroert. (Het is alsof het lagen in je lichaam aan het denken zet.) Je probeert traag te antwoorden. (Je denkt aan verhalen.)

Op tijd naar huis, om daar dan op tijd weer te kunnen vertrekken. (Even moet je daar zijn, op die plek. Het is alsof je de plek door de drukte van de voorbije weken een beetje hebt verwaarloosd. De planten zijn blij dat ze je zien. Je maakt eten, en vertrekt dan.)

Het is een gewoonte voor die vergadering. Het lijstje dat je maakt in de trein, met mogelijke voorstellen. Zodra het klaar is, kun je verder lezen in het mooie boek. Het verhaal van de leeuwerik.

Je vertrekt op tijd weer uit de vergadering, je hebt nog enkele drukke dagen voor de boeg. Iemand vraagt wat er dan zal gebeuren met je lijstje, dat ze nog niet gehoord hebben. Je glimlacht. In de trein zoek je een plekje dat goed past bij het boek.

Terwijl je naar huis loopt, voel je iets kriebelen in je keel. (Het zal toch niet…) En dan ineens kom je haar tegen. Je had net nog aan haar gedacht, alsof je wist dat je haar tegen zou komen, die grote meid. De verhalen worden uitgewisseld. Een stevige lange knuffel. (Een geschenk, dat je haar nog even mocht zien. Alsof het dit was wat op deze dag nog moest gebeuren.)

Een andere dag. in je hoofd zie je het lijstje voor de volgende dagen. Nog enkele belangrijke dingen te gaan, eer het weekend is.

(Welke verhalen zul je vertellen bij de kinesiste?)

Je probeert alles af te werken dat je had voorzien voor de ochtend.

(O ja, ik ging nog dat webinar volgen. Hoe krijg ik dat er nog tussen?)

(O ja, morgen moet ik naar die conferentie, dat ook nog.)

Je probeert het webinar te combineren met de dingen van de middagpauze. (En je hebt nog altijd niet op die ene mail kunnen antwoorden. Ze zal wel begrijpen dat je een lege plek moet hebben om dat rustig te kunnen doen.)

Het stukje dat je nog te schrijven hebt. (Je hebt maar zoveel tijd, dan moet de tekst er zijn.) Je hebt de structuur ongeveer in je hoofd, schrijft dan in één lange beweging. (Dit moet het zijn, as good as it gets. Je hebt nog net de tijd om het een keer snel na te lezen.) Daarna moet alles weg voor die ene vergadering.

Voor je die avond naar de vergadering vertrekt, heb je nog net de tijd om het stukje in te lezen. (Het moet in één keer goed zijn. En die kriebel in je keel is al iets forser geworden.)

De vergadering. Je kijkt naar het gesprek, noteert de dingen in je schriftje. Je denkt na over een beeld.

Na de vergadering, weer thuis, breekt de verkoudheid ineens door, zo lijkt het wel.

(Een nacht in etappes, alsof je een beetje koortsig bent en er allerlei psychedelische dingen gebeuren in je hoofd.)

De volgende dag. Een klein beetje wankel loop je naar de trein. (Het komt wel goed.)

(Tussen alles door moet je ook nog die andere vergadering voorbereiden.)

Je vertrekt naar de conferentie. Je loopt door de andere stad, blijft nog even staan bij de boekhandel, zoals altijd wanneer je door deze straat komt. Je ziet veel bekenden. Je zoekt een veilig plekje in de zaal. (Je hoofd is een klein beetje mistig.) De verhalen zijn boeiend.

Je haalt een eerdere trein dan waar je op hoopte. Maar hij wacht nog even.

Even thuis, voor je weer vertrekt, naar de boekvoorstelling.

Jij mag het gesprek modereren. De verhalen op de sofa zijn zo mooi. (Je hoort iets over hoe traag en rustig het gaat, de bodem die zich weer herstelt onder het oppervlak. En je denkt: ik zou nog heel lang en heel traag willen luisteren naar jullie verhalen.)(Een geschenk.)

(De nacht is minder rusteloos.)

Een andere dag. Je zou alleen maar rustig willen knutselen aan de vrijdagtekst. (Je nagels zijn geknipt, je kunt nog zachter de toetsen aanraken. Alsof er iets te weten is, in dat ritme. Iets van je huid.)

En de Sint komt langs, ineens staat hij daar. (De Sint kan overal zomaar binnen, maar dat wisten we al natuurlijk.) Je vraagt of hij even bij op de bank komt zitten. Je vraagt of hij verhalen heeft. (Vertel me verhalen, denk je.) Hij kijkt je een beetje vermoeid aan, en dan glimlacht hij. Stel je voor dat mensen dat in hun brief aan de Sint zouden schrijven: ik wil graag verhalen. Hij vertelt een mooi verhaal, over een liefde van vroeger, en hoe hij sindsdien onderweg is. Hij bedankt je. (Misschien hoopte hij er stiekem op, dat iemand hem de verhaalvraag zou stellen. Alsof het dit was wat op deze dag nog moest gebeuren.) Hij legt nog wat lekkers op je bureau, en dan vertrekt hij weer. Je blijft nog even op de bank zitten, en gaat dan weer verder aan het werk. Het is goed zo. 

29 november 2025

Lege vrijdag


De week start met een hindernis. Er zullen minder treinen zijn, enkele dagen. (Wat doe je met je treinverlangen?)

Eerst nog een vergadering, daarna snel hollen naar het perron, om die ene trein te halen. (Fascinerend, er rijden zo weinig treinen, en toch een vertraging. Misschien is het een vorm van poëzie.)

En na even blijkt dat je zelfs niet alleen bent op het werk. Het heeft iets rustigs, horen hoe je collega zit te werken achter je, aan de andere kant van de wand. (Misschien is het zoals je graag alleen bent, wetend dat er nog mensen in de buurt zijn.)

Je denkt nog aan die ontmoeting met de andere zestigjarigen, in je geboortedorp. (Het bracht meer teweeg in je hoofd dan je had verwacht.)

Dus ook wat vroeger weer vertrekken. (Er zijn nog meer mensen op hetzelfde idee gekomen, zo blijkt.)

Die avond, een boeiende discussie. (En je denkt bijna de hele tijd aan iemand die er niet meer is. Je zou haar naam willen kunnen zeggen, zodat zij er ook een beetje bij is, maar je kunt het nog niet.)

Een andere dag. En weer ben je toch niet alleen op het werk. Een collega die terug is van de andere kant van de wereld.

(Er is een ritme, denk je. Soms wil je in dat ritme zijn.)

Die ene trein terug die je wilde nemen is afgeschaft. Je neemt een eerdere, die een omweg maakt langs een andere stad. (Er is een ritme in dit rijden, denk je.) Je hebt de tijd om enkele artikels te lezen.

(Je hebt nog een lijstje dingen te doen. In je hoofd probeer je alles dat nog komt de volgende dagen en weken netjes naast elkaar te zetten, zodat je alles een voor een kunt doen.)

Een volgende dag. (Latere treinen nemen, en telkens mensen tegenkomen met een heel verhaal. Het is ook goed.)

(Je denkt toch al aan de avond, of je met die trein wel op tijd zult zijn voor de boekvoorstelling. Oefenen in vertrouwen.)

Nog even over huis. Om daar gewoon nog even te zijn, eten te maken, op te ruimen, voor je weer zult vertrekken. (Zodat je daarna ook rustiger thuis kunt komen. Misschien is vertrekken een deel van het thuiskomen.)

Onderweg in de stad kom je een vriendin tegen die je al lang niet meer zag. Ze vertelt je een verhaal dat je een beetje droevig (en opstandig) maakt. Je moet vertrekken, zeg je. (Je had nog wel meer willen horen, denk je, maar het is niet anders.)

Terwijl je staat te koken, krijg je het bericht waar je al enkele dagen op wachtte. Dat iemand er niet meer is, je wist het al, nu kun je het ook lezen. (Woorden zien, het verandert de dingen.) Wat al enkele dagen sluimerde, het beweegt in je, merk je.

Je neemt die ene trein, je bent op tijd voor de boekvoorstelling. En het is zo mooi. Je kijkt naar dat stuk ijs, een stuk van de gletsjer. Je luistert naar geluiden van dingen die verdwijnen. (Het is een boek over de liefde, denk je, een ondraaglijke liefde.) Ze schrijft nadien nog iets in je boek, de tekenaar tekent een boom. Je loopt rustig terug naar de trein. Er zijn weinig mensen in het station. (De volgende dag zal de normale drukte weer terug zijn, denk je.)

Een volgende dag. Alle treinen zijn er weer. Iedereen is er weer op het werk. Verhalen.

(Je denkt de hele tijd aan iets dat je zou willen vragen. Het zal voor een andere keer zijn, denk je.)

Die avond. Thuis, en al snel vertrek je weer. Je loopt even verkeerd in het gebouw, tot je hen vindt. De zoon van een collega geeft een concertje. De ruimte is wonderlijk ingericht. Je zoekt een plekje op de grond, tegen de muur. De muziek ademt, als een plek. (Even denk je aan de wereld buiten.) Het is mooi, te zien hoe hij samenvalt met de plek die hij zelf gemaakt heeft.

Een volgende dag. Je werkt thuis, voor de verandering.

Even mag je in die ene vergadering zitten, zoals elke maand. Je loopt door de stad weer naar huis. (Wat wil je buik je zeggen?)

Je probeert de dingen af te werken, moet het ritme van de dingen volgen, en dat is wel goed.

(In de wereld daarbuiten is het blijkbaar een zwarte vrijdag. Er was niet aan te ontsnappen, merkte je de vorige dagen in zoveel reclames en artikels. En het maakt je droevig.)

Je kunt nog een stuk van de studiedag bijwonen. Het doet goed om enkele mensen terug te zien. (Je wilt een verhaal horen, iets over moederschap.) Bij het napraten leg je uit hoe het uitstellen van genot een van je kerncompetenties is. (Waarna die ander dan maar een extra praline neemt.)

Je fietst door de stad voor de weekendboodschappen. Een mooi gesprek aan de kassa.

Je staat te koken, blij dat je weer gewoon thuis bent. (Je vraagt je af hoe het komt dat je zo verdrietig bent. Je kijkt, laat het. Er is iets dat je zou kunnen verlangen nu, al weet je niet wat.)

Een andere dag, vroeg. Je wacht nog heel even op de postbode, zodat je de kranten nog mee kunt nemen.

Een vergadering waar je voor het eerst bent. Je zult er de plaats innemen van een vriend, die je onderweg nog alles uitlegt. Jullie zijn goed op tijd. Je kijkt naar hoe de dingen bewegen. (Misschien is elke vereniging een plek.)

Je loopt door de stad naar je andere afspraak, het jaarlijkse festival. Je zoekt een plekje bij de boekenstand, in de zaal waar later een gesprek zal zijn waar je naar uitkijkt. Je hebt een mooi gesprek met een van de organisatoren. (Zij zal later nog jouw boek kopen.) Iemand komt je zeggen dat je er in het echt jonger uit ziet dan op de foto van je boek.

Wat als gesprek voorzien was, is veranderd in een lezing. De andere spreker heeft zich last minute moeten verontschuldigen. De vrouw op het podium begint aan haar lezing. Als een wervelwind gaat ze door haar presentatie, met veel vuur, van de ene naar de andere redenering. Ze reageert al even snel en flitsend op alle vragen. (De hele tijd denk je: wat een ongelooflijk brein heeft die vrouw…, woew! En je bent ook wel blij dat je haar binnen enkele dagen nog eens opnieuw kunt horen met dezelfde lezing. Jouw beperkte hoofd kan dan misschien nog beter begrijpen wat ze allemaal heeft gezegd.)

Je loopt met een vriendin terug naar het station, of doet een poging. Je moet je wurmen door een eindeloze mensenmassa die als een grote blubber door de straat beweegt. (Het maakt je droef.)

In de trein. De twee kleine jongetjes bij het gezin naast je zijn moe en rusteloos. Het is mooi, hoe de mama en de papa alles doen om hen nog even bezig te houden. De oudste van de twee komt nog even naar je toe, om gekke bekken te trekken.

Het is goed om weer thuis te zijn. (De volgende dag moet je ook weer vroeg op, om een panel te modereren.)

Je zoekt naar trage dingen in het huis, ziet de koffiemolen. In het weekend maal je de koffiebonen zelf. Het is een vorm van wachten. Misschien is het een lege plek, waar je naar kunt kijken.   

25 november 2025

Het jubileum


Hoe je zou schrijven met een zachte hardheid. Hoe je zou vertellen met een rustige, bijna sierlijke, maar genadeloze precisie. Hoe je, met terugwerkende kracht, akte neemt van de gruwel van het leven in een gezin dat gedomineerd werd door een wrede en tegelijk onzekere man. Hoe je naar het systeem van de man kijkt door de vrouw te beschrijven. Hoe dat misschien, in een ander geval, een kans zou geworden zijn tot verzoening. Hoe het uiteindelijk laat zien wat er voorafging aan een moment, een keuze die onherroepelijk was, een moment dat tien jaar later wordt herdacht. Het schrijven, hoe nauwkeurig ook, bevestigt alleen maar een ‘daar’, met een oceaan tussen hier en daar. De verteller legt de lege plek in zichzelf bloot, door te vertellen. Een plek die misschien geen macht meer heeft, maar wel leeg zal blijven. Al is er wel ruimte om verhalen te vertellen, en zo een nieuwe plek te zijn.

In zijn boek Het jubilieum doet de Italiaanse auteur Andrea Bajani het allemaal. Het is een heel bijzonder boek, dat je in één beweging uitleest. Er gaat een merkwaardig soort rust uit van dit boek, dat nochtans de weergave is van de nachtmerrie die een gezin kan zijn. Een gezin dat in gecomprimeerde versie een soort kruispunt is van een groter patriarchaal systeem. De ik als verteller vertelt alles met afstand in de tijd. De ik als auteur zegt in de tekst dat hij een roman schrijft, waardoor hij misschien dichterbij kan komen, door afstand te nemen.

Bij het begin van het boek zegt de ik-verteller dat het tien jaar geleden is dat hij letterlijk afstand nam van zijn ouders. Na een laatste bezoek, waarbij zijn moeder hem nog achterna kwam, was het gedaan. Hij heeft hen nooit meer gezien, veranderde van huis, continent, telefoonnummer. En nu, tien jaar later, gaat hij in zijn hoofd terug naar toen, naar alles wat er vooraf ging aan dat moment. Hij heeft nu zelf zijn eigen gezin, het is nacht, en hij zit te schrijven.

Waarom is hij uiteindelijk definitief weggegaan, nadat hij eerder al afstand genomen had, maar nog telkens terugkwam op bezoek? Dat beschrijft hij in een zachte toon, die in zekere zin daardoor harder wordt. Het gezin, man en vrouw, zoon en dochter, lijdt onder de soms directe en vaak ingehouden of onderhuidse terreur van een dominante en agressieve vader. In wezen is hij een onzekere en bange man, die mogelijk uit een vorm van compensatie de totale controle wil over zijn eigen gezin en het blijkbaar vanzelfsprekend vindt dat hij dat mag doen. Er is een maatschappelijke norm die dat legitimeert. Zijn vrouw is eigenlijk een stuk intelligenter dan hij, had het verder kunnen brengen, had een rijker eigen leven kunnen hebben, had een andere vrouw kunnen zijn. Maar zij is volledig ingekapseld in het net dat hij nauwkeurig rondom haar heeft uitgeworpen. Zij is leeg geworden, een niemand, die alleen mag zijn wat hij toestaat dat ze is. Ze wordt volledig door hem gecontroleerd.

De verteller vertelt zijn verhaal over zijn jeugd in dat gezin door haar te beschrijven. En dat een beetje tot zijn eigen verbazing. Nooit had hij gedacht dat hij over haar zou schrijven, omdat er – zo leek het toch – helemaal niets te vertellen was over haar. Het is alsof, een beetje onverwacht dus, er ineens een stroom op gang komt van herinneringen en beelden. Ze worden niet als een stroom verteld, maar als een geduldig beschrijven van een volgend facet. Met elk stuk zie je de nachtmerrie een beetje beter. De verteller vertelt met grote precisie. Op basis van een aantal elementen achteraan in het verhaal krijg je als lezer de overtuiging dat die kalme precisie als het ware het betere alternatief is voor wat anders agressie zou zijn. Die toon maakt het geheel, met een soort verwarrend lichtheid, genadelozer dan wanneer het een openlijke afrekening zou zijn geworden.

Als lezer verwacht je (of hoop je een klein beetje) dat het terug uit het duistere niets halen van de moeder zal leiden tot iets van een zekere genade. Maar zo werkt het niet. Het is de kracht van dit boek, als roman, dat iemand die verplicht was een ‘niemand’ te worden de hele tijd vooraan in beeld staat. Je ziet haar leven, je ziet wat ze heeft moeten opgeven, je ziet wat haar is aangedaan. Je kunt vermoeden hoe intens haar pijn moet zijn, maar je ziet ook hoe ver die is weggeduwd onder een zelf geconstrueerd harnas van een onverschilligheid uit noodzaak. Je merkt, soms aan kleine details, hoe totaal verstikkend dit alles is voor de ik-verteller. Je ziet ook heel goed hoe het toxische systeem van dit disfunctionele gezin werkt, waarbij de nachtmerrie een normaliteit geworden is. Pas door het afstand nemen kan de verteller stilaan zien hoe het was. Bijna buiten zijn besef om maken de dingen (en zeker ook zijn lichaam dat in opstand komt) hem duidelijk dat hij hen moet achterlaten om zichzelf te redden.

De tragiek van dit alles zit in de onbeweeglijkheid van het systeem. Bij de moeder zijn er enkele momenten van verzet geweest, maar ze is telkens – al dan niet gewillig – teruggekeerd naar die pijnlijke leegte, die nog het enige was wat ze herkende. In een gruwelijk soort verzet van het slachtoffer, bijna een vorm van sublimatie, kiest ze voor een positie van totale overgave, waardoor ze paradoxaal genoeg aan haar man laat voelen dat ze niet bang is van hem. En daardoor verliest hij, de kleine dictator, in zekere zin toch nog, hoewel zij het moet bekopen de hele tijd. Het is een duivelse dynamiek. Je voelt als lezer hoe de zoon op een aantal momenten probeert zijn moeder te beschermen, misschien wel wil redden als hij zou kunnen, maar daarin afgewezen wordt door zijn moeder. Die vaststelling weerspiegelt zich, zo voel je, in een lege plek in hemzelf. Hij heeft als kind geleerd hoe hij zich moest gedragen als zoon, van wie verwacht wordt dat hij van zijn ouders houdt. Maar de onveilige situatie thuis heeft gemaakt dat hij – ook in afwezigheid – geen warme plek kan voelen in zijn lichaam waar de moeder zou zijn. Een plek die door het schrijven van een boek als het ware weer groter had kunnen worden. Maar dat is niet zo. De breuk was de enige manier. Als later blijkt dat zijn vader en moeder op geen enkele manier nog weg raken uit de rol waarin ze terechtgekomen waren, kan hij voelen – aan de andere kant van zijn oceaan – dat hij niets voelt. Het schrijnende moment van het afscheid van zijn moeder, tien jaar geleden, liet heel even een glimmer zien. Een vrouw die beseft dat ze alles zal verliezen wat ze had, maar weet dat het toelaten daarvan tot een totale implosie zal leiden. Door jarenlang preventief die pijn te willen vermijden, had ze al alles verloren, ook al betekende dat een zelfgekozen uitwissing van wie ze was voor een man die haar tot een niets wilde maken, enkel om zijn eigen wankele ik niet onder ogen te moeten komen.

Met Het jubileum heeft Andrea Bajani een zacht maar keihard boek geschreven. De kalmte is bedrieglijk. Het boek als roman is een overwinning op het zwarte gat dat de verteller beschrijft, door zijn moeder in beeld te brengen, wat op zich dan weer een vorm van wraak is op zijn vader die haar onzichtbaar wilde maken. In het verhaal zit er geen troost, in de roman wel. Er is een andere wereld mogelijk, aan de andere kant van de oceaan. De roman is zelf de plek geworden die er vroeger nooit was.