24 augustus 2025

De kraanvogels vliegen naar het zuiden


En dan is je laatste lente, je laatste zomer, je laatste herfst daar. Je lichaam begint het op te geven, kan je niet meer dragen. Er zijn nog zoveel herinneringen. Je zou willen dat iets blijft zoals het is, zodat je minder eenzaam bent. Je zou zo graag dingen willen zeggen die je nooit gezegd kreeg. Maar je lichaam hapert, het draagt een zware erfenis, en het is zo moeilijk om te ontsnappen aan wat je leerde over hoe mannen met elkaar omgaan. Je dierbaren kijken toe, willen het beste voor jou, en misschien ook wel voor zichzelf. En ondertussen blijven de seizoenen bewegen, trekken de vogels weg, ook al laat het leven jou los. De Zweedse Lisa Ridzén maakte er met De kraanvogels vliegen naar het zuiden een heel aangrijpend en teder boek over.

Het boek vertelt het verhaal van Bo, gezien door de ogen van Bo. Hij is 89 en woont nog in zijn huis, erg afgelegen. Maar dat is niet altijd een pretje. Zijn vrouw verblijft in een verzorgingshuis voor mensen met dementie. Hij krijgt drie keer per dag iemand over de vloer die hem verzorgt en de dingen in huis doet. Zijn zoon Hans komt af en toe langs, maar daar is hij kwaad op. Want Hans wil dat Sixten, de trouwe hond van Bo, wordt weggehaald, omdat Bo niet echt meer in staat zou zijn de hond voldoende beweging te geven zonder zelf het risico te lopen dat hij zal vallen. Bo wil dat absoluut niet. Er is de kleindochter Ellinor, met wie hij een goede band heeft. En er is zijn enige nog levende trouwe vriend Ture. Ture zit min of meer in dezelfde situatie, krijgt ook thuiszorg. Regelmatig bellen ze elkaar.

Het boek beschrijft Bo’s laatste maanden, ergens tussen mei en oktober. Als lezer volg je telkens een dag lang wat er gebeurt, en wel op de manier dat Bo die dag beleeft. Door zijn ogen zie je hoe men hem komt verzorgen. Je hoort wat hij zelf vindt van deze of gene verzorger. Er zijn de routines waar hij een hekel aan heeft, zoals wanneer hem laat douchen. Hij wil liever geen luier aandoen, maar als hij dat niet doet, gaat het regelmatig fout. Zijn zoon brengt altijd weer diepvriesmaaltijden mee waar hij geen zin in heeft. De mensen die in huis komen, staan het dichtst bij hem en gaan heel zorgzaam en met veel geduld met hem om. Hij is soms knorrig, wil niet eten, heeft geen zin in zo’n nieuw ziekenhuisbed, wil liever op de harde keukenbank liggen.

Er is het lichaam dat het steeds meer laat afweten. De anderen zien het, als lezer merk je het, maar hij zegt tegen zichzelf dat hij nog wel genoeg kan, hoewel hij waarschijnlijk ook wel weet dat het niet zo is. In zijn hoofd praat hij voortdurend tegen zijn afwezige vrouw Fredrika. Haar gaan bezoeken vindt hij moeilijk, ze is iemand anders geworden. En er is vooral Sixten. Hij wil hem de hele tijd in zijn nabijheid voelen en probeert zich op alle mogelijke manieren ertegen te verzetten dat Hans Sixten zal komen weghalen. Het worden hele tirades in zijn hoofd. Als lezer kun je in je eigen hoofd een beetje uitzoomen. Je begrijpt hoe Bo zo gehecht is aan zijn trouwe metgezel, en die veilige nabijheid niet wil opgeven. Je voelt veel begrip voor wat Bo al snel als betutteling ervaart, van zoveel mensen die menen te weten wat goed is voor hem, terwijl hij dat zelf wel denkt te weten. Je ziet hoe Hans dingen nogal snel wil ‘regelen’, misschien ook wel om zelf niet te zeer geconfronteerd te worden met een pijnlijke aftakeling. Maar je ziet ook wel hoe alle anderen zien hoe Bo wegglijdt en mogelijk gevaar loopt, hoe ze op hun manier proberen hem zo lang mogelijk in zijn omgeving te laten. Bo merkt zelf ook wel hoe hij dingen vergeet en de grip op de tijd en zijn omgeving verliest. Het is of in zichzelf allerlei krachten in verschillende richtingen trekken.

Terwijl hij in huis ligt, schuiven herinneringen rustig heen en weer in zijn hoofd. Beelden van een dominante en explosieve vader. Fredrika die in zijn leven komt en hem in zekere zin redt. Mooie herinneringen aan de jeugd van Hans en het gezinsleven. Ook veel vragen. De angst die hij altijd had dat hij misschien dat explosieve karakter van zijn vader heeft meegekregen. De twijfel over wie hij was als vader en echtgenoot. In al die verhalen krijg je veel te zien over normen en codes van hoe mannen leven en communiceren in dat landelijk gebied, ver weg van de stad. Het is heel ontroerend om te merken hoe Bo in zijn hoofd navigeert tussen zijn plots opkomende kwaadheid voor wat zijn zoon wil doen en tegelijk ook zijn liefde en trots voor zijn zoon. Er zijn zoveel momenten waarop hij zou willen zeggen hoeveel liefde hij voelt voor die zoon, maar het lukt maar niet. Hij beseft ook dat hij vaak veel te weinig oog had voor wat zijn vrouw wilde, voor een eigen leven naast het gezin dat zij had kunnen hebben.

Het is heel mooi hoe die onderdelen met telkens een dag of dagdeel vormelijk worden afgewisseld met kleine notities door de verschillende zorgverleners en Hans, waarmee ze met elkaar communiceren. Die geven een extra structuur aan het boek, door telkens even de blik van buiten naar binnen toe te voegen. Er spreekt ook veel zorg uit voor die man die ze geduldig bijstaan. En op de achtergrond van het gebeuren zijn er de seizoenen die voorbij gaan, onder meer via de subtiele verwijzingen naar de kraanvogels die zich klaarmaken om te vertrekken naar het zuiden.

Het is indrukwekkend hoe de auteur door de hele tijd te werken met ik-verteller Bo een wereld oproept waarin je alle complexe en subtiele gedachten kunt volgen van een oude man die naar zijn dood gaat. Het is alsof je kunt voelen hoe het is, dat lichaam dat een beetje zijn eigen weg gaat en het opgeeft. Terwijl is het hoofd nog heel actief. Terwijl het heden een beetje lijkt te verbrokkelen, zijn de beelden, geuren en herinneringen van toen nog heel intens aanwezig. Er zijn twijfels en inzichten, dingen die je zeker nog zou willen zeggen, maar het lichaam hapert, je temperament neemt het soms ongecontroleerd over, en je hebt nooit geleerd hoe je als man open over je emoties praat. Er is de drang om je vast te willen klampen aan de liefde die er nog is, met je hond. De scheiding is hartverscheurend, ook al weet en hoop je dat je hond dingen nodig heeft die jij niet meer kunt geven.

De kraanvogels vliegen naar het zuiden is een ontroerend en melancholisch boek met veel zachte wijsheid. Je voelt als lezer het gewicht van de naderende dood, je kunt begrip hebben voor hoe alle betrokkenen de dingen zien en ervaren, je kijkt met veel mededogen naar het proces in het hoofd en lichaam van Bo. Het raakt je heel erg diep, zet je aan het denken, maar het is tegelijk ook heel zacht en licht. Vaak moet je glimlachen met de subtiele rebellie van die oude man die zijn leven zelf in handen wil houden. En bijna de hele tijd is het alsof wat je leest in dialoog gaat met de versies van jezelf die je in je hoofd ziet, met je eigen twijfels en oordelen en angsten. Het boek blijft je bij, als een geschenk.

23 augustus 2025

Een berg


Een nieuwe week. (De laatste week, voor.)

Vroeg uit bed, om die trein te halen. Naar het noorden. (En goed kijken straks, de nummers van de bussen zijn veranderd.)

Het dorp waar je ooit vandaan kwam. (Het is elke keer een beetje wennen weer, je ademt anders daar.)

Bijzonder om even bij je vrienden te kunnen zijn, hun verhalen te horen. (Het leven is kwetsbaar, kostbaar, denk je.)

Je wacht op de bus, iemand komt naar je toe fietsen. Een vroegere collega van je vader. Even bijpraten. Het ontroert je.

Het ritme van de trein terug. (Je verdwijnt een beetje.)

(Heb je nu al een beslissing genomen over de brief?)

Snel fietsen naar de andere kant van de stad, voor je vergadering. Ze wachten op je, in dat mooie gebouw. Het is boeiend. (Je moet in je hoofd alles weer terughalen, ze merken het niet, denk je.) Ja, je zult een nieuwe versie van de tekst schrijven.

Weer thuis. Even gaan kijken bij die plant. (Het lijkt goed te komen. Misschien zul je niet falen, in het leven.)

Een andere dag. Je begint vroeg. Je hebt die nieuwe versie te schrijven. Eerst al het voorbereidende werk, zoals je alle groenten klaarlegt voor het koken, of zoiets. (Je ziet het nog niet, de tekst laat zich nog niet zien.)

De vergadering. Je probeert zo goed mogelijk te luisteren, probeert de cijfers te zien, hoe ze zich tot elkaar verhouden.

Traag naar huis stappen, nog even langs de winkel. (Je kijkt.)

De tekst begint te bewegen, laat zich zien.

Zoals elk jaar zit je daar. De mevrouw gaat je oordoppen testen. Ze zitten in je oren. In het gaatje waar normaal het filtertje zit steekt ze een slangetje. Weer geen lekken. (Jippie.)

Je werkt de tekst af. (Het moet er ook netjes uitzien, denk je, dat maakt de tekst rustiger.) (Je had er ook aan gedacht, terwijl je stond te koken hoe je een tekst die je moet bewerken eerst altijd een beetje rustig moet maken.) Ze krijgen je tekst, zoals je beloofd had.

Een andere dag. Je mag weer terug naar de kinesiste. Ze ontdeukt je.

Je vertrekt met de trein, naar de andere kant van het land. Onderweg hoor je de ene taal in de andere kantelen.

Het boek ontroert je erg. (Iets over oude mannen, in hun laatste rit. Iets over liefde.) De trein rijdt de hele tijd naast de rivier. Het is zo mooi.

Ze wachten je al op. (De taal kantelt nog eens.) Hoe lang is het geleden dat je nog eens in deze stad was? Je was nog een kind.

Op weg voor de wandeling. De veerman zet jullie over. Het water is zo vredig.

Een heel mooie wandeling. Het bos, de berg op. Het wonderlijke uitzicht boven, beneden de rivier. (Het is alsof de rivier iets weet.) Een traag gesprek. (Je denkt na over helen, over rustig stabiel.)

De trein terug lijkt sneller te rijden.

(Hoe zal het gaan? Zal het fout gaan?)

Bij de overstap kun je gelukkig gewoon vertrekken. Alle andere treinen, naar de hoofdstad, staan stil.

Nog snel langs huis. (Het gaat een beetje fout.)

Maar een beetje te laat op je afspraak. Je bent blij haar te zien, het lijkt al zo lang geleden. De verhalen ontroeren je. Over iets vinden. Je vertelt een verhaal dat je moe maakt. (Het leert je iets over jezelf. Je kijkt.)

(De nacht moet wachten, tot de verhalen in jou gaan liggen.)

Een andere dag. (Je hebt beslist.) Je belt naar het ziekenhuis. De mevrouw vraagt dat je alles nog eens in een mail zet.

Je stuurt de mail. Iets zal worden afgesloten. (Tegelijk zal iets nooit helemaal voorbij zijn, maar het is goed zo, denk je, het was tijd.)

(Het was een berg waar je over moest. Je moest wachten tot het moment daar was, misschien.) (Je bent een beetje droef, een beetje moe.)

Je werkt nog even aan het verslag. (Het helpt je.) Je vertrekt voor je afspraak. Onderweg kom je je maatje tegen. (Zo goed dat hij weer veilig en wel hier is.)

Een bijzondere afspraak. Het is al zo lang geleden dat je haar nog zag. (Je denkt nog aan die ochtend, het lukt om het gewoon te vertellen.)

Weer thuis. (Het is goed om even thuis te zijn. Je vertelt iets aan de plant.)

Onderweg voor je bezoekje. Het is alsof je de oude man uit het boek voor je kunt zien.

Ze doet de deur open, is blij dat jij het bent. Het licht in haar nieuwe huis. De enorme plant. Ze vertelt over het geluid van het ontrollen van een nieuw blad.

Het restaurant. Het is zo ongelooflijk lekker. Alles is zo rustig. De verhalen.

Je wacht op de trein, het is nog een heel stuk terug.

(Hoe zal het gaan? Zal het fout gaan?)

(Het gaat goed. Het mag, misschien.)

Een andere dag. Op weg naar je werk, waar je heel even moet zijn. Weer in die ochtendtrein, als een beetje oefenen al.

Het voelt zo goed, even daar te kunnen zitten. (De plek heeft je een beetje gemist, zo voelt het.) Het licht.

Even over huis. En dan vertrekken voor je bezoek. De groep mensen op het perron daarnet, ze zitten in dezelfde wagon. Het is zo mooi, hoe ze met elkaar omgaan.

Je bent een beetje te vroeg, wacht voor haar deur, kijkt naar de huizen in de straat, de mensen die voorbij komen.

Een bijzonder gesprek. (Je volgt de rivier, denk je.) Iets over moed. Je probeert iets uit te leggen. (Tranen.) Je weet niet of je het ooit zult zijn, misschien hoef je het antwoord niet te weten.

De jongen in het restaurant. Het duurt drie apparaten eer je kunt betalen. Hoe hij vertelt, het doet je glimlachen. Je vertrekt.

(Hoe zal het gaan? Zal het fout gaan?)

Je leest het boek uit, net voor je arriveert.

(Het gaat goed. Het mag, misschien.)

(Soms verlang je naar troost, denk je, terwijl je door de stad naar huis loopt. Je neemt een stille route, ginder ergens zijn heel veel mensen verzameld, dat mag daar blijven.)

De ochtend is een beetje traag.

Na de weekendboodschappen, een afspraak. (En ook nog een grote meid die dag komt zeggen.) Je hoort jezelf praten. (Je zou iets willen zeggen over onvoorwaardelijk, misschien hoeft het niet, was het al duidelijk.)

Op weg naar je vergadering, in die andere stad. Je hebt de voorbije dagen alles goed voorbereid, denk je. (Je hoopt dat je een plek kunt zijn.) Je mag beginnen in weer een vers boek. Het doet je al glimlachen vanaf de eerste bladzijde.

(Iets is droef, op de weg terug.) (Er is alleen nog dat stuk over waarin je alleen zult zijn, je kijkt ernaar uit. Misschien zal het lukken, de volgende dag, om naar de film te gaan. Je verlangt naar verhalen, je zou willen verdwijnen in verhalen.)

18 augustus 2025

Audition


Misschien speel je altijd een rol, ook al wil je dat niet of besef je dat niet. Misschien kun je een ander nooit kennen. Misschien is er geen ene plek waar je de tegenstrijdige versies van jezelf samen kunt brengen op een manier die rust en eenheid brengt. Misschien kun je vervreemding niet oplossen. Misschien hoef je niet alle vragen te beantwoorden. Die dingen blijven door je heen gaan na het lezen van Audition van de Amerikaanse Katie Kitamura. Het is een zeer goed geschreven ontregelend boek. Wie als lezer een min of meer eenduidig verhaal verwacht, in een vorm die kenbaarheid en afronding suggereert, zal misschien verward achterblijven. Als je je mee laat drijven met dit merkwaardig boek dat je de hele tijd een beetje lijkt te ontsnappen, kom je op onbekend of niet te kennen terrein. Het zet je aan het denken. Al zou je misschien ook graag wat meer gevoeld hebben.

In het eerste deel van het boek komt een vrouw, een actrice, in een restaurant. Ze heeft daar afgesproken met een jonge man. Hij zegt tegen haar dat hij ervan overtuigd is dat hij haar zoon is. Zij zegt dat dat niet kan, omdat ze geen kinderen heeft. Hij werkt zich naar binnen in het gezelschap waar zij op dat moment repeteert voor een stuk. Dat stuk bestaat uit twee grote delen, en zij moet een cruciale scène spelen die die twee delen met elkaar zal verbinden, maar ze kan in zichzelf niet vinden hoe ze dat zou moeten doen. Haar man, een schrijver, was het restaurant binnengekomen op het moment dat de twee daar zaten en had zich onmiddellijk omgedraaid en was weggelopen.

In het tweede deel blijkt dat ze de sleutel heeft gevonden om die ene scène te spelen. Het stuk is een immens succes en zij wordt geprezen voor haar acteerprestatie. Het leven samen met haar man is rustig en in balans. De jonge man, die nu ineens wel hun zoon blijkt te zijn, komt terug in hun leven en trekt in in hun appartement. Wat eerst een goed idee lijkt, als een soort helende ervaring, draait langzaam uit op een soort escalerende nachtmerrie. Wat min of meer zeker was, komt op de helling. Rollen veranderen. Iets wordt opgevoerd, voorgeschreven of als experiment. Tot ze terugkeren naar de veronderstelde realiteit.

Net als in het theaterstuk uit het eerste deel bestaat het boek zo uit twee helften met een breuk tussen de twee. Hoe zit dat juist? Je ziet immers dezelfde personages. Zijn het twee varianten of versies? Is het ene verhaal ‘echt’ en het andere een droom of fantasie? Hebben de personages in de tussentijd tussen de twee delen met elkaar iets afgesproken waardoor ze hun eigen theater worden, tot dat uit de hand loopt? Je weet het niet. En misschien hoef je het ook niet te weten. Misschien is dat het opzet van het boek.

Het hele boek wordt in de ik-vorm verteld. Andere personages krijgen een naam, de vrouw die vertelt heeft er geen. Het is alsof je de hele tijd kijkt naar haar denkproces, terwijl ze naar de dingen kijkt en die op een welbepaalde manier interpreteert. Alleen al daardoor zie je heel veel dingen niet of krijg je geen elementen die kunnen corrigeren wat je wel te zien krijgt. Het is een onbetrouwbare verteller. Je ziet hoe ze de gebeurtenissen probeert te lezen, maar daarbij schuiven de hele tijd allerlei oordelen tussen haar en de dingen. Veel heeft te maken met kijken en bekeken worden, en denken over hoe je bekeken wordt. Wanneer zij het restaurant binnenkomt neemt ze in een soort hypergevoelige stijl alles op, interpreteert wat de ober doet en analyseert het gedrag van de jonge man voor haar. Veel daarvan lijkt op een overinterpretatie, ingegeven door een interne reflectie over hoe ze bekeken wordt en hoe kleine handelingen van anderen als codes zijn die weer naar haar verwijzen. Je weet dus eigenlijk niet zo goed of het kluwen aan betekenissen waarin dingen gebeuren of gezegd worden, zoals haar man die weer weggaat of de jonge man die zegt dat hij haar zoon zou kunnen zijn, wel enigszins overeenkomen met wat er gebeurt op dat moment. Misschien is het onvermijdelijk dat je in zo’n dynamiek terechtkomt. Misschien zijn we gedoemd om elkaar niet te kunnen vatten.

Naarmate je dan verder leest, zie je hoe de meerduidigheid toeneemt. Mensen spelen rollen, misschien wel de hele tijd, onontkoombaar. Wie zijn die twee, een vrouw met een man die misschien haar zoon is, of een minnaar, of…? Wat is er werkelijk gebeurd voorafgaand aan deze ontmoeting? (Er zijn verwijzingen naar vroegere ontrouw van de vrouw, na een miskraam. Er is de stellige uitspraak van de vrouw dat er geen relatie kan komen.) Waar komt – ook al zijn ze dan geen moeder en zoon – de schijnbare gelijkenis tussen de twee vandaan? Waarom wil haar man haar ineens dringend spreken? Wie is die jonge man die blijkbaar zo soepel kan switchen in zijn eigen rol en zich kan binnenwerken in het theatergezelschap? Je weet het niet, en het is misschien niet te weten.

Met het tweede deel zie je nog meer hoe het boek reflecteert over rollen. De verteller is vrouw, partner, moeder, actrice. In elke rol moet je je op vreemd terrein in jezelf bewegen. De andere, die je dacht zo goed te kennen, of van wie je dacht dat de rol of relatie heel duidelijk omschreven was, kan ineens een vreemde lijken. In het ene deel zegt iemand jouw zoon te zijn, maar zeg je dat je geen zoon hebt, en ben je toch op een bepaalde manier aangetrokken door die persoon die ondertussen een plek inneemt in jou. In het andere deel noem je iemand je zoon, vertel je verhalen over vroeger, doe je wat je denkt te moeten doen, en lijkt het of je steeds minder weet over die persoon, die echt een vreemde lijkt te zijn. Je man en je zoon voeren iets op waarmee ze iets over jou willen duidelijk maken. Misschien ken je dus jezelf helemaal niet en is het verhaal dat je over jezelf vertelt aan jezelf evenzeer een fictie als de andere verhalen. Of misschien zijn het toch de anderen die ontsporen. De gespeelde werkelijkheid en de echte werkelijkheid raken elkaar aan, en dat gaat via een tussenruimte. Maar misschien is de belofte dat je weet hoe je moet zijn in die tussenruimte, waardoor je (weer) heel zou worden een illusie. Misschien doen we de hele tijd auditie.

Audition is een boek dat meer vragen oproept dan het beantwoordt. Daar moet je als lezer een stuk in meegaan. Je kunt alles op verschillende manieren interpreteren, en dat is waarschijnlijk de bedoeling. De kracht van het boek zit in de heel heldere taal die op een bepaalde manier kan verdichten of verdunnen, samen met wat er in het hoofd van de verteller gebeurt. Je blijft in dat hoofd en kijkt mee hoe zij de dingen leest of vertaalt. Wat je moet doen met die uitgesproken vorm van twee delen met een breuk ertussen is ook een open vraag. Er kunnen allerlei verklaringen zijn, telkens met een andere conclusie. Je blijft als lezer met een dubbel gevoel achter. Enerzijds is het een fascinerend boek. Naarmate je er meer over nadenkt en je al die dynamieken in de tekst ziet, houdt het je meer en meer bezig. Het boek is heel helder en heel ontregelend tegelijk. Anderzijds heeft het boek eerlijk gezegd ook iets dat een beetje koud is. Je zou soms meer willen voelen. Misschien ligt dat aan de personages waarmee je je toch niet zo gemakkelijk kunt verbinden. Misschien ligt het aan het vertelmechanisme (en is het de bedoeling dat je je vervreemd voelt). Misschien ligt het aan het opzet dat soms net iets te veel aanvoelt als een intellectuele oefening.