Het valt je ineens op. In elke jaszak zitten altijd schelpjes. Je zou je verweesd voelen als ze er niet meer waren. Je vroeg je soms af wat mensen met een ketting van kralen of een paternoster doen in hun handen. Met je schelpen is het niet anders. Je wilt ze altijd tussen je vingers voelen schuiven.
Enkele planten staan nu binnen. Het werd buiten te koud, denk je. Ze doen je altijd een beetje verloren lopen. Je weet nooit of je het echt goed doet.
Het is al donker als je op weg naar huis bent. Je ziet een mooi silhouet aan het raam aan de overkant. Het lijkt zo vredig daar, en warm.
Een avond. Iets maakt je onrustig. Als iemand je zou bellen nu, zou je weten wat je zou zeggen. Fluister je dapper tegen jezelf. Er gebeurt niets. Het blijft stil.
Ze maken je rustig, de schelpen. Het is bijna alsof je huid aanraakt. Alsof je even niet verdwaald bent. Ze wijzen de weg. Hun weg.
Je ligt op de bank naar de film te kijken. Je staat op om even iets te drinken te halen. En ineens zie je je vader in je eigen stramme bewegingen.
Op bezoek in het ziekenhuis. De fietstocht door het mistige landschap zit nog even in je lijf, trekt zich langzaam terug. Je bent een beetje verlegen, hopelijk merkt ze het niet. Je zou iets willen kunnen doen. Je kunt het niet.
Je staat voor de spiegel, ziet wie je geworden bent. Misschien wil iets gezien worden. Denk je. Zo stil dat het niet te horen is, nergens.
Via de schelpen is ze altijd bij je. De zee. En alle verhalen die je daar hebt verteld, en gehoord. Er is zoveel, en het is daar. En zo is het ook hier, altijd bij je.
De droom in de ochtend overvalt je. Hij blijft duren en brengt je onverwacht waar je wilde zijn, zo blijkt.
Soms doet het je even aarzelen. De laatste lichten doven, de deur op slot, een trage buiging voor het einde van de dag. Soms aarzel je, in dat moment. Tussen het afscheid van de dag, en waar de nacht zal komen.
Welk verhaal zou je vertellen, ergens diep in de nacht? Hoe zouden de woorden klinken? Je probeert het je voor te stellen.
Je ziet de mensen op het plein. Het zouden schimmen of schaduwen kunnen zijn. Ze komen aan, of vertrekken. Alsof ze weten waar ze naartoe gaan. En terwijl je kijkt, lijkt het heel even alsof je een plek gevonden hebt. Ooit had je gedacht dat het nooit zou lukken.
Alsof je traag zou zitten wiegen. Met de schelpen in je hand. Een traag betasten. En wat het met je adem zou doen. En wat je zou denken. En waar je zou zijn.
17 november 2011
15 november 2011
The Sense of an Ending
Voor zijn boek The Sense of an Ending (vertaald als Alsof het voorbij is) kreeg de Britse schrijver Julian Barnes de Man Booker Prize 2011, en dat was meer dan terecht. Deze feilloos geschreven korte roman kruipt ongemerkt onder je huid en laat je ietwat onthutst en verontrust achter. Het lijkt een verhaal over ouder worden en beschouwend terugkijken op een middelmatig leven. Het wordt een verhaal over zelfbegoocheling, over hoe je de onbetrouwbare verteller van je eigen verhaal kunt worden.
Het boek bestaat uit twee grote delen, en cirkelt rond het hoofdpersonage Tony Webster, die terugkijkt op zijn leven. De sleutelperiode daarin is die van het einde van de middelbare school en het begin van de studententijd. Met zijn schoolvrienden Colin en Alex leren ze Adrian Finn kennen. Hij wordt de vierde van hun groepje, en is anders. Hij is ernstig, intelligent en lijkt zich meer te willen laten sturen door morele principes dan door zijn hormonen.
Het is een jeugd in de jaren zestig. Alles gaat wat rommelig en is beladen, seks stelt nog niet zoveel voor. Tony heeft een moeizame relatie met Veronica. Een weekend doorgebracht bij haar en haar ouders is pijnlijk. Tony heeft een moment van contact met Veronica’s moeder. Dat lijkt iets te betekenen. Wanneer de relatie verbroken wordt, gaan ze uiteindelijk toch met elkaar naar bed. Maar het wordt niets. Veronica zal een relatie beginnen met Adrian.
De vrienden drijven uit elkaar. Tony trekt een tijdje rond in Amerika, en bij zijn thuiskomst blijkt dat Adrian een einde aan zijn leven heeft gemaakt. De zelfdoding lijkt even ‘rationeel’ als alle andere dingen die hij deed.
In het tweede deel is Tony gepensioneerd, en observeert hij zijn leven. Een wat saai en middelmatig leven. Keurig getrouwd, keurig gescheiden, een rustig contact met zijn dochter en zijn ex-vrouw. Het schuift allemaal door zijn hoofd, en hij verweeft het met beschouwingen over de tijd. Hij vindt het moeilijk om echt te vatten wat tijd is en hoe tijd werkt. Er knaagt iets onderhuids, maar het blijft op een afstand. Het is alsof hij zich langzaam voorbereidt op het einde van zijn leven en via zijn bespiegelingen in het reine wil komen met wat het leven maar was. Hij denkt dat hij alles netjes heeft gedaan. Misschien was het dan wel niet spectaculair, hij heeft toch niemand pijn gedaan, toch niet echt.
En dan komt er ineens een brief. Veronica’s moeder is gestorven en laat hem een som geld na, en ook het dagboek van Adrian. Hoe zij aan dat dagboek komt, is een raadsel. Als blijkt dat het dagboek bij Veronica is, komt een keten van gebeurtenissen op gang. Tony wordt actiever, wil contact zoeken met Veronica en begint daarbij op een andere manier naar het verleden te kijken. Uit wat er dan gebeurt, blijkt dat de dingen helemaal niet zijn zoals hij dacht dat ze waren. Het verhaal dat hij aan zichzelf over zijn eigen leven vertelde, wankelt steeds meer en krijgt met het verrassende slot een finale deuk.
Als lezer ga je mee in het verhaal dat Tony over zichzelf vertelt. Mooie beschouwingen over wat het betekent om ouder te worden. Fijnzinnige melancholie, subtiele humor. Tot in het tweede deel barsten opduiken in het beeld dat Tony van zichzelf had, en dus ook in het beeld dat je als lezer was gaan krijgen. Tony reageert ineens anders dan de rustige en nogal brave man die we leerden kennen. Hij blijkt zelfgenoegzamer en scherper dan de gematigde Tony. Hij interpreteert signalen verkeerd en begrijpt maar niet wat de ware toedracht van de dingen is. Zijn sommige dingen buiten zijn weten om gebeurd, of heeft hij bewust of onbewust zijn eigen geschiedenis herschreven? Heeft hij anderen wel echt gezien zoals ze waren, of heeft hij enkel een beeld gecreëerd dat paste in zijn eigen verhaal? Heeft hij effectief niemand gekwetst en was hij oprecht bekommerd om de kwetsuren van anderen, of heeft hij zelf meer aangericht dan hij besefte of wilde beseffen? Die vragen schuiven steeds meer naar voor naarmate je het einde van het boek nadert. In het boek zit je erg dicht op de huid van Tony, maar je zou tegelijk meer afstand willen kunnen nemen. Als lezer ben je echter ook niet alwetend. Net als Tony voel je iets schuiven, maar je weet niet wat hij ook nog niet weet (of nog niet wil weten). De ontknoping van het verhaal is een verrassing, maar tegelijk ook een soort anticlimax, omdat je ineens heel anders gaat kijken naar wat eraan voorafging. Wie dacht in een soort thriller beland te zijn, beseft ineens dat het boek niet rechtlijnig is, maar net speelt met ‘gemaskerde’ lagen.
De manier waarop Barnes dit boek heeft opgebouwd, getuigt van zeer groot meesterschap. Met grote precisie en veel subtiliteit wordt alles verteld. De compositie is schitterend. Motieven en beelden worden op een erg mooie manier in het verhaal geweven. Uit eindeloos veel zinnen spreekt een diep inzicht in het menselijke. Als lezer leg je die inzichten ook bij de verteller, maar naar het einde denk je dat je daarin wel eens misleid zou kunnen zijn. De verwarring die je voelt, blijft nog een tijd na de laatste bladzijde nazinderen.
The Sense of an Ending is een heel erg goed boek.
Het boek bestaat uit twee grote delen, en cirkelt rond het hoofdpersonage Tony Webster, die terugkijkt op zijn leven. De sleutelperiode daarin is die van het einde van de middelbare school en het begin van de studententijd. Met zijn schoolvrienden Colin en Alex leren ze Adrian Finn kennen. Hij wordt de vierde van hun groepje, en is anders. Hij is ernstig, intelligent en lijkt zich meer te willen laten sturen door morele principes dan door zijn hormonen.
Het is een jeugd in de jaren zestig. Alles gaat wat rommelig en is beladen, seks stelt nog niet zoveel voor. Tony heeft een moeizame relatie met Veronica. Een weekend doorgebracht bij haar en haar ouders is pijnlijk. Tony heeft een moment van contact met Veronica’s moeder. Dat lijkt iets te betekenen. Wanneer de relatie verbroken wordt, gaan ze uiteindelijk toch met elkaar naar bed. Maar het wordt niets. Veronica zal een relatie beginnen met Adrian.
De vrienden drijven uit elkaar. Tony trekt een tijdje rond in Amerika, en bij zijn thuiskomst blijkt dat Adrian een einde aan zijn leven heeft gemaakt. De zelfdoding lijkt even ‘rationeel’ als alle andere dingen die hij deed.
In het tweede deel is Tony gepensioneerd, en observeert hij zijn leven. Een wat saai en middelmatig leven. Keurig getrouwd, keurig gescheiden, een rustig contact met zijn dochter en zijn ex-vrouw. Het schuift allemaal door zijn hoofd, en hij verweeft het met beschouwingen over de tijd. Hij vindt het moeilijk om echt te vatten wat tijd is en hoe tijd werkt. Er knaagt iets onderhuids, maar het blijft op een afstand. Het is alsof hij zich langzaam voorbereidt op het einde van zijn leven en via zijn bespiegelingen in het reine wil komen met wat het leven maar was. Hij denkt dat hij alles netjes heeft gedaan. Misschien was het dan wel niet spectaculair, hij heeft toch niemand pijn gedaan, toch niet echt.
En dan komt er ineens een brief. Veronica’s moeder is gestorven en laat hem een som geld na, en ook het dagboek van Adrian. Hoe zij aan dat dagboek komt, is een raadsel. Als blijkt dat het dagboek bij Veronica is, komt een keten van gebeurtenissen op gang. Tony wordt actiever, wil contact zoeken met Veronica en begint daarbij op een andere manier naar het verleden te kijken. Uit wat er dan gebeurt, blijkt dat de dingen helemaal niet zijn zoals hij dacht dat ze waren. Het verhaal dat hij aan zichzelf over zijn eigen leven vertelde, wankelt steeds meer en krijgt met het verrassende slot een finale deuk.
Als lezer ga je mee in het verhaal dat Tony over zichzelf vertelt. Mooie beschouwingen over wat het betekent om ouder te worden. Fijnzinnige melancholie, subtiele humor. Tot in het tweede deel barsten opduiken in het beeld dat Tony van zichzelf had, en dus ook in het beeld dat je als lezer was gaan krijgen. Tony reageert ineens anders dan de rustige en nogal brave man die we leerden kennen. Hij blijkt zelfgenoegzamer en scherper dan de gematigde Tony. Hij interpreteert signalen verkeerd en begrijpt maar niet wat de ware toedracht van de dingen is. Zijn sommige dingen buiten zijn weten om gebeurd, of heeft hij bewust of onbewust zijn eigen geschiedenis herschreven? Heeft hij anderen wel echt gezien zoals ze waren, of heeft hij enkel een beeld gecreëerd dat paste in zijn eigen verhaal? Heeft hij effectief niemand gekwetst en was hij oprecht bekommerd om de kwetsuren van anderen, of heeft hij zelf meer aangericht dan hij besefte of wilde beseffen? Die vragen schuiven steeds meer naar voor naarmate je het einde van het boek nadert. In het boek zit je erg dicht op de huid van Tony, maar je zou tegelijk meer afstand willen kunnen nemen. Als lezer ben je echter ook niet alwetend. Net als Tony voel je iets schuiven, maar je weet niet wat hij ook nog niet weet (of nog niet wil weten). De ontknoping van het verhaal is een verrassing, maar tegelijk ook een soort anticlimax, omdat je ineens heel anders gaat kijken naar wat eraan voorafging. Wie dacht in een soort thriller beland te zijn, beseft ineens dat het boek niet rechtlijnig is, maar net speelt met ‘gemaskerde’ lagen.
De manier waarop Barnes dit boek heeft opgebouwd, getuigt van zeer groot meesterschap. Met grote precisie en veel subtiliteit wordt alles verteld. De compositie is schitterend. Motieven en beelden worden op een erg mooie manier in het verhaal geweven. Uit eindeloos veel zinnen spreekt een diep inzicht in het menselijke. Als lezer leg je die inzichten ook bij de verteller, maar naar het einde denk je dat je daarin wel eens misleid zou kunnen zijn. De verwarring die je voelt, blijft nog een tijd na de laatste bladzijde nazinderen.
The Sense of an Ending is een heel erg goed boek.
13 november 2011
Soms even de zee zijn
Een mooi gesprek met een dierbare. Hoe je elkaar langzaam leert kennen. Je zou er in het leven eindeloos mee door willen gaan, met die mensen die in je leven zijn te leren kennen, alsof het nooit op zal houden. Alsof je zelfs niet hoeft te zeggen: laat nog een verhaal over voor de volgende keer, laat altijd nog een verhaal over, en als het er niet is, verzin er dan een. Alsof je dat niet hoeft te zeggen.
Misschien ben je te moe voor het vertellen, maar durf je het niet toe te geven. Je huid is hard, door te veel te veel, waarschijnlijk. Het verandert langzaam een beetje tijdens het praten. Alsof je huid je stem zou volgen. Ook al zou er misschien alleen stilte moeten zijn.
Misschien, als je trager was, zou je anders kunnen praten. Je bent niet daar waar je dan zou kunnen zijn. En je doet niet wat je misschien wel zou kunnen doen.
Het is alsof je te snel spreekt, te veel zegt. Misschien omdat het de moeilijkste dingen zijn om iets over te zeggen. Waarom je de dingen doet, voor wie je ze doet, en hoe je ze zo graag zou willen doen. En het falen dat zo onvermijdelijk erbij komt. Daarover kun je nu weinig zeggen.
Soms verlang je naar trage woorden. Zo breekbaar en naakt dat alleen zij er nog zouden zijn. Je zou leger overblijven, en daardoor voller zijn. Dat nulpunt zou binnen bereik kunnen zijn.
Je zegt het een beetje snel, en veilig, maar je weet het niet. Doe je ooit het juiste, wanneer het moment daar is? Ben je ooit iets geweest in het leven van een ander dat er echt toe deed? Zei je ooit die enkele woorden die toen moesten gezegd worden? Alle keren dat je het niet deed, zijn niet moeilijk te herinneren. Maar deed je het ooit wel?
Tussendoor denk je aan het water. Hoe je zou zitten kijken naar het water. Hoe het beweegt. Hoe het naar je toe komt en zich weer terugtrekt in zichzelf. Hoe het water zichzelf nooit kan verlaten. Hoe de zee zich nooit uit jou zal kunnen terugtrekken. Hoe je ooit alleen jezelf terug zal kunnen geven.
En misschien zou je dan moeten zeggen, heel stilletjes: sssjjjjtttt, we praten niet meer, we zwijgen alleen nog maar.
Je zegt iets over de kinderen. Het is niet te zeggen.
En er zijn nog andere verhalen. Het doet je goed ze verteld te hebben, merk je later die nacht. Ze hebben je iets doen inzien. Je voelt je dankbaar.
Ben je trouw genoeg aan de zee? In de vloed kun je iemand zijn waar je verbaasd naar kunt kijken. Je weet soms niet dat hij er is. Maar blijft er nog genoeg eb over?
Je zou iets willen delen, maar je durft het niet. Misschien is het niet zo erg. Misschien wel.
De zee heeft je ooit een geheim toevertrouwd. Het blijft bij je. Elke dag zou het even door je hoofd moeten gaan.
En wat je te doen staat. Het is er. Je hebt een plaats daar. En waar het zich terugtrekt. Dat je er altijd zult kunnen blijven, als het water daar is. Ook dat zou je willen weten.
Misschien ben je te moe voor het vertellen, maar durf je het niet toe te geven. Je huid is hard, door te veel te veel, waarschijnlijk. Het verandert langzaam een beetje tijdens het praten. Alsof je huid je stem zou volgen. Ook al zou er misschien alleen stilte moeten zijn.
Misschien, als je trager was, zou je anders kunnen praten. Je bent niet daar waar je dan zou kunnen zijn. En je doet niet wat je misschien wel zou kunnen doen.
Het is alsof je te snel spreekt, te veel zegt. Misschien omdat het de moeilijkste dingen zijn om iets over te zeggen. Waarom je de dingen doet, voor wie je ze doet, en hoe je ze zo graag zou willen doen. En het falen dat zo onvermijdelijk erbij komt. Daarover kun je nu weinig zeggen.
Soms verlang je naar trage woorden. Zo breekbaar en naakt dat alleen zij er nog zouden zijn. Je zou leger overblijven, en daardoor voller zijn. Dat nulpunt zou binnen bereik kunnen zijn.
Je zegt het een beetje snel, en veilig, maar je weet het niet. Doe je ooit het juiste, wanneer het moment daar is? Ben je ooit iets geweest in het leven van een ander dat er echt toe deed? Zei je ooit die enkele woorden die toen moesten gezegd worden? Alle keren dat je het niet deed, zijn niet moeilijk te herinneren. Maar deed je het ooit wel?
Tussendoor denk je aan het water. Hoe je zou zitten kijken naar het water. Hoe het beweegt. Hoe het naar je toe komt en zich weer terugtrekt in zichzelf. Hoe het water zichzelf nooit kan verlaten. Hoe de zee zich nooit uit jou zal kunnen terugtrekken. Hoe je ooit alleen jezelf terug zal kunnen geven.
En misschien zou je dan moeten zeggen, heel stilletjes: sssjjjjtttt, we praten niet meer, we zwijgen alleen nog maar.
Je zegt iets over de kinderen. Het is niet te zeggen.
En er zijn nog andere verhalen. Het doet je goed ze verteld te hebben, merk je later die nacht. Ze hebben je iets doen inzien. Je voelt je dankbaar.
Ben je trouw genoeg aan de zee? In de vloed kun je iemand zijn waar je verbaasd naar kunt kijken. Je weet soms niet dat hij er is. Maar blijft er nog genoeg eb over?
Je zou iets willen delen, maar je durft het niet. Misschien is het niet zo erg. Misschien wel.
De zee heeft je ooit een geheim toevertrouwd. Het blijft bij je. Elke dag zou het even door je hoofd moeten gaan.
En wat je te doen staat. Het is er. Je hebt een plaats daar. En waar het zich terugtrekt. Dat je er altijd zult kunnen blijven, als het water daar is. Ook dat zou je willen weten.
11 november 2011
Swing 42
Django speelt Swing 42. En het lijkt alsof alles zou kunnen kloppen. Die ene melodie die wordt vergezeld door een schaduwmelodie. Soms gelijk, soms even uit de pas. Er is iets, en er is ook nog iets anders. Misschien ga je af op de eerste, op wat je ziet, wat je denkt te zien. Misschien is de andere dichter bij de waarheid. Het is er allemaal, tussen licht en donker.
Je zit in een conferentie. De ene spreker na de andere. Sommigen zijn voorspelbaar, sommigen zijn veilig saai. En dan zijn er andere. De man uit een ver land in Latijns-Amerika vertelt, en laat de foto’s op het scherm vertellen. Wat je ziet, was je niet onbekend. En toch. Het raakt je meer dan je had verwacht. Hopelijk hebben de anderen je tranen niet gezien.
Wanneer je thuiskomt, zie je dat iemand een kaartje in je bus heeft gestopt. Kies Jezus. Meer staat er niet op. Niet wie je vraagt om voor Jezus te kiezen. Niet wat dat dan zou betekenen. Iemand heeft de moeite gedaan om het kaartje met de hand te tekenen. In het hartje zitten kleine glinstertjes. Er is iets met dat kiezen dat je niet begrijpt. Het zal aan jou liggen. Misschien is er wel een klein mirakel in de maak. Is in die knoest in het hout naast het kaartje geen beeltenis van iemand te zien? Is er geen halo? Is dat een teken? Je ziet wat je wilt zien. De werkelijkheid is saaier, leger, en daarom waarschijnlijk beter.
Door de avond, op weg naar een vergadering. Zou je je door je vermoeidheid heen kunnen praten straks? Je fietst rustig op het fietspad langs de fabriek. Alles lijkt hier heel even verlaten, afwachtend. De lucht is helder, de nacht wordt koud. Deze beweging is goed. Er is heel even niets meer dan dit, dit bewegen. Heel even zou je voor altijd willen verdwijnen in dit.
Van aan de kant kijk je toe, naar de duizend. Het zijn er geen duizend, maar dat maakt niet zo heel veel uit. Er hangt een zoemende ernst in de grote zaal. Een dochter van een vriend zal je later vragen wat je dan wel moet doen als je waarnemer bent. Waarnemen dus. Je doet dan ook je best om goed waar te nemen. Je rug laat zich evenwel ook waarnemen. Het uitzicht is mooi, maar het is tijd om te vertrekken.
In je droom loop je op de speelplaats van een school. Je moet om twee uur in een les zijn. Tot je verbazing ben je op tijd. Het is alsof je in je droom je droom gaat analyseren. Alsof je niet kunt geloven dat je dit keer niet verloren bent gelopen in je droom. Alsof het niet kan kloppen dat je dit keer je schoenen nog hebt. Naast de deur waar je binnen moet gaan voor de les zitten twee jongens gitaar te spelen en te zingen. Ze zingen een nummer van de zangeres die deze week optrad in het land. Je was er graag naartoe geweest eigenlijk. Je bent verbaasd dat zij het zo goed doen. Je zou even willen blijven staan luisteren, maar beseft dat je, hoe onverwacht ook, dus toch op tijd bent voor de les.
De man die op bezoek is op het werk ratelt aan een stuk door. Zijn Frans gaat zo snel dat je pas bij de vierde keer dat hij de naam Adam Smith gebruikt door hebt over wie het gaat. Het kan ook aan de th liggen misschien. (Even denk je nog aan die prof met het zware Poolse accent die steeds zei: “Do not pronounce zee th wrrrrongly.”) Voor hij weggaat, begint hij nog allerlei verhalen te vertellen over de planten die er staan. Dat die grote cactus goed is tegen elektromagnetische straling, zegt hij. Het enige wat je ooit over cactussen hebt onthouden, is dat je die niet mag geven aan een geliefde. Maar dat zal ongetwijfeld met een ander soort straling te maken hebben.
En ook al is het dan zogenaamd een vakantiedag, toch sta je even vroeg op de markt als anders, stel je vast. In de categorie zeer lichte afwijkingen, waarschijnlijk.
Django speelt How High The Moon. En je denkt aan de maan die je zag. En wat je dacht, en wat je verlangde. In de muziek is de maan frivoler, zo lijkt het toch. Maar wel heel aanwezig. Hij loopt alle kanten uit, maar komt steeds weer terug. En zo is het goed.
Je zit in een conferentie. De ene spreker na de andere. Sommigen zijn voorspelbaar, sommigen zijn veilig saai. En dan zijn er andere. De man uit een ver land in Latijns-Amerika vertelt, en laat de foto’s op het scherm vertellen. Wat je ziet, was je niet onbekend. En toch. Het raakt je meer dan je had verwacht. Hopelijk hebben de anderen je tranen niet gezien.
Wanneer je thuiskomt, zie je dat iemand een kaartje in je bus heeft gestopt. Kies Jezus. Meer staat er niet op. Niet wie je vraagt om voor Jezus te kiezen. Niet wat dat dan zou betekenen. Iemand heeft de moeite gedaan om het kaartje met de hand te tekenen. In het hartje zitten kleine glinstertjes. Er is iets met dat kiezen dat je niet begrijpt. Het zal aan jou liggen. Misschien is er wel een klein mirakel in de maak. Is in die knoest in het hout naast het kaartje geen beeltenis van iemand te zien? Is er geen halo? Is dat een teken? Je ziet wat je wilt zien. De werkelijkheid is saaier, leger, en daarom waarschijnlijk beter.
Door de avond, op weg naar een vergadering. Zou je je door je vermoeidheid heen kunnen praten straks? Je fietst rustig op het fietspad langs de fabriek. Alles lijkt hier heel even verlaten, afwachtend. De lucht is helder, de nacht wordt koud. Deze beweging is goed. Er is heel even niets meer dan dit, dit bewegen. Heel even zou je voor altijd willen verdwijnen in dit.
Van aan de kant kijk je toe, naar de duizend. Het zijn er geen duizend, maar dat maakt niet zo heel veel uit. Er hangt een zoemende ernst in de grote zaal. Een dochter van een vriend zal je later vragen wat je dan wel moet doen als je waarnemer bent. Waarnemen dus. Je doet dan ook je best om goed waar te nemen. Je rug laat zich evenwel ook waarnemen. Het uitzicht is mooi, maar het is tijd om te vertrekken.
In je droom loop je op de speelplaats van een school. Je moet om twee uur in een les zijn. Tot je verbazing ben je op tijd. Het is alsof je in je droom je droom gaat analyseren. Alsof je niet kunt geloven dat je dit keer niet verloren bent gelopen in je droom. Alsof het niet kan kloppen dat je dit keer je schoenen nog hebt. Naast de deur waar je binnen moet gaan voor de les zitten twee jongens gitaar te spelen en te zingen. Ze zingen een nummer van de zangeres die deze week optrad in het land. Je was er graag naartoe geweest eigenlijk. Je bent verbaasd dat zij het zo goed doen. Je zou even willen blijven staan luisteren, maar beseft dat je, hoe onverwacht ook, dus toch op tijd bent voor de les.
De man die op bezoek is op het werk ratelt aan een stuk door. Zijn Frans gaat zo snel dat je pas bij de vierde keer dat hij de naam Adam Smith gebruikt door hebt over wie het gaat. Het kan ook aan de th liggen misschien. (Even denk je nog aan die prof met het zware Poolse accent die steeds zei: “Do not pronounce zee th wrrrrongly.”) Voor hij weggaat, begint hij nog allerlei verhalen te vertellen over de planten die er staan. Dat die grote cactus goed is tegen elektromagnetische straling, zegt hij. Het enige wat je ooit over cactussen hebt onthouden, is dat je die niet mag geven aan een geliefde. Maar dat zal ongetwijfeld met een ander soort straling te maken hebben.
En ook al is het dan zogenaamd een vakantiedag, toch sta je even vroeg op de markt als anders, stel je vast. In de categorie zeer lichte afwijkingen, waarschijnlijk.
Django speelt How High The Moon. En je denkt aan de maan die je zag. En wat je dacht, en wat je verlangde. In de muziek is de maan frivoler, zo lijkt het toch. Maar wel heel aanwezig. Hij loopt alle kanten uit, maar komt steeds weer terug. En zo is het goed.
06 november 2011
Later
‘Je zou bijna kunnen zeggen dat we gestrand zijn hier.’
‘Ja, zo zou je het wel kunnen noemen.’
‘Ik vroeg me daarnet nog af hoe lang we elkaar nu eigenlijk kennen.’
‘Lang, toch al dertig jaar denk ik.’
‘Ja, zoiets moet het zijn. Het lijkt een eeuwigheid, en dat is het eigenlijk ook. Goed toch?’
‘Ja, heel goed.’
‘Het is iets als altijd op de achtergrond ergens aanwezig zijn. Veilig.’
‘Het is zo gegroeid op een of andere manier. En het werd vanzelfsprekend.’
‘Mijn dochter vertelde me gisteren nog dat ze met iemand zijn zo ingewikkeld vindt, vooral zo veel. Of je niet met een beetje kunt beginnen, en misschien bij een beetje blijven.’
‘En wat heb je gezegd?’
‘Dat ik het wel begreep wat ze bedoelde.’
‘Met beetjes beginnen, dat klinkt wel goed. Het hoort wel niet zo goed bij jong zijn.’
‘Nee, dat is zo. Maar bij haar gaan de dingen soms een beetje omgekeerd. Ze was altijd al een beetje oud. Waar dat vandaan kwam, heb ik nooit zo goed begrepen.’
‘Was jij ook zo toen je klein was?’
‘Iemand heeft me dat wel eens gezegd.’
‘Je dochter doet het goed, ze staat sterk in het leven.’
‘Soms weet ik het niet zo goed. Misschien wil ik haar toch nog altijd een beetje beschermen. Maar ik vertrouw wel dat ze zal komen waar ze moet zijn.’
‘Ze doet het goed, geloof me maar. En jij doet het ook goed.’
‘Ja? Ik weet het nooit.’
‘Weet je nog dat je vroeger altijd zei dat jij geen vader zou worden, dat je dat niet zou kunnen. En jij zei ook dat ik zeker wel een moeder zou worden. En zie, het is net omgekeerd uitgedraaid.’
‘Ik vind dat nog altijd jammer voor jou. Je zou het heel goed gedaan hebben.’
‘Wie weet. Het heeft geen belang meer nu. Het is wat het is.’
‘Het is eigenlijk wel spannend dat we hier nu vast zitten op deze plek. We hebben alle tijd.’
‘Misschien moeten we straks lijstjes maken van die dingen waar we het ooit nog eens over zouden hebben.’
‘Goed idee.’
‘Ik dacht nog vanmiddag dat ik me vroeger nooit het leven zou hebben kunnen voorstellen dat ik nu heb. Niet dat het zo bijzonder is, officieel dan. Voor mij nu is het gevuld en rijk, voor de jonge mij van toen zou het heel leeg lijken.’
‘Jij wou dus niet een beetje, maar veel.’
‘Niet zozeer veel, wel iets als normaal. Of wat ik dacht dat normaal was.’
‘Gelukkig is dat een woord dat je afleert met het ouder worden.’
‘Als ik dan je dochter zie, dan ben ik ook blij voor haar dat dit een andere tijd is. Ze heeft misschien andere twijfels in de plaats gekregen, maar toch.’
‘Als ik haar zie, en haar vrienden, dan heb ik een dubbel gevoel. Soms denk ik dat ik niet de toekomst wil hebben die zij voor zich hebben. En tegelijk kijk ik vol verwondering naar hoe ze bijna volleerd met de dingen omgaan.’
‘Ze hebben geen gebruiksaanwijzingen meer nodig, zo lijkt het soms.’
‘Misschien niet, maar zonder die dingen vind je daarom nog niet altijd wat je zoekt. En er is zoveel meer te vinden nu.’
‘Dat is waar.’
‘Heb je het niet koud trouwens?’
‘Nee hoor, helemaal niet.’
‘Dan is het goed, maar wel zeggen als het zo is, beloof je dat?’
‘Ja hoor.’
‘Weet je nog, dat feest toen in het bos?’
‘Natuurlijk, hoe zou ik dat kunnen vergeten.’
‘Iedereen moest een belofte doen, voor later.’
‘Dat was een ontroerend moment.’
‘Soms vraag ik me af of ik er eigenlijk al iets van terecht heb gebracht, van die belofte.’
‘Waarom twijfel je daar altijd aan?’
‘Dat weet ik niet. Het hoort erbij denk ik.’
‘Je moet echt niet te veel twijfelen, je doet het goed.’
‘Misschien moet je me daar straks nog iets over vertellen, maar nu nog niet.’
‘Eerst een ander verhaal nu?’
‘Ja, graag. Vertel maar iets.’
‘Er was eens…’
‘Ja, zo zou je het wel kunnen noemen.’
‘Ik vroeg me daarnet nog af hoe lang we elkaar nu eigenlijk kennen.’
‘Lang, toch al dertig jaar denk ik.’
‘Ja, zoiets moet het zijn. Het lijkt een eeuwigheid, en dat is het eigenlijk ook. Goed toch?’
‘Ja, heel goed.’
‘Het is iets als altijd op de achtergrond ergens aanwezig zijn. Veilig.’
‘Het is zo gegroeid op een of andere manier. En het werd vanzelfsprekend.’
‘Mijn dochter vertelde me gisteren nog dat ze met iemand zijn zo ingewikkeld vindt, vooral zo veel. Of je niet met een beetje kunt beginnen, en misschien bij een beetje blijven.’
‘En wat heb je gezegd?’
‘Dat ik het wel begreep wat ze bedoelde.’
‘Met beetjes beginnen, dat klinkt wel goed. Het hoort wel niet zo goed bij jong zijn.’
‘Nee, dat is zo. Maar bij haar gaan de dingen soms een beetje omgekeerd. Ze was altijd al een beetje oud. Waar dat vandaan kwam, heb ik nooit zo goed begrepen.’
‘Was jij ook zo toen je klein was?’
‘Iemand heeft me dat wel eens gezegd.’
‘Je dochter doet het goed, ze staat sterk in het leven.’
‘Soms weet ik het niet zo goed. Misschien wil ik haar toch nog altijd een beetje beschermen. Maar ik vertrouw wel dat ze zal komen waar ze moet zijn.’
‘Ze doet het goed, geloof me maar. En jij doet het ook goed.’
‘Ja? Ik weet het nooit.’
‘Weet je nog dat je vroeger altijd zei dat jij geen vader zou worden, dat je dat niet zou kunnen. En jij zei ook dat ik zeker wel een moeder zou worden. En zie, het is net omgekeerd uitgedraaid.’
‘Ik vind dat nog altijd jammer voor jou. Je zou het heel goed gedaan hebben.’
‘Wie weet. Het heeft geen belang meer nu. Het is wat het is.’
‘Het is eigenlijk wel spannend dat we hier nu vast zitten op deze plek. We hebben alle tijd.’
‘Misschien moeten we straks lijstjes maken van die dingen waar we het ooit nog eens over zouden hebben.’
‘Goed idee.’
‘Ik dacht nog vanmiddag dat ik me vroeger nooit het leven zou hebben kunnen voorstellen dat ik nu heb. Niet dat het zo bijzonder is, officieel dan. Voor mij nu is het gevuld en rijk, voor de jonge mij van toen zou het heel leeg lijken.’
‘Jij wou dus niet een beetje, maar veel.’
‘Niet zozeer veel, wel iets als normaal. Of wat ik dacht dat normaal was.’
‘Gelukkig is dat een woord dat je afleert met het ouder worden.’
‘Als ik dan je dochter zie, dan ben ik ook blij voor haar dat dit een andere tijd is. Ze heeft misschien andere twijfels in de plaats gekregen, maar toch.’
‘Als ik haar zie, en haar vrienden, dan heb ik een dubbel gevoel. Soms denk ik dat ik niet de toekomst wil hebben die zij voor zich hebben. En tegelijk kijk ik vol verwondering naar hoe ze bijna volleerd met de dingen omgaan.’
‘Ze hebben geen gebruiksaanwijzingen meer nodig, zo lijkt het soms.’
‘Misschien niet, maar zonder die dingen vind je daarom nog niet altijd wat je zoekt. En er is zoveel meer te vinden nu.’
‘Dat is waar.’
‘Heb je het niet koud trouwens?’
‘Nee hoor, helemaal niet.’
‘Dan is het goed, maar wel zeggen als het zo is, beloof je dat?’
‘Ja hoor.’
‘Weet je nog, dat feest toen in het bos?’
‘Natuurlijk, hoe zou ik dat kunnen vergeten.’
‘Iedereen moest een belofte doen, voor later.’
‘Dat was een ontroerend moment.’
‘Soms vraag ik me af of ik er eigenlijk al iets van terecht heb gebracht, van die belofte.’
‘Waarom twijfel je daar altijd aan?’
‘Dat weet ik niet. Het hoort erbij denk ik.’
‘Je moet echt niet te veel twijfelen, je doet het goed.’
‘Misschien moet je me daar straks nog iets over vertellen, maar nu nog niet.’
‘Eerst een ander verhaal nu?’
‘Ja, graag. Vertel maar iets.’
‘Er was eens…’
05 november 2011
Een roos
Terug naar huis door de stad. Je bent moe.
De trein zat goed vol. De man tegenover je zag er een beetje heftig in het zwart uit. Zou je dat gothic noemen? Geen idee. Indrukwekkende laarzen. Met een hele ring met pinnen erop. Waar zouden die voor dienen? Zou je dan efficiënter door een hoop brandnetels kunnen stappen? Geen idee.
In je hoofd de ene na de andere laten passeren. Zou het goed zijn met haar? Zou zij een rustige week gehad hebben? Zou hij schrik hebben voor wat hem te wachten staat? En zo verder. Alsof je even iedereen iets kunt zeggen. Alsof je hoopt dat ze het allemaal voelen, dat je even aan hen gedacht hebt.
Er ligt een roos op straat. Een mooie roos. Vers nog. Waarom zou ze hier liggen? Misschien gewoon gevallen, uit een tas. Misschien achteloos losgelaten. Ze deed wel alsof ze er blij mee was, maar eigenlijk wilde ze die bloem niet, en durfde ze het hem niet zeggen. Misschien het restant van een hevige ruzie. Hij wilde iets goedmaken, hij hoopte dat het nog kon. Maar zij maakte hem duidelijk dat het te laat was, dat hij niet meer moest afkomen nu. Wie zal het weten. Ze blijft eenzaam liggen.
Stiekem eens gaan kijken op feesboek. Je herinnerde je ineens iemand waarop je verliefd was toen je een jaar of dertien was. Hoe zou ze er nu uitzien? Je ziet haar foto, het is een schok. Ze ziet er nog een stuk ouder uit dan jij nu bent.
Een blaar op je vinger. Die buitenband wilde niet echt meewerken. Je dacht even snel die platte band te herstellen. De buitenband had beslist vandaag van het hardnekkige type te zijn. Uiteindelijk lukte het wel. Je kon net op tijd vertrekken om je trein nog te halen. Onderweg kwam je nog iemand tegen die je vroeg of je gehaast was. Je schaamde je een beetje, het leek zo onbeleefd, zo snel iemand voorbij lopen. Je kon moeilijk zeggen: het lag aan die buitenband van mijn achterwiel.
De nieuwe schoenen zijn een grote verbetering. Ze hebben extra veerkracht, wat ook aan de jouwe bijdraagt. Je veert door de straat.
Eerder die week in de bioscoop. Een heerlijke film. Rondom jou zit het vol met studenten. Mooie jonge mensen. Heerlijk om naar te kijken. Hoe ze bewegen, met elkaar praten. Ineens besef je: het zouden mijn kinderen kunnen zijn. Je laat die gedachte snel weer wegdrijven.
Iemand zien en even helemaal in de war zijn. Even blijven staan, iets zeggen. En dan weer verder.
Hoe je de avond daarvoor bijna zat te roepen tegen het televisiescherm. Iets als: nee, zo is het niet, zo moet je dat niet doen, waarom doe je het niet zo. De man in de serie hield niet echt rekening met wat je had willen roepen. Misschien had je het beter wel gedaan.
Bijna thuis. Je moet nog even het bruggetje over. Twee meisjes op een brug. Als je de brug nadert, zie je iets liggen, in het donker. Twee meisjes op een brug. Ze liggen daar dicht tegen elkaar. Naar de lucht te kijken. Te dromen. Ze giechelen als je voorbij komt, voelen zich een beetje betrapt. Je lacht terug. Je zou iets willen zeggen, maar doet het niet. Je hoopt dat ze van elkaar genieten, daar op de brug, in het donker.
De trein zat goed vol. De man tegenover je zag er een beetje heftig in het zwart uit. Zou je dat gothic noemen? Geen idee. Indrukwekkende laarzen. Met een hele ring met pinnen erop. Waar zouden die voor dienen? Zou je dan efficiënter door een hoop brandnetels kunnen stappen? Geen idee.
In je hoofd de ene na de andere laten passeren. Zou het goed zijn met haar? Zou zij een rustige week gehad hebben? Zou hij schrik hebben voor wat hem te wachten staat? En zo verder. Alsof je even iedereen iets kunt zeggen. Alsof je hoopt dat ze het allemaal voelen, dat je even aan hen gedacht hebt.
Er ligt een roos op straat. Een mooie roos. Vers nog. Waarom zou ze hier liggen? Misschien gewoon gevallen, uit een tas. Misschien achteloos losgelaten. Ze deed wel alsof ze er blij mee was, maar eigenlijk wilde ze die bloem niet, en durfde ze het hem niet zeggen. Misschien het restant van een hevige ruzie. Hij wilde iets goedmaken, hij hoopte dat het nog kon. Maar zij maakte hem duidelijk dat het te laat was, dat hij niet meer moest afkomen nu. Wie zal het weten. Ze blijft eenzaam liggen.
Stiekem eens gaan kijken op feesboek. Je herinnerde je ineens iemand waarop je verliefd was toen je een jaar of dertien was. Hoe zou ze er nu uitzien? Je ziet haar foto, het is een schok. Ze ziet er nog een stuk ouder uit dan jij nu bent.
Een blaar op je vinger. Die buitenband wilde niet echt meewerken. Je dacht even snel die platte band te herstellen. De buitenband had beslist vandaag van het hardnekkige type te zijn. Uiteindelijk lukte het wel. Je kon net op tijd vertrekken om je trein nog te halen. Onderweg kwam je nog iemand tegen die je vroeg of je gehaast was. Je schaamde je een beetje, het leek zo onbeleefd, zo snel iemand voorbij lopen. Je kon moeilijk zeggen: het lag aan die buitenband van mijn achterwiel.
De nieuwe schoenen zijn een grote verbetering. Ze hebben extra veerkracht, wat ook aan de jouwe bijdraagt. Je veert door de straat.
Eerder die week in de bioscoop. Een heerlijke film. Rondom jou zit het vol met studenten. Mooie jonge mensen. Heerlijk om naar te kijken. Hoe ze bewegen, met elkaar praten. Ineens besef je: het zouden mijn kinderen kunnen zijn. Je laat die gedachte snel weer wegdrijven.
Iemand zien en even helemaal in de war zijn. Even blijven staan, iets zeggen. En dan weer verder.
Hoe je de avond daarvoor bijna zat te roepen tegen het televisiescherm. Iets als: nee, zo is het niet, zo moet je dat niet doen, waarom doe je het niet zo. De man in de serie hield niet echt rekening met wat je had willen roepen. Misschien had je het beter wel gedaan.
Bijna thuis. Je moet nog even het bruggetje over. Twee meisjes op een brug. Als je de brug nadert, zie je iets liggen, in het donker. Twee meisjes op een brug. Ze liggen daar dicht tegen elkaar. Naar de lucht te kijken. Te dromen. Ze giechelen als je voorbij komt, voelen zich een beetje betrapt. Je lacht terug. Je zou iets willen zeggen, maar doet het niet. Je hoopt dat ze van elkaar genieten, daar op de brug, in het donker.
04 november 2011
Het is
Even paniek, de titel in de krant niet goed gelezen. Het zou kunnen verdwijnen. Het. Het woord het. Het bleek om het lidwoord het te gaan, niet om het voornaamwoord. Oef. Het zou dus kunnen dat we ooit gaan zeggen ‘de paard’, en niet ‘het paard’. Het andere het, zoals in ‘het zou dus kunnen dat’ is niet echt bedreigd. Gelukkig maar.
Stel je voor dat het helemaal zou verdwijnen. Wat? Het. Het jeweetwel, het ik-kan-het-niet-zo-goed-uitleggen. Het het dat zo oneindig veel mooier is dan het gruwelijke ‘ik heb zoiets van’. Het het dat alles en niets kan zijn. Het het dat het hele mysterie van de menselijke existentie in zich draagt. Het het dat zich niet zomaar laat ontsluieren. Het het dat ons steeds weer ontsnapt.
Wat is dat het? Wie zou het weten. Zoals in: het is wat het is. Het beweegt tussen twee polen. Aan de ene kant kan er het nietszeggend gestotter zijn. De woorden die even worden neergelegd in de ruimte omdat de stilte ondraaglijk wordt. Maar terwijl ze uitgesproken worden, wijzen die woorden misschien ook op het niets te zeggen hebben, het niets meer te zeggen hebben, het al lang niets meer te zeggen hebben. Of misschien wel op de zenuwachtigheid van het nog niets durven zeggen, van het elkaar nog verlegen aftasten, het bang zijn dat elk vroeg woord de toegang tot de huid zal verhinderen. Je weet het niet. Aan de andere kant kunnen die paar woorden ook de uitdrukking zijn van een moeizaam verworven boeddhistisch inzicht. De dingen zijn soms wat ze zijn. En die dingen die je toch niet kunt veranderen kun je misschien gewoon aanvaarden. Naar de dingen kijken zoals ze zijn, zonder illusies, zonder de schaduw van het ego. Het zou allemaal kunnen zitten in ‘het is wat het is’.
Er is veel het dus. Zoals in: hij heeft het helemaal. Wat heeft hij dan? En zou het niet beter zijn om die vraag niet te beantwoorden? Het het waar het hier over gaat, is niet te vatten. Het zou moeten aanzetten tot rollen met de ogen, een veelbetekenende knipoog of zelfs een licht openvallende mond. En als de hij in kwestie het ook echt heeft, zullen zijn bewonderaars of bewonderaarsters het onmiddellijk beamen: ja, hij heeft het helemaal.
Of ook: ik heb het zitten, ik heb het voor u. Wat heeft zich dan onder je huid genesteld als je dat zegt tegen een verblindend mooie vrouw? En waar zou zich dat het precies bevinden in je lichaam? Zou je het chirurgisch kunnen verwijderen, om het daarna op een schaaltje te leggen? Zou je er dan naar kunnen komen kijken? Kijk, daar ligt het. Waarop een ander kan zeggen: had ik het maar.
Het leven is volstrekt ondenkbaar zonder het, ook al is het niet te benoemen. Soms zit je in lichte wanhoop voor je uit te kijken. Je weet niet hoe je die dwingende vraag van een geliefde moet beantwoorden. Je ziet het in alle onbestemdheid zo voor je, als een tastbaar zwart gat in je buik of je hoofd. Je voelt het in alle hevigheid. En je kunt alleen zeggen: ik kan het niet uitleggen. De ander blijft aandringen, wil waarheden, wil woorden, wil bekentenissen, wil bewijzen van definitieve overgave, wil bevestiging van wat al lang duidelijk was. En er komt alleen: ik kan het niet uitleggen, je moet me geloven.
Of je ligt ’s nachts in je bed, alleen in het huis. Je wordt wakker, en ineens is het daar. Een onbeschrijflijke, door het huis sluipende angst. Die schuift naast je in het bed of blijft ernaast staan, jou aankijkend, en vooral niets zeggend. Het is er dan, even reëel als ongrijpbaar. Er is niet gewoon jouw gevoel in jouw lijf, het is daar, daar in de kamer.
Of omgekeerd. Op een onbewaakt moment, al lang niet meer verwacht, weet je het ineens. Heel je leven dacht je dat het moment van het inzicht in het het ooit zou komen. Maar het kwam niet. Je ploeterde maar verder door de modder van het leven. Het besef groeide dat het grote inzicht nooit zou komen. En toch, soms, in dat ondeelbare moment, is het alsof de sluier van wat een waarheid zou kunnen zijn, heel even gelicht wordt. Heel even denk je dat je de dingen begrijpt. Heel even denk je dat je het gezien hebt. Heel even lijkt het alsof het wel degelijk zou kunnen bestaan.
Misschien heeft het wel te maken met alles wat ons menselijk maakt. Misschien zou bij wijze van spreken het woord het helemaal kunnen verdwijnen zonder dat het zelf ooit kan verdwijnen. Trouwens, waar zouden de woorden naartoe gaan die verdwijnen? Is er ergens een hemel van verlaten en verweesde woorden? Zou je er naartoe kunnen gaan? (Nog zo’n woord trouwens, het woord er. Nachtmerrie voor al wie ooit onze mooie taal probeert te leren. En wie ze al verworven heeft, gaat er zo achteloos mee om…) Zou je in die hemel die woorden in je armen kunnen nemen en eindeloos wiegen? Zou je vergiffenis kunnen vragen voor het laten uitdoven van die woorden die ooit zo onvatbaar onmisbaar waren? Zullen we het ooit weten?
Het is. Dat is wel het minste.
Stel je voor dat het helemaal zou verdwijnen. Wat? Het. Het jeweetwel, het ik-kan-het-niet-zo-goed-uitleggen. Het het dat zo oneindig veel mooier is dan het gruwelijke ‘ik heb zoiets van’. Het het dat alles en niets kan zijn. Het het dat het hele mysterie van de menselijke existentie in zich draagt. Het het dat zich niet zomaar laat ontsluieren. Het het dat ons steeds weer ontsnapt.
Wat is dat het? Wie zou het weten. Zoals in: het is wat het is. Het beweegt tussen twee polen. Aan de ene kant kan er het nietszeggend gestotter zijn. De woorden die even worden neergelegd in de ruimte omdat de stilte ondraaglijk wordt. Maar terwijl ze uitgesproken worden, wijzen die woorden misschien ook op het niets te zeggen hebben, het niets meer te zeggen hebben, het al lang niets meer te zeggen hebben. Of misschien wel op de zenuwachtigheid van het nog niets durven zeggen, van het elkaar nog verlegen aftasten, het bang zijn dat elk vroeg woord de toegang tot de huid zal verhinderen. Je weet het niet. Aan de andere kant kunnen die paar woorden ook de uitdrukking zijn van een moeizaam verworven boeddhistisch inzicht. De dingen zijn soms wat ze zijn. En die dingen die je toch niet kunt veranderen kun je misschien gewoon aanvaarden. Naar de dingen kijken zoals ze zijn, zonder illusies, zonder de schaduw van het ego. Het zou allemaal kunnen zitten in ‘het is wat het is’.
Er is veel het dus. Zoals in: hij heeft het helemaal. Wat heeft hij dan? En zou het niet beter zijn om die vraag niet te beantwoorden? Het het waar het hier over gaat, is niet te vatten. Het zou moeten aanzetten tot rollen met de ogen, een veelbetekenende knipoog of zelfs een licht openvallende mond. En als de hij in kwestie het ook echt heeft, zullen zijn bewonderaars of bewonderaarsters het onmiddellijk beamen: ja, hij heeft het helemaal.
Of ook: ik heb het zitten, ik heb het voor u. Wat heeft zich dan onder je huid genesteld als je dat zegt tegen een verblindend mooie vrouw? En waar zou zich dat het precies bevinden in je lichaam? Zou je het chirurgisch kunnen verwijderen, om het daarna op een schaaltje te leggen? Zou je er dan naar kunnen komen kijken? Kijk, daar ligt het. Waarop een ander kan zeggen: had ik het maar.
Het leven is volstrekt ondenkbaar zonder het, ook al is het niet te benoemen. Soms zit je in lichte wanhoop voor je uit te kijken. Je weet niet hoe je die dwingende vraag van een geliefde moet beantwoorden. Je ziet het in alle onbestemdheid zo voor je, als een tastbaar zwart gat in je buik of je hoofd. Je voelt het in alle hevigheid. En je kunt alleen zeggen: ik kan het niet uitleggen. De ander blijft aandringen, wil waarheden, wil woorden, wil bekentenissen, wil bewijzen van definitieve overgave, wil bevestiging van wat al lang duidelijk was. En er komt alleen: ik kan het niet uitleggen, je moet me geloven.
Of je ligt ’s nachts in je bed, alleen in het huis. Je wordt wakker, en ineens is het daar. Een onbeschrijflijke, door het huis sluipende angst. Die schuift naast je in het bed of blijft ernaast staan, jou aankijkend, en vooral niets zeggend. Het is er dan, even reëel als ongrijpbaar. Er is niet gewoon jouw gevoel in jouw lijf, het is daar, daar in de kamer.
Of omgekeerd. Op een onbewaakt moment, al lang niet meer verwacht, weet je het ineens. Heel je leven dacht je dat het moment van het inzicht in het het ooit zou komen. Maar het kwam niet. Je ploeterde maar verder door de modder van het leven. Het besef groeide dat het grote inzicht nooit zou komen. En toch, soms, in dat ondeelbare moment, is het alsof de sluier van wat een waarheid zou kunnen zijn, heel even gelicht wordt. Heel even denk je dat je de dingen begrijpt. Heel even denk je dat je het gezien hebt. Heel even lijkt het alsof het wel degelijk zou kunnen bestaan.
Misschien heeft het wel te maken met alles wat ons menselijk maakt. Misschien zou bij wijze van spreken het woord het helemaal kunnen verdwijnen zonder dat het zelf ooit kan verdwijnen. Trouwens, waar zouden de woorden naartoe gaan die verdwijnen? Is er ergens een hemel van verlaten en verweesde woorden? Zou je er naartoe kunnen gaan? (Nog zo’n woord trouwens, het woord er. Nachtmerrie voor al wie ooit onze mooie taal probeert te leren. En wie ze al verworven heeft, gaat er zo achteloos mee om…) Zou je in die hemel die woorden in je armen kunnen nemen en eindeloos wiegen? Zou je vergiffenis kunnen vragen voor het laten uitdoven van die woorden die ooit zo onvatbaar onmisbaar waren? Zullen we het ooit weten?
Het is. Dat is wel het minste.
Abonneren op:
Posts (Atom)
