11 oktober 2014

Luxe XL

Ik zag haar in de krantenwinkel. Ze was net als ik een beetje de kluts kwijt. Je moet soms al moeite doen om iets zinnigs te vinden in de magazines die bij de weekendkranten gevoegd worden. Maar dit weekend deden ze er nog een schepje bovenop. Alsof ze het onder elkaar hadden afgesproken of zo. Bij de twee kranten die ik altijd lees, zaten magazines die eigenlijk als enige inhoud hadden: luxe. Op een daarvan stond het ook met zoveel woorden: Luxe XL.

In de gang buiten de krantenwinkel keken we elkaar aan met dezelfde o jee-blik, gevolgd door een zucht. Zullen we een koffietje doen, stelde ik voor, een gewoon koffietje, dat is al luxe genoeg.

Irma, zo heette ze. Fijn, dacht ik, dat er toch nog iemand is met die naam.

‘Begrijpt u dat nu? Kijk nu, zo dik, zoveel foto’s, zoveel artikels. Zoveel mensen die uren, dagen hebben gewerkt om een magazine te maken waarin ze het over luxe hebben. Is het nu de bedoeling dat ik me, door dit alles aan te raken en te lezen, ook verbonden ga voelen met die andere droomwereld, dat ik me ook luxe ga voelen? Het enige wat ik denk, is: dit ben ik niet, dit gaat nergens over. En ze hebben veel moeite gedaan om het te maken, en dat moet stukken van mensen kosten, en waarom? Wat wil men hiermee zeggen?’

Eigenlijk was daarmee die discussie gesloten, want we waren het behoorlijk eens. Ik vulde nog aan dat zoveel uitgestalde luxe, met zoveel vanzelfsprekendheid gebracht bij de krant, me alleen maar verdrietig maakte.

‘Weet u, ik had eigenlijk gehoopt dat de magazines vol zouden hebben gestaan met verhalen over de liefde. Dat lees ik wel graag in het weekend, zo aan de ontbijttafel. Hebt u dat ook?’

Ja, zei ik, alsof het een guilty pleasure was. Irma ging snel weer verder.

‘Soms vraag ik me het af, hoe anderen dat doen, de liefde. Ik vind het toch wel een beetje ingewikkeld. Ik heb een tijd een vriendje gehad. Hij zei dat hij me mooi vond, maar te traag. In de liefde dan, niet in de rest, want daarin ben ik nogal snel, denk ik.’

Ik zei dat ik dat wel een beetje herkende. Mensen zeggen me vaak dat ik snel stap, wat misschien ook wel zo is. Ik zag dat Irma haar best deed om haar stem niet te laten overslaan.

‘Hij is weggegaan, en heeft een snelle madam gevonden, veronderstel ik toch. Ze heet Peggy. Peggy zou trouwens zo in dat boekje van Luxe XL kunnen staan. Hoewel, die vrouwen in dat boekje hebben toch niet zo’n grote borsten als Peggy. No way, dat die van Peggy echt zijn. Hij zei tegen mij dat Peggy hem beter begrijpt, en dat hij zich voor haar niet moet inhouden. Subtiel, qua stille wenk.’

Ik had mijn koekje bij de koffie aan Irma gegeven. Ze at het eerst rustig op, voor ze weer verder ging.

‘Ik denk dat ik de meeste dingen wel snel kan. Opruimen, afwassen, mails beantwoorden, de krant lezen, koken, een artikel over de tweede wet van de thermodynamica begrijpen. Maar de liefde, dat gaat traag bij mij. Ik open me traag, denk ik. Niet dat ik dat zo wil, integendeel zelfs, maar het is nu eenmaal zo.’

Ik vertelde haar dat dat bij mij niet zo anders is. Iets over deuken, en hoe ermee om te gaan.

‘Ik had het hem nog gezegd, dat hij geduld moest hebben met mij. Maar dat leek hij niet goed te begrijpen. Of hij dacht dat dat maar eenmalig was of zo. Alsof ik een blikje was waarvan het deksel knelde, en dat je dat dan gewoon even open moest maken. En misschien ben ik wel meer als een mossel, die telkens weer dicht gaat. Sorry voor de beeldspraak, maar op dit uur van de dag ben ik nog niet in staat tot grootsheid.’

Ik zei haar dat men misschien ook, voor de beeldspraak dan, een vegetarisch alternatief zou moeten zoeken voor de mossel, om dan hetzelfde te zeggen. Maar ik realiseerde me meteen dat dat een ongemakkelijk grapje was. Lichte humor om de herkenning niet te laten blijken, of zo.

‘U kunt wel goed luisteren, wist u dat? Nu ja, soms ben ik ook wel blij dat hij weg is. Zoals in het weekend. Ik heb niet bepaald een ochtendhumeur. Maar in het weekend wil ik graag in stilte lang aan tafel blijven zitten. De ene dag de ene krant, de volgende de andere. En hij kon daar helemaal niet tegen. Misschien zou hij nu dit weekend wel blij geweest zijn met die luxebijlagen. Ik wil eigenlijk alleen verhalen lezen, verhalen van mensen. Luxe, als onderwerp op zich, dat is geen verhaal.’

Irma maakte zich klaar om te vertrekken. Ze moest nog boodschappen doen. En ook nog een cadeautje zoeken, en naar het postkantoor brengen om te laten verzenden naar een vriendin. Ze glimlachte nog eens, streelde door mijn haar, leek even iets te willen zeggen, en vertrok toen. Ik bleef nog wat zitten, en toen was het ook voor mij tijd voor de boodschappen. Snel boodschappen doen kan ik overigens ook, dat had ik haar nog moeten zeggen, dacht ik nog.

10 oktober 2014

Waar is de maan

Op weg. Je moet die avond in een debat zitten. Je zit in de trein, die bijna gaat vertrekken. Je voelt hoe moe je bent. En je rug lijkt al enkele dagen een slagveld. Vier kwetterende meisjes komen net voor je zitten. Verse deogeuren komen je tegemoet.

Je hebt het nieuwe boekje van de bekende psychiater bij. Over de liefde. Je probeert je te concentreren. Het lukt nog niet helemaal.

’s Avonds naar die stad gaan maakt je altijd een beetje zenuwachtig. Het is de stad waar je overdag bent. En hoewel het waarschijnlijk een beetje onnozel is, wou je het toch. Eerst naar huis gaan. Even thuis zijn. Om eten te maken, de afwas te doen, en de dingen een beetje op te ruimen. Om dan weer te vertrekken. Het voelt anders. Het heeft iets met je ritme te maken.

Je zit op het perron te wachten, voor de overstap. Er zijn veel mensen op het perron. Niet heel veel, zoals op de andere uren wanneer je hier bent. Maar genoeg. En ze passen goed in het licht. Wat dat wil zeggen weet je ook niet, maar zo voelt het. Het licht is zachter dan je verwachtte.

De trein vertrekt weer. Naar de andere kant van de stad. Normaal als je deze trein neemt, ga je naar dat grote parlement, waar je altijd zo graag was. (Het wordt trouwens tijd dat je nog eens gaat…) Nu ga je een halte verder. Het licht in de trein maakt de mensen rustig, denk je.

Het perron van je bestemming. Nadien zul je je afvragen of je de maan ook al bij aankomst zag, of alleen bij het vertrek, na het debat.

En weer is er iets met het licht. Je had minder licht verwacht op dit perron, ander licht. Je gaat de trappen op naar de straat daarboven. Je stapt naar de plek waar men je verwacht. Onder de bomen. Het is er aangenaam.

De plek waar je moet zijn ligt boven de sportzalen. Beneden zie je mensen in een zaaltje allerlei inspannende bewegingen maken, in strakke pakjes. Vooraan, op een verhoogje, staat een man aanwijzingen te geven. (Je bent wel blij dat je daar niet bij staat.) Boven in het café – je bent dus blijkbaar toch weer te vroeg – kun je het zwembad zien. De dames en heren beneden zijn baantjes aan het trekken, in allerlei varianten. Die ene, behoorlijk gespierde mevrouw, zwemt met één arm, de andere gebruikt ze niet. (Als jij dat zou doen, zou je waarschijnlijk in rondjes draaien, of gewoon naar de bodem zakken.) Ze doet het heel rustig en geconcentreerd.

Je praat jezelf op gang tijdens het debat. Je praat je rugpijn naar de achtergrond. Het is een geanimeerd gesprek. Je vraagt je af wie die jonge mensen in het zaaltje zien als ze naar jou kijken. Eens je bezig bent, denk je: dit doe ik eigenlijk wel graag.

Je vertrekt, tijd om naar de trein te gaan. Het pad onder de bomen, naast de straat, is nog steeds stemmig. Je bent – zoals steeds – weer minstens tien minuten te vroeg op het perron. En heel anders dan je vooraf had gedacht, besef je dat je best wel even hier wilt blijven. Even. En daar is de maan, dus. Een heel erg mooie maan. De maan glimlacht. Je zoekt een plekje tussen het wachthokje en de bank waar de twee meisjes zitten te babbelen. Met genoeg licht van de lamp om nog stukjes te kunnen lezen in het boekje over de liefde. En met uitzicht op de maan, de mooie maan. Een beetje verlegen stap je in. Je wilt graag naar huis, maar er was iets hier, denk je.

Er is nog een overstap. De zwarte man loopt sierlijk heen en weer op het perron. Hoe zou hij dat doen, vraag je je af. Waar moet je wat bewegen om dat effect te verkrijgen? Het zal wel een geheim zijn. En ook helemaal buiten het bereik van je aan alle kanten rammelende lijf.

De trein rammelt ook, denk je terwijl die het station binnenrijdt. Die oude treinstellen, ze hebben iets. Ze zijn ondertussen opgelapt. Het licht is anders. Vroeger waren ze somber, alsof ze altijd de nacht in zich hadden. Nu zijn ze fris. Als een plek waar de nacht je niet kan raken, voor even toch.

Dingen over de liefde. Ze gaan door je hoofd.

Het station van aankomst. Dit is dus de vierde keer vandaag dat je hier komt, denk je. Het geeft niet. Er is een ruime stilte, zoals altijd op dit uur hier. Een stilte die breed aanvoelt.

Het is nog een eindje stappen naar huis. Even denk je: kon ik maar, als met een sprong van een reus, ineens thuis zijn. Dat gaat snel weer weg. Je kijkt naar de mensen onderweg. En het licht in de winkelstraat, nu het nacht geworden is.

Voorzichtig binnenkomen. Zachtjes de gordijnen sluiten. Traag een glas water nemen. Even de televisie nog aan. En onder het dekentje. Hopen dat allerlei dingen zomaar spontaan zouden wegvloeien uit die rug en die schouders en dat hoofd. Al weet je al dat het niet zo zal zijn. Je weet nu al dat je waarschijnlijk weer wakker zult worden, ergens halverwege de nacht die nog overblijft. Het is niet erg, het is zo.

En de maan, die is nog steeds daar ergens. Buiten. Jij bent nu binnen, denk je. Dit is de plek, hier wou je zijn.

05 oktober 2014

Sporen in het bos

‘Hoe lang is het geleden dat we dat nog deden, samen naar het bos?’
‘Heel lang, ik wil het niet weten, denk ik.’
‘Is je knie goed? Heb je er niet te veel last van?’
‘Nee hoor, het gaat goed.’
‘Vroeger kwam ik hier elke week. En altijd dezelfde weg. Als een soort ritueel, denk ik. En om de kleine veranderingen te zien.’
‘Zijn wij nu eigenlijk veranderd, of niet? Wat denk je?’
‘Misschien wel niet. Misschien zijn wij zoals dat pad hier. Stel je voor.’
‘Dat is wel iets voor jou, om dat te zeggen. Jouw antwoorden op zo’n vraag zijn altijd een beetje mild en verzoenend. Ik zou misschien iets anders antwoorden, maar dat is niet zo belangrijk nu.’
‘Soms ben ik nog altijd verlegen.’
‘Ik ook.’
‘Grappig.’
‘Ja? Vind je?’
‘Ja, natuurlijk. Het is wel goed, denk ik. Weet je dat ik nog altijd de namen van de planten en de bloemen niet ken?’
‘Ik had wel niet anders verwacht, eerlijk gezegd.’
‘Het is iets dat ik niet goed kan uitleggen, maar soms vind ik het moeilijk. Ik dacht er nog aan de voorbije dagen. In de loop van je leven probeer je je te verzoenen met wie je bent, waar je vandaan komt, en al die dingen. Je ziet hoe de dingen gelopen zijn, hoe de tijd verder ging. En meestal is dat goed. Maar soms niet. Dan zie je de lege plekken in jezelf ineens weer. En dan lijkt het weer alsof je nog niet veel verder bent of zo.’
‘Wil jij niet gewoon te veel? Ik denk soms dat jij denkt dat het bij anderen beter is of zo, maar misschien is dat wel helemaal niet zo. Alleen laten ze het niet merken. Jij zoekt het op soms. Misschien durven anderen dat wel niet.’
‘Zou het zo zijn?’
‘Ik denk het wel.’
‘Daar moet ik eens over nadenken.’
‘Niet te veel, het is niet nodig.’
‘Vorige week probeerde ik aan een vriendin iets uit te leggen. Iets dat me heel erg geraakt had, en me ook heel erg in de war had gebracht. Ik had er een hele nacht van wakker gelegen. En hoe meer ik het probeerde uit te leggen, hoe meer ik voelde dat zij het niet begreep, of misschien vooral hoe meer ik begreep dat ik het niet uit kon leggen omdat het waarschijnlijk ook onnozel was.’
‘Klinkt ingewikkeld.’
‘Ja, een beetje. Nadien dacht ik: op zo’n momenten kun je je zo ongelooflijk eenzaam voelen. Misschien omdat je op zo’n moment de diepe eenzaamheid raakt die er altijd wel ergens is, en die dan aangeraakt wordt. Heb jij dat ook soms? Zo’n plots gevoel van eenzaamheid?’
‘Wat denk je?’
‘Ik zal het je niet vragen. Ik herinner me nog wel dat je me dat ooit een keer zei, en dat ik toen heel erg schrok.’
‘Ik herinner me dat niet meer. Het geeft ook niet.’
‘Weet je wat ik onlangs nog dacht? Als jij bij mij thuis komt, dan loop je soms zo door het huis, en dan ga je hier of daar iets verleggen of zo. En nadien zie ik dat dan, en ik vind het altijd prettig. Van jou kan ik dat verdragen.’
‘De verleiding is ook altijd groot om het te doen. Ik moet me telkens een beetje inhouden. Kijk daar, in de verte tussen de bomen. Een hert, zie je dat?’
‘O ja, zo mooi.’
‘Even niet bewegen, dan blijft het misschien nog even staan.’
‘Ja.’
‘En het is weer voorbij.’
‘Dat was misschien een geschenk.’
‘Denk je?’
‘Vanzelfsprekend.’
‘Waar denk je aan?’
‘Wat zouden we zijn zonder verhalen?’
‘Ga je er nog eens een schrijven?’
‘Wie weet.’
‘Zeg maar ja.’
‘Zou je dat willen dan?’
‘Ja, natuurlijk. Wat dacht je?’
‘Kijk, de sporen.’

03 oktober 2014

Iets met moed

Moeilijke onderwerpen. Af en toe moet je toch proberen er iets over te zeggen. En dan nog. Het woord moeilijk heeft misschien alleen betrekking op jou. Op de rangorde van problemen scoort het waarschijnlijk ergens tussen de 0 en de 1, nauwelijks waarneembaar dus.

En toch. Er alleen al aan denken kan je hevig in de war brengen. Het kan je neiging stimuleren om heel ver weg te lopen, heel ver weg te blijven lopen (je deed het misschien sowieso al de hele tijd).

Iemand vraagt je: waarom schrijf je geen boek? (En je denkt: een echt boek, een heel boek, met één verhaal, verschillende personages, plekken, tijden, …) Je zegt: dat kan ik niet. Iets later zeg je: dat durf ik niet. Nog iets later zeg je: om dat te doen, zou ik moeten gaan naar stukken in mijn hoofd waar ik niet graag kom, of waar ik alleszins niet graag blijf. Je hebt de moed niet, zeg je.

Je leest het stuk in de literaire katern van de krant, over de dichter. De dichter die al zoveel jaar van zijn leven koppig door blijft werken aan zijn gedichten. Die genadeloos elke millimeter van wie hij is heeft verkend in woorden. (Je denkt: ik zou gek worden, of minstens gillend wegrennen, van alles.) Hij heeft moed, denk je.

(En nog even los van het feit dat je talenten erg beperkt zijn. Die vaststelling alleen al lost eigenlijk alle vragen ineens op. Op goede dagen ben je enigszins middelmatig, misschien. Maar je doet even of het daar niet om gaat.)

Je zou relatief eenvoudige antwoorden kunnen bedenken. Zoals: ik kan geen verhaal verzinnen, geen personages maken. Alleszins niet personages die een hele reis meegaan. (Misschien kun je het wel, een beetje toch, als het een soort sprookje mag zijn. Is dat dan veiliger?)

Je zou de iets moeilijker antwoorden ook kunnen geven. Zoals: ik kan geen personages slecht laten zijn. (De ondergrond wordt al drassiger.) Als je naar mensen kijkt, is het niet moeilijk al hun kanten te zien. Je moet toegeven dat je niet helemaal goed om kunt gaan met duistere motieven of slechte karaktertrekken. Iets in je is er nooit op voorbereid. Ook op kleine schaal. De randgebieden, waar verlangen overgaat in egoïsme of hebzucht, waar je anderen zou kunnen gebruiken, en de hele verwarring tussen al die krachten die een mens in alle richtingen trekken. Je kunt die dingen zien, je kunt ze soms observeren bij jezelf, maar ze blijven ook een beetje terrein dat nooit een vertrouwde plek zou worden. En als je echte mensen zou willen in een boek, zou je net op die plek moeten gaan staan om ze te kunnen zien, en daarna tot woorden te maken. Iemand zou al snel zeggen: die mensen in je boek zijn allemaal goed, ze lijken allemaal een beetje niet van deze wereld.

Je zou nog een stapje verder kunnen gaan. Zoals: ik heb te weinig van het echte leven meegemaakt om een boek te schrijven. (Zeg je dan iets als: ‘echte’ mensen wonen samen, hebben kinderen, hebben relaties, gaan op reis, leven wild, …? Misschien, stel je een beetje verbaasd vast.)

Er zijn nog andere moeilijke antwoorden op de moeilijke vraag. Zoals: ik kan het alleen op de korte afstand. Een klein stukje maken, dat af en toe heel gecondenseerd kan zijn, heel intens. En daarna snel weer weglopen. Een dialoogje maken als een momentopname, waarin je in het beste geval allerlei krachten voelt samenkomen, waarin alles gesuggereerd wordt, maar niets uitgesproken. Voor een klein stukje heb je maar een klein beetje moed nodig. Je kunt even de deur openen, even in de wind gaan staan, wetend dat je snel weer weg zult zijn. Een klein stukje, als het even uitstellen van de vlucht. Als het heel goed gaat, is zo’n tekstje een plek, waar mensen even kunnen zijn.

In een goed boek voel je het meteen. De schrijver of schrijfster vlucht niet, maar dompelt zich onder, heeft geen schrik van de lange afstand, hoeft de personages niet te vrezen. In een minder goed boek voel je het ook meteen. Je voelt het bordkarton, je voelt het ‘boekje spelen’, je ziet de techniek, je voelt dat het verhaal geen noodzaak in zich heeft.

Ergens in het woord vlucht ligt de sleutel, je weet het zeker.

Misschien is de vraag niet moeilijk, maar verkeerd. Misschien zijn er vormen die bij je passen. Bij de deuken in je lijf. En is het goed zo, en genoeg. Misschien kun je sommige moerassen in je hoofd niet droogleggen, en hoeft dat ook niet. Misschien weet je het gewoon niet, en zul je het ook nooit weten. Misschien kom je met elk woord wel een beetje dichter. Misschien heb je ooit de moed voor iets met moed.

02 oktober 2014

Tussenstops

Het meisje. Gestrand ben je, samen met een vriend, na een vergadering in Gent. Voor even toch. De trein die je zou moeten nemen en de volgende zijn geblokkeerd door een probleem met een goederentrein ergens richting kust. Het meisje staat zenuwachtig op haar smartphone te dingesen. Ze moet ook naar Leuven, zo blijkt. Jullie nemen samen met haar een andere trein naar Brussel, en vandaar verder. Ze verspreekt zich bijna wanneer ze het heeft over “jullie oude…”, in een  gesprek over de wonderen van de moderne technologie. (Dat je het leven zomaar kunt overleven zonder 134 apps, het blijft een klein mirakel, of zoiets.) Ze vertelt over de scheiding van haar mama en papa. En hoe ze zo op het internaat terechtkwam. Maar, zo legt ze omstandig uit, haar zal het niet overkomen. Zij zal wel een goede man kiezen, wel goed voor haar kinderen zorgen, en wel altijd samenblijven.

De spin. Pontificaal hangt de spin midden in het web, aan de rand van je terras. Al de hele week eigenlijk. Zo’n spin heeft ongetwijfeld een heel ander besef van tijd, van de tijd. Jij holt een beetje van hier naar ginder, zo lijkt het wel. De spin wacht. En misschien is het woord wachten wel niet van toepassing. De spin is.

De vrouw. Het terras van het café. Je hebt net een watertje besteld. Plat? Je moet altijd een beetje nadenken over dat woord plat. Hoe plat is water? En als water niet plat is, wat is het dan? Rond? Sommige dingen in het leven zijn te ingewikkeld. De mevrouw van het café, een mooie jonge vrouw, komt je watertje brengen. Strakke broek, los shirt, vloeiende bewegingen. Wanneer ze je glas en het flesje water op de tafel zet, buigt ze zo diep voorover dat je niet anders kunt dan geconfronteerd te worden met reële inkijkmogelijkheden. Vanzelfsprekend verlies je officieel je concentratie maar heel even.

De vergadering. Je bent een klein beetje zenuwachtig. Er staat een belangrijk punt op de agenda. Je schrijft de puntjes van wat je zou willen zeggen op een papiertje. Je doet je best om rustig tussen te komen, je probeert er een lijn in te krijgen. (En heel stiekem, ergens in een achterkamertje van je hoofd, waar niemand het kan zien, zelfs jij zelf niet, denk je: dit was niet zo heel slecht, eigenlijk. En in dat zelfde kamertje denk je aan je maatje, en iets zegt: zag hij me nu maar bezig, hij zou glimlachen.)

De pot yoghurt. Discipline is erg belangrijk in het leven. Sommige mensen vinden dat jij er al genoeg van hebt, maar jij vindt dat er nog werk aan is. Elke dag zijn er praktische oefeningen in zelfbeheersing. Zoals de pot yoghurt met stracciatellasmaak van de biowinkel. En vooral het maar half leeg eten van de pot yoghurt met stracciatellasmaak, en die daarna weer heel rustig in de koelkast zetten.

Het concert. Je blijft overigens voorstander van afhaakbare benen, vooral tijdens concerten waar je een plaats hebt op het tweede balkon helemaal vooraan. Terwijl het concert bezig is, vraag je je af welk liedje jij zou zingen als jij daar op het podium tussen die muzikanten stond. Je denkt aan Queen Jane. En aan hoe onnozel en lelijk jij eruit zou zien op dat podium daar. Op weg naar huis zeg je nog net op tijd aan de vriendin die met je mee was gegaan dat die kleur van dat golfje haar erg goed staat. Anders zou dat ongetwijfeld terechtgekomen zijn in de categorie ‘dingen die je denkt net voor je in slaap valt, dingen waarvan je beseft: dat had ik moeten doen vandaag, waarom heb ik dat niet gedaan?’.

Frangipane. Of beter nog in de verkleinvorm: frangipanekes. Dingen waar je aan kunt denken en die je zomaar kunnen doen glimlachen. Het is een lange lijst, die dingen.

Chocolade. Zou ook thuis kunnen horen onder de rubriek discipline. Tijdens de afwas kun je de hele tijd denken aan dat ene stukje chocolade dat je zult eten na de afwas. En wel degelijk pas nadat de afwas helemaal gedaan is, en alles weer netjes is opgeruimd. Om dan elke dag weer vast te stellen dat dat ene stukje nog lekkerder smaakt dan je dacht dat het zou smaken.

Dromen. Er gebeuren weer veel dingen in je dromen.

28 september 2014

We waren er weer, goede vriend

Goede vriend Willy

Elk jaar rond deze tijd schrijf ik je een brief. Niet dat ik de andere dagen niet aan je denk. Dan ben je altijd wel ergens op de achtergrond aanwezig. Soms zie ik je knikken, of veelbetekenend zwijgen. Dat kon je wel, zwijgen, al zag ik dat er zoveel door je hoofd ging op zo’n moment. Maar op een zondagavond, rond deze tijd van het jaar, schrijf ik je graag nog eens een brief.

Vandaag hebben we weer gedaan wat we de vorige jaren ook deden. We kwamen samen, al vroeg. En we zorgden ervoor dat alles klaar was voor de honderden fietsers en wandelaars die zouden komen. Mijn aandeel in het geheel is nogal beperkt. Ik zit daar aan de inschrijvingstafel, de hele dag. En zo kan ik alle mensen zien die mee gaan fietsen of wandelen. En ik kan ook alle mensen zien die komen helpen. De anderen hebben veel meer gedaan voor de voorbereiding dan ik, maar ik zeg toch maar ‘we’, want zo voelt het wel. Maar ik kijk dus veel. Daar ben ik wel goed in. Ik zit daar graag, aan de rand van alles wat beweegt, om te kijken. Het is ook een beetje gemakkelijker om daar mijn tranen te verbergen, al lukt dat niet altijd.

Zoals elk jaar hebben we deze ochtend aan het onthaal onze discussie gevoerd over hoe we het moesten doen met die kaartjes voor de inschrijving. Hoe we alles moesten nummeren. Eigenlijk, ik zal er maar voor uitkomen, is dat een ritueel. Een ritueel dat elk jaar zorgvuldig moet worden uitgevoerd. En de dierbare vriendin die daar elk jaar met mij zit, speelt dat ook telkens trouw mee. We hebben rituelen nodig, ik heb rituelen nodig, zeker op zo’n dag.

Rituelen beschermen me ook een beetje tegen mijn verlegenheid. Ik zie daar telkens nog mensen lopen die dierbaren verloren aan die vreselijke ziekte, veroorzaakt door asbest. En het maakt me zo klein. Ze laten zich niet doen. Ze spannen rechtszaken aan, die ze zelfs ook winnen. Ik zag hem, de man die dat deed, en ik wou hem eigenlijk gaan zeggen: dank u. Maar ik durfde het niet.

We worden er elk jaar een beetje beter in, in de organisatie van het hele gebeuren. Alles loopt behoorlijk vlotjes. Iedereen doet wat er moet gebeuren. Al moet ik zeggen dat ik, ergens halverwege de dag, dacht: er zou iets dwarsigs mogen gebeuren, of zo. Jij zou ongetwijfeld de boel een beetje subtiel verstoren. Er zou ergens een kleine breuklijn ontstaan in het geheel. Het is een van de manieren om jou te herinneren, denken aan een breuklijn, een barst. Het zou andermaal zorgen voor een lach op ons gelaat, en ook dat zal wel een breuklijn zijn zeker?

Op een bepaald moment was ik even in paniek. Het was alsof ik je even niet zag. Maar ik moest alleen maar rondkijken, en het werd weer rustiger. Ik zag jouw vrouw, en wist al dat ik weer niet goed zou weten wat te zeggen bij het afscheid (het lukt me jaar na jaar telkens niet). Ik zag jouw mooie kinderen, en dacht: wat zou hij trots zijn op hen. En ik zag je broers, ik zag hun wat hoekige en brede bewegingen, en ik dacht: zie hem daar lopen, in hen.

Ik weet dat je wou dat het een soort happening zou worden, die jaarlijkse ontmoeting. Ik weet dat je zou zeggen dat we niet verdrietig mogen zijn. Het spijt me, maar ik kon het (weer) niet, niet verdrietig zijn. Vergeef het me maar. Terwijl ik dit zit te schrijven, hoor ik de cellosuites van Bach. Ze houden me een beetje bij de aarde, in hun onaardsheid. Laat me maar een beetje verdrietig zijn.

En waarschijnlijk zou je zeggen dat ik niet kwaad zou mogen zijn. Ook dat is me weer niet gelukt. Toen ik terugliep naar het station, liepen de tranen over mijn wangen. (Ik heb al wat af gesnotterd de voorbije week, om allerlei redenen, maar ook dus vandaag.) Ik blijf zo ongelooflijk kwaad, verdomme toch. En ik weet met die kwaadheid geen blijf. Even kon ik me voorstellen dat het deugd zou kunnen doen om iets in elkaar te rammen. Wees maar gerust, ik zal dat niet doen. Je zou die kloteziekte moeten kunnen vastnemen, en er tegen roepen. Maar dat gaat natuurlijk niet. De mensen in de trein keken wel een beetje raar, door die tranen waarschijnlijk.

Soms heeft kanker iets akelig eenvoudigs, anoniem bijna. Ik moest aan mijn vader denken. Als je rookt, dan kun je kanker krijgen. Als je te lang wacht om er iets over te zeggen, dan kan het te laat zijn. En dan kun je gewoon dood gaan dus. Als een procedure die stap voor stap netjes wordt afgehandeld. Als je in aanraking komt met asbest, dan komt er een tijdbom in je lijf. Die tikt rustig verder, de tijd die voorzien was. En dan begint het fout te gaan, en gaat het uiteindelijk ook fout. Jij hebt er nog alles uitgehaald wat erin zat. Elk uur dat je kon winnen, heb je uit het leven geperst. Tot het moment daar was. Ik ben niet zo goed in het aanvaarden van procedures, denk ik.

En tegelijk kan kanker als het leven zelf zijn. Ik denk aan al die mensen die worstelen met de ziekte. Ik denk aan mijn eindeloze bewondering voor hoe ze het doen, dat ze het doen. Ik zou zo graag iets willen kunnen doen. Ik denk dat je me zou zeggen dat ik dankbaar moet zijn voor het leven. En dat is ook zo, goede vriend. Ook mijn dankbaarheid is eindeloos. Ik bleef leven, jij niet. Je zou me zeggen: verdomme, wees dankbaar, en koester het leven, tot het laatste uur. Ik zal het proberen, dat beloof ik je.

Ik had met de auto mee kunnen rijden, vanmiddag. Maar ik wou dus met de trein gaan. Dat betekende dat ik zowat een heel uur moest wachten op dat perron, voor de overstap. Maar ik wou alleen zijn, alleen met mijn gedachten. Ik vroeg me af of jij nu een eenzame fietser bent. Terwijl ik dat dacht, zag ik je staan, achter je fiets, een beetje verder op het perron. Je keek naar me, met je kop een beetje schuin, zo van onder je oogkassen. Je stond daar zo een beetje te wiebelen, zoals jij dat kon. En je zei: die vraag hoef je niet te beantwoorden. Dat was wel een mooi antwoord.

Volgend jaar zijn we er weer, vanzelfsprekend.



jan

21 september 2014

Lelijk

‘Ik zag die foto, en in een flits keek ik weg. Ik vond mezelf zo oud en lelijk op die foto.’
‘Je bent niet lelijk, hoe kom je daar nu bij?’
‘Ik weet het niet. Niet dat ik er verder veel over nadenk, of me zorgen maak of zo. Misschien is het af en toe zelfs een beetje alsof ik me erbij neergelegd heb.’
‘Dat je lelijk bent?’
‘Ja, zoiets.’
‘Ik vind het nog steeds onzin.’
‘Misschien is het een teleurstelling. Soms hoop ik dat er een foto van mij komt, per ongeluk of zo, waarin ik iets zal zien. Dat ik dan zal denken: die foto heeft iets van me gevat dat ik zelf nog niet kon uitdrukken, die foto weet iets.’
‘En zou je je er dan mee kunnen verzoenen?’
‘Dat denk ik wel.’
‘Jij hebt al enkele mooie foto’s van mij gemaakt. Daar was het eigenlijk wel zo, dat ik nadien dingen in die foto zag die ik niet wist.’
‘Ik zou dat nog wel eens willen doen, heel uitgebreid, en met heel veel tijd. Foto’s maken van jou.’
‘Voor in dat grote boek van jou?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Ik denk dat je eerst lang met jou moet praten, voor je een foto kunt maken. Als je praat, verander je altijd een beetje. Je ogen worden anders. Iets wordt dan ook rustiger in je gelaat.’
‘Dat is bij jou ook wel een beetje. Tijd nemen, dat is belangrijk.’
‘Ben je eigenlijk bang om je leeftijd te zien?’
‘Nee, ik denk het niet. Officieel toch niet. Maar ik begin nu toch een beetje te twijfelen. Als ik mezelf vanbinnen zie, valt het geweldig mee. Als ik mezelf in de spiegel zie, is het af en toe goed. Af en toe denk ik dan: zo zou ik wel willen zijn. Maar die foto was toch confronterend. Alsof die mens los stond van mij.'
‘Ik herken het wel een beetje. Soms is het gewoon een waarheid die je zo te zien krijgt. Een waarheid, niet de. Maar wel een.’
‘Als kind dacht ik altijd dat grote mensen er fundamenteel anders uitzagen dan kinderen. Dat er ergens tussen die twee fases een soort breuk of zo zat. Je kon gewoon zien aan grote mensen dat ze grote mensen waren. Maar naarmate je zelf opgroeit, denk je daar toch anders over. Die zogenaamd grote mensen zien er eigenlijk gewoon uit als grote kinderen. Omdat je die kinderen gekend hebt, en hen er nog steeds in ziet. Misschien zag ik in die foto van mezelf ineens een grote mens of zo.’
‘Het kan ook zijn dat het gewoon niet zo’n goede foto was. Heb je die optie al overwogen?’
‘Nee, eigenlijk niet. Grappig.’
‘Terwijl ik nu naar je zit te kijken, zie ik steeds beter welke dingen van jou ik in een foto zou willen. Ik kan het niet uitleggen, of misschien kan ik het wel uitleggen, maar wil ik het niet. De dingen van jou die ik altijd mooi gevonden heb. En mooi is hier een beter woord dan aantrekkelijk. Mooi duurt langer, en gaat ook trager, denk ik.’
‘Je maakt me wel verlegen nu.’
‘Hoe je verlegen bent, dat zou al een mooie foto zijn.’
‘Zo word ik nog meer verlegen.’
‘Goed zo.’
‘Soms denk ik dat een foto een beetje is als een brief. Soms wil je iemand een brief schrijven, en dan kun je die brief, de ideale versie ervan, al in je hoofd zien. Je ziet rustige en sierlijke letters, en het is alsof in die brief iets onthuld zal worden. Ook voor jezelf als briefschrijver. Op een of andere manier kun je verlangen naar zo’n brief, maar het lukt nooit echt.’
‘Ik denk echt dat je te streng bent voor jezelf. De brieven die je aan me schreef, toen je dat nog deed, dat was toch altijd een beetje als een kleine wereld die open ging. Ik kon die brief vasthouden in mijn handen, en dan was het alsof ik iets van je gekregen had, iets dat alleen maar in die brief kon zijn.’
‘Ja? Is dat zo? Is dat de herinnering die je nu overhoudt?’
‘Ja, toch wel. Het is een mooie herinnering.’
‘Dat is heel lief.’
‘Af en toe, als ik je zie, sta ik mezelf toe om zo naar je te kijken dat ik die dingen weer zie. Die plek die er in die brieven was, die plek die jij was. In een goede foto van jou zou die eigenlijk ook moeten zitten. Op een of andere manier. Ik kan het niet goed uitleggen, en je mag me ook niet vragen om er veel meer over te zeggen.’
‘Ik ben een beetje sprakeloos. Ik dacht net aan mensen die het geluk hebben dat ze iemand heel vaak opnieuw kunnen fotograferen. Soms zie je dat bij een fotograaf, dat hij of zij een persoon of model telkens opnieuw fotografeert. Je ziet die ander dan ouder worden. Maar je ziet ook wat de fotograaf ziet in die ander.’
‘Een beetje zoals de zelfportretten van Rembrandt.’
‘Ja, inderdaad.’
‘Kom je nu even hier bij me zitten? Dat zou ik wel willen.’
‘Ja, dat is goed.’