Een mooi klein gesprek, ergens in de ochtend. Over kwetsuren, en over verlangen. Hoe de tijd werkt. Hoe de tijd nodig is om te zien dat je er nog bent. De dingen die uit beeld geduwd werden, die je in je leven had willen hebben. Hoe je doolde. Hoe je langzaam met jezelf samen zou kunnen vallen. Je luistert naar het verhaal. De tijd die nodig is. En wat er daarna komt. Je probeert iets te zeggen.
Je hoort de partita’s. Ze bewegen, ze blijven, jij blijft, jij verandert.
Beelden van een liefde schuiven door je hoofd. Je ziet iets stokken in je lichaam. Je bent elders.
Je ziet hoe het zou zijn, die trage dans. Die je niet kunt vragen. Maar je kunt hem al zien.
Soms loop je traag door de kamer. Alsof je elke spier zou willen voelen, zou willen lezen. En soms lukt het. Je herhaalt de beweging.
Die ene droom. Je had iets verkeerd gedaan. Terwijl je niets deed, wist je. En dat je altijd moest vertrekken. Dat het zo moest zijn.
Toen je niet kon slapen, die ene nacht. En die trage beweging, die eindeloze trage beweging. En hoe de nacht rustig werd. Hoe de geluiden vrediger werden. Hoe je gewoon verder kon.
Soms neem je de oude Julia weer bij de arm. Je zorgt ervoor dat ze veilig en wel de straat overkomt. Er zal niets gebeuren. Je helpt haar even op de drempel van haar voordeur, gaat nog even mee binnen om haar tas op de tafel te zetten, en dan vertrek je weer.
Soms denk je aan de verhalen die je vertelde aan je zus, ergens in de nacht. Hoe het stil werd. Je herinnert je nog het licht van de straat daarbuiten, dat door die rare gordijnen viel. En de geluiden van de auto’s op de kasseien, toen die daar nog waren. En je vertelde verder.
Hoe je bij het dansen in je rol moet gaan staan. Iemand zegt het je. Je ziet de bewegingen, als lijnen op de grond, nog onzichtbaar. Je zou willen vragen of ze zou kunnen wachten, tot je de lijnen kunt zien.
Je loopt door de geuren van de herfst, met het fototoestel. Je zoekt vormen. Het begint zachtjes te regenen. Je beschermt het toestel. Je kijkt naar de kleuren in de huid van de boom. De mannelijke boom. De vrouwelijke boom. De beelden komen bij de teksten. Een ritueel dat zich herhaalt. Je ziet jezelf alleen lopen daar. En het is goed zo.
Je denkt aan de kinderen. Je zou vragen om alle verhalen te vertellen. Ze zouden het misschien al snel beu zijn. Je zou niets zeggen, je zou denken dat het nog lang mocht duren.
Je stem heeft verschillende plekken in je lichaam. Je kijkt. Er is ook die hese stem, soms, ineens. Het is iets van het voorbije jaar.
Je loopt naar de trein. Het is nog vroeg, en fris. Hoe lekker zacht en thuis het is, in die handschoenen. Er is alleen maar de beweging. Je voelt je adem. Er is geen pijn. Je kijkt naar de mensen die voorbij fietsen. Je ruikt de plekken van de stad. Je laveert door de stroom van mensen die in de gang allemaal de andere richting uit gaan. De mevrouw in de krantenwinkel lacht. Je wacht op het perron. Op het andere perron staat een jongen die je herkent, hij zwaait naar je. En een ondeelbaar moment.
De boodschappen liggen op het aanrecht. Je legt alles netjes op de juiste plaats. Het huis herkent je. Dit is de plek, denk je.
Je ziet de beelden van de val van de Muur. De tranen lopen over je wangen, telkens weer. Er moet een plek zijn, ergens in je lichaam, waar die beelden zijn. Daar zijn ze geschreven. Je bent ook de woorden waarin je bent geschreven.
Iemand zei je, onlangs nog, dat je al aan het helen bent. Misschien heeft ze gelijk.
Je moest iets doen, dacht je, voor die ene varen. Hij gaat al zo lang met je mee. Hij kent al je geheimen. Hij weet iets over wijsheid. Je hebt iets gedaan, en terwijl aan een verhaal gedacht. En nu, enkele dagen later, lijkt het goed te gaan. Misschien is de varen wel blij.
Soms veranderen de geuren ineens, zijn ze plots meer aanwezig. Alsof de breedte verandert.
Buiten op het terras kijk je naar de maan. De maan is aan de overkant van de straat.
(Je grootvader, in het ziekenhuis, in de weken voor hij stierf. Wanneer het tijd was om te vertrekken zei hij telkens dat je goed moest oppassen bij het oversteken van de straat.)
De woorden die je zult zeggen, ze zullen wel gewoon komen. Ze zullen zich laten ontvangen.
Die ene avond toen je thuiskwam en je je kon voorstellen dat er iemand zou zijn aan wie je iets zou vragen.
Het meisje dat zich net voor jou in de volle metro wurmt. Ze ziet er cool uit, en ook niet helemaal van deze wereld. Ze past er misschien niet helemaal in, zoals jij. Ze heeft een koffer bij, die duidelijk erg belangrijk voor haar is. Je kijkt rond in het metrostel, naar alle gezichten. Het geeft je een vredig gevoel, al die gezichten. Het meisje gaat op de koffer zitten. Je maakt je klaar om uit te stappen. Ze kijkt je aan en glimlacht. Ze heeft iets gezien.
Soms denk je dat de dans al bezig is, altijd al bezig was.
09 november 2019
08 november 2019
Ze wordt groot
De nieuwe week, na enkele dagen stilte. Je stem moet weer naar boven komen.
Je staat voor de groep te vertellen over de waarden. Het is mooi, hoe je ze ziet meedenken. En die twinkel in de ogen van de vrouw vooraan. Je kijkt even achterom.
Die avond. Je bent voorspelbaar als het over lelijke woorden gaat. Woorden die moeten verboden worden, door een of ander intergalactisch decreet. Concullega’s, om maar even een voorbeeld in de groep te werpen. Sommigen willen zelfs het woord concullega’s uitrollen. Brrr. (Je observeert hevige lichamelijke reacties van afkeer. Waar in je lichaam zou die lelijkewoordenkrampveroorzaker zitten?)
Een ochtenddroom die je onzeker maakt.
Na uitvoerig intern overleg heb je een belangrijke beslissing genomen. Die pyjama begint toch echt wel oud te worden, ruim twintig jaar, denk je. En ook wel, eigenlijk, erg versleten. Het dossier van de aankoop van een nieuwe pyjama is via interne procedure goedgekeurd. Dapper stap je na het werk de winkel binnen om gezwind naar het juiste rek te stappen, snel te beslissen welke je zult kiezen, soepel de juiste maat eruit te plukken (had je wel vooraf via gerichte research voorbereid), in één vloeiende beweging naar de mevrouw aan de kassa door te lopen, daar een kort babbeltje te doen (je bent een man van de wereld, met een nieuwe pyjama) en dan opgewekt naar buiten te lopen. (Om daar vast te stellen dat die ene straatzanger die altijd alleen maar liedjes van The Beatles zingt dat nog altijd redelijk afgrijselijk doet.) Misschien kun je het leven wel gewoon aan.
(Die avond stel je vast dat de pyjama wel lekker ligt, eigenlijk.)
Een andere dag. De mevrouw zei dat je aan de deur van bureau 5 moest wachten tot de dokter je zou komen halen voor het geven van de griepspuit. Je ziet bureau 5, de deur staat open, de dokter zit gewoon binnen. Moet je dan wachten tot hij je komt halen, of mag je gewoon binnengaan? (Je zult nooit een volleerde ambtenaar worden, denk je.)
De vertrouwde vrachtwagenmeneer rijdt kunstig met dat grote voertuig tot naast je huis. (Je vraag aan de kosmos dat het enkel in de ochtend zou regenen is verhoord, jippie.) 12 palletten worden uitgeladen. (De buren komen lachend voorbij, het is weer dat moment van het jaar.) Je kijkt vanop een afstand naar je armen en je rug.
Tijdens de vergadering ’s avonds ben je een beetje strammerig. (Je vermoedt dat de pijn een dag later zal komen.)
(De pyjama heeft ongetwijfeld lichaamsherstellende krachten.)
Een andere dag. Het is haar verjaardag. Zij en haar zus, ze worden zo groot, denk je. Je stuurt haar een berichtje. (Het vliegt door de lucht, denk je, in de goede richting.) Je wuift nog even. De mensen in de trein hebben het waarschijnlijk niet gezien.
Je zit de hele dag in de vergaderzaal. Tijdens de middagpauze een mooi gesprek over jongeren die kwaad zijn (zoals je zelf kwaad was toen je zo oud was). De vergadering begint terug. Je denkt aan chocolade. (En vraagt je af of het goed gaat met de jarige.)
Die avond in de schouwburg. De muzikanten in het voorprogramma, ze weven een muziekkleed dat in- en uitademt. Je kijkt naar een wereld die je nog niet kent, probeert het ritme van die adem te zien. Daarna komen de vrouw met de harp en de man met de kora. Het is wonderlijk hoe ze om en door elkaar heen bewegen. Iets in je glijdt weg. (Je vergeet even de loeiende rugpijn, die inderdaad een dag later is gekomen.) Soms zie je de rand van je dromen voorbij schuiven.
Napraten in de nacht. Het is al koud. Je probeert iets te vertellen. (Je ziet iets in je hoofd, terwijl je naar huis loopt.)
Een andere dag.
Een stukje wacht op je. Het moet nog ergens gevonden worden. Al de hele week loop je met een half idee in je hoofd. (De vorige avond, net voor je in slaap viel had je de woorden in je hoofd gezien van een woordje dat je volgende week mag doen.) Je loopt naar de trein, het is nog koud in de ochtend. Je probeert het idee te laten indalen, tot de plek waar de tekst zal komen. Het lukt niet goed, het valt nog niet in elkaar. Wanneer je uit het station komt, zie je ineens dat ene ding, als een ontbrekend puzzelstukje. Dat doet in je hoofd de dingen in elkaar passen.
Als je later aan de tekst begint, weet je nog steeds niet (zoals gewoonlijk) hoe het zal lopen en welke beelden er zullen komen. Je moet beginnen met de verhalen, denk je. Daarna schrijft de tekst zichzelf en begrijp je de samenhang die je eerst nog niet zag.
(Je denkt aan chocolade. Foto’s, even moet je foto’s zien, eer je weer naar de woorden kunt.)
Je haalt de trein nog net. (Je collega’s hebben je nog eens duidelijk gemaakt dat er na het weekend sprake is van een dag die zomaar vrij is, dat je dus niet naar het werk moet komen. Wat ook geldt voor een andere dag in dezelfde week. Hopelijk zul je die goede raad deze keer niet vergeten.)
Na een boeiend gesprek kom je thuis. Goed dat je de rest van de avond niets meer moet zeggen. Het mag warm worden. (Straks is er een dekentje.)
Je staat voor de groep te vertellen over de waarden. Het is mooi, hoe je ze ziet meedenken. En die twinkel in de ogen van de vrouw vooraan. Je kijkt even achterom.
Die avond. Je bent voorspelbaar als het over lelijke woorden gaat. Woorden die moeten verboden worden, door een of ander intergalactisch decreet. Concullega’s, om maar even een voorbeeld in de groep te werpen. Sommigen willen zelfs het woord concullega’s uitrollen. Brrr. (Je observeert hevige lichamelijke reacties van afkeer. Waar in je lichaam zou die lelijkewoordenkrampveroorzaker zitten?)
Een ochtenddroom die je onzeker maakt.
Na uitvoerig intern overleg heb je een belangrijke beslissing genomen. Die pyjama begint toch echt wel oud te worden, ruim twintig jaar, denk je. En ook wel, eigenlijk, erg versleten. Het dossier van de aankoop van een nieuwe pyjama is via interne procedure goedgekeurd. Dapper stap je na het werk de winkel binnen om gezwind naar het juiste rek te stappen, snel te beslissen welke je zult kiezen, soepel de juiste maat eruit te plukken (had je wel vooraf via gerichte research voorbereid), in één vloeiende beweging naar de mevrouw aan de kassa door te lopen, daar een kort babbeltje te doen (je bent een man van de wereld, met een nieuwe pyjama) en dan opgewekt naar buiten te lopen. (Om daar vast te stellen dat die ene straatzanger die altijd alleen maar liedjes van The Beatles zingt dat nog altijd redelijk afgrijselijk doet.) Misschien kun je het leven wel gewoon aan.
(Die avond stel je vast dat de pyjama wel lekker ligt, eigenlijk.)
Een andere dag. De mevrouw zei dat je aan de deur van bureau 5 moest wachten tot de dokter je zou komen halen voor het geven van de griepspuit. Je ziet bureau 5, de deur staat open, de dokter zit gewoon binnen. Moet je dan wachten tot hij je komt halen, of mag je gewoon binnengaan? (Je zult nooit een volleerde ambtenaar worden, denk je.)
De vertrouwde vrachtwagenmeneer rijdt kunstig met dat grote voertuig tot naast je huis. (Je vraag aan de kosmos dat het enkel in de ochtend zou regenen is verhoord, jippie.) 12 palletten worden uitgeladen. (De buren komen lachend voorbij, het is weer dat moment van het jaar.) Je kijkt vanop een afstand naar je armen en je rug.
Tijdens de vergadering ’s avonds ben je een beetje strammerig. (Je vermoedt dat de pijn een dag later zal komen.)
(De pyjama heeft ongetwijfeld lichaamsherstellende krachten.)
Een andere dag. Het is haar verjaardag. Zij en haar zus, ze worden zo groot, denk je. Je stuurt haar een berichtje. (Het vliegt door de lucht, denk je, in de goede richting.) Je wuift nog even. De mensen in de trein hebben het waarschijnlijk niet gezien.
Je zit de hele dag in de vergaderzaal. Tijdens de middagpauze een mooi gesprek over jongeren die kwaad zijn (zoals je zelf kwaad was toen je zo oud was). De vergadering begint terug. Je denkt aan chocolade. (En vraagt je af of het goed gaat met de jarige.)
Die avond in de schouwburg. De muzikanten in het voorprogramma, ze weven een muziekkleed dat in- en uitademt. Je kijkt naar een wereld die je nog niet kent, probeert het ritme van die adem te zien. Daarna komen de vrouw met de harp en de man met de kora. Het is wonderlijk hoe ze om en door elkaar heen bewegen. Iets in je glijdt weg. (Je vergeet even de loeiende rugpijn, die inderdaad een dag later is gekomen.) Soms zie je de rand van je dromen voorbij schuiven.
Napraten in de nacht. Het is al koud. Je probeert iets te vertellen. (Je ziet iets in je hoofd, terwijl je naar huis loopt.)
Een andere dag.
Een stukje wacht op je. Het moet nog ergens gevonden worden. Al de hele week loop je met een half idee in je hoofd. (De vorige avond, net voor je in slaap viel had je de woorden in je hoofd gezien van een woordje dat je volgende week mag doen.) Je loopt naar de trein, het is nog koud in de ochtend. Je probeert het idee te laten indalen, tot de plek waar de tekst zal komen. Het lukt niet goed, het valt nog niet in elkaar. Wanneer je uit het station komt, zie je ineens dat ene ding, als een ontbrekend puzzelstukje. Dat doet in je hoofd de dingen in elkaar passen.
Als je later aan de tekst begint, weet je nog steeds niet (zoals gewoonlijk) hoe het zal lopen en welke beelden er zullen komen. Je moet beginnen met de verhalen, denk je. Daarna schrijft de tekst zichzelf en begrijp je de samenhang die je eerst nog niet zag.
(Je denkt aan chocolade. Foto’s, even moet je foto’s zien, eer je weer naar de woorden kunt.)
Je haalt de trein nog net. (Je collega’s hebben je nog eens duidelijk gemaakt dat er na het weekend sprake is van een dag die zomaar vrij is, dat je dus niet naar het werk moet komen. Wat ook geldt voor een andere dag in dezelfde week. Hopelijk zul je die goede raad deze keer niet vergeten.)
Na een boeiend gesprek kom je thuis. Goed dat je de rest van de avond niets meer moet zeggen. Het mag warm worden. (Straks is er een dekentje.)
02 november 2019
De stilterand
‘Heb je veel pijn?’
‘Ja, vaak wel, eigenlijk.’
‘En ben je bang?’
‘Hoe moet ik best op die vraag antwoorden? In zekere zin voelt het nergens echt veilig. Dus ja, vaak wel. Heb jij dat ook niet, zelfs in je eigen huis?’
‘Veel minder dan vroeger. Ik droomde vroeger van een huis dat sterk genoeg zou zijn voor de storm en het onweer. En waar ik nu woon, daar heb ik dat gevoel vaak, dat het goed is, voor het eerst eigenlijk. Ik kan in de warme hoek van de kamer gaan zitten, en dan is er een sterke muur achter en naast me.’
‘Ik zou ook wel zo’n hoek willen hebben.’
‘Hij komt naar je toe.’
‘Het was mooi, hoe je daarnet vertelde over je handen. Hoe ze soms aarzelen, en dat je niet weet waarom dat zo is, en dat je handen het blijkbaar wel weten.’
‘Het zijn herinneringen op een heel diep niveau of zo, ik las dat in dat boek. Maar je kunt ze veranderen, een beetje toch.’
‘En dan veranderen die handen ook?’
‘Ik hoop dat wel.’
‘Het is wel mooi dat we hier nu over zitten te praten. Je zou denken dat dit een nachtgesprek is, maar voor ons geldt dat blijkbaar niet.’
‘Het ontroert me dat we dit verhaal gewoon met elkaar kunnen delen, we hebben geen omweg nodig.’
‘Misschien hebben we al heel snel bij elkaar aangevoeld dat dit verhaal er was.’
‘Ik had een tegelijk heel mooie en heel verwarrende droom vorige nacht. Het had ook iets met mijn handen te maken. Het was spannend en heel erg rustig tegelijk, ik kan het niet zo goed uitleggen. En die vrouw in mijn droom leek me met haar ogen vooral uit te leggen dat het goed was, dat het mocht. Daar gewoon zo zijn.’
‘Er is iets veranderd in je ogen, in hoe je zit en kijkt. Een paar maanden geleden was je anders.’
‘Is dit beter?’
‘Ja.’
‘Zo voelt het ook. Ik kan helemaal niet uitleggen wat er verandert. Ik voel het, maar ik heb er nog geen beeld voor.’
‘Mijn droom vorige nacht was vooral akelig. Beelden die ik al lang niet meer gezien had, kwamen terug.’
‘Zijn ze nu weg?’
‘Ze zijn altijd wel ergens. Maar soms zie ik dat ze gaan verhuizen. Of dat de camera waardoor ik de dingen zie op een andere plek gaat staan of zo.’
‘Dat klinkt wel goed eigenlijk.’
‘Maar het is nog altijd zo dat ik mezelf dan verlies, en als ik wakker word, is het alsof er helemaal geen muur is.’
‘Ik leerde daarvoor een goede oefening, ik doe ze even voor. Je ene hand leg je hier, zo aan de linkerkant, dicht bij je hart. En de andere hand hier. Dan kom je snel terug.’
‘Zo?’
‘Ja.’
‘Ik voel het, inderdaad.’
‘Het heeft niets met woorden te maken, dat is zo fascinerend. Het is ook geen troost. Het is een soort plek, die in je huid aanwezig is. Als een herinnering waar je jezelf niet van bewust bent.’
‘Dat is wel een mooie gedachte, en die is op zich ook wel troostend.’
‘Er was veel wind vanmorgen, dat zal blijven voor de rest van de dag, denk ik.’
‘En ik moet zo meteen een stevig stuk fietsen, de berg op. Maar ik heb geen schrik van de wind, het zal me goed doen nu, denk ik. Het mag.’
‘Je bent wel geweldig, heb ik dat al genoeg gezegd vandaag?’
‘Ja hoor. Dat zeggen toch. Dat geweldig weet ik nog niet zo goed. Alhoewel, we doen dat goed, jij en ik. Dat mogen we misschien toch wel zeggen.’
‘Dat denk ik ook.’
‘En de volgende keer moeten we misschien toch maar eens proeven van die taart.’
‘Ook als het zo vroeg is?’
‘Ja, wij mogen dat.’
‘Afgesproken.’
‘Ja, vaak wel, eigenlijk.’
‘En ben je bang?’
‘Hoe moet ik best op die vraag antwoorden? In zekere zin voelt het nergens echt veilig. Dus ja, vaak wel. Heb jij dat ook niet, zelfs in je eigen huis?’
‘Veel minder dan vroeger. Ik droomde vroeger van een huis dat sterk genoeg zou zijn voor de storm en het onweer. En waar ik nu woon, daar heb ik dat gevoel vaak, dat het goed is, voor het eerst eigenlijk. Ik kan in de warme hoek van de kamer gaan zitten, en dan is er een sterke muur achter en naast me.’
‘Ik zou ook wel zo’n hoek willen hebben.’
‘Hij komt naar je toe.’
‘Het was mooi, hoe je daarnet vertelde over je handen. Hoe ze soms aarzelen, en dat je niet weet waarom dat zo is, en dat je handen het blijkbaar wel weten.’
‘Het zijn herinneringen op een heel diep niveau of zo, ik las dat in dat boek. Maar je kunt ze veranderen, een beetje toch.’
‘En dan veranderen die handen ook?’
‘Ik hoop dat wel.’
‘Het is wel mooi dat we hier nu over zitten te praten. Je zou denken dat dit een nachtgesprek is, maar voor ons geldt dat blijkbaar niet.’
‘Het ontroert me dat we dit verhaal gewoon met elkaar kunnen delen, we hebben geen omweg nodig.’
‘Misschien hebben we al heel snel bij elkaar aangevoeld dat dit verhaal er was.’
‘Ik had een tegelijk heel mooie en heel verwarrende droom vorige nacht. Het had ook iets met mijn handen te maken. Het was spannend en heel erg rustig tegelijk, ik kan het niet zo goed uitleggen. En die vrouw in mijn droom leek me met haar ogen vooral uit te leggen dat het goed was, dat het mocht. Daar gewoon zo zijn.’
‘Er is iets veranderd in je ogen, in hoe je zit en kijkt. Een paar maanden geleden was je anders.’
‘Is dit beter?’
‘Ja.’
‘Zo voelt het ook. Ik kan helemaal niet uitleggen wat er verandert. Ik voel het, maar ik heb er nog geen beeld voor.’
‘Mijn droom vorige nacht was vooral akelig. Beelden die ik al lang niet meer gezien had, kwamen terug.’
‘Zijn ze nu weg?’
‘Ze zijn altijd wel ergens. Maar soms zie ik dat ze gaan verhuizen. Of dat de camera waardoor ik de dingen zie op een andere plek gaat staan of zo.’
‘Dat klinkt wel goed eigenlijk.’
‘Maar het is nog altijd zo dat ik mezelf dan verlies, en als ik wakker word, is het alsof er helemaal geen muur is.’
‘Ik leerde daarvoor een goede oefening, ik doe ze even voor. Je ene hand leg je hier, zo aan de linkerkant, dicht bij je hart. En de andere hand hier. Dan kom je snel terug.’
‘Zo?’
‘Ja.’
‘Ik voel het, inderdaad.’
‘Het heeft niets met woorden te maken, dat is zo fascinerend. Het is ook geen troost. Het is een soort plek, die in je huid aanwezig is. Als een herinnering waar je jezelf niet van bewust bent.’
‘Dat is wel een mooie gedachte, en die is op zich ook wel troostend.’
‘Er was veel wind vanmorgen, dat zal blijven voor de rest van de dag, denk ik.’
‘En ik moet zo meteen een stevig stuk fietsen, de berg op. Maar ik heb geen schrik van de wind, het zal me goed doen nu, denk ik. Het mag.’
‘Je bent wel geweldig, heb ik dat al genoeg gezegd vandaag?’
‘Ja hoor. Dat zeggen toch. Dat geweldig weet ik nog niet zo goed. Alhoewel, we doen dat goed, jij en ik. Dat mogen we misschien toch wel zeggen.’
‘Dat denk ik ook.’
‘En de volgende keer moeten we misschien toch maar eens proeven van die taart.’
‘Ook als het zo vroeg is?’
‘Ja, wij mogen dat.’
‘Afgesproken.’
01 november 2019
Misschien ben je
Misschien ben je als de uitgespaarde lucht in de ruimte waar je net in past. Een lege plek. Soms kun je je even terugtrekken, de plek wacht wel op je.
Misschien ben je als een golf op de zee, nabij het strand. Een golf lijkt een iemand. Lijnen die samenkomen, energie gebald, in een moment van de tijd. Het water concentreert zich even, duwt zichzelf even naar buiten. En de golf kijkt naar andere golven. Het leven laat zich zien in een leven, en is daarmee de zin. En ergens onderweg naar het strand is er het besef dat je nooit zult weten, nooit hoeft te weten, waar de grens is tussen de golf en de rest van het water.
Misschien ben je het antwoord op de dood. Al is de dood geen vraag, denk je. Het leven laat zich dragen door de levenden, het draagt zichzelf. Omringd door stukjes stof, netjes op elkaar gebouwd. Met de kleine adem, telkens weer, als een tijdelijke magneet. Of de adem zich van zichzelf bewust is, hoef je niet te weten. En aan de andere kant van de dood laten de stukjes elkaar weer even los. Ze verdwijnen in de grote adem, in zichzelf, om ergens een beetje verderop elkaar weer te vinden, in een of andere vorm. Misschien is het wel een boom.
Misschien ben je het zachte falen. Of de mogelijkheid tot falen. Elke dag weer. Elk moment. Als je alleen kijkt en luistert, is het goede er al. Of de mogelijkheid.
Misschien ben je een vluchtheuvel voor verhalen. Je bent daar, ergens geworpen in het leven. En als je wilt luisteren, hoor je de verhalen. Gewoon door daar te staan, en alleen maar adem te zijn. Je adem is een uitnodiging. De mensen komen voorbij. Ze zijn verhalen, eindeloos veel verhalen.
Misschien ben je de gezel van het verdriet. Het loopt met je mee. Soms weet je niet waar de rest van het water begint. Misschien is het het verdriet van levens, van eeuwen, dat met jou meeloopt. Misschien is het alleen maar een seizoen. Misschien is het de zee zelf. Het ademt.
Misschien ben je huid. Het woord breekbaar lijkt niet van toepassing te zijn, maar misschien ben je breekbaar als huid. De huid herinnert zich de dingen, zoals de weg ook de voetstappen niet vergeet. De huid kan zich herstellen, mogelijk ook van de erfschuld. Maar zeker van het korstje na het vallen. Korstjes laten fossielen na, ook al lijken ze verdwenen.
Misschien ben je als de afstand tussen twee woorden. Waardoor de woorden en het zwijgen een eeuwigheid lang onmisbaar zijn.
Misschien ben je het verlangen naar thuiskomen. Het zou een vertrouwen kunnen zijn. Vermoeden dat je zult weten waar het is, als je er bent. Daar waar je geheeld kunt worden. Waar je kunt kijken naar de adem.
Misschien ben je de littekens. Die dingen die je adem deden stokken ooit, die iets lieten bevriezen ergens in je. Niet uitgevoerde bewegingen. Ze wachten. Op de geduldige stroom.
Misschien ben je als de levende grond. Lagen van trage wijsheid, in elkaar verzonken. Alles wat je deed, wat door je handen gleed, het legde zich neer. Je kunt het ruiken. Het is tastbaar. Het verdwijnt in blijven.
Misschien ben je verzet. Misschien is verzet het lied van de golf.
Misschien ben je de kinderen. Zoals het water beweegt door de lucht, naar de berg, naar de rivier, naar de zee. Misschien ben je zo, in verdwijnen, altijd onderweg naar jezelf.
Misschien ben je je handen. Ze kunnen ervoor zorgen dat iemand anders even uit de wind kan gaan staan. Je zou de mogelijkheid van troost kunnen zijn. Je zou de mogelijkheid van een plek kunnen zijn. Waar iemand zomaar even zou willen zijn.
Misschien ben je je afwezigheid.
Misschien ben je onderweg. Je schaduw is bij je. Als je springt ben je even los. Maar de aarde trekt je terug. Je was niet echt los, je droomde. De droom leidt je, langs het padloze pad. Je volgt je adem.
Misschien ben je als een golf op de zee, nabij het strand. Een golf lijkt een iemand. Lijnen die samenkomen, energie gebald, in een moment van de tijd. Het water concentreert zich even, duwt zichzelf even naar buiten. En de golf kijkt naar andere golven. Het leven laat zich zien in een leven, en is daarmee de zin. En ergens onderweg naar het strand is er het besef dat je nooit zult weten, nooit hoeft te weten, waar de grens is tussen de golf en de rest van het water.
Misschien ben je het antwoord op de dood. Al is de dood geen vraag, denk je. Het leven laat zich dragen door de levenden, het draagt zichzelf. Omringd door stukjes stof, netjes op elkaar gebouwd. Met de kleine adem, telkens weer, als een tijdelijke magneet. Of de adem zich van zichzelf bewust is, hoef je niet te weten. En aan de andere kant van de dood laten de stukjes elkaar weer even los. Ze verdwijnen in de grote adem, in zichzelf, om ergens een beetje verderop elkaar weer te vinden, in een of andere vorm. Misschien is het wel een boom.
Misschien ben je het zachte falen. Of de mogelijkheid tot falen. Elke dag weer. Elk moment. Als je alleen kijkt en luistert, is het goede er al. Of de mogelijkheid.
Misschien ben je een vluchtheuvel voor verhalen. Je bent daar, ergens geworpen in het leven. En als je wilt luisteren, hoor je de verhalen. Gewoon door daar te staan, en alleen maar adem te zijn. Je adem is een uitnodiging. De mensen komen voorbij. Ze zijn verhalen, eindeloos veel verhalen.
Misschien ben je de gezel van het verdriet. Het loopt met je mee. Soms weet je niet waar de rest van het water begint. Misschien is het het verdriet van levens, van eeuwen, dat met jou meeloopt. Misschien is het alleen maar een seizoen. Misschien is het de zee zelf. Het ademt.
Misschien ben je huid. Het woord breekbaar lijkt niet van toepassing te zijn, maar misschien ben je breekbaar als huid. De huid herinnert zich de dingen, zoals de weg ook de voetstappen niet vergeet. De huid kan zich herstellen, mogelijk ook van de erfschuld. Maar zeker van het korstje na het vallen. Korstjes laten fossielen na, ook al lijken ze verdwenen.
Misschien ben je als de afstand tussen twee woorden. Waardoor de woorden en het zwijgen een eeuwigheid lang onmisbaar zijn.
Misschien ben je het verlangen naar thuiskomen. Het zou een vertrouwen kunnen zijn. Vermoeden dat je zult weten waar het is, als je er bent. Daar waar je geheeld kunt worden. Waar je kunt kijken naar de adem.
Misschien ben je de littekens. Die dingen die je adem deden stokken ooit, die iets lieten bevriezen ergens in je. Niet uitgevoerde bewegingen. Ze wachten. Op de geduldige stroom.
Misschien ben je als de levende grond. Lagen van trage wijsheid, in elkaar verzonken. Alles wat je deed, wat door je handen gleed, het legde zich neer. Je kunt het ruiken. Het is tastbaar. Het verdwijnt in blijven.
Misschien ben je verzet. Misschien is verzet het lied van de golf.
Misschien ben je de kinderen. Zoals het water beweegt door de lucht, naar de berg, naar de rivier, naar de zee. Misschien ben je zo, in verdwijnen, altijd onderweg naar jezelf.
Misschien ben je je handen. Ze kunnen ervoor zorgen dat iemand anders even uit de wind kan gaan staan. Je zou de mogelijkheid van troost kunnen zijn. Je zou de mogelijkheid van een plek kunnen zijn. Waar iemand zomaar even zou willen zijn.
Misschien ben je je afwezigheid.
Misschien ben je onderweg. Je schaduw is bij je. Als je springt ben je even los. Maar de aarde trekt je terug. Je was niet echt los, je droomde. De droom leidt je, langs het padloze pad. Je volgt je adem.
30 oktober 2019
Herfstglimlach
Momenten van verwondering.
In de gang even stil blijven staan bij de deur van de buurvrouw. Om naar het babygeluid te luisteren.
Zomaar een berichtje sturen naar iemand die op de klimaatboot zit, ergens in de buurt van de Kaapverdische eilanden. En binnen enkele minuten ook zomaar een antwoord terugkrijgen. En nog altijd niet goed begrijpen hoe dat nu eigenlijk werkt, jouw berichtje dat door de lucht daar naartoe vliegt. Of zoiets.
De leuke mevrouw aan het loket in het postkantoor. Nadat het twee keer niet lukt om met je bankkaart te betalen, kijkt ze je ondeugend aan en zegt dat ze bij de bank van de post kaarten hebben die altijd goed werken, zeker in een postkantoor. Goed geprobeerd.
Vinden dat je heel lekker gekookt hebt voor jezelf. Licht smakkend door het huis dartelen (min of meer) en toch maar even checken of niemand je gezien heeft.
Iemand die zomaar opduikt in een droom die je doet glimlachen. (En niet goed weten of je haar dat moet vertellen.)
Voor de eerste keer sinds de zomer de verwarming aanzetten. En zomaar blij zijn.
Heel voorzichtig lezen in dat boeddhistische boek, omdat het zo lekker in de hand ligt. En dat elke keer weer willen voelen.
Zomaar denken aan fijngesneden witloof.
Kijken naar de documentaire over de voetreis van Bach om zijn idool Buxtehude te gaan bezoeken. Merken hoe, met de beelden van die kerken waar hij echt speelde, de muziek op een of andere manier dichterbij komt.
Je afvragen hoe het nu eigenlijk werkt, dat zwieren in de wasmachine. Als er twee lakens in zitten, een aan de buitenkant en een in het midden, gaat dat water uit het laken in het midden dan eerst nog eens door het laken aan de buitenkant of gaat dat er op mysterieuze wijze langs? Dat een grappige vraag vinden voor jezelf, die waarschijnlijk ook heel dom is. (Gelukkig merken mensen bijna nooit hoe je je dit soort dingen zit af te vragen.)
Je afvragen of er een goede techniek is om te harde honing op een te zachte boterham te smeren.
Telkens verbaasd zijn hoe lekker die appel is. (En ondertussen al denken aan het moment waarop die peren in de kom zacht genoeg zijn om op te slurpen.)
Na het werk binnenstappen in het naaiatelier van die meneer die altijd zo ijverig gebogen aan zijn naaimachine zit te werken. Of hij een nieuwe rits in je regenjas kan zetten. (Je terwijl afvragen hoeveel jaar je die nu ook al weer hebt. Je weet nog wel met wie je die bent gaan kopen.) Dat kan. Of je die ineens mag achterlaten. Hoe hij heel bezorgd vraagt of het buiten niet te koud is om de jas al daar te laten. Wijzen op de lekker warme nieuwe trui die je aan hebt. Dan is het goed.
Naar het scherm kijken en je afvragen hoe het komt dat je vingers zomaar al die letters kennen op het toetsenbord en ervoor zorgen dat er zomaar zinnen op het scherm komen. Net echt.
De mevrouw die met een blik van herkenning breed glimlacht naar jou terwijl je op een trein staat te wachten. Niet helemaal zeker weten van waar je haar kent, maar wel heel blij zijn.
De mensen op het andere perron die uit de trein komen en zich haasten. Zien hoe iedereen een ander loopje heeft. Die ene mevrouw, je kent haar helemaal niet, die je regelmatig ziet op het perron, heeft een enigszins onaardse manier van stappen, al weet je zelf niet wat dat wil zeggen. Iets in haar is in hogere sferen, ongetwijfeld.
Je afvragen wat die trilling in je bekken betekent.
Elke ochtend even kijken naar de setlist van het concert dat Bob Dylan de vorige avond gespeeld heeft en je afvragen wat de kosmos daarvan denkt. (Als je niet zou kijken zou er enig onheil over hem kunnen komen.)
Met enige verwarring zitten kijken naar het item in het journaal over de zoektocht naar een nieuwe term voor senior. Ineens beseffen dat ze het hebben over 55+. Ineens beseffen dat jij 54 bent. Er helemaal van overtuigd zijn dat die mensen in beeld minstens twee eeuwen ouder zijn dan jij. Er ook van overtuigd zijn dat de afstand tot februari 2020 minstens nog een eeuwigheid is. Je voornemen om – zelfs als je 55 of zelfs 56 bent – nooit 55+ te worden, minstens de eerstvolgende twee eeuwen.
Blij zijn dat het ooit een van je goede voornemens was, om altijd verwonderd te blijven. (Als eerbetoon aan Fons.)
In de gang even stil blijven staan bij de deur van de buurvrouw. Om naar het babygeluid te luisteren.
Zomaar een berichtje sturen naar iemand die op de klimaatboot zit, ergens in de buurt van de Kaapverdische eilanden. En binnen enkele minuten ook zomaar een antwoord terugkrijgen. En nog altijd niet goed begrijpen hoe dat nu eigenlijk werkt, jouw berichtje dat door de lucht daar naartoe vliegt. Of zoiets.
De leuke mevrouw aan het loket in het postkantoor. Nadat het twee keer niet lukt om met je bankkaart te betalen, kijkt ze je ondeugend aan en zegt dat ze bij de bank van de post kaarten hebben die altijd goed werken, zeker in een postkantoor. Goed geprobeerd.
Vinden dat je heel lekker gekookt hebt voor jezelf. Licht smakkend door het huis dartelen (min of meer) en toch maar even checken of niemand je gezien heeft.
Iemand die zomaar opduikt in een droom die je doet glimlachen. (En niet goed weten of je haar dat moet vertellen.)
Voor de eerste keer sinds de zomer de verwarming aanzetten. En zomaar blij zijn.
Heel voorzichtig lezen in dat boeddhistische boek, omdat het zo lekker in de hand ligt. En dat elke keer weer willen voelen.
Zomaar denken aan fijngesneden witloof.
Kijken naar de documentaire over de voetreis van Bach om zijn idool Buxtehude te gaan bezoeken. Merken hoe, met de beelden van die kerken waar hij echt speelde, de muziek op een of andere manier dichterbij komt.
Je afvragen hoe het nu eigenlijk werkt, dat zwieren in de wasmachine. Als er twee lakens in zitten, een aan de buitenkant en een in het midden, gaat dat water uit het laken in het midden dan eerst nog eens door het laken aan de buitenkant of gaat dat er op mysterieuze wijze langs? Dat een grappige vraag vinden voor jezelf, die waarschijnlijk ook heel dom is. (Gelukkig merken mensen bijna nooit hoe je je dit soort dingen zit af te vragen.)
Je afvragen of er een goede techniek is om te harde honing op een te zachte boterham te smeren.
Telkens verbaasd zijn hoe lekker die appel is. (En ondertussen al denken aan het moment waarop die peren in de kom zacht genoeg zijn om op te slurpen.)
Na het werk binnenstappen in het naaiatelier van die meneer die altijd zo ijverig gebogen aan zijn naaimachine zit te werken. Of hij een nieuwe rits in je regenjas kan zetten. (Je terwijl afvragen hoeveel jaar je die nu ook al weer hebt. Je weet nog wel met wie je die bent gaan kopen.) Dat kan. Of je die ineens mag achterlaten. Hoe hij heel bezorgd vraagt of het buiten niet te koud is om de jas al daar te laten. Wijzen op de lekker warme nieuwe trui die je aan hebt. Dan is het goed.
Naar het scherm kijken en je afvragen hoe het komt dat je vingers zomaar al die letters kennen op het toetsenbord en ervoor zorgen dat er zomaar zinnen op het scherm komen. Net echt.
De mevrouw die met een blik van herkenning breed glimlacht naar jou terwijl je op een trein staat te wachten. Niet helemaal zeker weten van waar je haar kent, maar wel heel blij zijn.
De mensen op het andere perron die uit de trein komen en zich haasten. Zien hoe iedereen een ander loopje heeft. Die ene mevrouw, je kent haar helemaal niet, die je regelmatig ziet op het perron, heeft een enigszins onaardse manier van stappen, al weet je zelf niet wat dat wil zeggen. Iets in haar is in hogere sferen, ongetwijfeld.
Je afvragen wat die trilling in je bekken betekent.
Elke ochtend even kijken naar de setlist van het concert dat Bob Dylan de vorige avond gespeeld heeft en je afvragen wat de kosmos daarvan denkt. (Als je niet zou kijken zou er enig onheil over hem kunnen komen.)
Met enige verwarring zitten kijken naar het item in het journaal over de zoektocht naar een nieuwe term voor senior. Ineens beseffen dat ze het hebben over 55+. Ineens beseffen dat jij 54 bent. Er helemaal van overtuigd zijn dat die mensen in beeld minstens twee eeuwen ouder zijn dan jij. Er ook van overtuigd zijn dat de afstand tot februari 2020 minstens nog een eeuwigheid is. Je voornemen om – zelfs als je 55 of zelfs 56 bent – nooit 55+ te worden, minstens de eerstvolgende twee eeuwen.
Blij zijn dat het ooit een van je goede voornemens was, om altijd verwonderd te blijven. (Als eerbetoon aan Fons.)
27 oktober 2019
Huiderig
Wat je huid zich herinnert. Wat je huid zich herinnert van het niet weten. Wat je huid zich herinnert van het niet herinneren.
Wat de tijd weet over aanraakbaarheid.
Er zijn woorden, er zijn zinnen. Ingeschreven in je huid. Of dat je huid zinnelijk maakt is niet zo zeker.
Je leest in het boek dat er daaronder of daar voorbij nog een lege plek is, waar je vrij bent, al vrij bent. Het verwart je.
De huiddokter zei onlangs dat je huid goed is gebleven, goed beschermd. Misschien dus wel jonger dan je bent.
Er is iets met de grammatica van huiderigheid.
Je kijkt naar je handen. Ze kunnen verhalen aan.
Je ziet de foto van de hand van de baby. Er zijn zoveel kleine rimpeltjes. Ze zijn op de groei gemaakt.
Je denkt aan de handen van je grootmoeder. Haar huid werd bijna doorzichtig. Ze had huid op overschot. Je nam haar hand, terwijl ze in het bed lag, hopend dat haar laatste tijd niet te lang zou duren. Je hebt zo’n warme handen, zei ze.
Misschien kan de huid zich die stilte wel herinneren.
Het trage gesprek, een ochtend. Of huid weet waar het veilig is, zou kunnen zijn.
Soms neemt pijn de buitenste laag van je huid over. Of is het de wind die zindert?
Je leest het artikel over de huidhonger. Je leest traag.
Je ziet wat de woorden zien.
Midden in een nacht. Rusteloze hoofdpijn. Het is uiteindepijn, voor wat elders vast lijkt te zitten. Je staat op en schudt met je schouders. Je huid tintelt. Je gaat weer liggen, legt je handen op je buik en je borst (zoals je leerde). Je huid begint een heel klein beetje te gloeien. Een nauwelijks waarneembare zachte rivier.
Je weet niet welke huid je ooit liet zien.
Je denkt aan het concert, aan die twee violen, aan die belofte dat iets nooit zou eindigen. Je ziet wat het met je huid deed.
De littekens in je huid. Ze zouden een pad kunnen zijn, naar wat bleef.
De handen van je grootvader waren eeltiger. Ze begonnen koud te worden soms, in die weken voor hij viel. Hij keek naar zijn handen, leek iets te zien.
Soms kan huid troostbaar zijn.
Je ligt op de tafel. Uit handen, in handen. Misschien kunnen de dingen samenvallen, ooit.
Je herinnert je de geur van een huid. Je herinnert je dat je die geur herkende, van iets. Misschien herinner je je dat je je die geur herinnerde.
Je ziet de jonge vrouw in de winkel. Ze praat met iemand, het zou haar vriendje kunnen zijn. Er is iets rusteloos in haar ogen. Het gesprek lijkt niet de richting uit te gaan die zij zou willen. Je ziet hoe haar huid verandert.
Toen, hoe het voelen van die huid je bijna brak.
Hoe je tijdens het schrijven soms je huid moet kunnen voelen om de woorden te vinden. Zoals die plek aan je schouder.
De trage huid, en de tijd die het zou vragen.
Soms kun je de grammatica al zien, in afwezigheid.
Het woord helen is huidverwarrend.
Het koppel in de trein. Ze zijn iets jonger dan jij bent, denk je. Hij ligt zo rustig tegen haar aan, alsof het veilig is. Zij streelt zijn hoofd, alsof dat lang mag duren. Je bent blij voor hen.
Je kijkt naar de vrouw die naast je zit aan de tafel. Haar huid is ouder dan zij is.
Je hoort het al in de verte. Het scherpe geluid van een baby. Je ziet hen, je herkent hen, gaat kijken. Je ziet die kleine jongen voor het eerst. Hij is nog zo klein. Hij is zo mooi. Veilig tegen de huid van zijn vader, in de draagdoek. Maar zijn buikje is niet rustig. Hij lijkt ontroostbaar. Voor even. Straks komt het weer helemaal goed.
Je weet niet wat je zou zeggen. Misschien spreken de woorden in je huid voor zich.
Toen in het ziekenhuis. Hoe die zachte handen van de verpleegster de vervreemding deden vergeten. Voor even.
Soms nemen de bewegingen onder je huid het van je over. Je huid kijkt toe.
Je kijkt in de spiegel. Je probeert de foto te zien die nu van je gemaakt zou kunnen worden. En hoe die zou verschillen.
Die trage huid in je dromen.
Je huid wordt droger, blijkbaar.
Je handen die een beetje ruw geworden waren, na het schoonmaken van de douche. De handencrème die het op dat punt even van je overneemt en je handen terugbrengt.
Je huidogen.
Wat de tijd weet over aanraakbaarheid.
Er zijn woorden, er zijn zinnen. Ingeschreven in je huid. Of dat je huid zinnelijk maakt is niet zo zeker.
Je leest in het boek dat er daaronder of daar voorbij nog een lege plek is, waar je vrij bent, al vrij bent. Het verwart je.
De huiddokter zei onlangs dat je huid goed is gebleven, goed beschermd. Misschien dus wel jonger dan je bent.
Er is iets met de grammatica van huiderigheid.
Je kijkt naar je handen. Ze kunnen verhalen aan.
Je ziet de foto van de hand van de baby. Er zijn zoveel kleine rimpeltjes. Ze zijn op de groei gemaakt.
Je denkt aan de handen van je grootmoeder. Haar huid werd bijna doorzichtig. Ze had huid op overschot. Je nam haar hand, terwijl ze in het bed lag, hopend dat haar laatste tijd niet te lang zou duren. Je hebt zo’n warme handen, zei ze.
Misschien kan de huid zich die stilte wel herinneren.
Het trage gesprek, een ochtend. Of huid weet waar het veilig is, zou kunnen zijn.
Soms neemt pijn de buitenste laag van je huid over. Of is het de wind die zindert?
Je leest het artikel over de huidhonger. Je leest traag.
Je ziet wat de woorden zien.
Midden in een nacht. Rusteloze hoofdpijn. Het is uiteindepijn, voor wat elders vast lijkt te zitten. Je staat op en schudt met je schouders. Je huid tintelt. Je gaat weer liggen, legt je handen op je buik en je borst (zoals je leerde). Je huid begint een heel klein beetje te gloeien. Een nauwelijks waarneembare zachte rivier.
Je weet niet welke huid je ooit liet zien.
Je denkt aan het concert, aan die twee violen, aan die belofte dat iets nooit zou eindigen. Je ziet wat het met je huid deed.
De littekens in je huid. Ze zouden een pad kunnen zijn, naar wat bleef.
De handen van je grootvader waren eeltiger. Ze begonnen koud te worden soms, in die weken voor hij viel. Hij keek naar zijn handen, leek iets te zien.
Soms kan huid troostbaar zijn.
Je ligt op de tafel. Uit handen, in handen. Misschien kunnen de dingen samenvallen, ooit.
Je herinnert je de geur van een huid. Je herinnert je dat je die geur herkende, van iets. Misschien herinner je je dat je je die geur herinnerde.
Je ziet de jonge vrouw in de winkel. Ze praat met iemand, het zou haar vriendje kunnen zijn. Er is iets rusteloos in haar ogen. Het gesprek lijkt niet de richting uit te gaan die zij zou willen. Je ziet hoe haar huid verandert.
Toen, hoe het voelen van die huid je bijna brak.
Hoe je tijdens het schrijven soms je huid moet kunnen voelen om de woorden te vinden. Zoals die plek aan je schouder.
De trage huid, en de tijd die het zou vragen.
Soms kun je de grammatica al zien, in afwezigheid.
Het woord helen is huidverwarrend.
Het koppel in de trein. Ze zijn iets jonger dan jij bent, denk je. Hij ligt zo rustig tegen haar aan, alsof het veilig is. Zij streelt zijn hoofd, alsof dat lang mag duren. Je bent blij voor hen.
Je kijkt naar de vrouw die naast je zit aan de tafel. Haar huid is ouder dan zij is.
Je hoort het al in de verte. Het scherpe geluid van een baby. Je ziet hen, je herkent hen, gaat kijken. Je ziet die kleine jongen voor het eerst. Hij is nog zo klein. Hij is zo mooi. Veilig tegen de huid van zijn vader, in de draagdoek. Maar zijn buikje is niet rustig. Hij lijkt ontroostbaar. Voor even. Straks komt het weer helemaal goed.
Je weet niet wat je zou zeggen. Misschien spreken de woorden in je huid voor zich.
Toen in het ziekenhuis. Hoe die zachte handen van de verpleegster de vervreemding deden vergeten. Voor even.
Soms nemen de bewegingen onder je huid het van je over. Je huid kijkt toe.
Je kijkt in de spiegel. Je probeert de foto te zien die nu van je gemaakt zou kunnen worden. En hoe die zou verschillen.
Die trage huid in je dromen.
Je huid wordt droger, blijkbaar.
Je handen die een beetje ruw geworden waren, na het schoonmaken van de douche. De handencrème die het op dat punt even van je overneemt en je handen terugbrengt.
Je huidogen.
26 oktober 2019
People's faces
(Langzaam stilvallen. Het voelt goed dat de week bijna rond is.)
De twee studentes aan de andere kant van de tafel giechelen verlegen. Ze hebben een heel lijstje met vragen die ze je willen voorleggen in het interview. Je probeert zo goed mogelijk te antwoorden. Je vraagt hoe zij naar de dingen kijken. (Ze ontroeren je.)
Een andere dag.
Een ochtendgesprek met iemand die je zeer dierbaar is. Het gesprek valt al na enkele minuten in een diepe plooi die tegelijk zo vertrouwd voelt. Haar en jouw verhaal, ze hadden elkaar al geraakt. Soms zie je een verhaal dat je deelt, nog voor je het weet. Je bent dankbaar.
Het is even verwarrend, dat je je lichaam moet overschakelen naar een belangrijke vergadering. Terwijl je over de straat loopt, is het alsof iets van je nog in dat gesprek is gebleven, en in de stilte van net daarna wil blijven.
Je hebt alles netjes voorbereid. Je ziet het gesprek bewegen. (Enkele grapjes. Het is sterker dan jezelf.) Na de vergadering zie je even een moeilijk moment. Je kijkt naar je handen. (Je zou haar een stil plekje willen geven, voor even.)
Een andere dag.
Je zit in het station te wachten, op weer enkele studenten. Ze staan buiten, ergens, zo blijkt. Ze hebben ook een blad met een lange lijst vragen voor het interview. Het gesprek gaat een andere kant uit. Je vraagt of ze kwaad zijn soms, of ze bang zijn soms. Je kijkt naar hun ogen terwijl ze antwoorden.
(Je verlangt naar een leegte.)
Een andere dag. (Er is steeds een andere dag.)
In de trein op weg naar het panelgesprek waar je de inleiding zult geven. Je studeert de rapporten nog een beetje in onderweg. (Je denkt ook aan die trein terug straks die je zeker zou willen halen.) Op weg door de stad zie je hoe je ooit ook op dat voetpad liep. In wat toen een wonderlijk gevoel was, iets gebeurde de eerste keer.
De panelleden zitten op erg circulaire stoelen, ze draaien rond, als je even met je oren flappert.
In de trein terug lees je verder in het boekje. (Iets wringt.)
Thuis wil je nog even rustig zitten in de nacht, voor je gaat slapen.
De volgende ochtend kom je uit een verre droom.
Je laat de doos met snoepjes rondgaan in de vergadering.
Je worstelt jezelf een beetje door de dag. (Een middagdutje zou wonderen doen, denk je.)
Die avond, op weg naar het concert. (Je weet nooit vooraf wat je lichaam zal doen. Alles zal wel goed komen.)
Het doet goed, haar terug te zien. Jullie lopen door de stad, op weg naar die zaal waar je nog nooit eerder kwam. (Soms aarzel je nog een beetje, na al die jaren.)
Jullie staan vooraan bij het podium. (Je schaamt je altijd een beetje, dat je zo groot bent, er staan nog veel mensen achter je, ze willen ook graag alles kunnen zien.)
Het concert trekt je een beetje in twee richtingen. Soms is het zo hard dat je lichaam uit elkaar lijkt te trillen. De bastonen doen de grond wankelen. (Je begrijpt echt niet goed waarom het zo hard moet. Iedereen in de zaal is ongelooflijk geconcentreerd aan het luisteren. En het gaat om de woorden. Je oordoppen zijn als een vorm van genade.) Maar die woorden, en hoe ze daar staat. Het verbluft je. Ze heeft geen schrik van de woorden. Verhalen die schuren. Over verwarrende tijden, over uit elkaar vallen, over verlangen naar de liefde. Je voelt hoe ze naar het laatste nummer gaat, als een verlossing. Je ziet heling. There’s so much peace to be found, in people’s faces.
In de trein terug stuur je nog enkele zinnen naar haar, zinnen mogen niet verloren gaan.
In het thuisstation staan politiemensen met een hond in de gang. Ze halen mensen uit de rij. Jij mag door. (Misschien zie je er dan toch ongevaarlijk uit.)
Middernacht. Heel moe, en weer wil je jezelf nog niet uit handen geven aan de nacht.
De volgende ochtend, je valt in de dag, het is weer vroeg.
De lucht is wonderlijk mooi, terwijl je naar het station fietst.
Een plekje met de kranten en een boek, en een hoofd met dagaarzeling.
Samen met je zus de graven schoonmaken. Twee kerkhoven. Je gaat even dag zeggen bij Fons en Julia. Op het andere kerkhof het graf van je echte grootmoeder, die je nooit kende. Je gaat nog even zoeken naar het graf van die schoolvriend die verongelukte. Wat de tijd doet.
Terug op weg naar huis. Een namiddagdipje, je probeert wakker te blijven. De ene krant is al op, de andere is voor de zondag.
(Langzaam stilvallen.)
De twee studentes aan de andere kant van de tafel giechelen verlegen. Ze hebben een heel lijstje met vragen die ze je willen voorleggen in het interview. Je probeert zo goed mogelijk te antwoorden. Je vraagt hoe zij naar de dingen kijken. (Ze ontroeren je.)
Een andere dag.
Een ochtendgesprek met iemand die je zeer dierbaar is. Het gesprek valt al na enkele minuten in een diepe plooi die tegelijk zo vertrouwd voelt. Haar en jouw verhaal, ze hadden elkaar al geraakt. Soms zie je een verhaal dat je deelt, nog voor je het weet. Je bent dankbaar.
Het is even verwarrend, dat je je lichaam moet overschakelen naar een belangrijke vergadering. Terwijl je over de straat loopt, is het alsof iets van je nog in dat gesprek is gebleven, en in de stilte van net daarna wil blijven.
Je hebt alles netjes voorbereid. Je ziet het gesprek bewegen. (Enkele grapjes. Het is sterker dan jezelf.) Na de vergadering zie je even een moeilijk moment. Je kijkt naar je handen. (Je zou haar een stil plekje willen geven, voor even.)
Een andere dag.
Je zit in het station te wachten, op weer enkele studenten. Ze staan buiten, ergens, zo blijkt. Ze hebben ook een blad met een lange lijst vragen voor het interview. Het gesprek gaat een andere kant uit. Je vraagt of ze kwaad zijn soms, of ze bang zijn soms. Je kijkt naar hun ogen terwijl ze antwoorden.
(Je verlangt naar een leegte.)
Een andere dag. (Er is steeds een andere dag.)
In de trein op weg naar het panelgesprek waar je de inleiding zult geven. Je studeert de rapporten nog een beetje in onderweg. (Je denkt ook aan die trein terug straks die je zeker zou willen halen.) Op weg door de stad zie je hoe je ooit ook op dat voetpad liep. In wat toen een wonderlijk gevoel was, iets gebeurde de eerste keer.
De panelleden zitten op erg circulaire stoelen, ze draaien rond, als je even met je oren flappert.
In de trein terug lees je verder in het boekje. (Iets wringt.)
Thuis wil je nog even rustig zitten in de nacht, voor je gaat slapen.
De volgende ochtend kom je uit een verre droom.
Je laat de doos met snoepjes rondgaan in de vergadering.
Je worstelt jezelf een beetje door de dag. (Een middagdutje zou wonderen doen, denk je.)
Die avond, op weg naar het concert. (Je weet nooit vooraf wat je lichaam zal doen. Alles zal wel goed komen.)
Het doet goed, haar terug te zien. Jullie lopen door de stad, op weg naar die zaal waar je nog nooit eerder kwam. (Soms aarzel je nog een beetje, na al die jaren.)
Jullie staan vooraan bij het podium. (Je schaamt je altijd een beetje, dat je zo groot bent, er staan nog veel mensen achter je, ze willen ook graag alles kunnen zien.)
Het concert trekt je een beetje in twee richtingen. Soms is het zo hard dat je lichaam uit elkaar lijkt te trillen. De bastonen doen de grond wankelen. (Je begrijpt echt niet goed waarom het zo hard moet. Iedereen in de zaal is ongelooflijk geconcentreerd aan het luisteren. En het gaat om de woorden. Je oordoppen zijn als een vorm van genade.) Maar die woorden, en hoe ze daar staat. Het verbluft je. Ze heeft geen schrik van de woorden. Verhalen die schuren. Over verwarrende tijden, over uit elkaar vallen, over verlangen naar de liefde. Je voelt hoe ze naar het laatste nummer gaat, als een verlossing. Je ziet heling. There’s so much peace to be found, in people’s faces.
In de trein terug stuur je nog enkele zinnen naar haar, zinnen mogen niet verloren gaan.
In het thuisstation staan politiemensen met een hond in de gang. Ze halen mensen uit de rij. Jij mag door. (Misschien zie je er dan toch ongevaarlijk uit.)
Middernacht. Heel moe, en weer wil je jezelf nog niet uit handen geven aan de nacht.
De volgende ochtend, je valt in de dag, het is weer vroeg.
De lucht is wonderlijk mooi, terwijl je naar het station fietst.
Een plekje met de kranten en een boek, en een hoofd met dagaarzeling.
Samen met je zus de graven schoonmaken. Twee kerkhoven. Je gaat even dag zeggen bij Fons en Julia. Op het andere kerkhof het graf van je echte grootmoeder, die je nooit kende. Je gaat nog even zoeken naar het graf van die schoolvriend die verongelukte. Wat de tijd doet.
Terug op weg naar huis. Een namiddagdipje, je probeert wakker te blijven. De ene krant is al op, de andere is voor de zondag.
(Langzaam stilvallen.)
Abonneren op:
Posts (Atom)