‘Het is wel fijn hier te zitten, op deze bank. Zo hoog.’
‘Even weg van het volk, en alleen kijken.’
‘Wil jij soms ook alleen zijn?’
‘Een beetje meer alleen dan met zoveel samen, dat wel. Meestal. Soms wil ik wel echt alleen zijn. En soms niet.’
‘Ik ben vaak graag alleen, op een manier dat ik in de verte wel mensen kan horen. Zoals ik als kind al deed, met mijn rug naar de tafel in de kamer, in mijn eigen wereldje.’
‘Misschien doe je dat nog wel altijd?’
‘Soms.’
‘Ik weet niet hoe dat juist zit, maar het is fijn om bij jou te zijn. Dat klinkt nu zo lullig, maar ik bedoel het goed. Je bent er ook echt, als je er bent. Al denk ik dat veel mensen misschien wel een beetje schrik hebben van jou.’
‘Is dat zo? Dan is het toch waar dus.’
‘Maar het ligt aan hen.’
‘Het is overigens ook fijn om bij jou te zijn. Je hebt iets heel ernstigs, al doe je nog zo je best om dat aan veel mensen niet te laten zien. Het is dat stuk dat ik soms mis.’
‘Ja? Waarom zou je mij missen? Wat zou ik kunnen zijn voor jou?’
‘Dat, en nog meer. Gewoon, jij.’
‘Laat al maar.’
‘Het is zo, maar jij gelooft dat toch niet.’
‘Nee.’
‘Als je nu helemaal vrij zou zijn, vrij in je hoofd, en overal, waar zou je dan graag willen zijn?’
‘Daar kan ik niet op antwoorden. Daar mag ik niet op antwoorden. En jij?’
‘Hier.’
‘Het lastige aan jou is dat je dat nog meent ook.’
‘Ja, zo ben ik wel. Lastig. Maar stel je even voor dat het hier zou zijn, ook voor jou. Heel even maar.’
‘Misschien is het dat wel.’
‘Ik denk nu aan dat liedje. Over de laatste avond van de wereld, en waar je dan zou zijn.’
‘Weet je, dat is zo moeilijk aan jou. Jij bent ook ernstig, je bent er helemaal. En ik kan daar niet tegenop. Ik ben niet zo goed als jij, en jij laat me dat voelen. Of eigenlijk ik laat dat aan mezelf voelen dan.’
‘En als ik het nou genoeg zou vinden?’
‘Je vergist je daarin, en dat weet je eigenlijk zelf ook wel.’
‘Waarom moet ik dat weten?’
‘Omdat het belangrijk is.’
‘Maar we zijn nu toch hier? Op deze plek?’
‘Dat klopt. Maar het is daar beneden dat we leven. Ook al zou ik weten dat je gelijk hebt. Zou.’
‘Ik begrijp ondertussen wel wat je daarmee bedoelt. Maar het is moeilijk om het te aanvaarden.’
‘Doe het dan niet. Misschien is dat wel een fijne gedachte.’
‘Gisteren wou ik nog een brief naar je schrijven.’
‘Ja? Waarom deed je het niet?’
‘Ik weet het niet. Ik dacht dat je hem niet zou willen krijgen.’
‘Dat is wat ik je zou zeggen, dat ik het niet zou willen.’
‘Ik begrijp het.’
‘Wat gaan we doen?’
‘Voor we naar beneden gaan moet je me nog iets beloven.’
‘Wat dan?’
‘Later, als we groot zijn, dan zou ik met jou daar langs het water willen lopen. Daar beneden. En dan moet je mij dat ene verhaal nog vertellen.’
‘Is dat wel een goed idee?’
‘Ja, natuurlijk. We hebben geen keuze trouwens, denk ik. We kunnen niet ontsnappen aan die wandeling.’
‘Jij zegt het altijd zo mooi.’
‘En?’
‘Ja, het is goed.’
‘Dankjewel. En zullen we nu iets gaan drinken daar beneden?’
‘Ja.’
‘Schaam je je niet meer om met mij gezien te worden, zomaar los in de wereld?’
‘Nee, natuurlijk niet. Ook al doe ik alsof.’
‘Weet je al wat je wilt drinken?’
‘Nee, nog niet. Ik wil de hele kaart bekijken. En dan nog drie keer van gedacht veranderen.’
‘Oef, gelukkig ben je niet veranderd.’
30 april 2017
29 april 2017
Opruimen
Kleine stukjes veroveren.
Kleine stukjes van je leven.
Of is het heroveren?
Dingetjes opruimen die er al weken lagen.
Iemand anders zou het waarschijnlijk niet eens opmerken.
Het geeft niet, jij weet het.
(Het heeft misschien iets te maken met dat voornemen van die grens.)
En je kijkt rond, en je zou zo graag ook dat en dat nog weg hebben.
De dingen die aan je trekken.
Soms wil je daar niet zijn, is de tijd daar.
Dingetjes opruimen in je hoofd. Dat ook.
En sommige dingen laat je achter je, het is tijd.
Ook hier zou een ander het verschil niet zien, waarschijnlijk.
Sommigen zullen het weten.
Die Kunst der Fuge, dat is het geworden.
(Je hoort het nu, hoe het beweegt in de ruimte, en alles is.)
Sommige dingen moesten lang wachten eer ze mochten vertrekken.
Je had het al eerder gezegd, dat sommige dingen tijd vragen.
Je kijkt rond, iets maakt je rusteloos.
Je denkt aan iemand die ook al in een droom kwam de vorige nacht.
Iets is veranderd, denk je, inderdaad.
(Dat stukje daar opruimen, het zal voor een andere dag zijn.)
(Je lichaam maakt je iets duidelijk.)
Het is goed iemand te horen.
Sommige dingen zijn versleten, ze mogen weg.
(Soms wacht je lang, en dan mag het ineens snel gaan.)
Er is trouwens ook iets met de planten, en het is goed.
(In die droom legde je iets af.)
En als je nu ook nog dat stuk van de kast leeg zou kunnen maken.
Je begrijpt iets over de weken die voorbij zijn.
Misschien zou je een brief moeten schrijven nu.
Er waren veel kleine verrassingen de voorbije dagen.
Een ander zou ze niet eens merken, waarschijnlijk.
Soms lijken ze iets aan te geven.
En iets met je handen, ook.
(Zodra je begint, zie je hoe lang je gewacht hebt.)
Misschien wil je sommige woorden horen nu, misschien niet.
Er is zo veel nog daar, dat wacht, of er al is.
(En die ene plant, het is tijd.)
(Die andere plant, je kreeg die, zo lang geleden, van iemand die opdook in een gesprek.)
Met minder rommel kunnen de herinneringen zich beter nestelen.
Misschien is het een geschenk.
Je zou het wel kunnen uitleggen, wat er was, en wat weg is.
Je zou het kunnen zeggen, waar het is, wat zou kunnen komen.
Sommige dingen verlaten zichzelf.
Tussendoor is er een sluimerend klein verdriet.
Het legt zich neer.
Kleine stukjes van je leven.
Of is het heroveren?
Dingetjes opruimen die er al weken lagen.
Iemand anders zou het waarschijnlijk niet eens opmerken.
Het geeft niet, jij weet het.
(Het heeft misschien iets te maken met dat voornemen van die grens.)
En je kijkt rond, en je zou zo graag ook dat en dat nog weg hebben.
De dingen die aan je trekken.
Soms wil je daar niet zijn, is de tijd daar.
Dingetjes opruimen in je hoofd. Dat ook.
En sommige dingen laat je achter je, het is tijd.
Ook hier zou een ander het verschil niet zien, waarschijnlijk.
Sommigen zullen het weten.
Die Kunst der Fuge, dat is het geworden.
(Je hoort het nu, hoe het beweegt in de ruimte, en alles is.)
Sommige dingen moesten lang wachten eer ze mochten vertrekken.
Je had het al eerder gezegd, dat sommige dingen tijd vragen.
Je kijkt rond, iets maakt je rusteloos.
Je denkt aan iemand die ook al in een droom kwam de vorige nacht.
Iets is veranderd, denk je, inderdaad.
(Dat stukje daar opruimen, het zal voor een andere dag zijn.)
(Je lichaam maakt je iets duidelijk.)
Het is goed iemand te horen.
Sommige dingen zijn versleten, ze mogen weg.
(Soms wacht je lang, en dan mag het ineens snel gaan.)
Er is trouwens ook iets met de planten, en het is goed.
(In die droom legde je iets af.)
En als je nu ook nog dat stuk van de kast leeg zou kunnen maken.
Je begrijpt iets over de weken die voorbij zijn.
Misschien zou je een brief moeten schrijven nu.
Er waren veel kleine verrassingen de voorbije dagen.
Een ander zou ze niet eens merken, waarschijnlijk.
Soms lijken ze iets aan te geven.
En iets met je handen, ook.
(Zodra je begint, zie je hoe lang je gewacht hebt.)
Misschien wil je sommige woorden horen nu, misschien niet.
Er is zo veel nog daar, dat wacht, of er al is.
(En die ene plant, het is tijd.)
(Die andere plant, je kreeg die, zo lang geleden, van iemand die opdook in een gesprek.)
Met minder rommel kunnen de herinneringen zich beter nestelen.
Misschien is het een geschenk.
Je zou het wel kunnen uitleggen, wat er was, en wat weg is.
Je zou het kunnen zeggen, waar het is, wat zou kunnen komen.
Sommige dingen verlaten zichzelf.
Tussendoor is er een sluimerend klein verdriet.
Het legt zich neer.
26 april 2017
Het maakt je klein
Je leest het artikel in het weekendmagazine van de krant.
Je leest het terwijl je in de trein zit. Van Eupen, terug naar Brussel. (Iets in het landschap helpt om het te lezen, al weet je niet wat.)
Het verhaal van de neef van de bisschop. Het verhaal van het misbruik. Het verhaal van de man die misbruikt werd als jongen.
Het is een gruwelijk mooi verhaal. Gruwelijk, omdat het zo eindeloos verschrikkelijk is wat er gebeurd is. Mooi, om hoe hij het verhaal vertelt. De mildheid in zijn woorden. De kracht waarmee hij het leven heeft laten winnen. De moed die nodig is voor dat alles.
Het maakt je klein.
Andermaal.
Je kunt de kwaadheid zien, daar ergens, onder je huid. De eindeloze machteloze kwaadheid. Ze is er, ze was er al.
Wat een mens een andere mens aan kan doen. De kwetsuren die een mens bij een andere mens kan veroorzaken. Het meest fundamentele misbruik van vertrouwen en van een machtspositie. Het gebruik van een ander.
(Het is moeilijk woorden te vinden die passen in het ritme van je tekst. Je probeert in dat ritme te blijven, maar iets raast door je heen.)
Sommige dingen komen niet meer goed. Je kunt je woede daarover uitschreeuwen, maar het is alsof er geen woorden komen dan.
Veel schroom en verwarring. Want het gaat natuurlijk alleen over die anderen. Zij zijn voor het leven gekwetst in hun lichaam, in hoe het denkt, hoe het voelt, hoe het beweegt, hoe het probeert te vertrouwen.
En de machteloosheid, omdat je zo graag zou willen zien dat iets geheeld kan worden. En dat die gedachte alleen al te groot is.
Het maakt je klein.
Omdat je alleen maar het hoofd kunt buigen. Voor zoveel moed. De moed om het leven te omarmen, terwijl elke beweging misschien wel pijn doet. De moed om rechtop te gaan staan, en de woorden te kiezen die de laffe stilte innemen. Niet vanuit een drang om te vernietigen, net niet. Niet toegevend aan de haat die zo dichtbij zou kunnen zijn. De moed om – nadat het geweld eerst tegen zichzelf werd gekeerd – het leven te kiezen. Ook al is het een andere plek, ook al is het een plek die ook in zekere zin verborgen is. Het is de plek van het leven, waar je in iets niet meer geraakt kunt worden. De plek waar je komt met eindeloos veel volharding, die misschien wel nooit te begrijpen is. (En het besef dat jij dat misschien wel nooit zo zou kunnen.)
Het is mooi hoe de man in het artikel vertelt over zijn koningin. Die vrouw die naast hem staat. Hoe hij weet dat alles anders zou gelopen zijn zonder haar.
Het maakt je klein, en ook warm. Mensen kunnen elkaar ook aanraken, kunnen stukken helen misschien wel. Het is mogelijk om een verschil te maken voor een andere mens die gekwetst is.
En het is moeilijk te begrijpen, en tegelijk zo ontroerend, de woorden die hij gebruikt in het interview. En je leest hoe het woorden waren die voor een doorbraak zorgden. Hoe hij op een bepaald moment begon te schrijven, eindeloos. In honderden pagina’s, dat staat er. Een stroom. En hoe die dan jaren later zijn gaan liggen, in een boek, dat nu klaar is. En hoe de woorden nu als het ware rust gevonden hebben in zichzelf.
Door wat er gebeurd is, is hij geworden wie hij nu is. Daar valt niet aan te ontkomen. Dat zegt hij. In hoe hij die dingen vertelt, voel je een wijsheid die aan zichzelf genoeg heeft, en net daardoor totaal aan de andere kant is gekomen van de logica van het misbruik. Het is een wijsheid die geen macht over anderen nodig heeft, en dat is een soort ultieme overwinning.
Het maakt je klein.
En het is mooi, en verstillend, te lezen dat hij dit alles doet, dit spreken, dit eenmalig spreken en schrijven, voor zijn kinderen. Je hoopt dat zij hun weg vinden uit het kluwen waar zij nooit om gevraagd hebben. Het is mooi, hoe hun vader zijn demonen recht in de ogen heeft gekeken. De moed die daarvoor nodig is. Het is niet iedereen gegeven.
En je hoopt voor die man dat het boek iets teweeg zal brengen dat goed is voor hem. Iets dat verder kan verzachten en rust brengen, als een zoete wind op die littekens. (Of zoiets. Je verdwaalt een beetje in de woorden. En misschien is dat niet zo heel erg.)
Je leest het terwijl je in de trein zit. Van Eupen, terug naar Brussel. (Iets in het landschap helpt om het te lezen, al weet je niet wat.)
Het verhaal van de neef van de bisschop. Het verhaal van het misbruik. Het verhaal van de man die misbruikt werd als jongen.
Het is een gruwelijk mooi verhaal. Gruwelijk, omdat het zo eindeloos verschrikkelijk is wat er gebeurd is. Mooi, om hoe hij het verhaal vertelt. De mildheid in zijn woorden. De kracht waarmee hij het leven heeft laten winnen. De moed die nodig is voor dat alles.
Het maakt je klein.
Andermaal.
Je kunt de kwaadheid zien, daar ergens, onder je huid. De eindeloze machteloze kwaadheid. Ze is er, ze was er al.
Wat een mens een andere mens aan kan doen. De kwetsuren die een mens bij een andere mens kan veroorzaken. Het meest fundamentele misbruik van vertrouwen en van een machtspositie. Het gebruik van een ander.
(Het is moeilijk woorden te vinden die passen in het ritme van je tekst. Je probeert in dat ritme te blijven, maar iets raast door je heen.)
Sommige dingen komen niet meer goed. Je kunt je woede daarover uitschreeuwen, maar het is alsof er geen woorden komen dan.
Veel schroom en verwarring. Want het gaat natuurlijk alleen over die anderen. Zij zijn voor het leven gekwetst in hun lichaam, in hoe het denkt, hoe het voelt, hoe het beweegt, hoe het probeert te vertrouwen.
En de machteloosheid, omdat je zo graag zou willen zien dat iets geheeld kan worden. En dat die gedachte alleen al te groot is.
Het maakt je klein.
Omdat je alleen maar het hoofd kunt buigen. Voor zoveel moed. De moed om het leven te omarmen, terwijl elke beweging misschien wel pijn doet. De moed om rechtop te gaan staan, en de woorden te kiezen die de laffe stilte innemen. Niet vanuit een drang om te vernietigen, net niet. Niet toegevend aan de haat die zo dichtbij zou kunnen zijn. De moed om – nadat het geweld eerst tegen zichzelf werd gekeerd – het leven te kiezen. Ook al is het een andere plek, ook al is het een plek die ook in zekere zin verborgen is. Het is de plek van het leven, waar je in iets niet meer geraakt kunt worden. De plek waar je komt met eindeloos veel volharding, die misschien wel nooit te begrijpen is. (En het besef dat jij dat misschien wel nooit zo zou kunnen.)
Het is mooi hoe de man in het artikel vertelt over zijn koningin. Die vrouw die naast hem staat. Hoe hij weet dat alles anders zou gelopen zijn zonder haar.
Het maakt je klein, en ook warm. Mensen kunnen elkaar ook aanraken, kunnen stukken helen misschien wel. Het is mogelijk om een verschil te maken voor een andere mens die gekwetst is.
En het is moeilijk te begrijpen, en tegelijk zo ontroerend, de woorden die hij gebruikt in het interview. En je leest hoe het woorden waren die voor een doorbraak zorgden. Hoe hij op een bepaald moment begon te schrijven, eindeloos. In honderden pagina’s, dat staat er. Een stroom. En hoe die dan jaren later zijn gaan liggen, in een boek, dat nu klaar is. En hoe de woorden nu als het ware rust gevonden hebben in zichzelf.
Door wat er gebeurd is, is hij geworden wie hij nu is. Daar valt niet aan te ontkomen. Dat zegt hij. In hoe hij die dingen vertelt, voel je een wijsheid die aan zichzelf genoeg heeft, en net daardoor totaal aan de andere kant is gekomen van de logica van het misbruik. Het is een wijsheid die geen macht over anderen nodig heeft, en dat is een soort ultieme overwinning.
Het maakt je klein.
En het is mooi, en verstillend, te lezen dat hij dit alles doet, dit spreken, dit eenmalig spreken en schrijven, voor zijn kinderen. Je hoopt dat zij hun weg vinden uit het kluwen waar zij nooit om gevraagd hebben. Het is mooi, hoe hun vader zijn demonen recht in de ogen heeft gekeken. De moed die daarvoor nodig is. Het is niet iedereen gegeven.
En je hoopt voor die man dat het boek iets teweeg zal brengen dat goed is voor hem. Iets dat verder kan verzachten en rust brengen, als een zoete wind op die littekens. (Of zoiets. Je verdwaalt een beetje in de woorden. En misschien is dat niet zo heel erg.)
23 april 2017
De wandelende berg
Het is nog vroeg, die zondag. En toch word je wakker net
voor de radio.
Een beetje zenuwachtig.
Natuurlijk weer erg ruim op tijd in het station. Je neemt al
maar een eerdere trein. Een groepje mensen, twee families, staat te wachten op
dezelfde trein. De kinderen zijn nu al door het dolle. (En de zee is nog ver.)
Nog snel even in de trein dat kleine boekje over het
boeddhisme lezen. (Hoewel je weet dat je geen examen moet afleggen vandaag.)
Je wou absoluut met de trein gaan, om het idee te hebben dat
je zou afstappen in het station van Groenendaal. Van dat liedje…
Het doet pijn, dat vervallen stationsgebouw… In je hoofd
blijft het een mythische plek. Dat mag niet stuk, of zoiets.
Nog dat stukje naar het bosmuseum.
De mensen komen binnensijpelen.
(Je voelt een beetje schroom. Mag je hier wel zijn? Zal het
verhaal dat je straks gaat vertellen niet helemaal naast de kwestie zijn?)
De monnik vertelt zijn verhaal. (Je hoort al
aanknopingspunten die je straks zou kunnen gebruiken, misschien komt het nog wel goed.) Het is een
mooi verhaal. (Misschien ben je zelf nog een klein beetje onrustig.) Hij heeft
het over de wandelende berg.
De stiltewandeling. In een lange rij achter elkaar lopen
jullie door het bos.
De stilte heeft een beetje tijd nodig. De wereld van het
lawaai is nog dichtbij.
Het is zoals altijd, het duurt even. Je moet een drempel
over, in het bos. Iets met jezelf uit handen geven.
(Die mooie blauwe bloemen zijn hier ook. Hier gelukkig geen
toestanden, zoals de boswachter je nog vertelde.)
Het bos is zo mooi. Soms durf je amper kijken. De bomen zijn zo
hoog. De beuk, die doet het nog steeds voor jou.
(Hier is het dus dat Ruusbroec was. Het bos neemt de tijd.)
Even een pauze in het boshuisje, en dan weer terug.
De kleuren zijn zo hevig, ze bedwelmen je bijna (hoewel ze
voor velen misschien niet zo opvallend zouden lijken). Het bos is soeverein,
dat voel je. Het is er, gewoon voor zichzelf.
Je denkt aan iemand.
Naar het einde wordt het moeilijk. Niet de stilte,
integendeel. Niet het lopen in die rij, het doet je nadenken. Maar eigenlijk is
het net te traag voor jou. Je kunt je adem niet volgen. Het is waarschijnlijk
omdat je zo lang bent. Je zou gewoon in je adem willen wandelen. Dan zou je dat
stuk niet meer merken. Misschien is het wel goed dat het anders is, maar het
doet pijn.
Terug in het museum. (Er is ook koffie.)
Je maakt je klaar voor jouw verhaal. (Er is nog schroom. Zal
het wel een beetje in elkaar passen met het andere verhaal?)
Het zijn fijne mensen die naar je verhaal luisteren. Je zou
bijna zeggen dat er milde aandacht is, wat een flauw grapje zou zijn.
(Het ontroert je – al doe je je best om het niet te laten
merken – hoe elementen uit je eigen verhaal voor jezelf voor het eerst helemaal
op hun plaats lijken te vallen.)
Het gesprek nadien gaat mooi heen en weer. Het was toch een
beetje complementair denk je. (Het voelt goed, om weer te kunnen praten over
actieve hoop.)
Een mooi cadeau.
Je loopt terug naar het station. Het is er nog. Het heeft op
je gewacht. Zoals die andere perrongenoot zegt: het zou zo mooi kunnen zijn.
Overstappen. Een wagon met een grote groep uitgelaten
kinderen, de jeugdbeweging. Ze komen terug van de zee. De leiders lijken
behoorlijk uitgeput.
Het is goed om weer thuis te zijn.
(Misschien wil je rug een stiltewandeling waarbij je iets
sneller zou mogen stappen. Maar ook dat zal wel weer wegvloeien.)
Je voelt je dankbaar.
20 april 2017
Een spinnetje
Een fijn feestje. Een belangwekkende discussie over de criteria waaraan een man moet voldoen, qua date. Een eminent gezelschap van bijzondere vrouwen. (Die eisen lijken nog redelijk mee te vallen, denk je. Of zoiets.) En iets met glinsterende ogen. En blauwe lippen, ook.
Een feestdag. Je bent de hele dag alleen thuis. Waarschijnlijk zul je de hele dag geen woord zeggen. Dat heeft wel iets. Tijd om te poetsen. (De ramen had je de vorige dag al gedaan.) En nog even op stap om foto’s te maken. En dan het napoetsliggen. Tot je weer helemaal op elkaar past, alle onderdelen. En dan nog het boek uitlezen. En er nog een stukje over schrijven. Alles zonder een woord, dus.
De volgende dag. Op weg naar het feest. Die ochtend de boektwijfel. Het ene boek is uit. Tijd om aan een ander boek te beginnen. Voor de stapel met boeken staan, niet weten welk boek je eerst zult nemen. Toch maar dat ene. In de trein eerst de krant opmaken, en pas daarna het boek. Een boek met een leeslint, dat leest toch anders.
In de bus, naast een bekende van vroeger. Enkele mooie verhalen. Ze ontroeren je.
Veel volk rond de tafel. (Ze zijn zo groot geworden. Dat dacht je overigens alle vorige keren ook al.) Een mooi gesprek, over hoe het is om nu jong te zijn. Het ontroert je meer dan je kunt zeggen. Je zou hun nog heel veel willen vragen.
Die avond moet je nog naar een andere stad voor een vergadering. Het boek met het leeslint is bij je.
In de trein terug. Die jonge meiden naast je maken een diepteanalyse van Temptation Island.
Terug op het werk. Toch de indruk krijgen dat je iets als vakantie hebt gehad.
Een uitermate belangwekkend gesprek over een sacoche.
Die avond, een mooi concert. (Op enkele uitzonderingen na lijk je weer een van de jongsten te zijn in de zaal.) (Eigenlijk mis je die ene muzikant wel, denk je.) Je denkt terug aan die keer toen je hen zag in dat kleine zaaltje, en toen je na het concert ineens naast die zangeres liep en een beetje in de war was. (Een mooi geel jurkje trouwens.)
(Nadien komt een herinnering aan een concert, zo lang geleden, en een berichtje.)
Het is frisjes in de nacht.
Efficiënt tijdsgebruik. Tussen werk, boodschappen, eten maken en vergadering nog snel even enkele straten doen met folders. In goed gezelschap. (Zoals steeds een momentje om even bij te praten.)
Na tienen nog de afwas doen, niet zo fijn. Maar ’s ochtends een aanrecht aantreffen dat niet leeg is, dat is nog erger.
(Allerlei dromen.)
(Denken aan een verjaardag.)
Op weg naar een conferentie. Aan het verkeerslicht zie je iemand die je kent. Je begint een heel gesprek, hopend dat je snel weer zult weten van waar je haar nu ook weer kende. Het komt gelukkig al snel terug, ongeveer aan de andere kant van het zebrapad.
Tijdens de middagpauze een heel gesprek met een van de wetenschappers. Hij vertelt over zijn onderzoek in Oeganda. Hij maakte een analyse van de aanwezige diertjes. Daarbij heeft hij een spinnetje gevonden dat nog niet bekend was. (Het was er al de hele tijd waarschijnlijk, maar het had nog geen naam.) Je vraagt of dat diertje nu zijn naam gekregen heeft. Ja dus. (Toch wel spannend, dat je daar zomaar staat naast iemand die zijn naam aan een spinnetje heeft gegeven.) (Je probeert je iets in te denken waaraan jij je naam zou kunnen geven.)
Iemand komt naar je toe, om je van dichtbij te bekijken. Hij zegt dat hij jouw columns leest, en dat hij blij is je eens in het echt te zien, van dichtbij. De vrouw die ook aan het tafeltje staat zegt dat ze je ook leest. (Even heel verlegen.) (Als mensen je lezen, ben je dan leesbaar?)
Het is bijzonder om die laatste spreker bezig te zien. Met grote begeestering vertelt hij over zijn onderzoek. (Van wat je op de slide ziet, begrijp je eerlijk gezegd geen jota. Maar dat zal ongetwijfeld geheel aan jou liggen. Je hebt de indruk dat er in de zaal nog meer mensen zijn die nu ook denken dat ze dom zijn.)
(Iets in je nek klopt nog steeds niet.)
Na alle klussen thuis, gewoon weer klaar voor woorden.
Je ziet iets, je glimlacht.
(Misschien ben je een beetje te moe voor de woorden. En toch.)
Bijna klaar voor een dekentje. En enkele gedachten.
Een feestdag. Je bent de hele dag alleen thuis. Waarschijnlijk zul je de hele dag geen woord zeggen. Dat heeft wel iets. Tijd om te poetsen. (De ramen had je de vorige dag al gedaan.) En nog even op stap om foto’s te maken. En dan het napoetsliggen. Tot je weer helemaal op elkaar past, alle onderdelen. En dan nog het boek uitlezen. En er nog een stukje over schrijven. Alles zonder een woord, dus.
De volgende dag. Op weg naar het feest. Die ochtend de boektwijfel. Het ene boek is uit. Tijd om aan een ander boek te beginnen. Voor de stapel met boeken staan, niet weten welk boek je eerst zult nemen. Toch maar dat ene. In de trein eerst de krant opmaken, en pas daarna het boek. Een boek met een leeslint, dat leest toch anders.
In de bus, naast een bekende van vroeger. Enkele mooie verhalen. Ze ontroeren je.
Veel volk rond de tafel. (Ze zijn zo groot geworden. Dat dacht je overigens alle vorige keren ook al.) Een mooi gesprek, over hoe het is om nu jong te zijn. Het ontroert je meer dan je kunt zeggen. Je zou hun nog heel veel willen vragen.
Die avond moet je nog naar een andere stad voor een vergadering. Het boek met het leeslint is bij je.
In de trein terug. Die jonge meiden naast je maken een diepteanalyse van Temptation Island.
Terug op het werk. Toch de indruk krijgen dat je iets als vakantie hebt gehad.
Een uitermate belangwekkend gesprek over een sacoche.
Die avond, een mooi concert. (Op enkele uitzonderingen na lijk je weer een van de jongsten te zijn in de zaal.) (Eigenlijk mis je die ene muzikant wel, denk je.) Je denkt terug aan die keer toen je hen zag in dat kleine zaaltje, en toen je na het concert ineens naast die zangeres liep en een beetje in de war was. (Een mooi geel jurkje trouwens.)
(Nadien komt een herinnering aan een concert, zo lang geleden, en een berichtje.)
Het is frisjes in de nacht.
Efficiënt tijdsgebruik. Tussen werk, boodschappen, eten maken en vergadering nog snel even enkele straten doen met folders. In goed gezelschap. (Zoals steeds een momentje om even bij te praten.)
Na tienen nog de afwas doen, niet zo fijn. Maar ’s ochtends een aanrecht aantreffen dat niet leeg is, dat is nog erger.
(Allerlei dromen.)
(Denken aan een verjaardag.)
Op weg naar een conferentie. Aan het verkeerslicht zie je iemand die je kent. Je begint een heel gesprek, hopend dat je snel weer zult weten van waar je haar nu ook weer kende. Het komt gelukkig al snel terug, ongeveer aan de andere kant van het zebrapad.
Tijdens de middagpauze een heel gesprek met een van de wetenschappers. Hij vertelt over zijn onderzoek in Oeganda. Hij maakte een analyse van de aanwezige diertjes. Daarbij heeft hij een spinnetje gevonden dat nog niet bekend was. (Het was er al de hele tijd waarschijnlijk, maar het had nog geen naam.) Je vraagt of dat diertje nu zijn naam gekregen heeft. Ja dus. (Toch wel spannend, dat je daar zomaar staat naast iemand die zijn naam aan een spinnetje heeft gegeven.) (Je probeert je iets in te denken waaraan jij je naam zou kunnen geven.)
Iemand komt naar je toe, om je van dichtbij te bekijken. Hij zegt dat hij jouw columns leest, en dat hij blij is je eens in het echt te zien, van dichtbij. De vrouw die ook aan het tafeltje staat zegt dat ze je ook leest. (Even heel verlegen.) (Als mensen je lezen, ben je dan leesbaar?)
Het is bijzonder om die laatste spreker bezig te zien. Met grote begeestering vertelt hij over zijn onderzoek. (Van wat je op de slide ziet, begrijp je eerlijk gezegd geen jota. Maar dat zal ongetwijfeld geheel aan jou liggen. Je hebt de indruk dat er in de zaal nog meer mensen zijn die nu ook denken dat ze dom zijn.)
(Iets in je nek klopt nog steeds niet.)
Na alle klussen thuis, gewoon weer klaar voor woorden.
Je ziet iets, je glimlacht.
(Misschien ben je een beetje te moe voor de woorden. En toch.)
Bijna klaar voor een dekentje. En enkele gedachten.
16 april 2017
The Girls
Meisjes, ergens onderweg in het verwarrende niemandsland tussen kind en volwassene. Ze vervelen zich, in een broeierige zomer, en zijn op zoek naar aandacht en erkenning. Ze willen ‘iemand’ zijn, zoeken de spanning op, en kunnen op gevaarlijke plekken komen. Het is die complexe, fascinerende en tegelijk akelige wereld die we te zien krijgen in The Girls (vertaald als De meisjes) van de Amerikaanse schrijfster Emma Cline. Het boek is ten dele gebaseerd op wat er gebeurde met de sekte van Charles Manson, maar bekijkt die vreselijke gebeurtenissen vooral vanuit het perspectief van tienermeisjes. Emma Cline doet dat op een erg overtuigende wijze, en in een taal die subtiel en fonkelend is.
Het verhaal wordt verteld door de ogen van Evie Boyd. In de zomer van 1969 is ze veertien. Ze woont ergens in Californië, op een plek waar niets gebeurt, waar niemand haar ziet. Ze trekt op met een saaie vriendin, twee meisjes die onbeholpen kijken naar de jongens en zelf hun grote drama’s creëren. Haar ouders zijn gescheiden. Haar vader woont ergens anders, met zijn jonge vriendin. Zij woont bij haar moeder, die zichzelf op geheel macrobiotische wijze opnieuw aan het vinden is (wat niet echt lijkt te lukken).
En dan maakt Evie kennis met een aantal meisjes die er exotisch en minstens spannend uitzien. Vooral een van hen, Suzanne, oefent een hypnotische aantrekkingskracht op haar uit. Ze wil haar aandacht, wil bij haar zijn, door haar gezien en zo mogelijk ook graag gezien worden. De meisjes blijken in een soort commune te wonen, met een goeroeachtige man, Russell, als centrale figuur. Russell verkondigt een verhaal over een vrije wereld, zonder banden, zonder ego, zonder bezittingen, … maar is in de feiten niet meer dan een erg middelmatige zanger die de meisjes op gewiekste wijze aan zich bindt en zich seksueel laat bedienen. De plek waar ze wonen is groezelig, en geld hebben ze niet. Evie brengt steeds meer tijd door bij de meisjes en steelt geld in de hoop zo dichter bij de in haar ogen stralende Suzanne te komen. De toestand op de ranch van Russell zal uiteindelijk op lugubere wijze totaal uit de hand lopen. Evie is een toeschouwster die bijna te dichtbij was gekomen. Ze is dan wel aan iets ontsnapt, de rest van haar leven zal ze een toeschouwster van haar eigen leven blijven, met nog steeds dubbele gevoelens.
In het boek wordt het verhaal vanuit twee tijdsmomenten verteld. Enerzijds de gebeurtenissen in 1969. Anderzijds in het nu, met de ondertussen ouder geworden Evie. Ze brengt haar tijd door als iemand die tijdelijk in gaat wonen bij iemand anders om te helpen of die op huizen past. Ze verblijft in het huis van een vroegere vriend die weg is. De zoon van die man komt ’s nachts ineens binnenvallen, samen met zijn liefje. De jongen vertrekt al snel weer, en het meisje begint de vrouw uit te vragen omdat ze hoorde dat die zoveel jaar geleden betrokken was bij die beruchte commune die verantwoordelijk was voor een gruwelijke moordpartij. De oudere Evie wordt zo verplicht terug te kijken naar vroeger en naar haar rol in het gebeuren. Die hoofdstukken vormen een soort kaderverhaal.
Het verhaal van de zomer van 1969 wordt ongelooflijk knap opgebouwd. In zekere zin is de figuur van Russell maar iemand op de achtergrond. Het is de intense wereld van meisjesvriendschappen waar het om gaat. Als lezer kom je er middenin, je ruikt bijna de gebeurtenissen. Tegelijk verschuift het perspectief ook telkens op heel subtiele wijze. Er is een interne reflectie bij Evie (toen en doorheen de tijd). Ze is zich bewust van haar naïviteit en haar wankele verlangens, maar ze kan niet anders dan toegeven aan de aantrekkingskracht. Door haar ogen zie je als lezer dat de situatie op de ranch van Russell slechter en slechter begint te gaan, maar zelf duwt ze onaangename waarheden uit beeld. Ook de andere personages worden in hun complexiteit beschreven. Suzanne lijkt op een aantal momenten Evie te willen beschermen voor wat gaat komen, is op andere momenten dan weer koud en manipulatief, en lijkt ten slotte verloren in het moeras van de sekte. Evie zal altijd, ook zoveel jaar later, dubbele gevoelens houden. Ze bleef ver genoeg weg van het ultieme kwaad, maar lijkt later nog altijd het gevoel te hebben dat de intensiteit van toen een ultieme ervaring was, die een deel van de aantrekkingskracht van toen blijft behouden.
Vanaf het begin geeft de verteller regelmatig een hint van wat er uiteindelijk zal gaan gebeuren. Dat draagt bij tot de dreigende sfeer die al vanaf de eerste bladzijden over het boek hangt. Die dreiging wordt evenwel heel erg in balans gehouden door enerzijds de subtiele observaties van Evie en anderzijds de stijl die Cline gebruikt. De genuanceerde manier waarop we de meisjes te zien krijgen en de zelfreflectie van het hoofdpersonage zorgen ervoor dat je als lezer middenin die spannende dans zit. Een dans die zich voordoet tegen een achtergrond die voor jongeren op die leeftijd alleen maar saai kan zijn, maar die meer een wervelwind is dan ze zelf beseffen. Je ziet en begrijpt ook beter hoe je ongemerkt, op die leeftijd, kunt worden meegesleept in iets als een sekte. De schrijfster beschrijft dat alles in een taal die vaak glinstert als kristal. Op bijna elke bladzijde vind je wel een zin of een beeld dat erg mooi is. Soms lijken die beelden misschien wel net iets te mooi. Het zorgt er alleszins voor dat je de warmte van de intense ervaring van de meisjes nog beter voelt, terwijl je tegelijk op de achtergrond ziet hoe het helemaal fout gaat. Die stijl zorgt ook voor een melancholische ondertoon die iets zegt over het personage Evie als oudere vrouw, maar die vooral wijst op de kwaliteit van het schrijven van deze nog zo jonge debutante. De stijl staat centraler in het boek dan de verwijzingen naar de gebeurtenissen rond Charles Manson of dan allerlei referenties naar het tijdskader van 1969.
The Girls is een heel bijzonder boek. Als lezer heb je vaak het gevoel dat je het licht en de broeierige warmte van een zomer kunt voelen en zelfs ruiken. Het voelt als heel vanzelfsprekend aan om zo dicht bij de gevoelswereld van jonge tienermeisjes te komen, en het lijkt logisch dat de volwassen personages leger en saaier of gewoon onbelangrijk zijn. Je ziet waar onontkoombare aantrekkingskracht en gruwel elkaar raken. Emma Cline getuigt met dit boek van een groot inlevingsvermogen in de wereld van jonge meisjes, en ze doet dat met een indrukwekkende taalbeheersing.
Het verhaal wordt verteld door de ogen van Evie Boyd. In de zomer van 1969 is ze veertien. Ze woont ergens in Californië, op een plek waar niets gebeurt, waar niemand haar ziet. Ze trekt op met een saaie vriendin, twee meisjes die onbeholpen kijken naar de jongens en zelf hun grote drama’s creëren. Haar ouders zijn gescheiden. Haar vader woont ergens anders, met zijn jonge vriendin. Zij woont bij haar moeder, die zichzelf op geheel macrobiotische wijze opnieuw aan het vinden is (wat niet echt lijkt te lukken).
En dan maakt Evie kennis met een aantal meisjes die er exotisch en minstens spannend uitzien. Vooral een van hen, Suzanne, oefent een hypnotische aantrekkingskracht op haar uit. Ze wil haar aandacht, wil bij haar zijn, door haar gezien en zo mogelijk ook graag gezien worden. De meisjes blijken in een soort commune te wonen, met een goeroeachtige man, Russell, als centrale figuur. Russell verkondigt een verhaal over een vrije wereld, zonder banden, zonder ego, zonder bezittingen, … maar is in de feiten niet meer dan een erg middelmatige zanger die de meisjes op gewiekste wijze aan zich bindt en zich seksueel laat bedienen. De plek waar ze wonen is groezelig, en geld hebben ze niet. Evie brengt steeds meer tijd door bij de meisjes en steelt geld in de hoop zo dichter bij de in haar ogen stralende Suzanne te komen. De toestand op de ranch van Russell zal uiteindelijk op lugubere wijze totaal uit de hand lopen. Evie is een toeschouwster die bijna te dichtbij was gekomen. Ze is dan wel aan iets ontsnapt, de rest van haar leven zal ze een toeschouwster van haar eigen leven blijven, met nog steeds dubbele gevoelens.
In het boek wordt het verhaal vanuit twee tijdsmomenten verteld. Enerzijds de gebeurtenissen in 1969. Anderzijds in het nu, met de ondertussen ouder geworden Evie. Ze brengt haar tijd door als iemand die tijdelijk in gaat wonen bij iemand anders om te helpen of die op huizen past. Ze verblijft in het huis van een vroegere vriend die weg is. De zoon van die man komt ’s nachts ineens binnenvallen, samen met zijn liefje. De jongen vertrekt al snel weer, en het meisje begint de vrouw uit te vragen omdat ze hoorde dat die zoveel jaar geleden betrokken was bij die beruchte commune die verantwoordelijk was voor een gruwelijke moordpartij. De oudere Evie wordt zo verplicht terug te kijken naar vroeger en naar haar rol in het gebeuren. Die hoofdstukken vormen een soort kaderverhaal.
Het verhaal van de zomer van 1969 wordt ongelooflijk knap opgebouwd. In zekere zin is de figuur van Russell maar iemand op de achtergrond. Het is de intense wereld van meisjesvriendschappen waar het om gaat. Als lezer kom je er middenin, je ruikt bijna de gebeurtenissen. Tegelijk verschuift het perspectief ook telkens op heel subtiele wijze. Er is een interne reflectie bij Evie (toen en doorheen de tijd). Ze is zich bewust van haar naïviteit en haar wankele verlangens, maar ze kan niet anders dan toegeven aan de aantrekkingskracht. Door haar ogen zie je als lezer dat de situatie op de ranch van Russell slechter en slechter begint te gaan, maar zelf duwt ze onaangename waarheden uit beeld. Ook de andere personages worden in hun complexiteit beschreven. Suzanne lijkt op een aantal momenten Evie te willen beschermen voor wat gaat komen, is op andere momenten dan weer koud en manipulatief, en lijkt ten slotte verloren in het moeras van de sekte. Evie zal altijd, ook zoveel jaar later, dubbele gevoelens houden. Ze bleef ver genoeg weg van het ultieme kwaad, maar lijkt later nog altijd het gevoel te hebben dat de intensiteit van toen een ultieme ervaring was, die een deel van de aantrekkingskracht van toen blijft behouden.
Vanaf het begin geeft de verteller regelmatig een hint van wat er uiteindelijk zal gaan gebeuren. Dat draagt bij tot de dreigende sfeer die al vanaf de eerste bladzijden over het boek hangt. Die dreiging wordt evenwel heel erg in balans gehouden door enerzijds de subtiele observaties van Evie en anderzijds de stijl die Cline gebruikt. De genuanceerde manier waarop we de meisjes te zien krijgen en de zelfreflectie van het hoofdpersonage zorgen ervoor dat je als lezer middenin die spannende dans zit. Een dans die zich voordoet tegen een achtergrond die voor jongeren op die leeftijd alleen maar saai kan zijn, maar die meer een wervelwind is dan ze zelf beseffen. Je ziet en begrijpt ook beter hoe je ongemerkt, op die leeftijd, kunt worden meegesleept in iets als een sekte. De schrijfster beschrijft dat alles in een taal die vaak glinstert als kristal. Op bijna elke bladzijde vind je wel een zin of een beeld dat erg mooi is. Soms lijken die beelden misschien wel net iets te mooi. Het zorgt er alleszins voor dat je de warmte van de intense ervaring van de meisjes nog beter voelt, terwijl je tegelijk op de achtergrond ziet hoe het helemaal fout gaat. Die stijl zorgt ook voor een melancholische ondertoon die iets zegt over het personage Evie als oudere vrouw, maar die vooral wijst op de kwaliteit van het schrijven van deze nog zo jonge debutante. De stijl staat centraler in het boek dan de verwijzingen naar de gebeurtenissen rond Charles Manson of dan allerlei referenties naar het tijdskader van 1969.
The Girls is een heel bijzonder boek. Als lezer heb je vaak het gevoel dat je het licht en de broeierige warmte van een zomer kunt voelen en zelfs ruiken. Het voelt als heel vanzelfsprekend aan om zo dicht bij de gevoelswereld van jonge tienermeisjes te komen, en het lijkt logisch dat de volwassen personages leger en saaier of gewoon onbelangrijk zijn. Je ziet waar onontkoombare aantrekkingskracht en gruwel elkaar raken. Emma Cline getuigt met dit boek van een groot inlevingsvermogen in de wereld van jonge meisjes, en ze doet dat met een indrukwekkende taalbeheersing.
15 april 2017
Die ogen, en
‘Hier zitten we dan.’
‘Ja.’
‘Ben je bang?’
‘Een beetje maar.’
‘Het hoeft niet. En het is goed om met jou hier te zijn. We hadden dit al eerder moeten doen.’
‘Het is raar, dat dingen die eigenlijk zo vanzelfsprekend zijn je toch ook zo bang kunnen maken. Zonder reden waarschijnlijk.’
‘Dat denk ik niet. Ik ken je al langer. Het is wel mooi.’
‘Het is een rustige plek hier.’
‘Dat zei ik je toch.’
‘Het is een beetje ingewikkeld om naar zo’n plek te verlangen.’
‘Kom je een beetje dichter bij me zitten? Dat zou ik wel fijn vinden. Het is goed.’
‘Vanmorgen dacht ik het nog. Dat ik ergens wou zijn waar ik de mensen helemaal kon zien. Ik bedoel daarmee iets als in een traag gesprek. En dat je elkaar dan helemaal kunt vertrouwen. Dat je weet dat de ander je ook ziet.’
‘Dat is nu wel zo. Minstens.’
‘Soms wil ik ook daarom gewoon alleen zijn. Weg van de dingen. Weg van dingen daarbuiten die me opeisen.’
‘Ik vond gisteren dat je zo moe leek. Je ogen waren vermoeid. Het werd beter in de loop van de avond.’
‘Ja, dat was wel zo.’
‘Wie zei dat jij alleen met je hoofd zou leven vergist zich, heel erg.’
‘Ik heb nog zitten denken aan wat je vertelde over de ogen van die man. Dat hij je niet aankeek, in je ogen, terwijl hij sprak. Het maakte me zo droevig.’
‘Ja? Waarom?’
‘Ik vond het gewoon erg voor jou. En het is ook raar.’
‘Misschien is hij gewoon raar.’
‘Soms ben ik wel bang om in de ogen van iemand te kijken. Alsof ik dan te veel laat zien of zo. Alsof ik zomaar een verbinding zou kunnen krijgen waar ik geen recht op heb.’
‘Geen recht? Wat is dat nu voor een onzin?’
‘Ik kan het niet goed uitleggen. Alsof je iets ziet dat er al is, dat er al was. Het is iets dat heel gewoon is, en daarom ook bedreigend.’
‘Ik denk dat je wel weet wat het is. En misschien is het net wel goed dat je blijft kijken, en niet wegkijkt.’
‘Maar als ik niet kan vluchten, dan zie ik wat er hier is. Dan zie ik iets als deze plek. Hoe vanzelfsprekend ze zou kunnen zijn, eigenlijk.’
‘Je bent te hard voor jezelf. En dat is niet nodig.’
‘Hoe voelde je je, toen die man niet in je ogen keek?’
‘Een beetje genegeerd. En eenzaam. En te groot, of te hoekig of te ik weet het niet.’
‘Niet kijken is ook je kwetsbaarheid vermijden. En daarmee duw je de ander wel weg.’
‘Ik heb ook nog zitten denken over het verhaal dat jij vertelde. Over die vrouw die zo reageerde op wat je zei. Het voelde als niet eerlijk aan. Jij probeerde het snel weer te herstellen, terwijl jij dat eigenlijk niet moest doen. En zij deed niets, integendeel.’
‘Tja, misschien heb ik wel veel geleerd nu.’
‘Je verdient dat niet.’
‘Ik heb een paar van dat soort inzichten gehad de voorbije weken. Dat ik dingen zie die ik tevoren misschien niet wou zien. Niet dat ik ineens kwaad ga worden of zo. Het is meer iets van een grens zien.’
‘Gelukkig is die er hier nu niet, of zoiets.’
‘We moeten dit vaker doen, denk ik.’
‘Eindelijk.’
‘Ja.’
‘Ben je bang?’
‘Een beetje maar.’
‘Het hoeft niet. En het is goed om met jou hier te zijn. We hadden dit al eerder moeten doen.’
‘Het is raar, dat dingen die eigenlijk zo vanzelfsprekend zijn je toch ook zo bang kunnen maken. Zonder reden waarschijnlijk.’
‘Dat denk ik niet. Ik ken je al langer. Het is wel mooi.’
‘Het is een rustige plek hier.’
‘Dat zei ik je toch.’
‘Het is een beetje ingewikkeld om naar zo’n plek te verlangen.’
‘Kom je een beetje dichter bij me zitten? Dat zou ik wel fijn vinden. Het is goed.’
‘Vanmorgen dacht ik het nog. Dat ik ergens wou zijn waar ik de mensen helemaal kon zien. Ik bedoel daarmee iets als in een traag gesprek. En dat je elkaar dan helemaal kunt vertrouwen. Dat je weet dat de ander je ook ziet.’
‘Dat is nu wel zo. Minstens.’
‘Soms wil ik ook daarom gewoon alleen zijn. Weg van de dingen. Weg van dingen daarbuiten die me opeisen.’
‘Ik vond gisteren dat je zo moe leek. Je ogen waren vermoeid. Het werd beter in de loop van de avond.’
‘Ja, dat was wel zo.’
‘Wie zei dat jij alleen met je hoofd zou leven vergist zich, heel erg.’
‘Ik heb nog zitten denken aan wat je vertelde over de ogen van die man. Dat hij je niet aankeek, in je ogen, terwijl hij sprak. Het maakte me zo droevig.’
‘Ja? Waarom?’
‘Ik vond het gewoon erg voor jou. En het is ook raar.’
‘Misschien is hij gewoon raar.’
‘Soms ben ik wel bang om in de ogen van iemand te kijken. Alsof ik dan te veel laat zien of zo. Alsof ik zomaar een verbinding zou kunnen krijgen waar ik geen recht op heb.’
‘Geen recht? Wat is dat nu voor een onzin?’
‘Ik kan het niet goed uitleggen. Alsof je iets ziet dat er al is, dat er al was. Het is iets dat heel gewoon is, en daarom ook bedreigend.’
‘Ik denk dat je wel weet wat het is. En misschien is het net wel goed dat je blijft kijken, en niet wegkijkt.’
‘Maar als ik niet kan vluchten, dan zie ik wat er hier is. Dan zie ik iets als deze plek. Hoe vanzelfsprekend ze zou kunnen zijn, eigenlijk.’
‘Je bent te hard voor jezelf. En dat is niet nodig.’
‘Hoe voelde je je, toen die man niet in je ogen keek?’
‘Een beetje genegeerd. En eenzaam. En te groot, of te hoekig of te ik weet het niet.’
‘Niet kijken is ook je kwetsbaarheid vermijden. En daarmee duw je de ander wel weg.’
‘Ik heb ook nog zitten denken over het verhaal dat jij vertelde. Over die vrouw die zo reageerde op wat je zei. Het voelde als niet eerlijk aan. Jij probeerde het snel weer te herstellen, terwijl jij dat eigenlijk niet moest doen. En zij deed niets, integendeel.’
‘Tja, misschien heb ik wel veel geleerd nu.’
‘Je verdient dat niet.’
‘Ik heb een paar van dat soort inzichten gehad de voorbije weken. Dat ik dingen zie die ik tevoren misschien niet wou zien. Niet dat ik ineens kwaad ga worden of zo. Het is meer iets van een grens zien.’
‘Gelukkig is die er hier nu niet, of zoiets.’
‘We moeten dit vaker doen, denk ik.’
‘Eindelijk.’
Abonneren op:
Posts (Atom)
