13 december 2011

Waar je niet kunt komen

De plaatsen waar je niet kunt komen. In je hoofd. Je zou willen dat het de overzeese gebieden van je geest zijn. Je kunt een heel continent verkennen. Je kunt in streken komen die je niet kende. Ze kunnen je in de war brengen, je hoofd doen duizelen. Ze kunnen je ermee confronteren dat je zo vaak voor het thuisgevoel kiest. Meer dan je zou willen. Ze kunnen je langzaam toelaten. En het is alsof je elke keer een stapje verder zet, en iets van een vrijheid wint.

Zo lang je aan deze kant van de zee blijft. Er zijn vragen waarvan je weet, of denkt te weten, dat je ze beter niet aan jezelf stelt. Het is niet dat je de wereld aan de andere kant van het water ontkent. Het is niet dat je niet wilt weten dat de aarde rond is, ook in je hoofd. Het is niet dat je geen landkaart zou willen. Het is alleen dat je daar liever niet naartoe gaat.

Wat zou er kunnen gebeuren? De rotsen onder je voeten zouden kunnen verkruimelen, en je zou verzwolgen worden. Je zou op de plek komen van waar geen terugkeer mogelijk is. Je zou, net als zo vaak in je dromen, binnen gaan in een doolhof, maar er nooit meer uitkomen.

Misschien twijfel je aan het schip. Er zijn mensen met zeebenen. Ze hebben een stevig schip. Ze hebben geleerd te bewegen met de golven. Wanneer ze hun schip achter zich laten in de baai, twijfelen ze niet aan hun terugkeer.

Het is niet anders in het schrijven. Er zijn zinnen die je niet geschreven krijgt. Er zijn woorden die je niet kunt gebruiken, of niet durft. Er zijn personages die je niet kunt tonen. Er zijn motieven van personages die je niet kunt aanraken in de woorden. Er zijn richtingen die je niet in kunt gaan in een verhaal. Er zijn verhalen die je niet wilt bedenken.

Je hebt het geprobeerd. Jezelf duwen, centimeter per centimeter, naar de woorden over het water. Soms heb je heel voorzichtig een voet in het zand gezet. Soms heb je het eiland beschreven dat je zag vanuit de verte. Dichterbij kon je niet komen.

Soms waren het de woorden zelf die zich niet lieten leiden. Ze namen jou weer bij de hand, en gingen hun eigen weg.

Zou het iets met de schoonheid te maken hebben? Met angst voor wat lelijk is? Misschien zoek je te veel de troost in de woorden. Mogen ze het hebben over alles waar geen troost voor is, zolang ze zelf maar troosten. Misschien verlang je stiekem naar verhalen die ooit goed zouden kunnen aflopen.

Misschien ben je een landmens. Misschien kun je kijken naar de zee, en dromen, maar is het land jouw bestemming.

Misschien zijn het enkel de spelonken van je eigen geest die je niet durft betreden. Misschien zou iemand je bij de hand kunnen nemen, waarna de woorden niet meer zouden sputteren. Het is niet te weten.

Sommige reizen kun je je inbeelden, je hoeft er niet geweest te zijn om de woorden te vinden. Andere reizen liggen buiten je, of zijn enkel denkbaar zolang ze aan de andere kant van de woorden blijven. Daar waar ze je niet kunnen overrompelen. Het zou kunnen dat het altijd zo zal blijven. Misschien kunnen de woorden sommige littekens in de aardkorst niet overschrijden, kunnen ze enkel aanvaarden dat hun plaats aan deze kant is.

Je weet het bij het lezen, je weet het bij het luisteren. Sommige woorden, sommige zinnen van anderen, je weet dat je daar nooit zou kunnen komen. De moed ontbreekt je. Die anderen zijn hun eigen plek. Misschien bewegen ze zich rustig en feilloos in wat voor jou een donker oerwoud zou zijn. Maar je kunt lezen en luisteren. En in dat geval kun je het boek sluiten of het lied dimmen, als je dat zou willen. Maar zelf die woorden uit het niets halen, waardoor ze iets worden, dat zou je nooit kunnen.

Zo stelde je het je altijd voor als je dacht aan wat een schrijver of schrijfster is. Die moed. Het onverschrokken zijn. En zo wist je dat jij het nooit zou zijn.

Misschien is kijken naar de zee ook een mooie vorm van zijn. Een platonische woordliefde. Misschien is ook dat een mooie plek om te schuilen.

1 opmerking:

Uvi zei

"Zo stelde je het je altijd voor als je dacht aan wat een schrijver of schrijfster is. Die moed. Het onverschrokken zijn. En zo wist je dat jij het nooit zou zijn."

Daarstraks nog in de bib zag ik een schrijfster zitten. Bekroond met twee prijzen voor haar debuut.

Ze wordt wellicht omringd door vele woorden. En toch oogde zij me eenzaam.
Misschien was het maar een geprojecteerde indruk.

Jan, ik ben maar een lezer.
En alhoewel een schrijver niet zonder kan, blijft er toch een alfabetische afstand.
Een academische benadering is mij niet gegeven.

Vanmorgen nog las ik
dit in 'Dagboek van een dichter':
"Ik ben genadeloos hoogmoedig tegenover mezelf. Al wat ik tot nu toe eb gedaan of gemaakt, vind ik mij niet waard(ig). Ik hoop dat dit altijd zo zal blijven.
En in verband hiermee: de enige toegeving die een schrijver mag doen is, geapprecieerd te willen worden door de mensen die hijzelf waardeert, bewondert en liefheeft, leven én doden."

Nolens, 15 januari 1980.
(Momenteel aan tweede lectuur begonnen.)


Jan,
ik wens je dat soort recensent-e toe.

mvg