23 januari 2021

Soms is er zoveel tijd in de tijd


Stel dat je alle mensen ziet.

De mensen die in een kamer zijn. De mensen die je tegemoet lopen.

Als je naar een van hen kijkt, zie je alles. Je ziet een heel verhaal. Je ziet wat het met je deed. Je kunt ernaar kijken. Al die indrukken zien, voelen hoe het veel is dat bij je binnenkomt. Je kunt een stap achteruit zetten, even je ogen sluiten, en alles langzaam laten binnensijpelen en uitdoven. Het weeft zich gewoon in je lichaam. Dat is wat je doet in een leven. Jezelf elke dag opnieuw in elkaar schuiven en zo elke dag het verhaal dat je bent opnieuw vertellen.

Stel je voor dat je alle mensen ziet. Dat je al die mensen in de kamer, al die mensen in de straat alleen maar allemaal kunt zien, en dat je telkens alles ziet. Dat je niet even tussendoor aan de rand kunt gaan zitten om je lichaam weer rustig in elkaar te ademen, klaar voor een volgend gezicht.

Er zijn te veel mensen in de mensen, zou je dan kunnen denken.

(Je denkt het wel eens, als je door de straat loopt, dat je te veel mensen ziet. Op andere momenten is het alleen maar fijn. Maar soms is het alleen veel.)

Soms is er te veel tijd in de tijd.

Iets als te veel gecondenseerde betekenis.

Je leeft in de tijd. Herinneringen bewegen in je lichaam. Ze hebben hun eigen tijd, zoveel getijden, zoveel keer eb en vloed, en ze worden een rustige draad in het verhaal dat je bent.

Je moest ver weg gaan om die adem te vinden. Om langzaam te wachten op het werk van de zee, na het overrompeld zijn. En het is goed zo. Eb en vloed wissen niet uit, ze wissen in. En je kunt in zachtheid kijken.

Misschien had je het graag anders gewild, maar dat maakt niets uit. Het was de tijd die nodig was. En wie je bent, kon je alleen maar zo geworden zijn. Het verdriet legt zich rustig neer naast de liefde, ze zijn er allebei.

Soms denk je zelfs, heel even, dat je alleen maar toekomst hebt. In een nu dat even vrij is als het water dat het land aanraakt.

Tot je op de plek van de herinneringen komt.

En het is goed daar te zijn. Het is goed de dingen uit elkaar te halen, op hoopjes te leggen, door je handen te laten gaan.

Je kijkt naar de mensen die bij je zijn. Ze zijn je lief. En misschien zou je alleen al graag gewoon naar hen kijken. Alleen dat. Want ze zijn zo veel. (Dat zijn ze altijd geweest in je hoofd.) En misschien is je lichaam het niet meer gewend, na zoveel weken zoveel maanden meestal alleen.

Maar soms is er zoveel tijd in de tijd. Als er niets anders was, zou je traag naar enkele foto’s in zwart en wit kunnen kijken, voelen hoe ze indalen, hoe ze zich verspreiden in het weefsel dat je bent. Maar nu moet je, zo lijkt het, ineens tegelijk naar veel foto’s in kleur kijken. Soms zijn de kleuren mooi, soms zijn ze vaal, soms lijken ze zich los te hebben gemaakt van het beeld.

Nadien in de trein probeert je lichaam het je uit te leggen.

Je kunt maar een paar dingen meenemen. Er is te veel tijd in elk ding apart. Misschien is je lichaam gewoon te gevoelig. Er is al zoveel tijd in je lichaam, zonder al die dingen.

En het verwart je. Misschien zou je meer moeten doen. Beter voorbereiden hoe je straks in je herinneringen zult wonen, wanneer je weer zoveel getijden verder bent.

Misschien is ademen afstand maken, lege plekken maken, en verder ademen, en voelen hoe je huid weer zacht wordt.

Het is zo veel veel, denk je, terwijl je door de straat loopt. Er lopen veel mensen door de straat. Ze lijken zo gretig, met al hun tassen vol met spullen. Het is alsof ze zo graag veel veel willen. En iets in jou zou willen dat ze gewoon voorzichtig zouden stappen, open en doorwaadbaar. Dat ze langzaam betekenis zouden zijn, waardoor je hen allemaal zou kunnen zien. Maar ze zijn gehaast, met al hun tassen, en jij bent moe.

Het is allemaal goed. Je huid zal zich weer door eb en vloed naar zichzelf ademen. Tot de tijd weer daar is, en tot het tijd is om weer te gaan.

Geen opmerkingen: