14 december 2006

Betrapt

Betrapt op grootvader. Dat overkwam me gisteren.

Ik zat in de erg mooie voorstelling EN/EN van de wonderlijke Joke van Leeuwen. Ze neemt je mee in haar universum waar woorden en beelden en allerlei dingen die niet gezegd worden door elkaar lopen. Nooit met grote boodschappen, nooit rechtlijnig. Laverend tussen verwonderd, soms een beetje wrang, en vaak grappig met een beetje achterdocht. Zonder grens tussen de ruimte van kind en volwassene. Met mooie zoektochten naar woorden, zoals de zin-zin-situatie of het erotisch gehalte van de selder.

En ineens zag ik mijn handen, en ik zag mijn grootvader. Als kind zag ik hem vaak met ineengevouwen handen met daar bovenop de ene duim die over de andere duim heen en weer ging. Dat beeld fascineerde me om een of andere reden. Ik zag het ook bij andere oude mannen. En ik vroeg me af waar dat gebaar vandaan kwam, hoe dat begonnen was en wat de betekenis zou kunnen zijn.

Het leek me een gebaar van mannen die na een lang leven van hard werken met die handen niet direct wisten wat zeggen. En dan maar wachtten. Op iets. Of gewoon zo de tijd lieten voorbij gaan. Handen van oude mannen zijn mooi. In rusttoestand lijken ze soms een beetje in de weg te zitten.

Mijn grootvader. In de laatste weken voor hij stierf werden zijn handen koud. Ze leken willoos. Gingen al een beetje eerder weg dan de rest van zijn lichaam.

En gisteren zag ik ineens mijn duimen. Hoe ze bewogen, heen en weer. Elkaar zoekend. Mijn handen zijn nog jonger. En niet getekend door arbeid met hout. En toch. Ik voelde me betrapt op grootvader.

13 december 2006

Kronkels

Er zijn altijd mensen die zeer goed zijn in het gebruiken van allerlei uitdrukkingen of gezegden. Het doet me een beetje denken aan oude schoolmeesters en de taalboeken die we in de lagere school kregen. Van die boeken herinner ik me nog dat ze van een soort glanzend papier waren, dat ze een lichtjes streng lettertype hadden, en ook dat ze een bepaalde schoolboekengeur hadden. De opmaak van die boeken was nooit ‘frivool’ te noemen. In een rekenboek werd al eens een rode steunkleur gebruikt, maar in een taalboek gebeurde dat nooit. In die boeken vonden we vaak allerlei uitdrukkingen die we dan moesten leren. Ze leken samen te hangen met een wereld die toch een beetje ver af was.

Toen dacht ik dat de lichte verwarring die af en toe over me kwam vanzelf zou overgaan met het groter en ouder worden. Die blik van de meester die je aankijkt terwijl hij een vraag stelt, en de lichte schrik dat je een fout zult gaan maken, en hoe de anderen rondom jou dan zullen kijken en zo.

In de leesboeken kregen we teksten over allerlei dam- en stuwsystemen in de Ardennen en ook over het maken van papier. Met wat duistere zwart-witfoto’s werd uitgebreid uitgelegd hoe papier wordt gemaakt. Met woorden als ‘pulp’, die erg tot mijn verbeelding spraken. Ik leerde ook dat het betere papier van katoen werd gemaakt. Interessant allemaal, maar toch had ik zo vaak het gevoel dat de wereld aan de andere kant van die schoolpoort een andere wereld was.

Niet zo erg allemaal, maar dat schoolgevoel is nooit helemaal overgegaan. Met name in de categorie uitdrukkingen en gezegden. De verwarring slaat genadeloos toe, mijn brein begint zich in allerlei bochten te kronkelen, maar het haalt allemaal niets uit. Zodra er iemand iets zegt over hart en riem en hoe zat dat alweer, loopt het fout. Was het nu iemand een hart onder de riem steken, of iemand een riem onder het hart steken? En als ik het al zou kunnen onthouden, wat zou het dan in godsnaam betekenen? Ik probeer mij iemand voor te stellen met een hart en een riem, in de hoop dat ik het dan zou zien, maar geen enkele logica dringt zich op…

Zo heb je ook allerlei dingen met het woord olie erin. De ene keer spreken ze over geen olie op het vuur gooien. Dan denk ik: olie op het vuur, dat zal dan wel sneller branden of zo. Niet goed dus. Geen olie op het vuur is dan waarschijnlijk de zaken niet erger maken dan ze zijn. Maar de andere keer gaat het dan over olie op de golven. Oeps, verloren… Waarom olie? Waarom op de golven? Ik zie beelden van de Amoco Cadiz en zielige meeuwen onder de zwarte smurrie. Maar wat dat met de communautaire betrekkingen in het federale België te maken heeft – in die context willen sommigen af en toe olie op de golven doen blijkbaar – ontgaat me weer volledig. Het ligt ongetwijfeld geheel en al aan mij… Het zal misschien iets met ‘zwaar’ te maken hebben, in de vorm van een soort zwaar tapijt dat je ergens over kunt leggen of zo.

In de afdeling paarden loopt het ook helemaal mis. Maandag hoorde ik nog iemand spreken over een paard een paard noemen. O jee… wat nu? Een kat een kat noemen, dat kan ik gebruiken zonder erbij na te denken. Of er een diepere zin aan is, wil ik zelfs niet weten. Maar een paard? Je hebt natuurlijk nog man en paard noemen. Maar dat is weer hopeloos. Ik probeer het me dan voor te stellen. Stel dat het paard Kevin heet, en de man Ronny. Als ik “Ronny en Kevin” zeg, gebeurt er helemaal niets. Zou dat moeten? Ik weet het niet…

Maar de kronkels doen zich nog bij andere paardmomenten voor. Het paard achter de kar spannen. Zucht! Het was altijd een ramp. Ik zie dan voor mij hoe men zo’n Brabants trekpaard achter die kar zet, en hoe ingewikkeld het is met al die riemen en zo, en hoe dat paard dan tegen die kar zit te wringen. Het gaat duidelijk niet vooruit, en het zou efficiënter kunnen, maar wie bedenkt nu zo’n uitdrukking? Eer ik het door heb, is het kalf al verdronken. Kalf? Waar? Waarin verdronken? Het komt nooit meer goed.

Nog zo eentje. Dat een vroeger Belgisch politicus het altijd had over: “Ik zal u niet verhelen dat…”, ok, een mens heeft recht op enkele afwijkingen. Maar zodra iemand zei dat niets minder waar is, sloeg het helemaal tilt in mijn hoofd. Daar begon dan een soort interplanetaire rekenreeks, met optellen en aftrekken, en staartdelingen, en de negenproef, en negatieve getallen, en nog meer dingen die ik niet begreep. Wat ik ook geprobeerd heb in de voorbije tientallen jaren, het is nooit goed gekomen tussen mij en deze uitdrukking.

Soms kreeg ik ook meteen te concrete beelden bij een uitdrukking. De soep zal wel niet zo heet gegeten worden als ze wordt opgediend. Lap! Weer van hetzelfde. En ik kon alleen maar denken aan mijn grootvader die zijn gebit onder het tafellaken legde voor hij begon te eten. Voor hem moest de soep liefst niet te warm zijn. Maar over de kwaliteit van de soep maakte hij nooit één opmerking. Er was soms wel discussie aan tafel als er in de tomatensoep van die grote witte bonen lagen. In het kader van de verhandelbare bonenrechten werden die meestal verzameld in de soepborden van een zeer klein aantal tafelgenoten. Maar wat die bonen met politieke onderhandelingen over megaproblemen te maken hadden, dat ging er niet zo goed in bij mij.

Soms denk ik dat het gewoon aan mijn hoofd ligt. Niet geschikt voor namen van bloemen en planten. En dus ook niet voor allerlei uitdrukkingen. Er is daar ergens een structurele file. En sinds mijn lagere school loopt de ochtendfile over in de avondfile (iets waar ik trouwens ook heel hard over moet nadenken altijd, maar dat is een andere discussie).

10 december 2006

Mededogen


Een zondagochtend in de trein. Een lijf dat wat traag wakker wordt. Een hoofd waar ergens nog een lichte droefenis ronddoolt. Het landschap ziet er anders uit op een zondag. Waarom weet ik niet.

Ik lees het ontroerende interview met Sigrid Spruyt in de weekendkrant. Het is perfect voor deze dag. Het maakt me stil, ook vanbinnen. Ook bij vorige interviews met haar had ik nadien het gevoel dat ik een klein berichtje wilde sturen naar haar om te zeggen hoezeer ze mij ontroerd had. Ik zou het waarschijnlijk niet durven. Wie ben ik trouwens…

In het interview zegt ze, naast veel andere mooie dingen, dat het tekort aan mededogen de hoofdoorzaak is van alle kwaad in de wereld. Een gebrek aan empathie leidt tot veel ellende. “Maar als je de trieste schoonheid van het leven kunt zien, dan kun je relativeren en mededogen voelen. Dat maakt veel mogelijk.”

Ik heb die laatste zin ondertussen al enkele keren opnieuw gelezen. Woorden lezen anders in een heen- of een terugreis. Waarom weet ik niet.

Het is zo’n mooi woord, mededogen. Het menselijke en het spirituele vinden elkaar in iets wat stil, warm, maar niet passief is. Het klinkt een beetje paradoxaal, maar in mededogen is er iets actiefs. Een bewuste houding of keuze zelfs. Een manier van kijken die ook anders had kunnen zijn. Een vorm van in de wereld staan die je kunt oefenen en verwerven.

Misschien is mijn hoofd toch nog niet rustig genoeg vandaag voor de volle leegte. Veel vragen gaan heen en weer. Ze komen ongevraagd. Antwoorden wil ik vandaag niet.

De oude man met zijn zoon. De zoon heeft een mentale handicap. De vader realiseert zich ineens dat hij niet op deze trein van Mechelen naar Leuven had moeten zitten, maar wel op een trein van Antwerpen naar Hasselt. Zo erg is het blijkbaar niet. Elke zondag gaat hij met zijn zoon met de trein ergens naartoe. Om weg of alleszins in beweging te zijn. Dat de rit een beetje langer duurt, is niet zo erg.

Wat zeg je tegen iemand die weet dat hij misschien niet heel lang meer zal leven? Samen dingen doen is soms ook goed. We hebben samen een blog gebouwd, waarop zijn verhalen nu zullen verschijnen. Ik zou willen dat het plekken kunnen worden om een beetje samen alleen te zijn. Als je zo’n nieuws krijgt, zoek je mensen op waarschijnlijk. En mensen zoeken jou op. Willen dingen doen. In alle vormen van getransformeerde onmacht. Mensen staan naast je, voor je, achter je, en overal waar ze kunnen. En toch is er een stuk van de weg dat eenzaam is. En je kunt het niet uit handen geven. Je ertegen verzetten leidt er enkel toe dat er minder tijd over blijft. Misschien is even alleen zijn tussen je woorden en wachten op een verhaal een andere vorm van eenzaamheid.

Op een grasveldje naast het spoor lopen kinderen te spelen. Chiro-uniformpjes. En de zon die aankondigt straks te gaan dalen. De lucht heeft een speciale geur op dat moment van de dag.

Ik lees het interview opnieuw. “Er zijn maar drie thema’s: liefde, dood en macht.” Een moeilijke zin om over na te denken. Misschien moet ik wachten op een volgende zondag.

Het kleine kind springt uit de trein, loopt dansend naar de trappen. Haar moeder volgt een stukje verder. In de gang onder de sporen loopt het kleine meisje heen en weer. Ze geniet van de snelheid die ze kan geven aan haar lichaam. Sneller dan anderen, sneller aan die kant van deze ruimte. Om zich dan vol trots om te draaien en haar moeder in de ogen te kijken.

09 december 2006

Te korte armen

Ik ben er niet altijd goed in. Soms zijn je armen te kort. Je zou willen dat die handen iets aan de loop van de dingen zouden kunnen veranderen. Of hadden kunnen veranderen. Dat ze de tijd hadden kunnen ombuigen. Zodat al wie je liefhebt net buiten het bereik van de slinger blijft. Ik vraag me soms af of het iets is dat gemakkelijker gaat met het ouder worden, of net niet.

Het beeld zit al enkele weken in mijn hoofd. Hoe ik tegenover haar zit en kijk en luister. Zij zit nu in een stoel met wielen onder. Vroeger was dat niet zo. Nu wel. We hebben altijd een speciaal soort humor gehad. Die zal er wel altijd blijven. We zijn goed in het terug opnemen van een gesprek waar we het loslieten de vorige keer. Ik hoop dat dat eeuwig zo blijft.

Ze rijdt naar de keuken en staat op om koffie te maken. Een beetje wankel. Maar ze staat. En ik zou alleen willen kijken, en heel zachtjes wenen. Het is van een verscheurende schoonheid. Ik weet niet waar mijn armen hadden kunnen zijn of waar ze nu zouden moeten zijn. En misschien geeft het ook allemaal niet. We praten over de koffie. En alle dingen die ik niet kan zeggen, zijn er ook.

Laat de storm altijd de andere kant uitgaan. Laat het wassende water altijd stoppen aan die kant van de lijn. En laat al wat stuk is met één zonnestraal geheeld worden. En als het kan nog meer.

Soms stop ik even de tijd om te kijken naar mensen die voorbij lopen of die voor me zitten. Ik stel me alle mensen voor die met een onzichtbare streng met hen verbonden zijn. En hoe dat moet voelen. Hoe het nog eindeloos meer moet zijn dan wat ik me kan voorstellen. Hoeveel hindernissen je kunt zien die je allemaal eigenhandig uit de weg zou of had willen ruimen. Om hen te beschermen tegen de dingen die zijn. En die er ook zonder jou zouden zijn, al wil je dat misschien niet geloven.

Het is zo veel. Soms kun je het niet anders zeggen dan zo.

Ik denk dat het niet gemakkelijker wordt met het ouder worden. Misschien kun je meer zien. Misschien groeit er een kleine milde troost in het aanvaarden van al wat je zelf niet hebt kunnen afwenden. In alle zijwegen die je nooit meer opnieuw kunt inslaan. In wat geen keuze meer is. En tegelijk lijkt het soms alsof je meer onherbergzaam oerwoud ziet. Misschien was het er de hele tijd al, misschien ook niet.

Maar de koffie was lekker. En dat is ook veel.

07 december 2006

Restless Farewell

Ergens tussen jong en oud. Je zult wel altijd tussen de twee zitten. Ouder dan je jong bent, en soms jonger dan je oud bent. Alleen wie cynisch geworden is, zal dat misschien niet voelen. Stotteren en strompelen in verwondering, en dat koesteren, het lijkt me beter.

Het is soms raar hoezeer veel mensen behoefte hebben aan een label om naar iemand te kijken. Die ander mag alleen maar dat zijn, en kan dus ook alleen maar daarop beoordeeld worden. Zo is het ook altijd gemakkelijker om niet te hoeven zien wat drassig en twijfelend is.

Iets gelijkaardigs viel me altijd op bij de manier waarop velen spreken en denken over Bob Dylan. Hij moest en zou een ‘protestzanger’ zijn, hij moest dus een ‘politieke’ mening hebben, spreken ‘namens’. En velen waren verbaasd dat hij dat etiket weigerde. En nu nog altijd wordt zijn hele carrière door velen teruggebracht tot dingen die hij deed gedurende de eerste twee, drie jaar daarvan.

Een van de dingen die me altijd het meest aangetrokken heeft in Dylan is dat hij in wezen geen politieke kunst maakt. Zogenaamd politieke kunst is meestal trouwens helemaal niet zo interessant als ze alleen maar dat wil zijn.

Als je ook na al die jaren nog eens terug luistert naar The Times They Are A-Changin’, een van de platen van Dylan die het meest een ‘protestsfeer’ uitstraalt, dan kun je de verschillende kanten van de zanger heel mooi zien. De hoes met de vrij harde zwart-witfoto komt je meteen tegemoet. Die past bij de kale setting van de nummers. Die scherpe stem, met die heldere gitaar. De nummers klinken ook zwart-wit, en staan er na al die jaren nog als een huis.

En toch is niets wat het lijkt. Ik hield altijd enorm van het ‘kleine’ liefdeslied One Too Many Mornings. Het is zoals zo vaak bij hem een lied over weggaan, weer op weg naar ergens. Er is het schitterende Boots of Spanish Leather. Het lijkt verankerd in eeuwenoude ballads en is een breekbare uiting van verlangen.

En dan is er natuurlijk Restless Farewell. Om een of andere reden kwam dit lied de voorbije dagen in mijn hoofd opdagen. Het is een nummer dat ik altijd met een beetje ontzag heb gekoesterd. Omdat het zich net op dat snijpunt tussen jong en oud lijkt te bevinden. Tussen de rol die mensen verwachten dat je speelt, en tussen het weggaan. De plaat die zovelen beschouwen als de ultieme ‘politieke’ Dylan eindigt in een milde, melancholische twijfel.

De zanger lijkt op de rand van het weggaan nog even wat te willen zeggen. De wereld was er al voor ik er was. Alle zogenaamde gevechten waren er al, vraag niet van mij dat ik ze voer. Ik ben geen boegbeeld, ik ben alleen maar een zanger die voor zijn vrienden zingt. Ik ben een falend en onvolmaakt wezen.

De melancholische toon van het lied ontroerde me altijd in dit rusteloos vaarwel. En langs die poort kwam het blijkbaar ook mijn hoofd weer binnen. En alsof het zo moest zijn: net nu ontdekte ik een filmpje met een oude opname van Restless Farewell. Het zal nog enkele dagen in mijn hoofd blijven, tot het zelf ook weer weggaat. Mooi toch…

05 december 2006

Hemelklimaat


Een kwestie die dringend meer aandacht verdient in het kader van de klimaatdiscussie heeft betrekking op het hiernamaals. Trouwens, waar die ‘maals’ op slaat, weet ik nog altijd niet zo goed. Misschien gaat het over het eten. Toen ik ooit aan mijn grootmoeder vroeg of ze uitkeek naar de rijstpap met gouden lepeltjes, antwoordde ze me dat ze voor alle zekerheid toch maar in dit aardse dal genoeg rijstpap zou eten.

De hemel dus. En vooral hoe die eruit ziet. Het blijft me bezighouden. Ik vond het als kind al ingewikkeld toen ik op school leerde dat een zonde een zwarte vlek op mijn ziel zou vormen. Als er te veel vlekken op zouden komen, zou ik naar de hel gaan. En bij veel maar niet te veel zou ik dan in het vagevuur komen. Daar zouden dan die vlekken in overtal kunnen verwijderd worden. Nu begrijp ik dat je in dat vagevuur een soort werkstraf krijgt. Waarschijnlijk zijn dat moeilijk verwijderbare vlekken. Zelfs voorweken in de Biotex zal niet volstaan vermoedelijk. We zitten hier meer op het niveau van het verwijderen van graffiti denk ik. En dan is er een of andere opzichter die bepaalt wanneer je proper genoeg bent om verder op te stijgen.

Vervolgens was er de kwestie van de ruimtelijke ordening in de hemel. Ik meende te begrijpen dat de heiligen in een soort tribunes rondom de Allerhoogste zaten. Het niveau van heiligheid zou mee bepalen hoe dicht je bij Hem zou mogen zitten. Maar hoe moest dat dan als die tribune vol was? Want ter plekke nog herschikken, dat kan toch niet? Op de aarde kun je goed of minder goed zijn, je kunt je leven beteren, of je kunt finaal in de fout gaan. Je kon, zo zei men, zelfs aflaten sparen. Ik stelde me dan voor dat ik met een soort spaarkaart aan de hemel zou aankomen. In elk geval, eens je binnen zou zijn, zou je status niet meer kunnen veranderen, want daar was alles eeuwig. Men zou je dus niet kunnen vragen op een andere rij van de tribune te gaan zitten. De rij zou enkel langer kunnen worden. Wat ook weer niet klopte, want op den duur zouden sommigen steeds verder weg zitten van de Vader. (Het bleef maar rondtollen in mijn hoofd…) Ondertussen begrijp ik dat de hemel misschien wel werkt volgens het Second Life-principe. Een virtuele wereld die je permanent kunt uitbreiden, als je maar genoeg geheugencapaciteit toevoegt.

Een volgende ingewikkelde kwestie was die van de herkenbaarheid. De juiste werking van de Dag des Oordeels was voor mij ook een beetje complex. Dat als het ware iedereen in een soort wachtstand zit te wachten, om dan ineens patsboem in die hemel gekatapulteerd te worden. Het was te moeilijk voor mij. Trouwens, als ze daar nog niet waren, hoe konden de doden dan over ons waken, als een soort beschermengel?

De herkenbaarheid dus. Eerst dacht ik dat iedereen dus zo’n half transparante ziel zou zijn, met al dan niet een beetje vlekken op. Maar hoe weet je dan wie wie is? Staat daar ergens een naam op? En kunnen die dan spreken met elkaar? Later zag ik het meer als het aardse lichaam dat toch op een of andere manier rondom die ziel zou hangen. Maar meteen zag ik ook daar allerlei praktische vragen opdoemen. Heb je dan altijd dezelfde kleren aan? En als die uit de mode zijn, wat dan? Of zou iedereen – dat leek me in eerste instantie wel een aantrekkelijke gedachte – daar in haar of zijn blootje rondlopen? Ik kreeg meteen visioenen over wie ik wel eens graag zo zou zien rondlopen. Om me meteen te realiseren dat die prille meisjes dan eigenlijk meteen moesten dood gaan, want anders zou ik ze in de hemel misschien wel alleen kunnen zien als oude gerimpelde vrouwen. Voor hen wilde ik dan wel toestaan dat ze toch oude uit-de-mode kleren zouden dragen, of zoiets.

Even moeilijk was het om in de hemel om te gaan met de veroudering op aarde. Ik stelde me dan voor dat mijn grootvader zou sterven terwijl ik nog klein was. Als ik dan nog lang zou leven, hoe zou hij me dan herkennen als ik in de hemel zou binnenkomen? Het zou dan kunnen dat we in de hemel twee even oude mannen zouden zijn. Hoe het qua gezinsorganisatie in de hemel zou moeten als ik in mijn leven zeg maar drie keer zou trouwen, dat probeerde ik me al helemaal niet voor te stellen.

Maar nu is er een nieuwe belangwekkende kwestie die moet onderzocht worden. Het is algemeen geweten dat de hemel zich ergens boven de atmosfeer bevindt. (Nog eentje om het af te leren: vroeger was ik altijd bang dat er een menselijke raket per ongeluk wel eens tegen de hemel zou kunnen vliegen…) Maar hoe gaat dat dan met de opwarming van de aarde? Die warmte gaat naar boven. En dat kan er dus alleen maar toe leiden dat de vloer van de hemel warmer zal worden. Vroeger hebben we geleerd dat het in de hel écht warm was. Ik realiseer me nu dat ik me nooit heb afgevraagd hoe warm het zou zijn in de hemel. Laten we voorlopig zeggen: warm genoeg voor mooie vrouwen om in hun blootje rond te lopen. Maar wat als die vloerverwarming daar op hol begint te slaan. Dan moet je in de hemel speciale warmtewerende schoenen aan doen. En dat is toch ook geen zicht…

Kortom, weer een reden om dringend iets te doen aan de klimaatverandering.

02 december 2006

Overzetten

Ze is er altijd wel een beetje, en soms nog iets meer. Ze blijft altijd in mijn buurt. Al ziet een ander haar niet. En de voorbije dagen was het dus iets meer.

Als ze nog leefde, zou ze nu 103 jaar oud zijn. Haar verjaardag staat netjes in mijn agenda, naast alle andere levenden.

Soms nodig ik haar uit om even naast me te komen zitten. Dan kijken we lang naar elkaar, en soms ook niet. Alles is goed.

Ik herinner me nog de laatste maanden van haar leven. Hoe ze in het bed lag. Te slapen of te wachten. Misschien was het wel het tweede. Het was genoeg geweest denk ik. Ik kon daar gewoon zo zitten, en kijken naar de lijnen in haar huid. Soms werd ze even wakker, en glimlachte naar mij. We speelden spelletjes. Ik vroeg haar om met haar vingers piano te spelen op mijn vingers. Haar vingers waren dikker dan de mijne. Er was huid op overschot.

Toen ik nog een kind was, gingen we samen, met mijn zus en mijn grootvader erbij, elke week op vrijdag naar de grote supermarkt aan de andere kant van het dorp. Het was een soort expeditie, waar zij de kapitein van was. Heel rustig hield ze het roer in handen. Haar man mocht de zakken dragen. De twee kleinkinderen konden heen en weer lopen. En na de winkel stopten we onderweg nog om een ijsje te eten in het ijssalon. Ik nam een ijsje met de naam café glacé. Wat zij nam, weet ik niet meer zeker. Het enige wat me nu te binnen schiet, is banana split. Al kan dat ook mijn zus geweest zijn.

Welke woorden zouden bij haar passen? Ze was soeverein. Ze straalde iets van gratie uit. Ze was koppig, soms dwars, zonder offensief te zijn. Ik denk soms dat iedereen die haar kende op een of andere manier niet anders kon dan van haar houden.

Eén keer is ze in mijn huis in het verre Leuven geweest. Ze keek rond, en het was goed. Toen ze in het rusthuis lag, maakte ik een boek voor haar met foto’s van dat huis, en de hele wereld die er omheen lag. Zoals waar ik de sandwiches kocht die zij zo lekker vond. Of de druiven waarvan ze de pitjes quasi onschuldig tussen haar bed en de muur liet belanden.

Ze hield van eten. Meer algemeen en specifiek tegelijk kun je het niet omschrijven. Haar zien eten was een genot. De pan waarin ze elke lente de ‘nieuwe patatjes’ bakte. Eigenlijk vond ik die nieuwe patatjes niet zo heel erg lekker. Maar die pan heb ik nu. Bijna elke dag gebruik ik ze wel. Voor ik ze op het vuur zet, streel ik ze altijd even.

Tussen ons en haar huis was een drukke straat. Niet alleen gevaarlijk voor kinderen, maar ook voor grote mensen. Ze had een groot vertrouwen in auto’s die wel zouden stoppen eens ze haar zagen. Er is een moment waarop er een balans omkeert, en vanaf wanneer de jonge mensen de oude mensen helpen bij het oversteken. Overzetten, zo noemden we het. Als was het een brede rivier. Hoe vaak heb ik haar overgezet? Ik weet het niet. En ik wilde altijd meegaan tot aan haar voordeur. Zeker als er sneeuw was. Het voldoende hoog opheffen van haar voeten was niet haar meest geliefde bezigheid.

Even hardnekkig probeerde ze al die jaren om steeds op het puntje van haar stoel aan tafel te zitten. Dat had ze geleerd op het postkantoor waar ze werkte. Elke keer ging ik de stoel verder schuiven. En elke keer keek ze even gespeeld verbaasd onschuldig. Het is een techniek die ik van haar geleerd heb.

Ze was aanwezig in de ruimte. Je kon gewoon naast haar gaan zitten, en dan werd je rustig. Ik toch alleszins.

Ik weet niet hoe het komt, maar ik voel nooit de behoefte om naar haar graf te gaan. Elke dag even naar haar foto kijken doe ik wel. En verder voel ik steeds haar arm in de mijne wanneer ik dat wil.

Ze kent al mijn verhalen. En ze vergeet ze nooit.

Even wandelen, er hoeft zelfs geen overzet bij te zijn, dat zou mooi zijn. En dan vertellen we alle verhalen nog eens opnieuw. En opnieuw. En opnieuw. Dat is genoeg.