01 januari 2011

Nieuwjaarswens 2011

Misschien is het mogelijk, dat je
ergens aankomt, om er te blijven
Je hoeft zelfs geen zwerver
geweest te zijn

Misschien is het mogelijk, dat je je
neerlegt, om de verhalen te horen
Je kijkt om je heen, en ziet
waar de wind geweest is

Misschien is het mogelijk, dat er
nog tijd is voor heling
Je houdt het woord in je handen
zoals de aarde met jou doet

Misschien is het mogelijk, dat je de rivier
weerspiegeld ziet in trage ogen
Je kijkt naar de rimpels, en fluistert iets
dat ooit kan verdwijnen in het landschap


jan

29 december 2010

De poppen



‘Zie je die poppen daar? In de etalage. Ze lijken zo eenzaam. Het zouden mooie vrouwen kunnen zijn, met die speciale feestjurken aan. En nu het donker is, en ze daar zo alleen zitten, lijken ze vooral eenzaam.’
‘Ja, en ze moeten daar nog de hele nacht blijven zitten, als wij al lang weer binnen zijn. Het is toch een beetje triestig. Misschien ook omdat het hier zo’n zijstraat is. Ze kunnen niet kijken naar de poppen aan de andere kant, want er zijn er hier geen aan de andere kant.’
‘Misschien moeten we morgen een van die jurkjes gaan kopen voor jou. Dan kunnen we ook iets zeggen tegen die popmevrouw.’
‘Welke jurk vond je de mooiste?’
‘Toch wel die rode denk ik.’
‘Die vond ik ook heel mooi. Maar ik moet hem nog passen natuurlijk.’
‘Ik weet zeker dat hij jou goed zal staan.’
‘Jij weet dat altijd zeker zoiets, en ik twijfel altijd.’
‘Ik weet het altijd zeker, dat is zo.’
‘Zit je nog te denken aan wat je me vanmiddag vertelde tijdens het eten?’
‘Ja, toch wel. Ik krijg het zo snel niet uit mijn hoofd.’
‘Dat is niet erg, laat het maar gewoon zijn.’
‘Heb jij dat ook soms, dat je wilt schuilen bij iemand? Dat je in die persoon zou willen wegkruipen, misschien zelfs verdwalen. Dat je daar zou willen blijven, voor heel even toch, tot alles weer rustig geworden is.’
‘Ja, natuurlijk. Heeft iedereen dat dan niet?’
‘Misschien wel, ik weet dat zo niet.’
‘Je kunt schuilen, een hele nacht lang. Zou het dan niet beter zijn?’
‘Waarschijnlijk wel. Het is zo raar, hoe je jezelf altijd opnieuw dezelfde dingen wijsmaakt. Dat je de dingen zo kunt maken dat ze veilig zijn, dat ze jou zullen beschermen. Zodat je niet meer op de loop moet gaan. En dan gebeurt er iets heel kleins, schijnbaar onbelangrijk, en je schiet helemaal in paniek, alsof je begint te wankelen.’
‘Zo is dat wel bij jou. Bij mij is het anders, denk ik. Maar bij jou zal dat altijd wel een beetje blijven.’
‘Het is eigenlijk zo normaal allemaal, en toch is het zo moeilijk om erover te praten.’
‘Je doet dat best wel goed hoor, maak je maar geen zorgen.’
‘En kun jij soms ook in mij schuilen?’
‘Natuurlijk, dat weet je toch.’
‘Ja? Dan is het goed.’
‘Je vraagt het telkens opnieuw.’
‘Ik weet het, ik kan het niet laten waarschijnlijk.’
‘Hoe zou het zijn voor die poppen? Zou er wel iemand zijn die af en toe iets in hun oor fluistert?’
‘Bij die linkse pop van de drie duidelijk niet, als je haar gezicht zag.’
‘Die met de rode jurk daarentegen, dat was toch al wat anders.’
‘Ja, dat kun je wel zeggen.’
‘We zijn er bijna. Zal ik nog snel iets lekkers voor je maken?’
‘Wil je dat dan?’
‘Ja, graag eigenlijk. Het lijkt me ook een goede overgang naar de rest van de avond. Ik kan dat niet goed uitleggen, maar ik wil even alleen iets kunnen maken, voor jou.’
‘Zul je dan minder verlegen zijn?’
‘Ja, dat denk ik wel.’
‘Ik vind het niet erg hoor, maar doe maar, het is goed. Ik heb ook wel een beetje honger eigenlijk, dus dat komt goed uit.’
‘Dan doen we het zo.’
‘Straks wil ik die plaat nog eens opzetten die je gisteren gekocht hebt. Wat een wonderlijke muziek.’
‘Goed idee, terwijl ik sta te koken.’
‘Als je dat hoort, die muziek, dan lijkt het toch soms of alles nog wel goed zal komen. Heb jij dat niet? Dat je dan alles kunt vergeten, en dat alleen die stem overblijft.’
‘Ja, soms wel. Soms ook niet, maar soms dus wel. Het is zo’n beetje alsof je een grauw huis ziet, in een donkere of lelijke straat. Je gaat naar binnen. Binnen blijkt het al beter mee te vallen dan je buiten dacht. En je loopt verder door, en via de achterdeur kom je dan ineens in een wonderlijk mooie tuin, waarvan je nooit had vermoed dat die daar kon zijn. Zo klinkt die muziek.’
‘Dat heb je weer mooi gezegd.’
‘Tja, een mens moet toch wat, of niet soms?’
‘Sssjjjt, niet doen.’
‘Het spijt me, het is soms sterker dan mezelf.’
‘Ik weet het.’
‘We zijn er.’
‘Ja, we zijn er.’

26 december 2010

Over het nut van cultuur

Merkwaardige tijden. Bij een aantal maatschappelijke groepen groeit weer de kritiek op het cultuurbeleid, en meer in het bijzonder op het ondersteunen met overheidsgeld van cultuur. Het debat wordt momenteel in Nederland nog scherper gevoerd dan bij ons, maar gelijkaardige echo’s zijn ook hier te horen, zeker in tijden van besparingen. “Waarom zouden we geld geven aan linkse hobby’s of aan initiatieven waar weinig volk naartoe komt?” In die ene zin zit te veel onzin om er in één keer op te reageren. Je zou meteen een tegenvraag kunnen stellen. Een aanzienlijk deel van ons belastinggeld gaat naar het voetbal, direct en indirect. Bekijk maar even de hoeveelheid geld die we blijkbaar bereid waren te investeren in het wereldkampioenschap. Persoonlijk interesseert voetbal mij totaal niet. Moet ik dan mijn geld terugeisen? Moet ik dan vanaf nu voetbal als een rechtse hobby gaan beschouwen? Hopelijk niet toch. Ik ken overigens ontzettend veel mensen die nooit naar het voetbal gaan. Zijn zij dan abnormaal of staatsgevaarlijk of zo? Ik heb er helemaal geen probleem mee dat er geld gaat naar voetbal. Ik zie het maatschappelijk nut in van het hele netwerk van amateurploegjes tot topclubs, en ik vind het heel goed dat zoveel mensen er heel actief mee bezig zijn. Misschien gaan er alles opgeteld per week wel meer mensen naar alle mogelijke cultuurvormen dan naar het voetbal, maar toch wordt nooit de vraag gesteld of het bestaan van elitaire vormen van sport (de topclubs) wel aanvaardbaar is. Terwijl de meeste kunstenaars helemaal niet zo rijk zijn, worden er heel wat minder vragen gesteld bij de vaak exuberante lonen van topvoetballers.

Er zijn best heel wat nuttige en nodige discussies te voeren over cultuurbeleid. Het moet altijd mogelijk zijn om een kritisch debat te voeren over welke cultuuruitingen op welk moment meer of minder steun verdienen. Mensen die in het brede veld van de cultuur werken moeten zichzelf geen goddelijke status geven en alles wat ze zelf doen als onaantastbaar of per definitie ‘onbegrepen’ beschouwen. Het kan heel zinvol zijn ook in de cultuursector aan wat bomen te schudden en gevestigde belangen in vraag te stellen. Dat is allemaal geen probleem, integendeel. Maar in de huidige enge discussie over het (economisch) ‘nut’ van cultuur wordt soms te weinig gesproken over de ‘waarde’ van cultuur, over de redenen waarom cultuur zo onmisbaar is, zo essentieel voor wie we als mens zijn en kunnen worden, en zo onvervangbaar voor een levende gemeenschap. Het is geen toeval dat in dictatoriale regimes of in autoritaire ideologieën vrije en creatieve kunst gewantrouwd wordt. Wie vindt dat kunst vooral dienstbaar moet zijn aan de eigen waanbeelden van de ‘juiste’ gemeenschap of de enige ‘waarheid’ over wie we zijn en moeten zijn, zal uiteindelijk geen probleem hebben met de verbranding van boeken. Wie de verbeelding wil aanpakken, doet in wezen niets anders dan te proberen de gist uit het deeg te halen dat tot het brood zal leiden.

Misschien wordt het tijd dat er meer, door mensen uit de cultuursector en door cultuurliefhebbers, in positieve termen wordt uitgelegd waarom cultuur zo onmisbaar en wezenlijk is. Misschien is dat nuttiger dan enkel te praten over wie wel of niet zoveel subsidies mag krijgen, want daarmee aanvaard je impliciet het (economisch) kader waarbinnen het huidig debat gevoerd wordt.

In de weekendkrant enkele mooie interviews, die het ook hebben over cultuur. In een rondetafelgesprek over cultuur zegt een kunstenares het volgende: “Ja, men moet zich de vraag stellen waarom cultuur essentieel is. Een maatschappij zonder cultuur is als een maatschappij zonder natuur: die is dood. Cultuur is even levensnoodzakelijk als licht, lucht, voedsel, warmte.” Compacter kan het eigenlijk niet gezegd worden. Je hoort het alleen zo weinig.

Als je met die instelling naar cultuur kijkt als was het een ecosysteem, dan wordt het ook gemakkelijker om de populistische kritiek op de zogenaamde ‘elitecultuur’ te weerleggen. De topvoetballer, die de edele kunst van het voetballen tot ongekende hoogten heeft gebracht, en daar alles voor opzij heeft gezet, is ook een rolmodel voor het kleine jongetje of meisje dat elke week naar de voetbaltraining gaat en door weer en wind over het hobbelige (en in hun geval niet-verwarmde) terrein holt. Voor de relatie tussen de topkok en de amateurkok geldt hetzelfde. Het is niet anders in de muziek of het theater. Doordat er topkoren en –orkesten bestaan kun je horen hoe muziek kan klinken, wat ze in zich heeft. Door het feit dat concerten al bij al zeer toegankelijk zijn in ons land, door het feit dat heel wat muziekopnames relatief goedkoop te krijgen of te ontlenen zijn, door het feit dat je op de radio zomaar de hele dag al die wonderlijke muziek kunt horen, kunnen mensen ook gaan dromen, kunnen ze zich verbeelden dat ze zelf ook de cello zouden kunnen bespelen. En ook al worden ze misschien nooit die topmuzikant, het zal hun leven verrijken, ze kunnen op hun manier delen in het wonder. Doordat er mensen zijn die de kans kregen een degelijke muziekopleiding te volgen, zijn er ook ‘doorgeefluiken’. Ze worden misschien dirigent in de lokale fanfare of het kerkkoor, en kunnen zo andere mensen inspireren en onvermoede talenten in zichzelf leren ontdekken.

Het argument dat cultuur er alleen maar is voor hoogopgeleiden of voor de hogere middenklasse is al helemaal onzin, en eigenlijk ook heel gevaarlijk. In een goed cultuurbeleid komen op de podia van bv. een stad alle cultuuruitingen aan bod, van Will Tura tot Rosas. Goede participatie wil niet zeggen dat in elke voorstelling elke bevolkingsgroep procentueel even sterk moet vertegenwoordigd zijn als in de maatschappij. Het wil wel zeggen dat iedereen naar alle cultuuruitingen zou moeten kunnen gaan. Wie zegt dat de opera vooral voor rijken is, en dus minder steun moet krijgen, zegt daarmee impliciet dat opera alleen maar voor rijken zou mogen zijn, dat al wie niet rijk is, niet zou mogen kennismaken of genieten van opera. En dat is pas een perverse redenering. In een goed cultuurbeleid wordt iedereen uitgenodigd om kennis te maken met alle cultuurvormen. En net zoals je moet leren om naar de natuur te kijken, is het niet fout om te leren hoe je moet kijken naar kunst. Cultuur gaat in wezen altijd over het op een bepaalde, soms dwarse, soms verrassende of verstorende manier kijken naar de werkelijkheid, waardoor een heel eigen werkelijkheid ontstaat. Toen Monet zijn eerste impressionistische schilderijen maakte, betekende dat een schok in de geijkte vorm van weergeven van de werkelijkheid. Maar die schok was nuttig en nodig, ze deed ons anders kijken. We kunnen ons nu niet meer voorstellen dat Monet er niet geweest zou zijn. Toen Bob Dylan zijn Like a Rolling Stone uitbracht, sloeg dat nummer in als een bom van rauwe muzikale kracht. Je kunt de hele moderne muziek niet indenken zonder dat ene nummer, ze zou anders geweest zijn. Dylan vatte iets van de werkelijkheid van toen, maakte er zijn eigen werkelijkheid mee, en nog steeds, zoveel jaar later, kan dat lied als een pletwals over je heen gaan. Je zou ook zelf iemand anders zijn als je die muziek nooit gehoord had.

Hoe onmisbaar kunst kan zijn, wordt uitgedrukt in een ander interview in dezelfde weekendkrant. De vrouw van een voormalige premier en bovenal zangeres met een wonderlijke stem in een prachtig koor zegt het zo: “Muziek heeft zin gegeven aan mijn leven, heeft me verzoend met de weemoed van het menselijk tekort dat er altijd is.” Ook dat kan nauwelijks mooier worden samengevat. Of het nu muziek is, of literatuur, of theater, of film, of dans, of beeldende kunst, of welke vorm dan ook, het kan je leven veranderen, ten diepste. En als je voor jezelf zo enkele momenten zou nagaan, dan zou je het ook snel beseffen.

Ik herinner me onder meer nog perfect waar en hoe ik voor het eerst Van Morrison zijn And the Healing Has Begun hoorde zingen. Het was alsof er in mijn hoofd een luik open ging naar een wereld die ik nog niet kende, maar waarvan ik meteen voelde dat ik die niet meer kon missen. Ik moet alleen maar even mijn ogen sluiten om te voelen hoe verpletterd en tegelijk innerlijk vredig ik elke keer weer ben als de eerste noten van het slotkoor van de Matthaüs-Passion van Bach weerklinken. Ik zou me niet kunnen voorstellen dat ik nooit die eerste noten van de Goldbergvariaties zou gehoord hebben. Ik weet nog exact waar ik was toen ik voor het eerst de muziek van Arvo Pärt hoorde, en elk beeld van toen zal altijd bij me blijven. Ik herinner me nog hoe desolaat ik me voelde na het lezen van Disgrace van Coetzee, en even goed herinner ik me de tranen bij de film Paris Texas.

Al die dingen zijn er, en ze kunnen je leven ongelooflijk veel rijker maken. Ze kunnen je verzoenen met het leven, met de zinloosheid en de leegte van elke dag. Omdat er door de eeuwen zo oneindig veel kunstenaars geweest zijn die als het ware de wetten van de zwaartekracht van de tijd hebben uitgedaagd, en dingen hebben gemaakt die de vergankelijkheid overstegen, kunnen wij steeds opnieuw ook de kluisters van tijd en ruimte overstijgen en deel worden aan een andere werkelijkheid.

Kunst moet niet ‘dienstbaar’ zijn, cultuur moet niet weggezogen of gesaneerd worden tot grijze middenmoot, en het moet al evenmin ‘onschadelijk’ gemaakt worden. Overheidssteun op zich kan nooit goede cultuur garanderen. Er zijn altijd mensen voor nodig die de moed hebben om in hun verwondering te duiken, en bereid zijn daarvoor veel op het spel te zetten. Alles van waarde is weerloos. Een kwetsbaar natuurgebied verdient het beschermd te worden. Het mag evenwel nooit geïsoleerd worden, het moet verbonden worden met een ruim netwerk van natuurelementen. En ook als er weinig mensen zijn die poëzie lezen blijft het nodig dat die poëzie verschijnt en beschikbaar blijft. Een mooi gedicht is uit zichzelf al een daad van verzet.

De wereld zou er anders uit zien als niet, eeuwen geleden, een toneelschrijver zijn tragische prins de volgende woorden had laten uitspreken: “The rest is silence.” We hebben die woorden sindsdien gekoesterd, en telkens opnieuw uitgesproken. Daardoor hebben telkens nieuwe generaties via de tragiek en de schoonheid op het toneel de tragiek in zichzelf ontdekt en de troost die van de schoonheid uitgaat. Als we dat niet hadden gedaan, zou er inderdaad alleen maar stilte overblijven…

25 december 2010

Kersfees


Een vroege ochtend. Stapje voor stapje door de stad. De beelden van een week vergezellen je. Er zijn nog andere mensen onderweg. Iemand probeert te fietsen. Een ander valt lelijk.

Enkele dagen voor. Je loopt door de tunnel. Er staat een man te spelen en te zingen. Wat hij zingt, hoor je nog niet meteen. Maar hij doet het met geweldig veel overtuiging. Zijn accordeon gaat heen en weer. Naarmate je dichterbij komt, besef je dat dit zowat de slechtste versie van Jingle Bells moet zijn die je ooit hoorde. Even denk je nog dat de merkwaardige progressie van akkoorden een vorm van gevorderde free jazz is, maar na een tijdje sluit je niet uit dat de muzikant gewoon niet kan spelen. Wat natuurlijk ook een gave kan zijn.

De geluiden onder je voet. Het knisperende van de sneeuw. Het doffe brekende van brokken half bevroren stukken sneeuw. Het licht verwarrende van een open voetpad. En het lichtjes onheilspellende van ijslagen die lijken te breken, ergens diep vanbinnen, met elke stap.

Net voor je de hoek omdraait naar je werk loopt een vrouw je voorbij. Een andere dag zou ze je misschien een beetje grijzig lijken. Maar nu niet. Ze heeft zo’n rode kerstmanmuts op. Met ook nog flikkerende lichtjes erop. En nog een muziekje. (Wie weet is het ook wel Jingle Bells.) Je denkt nog even: dat leek me geen type om met zo’n muts rond te lopen. Daarna kijk je naar de andere mensen die je voorbij lopen, om te zien of iemand van hen dan wel een type is om met zo’n ding de straat op te gaan. Het zal wel aan jezelf liggen. Misschien is je pret-gen te weinig ontwikkeld.

Na twee keer van trein te moeten veranderen kom je toch uiteindelijk aan, nog op tijd om je volgende trein te halen, en nog net op tijd om je bus te halen. Veel andere mensen lijken over een grotere spontane sociale cohesie en aangeboren joligheid te beschikken dan jijzelf. In trosjes kwamen ze op de trein. Kindjes, papa’s en mama’s en opa’s en oma’s, samengeklit. Allemaal op weg naar de Samson-kerstshow, zo blijkt. Misschien is je Samson-gen ook te weinig ontwikkeld.

Waarom er op de dagen voor het kerstfeest zoveel gruwelijk kleffe kerstfilms moeten uitgezonden worden op de televisie, het ontgaat je toch een beetje. Ook dat gen is ongetwijfeld onherstelbaar beschadigd, of nooit tot volle wasdom gekomen. Gewoon een romantische film op tijd en stond, met een dekentje, en lekker snotteren, dat moet kunnen. Maar al die kerstfilms, dat is qua erover toch wel een beetje erover.

De bus zoeft door het landschap. Nog sneller dan anders, zo lijkt het wel. Het landschap lijkt zelfs af en toe onschuldig.

Je wordt ’s nachts wakker van het gebrom van een auto die vruchteloos probeert het straatje naast je huis uit te rijden. Je ziet hoe enkele mensen op alle mogelijke manieren duwen, maar het ding gaat niet vooruit. Alles wordt alleen maar gladder. In het donker hoef je je lichte binnenpret niet helemaal te verbergen. Dat grote ding daarbuiten, die belofte van controle over de elementen, gaat geen centimeter vooruit.

Weer op de terugweg. Er stappen opnieuw trosjes mensen op de trein. Met draagtasjes met daarop: Ik was erbij. Bij de Samson-kerstshow dus.

Je verlangt er al dagen van tevoren naar. Naar dat moment waarop je tegen jezelf kunt zeggen dat de vakantie begint. Wat ben je blij dat je nergens naartoe moet. Niet naar een luchthaven, niet naar een bestemming waar je jezelf zou moeten onderdompelen in hevig feestgedruis, niet naar opgewekte pret. De grote leegte, daar verlang je naar. Het stille niets, waar je alleen jezelf zult tegenkomen, en waar niemand je op dat moment zal zien.

Het landschap buiten is donker en stil. Het schuift voorbij. Sommige huizen beschouwen zichzelf als een wedstrijd in lampjes blijkbaar. Waarom maakt het je zo droevig? Misschien wil je wel hier en daar wat licht zien. Zien hoe mensen binnen rond de tafel zitten. Maar niet dat spektakel. Je maakt je klaar voor de weg terug door de stad. Stapje voor stapje.

22 december 2010

Grrr

De hele dag al een combinatie van ingehouden woede en het wegpinken van tranen. Een bericht gekregen dat ik geen schuldsaldoverzekering kan krijgen, “om medische redenen”. Met andere woorden: omdat ik elf jaar geleden kanker had. Ook al ben ik ondertussen vijf jaar al ‘statistisch genezen’, en heeft men mij verzekerd dat de kanker van toen niet meer terug kan komen. Nog volgens de statistieken heb ik veel meer kans om op straat door een auto doodgereden te worden dan dat ik zou hervallen in die kanker van toen. Ik kan natuurlijk opnieuw kanker krijgen, op een andere plek of zo, maar dat geldt voor iedereen. En door de strikte controles – waar ik trouwens zelf om gevraagd heb – ben ik waarschijnlijk beter beschermd tegen mogelijke kankers die nog zouden kunnen komen. De preventieve screening zorgt ervoor dat die dingen tijdig zullen gezien worden, wat me dus statistisch ook al tot een kleiner risicogeval maakt dan een groot deel van de bevolking.

Eerst en vooral moet ik natuurlijk erg bescheiden zijn. Het gaat hier over een klein leed, vergeleken met anderen. Al die vrienden en anderen die de ziekte niet overleefden, zij kunnen zich zelfs niet meer druk maken over een verzekering die ze niet krijgen. Of die ex-kankerpatiënten die gewoon geen lening kunnen krijgen, wat bij mij wel lukte. Of al die mensen die nog elke dag vechten tegen die kloteziekte, of proberen ervan te herstellen. Al die dingen zijn veel en veel erger. En voor mij is het belangrijkste dat ik nog leef, dat ik gezond ben, dat ik nog kan werken en in een mooi huis kan wonen, en omringd ben door zoveel geweldige mensen. Al de rest is bijzaak, zonder meer. En toch…

En toch doet het veel pijn. Het is alsof die verzekeringsmaatschappij met die korte brief, met zakelijke formulering, zegt: jij zult altijd toen zijn, voor de rest van je leven. En dat doet pijn, en voelt zo onrechtvaardig. Iemand anders die roekeloos leeft, maar nooit die ziekte had, kan zonder al te veel problemen een verzekering krijgen, hoewel die persoon objectief gezien misschien wel veel grotere risico’s loopt dan ik. Het cynische is dat ik beter gecontroleerd word.

Je krijgt zo’n ziekte, het overkomt je, en je doet wat je kunt doen, met vallen en opstaan, met soms veel energie en levenskracht en soms veel falen en vertwijfeling. Je beseft pas als het ergste voorbij is wat je overkomen is. En ook al heb je ongelooflijk veel geluk gehad, en probeer je de zaken wat te minimaliseren, anderen zeggen je dat je toch ontsnapt bent aan de dood, en ze hebben gelijk. En langzaam maar zeker groei je verder weg van die ziekte, of van het moment waarop je ziek was. Je doet alles wat je kunt om goed voor jezelf te zorgen, om verantwoordelijk te leven. Je doet het ook uit dankbaarheid. Er zijn dokters en vrienden en familie die jou bij het leven hebben gehouden. En er zijn dierbaren die op alle moeilijke momenten bij je waren. Om een of andere reden is het leven bij jou gebleven, iets wat anderen nooit gegund werd. Waarom dat zo is, begrijp je nog steeds niet. En je voelt je nederig en dankbaar, en je beseft nog beter hoe belangrijk al die wonderlijke mensen zijn die je leven bevolken. Je zou aan al die mensen willen zeggen: kijk eens hoe zorgzaam ik omga met dit leven dat ik terug heb gekregen, dat er zonder jullie niet meer zou zijn. Je wilt nooit vergeten wat er toen gebeurde. En in die zin is die kanker van toen nooit ‘voorbij’, het is gewoon een deel geworden van wie je bent. Maar in een ander opzicht wil je kunnen zeggen: ik leef nu. Ik leef nu, met al mijn littekens, met de deuken die de ziekte bij me aanrichtte, maar ik leef, en ik leef nu. Ik wil gezien worden als iemand van nu, en ik wil de kans krijgen om nu en morgen verder te leven, nog bewuster van de breekbaarheid van het leven dan wanneer ik nooit ziek was geweest. Het heeft jaren geduurd eer je weer plannen voor de toekomst durfde maken. Het heeft jaren geduurd eer je besefte dat je wel van dag tot dag leeft, maar tegelijk ook keuzes kunt maken alsof je ook nog oud zult gaan worden. En na al die jaren lukken die dingen, en begin je je in je hoofd voor te stellen hoe het zou kunnen zijn: echt oud worden. Als iemand je zegt dat je zeker oud zult worden, ga je haar of hem niet meer tegenspreken. Het is alsof je eindelijk ergens aangekomen bent. En dan krijg je een brief die zegt: jij zult altijd toen zijn.

Hoe meer genezen kan ik zijn dan ik nu ben, vraag ik me al de hele dag af. Wat zou ik nog meer moeten doen om door de oordelende instanties als voldoende geheeld beschouwd te worden? Het wordt nog erger, als je dan hoort hoe er door verzekeringsmensen gekeken wordt naar de dingen die je doet. Nadat ik als (statistisch) genezen werd beschouwd, heb ik er zelf om gevraagd om zeker jaarlijkse controles te houden, hoewel het in principe ook om de twee jaar mocht sinds toen. Ik heb er dus zelf voor gekozen om alles te doen om alle mogelijke risico’s te vermijden. In een verzekeringslogica, zo kon ik vernemen, zou in mijn geval zo’n jaarlijkse screening zelfs al kunnen geïnterpreteerd worden als: ‘als je er zelf voor kiest om een jaarlijkse controle te krijgen, dan wil dat zeggen dat je zelf nog niet gelooft dat je al genezen bent’. Dan valt een mens van zijn stoel… Met mijn ongetwijfeld beperkte intellectuele vermogens komt het mij voor dat ik statistisch veel minder risico loop dan andere mensen, en toch is de boodschap die mij gegeven wordt dat ik een te groot risico ben. Ik ben al de hele dag al die andere mensen aan het bekijken, en ik begrijp het nog altijd niet.

Het voordeel van dit miezerige en mistige weer is ongetwijfeld dat je tranen niet al te zeer opvallen voor de anderen.

19 december 2010

Onder de huid


‘Ik stel voor dat we gewoon hier blijven, binnen, en alleen kijken naar buiten.’
‘Zo? Kan niemand ons zien dan hier?’
‘Nee hoor, maak je maar geen zorgen. Het is goed.’
‘Waar denk je aan? Je lijkt een beetje droevig.’
‘Als je de sneeuw zo ziet vallen, en ziet hoe zoveel lijnen uit het landschap verdwijnen, hoe alles wordt afgedekt, dan maakt me dat een beetje melancholisch. Stel dat je dat met jezelf ook zou kunnen.’
‘Wat?’
‘Stel dat je al je ballast, alles wat je was maar niet wilde zijn, zo gewoon zou kunnen laten ondersneeuwen. Stel dat je alleen maar het witte, zachte en naakte beeld zou zijn van dat landschap. Helemaal in het nu, en alleen maar in het nu. Verlang jij daar nooit naar?’
‘Oei, nu vraag je me wat. Misschien heb ik er nog nooit in die termen over nagedacht, misschien durfde ik er gewoon niet over nadenken. Maar het is wel een mooie gedachte, al is ze ook een beetje moeilijk.’
‘Maar als je naar de sneeuw kijkt, dan lijkt het alsof het mogelijk zou kunnen zijn. Voor de sneeuw kwam, zag je alles, ook alles wat lelijk was. Je zag ook de schuld van het landschap. Littekens zijn misschien niet zo erg. Maar het teveel zag je ook. En nu is dat allemaal weg.’
‘Alsof er een nieuwe huid is overgelegd.’
‘Ja, zo is het.’
‘Zou je dan zelf niet bang zijn? Om zo leeg als het ware helemaal in het nu te zijn?’
‘Bang? Nee, ik denk het niet, toch niet als het voor even is. Zo lang de sneeuw blijft liggen. Ik zou gewoon willen weten hoe het voelt.’
‘Maar zou je dan wel weten wie ik ben?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Misschien ken je mij alleen maar, en zijn we hier alleen maar om wat er voor de sneeuw was. Misschien zouden we elkaar helemaal niet meer herkennen als we alleen sneeuw waren.’
‘Denk je? Ik denk dat het heel erg zou meevallen. Misschien zou het wel nog gemakkelijker zijn, zonder de tijd van toen, alleen met de tijd van nu.’
‘Ik weet het toch niet zo goed. Als het zo zou zijn, zou het geweldig zijn.’
‘Misschien maak ik me helemaal geen zorgen om jou, ik zal meteen zien wie je bent. Ik wil misschien gewoon vrijer zijn van mezelf.’
‘Maar het zou toch ook kunnen dat ik dat niet wil. Het zou toch kunnen dat ik de gehavende versie van jou wil. Als ik naar je kijk, zie ik hoe de tijd je ogen heeft veranderd. Je kunt zien wat er met je gebeurd is. Ze hebben veel gezien. Ik denk dat ik alleen maar door die ogen wil bekeken worden.’
‘Is dat zo?’
‘Ja, dat is zo. Wat dacht je dan?’
‘Misschien loop ik soms te veel tegen mezelf op. Ik zorg ervoor dat jij dat niet te vaak ziet. Soms is het als een zware loden jas, die ik zou willen kunnen afleggen. Als je naar buiten kijkt, dan zie je de sneeuw, maar je weet toch dat er iets onder de sneeuw is, iets dat niet weggaat. Ik wil het landschap niet ontkennen, ik wil me alleen even voelen alsof de sneeuw mijn buitenkant is.’
‘Ik denk dat je je te veel zorgen maakt.’
‘Ja?’
‘Ja. Het is eigenlijk niet zo heel moeilijk om bij jou de sneeuw te zien, ook als er buiten geen sneeuw is. Je ziet het alleen zelf niet.’
‘Dat is mooi.’
‘Wat me verder wel aantrekt in dat beeld, is dat je je eraan over moet geven. Eerst wil je het niet, dan denk je aan alles wat je nog zou moeten doen, alle plaatsen waar je nog zou moeten zijn, alles wat je je had voorgenomen. Maar na een tijdje is het alsof je een geschenk krijgt. Je beseft dat je even goed gewoon binnen kunt blijven. De sneeuw houdt alles en iedereen voor je tegen. Alles blijft daar, zodat je alleen maar hier hoeft te zijn.’
‘En hier zijn we nu, de enige plek waar ik zou willen zijn nu.’
‘Ja?’
‘Ja. Het zal wel raar klinken, maar ik voel me op een aangename manier moe.’
‘Is dat zo?’
‘Het is alsof het nu gemakkelijker uit me vloeit, het is veiliger.’
‘Dan is het goed.’
‘Zou het nog lang blijven sneeuwen?’
‘Ik weet het niet. En ik wil het ook niet weten. Ik wil niets weten nu.’

18 december 2010

Vanille

Toch maar niet de fiets op. Toch maar alles te voet. De stad doorkruisen met een lang boodschappenlijstje.

Tijdens het concert. Wat zijn er veel zangers. Ze staan opgesteld in twee bijna hemelse blokken, hoog boven het orkest. Het is mooi, hoe ze daar staan. Zo jong nog. Je ziet de lichamen die ze zullen worden. Ooit heeft de muziek hen aangeraakt, anders zouden ze hier nu niet zijn. Wat zijn er veel oude mensen in de zaal. Je legt jezelf uit dat je dus netjes in het midden zit, tussen het andere publiek, en de koorleden.

Je stapt dapper door de stad. Je repeteert al preventief de dingen die je straks zult gaan koken. In je hoofd dan. Want er moet nu nog uitgekeken worden naar gladde plekken.

Je staat te wachten op de trein die je het weekend in zal rijden. Het was misschien wel een goede dag, je hebt veel gedaan. Het lijkt even alsof er rook hangt boven de sporen. Zou dat kunnen? Er lijkt niets te gebeuren, niemand lijkt iets anders te doen dan anders. Je gaat toch wat dichter bij de trap staan wachten, stel je vast. Je bent blij als de trein vertrekt.

Het lijstje wordt afgewerkt. De spullen worden ingeladen. In rug- en andere zakken. Tijd om weer te vertrekken.

Het is nog heel stil op de straat, zo vroeg, terwijl je de sneeuw van het voetpad haalt. De sneeuw is nog zacht, en laat zich gewillig verwijderen. Er zijn nog geen voetstappen. Het is alsof de stilte je iets toefluistert. Je zult het alleszins niet verder vertellen.

Je krijgt een berichtje. Dat je een flesje vanille vergat in de winkel. Inderdaad. Je gaat verder door de stad, en zult straks ook nog het flesje ophalen.

Zou het waar zijn dat je rug voelt dat het gaat sneeuwen?

Het flesje is opgehaald. Het moet toch wel een belangrijke rol spelen straks, denk je nog.

De solist op het podium ziet eruit alsof hij geboren is in dat pak met die slip (hoe heet zo’n ding nu ook weer?). Hij heeft zijn blik na jarenlange training gezandstraald. De rimpels en de ernst zitten perfect gebeiteld. Zou hij zo ook zijn bed in stappen?

Alle spullen zijn uitgeladen. De voorbereidende afwas om het terrein te effenen. Je kijkt voor de zeventiende keer in het kookboek. Je begint aan de taart.

4 billen, 1 gratis. Dat staat er op het bord op de markt. Allerlei beelden gaan door je hoofd, en dat al om half acht ’s morgens.

De taart komt uit de oven. Je had het kunnen weten. Om een of andere kosmische reden lijken kaastaarten nooit helemaal te lukken. Het ziet er alleszins helemaal niet uit zoals het er volgens de foto uit zou moeten zien. Je bent gedoemd, ongetwijfeld. Hopelijk smaakt het nog ergens naar.

Ze missen je daar, zegt iemand. Sinds je daar weg bent, is die struik in de tuin niet meer gesnoeid. Hij is ondertussen zo groot dat ze de deur bijna niet meer open krijgen. Ze praten erover dat jij dat altijd deed. Terwijl ze erover praten, hadden ze het even goed ook even zelf kunnen doen, denk je nog.

Er is iets, denk je. Maar wat. Ineens weet je het. Het flesje vanille. Waar had je dat eigenlijk voor nodig? In de taart natuurlijk. (Een vloek weerklinkt door het huis.) Het komt niet meer goed met het universum. Alleszins niet met jou, daarover kan consensus bestaan.