31 oktober 2009

Sonja


Of ze me enkele vragen mocht stellen. Ze keek me al een beetje ijsbeerachtig aan, of beter: iets met zeehondjes. Ik dacht er nog even aan om me strategisch te verwijderen, verwijzend naar een of andere dringende afspraak die ik had. Maar ik had geen afspraak, en dringend was er niets, want ik had helemaal niets te doen. Ik verwachtte me aan indringend marktonderzoek over senseotoestellen die ik toch nooit zal hebben, maar er was meer sprake van menselijke nood. En die vragen, dat viel nog mee. Het was meer een verhaal eigenlijk.

Sonja, zo heette ze. Of ik haar een knuffel wilde geven. Ik zei haar nog dat het gisteren knuffeldag was. Dat wist ze wel, maar ze was te verlegen om op knuffeldag een knuffel te gaan vragen. Om het met zichzelf goed te maken had ze zich voorgenomen om vandaag in het kader van de zelfoverwinning een dappere daad te stellen. Ze zou wachten tot ze een man van middelbare leeftijd voorbij zou zien komen, een man die er vooral ongevaarlijk en een beetje braafjes uit zag. Liefst zonder baard, al waren kleine weekendstoppels wel toegelaten. Iemand zoals ik dus. Ze had een mooie stem, en keek me zo bijna licht wanhopig aan dat ik het knuffelverzoek niet kon weigeren. Nog een keer, dat vroeg ze. En dus deden we het nog een keer.

Of we een koffietje konden gaan drinken. Aangezien ik niets te doen had, en we nu toch al geknuffeld hadden, was er niets wat het drinken van koffie tegen zou kunnen houden. Ze vertelde me dat ze jarenlang op de parfumafdeling van de Inno had gewerkt. Die walmruimte waar je steeds doorheen moet spurten om nog enigszins ademend bij de roltrap te raken. Het ging niet meer. In het begin leek het haar nog mee te vallen. Er waren natuurlijk lekkere geurtjes. Er waren de gulzige ogen, vol wandelend verlangen. Maar toch. Na een tijdje wil een mens wel eens een diepzinnig gesprek voeren. Ze had aan Angèle, de collega van het merk naast haar, al uitgelegd dat die nieuwe kerstplaat van Bob Dylan helemaal niet zo slecht was als sommigen – die er natuurlijk niets van af weten – beweerden. Maar Angèle kon alleen praten over de Kevin, de man van het magazijn die ze niet kon krijgen. Ze was dan maar tegen Brigitte, van aan kassa 4, begonnen over de nieuwste ontwikkelingen in de snaartheorie. Maar die was zo uitgeput door haar panische angst om de Mexicaanse griep op te lopen, waardoor ze al nachten niet meer sliep, en nu bij het allerminste begon te snotteren, dat dit gesprek tot een totale meltdown leidde.

Geen diepzinnige gesprekken dus tussen de parfums. Eigenlijk had ze liever bij de mannenparfums gestaan, maar die afdeling werd op militaire wijze bewaakt door Véronique. Véronique was ondertussen al aan haar zevende makeover toe en stond op het punt om uit zichzelf te barsten, zo weinig huid was er nog over. Een aantal sukkels van mannen werd nog wel een beetje week in de benen van haar voor haar uitlopend siliconenwerk. Maar ook dat werd minder. Je zag wel elke dag verdwaalde mannen, die vooral een goed gesprek wilden, maar die durfden zich niet te wagen in de vrouwenparfumafdeling.

Ze was het dus afgestapt in de Inno. Gisteren. En dit was de eerste dag van haar nieuwe leven. En daar hoorde dus wel een knuffel bij. En een kopje koffie. Volgende week zou ze zich gaan inschrijven voor een opleiding tot kleurconsulente. En ze zou ook aan een boek beginnen. Met praktische tips om jezelf nog mooier te maken. Telkens doorweven met cultuurhistorische verhalen en filosofische beschouwingen. En ook wetenschappelijke weetjes. Zo zou ze uitleggen hoe het komt dat dat kleine beetje kant, strategisch aangebracht zodat het net zichtbaar is in de decolleté van een vrouw, zo aantrekkelijk is. Simpele mannen als ik kunnen dat natuurlijk vaststellen, waardoor hun verstandelijke vermogens even nog verder verminderd worden, maar er blijkt dus een hele kantwetenschap te bestaan.

Of ik nog tips had voor haar boek, wilde ze weten. Ik stelde voor om toch iets te doen aan die lange nagels van zoveel vrouwen. Dat is namelijk een echte afknapper. Dat steekt zo ver uit en schrikt geweldig af. Ze keek me met haar ontwapenende blik lang en diep aan. Eindelijk, zei ze, eindelijk is er nog iemand die zich even erg stoort als ik aan al die stomme lange nagels. Die zijn trouwens ook niet knuffelvast, en tevens niet aangewezen bij het fijnere massagewerk van allerlei gevoelige lichaamsdelen.

We hebben daar nog enkele uren gezeten. In het volle besef dat een diepmenselijk gesprek, onder meer over mooie boeken, toch vervullender is dan tussen enkele miljoenen mensen te moeten aanschuiven op de boekenbeurs. Ze gaf me ook nog enkele tips voor de sokken die ik eigenlijk nog moest gaan kopen in de Inno. Ze vertelde me nog enkele geheimen over André en Peter, haar twee minnaars. En toen vertrok ze. Na een laatste knuffel. En zo werd het toch weer een mooie dag.

29 oktober 2009

Onder

‘Hoe weet je nu waar we zijn?’
‘Ik weet waar we naartoe gaan. Hoor je dan niets?’
‘Nee, ik denk het niet.’
‘Luister dan eens goed. Hoor je het niet?’
‘Water, ik hoor water.’
‘Ja, er is een rivier daar, en daar gaan we naartoe.’
‘Heb je dan nooit een kaart bij of zo?’
‘Nee, nooit als ik naar het bos ga. Thuis kijk ik vooraf soms even om te zien hoe het er ongeveer uit ziet. Maar als ik er ben, voel ik al snel waar ik naartoe wil.’
‘En loop je dan nooit verloren?’
‘Nee, dat kan niet. Er is altijd wel iets te zien.’
‘Ik zou het niet kunnen, denk ik. Toch niet alleen. Maar als jij erbij bent, is alles goed. Het is alsof ik je helemaal vertrouw.’
‘Dat is wel lief. Maar ik moet toegeven dat het gemakkelijker is als jij erbij bent. Het is gemakkelijker om alleen te zijn hier als jij erbij bent. Ik weet dat het raar klinkt, maar zo is het.’
‘Ik begrijp het wel, denk ik. Volgens mij lijken we toch een beetje op elkaar. In alles wat we niet zeggen.’
‘Het is zo mooi dat je het nooit raar vindt wat ik je allemaal vertel. Als ik je vertel over mijn dromen, over de dingen die ik soms zie in mijn huis, over wat er soms door mijn hoofd gaat, dan luister je gewoon, alsof je dat elke dag hoort.’
‘Het is van jou, en dan is het goed. Ik ken je toch goed genoeg.’
‘Kijk, we zijn er. Wat vind je ervan? De kleuren zijn zo bijzonder. En hoe het licht beweegt, het is alsof het water iets wil zeggen.’
‘Wat doe je nu?’
‘Ik ga het water in. Kom je niet mee?’
‘Nee, nog even niet. Ik wil gewoon nog wat kijken, van hier, aan de rand van het water.’
‘Het water is zacht. En als je het water in je handen neemt, is het alsof je het licht meeneemt.’
‘Kijk daar, op die brede steen, als je daar gaat liggen, zul je net op een aantal plekken een beetje boven het water uitkomen. En de rest blijft onder.’
‘Je hebt gelijk. Het voelt goed om hier te liggen. Alles beweegt rondom jou. Je voelt het water, maar ook de zon, en dat klein beetje wind. Kom je er niet bij?’
‘Ik blijf nog even hier. Ik ben nog een beetje onder de indruk. Je beweegt en ligt daar alsof het allemaal zo normaal is, alsof je helemaal in je element bent. Je lijkt ervoor gemaakt, je hoort bij het water daar en bij de zon. Ik zou iets moeten oversteken. Alsof ik een rivier zou moeten oversteken om in die rivier te kunnen zijn, gewoon als mezelf.’
‘Misschien moet je gewoon komen, en niet nadenken.’
‘Het is goed, ik kom.’
‘Weet je, ik ben niet altijd zo. Vaak ben ik bang voor de dingen, al zullen de meeste mensen dat nooit aan me zien. Als jij er bent, is het alsof ik anders adem.’
‘Het is inderdaad heel speciaal om hier te liggen. Je voelt het water onder en naast je, en soms een beetje over je, maar meestal niet.’
‘Je zegt vaak dat je verlegen bent, maar dat is toch niet zo? Zo veel hebben we toch nog niet samen gedaan?’
‘Nee, dat klopt wel, maar het is een beetje zoals jij me zei toen we voor het eerst echt afspraken. Het is alsof we elkaar al lang daarvoor kenden. Toen je dat zei, had ik het beeld van een rivier, die door je heen stroomde. En bij mij was het ook zo. Het was alsof dat water er altijd al was geweest, maar nu ineens zichtbaar werd. En daarnet kwam dat beeld ineens weer terug, toen ik je hier zag liggen.’
‘Het is raar dat je dat zegt, maar dat beeld van die rivier duikt soms in mijn dromen op.’
‘Als je hier lang genoeg blijft liggen, kan misschien alle ballast uit je weg vloeien. Het water gaat door je huid, en neemt alles mee.’
‘Ja, dat zou mooi zijn. En vanaf straks moet je dan niets meer zeggen dat niet helemaal klopt of dat je niet echt zo voelt. Je kunt dan heel vaak zwijgen. En als er toch iets moet gezegd worden, komen alleen de goede woorden. Weinig woorden, maar wel goede woorden. En de ander, die gehoord heeft wat je zegt, antwoordt ook alleen maar met de juiste woorden. Spaarzaam, maar in een frequentie die je buik doet trillen.’
‘En je moet niet meer bang zijn dat er iets of iemand weggaat. Alles wat je ziet, en wat goed is, blijft. Je ziet het wel veranderen, maar het blijft.’
‘Ik zie het helemaal voor me. Als het moet, kun je even je rug draaien, zodat je alleen kunt zijn, lang genoeg. Heb je daar geen schrik van, dat ik toch vaak alleen moet zijn?’
‘Nee, helemaal niet. Het is voor mij hetzelfde. Ik moet de woorden kunnen laten zakken in mezelf, zoals zandkorrels in een glas water. En dat vraagt de tijd die nodig is.’
‘Zullen we weer vertrekken zo?’
‘Nog even. Laten we nog even blijven hier.’
‘Ja, nog even.’

25 oktober 2009

Waar je zou kunnen wonen


Je kijkt naar je handen, en je ziet een duim die niet de jouwe is. Ooit hoorde die duim bij een andere hand. Je keek ernaar, en vroeg je af waar die beweging vandaan kwam. Alsof de rust in dat lichaam niet voldoende was. Iets moest bewegen. Een duim dus. Een kleine mantra. En nu is hij hier. Hij heeft zich niet aangekondigd, vroeg niet of er een plaats was voor hem. Hij heeft gewoon zijn plek in jouw landschap ingenomen.

De trein beweegt door een ruimte. Als je traag ademt lijkt het alsof die beweging zichzelf opheft. Alsof iets alleen maar is. Wat het moet zijn.

Ergens is er een overgang naar bekend terrein. Je kijkt naar de woorden die zich in je verzamelen. Hoe het steeds weer gebeurt. Er moet iets samengebracht worden, verbonden als het kan. Het is sterker. Het komt ergens vandaan, en je weet het. Anderen kunnen verhalen schrijven die slecht aflopen. Ze kunnen zich zo ver de woestijn in wagen. En je ziet het allemaal gebeuren. Misschien is het wel niet zo heel erg.

De geuren veranderen. Soms duurt het even voor het gebeurt. En je weer op vertrouwd terrein komt.

Soms weet je niet of je de juiste deur bent binnengegaan. Zou het ooit veranderen?

Het andere huis komt dichterbij, elke dag een beetje. Iets lijkt niet te mogen, zo klinkt het soms. Het verwart, maar dat zal wel gezond zijn.

Soms wil je je adem laten samenvloeien met een andere adem. Voelen hoe het op en neer gaat. Misschien hoort die bij een ander, misschien is het een grotere adem die je zoekt. Het maakt niet zo uit. Het is de beweging die je zoekt, een ritme waar je deel van zou worden.

Soms kun je weten hoe het zou zijn. Om de woorden traag op te rapen en te schikken. Tot ze zijn waar ze moeten zijn. En het gedicht dat zich dan zou onthullen voor jou. Als zijde die de huid verlaat. Het ligt niet in je bereik, maar je weet hoe het zou zijn als je thuis zou komen.

En soms neemt het verlangen naar de zee het van je over. Het verlangen om gevuld te worden. En tegelijk te verdwijnen.

’s Nachts in het donker de trap op lopen. Zo dat er enkel iets vloeiends over blijft. Elke spier moet gebruikt worden. Schrikken van het licht en het spiegelbeeld. Snel terug het donker opzoeken. Rondkijken in de donkere kamer, die daardoor minder donker wordt. Tot de adem zich verzoent met de ruimte, en het tijd is om je over te geven. Soms is er geen verzoening. Dan kun je alleen hopen dat aan de andere kant van de nacht de dingen elkaar terug zullen vinden. Er is altijd een volgende nacht om het opnieuw te proberen.

De littekens houden je bij de tijd. Het landschap is gehavend. Wat niet meer onbeschadigd is, is niet meer onschuldig. En daar is het veiliger.

Je kijkt naar wie je lief is. Ze zijn er allemaal, daar in je hoofd. En je kijkt naar hen in de wereld daarbuiten. En je hoort de woorden, en hun adem. Alles wat tekortschiet, en de troost van herkenning die het teweegbrengt. Thuiskomen verrast elke keer weer. Het is goed om in hen te zijn.

Je kunt wonen in rust en verontwaardiging, in vertedering en passie, in inzicht en in honger om te weten, in kijken en in overgave aan de woorden, en in al die andere kamers. Maar de deuren moeten openblijven ’s nachts. En soms mag het licht aan in de gang.

24 oktober 2009

Foto's

Er moeten foto’s gemaakt worden. Na eerder de tekst van het interview zijn nu de foto’s aan de beurt. Dat ik eigenlijk liever aan de andere kant van de camera sta, denk ik. Foto’s op het perron, met treinen rondom mij. Foto’s in de trein. Dat ik mijn best moet doen om mooi te zijn, denk ik nog even, het galmt ergens in mijn hoofd. Dat het wel niet echt te redden zal zijn, denk ik, gezien mijn beperkte staat van uitgeslapenheid, en al het andere. Dat het in dat geval toch niets meer uitmaakt, zo gaat de dialoog verder, in mijn hoofd. Gewoon jezelf overgeven, volledig in het nu, dan maar. Zenuwachtig ben ik eigenlijk niet, een beetje verlegen wel. De fotograaf is erg aangenaam, hij lijkt zich te amuseren. Dat ik een natuurtalent ben, hoor ik hem zeggen. Zoals steeds even de neiging om achterom te kijken, er zal wel iemand anders bedoeld zijn, maar er staat niemand achter mij. En het is niet omdat ik vanbinnen glimlach dat het vanbuiten ook te zien is. Zou dat eigenlijk iets uithalen? Dat men maar naar mijn ogen moet kijken, of zo. Misschien zijn er wel varianten van gelaat in mij, en heel misschien zijn ze wel waarneembaar. Het is een mooie treinreis, met een interessante babbel. Over mooie mensen in en om de trein. Hoe ze staan, hoe ze kijken, hoe ze bewegen, en hoe ze bekeken kunnen worden. In het apparaat in zijn handen zijn er beelden van mij, zo valt te veronderstellen. Hij stapt een station eerder uit, en neemt mij met zich mee, een beetje toch.

De woorden huizen in je lichaam. Zou het met de foto’s ook zo zijn? Of huizen die in een ander lichaam? De woorden kun je voelen, je kunt ze aanraken, als je voorzichtig genoeg bent. Ze moeten zich enkel even verbinden met de verhalen, die er ook al waren. Maar de foto’s. Ze kunnen in je zijn, de foto’s van anderen. Je kunt tussen de dingen lopen en de foto’s zien. Je kunt naar een ander kijken, en de foto zien die haar zou kunnen verbeelden. Je kunt alle foto’s zien die wachten om bevrijd te worden. Maar de foto die iets over jou zou kunnen zeggen, die huist niet in jou.

Mijn grootmoeder staat rustig en soeverein als altijd in de tuin. Er moeten foto’s gemaakt worden. Ze laat zich gewillig fotograferen. Zij heeft meer aanleg om natuurtalent te zijn, denk ik nu, zoveel jaar na die foto. De foto is altijd wel ergens in mijn buurt. Waar ze me aan kan kijken. Een moment heel wat jaren na die foto. Ze ligt in haar kamer in dat gebouw waar ze haar laatste maanden zal zijn. Half slapend, half wakker. Ze lijkt soms te wachten tot het leven haar zal verlaten. Ik kijk naar de varianten in haar gelaat, zij heeft ze wel. De ene na de andere foto komt naar me toe. Het zullen de laatste foto’s worden die van haar gemaakt zijn.

Een jongen fietst door het landschap. Op zoek naar foto’s. De weg lijkt een soort dreef, met die grote bomen aan beide kanten. Gezien van op deze brug over de kleine rivier die bij het dorp hoort. Een beetje verder zal de rivier de watermolen bereiken. Van die molen is al lang niets meer te zien. Alleen verval is er nog. De foto wordt gemaakt van de weg, de bomen en het licht. De vader is niet tevreden over de foto. Ze is verkeerd belicht. Of alleszins niet goed genoeg. Maar hij probeert ze te redden in de donkere kamer. De foto wordt mee ingestuurd voor een wedstrijd, die uiteindelijk tot een prijs zal leiden. En zoveel jaar later. Een vader en een zoon fietsen over dezelfde weg. Ze fietsen door de foto. De watermolen is opnieuw opgebouwd. De raderen draaien. Alles wordt getoond. De watermolen is er nog.

De grootvader ziet de foto die van hem gemaakt is, daar op die plek in de keuken. Hij weet nog niet dat het de laatste foto zal zijn die van hem gemaakt is. Hij schrikt van zichzelf op de foto, wil ze niet zien. Wat heeft hij gezien? Hij heeft zijn arm om zijn kleindochter geslagen en kijkt diep de camera in. Zou de foto het zelf weten wat hier gebeurt?

Hoe lang zou je iemand moeten fotograferen om er te komen, daar waar je zou willen zijn? Hoe vaak zou je moeten proberen? Ik denk niet dat het fototoestel je ziel weg neemt. Het voegt er iets aan toe, als je lang genoeg wacht en vaak genoeg probeert. Er komt een ziel bij, die alleen in die foto kan wonen, maar toch bij je gaat horen.

Er zijn foto’s die zouden kunnen blijven. Zou er iemand zijn die ooit naar die foto’s zal kijken als ik er niet meer ben? En wat zou zij of hij dan zien? Zou het te weten zijn, te vermoeden zijn? En is het enkel die ander, die toegevoegde ik, die men zal zien? Zal alleen die ander, versteend in de tijd, maar levend in het beeld, overblijven? En waar in een lichaam zullen die beelden blijven? Zouden ze zich tussen de woorden begeven?

20 oktober 2009

The Humbling


“He’d lost his magic. The impulse was spent. He’d never failed in the theater, everything he had done had been strong and successful, and then the terrible thing happened: he couldn’t act. Going onstage became agony. Instead of the certainty that he was going to be wonderful, he knew he was going to fail. It happened three times in a row, and by the last time nobody was interested, nobody came. He couldn’t get over to the audience. His talent was dead.” Dat is de eerste paragraaf van het nieuwe boek van Philip Roth, The Humbling (verschijnt binnenkort in het Nederlands als De vernedering). Met deze laconieke opening is meteen de toon gezet voor andermaal een aangrijpend en meedogenloos verhaal waarin een ouder wordende man in het duister tast. Het is een thema dat ook in andere boeken van de Amerikaanse auteur voorkomt. Met de ouderdom komt er hier geen wijsheid, inzicht of verzoening. Er zijn geen ontwapenende onhandige klunzen aan het werk met wie je minzaam zou kunnen glimlachen. Er is geen breed ademende tragiek die je kan beroeren. Er is geen genade in dit universum.

Het boek, meer een novelle dan een roman, bestaat uit drie delen. Het zouden drie bedrijven van een toneelstuk kunnen zijn. Er te veel over vertellen zou niet goed zijn. De combinatie van het naakte verhaal en die heel eigen stijl van Roth maken het effect uit van dit boek. Als lezer kijk je door de ogen van het mannelijke hoofdpersonage naar wat op het toneel gebeurt. Ontdaan van alle franjes. Het is precies die focus die ook het noodlot uitmaakt dat over het boek hangt. Dat noodlot hangt niet ergens buiten de personages in de lucht. Het zit in de kijk van de man die centraal staat in het boek, een kijk die misschien ook niet anders had kunnen zijn.

Het verhaal gaat over Simon Axler, een beroemde acteur, die ineens niet meer in staat is om te spelen. Het ontsnapt hem gewoon. Hij is niet meer in staat om een stuk of een rol echt te maken, voor het publiek en voor zichzelf. Hij ziet zichzelf ineens als de keizer zonder kleren. Zijn vrouw, die al genoeg te doen heeft met zichzelf en haar zoon die moeilijk in het leven staat, kan de implosie van haar man er niet meer bij nemen en verlaat hem. Hij laat zich tijdelijk opnemen in een psychiatrische kliniek wanneer hij de gedachte aan zelfdoding dichterbij voelt komen, maar dat levert niets op. Zijn agent probeert hem te overtuigen om terug naar het theater te komen, maar ook dat leidt tot niets. Axler is er ten diepste van overtuigd dat alles over is en dat hij het niet meer kan. Er is geen speciale verklaring of aanleiding aan te wijzen, geen toestand die zou kunnen opgeheven of hersteld worden. Het is in zijn ogen gewoon wat het is. Als lezer kijk je mee met wat in wezen een onaangename en zelfingenomen man is. Je merkt ook hoe je hem zelf zou willen tegenspreken, zou willen aanzetten om zichzelf weer op te rapen en door te gaan. Het leidt allemaal tot niets.

In het tweede deel van het boek zorgt een vrouw voor een ommekeer. Verlangen, lust en jaloezie nemen het over. Misschien wil Axler zijn leeftijd vergeten, of transformeren. Misschien wil hij zijn leven kneden tot een fictie hij zelf kan geloven. Het toneelstuk dat hij voor zichzelf opvoert zou genoeg kunnen zijn. In het derde deel neemt de werkelijkheid het over, maar die laat zich niet regisseren. Het duister wordt verkend, in de hoop de dag vast te kunnen houden. Woorden uit bekende toneelstukken worden gezocht in de hoop dat ze sleutels kunnen zijn tot de echte werkelijkheid. Een doek valt.

Mensen worden niet wijzer of gewoon minder dom met het ouder worden, dat lijkt de auteur te willen zeggen in dit boek. Ze krijgen geen inzichten die hen kunnen beschermen tegen wat er fout kan gaan. Er groeit geen deemoed die tot nederigheid zou kunnen aanzetten. Als ze op het toneel staan, en ze geloven wat ze daar staan te doen, dan lijkt het alsof alles op zijn plaats staat. Dan staan ze in het volle licht van de spot. Van waar ze staan, kunnen ze niemand zien in het duister van de zaal. En als de spot uitgaat, of het stuk ineens niet meer ‘echt’ is, is er niets meer. En wat er dan gebeurt, wordt een onvermijdelijke vernedering.

18 oktober 2009

De paden


‘Je vroeg me onlangs nog wat ik graag wilde doen. Je zei dat ik het nooit zeg, dat ik nooit duidelijk ben. Je had gelijk. Ik wacht soms te lang. Maar, dit is wat ik graag met je wilde doen. Hier zijn, voor een paar dagen, en hier nu door het landschap gaan.’
‘Is het niet te zwaar voor jou, met je been?’
‘Nee, het gaat wel. Na al die jaren ben ik eraan gewend. Het vraagt meer kracht om dat been elke keer mee te krijgen. Met mijn goede been is het alsof dat mij meetrekt. Met het andere is het omgekeerd. Zo word ik nooit te voortvarend, denk ik dan maar. Maar het doet goed, te voelen hoe ik vooruit blijf gaan, ook al ben ik dan een ingedeukt exemplaar.’
‘Gelukkig is er niets mis met je handen. Die zijn nog altijd erg goed.’
‘Je was zo stil vanmorgen?’
‘Ik was al heel vroeg wakker. Jij lag nog diep te slapen. En het was goed. Ik zag hoe het licht werd, heel langzaam. Het was veilig. En jij merkte niet hoe ik lag te wenen.’
‘Waarom heb je me niet wakker gemaakt dan?’
‘Dat wou ik niet. Op zo’n moment is het goed dat niemand me kan zien, dat ik niemand moet zijn voor iemand. Het is deze tijd van het jaar. Dan moet ik altijd aan haar denken, mijn kleine meisje. Ze wilde zoveel, maar haar bloed dacht er anders over. Ze was rustig op het einde, het was alsof ze vooral om mij bezorgd was.’
‘Je zorgt goed voor haar. Ze is altijd ergens in de buurt van jou, dat voel ik. Ze is nooit weg.’
‘Het is mooi, hoe je dat zegt.’
‘Soms lijkt het alsof je bang bent haar te verliezen als je te veel zou ontspannen. Ik weet niet of ik het goed uitleg, maar zo lijkt het. Ik zag je rug gisteren, voor en na. Er was veel tijd nodig om alles zacht en warm te krijgen.’
‘Het is waar wat je zegt. En toch verlang ik er zo naar, om te voelen hoe ik helemaal weg kan zinken. Als een ballon gevuld met water, waar je een klein gaatje in prikt, en die dan langzaam leeg loopt.’
‘Ik heb alle tijd, en weglopen kan ik toch niet.’
‘Ben je soms niet kwaad op je lichaam? Omdat het je in de steek laat.’
‘Het officiële antwoord is dat ik me met alles verzoend heb. En als ik helemaal correct wil zijn, zal ik zeggen dat ik mijn eigen leven nog meer in handen heb genomen dan vroeger. Maar, eerlijk gezegd, het antwoord is ja. Het overvalt me wel eens.’
‘Misschien klinkt het dom, maar op een bepaalde manier zou ik je niet meer anders willen dan hoe je nu bent.’
‘Normaal zou ik nu zeggen dat dat zeker is omdat ik nu alleen maar kan blijven. Maar dan zou je zeggen dat ik niet steeds de moeilijke dingen mag weglachen. Ik denk dat ik ondertussen niet meer van mezelf weg wil lopen. Op oneven dagen kan ik wel eens kwaad worden, maar op de even dagen lijkt het wel eens alsof wat ik in de spiegel zie nog niet zo slecht is. Het is alleszins een spiegelbeeld met karakter, met al die rimpels en littekens.’
‘Je moest eens weten.’
‘En jij? Ben jij nooit kwaad?’
‘Ja, ik ben kwaad op mijn machteloosheid. Als ik terugdenk aan toen, dan heb ik waarschijnlijk alles gedaan wat ik kon, alles wat in mijn handen lag. En toch zal het altijd te weinig lijken. Maar goed, dat zal wel nooit helemaal helen. Misschien moet ik gewoon af en toe heel lang gekoesterd worden, tot ik helemaal warm ben vanbinnen. Of zoiets, het klinkt bijna alsof ik zelf een klein meisje ben.’
‘Verbaast het jou ook niet hoezeer een deel van je gevoelens, als je ze echt en onverbloemd zou verwoorden, eigenlijk die van een kleine jongen of meisje zijn?’
‘Ja, dat denk ik ook wel eens. Misschien is het niet zo erg als je dat weet, je hoeft het verder niet hardop te zeggen.’
‘Nee, daar doen we niet aan.’
‘Soms, als ik naast je zit, dan is het alsof er zo’n grote rust van je uitgaat. Alsof de dingen stoppen bij jou. Alles wat daar in die woeste wereld in beweging is, alles wat rondtolt, soms is het alsof dat allemaal kan stoppen bij jou.’
‘Als dat waar was, dan zou het heel mooi zijn. Misschien is het wel een mooi doel in het leven.’
‘Misschien heb je er al wel een deel van bereikt. Zou je dat niet gewoon kunnen geloven? Gewoon aanvaarden dat je toch al iets hebt bereikt van wat je voor jezelf wilde.’
‘Ik zal het proberen. Als ik naar jou kijk, dan zie ik vaak die drang. Ik kan het niet anders verwoorden dan zo. Het is iets in je ogen, en eigenlijk ook in je hele lichaam. Er is zoveel dat je wilt, op zo’n moment. En je lijkt klaar om desnoods door de muur te lopen. Op andere momenten kan het ook weg zijn, maar ik weet dat het altijd weer terug zal komen. Daar kijk ik graag naar bij jou.’
‘Zullen we daar bovenaan de heuvel even gaan zitten?’
‘Misschien is het wel tijd voor een middagdutje.’
‘Dat zal wel, alsof je daar nu ineens wel zin in zou hebben?’
‘Ik moet toch ooit mijn leven beteren, of niet soms?’
‘Het is al goed onnozelaar.’

17 oktober 2009

De meeuw



Hoe beweeg je tussen enerzijds het noodlot van de geschiedenis, dat mensen uit elkaar drijft en versplintert, en anderzijds het noodlot van de liefde, dat mensen naar elkaar drijft? Daarover zou het kunnen gaan in De meeuw, het pas gepubliceerde boek van de Hongaarse schrijver Sándor Márai, dat dateert uit 1943. Zijn boeken hebben vaak iets ‘theatraals’, in de letterlijke zin van het woord. Je neemt bij wijze van spreken een kamer in een oud statig huis, in een burgerlijk milieu. Er is geen ruimte voor beschrijvingen van landschappen of grote turbulenties daarbuiten, het is hier, in deze afgesloten ruimte dat het drama zich voltrekt. Enkele personages worden met een vergrootglas bekeken. Achter het statige uiterlijke beeld verbergen zich immense emoties, ingedikte tijd en pijn, en die worden op het toneel opgevoerd. Als toeschouwer zit je mee opgesloten in dezelfde ruimte, vaak nog eens omhuld door een zwarte nacht. Je wordt doorheen het gebeuren geleid door een prachtige en dwingende taal, die in haar statige pracht bijna een personage op zichzelf is.

De Meeuw speelt zich af in een dreigende oorlogssfeer. De oorlog hangt als een loodzware schaduw over het land. Elk moment kan het land betrokken worden bij de oorlog, een onontkoombaar noodlot. De Europese burgerlijke cultuur, met al haar waarden en omgangsvormen zal daarmee mee ten onder gaan. Een hoge ambtenaar werkt aan een tekst die waarschijnlijk de volgende stap in deze onvermijdelijke keten van gebeurtenissen zal bevestigen. De woorden, nu nog in de besloten ruimte van zijn kantoor, zullen de wereld daarbuiten, van al die mensen die de normaliteit proberen op te houden, definitief veranderen. De man, 45 jaar, lijkt met deze handelingen ook zijn jonge jaren definitief te begraven. Aan de andere kant van de oorlog zal hij een oude man zijn. Op een bepaalde manier lijkt hij te verlangen naar de lege kleurloosheid van een oud leven, dat zichzelf zonder al te veel opzienbarende gebeurtenissen kan blijven herhalen. Maar je voelt tussen de regels een knagende pijn, een verlies dat hem verlamt, waarna hij enkel de rest van de tijd lijdzaam zal kunnen uitzitten. Als een belangrijke schakel in het overheidsapparaat zal hij plichtsgetrouw die woorden na elkaar zetten die nodig zijn om te doen wat moet gebeuren, maar daarmee lijken ook zijn maatschappelijke verwachtingen te verglijden.

En dan komt een jonge Finse vrouw op het toneel. Ze komt zijn kantoor binnen en vraagt hulp voor het verkrijgen van de papieren waardoor ze zich in het land zal kunnen vestigen. Nadat ze al op verschillende plaatsen in Europa woonde, wil ze nu hier blijven. Als hij haar ziet, slaat bij de ambtenaar de bliksem in. De vrouw lijkt sprekend op een vrouw die hij vroeger kende, de grote liefde van zijn leven, die om redenen die hij nooit helemaal begreep een einde aan haar leven maakte. Hij weet niet of die vrouw zijn geliefde is die is teruggekeerd uit de dood, in het echt of in zijn verbeelding. De vrouw lijkt zich alleszins niet bewust van die ‘andere’ die ze zou zijn. Tegelijk is er iets vreemds aan de hand. De vrouw lijkt zich opvallend goed te kunnen bedienen van verschillende Europese talen. Moet de man haar ‘verdacht’ vinden, in deze turbulente tijden? Het verlangen om haar beter te leren kennen drijft hem echter de andere richting uit. Hij nodigt haar uit om die avond mee naar de opera te gaan, dé plaats waar het ‘gewone’ leven tot de laatste snik zal worden opgevoerd, ondanks de oorlogsdreiging. Terwijl hij haar op straat begeleidt, zien ze de meeuwen, die een vrijheid en tederheid lijken te belichamen waar ze allebei onuitgesproken naar verlangen.

Na die avond gaan ze samen een nachtelijk gesprek in. De verhalen over het leven van de andere vrouw en van de jonge Finse worden langzaam onthuld. De spiegels zijn overal. De man en de vrouw beginnen aan een lange dialoog. De man blijkt er steeds meer van overtuigd dat de ontmoeting met die vrouw past in een hoger plan, waarin alles en iedereen een plaats en een bedoeling hebben. De vrouw lijkt daar eerst niet in mee te gaan, maar gaat stilaan ook geloven en toegeven dat er meer aan de hand is. Maar zodra ze op het terrein van deze voorbestemde liefde is gekomen, lijkt ze knel te raken tussen twee werelden, twee logica’s.

Misschien is het verhaal van De Meeuw op zich niet zo spectaculair, de beklemmende atmosfeer is het des te meer. De man die zijn wereld rondom zich onherroepelijk ziet verbrokkelen en tegelijk ook zijn eigen leven naar de uitgang begeleidt, klampt zich verbijsterd en bijna wanhopig vast aan een noodlottige ontmoeting met een vrouw. Misschien is de omschrijving van het grotere plan waarin hij een rol zou spelen een soort rationalisering van het verpletterende besef dat hij en die vrouw samen horen, en alleen samen kunnen zijn. De aangekondigde liefde die in die ontmoeting besloten ligt, lijkt de enige uitweg uit de donkere schaduw die over de wereld is gekomen, een uitweg die hem ook zijn leven waarvan hij al afscheid genomen had terug zou kunnen geven. De infernale logica van de wereld daarbuiten staat tegenover de zuivere logica van de liefde, die in al haar kracht even dwingend is als die andere. Eens de vrouw in die helende logica binnentreedt, moet ze een rol opgeven, wat tot verlies kan leiden, van zichzelf of van de realisatie van die zuivere liefde.

Wat er zindert en naar beweging verlangt onder het oppervlak van de burgerlijke normaliteit, en hoe je dat tot dwingende literatuur kunt maken, dat maakt de boeken van Sándor Márai zo bijzonder. In hun gesloten kamer kunnen de personages zich enkel van de woorden bedienen om hun grote emoties op te voeren. Ze zijn toeschouwers van zichzelf en zien hoe het lot zich voltrekt. Aangeraakt wordt er weinig. Als lezer word je meegezogen in die kamer, waar je van op de eerste rij kijkt naar verlangen en machteloosheid. En enkel de prachtige woorden lichten op in het duister.