30 juli 2019

Memories of the Future

Elk verhaal raakt een ander verhaal, wordt een ander verhaal. Je herinnert je je eigen verhaal (of je denkt dat je dat doet), je maakt je eigen verhaal, je bent je eigen verhaal. Misschien herformuleer je jezelf in de tijd, telkens opnieuw. Je bent het verhaal dat je over jezelf vertelt. En in die identiteit ben je misschien meer onvatbaar en gefragmenteerd dan je zelf zou willen. Een roman die je niet de illusie geeft dat je rechtlijnig en relatief eenduidig een persoon zou kunnen beschrijven die op zich ook relatief omschrijfbaar en aflijnbaar is zal zelf meervoudig en meerlagig zijn. Dat klinkt misschien allemaal nogal abstract en hoogdravend maar in de schitterende sprankelende roman Memories of the Future (vertaald als: Herinneringen aan de toekomst) van de Amerikaanse schrijfster Siri Hustvedt gebeurt het allemaal. In een interview omschreef zij de vorm van dit boek als een soort origami, en dat is eigenlijk wel een interessant beeld.

In zekere zin zou je kunnen zeggen dat dit boek bestaat uit drie boeken (ook te onderscheiden in lettertype. De persoon die het woord neemt, een schrijfster, SH, waarvan je vermoedt dat die enigszins lijkt op Siri Hustvedt, ontdekt bij het opruimen van het appartement van haar moeder een notitieboekje van haar jongere zelf. De schrijfster is ondertussen over de zestig, maar komt via dat schriftje terug terecht in de periode eind van de jaren zeventig. Toen kwam ze als jong meisje uit Minnesota aan in New York. Ze had het aanbod om een jaar later aan de universiteit te beginnen, maar wou eerst nog een jaar zichzelf als artiest ontdekken, voelen of ze een boek kon schrijven en de grote wereld leren kennen. Het derde boek is de aanzet van wat die eerste roman zou gaan worden.

Misschien heb je in het nu veel herinneringen blijkbaar niet meer aan wie je was toen, of kun je je alleszins niet meer verplaatsen naar hoe je toen in het nu was, met de kennis die je toen had, het lichaam dat je toen had. Het lezen van je dagboeknotities van toen haalt jezelf – bijna als een soort andere persoon – naar je toe. Vanuit het standpunt van het nu kun je reflecteren over de werking van het geheugen, de manier hoe je in de loop van je leven tijd ervaart, hoe je dingen herinnert in je hoofd of in je hele lichaam. Die verschillende teksten reageren op elkaar, bewegen zelf. Zo zie je dat die eerste roman in wording zichzelf een beetje vastrijdt en dat het gewicht van de beleving van die jonge vrouw verschuift naar het dagboek.

De jonge vrouw gaat wonen in een klein appartementje. Het is er allemaal een beetje krottig, maar ze voelt zich vrij. Met een groepje gelijkgestemde creatieve zielen verkent ze de grootstad. De hoofdpersonages uit haar boek – een soort experiment dat verwijst naar Sherlock Holmes (SH) – vinden hun weg niet in hun eigen verhaal. Het mannelijke hoofdpersonage wordt overvleugeld door het vrouwelijke personage. Het verhaal in dat boek lijkt zijn eigen noodzakelijkheid niet te vinden. In het echte leven is de jonge vrouw veel meer bezig met de stem van haar buurvrouw. Door de dunne muur hoort ze die buurvrouw in eindeloze tirades bezig. Ze luistert, met een stethoscoop, en probeert de woorden te noteren. Ze hoort een tragisch en mysterieus verhaal waar ze geen greep op krijgt. Wat is waarheid, wat is fictie? Wat is ‘normaal’, wat is min of meer verstoord?

De jonge SH heeft een heel akelige ervaring met een brutale zelfingenomen kerel die haar bijna verkracht. Dat element werkt als een soort catharsis in het boek. Ze maakt kennis met de wereld waarin haar buurvrouw beweegt. Ze gaat naar zichzelf kijken, observeert hoe het trauma werkt in haar lichaam. Ze zoekt naar sporen die haar maakten tot de ‘wachtende’ vrouw die onbewust niet gewapend bleek tegen allerlei vormen van zelfgenoegzame neerbuigende mannelijkheid.

Door de wisselwerking tussen de teksten komen zo thema’s naar boven drijven. De wijze waarop de woorden, de stemmen, de werkelijkheid, de intelligentie, de lichamelijkheid van vrouwen op allerlei manieren wordt gezien als minderwaardig of gevaarlijk of vloeiend wordt zichtbaar. Dat gebeurt niet op een pamflettaire of eendimensionale manier. Je voelt het als lezer in de tekst hoe de woede toeneemt. Je construeert de bewustwording mee. Wat eerst vanzelfsprekend leek, is dat na een tijd niet meer. (Het ene verhaal is een ander verhaal geworden.) Cruciale momenten worden daarbij erg pakkend beschreven. De sluipende onveiligheid en agressie van de aanranding, de vervreemdende vaststelling dat je lichaam bevriest en zijn eigen overlevingsstrategie zoekt schijnbaar los van je redelijke hoofd, die dingen ervaar je heel lichamelijk. De manier waarop SH op een later moment tijdens een etentje een arrogante en pedante man op een vlijmscherpe manier afmaakt met Wittgenstein als een soort filosofische mitrailleur is dan weer hilarisch.

Het boek beweegt tussen genres en registers en perspectieven. Dat wat je zou verwachten als een ‘roman’ vloeit over in filosofische en culturele reflecties die dicht bij een essay komen of bij beschouwingen over de werking van het geheugen. De codes die horen bij wat een dagboek is of wat memoires zouden zijn worden ook in vraag gesteld. Je kunt niet na de feiten ellenlange mono- of dialogen letterlijk reproduceren in een dagboek of in een herinnering. (Wat we voorstellen als een ‘realistisch verslag’ of een ongefilterde weergave is in zekere zin ook een vorm van fictie.) Soms is het de schrijfster SH die spreekt in het nu. Een aantal biografische elementen van de echte Siri Hustvedt lijken overeen te komen met hoe de schrijfster zichzelf omschrijft, maar sommige ook weer niet. Soms hoor je een vertelster, die rechtstreeks de lezer aanspreekt, en zo ook de codes in beeld brengt van hoe literaire verhalende teksten werken. De focus verandert ook constant, soms nauwelijks merkbaar. Van nu naar toen, van ik naar zij. De schrijfster en de vertelster die naar het personage kijken. De personages uit de roman in de roman beginnen mee te spreken in de innerlijke dialoog van de jonge en de oudere SH. Al die dingen gebeuren op een heel subtiele en soms heel speelse manier. Het lijkt alsof de verschillende teksten in het begin van het boek meer gescheiden naast elkaar staan en dat ze naar het einde van het boek meer in elkaar overlopen, naarmate je ook de pulserende kracht van de toenemende kwaadheid voelt.

Siri Hustvedt heeft een immense intellectuele bagage die ze op een sprankelende manier verweeft met zinderend tekstplezier. Als lezer moet je wel elke pagina goed bij de les blijven. In de manier waarop al die kennis verwerkt wordt voel je niet zozeer de drang tot etaleren maar wel iets van een statement dat uit de hele compositie spreekt: een overwinning op allerlei mannelijke strategieën om de vrouwelijke stem te smoren. De grote kracht van Siri Hustvedt is dat ze dat alles doet in een roman die niet zwaar of instrumenteel aanvoelt maar integendeel zorgt voor een permanent leesplezier, bewegend tussen ernstig en diepgaand en vaak ook heel erg grappig. Het is alsof je in zowat elke paragraaf het spel van allerlei tekens en signalen kunt voelen. De vorm van het boek, met de verschillende tekstsoorten, komt helemaal niet geforceerd maar integendeel organisch en in zekere zin ‘echter’ over. Het stukje gekleurd origamipapier krijgt door het vouwen langzaam maar zeker een eigen vorm. Memories of the Future is een heel bijzonder boek.

28 juli 2019

Het druppelmeisje

Op weg naar een moment van aanwezig zijn voor iemand die afwezig is.

Hij is ook aanwezig. Hij zou 33 geworden zijn vandaag.

Toen je zijn moeder leerde kennen, was hij nog een klein jongetje. Zo zie je hem nog in je hoofd.

Het is een tweede verjaardag in afwezigheid ondertussen.

(Misschien ben je proactief al een beetje verlegen. Je hebt alleen jezelf bij, het lijkt zo weinig.)

De trein. (Boekmoment.) De bus. (Kijkmoment. Een merkwaardig verward landschap onderweg.)

En regen.

Je bent, zoals altijd, veel te vroeg daar.

Het is stil op dat grote terrein. Daar liggen de graven, hier zijn de strooiweides.

(Zijn foto staat er nog.)

Op het aangrenzende stuk staat een man. Hij voert een uitgebreid gesprek met een aanwezige afwezige.

Je wilt dat gesprek niet onderbreken. Je staat, beweegt zo weinig mogelijk.

In de dreef net achter je lijkt het harder te regenen.

(Je weet niet goed waar de doden zijn. Het is alsof je onbewust iets zoekt in de ruimte, om ze dichterbij te halen.)

(Die ene zin in dat ene gedicht van Kopland.)

Het rijtje knuffels, daar tegen de stenen rand. Ze zouden immuun moeten zijn voor de regen.

Ze zijn er. De moeder, de vriendin en haar dochtertje.

(Je voelt je groot en hoekig. Je rug zeurt.)

De regen ademt in en uit.

Het meisje ziet de knuffels.

(Er is hier nergens een hoek of zo, waar je beschut kunt staan, waar je ziet dat je dicht bij elkaar staat. Het is zo open.)

Kleine verhalen.

Of hij er is, hier, vraag je. Hij is er, zegt ze.

Of hij er altijd wel een beetje is, vraag je. Ja, zegt ze.

(Sommige levens zouden afgerond kunnen zijn. Sommige levens voelen zo afgebroken.)

(Je weet niet goed wat je met je handen moet doen.)

Het kleine meisje is zo levend. (En soms heel stil.)

Het meisje vangt de druppels op die van de paraplu van haar mama wegdruppelen.

Of er zo geen druppels verloren zullen gaan, vraag je. De paraplu is groter dan haar handen.

Je vangt aan de andere kant in je handen ook druppels op. Twee kommetjes met druppels.

Je biedt de druppels aan aan het meisje. Ze kijkt verlegen, doet niets.

(Misschien moet je sommige dingen soms wel loslaten.)

Je laat de druppels vallen. Ze verdwijnen op de grond. In de regen.

Het is tijd om weer te vertrekken.

(Je bent nat. Je schouders zijn koud. Ze doen pijn. Vooral aan die ene kant.)

Je wacht op de bus. Het lijkt zo’n verlaten plek.

In de trein schuif je terug in je boek.

Het trosje jongeren komt terug van een festival. De muziek die daar nooit stopt loopt door in de trein.

Je loopt door de stad. Je denkt aan de planten, die je straks zachtjes water zult geven.

Weer thuis kijk je naar je handen. (Ze lijken afwezig.)

Je huid is bijna terug warm.

27 juli 2019

De ikwerkelijkheid

Het is een beetje moeilijk uit te leggen, denk je. Het is een beetje delicaat. Het gaat over nuances vaak. Maar het maakt je zo vaak verdrietig. (Misschien kun je er gewoon steeds minder goed tegen.)

Het heeft iets te maken met gebruik van de werkelijkheid, voor jezelf. Soms kun je ook zwijgen, denk je. Of zou je net andere woorden kunnen gebruiken. Of zou je ook heel even niet cynisch kunnen zijn.

Het zijn verschillende dingen. Maar ze maken je telkens een beetje verdrietig. (Misschien zou je af en toe gewoon wat kleinere woorden willen. De woorden doen ertoe.)

Misschien ben je gewoon niet gemaakt voor ‘hoe het nu eenmaal is’ op de diverse sociale media. Misschien kun je niet wennen aan ‘mensen willen nu eenmaal gezichten zien, houden niet van genuanceerde boodschappen’. Het zal wel. (Misschien vind je het steeds minder erg, dat je wat raar begint te worden, blijkbaar.)

Het is niet erg dat mensen allerlei dingen zeggen en delen op hun feesboek. Vaak is het leuk. Vaak kan het een vorm van verbondenheid zijn. Vaak kan het een nabijheid zijn. Je begrijpt wel niet zo goed waarom zovelen zo vaak zo snel denken te moeten reageren. Alsof dat zou moeten, alsof je een rol te spelen hebt, alsof je van jezelf vindt dat je een rolmodel of een ‘influencer’ moet zijn. Soms gewoon even zwijgen, uit deemoed, uit respect. Niet onmiddellijk de stilte die er mag zijn na iets dat moeilijk is net te snel met net te veel woorden, die net te stellig zijn vullen. Met dan ook nog eens net te veel het woord ik erin.

Soms wordt delen of reageren of betrokken zijn bijna iets als: gebruiken. Er overkomt een ander iets dat positief is. Je wilt die persoon feliciteren of zeggen dat je blij bent (wat heel fijn kan zijn), maar je maakt er vijf zinnen van waarvan er vier over jezelf gaan, met net iets te veel ik erin. Het zal meestal wel goed bedoeld zijn, maar het lijkt soms alsof sommige mensen via anderen net iets te veel zelf aandacht willen vragen. Je wilt een ander feliciteren omdat die iets geworden is – minister bv. – en je zet er een foto bij van jezelf met die ander, waardoor je eigenlijk vooral zelf in beeld komt. Je had ook gewoon kunnen zeggen dat je blij was voor haar. Je hoeft niet subtiel te suggereren dat iets eigenlijk jouw idee of verdienste was.

Je weet wel dat dergelijke kanalen op lichte wijze al aanwezige vormen van narcisme kunnen versterken, maar het maakt je triest.

Er overkomt een ander iets dat negatief is. Iemand wordt ziek, of iemand sterft. Wat in de echte wereld al zo vaak gebeurt, gebeurt ook in de virtuele wereld. Mensen die die moeilijke lege plek niet kwetsbaar kunnen laten, maar ze meteen naar zichzelf toe trekken, en vooral over zichzelf praten. Wanneer iemand sterft, lees je soms heel mooie persoonlijke getuigenissen, die oprecht en betrokken zijn. Maar soms lijkt het ook alsof die pijnlijke gebeurtenis op een of andere manier wordt gebruikt om zelf aandacht te krijgen. Het is soms een heel subtiele balans. De woorden doen ertoe.

Of er gebeurt iets ernstigs. Het kan belangrijk zijn dat je reageert, omdat je een bepaalde rol of functie hebt. Zwijgen is dan vaak niet goed. Maar dan kun je nog kiezen. Gaat het in je verhaal over wij of gaat het over ik? Kun je je zelf voldoende ondergeschikt maken aan het wat je wilt zeggen? Wil je een verhaal of een argumentatie brengen, of wil je toch jezelf brengen? Kun je iets van iemand anders die het al eerder deed gewoon steunen, of wil je er zo nodig nog zelf iets aan toevoegen omdat je zelf ook in beeld wilt komen?

De toon van je verhaal maakt ook veel verschil. Je kunt harde dingen ook met zachte woorden zeggen. Je kunt ervoor zorgen dat je je niet laat verleiden tot net te veel strategische uitspraken. Je kunt ervoor zorgen – ook al zou je het graag wel doen – om niet van je eigenlijke verhaal (A) gebruik te maken om iets anders (B) te zeggen. B kan zijn: een ander aanvallen. Wat goed leek te beginnen, een rustige toon bij A, wordt ineens ontsierd door B, waaruit blijkt dat C het doel was.

Kun je de ander in zijn of haar verhaal laten? Daarover gaat het ook soms. Je publiceert een tekst met een opinie of standpunt. Je probeert dat duidelijk maar ook voldoende genuanceerd en met zachte woorden te doen. De kans is groot dat velen het niet zomaar eens zullen zijn met wat je zegt. Dat is niet erg. Ze hoeven daarom niet te reageren. Als iemand dat toch nuttig vindt, kun je rustig zo reageren dat je laat blijken dat je hebt gelezen wat er staat en dat je toch iets dat relevant is wilt toevoegen, als in een dialoog. Dat is fijn voor diegene die het schreef, te voelen dat iets echt gelezen wordt. Maar vaak is het anders. Het stuk waar een ander misschien uren aan gewerkt heeft wordt gebruikt om via een reactie iets te zeggen wat in wezen niets met dat stuk te maken heeft, maar alleen met de persoon die reageert. Of via een of andere snelle reactie wil men je discrediteren of wil men bewijzen dat je aan dat ene ding niet gedacht hebt of dat je niet weet waar je over praat. (Zo moet diegene die reageert zelf niet verder nadenken of kan hij zich andermaal veilig boven de anderen verheffen.) En soms is het ook gewoon een vorm van mansplaining, een vermoeiende variant van gebruik van de werkelijkheid.

Misschien is het iets van de tijd, misschien is het iets van jezelf, maar je kunt er steeds minder tegen. Het maakt je verdrietig.

En je weet heus wel hoe de politiek werkt. (Het was en is een groot deel van je leven.) Het is niet erg dat anderen een ander standpunt hebben. Dat is de essentie van een democratie. Het gaat er niet om dat onder het mom van ‘laten we alles verbinden’ er geen discussies meer zouden mogen zijn. Over de gewenste maatschappelijke ordening zou er een permanente zoekende discussie moeten zijn. Conflict in ideeën is niet erg. Dat politici vanuit hun overtuiging een strategisch doel hebben is niet erg. Maar dat wil nog niet zeggen dat ze alleen maar, de hele tijd, in strategische termen moeten denken en spreken, denk je. (Misschien was een van de zogenaamde signalen van veel kiezers bij de recente verkiezingen dat veel mensen graag wat minder spelletjes, wat minder cynisme, wat meer deemoed zouden willen. Wat minder gebruik van de werkelijkheid voor het eigen doel, dus.)

Het maakt je verdrietig, als je sommige politici hoort. Het lijkt voor sommige politici ondertussen hun bedrijfscultuur geworden te zijn. Alleen nog cynisch kunnen zijn, en dat telkens uitstralen. De indruk geven dat je waardig in je rol blijft van verantwoordelijke gezagsdrager in het begin van je verhaal. Zeggen dat je niets zult zeggen dat gevoelige processen (zoals regeringsonderhandelingen) zou kunnen schaden. En dan meteen de rest van je verhaal gebruiken om nog maar eens een bepaalde framing te creëren (iets over ‘twee democratieën’ bv.) of om een geliefkoosde vijand (die in jouw ogen natuurlijk echt slecht is, terwijl jijzelf zo zuiver en sereen bent) te gebruiken om nog een andere aan te vallen (iets met tuinhuizen of zo). Vanuit je rol als politicus denk je dat de verschillende politici samen een verantwoordelijkheid hebben om de nobele taak die aan hen is toegewezen op een waardige manier in te vullen. En dan doen de woorden ertoe. Maar los daarvan maakt het je ook verdrietig, dat sommigen blijkbaar alleen nog cynisch kunnen en willen zijn. (En daar zelfs nog trots op lijken te zijn.)

Het heeft allemaal iets te maken met het gebruiken van de werkelijkheid, van de dingen, van andere mensen, voor het eigen ik, denk je. En het doet pijn. Het zou kunnen – zegt de boeddhist in jou – dat zij er zelf nog meer door lijden. Ook als dat zo is, blijft het toch jammer. Een heel klein beetje nederigheid, het zou al helpen. Voorzichtige woorden ook.

25 juli 2019

Nachtdeuk

Het andere ritme neemt het langzaam over. (Je zou eraan kunnen wennen.)

(Je mag eraan wennen.)

(Misschien was je heel even bang, zoals dat vroeger soms was. Als alle mensen die je graag ziet ergens ver weg in een buitenland – of een klein beetje verder – zitten is je kompas een beetje in de war. Soms wil je gewoon rond kunnen kijken, en in je hoofd zien wie waar is. En dan wordt het rustig.) (Iedereen is er nog.)

(Misschien was je even bang, alsof je zelf de weg zou moeten vragen, je weg. Maar de dingen kwamen naar je toe. Zoals de planten die groeiden.)

(Je bent de kleinzoon van Julia. Ook jouw lichaam is niet echt gemaakt voor de warmte, toch niet voor die warmte.)

De student komt helemaal van aan de zee om je te interviewen. Hij is zo mooi blij met het gesprek. (Terwijl je antwoordt, komen mooie mensen zomaar voorbij wandelen of even naar je toe. Mensen waar je eerder die dag nog aan dacht. De kosmos.)

Zomaar een middagdutje. (Het mag, waarschijnlijk.)

Stukjes tijd zomaar laten passeren. (Het went al, een beetje.)

Het verse boek. (Je gaf het ook cadeau aan je maatje.) Je houdt ervan, hoe de schrijfster door de woorden beweegt.

(Eigenlijk vallen de nachten goed mee, behalve die ene, waar je uit leek te vallen. Die kant van het huis is het koelst. Het is alsof je mag schuilen in een nachtdeuk.)

(Je ziet hoe je stukjes rustig hun weg zoeken. Het is goed.)

Zo’n mooie gesprekken. Ze komen zomaar naar je toe. (Je kunt op alles ja zeggen.) Verhalen over de kinderen. Ze ontroeren je diep en liggen zich daarna rustig in je neer. Verhalen over waar je huid doorzichtig is.

(Dankbaar.)

De warmte verwart je een beetje. Een stukje van je blijkt rustiger dan je had verwacht. (Je leert.) Je doet gewoon wat je kunt doen. Je houdt het rustig en schuift door de dagen. (Er zijn mooie gesprekken.) Het is ook een beetje een kleine wereld, waarin je je terugtrekt. Buiten zijn er nauwelijks mensen te zien. Het huis zorgt goed voor je. (Een stukje is kwaad en opstandig. We hebben het zoveel jaar zien aankomen, denk je. Het had anders kunnen zijn, denk je. Het lijkt sommigen nog steeds niet te deren, denk je. Het zal voor zoveel mensen de volgende jaren zo moeilijk worden, denk je.) Misschien ben je al je stukjes. Misschien is jezelf telkens opnieuw uit stukjes samenvoegen wel een vorm van weerbaarheid.

En de nuttige dingen lopen al lekker, denk je. (Zoals geheel in milde aandacht naar de fietshersteller gaan. Je onderweg afvragen hoe je die kwestie van dat ventieltje moet uitleggen. Buitenkomen met een nieuwe binnen- en buitenband en een hersteld spatbord en helemaal gelukkig zijn. En weer zoveel bijgeleerd. Over de vereiste druk op het voor- dan wel het achterwiel, om maar even iets in de groep te werpen. De vorige dag was je er eigenlijk ook al. Voor dat zadel. Verwarrende momenten, als je de vraag krijgt of je een gelzadel of een gewoon zadel wilt. Op je vraag wat een gewoon zadel is krijg je als antwoord: een gewoon. Je had net al gehoord dat het zadel dat je had een vrouwenzadel was. In elk geval is je fiets na twee dagen weer helemaal klaar voor de vaart der volkeren. Lekker.)

De tijd drukt zich samen, of de tijden schuiven over elkaar. De tijd schuift over zichzelf dus eigenlijk. Wat vroeger was, beweegt in het nu. (Zo is het eigenlijk altijd in je hoofd, denk je.) Misschien mag de tijd vrijer bewegen nu. Beelden van liefdes bewegen door je heen. (Het is goed om ze even aan te raken.)

Je verlangt naar het ritme dat het van je overneemt. (Het komt misschien zomaar naar je toe.)

(Je ziet andere aardlagen nu. Ze zijn er waarschijnlijk altijd. Ze laten zich nu zien. Misschien mag je ze zien.)

Misschien ga je ook nog iets doen met gember.

Je hoort een onweer, in de nabije verte. Je kijkt naar de hevige wind.

De dingen komen naar je toe.

21 juli 2019

Kantelen

Nachtaarzeling. Niet weten hoe je jezelf moet uitspreiden.

Jezelf in de dag plooien. Straks zal je hoekigheid misschien verdwenen zijn, zullen alle stukken weer in elkaar passen.

Je lichamen zoeken elkaar. (Je buik is daar nog ergens.)

De winkel uit komen en ineens het beeld zien dat je nodig had voor dat stukje. Hoe je ineens ziet hoe je die dingen met elkaar zou kunnen verbinden. Die dingen die nu nog even wachten in een struikgewas.

Met het beeld in je hoofd de stukken naast elkaar leggen. Zien wat ze met elkaar zullen doen.

De stilte van de dag. (Je benen zoeken nog iets.)

Dat boekje dat je al lang wilde lezen. Je had een vermoeden dat iets in elkaar zou klikken. Vanaf de eerste pagina’s kantelt het al, zoals je had gehoopt. Dingen die je al zo lang ergens zag in je hoofd, nog onbestemd, lichten nu ineens op.

(Wonderlijk hoe er mensen zijn die dingen kunnen begrijpen, er woorden en beelden voor kunnen zoeken, en zo bij andere mensen dingen kunnen doen bewegen, kantelen.)

(Na al die jaren nadenken weet je soms nog altijd niet hoe woorden werken.)

Hoe zalig het is, op je terras zitten lezen terwijl het regent een meter verder. (Een herinnering.)

Je legt het boekje neer. (Hoe heerlijk, je kon het helemaal na elkaar lezen. Je kon in het ritme van die woorden blijven.)

(Briefjes met woorden voor het stukje dat nog zal komen. Als een soort reservebank.)

(Ergens in je krioelen de beelden. Los van jou. In jou.)

De woorden als een plek die je voor je zag. Je was al verdwaald voor de woorden. Iets zei je dat je daar even moest blijven.

De vrouw in die film. Je glimlacht de hele tijd.

Je blijft haken in de uitloper van een droom.

Het verhaal in de krant. Die dappere vrouw over haar vreselijke stiefvader. Hij wilde haar in bezit nemen. Zij heeft gewonnen, uiteindelijk. (Hoe ze vertelt over de zoon van haar zus, die bij haar kwam wonen. Tranen. Hoe veiligheid uiteindelijk wel kan komen.)

Filmpjes. (Onrust.) Beelden.

Het is het moment om te schrijven. (Nu moet het. Er is geen keuze. Zo had je het afgesproken met jezelf.)(Je weet nog altijd niet goed hoe het werkt.) Het gekrioel is nu elders. (Het residu daarvan zal wel tevoorschijn komen.) Iets van springen. Of vallen. Voelt als een soort lager gelegen open lege vlakte waar je doorheen moet. De woorden schrijven zichzelf, trekken elkaar naar de beelden. Je ziet lagen. Aan de andere kant kom je weer naar boven. (Alsof je terug hier bent.) Daarna moet je enkel nog enkele toefjes aanbrengen.

(Iets valt van je af.)

Het verhaal in de andere krant. Over trauma’s die doorgegeven worden. Tranen.

(Dat poetsen is voor morgen. Het mag. God heeft haar toestemming gegeven.)(Voor één keer…)

Proberen je lichaam in een zondagplooi te leggen. (Het rammelt nog een beetje.)

En zomaar aan weer een vers boek mogen beginnen. (Nog even aarzelen bij de stapel.) Het duurt altijd even eer de woorden in het boek je toelaten. (Misschien willen zij jou eerst leren kennen.)

De vakantieversie van het kookprogramma. De tafel met de 27 kinderen en kleinkinderen. Tranen.

Er is iets aan het veranderen, denk je. (Terwijl de aardappeltjes bakken.)

20 juli 2019

Verdwaald

‘Het is alsof ik niet meer weet hoe dat moet.’
‘Ik denk het wel eigenlijk. Maar je moet alleen jezelf volgen.’
‘En hoe weet ik wie ikzelf ben?’
‘Ik denk dat je jezelf op een of andere manier aanraakt als het goed is. Of dat je voelt dat je op dat moment met jezelf samenvalt. Dat heb ik toch van jou geleerd.’
‘En toch schaam ik me, denk ik.’
‘Laat dat nou maar, als je dat kunt. Het is mooi, als ik je zie zoeken.’
‘En jij? Ben jij dan zo rustig in jezelf?’
‘Nee, natuurlijk niet. Maar toch een beetje.’
‘Ik wil graag lang kijken.’
‘Ik weet het. Vertrouw je me?’
‘Ja, ik denk het wel.’
‘Er is alle tijd.’
‘Zou dat zo zijn?’
‘Waarom zouden we daar niet van uitgaan?’
‘Eigenlijk was dat mijn droom, dat we genoeg tijd zouden hebben.’
‘Zou je echt met een leeg blad willen kunnen beginnen?’
‘Misschien wil ik met een gevuld blad van nul willen beginnen, kan dat?’
‘Doen we dat niet allemaal?’
‘Ik denk het niet, ik denk dat het meestal zo niet werkt.’
‘Waarom niet?’
‘Het is alsof je altijd al ergens moet zijn, alsof alles er al moet zijn. En misschien kunnen alle andere mensen dat.’
‘Misschien durf jij wel meer dan die anderen.’
‘Maar moet jij dan niet altijd wachten op mij?’
‘Als ik iemand anders was, zou ik dat waarschijnlijk zo voelen.’
‘Ja dus?’
‘Nee dus. Wat de een wachten noemt, zou de ander zijn in breekbaarheid kunnen noemen.’
‘Dat is wel mooi gezegd.’
‘Dat wat jij wachten noemt, doet mij eigenlijk echt wel goed.’
‘Ja?’
‘Ja. Als ik jou zie kijken, ga ik zelf ook anders kijken. En dan zie ik meer.’
‘Misschien is het wel als luisteren naar dansen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Stel dat wij zouden dansen. We zouden zoeken naar de beweging, naar het ritme. Naarmate je dat meer doet, kom je in dat ritme, komt dat ritme in je. En dan kun je misschien wel luisteren naar de beweging.’
‘Dat is een beetje als een kleur aanraken.’
‘Ja, dat is het.’
‘Wat ik wel fijn zou vinden, is als je straks voor mij zou voorlezen.’
‘Uit welk boek?’
‘Dit hier. Ik was het aan het lezen vanmorgen in de trein, en het was alsof ik jouw stem erbij kon horen.’
‘Zou ik dat wel kunnen?’
‘Ja hoor, natuurlijk. Maar je moet geen schrik hebben om je tijd te nemen.’
‘Dat is wel belangrijk. Als ik voorlees, denk ik al snel dat de ander wel zal hopen dat het snel voorbij is.’
‘Waarom?’
‘Ik weet niet.’
‘Als je dat denkt, kan de ander dat horen. En dan doe je het omgekeerde van wat je eigenlijk wilde.’
‘Ik denk dat je mij iets duidelijk wilt maken.’
‘Denk je dat?’

19 juli 2019

Enigszins

Ja dus. Dat de vakantie begonnen is.

(Eigenlijk heel erg moe.)

Vertrokken met een lijstje dat echt helemaal op was. Lijstjesgeluk.

(Alleen nog dat ene stukje uit het rijtje van vier. Als dat klaar is, kun je echt, of zo.)

Broedstukjes, dat heb je gemerkt. Ze bouwen zich onbewust ergens op.

(Beetje bang, zoals elk jaar, van het kantelen.)

Bij dat ene stukje wist je alleen dat Bach erin voor zou komen.

(En van de pijn van de eerste dagen.)

De avond tevoren zag je het bijna, maar iets wou het niet.

(Gelukkig is het anders dan vorig jaar.)

Midden in de nacht kwam er nog een mogelijke zin.

(Het mag, dit jaar.)

’s Morgens, net uit de trein, blijft het heen en weer gaan.

(Nog niets verlangen, dat helpt ook wel.)

Het zou weer uit verschillende lagen moeten bestaan, denk je. Anders is het niet goed.

(Behalve dat ritme dat je na een tijd zult voelen.)

Pas tijdens het schrijven wijzen de woorden de weg.

(Misschien zul je iets zien in de barsten.)

Die beelden die je de vorige dag in het nieuws zag, ze hameren in je hoofd.

(En dat mag komen.)

En ineens het beeld van dat meisje, toen. Het hoort bij elkaar.

(Wat zullen de planten zeggen?)

Je begrijpt iets pas nadat je het geschreven hebt.

(En ook de nuttige dingen nog natuurlijk.)

En Bach, dus.

(Een beetje bang, zoals elk jaar.)

Die zwangere vrouw vanmorgen op het perron. Het licht veranderde.

(De stapel boeken is al hoog. En zal nog hoger worden. Ongetwijfeld.)

De tekst is verzonden.

(Zou het dit jaar lukken om er wel heel veel…?)

Je loopt door de gang. Het gebouw laat je bijna los.

(En de afspraakjes. Even wachten nog, tot je toonbaar bent.)

Je loopt naar de trein. Het is goed geweest.

(Na dat laatste stukje even niet te veel meningen meer, of zo.)

Vrijdag is boekenbijlagedag. De treinrit voelt als luxe. Boekenbijlageverlangen.


(Bob Dylan zingt Why Was I Born.)

Je loopt door de straat. Er zou nog een beeld mogen komen voor het laatste stukje.

(Nog eens Bach?)

De vrouw die heel rustig, midden in de winkelstraat op een bank, haar baby de borst geeft.

(O ja, die ene foto moet nog, voor dat interview.)

Het maakt je zo gelukkig.

(Zou het wel echt zijn, die vakantie?)

Je bent thuis. Die paar dingetjes nog.

(Mag het wel? Zomaar?)

En dan. Het is.