Je loopt over de straat en ziet zoveel mensen in zoveel kleuren. Je bekijkt hen van top tot teen. Kleurvlak na kleurvlak. En de dingen die ze nog bij zich hebben. Hoe de kleuren contrasteren, of elkaar aanvullen, of helemaal niets met elkaar te maken hebben. En je blijft kijken. Naar die ene kleur daar. Ze werkt op je in. Elke kleur lijkt een bepaald gevoel op te wekken. En even lijkt die kleur er alleen te zijn tussen jou en de plek waar je ze ziet. Je zou erover kunnen praten met een ander. Zie je daar dat rood van dat jasje. Of dat groen van dat stuk gereedschap. En die ander zal er misschien verder over doorpraten. Je begrijpt elkaar. En toch weet je nooit hoe die kleur er in het hoofd van die ander uit ziet. Misschien noem je iets allebei groen, maar is het in dat ander hoofd wat bij jou rood is. Zou dat kunnen? Je weet het niet. Verwarrend, dat wat zo intiem verbonden is met hoe je de wereld ziet te delen lijkt, maar het misschien wel niet is. Je zou een schilderij kunnen maken waarin je alle kleuren van de zomer probeert te vatten. En je zou er met een ander eindeloos over kunnen praten. En je zou denken dat je eindelijk iets samen gezien hebt. En toch zul je het nooit helemaal zeker weten.
Je kijkt naar haar en denkt: die kleuren zouden haar goed omringen. Je ziet ze voor je, en hoe het zou zijn. En dan zie je dat ze is gehuld in net een andere kleur. Een kleur die familie is, maar net niet dicht genoeg komt. En je weet niet hoe je dat moet zeggen.
Stel je voor dat je alle kleren in je kast zou hebben die voor jou bestemd zijn. Geen hopen, maar net genoeg. Net die kleren die het beste in jou in de wereld brengen. In de mooiste kleuren die je je kunt dromen. Misschien kun je je alles niet in detail voorstellen, maar je kunt je wel voorstellen dat je bij elk stuk zou zeggen: ja, dit is het. Je zou voor de kast staan, en voelen hoe die kleur je lichaam streelt, of verwelkomt, of troost. En je zou met een lichtere tred door de stad stappen. Bijna een beetje zweven.
De plaatsen op de huid waar de kleur ineens verandert. Van wit naar het bruin van een moedervlek. Van iets minder wit naar het rood van een lip. Of langzame overgangen van licht naar iets minder licht. Of die plekken waarvan de kleur kan veranderen. Afhankelijk van wat er gebeurt.
Je ziet mevrouw de minister in de krant. Niet dat je haar kent. Niet dat je iets met haar deelt. En toch denk je: doe nu toch eens voor één keer geen zwart aan. Waarom altijd dat zwart? Even donker als haar haar. Misschien denkt ze dat het stijlvol is, of een beetje stoer. En je denkt dat een beetje zwart best wel heel mooi kan zijn. Maar niet altijd, en niet zo massief. Ze lijkt soms wel een zwart gat, waarin alle kleurenzuurstof verdwijnt. Het zuigt iets uit je weg. Het zou anders kunnen zijn.
Sommige kleuren maken dat je alleen maar kunt kijken. En blijven kijken.
Het kan een ritueel zijn, als je niet kunt slapen. Aan een kleur denken. Je kiest een kleur. Zoals geel, waarom niet. En dan zoveel mogelijk gele dingen voor je oog laten passeren. Tot je alleen nog maar de kleur ziet. En dan op naar een andere kleur. Zo lang het duurt.
De kleur van het gras na die eerste langverwachte regenbui. Je kunt de kleur ruiken, zo intens is ze. Ze lijkt het uit te schreeuwen van zaligheid. Je zou die kleur willen opsnuiven, ze in je laten lopen.
Hoe zitten mensen in je hoofd? Hebben ze in je herinnering steeds dezelfde kleur rondom zich? Of is er alleen de kleur van hun gelaat? Welke kleur komt er eerst bij hen als je dan toch verder denkt? En is dat altijd dezelfde kleur?
De kleuren van een lome zomernamiddag. Je ziet ze zorgvuldig voor je uitgestald. De kleuren die je dan graag dicht bij je zou willen hebben.
Een verhaal in de krant over de kleuren van het oude schilderij. Hoe ze na maanden en maanden werk voorzichtig werden bevrijd van de sluier van lagen vernis. En nu weer gewoon vrij de wereld in mogen bewegen.
Gekleurde teennagels. Het blijft een merkwaardig fenomeen. Iets ontgaat je waarschijnlijk. Waarom zijn ze nooit geheel nageldekkend? Waarom hebben ze zo vaak een verkeerde kleur? Moeten ze iets teweegbrengen? Soms stralen ze alleen maar een aarzelende droefheid uit, zo lijkt het wel.
16 juli 2009
12 juli 2009
Ontsnapt
Het boek valt mooi open. Lezen met zo weinig mogelijk bewegingen. Alleen het betasten van het papier door aarzelende vingertoppen. Telkens opnieuw. Om te zien of het nog ademt. Het ritme van de trein neemt het lichaam verder over. Een zoete verstening. Zolang het duurt. Het landschap schuift voorbij. Blijft stil, en wil niets verstoren. De grens laat zich ongemerkt overschrijden. Dit alles is onderweg. En net daardoor in een graad van stilstand.
De lijnen op je handen. Ze herinneren zich. Ze hebben gewacht op hun ontstaan. Hoe lang kun je kijken naar die handen? Waar neemt het verlaten het over? Er huist een trage vermoeidheid in die handen. Ook al zullen ze je vertellen dat ze tot alles in staat zijn. Of toch veel. De verhalen zijn wel gebleven. Net zoals het landschap zich elke voetstap herinnert. Aanraakbaar.
Je loopt over de straat. Je kunt de evenwichten verschuiven in je beweging. Je schuift wat naar voor. Schouders en middel komen in een ander ritme. En even lijkt er een andere man te zijn. Alsof die binnen bereik zou kunnen zijn. De dingen zien er anders uit. Of je trekt je terug in een middelpunt. Waardoor alles opgeheven wordt in bewegingen van de voorvaderlijke lijn. En je alleen nog maar bent waar je vandaan komt. Of je vergeet te vloeien. En voelt hoe alles zich vastklampt. Tevergeefs.
Soms zou je willen liggen. In die ene lijn. Op die ene plek. Daar waar je niets meer voelt. Waar alles wat pijn zou kunnen zijn je langzaam verlaat. Zonder dat je de zwaartekracht zou moeten opgeven. Nog dicht genoeg bij de aarde. Misschien is het je niet gegeven. Misschien ben je er niet voor gemaakt. Misschien is het hoogmoed om heel even zonder herinneringen te willen zijn, zonder opgespaarde tijd.
Anderen bewegen door je heen. Ze waden door je kreken. Nemen even bezit van je, en trekken zich dan weer terug. Verdwijnen doen ze niet. Zouden die anderen het weten? Zouden ze weten wanneer ze door jou ronddolen?
De grond lijkt naakt in die muziek. Misschien zijn de woorden tastbaar genoeg. Ze bewegen tussen schaarse klanken. En zeggen iets over de liefde. Ook al weet je niet wat het is.
De lucht is wolkeloos geworden. Langzaam hebben ze zich teruggetrokken. Waarin? Zijn er zwarte gaten in die bijna witte lucht? Waar ze even kunnen gaan schuilen? Het is alsof de lucht iets wil zeggen. Uitgespreid, onverhuld en raakbaar. Aan het einde van een dag is er nog iets te fluisteren. Een geheim. Een verhaal voor de nacht. Een gedeeld verlangen. Alles zou binnen bereik kunnen zijn. En niemand die het kan zien.
Een stem zegt dat je weer thuis bent. Een andere zegt dat het nog te vroeg is. Dat je nog eerst alles achter zou moeten laten. Om thuis te kunnen komen. Zou je er ooit komen?
De lijnen op je handen. Ze herinneren zich. Ze hebben gewacht op hun ontstaan. Hoe lang kun je kijken naar die handen? Waar neemt het verlaten het over? Er huist een trage vermoeidheid in die handen. Ook al zullen ze je vertellen dat ze tot alles in staat zijn. Of toch veel. De verhalen zijn wel gebleven. Net zoals het landschap zich elke voetstap herinnert. Aanraakbaar.
Je loopt over de straat. Je kunt de evenwichten verschuiven in je beweging. Je schuift wat naar voor. Schouders en middel komen in een ander ritme. En even lijkt er een andere man te zijn. Alsof die binnen bereik zou kunnen zijn. De dingen zien er anders uit. Of je trekt je terug in een middelpunt. Waardoor alles opgeheven wordt in bewegingen van de voorvaderlijke lijn. En je alleen nog maar bent waar je vandaan komt. Of je vergeet te vloeien. En voelt hoe alles zich vastklampt. Tevergeefs.
Soms zou je willen liggen. In die ene lijn. Op die ene plek. Daar waar je niets meer voelt. Waar alles wat pijn zou kunnen zijn je langzaam verlaat. Zonder dat je de zwaartekracht zou moeten opgeven. Nog dicht genoeg bij de aarde. Misschien is het je niet gegeven. Misschien ben je er niet voor gemaakt. Misschien is het hoogmoed om heel even zonder herinneringen te willen zijn, zonder opgespaarde tijd.
Anderen bewegen door je heen. Ze waden door je kreken. Nemen even bezit van je, en trekken zich dan weer terug. Verdwijnen doen ze niet. Zouden die anderen het weten? Zouden ze weten wanneer ze door jou ronddolen?
De grond lijkt naakt in die muziek. Misschien zijn de woorden tastbaar genoeg. Ze bewegen tussen schaarse klanken. En zeggen iets over de liefde. Ook al weet je niet wat het is.
De lucht is wolkeloos geworden. Langzaam hebben ze zich teruggetrokken. Waarin? Zijn er zwarte gaten in die bijna witte lucht? Waar ze even kunnen gaan schuilen? Het is alsof de lucht iets wil zeggen. Uitgespreid, onverhuld en raakbaar. Aan het einde van een dag is er nog iets te fluisteren. Een geheim. Een verhaal voor de nacht. Een gedeeld verlangen. Alles zou binnen bereik kunnen zijn. En niemand die het kan zien.
Een stem zegt dat je weer thuis bent. Een andere zegt dat het nog te vroeg is. Dat je nog eerst alles achter zou moeten laten. Om thuis te kunnen komen. Zou je er ooit komen?
Soms wil je je vergewissen van schoonheid. Wil je even aanraken wat zomaar los door de wereld beweegt. Niet om de schoonheid te bewaren. Niet om haar te bezitten. Niet om haar door woorden te omgeven. Niet om haar te ontsluieren. Enkel om zelf niet te verdwalen.
11 juli 2009
Het naderen
‘Is het goed als ik zo kom zitten?’
‘Ja, dat is heel goed.’
‘Dan hou ik zo je buik vast.’
‘Dan kan er zeker niets gebeuren.’
‘Het is ook de geur die ik hier herken. Het blijft toch merkwaardig hoe je je een geur kunt herinneren.’
‘Er is weer veel wind hier, net als de vorige keer. Zo uit het water het land in.’
‘De rand van het water komt dichterbij. Als we lang genoeg blijven zitten, zullen we het zien.’
‘Soms zou ik iets van die wind hier willen kunnen opzuigen. En daarna in mijn lichaam vasthouden. Zodat alles wat hier beweegt al meteen versmelt met de zee.’
‘Misschien is dat al wel zo, ook zonder die wind, denk je niet?’
‘Ik weet het niet, het voelt nog niet zo.’
‘Dit is de plek waar ik steeds opnieuw naartoe kwam.’
‘En heb je dan staan roepen in de wind?’
‘Ja, soms wel, maar ik durfde niet zo goed. Ik wou niet dat andere mensen me konden horen.’
‘Het maakt toch niets uit?’
‘Ik weet het. Een keer had ik een brief bij. Ik hield hem in het water, tot alle letters waren weggespoeld. Meegenomen. Ze zijn nog ergens daar.’
‘Heb je antwoord gekregen?’
‘Ik denk het wel. Maar het was zonder woorden. Soms moet je lang wachten eer de zee iets zegt. Maar als je goed kijkt, kun je toch al iets te weten komen.’
‘Ben je nog bang soms?’
‘Af en toe nog wel, maar meestal niet.’
‘Het is hier mooi als de zon ondergaat. Dan is het alsof wat je ziet stiller wordt. Ik kan het niet anders uitleggen. Het beeld wordt stiller. En soms is het alsof de zee dan zegt: geef alles maar mee aan mij, laat de dingen uit je handen schuiven.’
‘Het is een goed moment om al je geheimen met de zee te delen.’
‘Wees maar gerust.’
‘En mensen zien er ook anders uit. Het is alsof je iets in hun ogen kunt vermoeden wat anders verborgen is. En als je dan weer in het licht bent, en kijkt, dan zie je dat dat ook klopt.’
‘Jij hebt altijd dat soort verhalen om je heen, zo lijkt het wel.’
‘Ik heb ze nodig, denk ik. Op een plek als deze komen ze vanzelf, en moet ik ze niet gaan zoeken.’
‘Het is goed. Ik weet nu hoe het gaat, en ik zie ze zelf ook.’
‘Ja, dat is waar. Het ontroert me erg.’
‘Straks zal de wind wel gaan liggen. Zo tegen de avond.’
‘Het zou misschien omgekeerd moeten zijn, maar ik voel me heel erg veilig zo. Het is alsof er iets is toegevoegd aan mij.’
‘Was dat dan weg?’
‘Ja, het was weg. Het is meestal weg, denk ik.’
‘Maar nu is het er weer. Het is goed. Alles past goed in elkaar. Het maakt me rustig.’
‘Soms denk ik dat je je adem beter voelt, als je hier zit. Als je erop let, kun je goed voelen hoe die op en neer gaat.’
‘Ja, dat is waar. Het is dan alsof er minder omhulsels zijn omheen die adem. Alsof je die gewoon zou kunnen aanraken.’
‘Vorige nacht droomde ik over een trap. Er was een kamer, met veel mensen in en ook met veel licht. En daarnaast was een andere kamer, waar het stil was, en donker. En daar was een trap, die naar beneden liep. Daar gingen we op zitten, een beetje zoals hier nu.’
‘Was het er helemaal donker?’
‘Nee. Het was een beetje zoals wanneer je in je slaapkamer bent, en de deur naar de gang is niet helemaal dicht. En in de gang brandt er nog licht. Dan is het binnen toch niet helemaal donker.’
‘Is het dan alsof je terug naar het licht kunt? Of heb je meer het gevoel dat je in het donker kunt blijven net omdat je het licht kunt voelen, daar ergens achter je rug?’
‘Ik denk het tweede. Maar het is een beetje ambivalent waarschijnlijk. Misschien wilde ik in die droom wel niet kiezen waar ik wilde zijn. Of anders was het gewoon de enige plek waar ik me kon terugtrekken, weg van het gewoel, waar alle mensen waren.’
‘En zei je iets?’
‘Nee, ik zei niets. Alles ging vanzelf. Alsof het zo moest zijn.’
‘Maar hier is er wel wind.’
‘Ja, die was er niet in mijn droom.’
‘Ja, dat is heel goed.’
‘Dan hou ik zo je buik vast.’
‘Dan kan er zeker niets gebeuren.’
‘Het is ook de geur die ik hier herken. Het blijft toch merkwaardig hoe je je een geur kunt herinneren.’
‘Er is weer veel wind hier, net als de vorige keer. Zo uit het water het land in.’
‘De rand van het water komt dichterbij. Als we lang genoeg blijven zitten, zullen we het zien.’
‘Soms zou ik iets van die wind hier willen kunnen opzuigen. En daarna in mijn lichaam vasthouden. Zodat alles wat hier beweegt al meteen versmelt met de zee.’
‘Misschien is dat al wel zo, ook zonder die wind, denk je niet?’
‘Ik weet het niet, het voelt nog niet zo.’
‘Dit is de plek waar ik steeds opnieuw naartoe kwam.’
‘En heb je dan staan roepen in de wind?’
‘Ja, soms wel, maar ik durfde niet zo goed. Ik wou niet dat andere mensen me konden horen.’
‘Het maakt toch niets uit?’
‘Ik weet het. Een keer had ik een brief bij. Ik hield hem in het water, tot alle letters waren weggespoeld. Meegenomen. Ze zijn nog ergens daar.’
‘Heb je antwoord gekregen?’
‘Ik denk het wel. Maar het was zonder woorden. Soms moet je lang wachten eer de zee iets zegt. Maar als je goed kijkt, kun je toch al iets te weten komen.’
‘Ben je nog bang soms?’
‘Af en toe nog wel, maar meestal niet.’
‘Het is hier mooi als de zon ondergaat. Dan is het alsof wat je ziet stiller wordt. Ik kan het niet anders uitleggen. Het beeld wordt stiller. En soms is het alsof de zee dan zegt: geef alles maar mee aan mij, laat de dingen uit je handen schuiven.’
‘Het is een goed moment om al je geheimen met de zee te delen.’
‘Wees maar gerust.’
‘En mensen zien er ook anders uit. Het is alsof je iets in hun ogen kunt vermoeden wat anders verborgen is. En als je dan weer in het licht bent, en kijkt, dan zie je dat dat ook klopt.’
‘Jij hebt altijd dat soort verhalen om je heen, zo lijkt het wel.’
‘Ik heb ze nodig, denk ik. Op een plek als deze komen ze vanzelf, en moet ik ze niet gaan zoeken.’
‘Het is goed. Ik weet nu hoe het gaat, en ik zie ze zelf ook.’
‘Ja, dat is waar. Het ontroert me erg.’
‘Straks zal de wind wel gaan liggen. Zo tegen de avond.’
‘Het zou misschien omgekeerd moeten zijn, maar ik voel me heel erg veilig zo. Het is alsof er iets is toegevoegd aan mij.’
‘Was dat dan weg?’
‘Ja, het was weg. Het is meestal weg, denk ik.’
‘Maar nu is het er weer. Het is goed. Alles past goed in elkaar. Het maakt me rustig.’
‘Soms denk ik dat je je adem beter voelt, als je hier zit. Als je erop let, kun je goed voelen hoe die op en neer gaat.’
‘Ja, dat is waar. Het is dan alsof er minder omhulsels zijn omheen die adem. Alsof je die gewoon zou kunnen aanraken.’
‘Vorige nacht droomde ik over een trap. Er was een kamer, met veel mensen in en ook met veel licht. En daarnaast was een andere kamer, waar het stil was, en donker. En daar was een trap, die naar beneden liep. Daar gingen we op zitten, een beetje zoals hier nu.’
‘Was het er helemaal donker?’
‘Nee. Het was een beetje zoals wanneer je in je slaapkamer bent, en de deur naar de gang is niet helemaal dicht. En in de gang brandt er nog licht. Dan is het binnen toch niet helemaal donker.’
‘Is het dan alsof je terug naar het licht kunt? Of heb je meer het gevoel dat je in het donker kunt blijven net omdat je het licht kunt voelen, daar ergens achter je rug?’
‘Ik denk het tweede. Maar het is een beetje ambivalent waarschijnlijk. Misschien wilde ik in die droom wel niet kiezen waar ik wilde zijn. Of anders was het gewoon de enige plek waar ik me kon terugtrekken, weg van het gewoel, waar alle mensen waren.’
‘En zei je iets?’
‘Nee, ik zei niets. Alles ging vanzelf. Alsof het zo moest zijn.’
‘Maar hier is er wel wind.’
‘Ja, die was er niet in mijn droom.’
09 juli 2009
Mooie mensen

In een panel van een klimaatdebat. Ik kijk de tent in waar al die jonge mensen zitten te luisteren naar wat de anderen aan de tafel en ik zullen zeggen. Nog voor het begonnen is, ontroert het me al. Ik zat hier tien jaar geleden ook. Op deze plek, ook in een debat. De herinnering maakte me heel even bang, en deed me twijfelen. Of het wel goed was om nu weer te komen. Maar ik voel me meteen thuis.
Telkens toch heel even zenuwachtig. Heb ik eigenlijk wel iets te zeggen wat iemand anders zou willen horen? Ben ik niet gewoon een oude en vermoeide man in hun ogen? En even snel gaat dat ook weer over. Kijken naar wie naar mij kijkt, en vergeten dat ik hier zelf zit. En denken aan de stem, zodat die het overneemt. En dan gewoon de rivier volgen…
Even zie ik mezelf in het publiek zitten. Even ben ik weer zo oud als zij nu zijn. Wat zou ik gezegd hebben? Raar, hoe iets niet veranderd is, en hoe ik toch definitief aan deze kant zit. Ik glimlach even naar mezelf, daar op die bak tussen de anderen, en de woorden in mijn hoofd gaan weer gewoon door.
Zullen de oudere mensen, zij die de sleutels in handen hebben, de moed hebben om het tot nu toe ondenkbare te doen als antwoord op het tot voor kort ondenkbare? Om het roer om te gooien en hun wereld weer in veilig vaarwater te brengen? Als ik hun gezichten zie, zie ik de jaren die voor hen liggen. De kinderen die zij zullen krijgen. Het wassende water en de stormen, het onrecht dat een gezicht krijgt ver van hier, het is hun wereld. Ze zijn erin geworpen. De gedachten klinken zwaarder dan gewild, maar het is niet anders.
We praten nog na, zittend op het gras. De zon komt af en toe tussen de wolken. Zouden ze zien dat ik eigenlijk een beetje verlegen ben? Ze vertellen over hun wereld. Hoe alles soms op hun schouders drukt, en hoe ze op die druk antwoorden. Ontroerend hoe ze zo kwetsbaar maar ook zo groot lijken in hun antwoorden. Alsof ze al iets weten waar ik zoveel jaar meer voor nodig had.
Soms lijken ze oud in een jong lichaam. Ergens onderweg zullen ze elkaar nog tegenkomen. En zullen de stukken in elkaar passen, of misschien wel niet. Het geworstel dat nog voor de deur staat, je zou het soms willen wegnemen, of ook weer niet. Misschien kunnen zij het wel veel beter. En al het goede dat ik hun zou willen wensen, het ontroert me meer dan iemand mag zien.
Ik zeg het ook tegen een van hen: er zijn zoveel mooie mensen hier. Als een eiland waar je naartoe zou kunnen gaan. Het zou mooi zijn om hier gewoon te blijven zitten, en alleen maar te kijken. Kijken hoe ze gretig en ontwapenend zichzelf zijn.
Iemand van hen komt me zeggen dat ze mijn stem mooi vond om naar te luisteren in het debat. Heel even sprakeloos…
Misschien zou ik even moeten buigen voor ik wegga. Een kleine knik, nauwelijks waarneembaar. Uit dank. De tijd gaat door. Ze zijn nog even hier. Tussen de bomen. Ik verlaat deze plek, weer op weg naar elders.
Het spreken verlaat mijn lichaam langzaam. De woorden drijven weg. Tot er alleen nog een zachte stroming is. Daar zou je moeten wachten. Tot je weer helemaal niemand bent. Alleen de beweging van het water. En die overgave.
Telkens toch heel even zenuwachtig. Heb ik eigenlijk wel iets te zeggen wat iemand anders zou willen horen? Ben ik niet gewoon een oude en vermoeide man in hun ogen? En even snel gaat dat ook weer over. Kijken naar wie naar mij kijkt, en vergeten dat ik hier zelf zit. En denken aan de stem, zodat die het overneemt. En dan gewoon de rivier volgen…
Even zie ik mezelf in het publiek zitten. Even ben ik weer zo oud als zij nu zijn. Wat zou ik gezegd hebben? Raar, hoe iets niet veranderd is, en hoe ik toch definitief aan deze kant zit. Ik glimlach even naar mezelf, daar op die bak tussen de anderen, en de woorden in mijn hoofd gaan weer gewoon door.
Zullen de oudere mensen, zij die de sleutels in handen hebben, de moed hebben om het tot nu toe ondenkbare te doen als antwoord op het tot voor kort ondenkbare? Om het roer om te gooien en hun wereld weer in veilig vaarwater te brengen? Als ik hun gezichten zie, zie ik de jaren die voor hen liggen. De kinderen die zij zullen krijgen. Het wassende water en de stormen, het onrecht dat een gezicht krijgt ver van hier, het is hun wereld. Ze zijn erin geworpen. De gedachten klinken zwaarder dan gewild, maar het is niet anders.
We praten nog na, zittend op het gras. De zon komt af en toe tussen de wolken. Zouden ze zien dat ik eigenlijk een beetje verlegen ben? Ze vertellen over hun wereld. Hoe alles soms op hun schouders drukt, en hoe ze op die druk antwoorden. Ontroerend hoe ze zo kwetsbaar maar ook zo groot lijken in hun antwoorden. Alsof ze al iets weten waar ik zoveel jaar meer voor nodig had.
Soms lijken ze oud in een jong lichaam. Ergens onderweg zullen ze elkaar nog tegenkomen. En zullen de stukken in elkaar passen, of misschien wel niet. Het geworstel dat nog voor de deur staat, je zou het soms willen wegnemen, of ook weer niet. Misschien kunnen zij het wel veel beter. En al het goede dat ik hun zou willen wensen, het ontroert me meer dan iemand mag zien.
Ik zeg het ook tegen een van hen: er zijn zoveel mooie mensen hier. Als een eiland waar je naartoe zou kunnen gaan. Het zou mooi zijn om hier gewoon te blijven zitten, en alleen maar te kijken. Kijken hoe ze gretig en ontwapenend zichzelf zijn.
Iemand van hen komt me zeggen dat ze mijn stem mooi vond om naar te luisteren in het debat. Heel even sprakeloos…
Misschien zou ik even moeten buigen voor ik wegga. Een kleine knik, nauwelijks waarneembaar. Uit dank. De tijd gaat door. Ze zijn nog even hier. Tussen de bomen. Ik verlaat deze plek, weer op weg naar elders.
Het spreken verlaat mijn lichaam langzaam. De woorden drijven weg. Tot er alleen nog een zachte stroming is. Daar zou je moeten wachten. Tot je weer helemaal niemand bent. Alleen de beweging van het water. En die overgave.
05 juli 2009
Forgetful Heart
In welke zelf trek je jezelf terug nadat je de voordeur hebt dichtgetrokken? Soms zou je het willen kunnen kiezen. Soms zou je een van hen willen uitkiezen. Die netjes uitspreiden, en er dan zachtjes in schuiven. Niet het doorgangshuis zijn van al die andere.
Soms zou je willen kunnen kiezen welke dromen je bezoeken, welke herinneringen via een flank het terrein opkomen, welke verlangens hun opwachting maken.
En soms niet. Soms wil je alleen maar toekijken.
Een zwoele plakkerige nacht. Je beweegt in en uit iets wat slaap zou kunnen zijn. Ergens dichtbij of veraf hoor je roepen. Een zoveelste ruzie. Het gekrijs van kinderen en hun mama, wie het van wie heeft gespiegeld is niet zo duidelijk. Het zal ook daar te warm zijn waarschijnlijk. De buik is hard. Zoeken naar volle aandacht voor de adem, zodat die alleen nog zichzelf voelt. Pas daarna zal het lichaam zich terug kunnen loslaten. Even rondwandelen in het huis. Kijken naar de lichten die nog aan zijn in het uitzicht. Er zijn nog mensen wakker. Misschien zoeken ze verhalen.
Het verdriet kan je overvallen. Wanneer je het het minst verwacht. Ineens komt het naar je toe. En zal ook weer weggaan straks.
Hoe zou het zijn als je alle verhalen over de liefde zou vertellen? Of er minstens aan zou beginnen? Na even zou je het verschil niet meer zien tussen de tijd en de verhalen.
Alles is er nog, daar in je huid. Net als het landschap zich alles herinnert. Ergens. En toch. Toch schuiven de woorden en de beelden door elkaar. Soms verder weg van waar je staat. Alsof je ze zou verliezen. Soms kun je ernaar verlangen dat het zo zou zijn. Soms zou je niet willen dat er iets zou kunnen verdwijnen. En wie je bent, weet je niet.
Hoe je elkaar aanraakt, in alles wat niet gezegd wordt. Hoe je kijkt naar de woorden, die niet verder mogen gaan dan wat ze zijn. Misschien is er genoeg troost in het ritueel.
Een dans komt terug. Toen, daar en daar. Even leek alles te kloppen. Even was er niets dat op luchtweerstand leek te wijzen. En de overgave. Een tijdelijk verbond. Zolang de dans duurde.
Misschien zou er een briefvrijstelling moeten worden ingevoerd. Een moment, een dag, waarop iedereen alleen maar brieven mag schrijven. Met een pen. Met inkt, die tijd vraagt om te drogen. Met papier dat teder benaderd wil worden. En met alle verhalen die alleen daar kunnen leven, in die brieven. Alles mag gezegd worden, maar alles blijft in de brief.
In de woorden kun je wonen. Soms zoek je ze op. Soms spreek je ze uit. Soms schrijf je ze. Om ze voor je te zien. Zodra ze er zijn, kan de wind gaan liggen. Heel even vallen de stukken in elkaar zoals ze bedoeld zijn. Ze zijn ergens bewaard, aan de binnenkant van je huid. In hun afwezigheid. Tot ze telkens weer gevuld worden door de juiste woorden.
Je hoort hoe de zanger het mooie lied voor het eerst voor een publiek zingt. Je houdt je adem in. Zoveel opgespaarde pijn. In een lied dat komt en gaat. Een verhaal even in de tijd gevat. Terwijl je het hoort, verdwijnt het. Dat je het kunt horen, bewijst dat er ook iets niet kan verdwijnen. Misschien kun je alleen in dat mysterie bewegen.
Soms zou je willen kunnen kiezen welke dromen je bezoeken, welke herinneringen via een flank het terrein opkomen, welke verlangens hun opwachting maken.
En soms niet. Soms wil je alleen maar toekijken.
Een zwoele plakkerige nacht. Je beweegt in en uit iets wat slaap zou kunnen zijn. Ergens dichtbij of veraf hoor je roepen. Een zoveelste ruzie. Het gekrijs van kinderen en hun mama, wie het van wie heeft gespiegeld is niet zo duidelijk. Het zal ook daar te warm zijn waarschijnlijk. De buik is hard. Zoeken naar volle aandacht voor de adem, zodat die alleen nog zichzelf voelt. Pas daarna zal het lichaam zich terug kunnen loslaten. Even rondwandelen in het huis. Kijken naar de lichten die nog aan zijn in het uitzicht. Er zijn nog mensen wakker. Misschien zoeken ze verhalen.
Het verdriet kan je overvallen. Wanneer je het het minst verwacht. Ineens komt het naar je toe. En zal ook weer weggaan straks.
Hoe zou het zijn als je alle verhalen over de liefde zou vertellen? Of er minstens aan zou beginnen? Na even zou je het verschil niet meer zien tussen de tijd en de verhalen.
Alles is er nog, daar in je huid. Net als het landschap zich alles herinnert. Ergens. En toch. Toch schuiven de woorden en de beelden door elkaar. Soms verder weg van waar je staat. Alsof je ze zou verliezen. Soms kun je ernaar verlangen dat het zo zou zijn. Soms zou je niet willen dat er iets zou kunnen verdwijnen. En wie je bent, weet je niet.
Hoe je elkaar aanraakt, in alles wat niet gezegd wordt. Hoe je kijkt naar de woorden, die niet verder mogen gaan dan wat ze zijn. Misschien is er genoeg troost in het ritueel.
Een dans komt terug. Toen, daar en daar. Even leek alles te kloppen. Even was er niets dat op luchtweerstand leek te wijzen. En de overgave. Een tijdelijk verbond. Zolang de dans duurde.
Misschien zou er een briefvrijstelling moeten worden ingevoerd. Een moment, een dag, waarop iedereen alleen maar brieven mag schrijven. Met een pen. Met inkt, die tijd vraagt om te drogen. Met papier dat teder benaderd wil worden. En met alle verhalen die alleen daar kunnen leven, in die brieven. Alles mag gezegd worden, maar alles blijft in de brief.
In de woorden kun je wonen. Soms zoek je ze op. Soms spreek je ze uit. Soms schrijf je ze. Om ze voor je te zien. Zodra ze er zijn, kan de wind gaan liggen. Heel even vallen de stukken in elkaar zoals ze bedoeld zijn. Ze zijn ergens bewaard, aan de binnenkant van je huid. In hun afwezigheid. Tot ze telkens weer gevuld worden door de juiste woorden.
Je hoort hoe de zanger het mooie lied voor het eerst voor een publiek zingt. Je houdt je adem in. Zoveel opgespaarde pijn. In een lied dat komt en gaat. Een verhaal even in de tijd gevat. Terwijl je het hoort, verdwijnt het. Dat je het kunt horen, bewijst dat er ook iets niet kan verdwijnen. Misschien kun je alleen in dat mysterie bewegen.
04 juli 2009
Bezoek

Julia kwam het beeld in wandelen. Ze stond me op te wachten voor het raam. Bellen deed ze niet. Ze had alle tijd. Toen ik buiten kwam, glimlachte ze even. Ze streelde even over mijn wang en keek me diep aan. Is alles goed? Dat wilde ze weten. Ja, zei ik, alles is goed. Alles? Ze keek me een beetje wantrouwig aan. Bijna alles dan toch, zei ik.
Zullen we even gaan wandelen? Ze keek eerst nog even naar het huis. Ze had iets kunnen zeggen over oud en zo, over slecht onderhouden ramen. Maar ze deed het niet. Mooie bloemetjes, zei ze. Ik nam haar arm, en we gingen de stad in.
Ik stelde haar even voor aan de man in de winkeldeur. Tussen hopen vers fruit. Ze knikte even, en we gingen weer verder. Dat ze daar ook dadels hebben, zei ik nog.
Hoe het nu met haar knieën was, wilde ik weten. Of ze nog steeds met haar handen over haar knieën wreef, zodra ze zat. Dat deed ze nog wel, zei ze, omdat dat een goede gewoonte was. Maar pijn deed het niet meer. Dat is dan wel een van de voordelen van overgaan naar de andere kant.
Soms stopte ze even om lang naar me te kijken. Zonder iets te zeggen.
Hoe zit dat dan, wou ik weten. Is het echt zo dat een geest steeds waakt over de levenden? Of beeld je jezelf dat alleen maar in? Ze keek me aan met een van haar bekende droge blikken. Zie ik er dan als een geest uit? Ik wist even niet meer wat te zeggen. Ja, zei ze, ik ben er wel altijd. Maar het is niet belangrijk om dat ook te laten merken de hele tijd, liever niet zelfs. Het zou bij jou toch geen effect hebben, daarvoor lijken we te veel op elkaar. Ik kijk gewoon, en denk er het mijne van.
De druiven zijn er weer bijna, zei ik. Misschien waren ze er al, gisteren op de markt, maar heb ik ze nog niet gezien. Haar ogen begonnen te glimmen. De druiven. Sommige dingen veranderen niet.
Soms moet je toch wat beter voor jezelf zorgen, zei ze. Laat die anderen maar. Ze wou er nog iets achteraan zeggen, maar deed het niet. Ik zag in haar ogen wat het was.
Zullen we even op een bank gaan zitten? Nee, het hoeft niet, laten we gewoon verder gaan. Alles is goed.
Waarom ben je nu gekomen? Ik wilde het graag weten. Het was tijd, zei ze. Ik voelde dat het tijd was. En je hebt sterke armen, ik kon er altijd goed op leunen, omdat je zo groot bent. Ik mis ze wel eens.
En wat met alles wat ik niet gezegd heb, vroeg ik. Ik weet alles, zei ze, maak je maar geen zorgen.
Zullen we maar niet over de kinderen praten? Zullen we doen alsof we het er niet over gehad hebben? Vroeg ik. Dat is goed, zei ze, terwijl ze me lang aankeek.
Het was warm, de voorbije week, zei ik. Ik moest vaak aan jou denken. Ik heb er ook last van, net als jij toen. Maar ik heb wel geleerd om te drinken als het warm is, dat vond jij altijd zo moeilijk. Of je had er gewoon geen zin in, dat kan ook. Nippen aan een glas, die omschrijving is ooit voor jou uitgevonden.
Zo ver mogelijk stappen, en zo weinig mogelijk straten moeten oversteken, dat is het plan.
Hoe gaat het met je buik, is het nog steeds in orde? Heel even leek er iets van angst in haar ogen. Ja, het is goed, zei ik. Ik was blij dat ik je nog kon laten zien dat het goed ging, voor je vertrok van hier. Ik weet het, zei ze, maar je moet er toch goed voor zorgen, zodat het zeker niet terugkomt. Ik kan daar zelf niet zoveel aan doen, zei ik, buiten gewoon goed opletten. Ik weet het, zei ze, maar je moet er toch goed voor zorgen, zodat het niet terugkomt. Dat zal ik doen, zei ik, voor jou.
Het is weer tijd om te vertrekken, zei ze. Hoe moet dat dan, vroeg ik. Gewoon, zei ze, ik ga hier alleen verder, en draai daar die straat in, en dan ben ik weg. En kom je nog terug, vroeg ik. Ik ben er toch altijd, zei ze, dus echt terugkomen kan ik niet. Maar ik kom zeker nog terug. En ze vertrok zonder nog een keer om te kijken.
Zullen we even gaan wandelen? Ze keek eerst nog even naar het huis. Ze had iets kunnen zeggen over oud en zo, over slecht onderhouden ramen. Maar ze deed het niet. Mooie bloemetjes, zei ze. Ik nam haar arm, en we gingen de stad in.
Ik stelde haar even voor aan de man in de winkeldeur. Tussen hopen vers fruit. Ze knikte even, en we gingen weer verder. Dat ze daar ook dadels hebben, zei ik nog.
Hoe het nu met haar knieën was, wilde ik weten. Of ze nog steeds met haar handen over haar knieën wreef, zodra ze zat. Dat deed ze nog wel, zei ze, omdat dat een goede gewoonte was. Maar pijn deed het niet meer. Dat is dan wel een van de voordelen van overgaan naar de andere kant.
Soms stopte ze even om lang naar me te kijken. Zonder iets te zeggen.
Hoe zit dat dan, wou ik weten. Is het echt zo dat een geest steeds waakt over de levenden? Of beeld je jezelf dat alleen maar in? Ze keek me aan met een van haar bekende droge blikken. Zie ik er dan als een geest uit? Ik wist even niet meer wat te zeggen. Ja, zei ze, ik ben er wel altijd. Maar het is niet belangrijk om dat ook te laten merken de hele tijd, liever niet zelfs. Het zou bij jou toch geen effect hebben, daarvoor lijken we te veel op elkaar. Ik kijk gewoon, en denk er het mijne van.
De druiven zijn er weer bijna, zei ik. Misschien waren ze er al, gisteren op de markt, maar heb ik ze nog niet gezien. Haar ogen begonnen te glimmen. De druiven. Sommige dingen veranderen niet.
Soms moet je toch wat beter voor jezelf zorgen, zei ze. Laat die anderen maar. Ze wou er nog iets achteraan zeggen, maar deed het niet. Ik zag in haar ogen wat het was.
Zullen we even op een bank gaan zitten? Nee, het hoeft niet, laten we gewoon verder gaan. Alles is goed.
Waarom ben je nu gekomen? Ik wilde het graag weten. Het was tijd, zei ze. Ik voelde dat het tijd was. En je hebt sterke armen, ik kon er altijd goed op leunen, omdat je zo groot bent. Ik mis ze wel eens.
En wat met alles wat ik niet gezegd heb, vroeg ik. Ik weet alles, zei ze, maak je maar geen zorgen.
Zullen we maar niet over de kinderen praten? Zullen we doen alsof we het er niet over gehad hebben? Vroeg ik. Dat is goed, zei ze, terwijl ze me lang aankeek.
Het was warm, de voorbije week, zei ik. Ik moest vaak aan jou denken. Ik heb er ook last van, net als jij toen. Maar ik heb wel geleerd om te drinken als het warm is, dat vond jij altijd zo moeilijk. Of je had er gewoon geen zin in, dat kan ook. Nippen aan een glas, die omschrijving is ooit voor jou uitgevonden.
Zo ver mogelijk stappen, en zo weinig mogelijk straten moeten oversteken, dat is het plan.
Hoe gaat het met je buik, is het nog steeds in orde? Heel even leek er iets van angst in haar ogen. Ja, het is goed, zei ik. Ik was blij dat ik je nog kon laten zien dat het goed ging, voor je vertrok van hier. Ik weet het, zei ze, maar je moet er toch goed voor zorgen, zodat het zeker niet terugkomt. Ik kan daar zelf niet zoveel aan doen, zei ik, buiten gewoon goed opletten. Ik weet het, zei ze, maar je moet er toch goed voor zorgen, zodat het niet terugkomt. Dat zal ik doen, zei ik, voor jou.
Het is weer tijd om te vertrekken, zei ze. Hoe moet dat dan, vroeg ik. Gewoon, zei ze, ik ga hier alleen verder, en draai daar die straat in, en dan ben ik weg. En kom je nog terug, vroeg ik. Ik ben er toch altijd, zei ze, dus echt terugkomen kan ik niet. Maar ik kom zeker nog terug. En ze vertrok zonder nog een keer om te kijken.
01 juli 2009
Weerstand der dingen
Je denkt dat je soepel door de ruimte beweegt. Kan ook gewoon snel zijn. Je denkt dat je laveert tussen de dingen, als een kleine ballerina in je hoofd. Niet blijkbaar in je lichaam. Dat steeds wel ergens achter blijft haken. (Wat je ook doet, die klink aan de deur naar de kelder, ze is gemaakt om aan te blijven haken met iets. Misschien moet je enkel in geheel ontklede toestand door het huis, en alleszins naar de kelder gaan.) Het lichaam lijkt te groot. Is dat ook zo? Rondkijken naar andere lijven. Velen zijn kleiner. Velen hebben nog allerlei andere uitsteeksels, die ook overal achter zouden kunnen blijven hangen. Misschien zouden ze in- en uitschuifbare lichamen moeten maken. Als je dan een minder sierlijke dag hebt, kun je gewichtloos en conflictvrij door de ruimte gaan. Kun je zelfs jezelf wijsmaken dat je niet alles hoeft op te ruimen, je kunt er steeds omheen.
In dezelfde categorie. Misschien bestaan er mensen die het kunnen. Onderaan in hun kast hun collectie Tupperware-potjes zo stapelen dat ze er niet allemaal uit vallen als je er een uitneemt. Misschien zijn er mensen die ook netjes op hun knieën voor hun kast gaan zitten om alles na gebruik netjes weer in en op elkaar te stapelen. Je kunt jezelf overtuigen dat je een magische worp met tegenbeweging hebt waardoor je dat potje van op een afstand sierlijk in de kast kunt keilen. En dat op zo’n manier dat alles wonderwel bij elkaar blijft. Om dan toch maar elke keer opnieuw vast te stellen dat die eigenwijze rotdingen er weer anders over dachten. Voor mensen met een bovengemiddelde lengte zouden lage en diepe kasten moeten verboden worden, of zo. Of moeten andere smoezen dringend bedacht worden.
Of ook. De schuif met het bestek op het werk. Om een of andere mysterieuze reden blijken er massa’s bestek doorheen het hele gebouw te reizen. Misschien is de afwasmachine op die verdieping bijzonder geliefd bij de verzamelde messen, vorken en lepels. Soms verdwijnen ze weer vanzelf, maar soms blijven ze ook. Bij het leegmaken van de machine doe je het eerst nog netjes. Alle messen in dat vakje, de vorken in het andere, en de lepels daarnaast. Onderaan is een kleiner vakje voor de kleine lepeltjes. Maar bij de grote vakken is er nog altijd een open. Wat moet daar dan in? Existentiële vraag. Te beschouwen als de volle leegte of zo. Alles gaat goed tot de vakjes een beetje te vol zijn. Er is een zekere mate van overloop. Die wordt nog getolereerd, tot er nog meer bestek in moet. Het wordt een bestekwelving. En dan de schuif weer terug proberen te duwen, maar het lukt niet meer. Je moet dan eigenlijk een beetje rammelen, zodat alles verspreid wordt, en van de oorspronkelijke ordening, nochtans ook van existentieel belang, blijft niets meer over.
Na jaren intensieve training nog steeds geen manier gevonden om die slang met buis van de stofzuiger even tijdelijk weg te zetten – terwijl je even wat stoelen of zo moet verschuiven – zonder dat ze omvalt. Stofzuigers zijn waarschijnlijk deel van een gigantisch kosmisch pedagogisch project gericht op zelfopvoeding. Soms lukt het om die slang even achter een deurklink te klemmen (een klink waar je zelf de dag daarvoor weer met een hemd aan bleef hangen), wat tot grote voldoening leidt, die evenwel meestal van kortstondige aard is.
Misschien bestaan er ook masteropleidingen in het weggooien van kleren. Niet simpel. Het gaat in fases. Vergelijkbaar met het nog niet verwijderen van etensrestjes uit de koelkast (hoewel dat toch gemakkelijker is). Nu nog niet dus, maar volgende keer wel. Misschien zijn er officiële richtlijnen die bepalen hoeveel gaten er mogen zitten in een oude onderbroek vooraleer ze echt, en dan ook echt, definitief uitgefaseerd moet worden. Zou kunnen. Je bereidt je erop voor, gedurende enkele dagen. Met grote concentratie spreek je jezelf toe dat je niet zult weglopen van deze moeilijke taak. En dan gaat het snel. Twee hopen. Een van niet meer aan te doen, maar nog wel door te geven aan het kringloopuniversum. Een van niet meer aan te doen, niet meer te redden, en zelfs geen vagevuur meer. Snel in grote zakken stoppen, vooraleer je je zou kunnen bedenken. En nadien nood hebben aan iets zoets. Wat moet er dan getroost worden?
Het vrijdagavondtelevisiegevoel. Het is eindelijk vrijdagavond. Je had al een zware week. Met drie vergaderingen. Telkens laat thuis. Telkens plichtsgetrouw denken aan het vroeg opstaan van de dag daarna. En toch nog te weinig slapen. En dan is het vrijdag. Aan jezelf zeggen dat je nu eindelijk lang mag opblijven. Om dan al tegen kwart voor negen vast te stellen dat je de hele tijd in slaap dreigt te sukkelen. En toch hardnekkig volhouden tot het laat genoeg is om aan jezelf te kunnen zeggen dat het laat genoeg is. Om dan vast te stellen dat je zaterdagochtend toch weer om half zeven wakker wordt. Waarna het zaterdagochtendbedgevoel begint. Nog niet opstaan, want het is toch zaterdag. Proberen nog enkele fijne dromen te rekken. Wat soms ook wonderwel lukt. Maar soms ook niet. En dan toch maar opstaan. Want gewoon blijven liggen is toch ook wel behoorlijk decadent, of zo. En allerlei nuttige dingen waarmee je jezelf toespreekt terwijl je de douche in stapt. Het wordt alleszins een schitterende dag. Maar waarom valt die douchezeep telkens weer van dat houdertje…?
In dezelfde categorie. Misschien bestaan er mensen die het kunnen. Onderaan in hun kast hun collectie Tupperware-potjes zo stapelen dat ze er niet allemaal uit vallen als je er een uitneemt. Misschien zijn er mensen die ook netjes op hun knieën voor hun kast gaan zitten om alles na gebruik netjes weer in en op elkaar te stapelen. Je kunt jezelf overtuigen dat je een magische worp met tegenbeweging hebt waardoor je dat potje van op een afstand sierlijk in de kast kunt keilen. En dat op zo’n manier dat alles wonderwel bij elkaar blijft. Om dan toch maar elke keer opnieuw vast te stellen dat die eigenwijze rotdingen er weer anders over dachten. Voor mensen met een bovengemiddelde lengte zouden lage en diepe kasten moeten verboden worden, of zo. Of moeten andere smoezen dringend bedacht worden.
Of ook. De schuif met het bestek op het werk. Om een of andere mysterieuze reden blijken er massa’s bestek doorheen het hele gebouw te reizen. Misschien is de afwasmachine op die verdieping bijzonder geliefd bij de verzamelde messen, vorken en lepels. Soms verdwijnen ze weer vanzelf, maar soms blijven ze ook. Bij het leegmaken van de machine doe je het eerst nog netjes. Alle messen in dat vakje, de vorken in het andere, en de lepels daarnaast. Onderaan is een kleiner vakje voor de kleine lepeltjes. Maar bij de grote vakken is er nog altijd een open. Wat moet daar dan in? Existentiële vraag. Te beschouwen als de volle leegte of zo. Alles gaat goed tot de vakjes een beetje te vol zijn. Er is een zekere mate van overloop. Die wordt nog getolereerd, tot er nog meer bestek in moet. Het wordt een bestekwelving. En dan de schuif weer terug proberen te duwen, maar het lukt niet meer. Je moet dan eigenlijk een beetje rammelen, zodat alles verspreid wordt, en van de oorspronkelijke ordening, nochtans ook van existentieel belang, blijft niets meer over.
Na jaren intensieve training nog steeds geen manier gevonden om die slang met buis van de stofzuiger even tijdelijk weg te zetten – terwijl je even wat stoelen of zo moet verschuiven – zonder dat ze omvalt. Stofzuigers zijn waarschijnlijk deel van een gigantisch kosmisch pedagogisch project gericht op zelfopvoeding. Soms lukt het om die slang even achter een deurklink te klemmen (een klink waar je zelf de dag daarvoor weer met een hemd aan bleef hangen), wat tot grote voldoening leidt, die evenwel meestal van kortstondige aard is.
Misschien bestaan er ook masteropleidingen in het weggooien van kleren. Niet simpel. Het gaat in fases. Vergelijkbaar met het nog niet verwijderen van etensrestjes uit de koelkast (hoewel dat toch gemakkelijker is). Nu nog niet dus, maar volgende keer wel. Misschien zijn er officiële richtlijnen die bepalen hoeveel gaten er mogen zitten in een oude onderbroek vooraleer ze echt, en dan ook echt, definitief uitgefaseerd moet worden. Zou kunnen. Je bereidt je erop voor, gedurende enkele dagen. Met grote concentratie spreek je jezelf toe dat je niet zult weglopen van deze moeilijke taak. En dan gaat het snel. Twee hopen. Een van niet meer aan te doen, maar nog wel door te geven aan het kringloopuniversum. Een van niet meer aan te doen, niet meer te redden, en zelfs geen vagevuur meer. Snel in grote zakken stoppen, vooraleer je je zou kunnen bedenken. En nadien nood hebben aan iets zoets. Wat moet er dan getroost worden?
Het vrijdagavondtelevisiegevoel. Het is eindelijk vrijdagavond. Je had al een zware week. Met drie vergaderingen. Telkens laat thuis. Telkens plichtsgetrouw denken aan het vroeg opstaan van de dag daarna. En toch nog te weinig slapen. En dan is het vrijdag. Aan jezelf zeggen dat je nu eindelijk lang mag opblijven. Om dan al tegen kwart voor negen vast te stellen dat je de hele tijd in slaap dreigt te sukkelen. En toch hardnekkig volhouden tot het laat genoeg is om aan jezelf te kunnen zeggen dat het laat genoeg is. Om dan vast te stellen dat je zaterdagochtend toch weer om half zeven wakker wordt. Waarna het zaterdagochtendbedgevoel begint. Nog niet opstaan, want het is toch zaterdag. Proberen nog enkele fijne dromen te rekken. Wat soms ook wonderwel lukt. Maar soms ook niet. En dan toch maar opstaan. Want gewoon blijven liggen is toch ook wel behoorlijk decadent, of zo. En allerlei nuttige dingen waarmee je jezelf toespreekt terwijl je de douche in stapt. Het wordt alleszins een schitterende dag. Maar waarom valt die douchezeep telkens weer van dat houdertje…?
Abonneren op:
Posts (Atom)