16 december 2010

Een plek in je hoofd


Een verkouden hoofd werkt anders, blijkbaar. Misschien is het iets dat onder je huid gebeurt, en zo je hoofd verandert. Het voelt als een lichte koorts. Ze leidt tot een lichte verdwazing. Je schuift in en uit dromen, in en uit de slaap. Ze zijn anders, die dromen. Er worden dingen verwisseld, er is iemand die je al dagen beschermde en op je wacht om je weg te halen, er lijken tussenschotten verdwenen. Het is alsof er hier in de nacht een andere plek is, met een andere werkelijkheid. Het is niet onaangenaam uiteindelijk. Je weet niet wat er zal zijn aan de kant waar het weer dag is, en je beseft dat je dat niet erg vindt, eigenlijk. En als de ochtend komt, blijken alle dromen nog in je hoofd te zijn. Geen enkele is verdwenen. Misschien wil je wel een helder hoofd, maar naar die andere plek zou je misschien ook wel terug willen, heel even.

Je zit in de wagon met de lange rijen zitplaatsen langs de ramen. Je zit er in twee rijen tegenover elkaar. Er is iets met al die mannen hier. Ze ploffen neer, doen hun benen uit elkaar, en lijken hun breedste schouders op te zetten. Waardoor al wie ernaast zit als het ware in elkaar wordt geplooid. Je ziet ze overal zitten, brede mannen, en even brede maar in elkaar geplooide mannen. Je beseft dat je eigen schouders waarschijnlijk even breed zijn. Je durft het alleen niet aan om zo imperialistisch alle ruimte voor je schouders op te eisen. Je buigt half voorover, waardoor de brede mannen links en rechts van jou elkaar zouden kunnen raken, als ze dat zouden willen. Je trekt je terug in iets. Er zijn te veel brede mannen met hun benen wijd open hier, denk je nog. Je zou ergens anders willen zijn. Je verdwijnt in de woorden die je voor je hebt, je leest ze grondiger dan anders.

Een interessant gesprek, maar het is al laat, en je bent eigenlijk al te moe, je zou al in je bed moeten liggen. Te veel zinnen die niet kunnen worden afgemaakt. Te veel gedachten die hun weg niet krijgen. Er wordt iets gezegd over innerlijke vrede. Over tijd om je terug te trekken, tijd voor spiritualiteit. Er is veel over te zeggen. Alleen niet als je zo moe bent, denk je nog. Het gesprek zal een ander moment wel weer verder gaan. Terwijl je naar huis loopt, in de nacht, denk je nog: soms is spiritualiteit gewoon een plek in je hoofd, het gaat niet altijd over tijd. Later zul je nog een artikel lezen over verwondering. Misschien is dat ook wel een plek.

Je bent op weg naar huis, en je voelt hoe enkele te korte nachten hebben gemaakt dat je anders kijkt naar de mensen die voor je lopen. Eerst denk je nog dat ze inderdaad te weinig rekening houden met anderen, en doen alsof de hele ruimte van hen is, of zoiets. Tot je beseft dat het alleen in jouw hoofd zo is. Het ligt aan hoe je kijkt. En je komt thuis, en je hoopt stiekem dat er niemand zal bellen, alleen voor nu dan, zodat je alles na elkaar kunt doen, rustig en traag, alsof je helemaal verdwijnt in deze plek.

Je zit in de zaal te luisteren naar het debat. En je ziet alle mensen daar. Ze lijken nog zo jong. En even komt het allemaal terug, hoe jij, zoveel jaar geleden, in deze zaal zat te luisteren. Je weet niet meer zeker welke les je ooit had in deze zaal. Maar je hebt een vaag vermoeden. Zij staan nog helemaal voor iets, iets waar jij al voorbij bent, voor een deel toch, zeg je er meteen bij. Heel even maakt het je droef, te beseffen wat zij nog zullen zien. En je bent bij de oude mensen, zo blijkt later. En het is niet erg, denk je nog. Je hebt er al die tijd over gedaan om een plek te vinden, ergens in je hoofd.

Af en toe kijk je om je heen, en je denkt: niemand hier weet wat er nu allemaal in mijn hoofd gebeurt, welke beelden daar door elkaar heen schuiven, en dat is maar goed ook. Niet dat de beelden niet mooi zouden zijn, integendeel, maar ze zijn van jou. Het is alsof je binnen staat, en door het raam naar buiten kijkt, waar alle anderen zijn. Je kunt altijd weg, je hoeft alleen maar het raam te openen, of door de deur te stappen, maar je kunt daar ook nog even mee wachten, en gewoon blijven. Voor even toch.

12 december 2010

De hemel

‘Ik heb het altijd wel gehad voor alten, en nu was het weer niet anders.’
‘Is dat zo?’
‘Ja, ze zijn altijd net dat beetje mysterieuzer. Ze kijken anders het publiek in, alsof ze een geheim hebben.’
‘En denk je dan dat ik ook een geheim heb?’
‘Natuurlijk, daar ben ik van overtuigd.’
‘Dan zal het wel zo zijn zeker?’
‘Toen ik je hoorde, dacht ik weer: zo moet de hemel klinken.’
‘Los van mij denk ik dat dat met die muziek zeker zo is. Ik heb het ook al vaak gedacht. Als er een hemel is, dan is Bach er ook.’
‘Misschien zullen we nooit dichter bij de hemel kunnen komen dan in die muziek. Voor het geval dat er toch geen hemel zou zijn.’
‘En waar ga je dat geheim dan proberen te ontfutselen? In de hemel, of toch maar hier?’
‘Volgens mij is hier toch een beetje veiliger.’
‘A zo, op die manier. En hoe ga je dat dan doen?’
‘Dat ga ik je niet verklappen.’
‘Je bent wel grappig.’
‘Wat is er? Waarom kijk je zo?’
‘Misschien lijkt het allemaal geweldig, die muzikanten, maar het is soms ook heel eenzaam. Ik ben de hele tijd onderweg. Er zijn natuurlijk de concerten, en dan weet je weer waarom je het allemaal doet. Maar soms voel je je ook alleen, als je na zo’n concert weer in je eentje de nacht in gaat.’
‘Misschien zijn alten gevoeliger voor dat soort dingen. Ik denk altijd dat sopranen meer houden van de glamour. Misschien hebben zij wel meer aanleg om diva’s te worden. Maar alten begrijpen meer van de diepte van het leven, ze kennen de melancholie beter. Althans, zo stel ik het me altijd voor.’
‘Je zou wel eens gelijk kunnen hebben.’
‘Vertel eens een verhaal.’
‘Het is nog te vroeg, denk ik. Het duurt lang bij mij eer de verhalen komen.’
‘Ik heb alle tijd, maak je maar geen zorgen.’
‘Dat doe ik niet.’
‘Toen ik je daar zag staan zingen, leek het alsof het met de dingen toch nog goed zou kunnen komen. Met die stem die iets lager is, ben je dichter bij het leven, bij de pijn en het verdriet die erbij horen, en tegelijk zijn er dan die melodieën die het andere leven dichterbij brengen. Maar dat andere leven is niet helemaal elders, of in een andere dimensie, het is ook een beetje verbonden met de aarde. Wat ik hier allemaal zeg slaat waarschijnlijk nergens op, maar beter krijg ik het niet uitgelegd.’
‘Het is heel mooi, het ontroert me. Als ik je zo hoor, denk ik dat ik zo’n alt wel zou willen zijn.’
‘Ben je dat dan niet?’
‘Ik weet het niet. Je ziet me daar op dat podium in een bepaalde houding, een bepaalde rol. Ik sta daar mooi rechtop, met mooie kleren aan, geconcentreerd. Ik ben omringd door muzikanten, en kan een beetje verdwijnen in de muziek. Maar als dat er allemaal niet is, ben ik misschien wel niemand meer.’
‘Toch wel, je bent toch hier nu.’
‘Ja, misschien wel. Ik weet het niet zo goed, laat maar. Het komt nog wel.’
‘Wil je af en toe niet iets geks doen?’
‘Natuurlijk. Misschien doe ik dat ook wel, maar weet jij dat nog niet.’
‘Vanzelfsprekend.’
'Wat is er?'
‘Misschien zijn er wel twee kanten aan jou, een gekke en een melancholische.’
‘Ben je dan toch dichter bij het geheim aan het komen?’
‘Als jij het zegt.’
‘Ik zeg niets. Jij moet het maar ontdekken.’
‘Wat ik me vaak afvraag, zoals vandaag bij dat concert, is hoe jij voor jezelf voelt dat het goed was of niet. De ene dag is je stem misschien beter dan de andere, de ene dag lijkt alles te lukken, en de andere dag moet je hard werken, maar is er iets dat je zoekt, en heb je het ooit al gevonden?’
‘Dat is een moeilijke vraag. Of eigenlijk is het vooral een moeilijk antwoord. Er is inderdaad iets dat ik zoek, en heel af en toe heb ik het gevoel dat ik er dicht bij kom, maar vaak lijkt het alsof het uit mijn vingers glipt. Maar het is moeilijk om uit te leggen.’
‘Wil je daar straks nog iets over vertellen dan?’
‘Misschien wel, ik weet het nog niet.’
‘Toen ik je zag zingen, dacht ik: ik ga straks naar haar toe en vraag of ze mee naar de hemel zou willen gaan.’
‘Dacht je dat echt?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘En ga je mij dat nu dan ook vragen?’
‘Wil je meegaan naar de hemel?’
‘Waar is die dan?’
‘Daar zo, achter die hoek, en dan nog een stukje verder.’
‘Ja, ik ga mee.’

11 december 2010

Testament


Het testament wordt voorgelezen. Je luistert, en knikt tussendoor. Het klinkt net echt, een beetje te gewichtig zelfs. Even slik je als je de omschrijving “de laatste wil” hoort. Je kijkt wat verlegen naar de twee oude mannen die de getuigen zijn van dit moment. Je kijkt nog even rond, er is verder niemand die je kent in deze ruimte. Of dat erg is, net wel, of net niet, weet je niet zo goed. Het is wat het is.

Terwijl je nadien terug naar de trein loopt, vraag je je af of je je nu veiliger voelt. Misschien wel. Als alles wat kan gebeuren is voorbereid, is het dan gemakkelijker om zo te leven alsof er niets kan gebeuren? Misschien wel, wie weet.

Veiliger, misschien wel. Tegelijk valt een lome vermoeidheid over je. Je loopt langs de rivier. Aan de overkant staat een lange rij auto’s aan te schuiven. Ze zijn ergens naar op weg.

Of je je nog snel zult haasten om nog net een trein te halen om nog even net misschien een aansluiting te halen een station verder. Toch maar niet. Je blijft hier zitten. Op een donker perron. Iets vanbinnen verhindert dat je je warm voelt. Pas uren later, als je in je bed kruipt, zal de koude van onder je huid verdwijnen.

Of je genoeg testament hebt, vraag je je nog af. Misschien moet je nog zoveel aan zovelen vertellen. Hoewel. Misschien kun je erop vertrouwen dat je al genoeg gezegd hebt, dat ze al weten wat je voor hen voelt. Misschien moet je toch nog een grote stapel brieven maken, gewoon zodat ze klaarliggen.

Het is raar. Dit koude donkere perron, aan de rand. Het is alsof je heel even aan de rand van het leven zit, en kijkt naar wat er beweegt op de andere perrons, als waren zij het volle leven. Dat er nog andere mensen naar dit perron komen, het had niet gehoeven. De twee oude mannen staan er rustig rond te kijken. Het zijn ook getuigen, maar van een andere soort. Zou jij er ooit ook zo staan, met jouw vriend? Zou je ook die droevige ogen hebben?

Misschien is het goed dat dit alles gebeurde in een andere stad. Misschien is het goed dat je terug moet gaan naar huis.

De trein komt eraan. Als een streep licht in het donker. De trein lijkt bescheiden, de ogen neergeslagen. Zwijgend vertrekt hij.

Ben je op die manier dan toch aanbeland in de tweede helft? Hoe lang of kort die ook nog zal zijn. Misschien wel.

Je zou iets willen delen, al weet je niet zo goed wat het is. Het zal wel niet zo erg zijn.

Even lijkt het alsof je verder van de dingen bent. Je moet er langzaam terug naartoe gaan. Je moet door de stad, door de lange straten, met flikkerende lichten, langs mensen met grote zakken en pakken, ze houden elkaar goed vast, je moet door de stad, terug naar huis.

En misschien zou je alleen maar willen gaan liggen. Alle gordijnen dicht. Met een dekentje, tot alles weer rustig wordt, je lichaam soepel. Maar het is nog niet voor nu. Je moet nog weg, er wachten nog mensen. Je zult je even over je eigen drempel moeten trekken.

En als je laat weer thuis komt, is het goed dat je eindelijk weer alleen bent. Je zou lang willen wachten op iets, maar dat kan niet. Het is tijd om te gaan slapen, er is weer een dag morgen. Je weet nu al wat er dan allemaal moet gebeuren.

Je kijkt nog even rond, loopt later nog even in het donker door het huis. Het huis lijkt bescheiden, de ogen neergeslagen. Zo had je het gewild. Het huis begint zich voorzichtig te vormen naar jouw huid.

08 december 2010

Kerststraat

Ik zag haar in de winkelstraat, langs waar ik elke dag weer naar huis kom. Ze kwam naast me lopen, en vroeg of ze haar arm in de mijne mocht haken. Dat was geen probleem. Ze heette Jozefien, en ze droeg een mooie muts – bijna een hoedje – in een donker oranje dat haar erg flatteerde.

‘Weet je, ik heb zo’n last van al dat kerstgedoe, hier in de winkelstraat. Je ziet iedereen voorbij slenteren, met grote zakken vol cadeaus, en steeds arm in arm. En ik wou dat ook wel eens doen. Toen zag ik jou, en ik dacht dat jij wel een brave man was.’

Een brave man. Dacht ik even dat ik geruisloos het sinterklaasfeest had gepasseerd, waardoor ik dus ook weinig of niets had gehoord over hoe braaf ik was geweest – buiten dat ene sms’je van een vriendin die me vroeg of de Sint was geweest en of ik braaf was geweest. Braaf, wat moet je daarmee? Maar goed, ik moet zeggen: het heeft wel iets, zo door de straat lopen.

Ze vertelde me alles over de nieuwe laarzen die ze wilde kopen. Ze had ondertussen in zeven winkels prospectie uitgevoerd, en moest nog enkel voor zichzelf de knoop doorhakken tussen vier modellen die nog op haar shortlist stonden.

‘Ik moet je iets bekennen. Dat van die arm, is niet enkel omwille van de kerststraat. Begrijp me niet verkeerd, je hebt een geweldige arm om te voelen en zo. Maar er is nog iets. Zie je daar die witte vuilniswagen aankomen? Dat is de vrachtwagen van mijn werk. Ik zit daar achter het stuur, vier dagen per week, en vandaag dus niet. We komen ook altijd hier in de straat om het vuilnis van de winkels weg te halen. Ik vind het een geweldige job, boven in de cabine. We hebben altijd heel veel plezier. Maar een van de mannen achteraan, David, die heeft denk ik een oogje op mij. Hij komt de hele tijd vooraan aan mijn deur hangen, om te kletsen, en onnozel te doen en zo. Ik doe ook graag onnozel, maar ik ben bang dat hij zich te veel in zijn hoofd haalt. En toen dacht ik: als ik nu met iemand aan mijn arm door de winkelstraat kan lopen, op het moment dat David voorbij komt, dan snapt hij misschien dat hij niet zoveel kans maakt.’

Ik wou nog vragen of ze in het kader van dat project speciaal op zoek was naar een brave man, maar net op dat moment kwam de vuilniswagen voorbij. Jozefien zwaaide opgewekt naar David, die er bijna af viel, en haar met open mond achterna keek.

‘Gewoon doorstappen, doen of er niets aan de hand is. En ook een beetje stoer of zo, kan dat?’

Ik deed mijn best om in volle breedte verder te stappen, in echte beschermmodus, want dat zou zo horen voor echte mannen, heb ik ergens gelezen. Helemaal opgelucht leek Jozefien toch ook weer niet. Ik vroeg haar wat er nog was.

‘Ik heb eigenlijk nog niet alles gezegd. Het is zo dat ik in feite niet echt val voor jongens. En al zeker niet voor David. Voor jou zou ik misschien nog een uitzondering maken, grapje! Maar als ik dat allemaal moet vertellen aan David, dan komt het helemaal niet meer goed. En ik vind het wel leuk om samen met hem, en de andere jongens op stap te zijn. Het is wel bijzonder, zo als enige vrouw op zo’n truck.’

Ik zei haar dat ik eigenlijk op de plek waar we ondertussen waren moest afslaan om naar huis te gaan. Ze vroeg of ze nog een eindje verder mee mocht, wat ook geen probleem was.

‘Er is nog een ander probleem. Mijn vriendin, Annelies, die wacht nu thuis op me. Op woensdag moet ik koken. En als ze daar al zit, dan word ik altijd zo zenuwachtig. Ik kan eigenlijk niet zo heel goed koken, en zeker niet als zij te veel op mijn vingers kijkt. Annelies is een geweldige vrouw, maar soms is ze een beetje streng. Ze heeft niet altijd veel humor, en ze is ook erg flirtbestendig, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik vond het zo geweldig, dat dat programma op televisie kwam, van de Anneliezen. Vond jij ook die bloemen in Depriland zo fantastisch? Ik lag altijd op de grond van het lachen, maar Annelies zag de humor er niet altijd van in. Nu ja, ze heeft dan weer andere geweldige kwaliteiten, dus het een compenseert het ander. Maar, samengevat, ik durf niet goed naar huis gaan. Gewoon stom uitstelgedrag, ik weet het wel.’

Ondertussen waren we bijna aan mijn huis. Ik stelde haar voor om Annelies te gaan halen, en bij mij te komen eten. Ik had nog een pot broccolisoep staan, en zou wel snel een ovenschotel maken met pasta. Haar gezicht klaarde helemaal op, en ze vloog me zowaar om de hals. Het werd nog een geweldige avond. En het bleek dat Annelies erg goed kan afwassen, en ook winnen met scrabble.

05 december 2010

Balsem


Het huis wordt weer stil. Na een trage middag met tijd. Het eten was op tijd klaar, en er was genoeg. Toch ben je altijd nog bang dat er te weinig zal zijn. Het is anders praten aan de tafel in het huis. Beter. De tijd neemt deze ruimte beter in.

De rug komt met vertraging, denk je nog.

Het donker kruipt langzaam rond het huis, zonder aarzeling. Het vult de kieren die er hadden kunnen zijn.

De beelden schuiven even langzaam door je hoofd. Je wachtte op het einde van de week om alles voorzichtig te verzamelen.

Het is anders slapen met een gordijn. Je laat toch nog een stukje open. Je kunt de wereld daarbuiten nog altijd vermoeden.

Heel even heel lang niets, dat zou ook wel wat zijn, denk je nog. En wachten tot alles zich uit je lichaam terugtrekt.

De zinnen uit het interview met de schrijver blijven in je hoofd hangen. “Daarom ben ik er ook van overtuigd dat je fictieve personages beter kan leren kennen dan je eigen ouders, bijvoorbeeld. In het echte leven spelen we rollen, zijn er tegenstrijdige belangen en conflicten die diepgaande empathie bemoeilijken. Verhalen laten ons toe om simultaan onszelf te vergeten en onszelf te ontdekken in een personage.” Je zou zijn stem willen horen, willen weten of ze zacht en bedachtzaam is.

Je bent nog net op tijd in de winkel. Je lijkt wel volgeladen als een kerstboom, met die rugzak en laptop. En je lijkt altijd al zo groot als je deze winkel binnen komt. Je let erop dat je vooral geen enkele bruuske of snelle beweging maakt waarmee je een hoop spulletjes uit een rek zou kunnen doen vallen. Het lukt allemaal behoorlijk. Je krijgt een mooi klein metalen potje met lippenbalsem. Later maak je het open, en voel je de balsem. Het lijkt heel even alsof de balsem onder je huid binnendringt en je lichaam zacht maakt. Heel voorzichtig sluit je het potje weer.

Misschien hoort een traag verlangen bij het uur van de dag. Wat er verlangd wordt weet je niet.

Misschien moet je de avond nog stiller maken. Misschien moet je de kaarsen aansteken. En alleen de warmte nog toelaten.

Je gaat trager lopen door de ruimte, heb je al gemerkt.

Je hebt niet alle dromen kunnen vasthouden in de week. Om een of andere reden had je gehoopt dat dat wel zou lukken.

Je haalt de zee even naar je toe.

Je hoopt dat de dingen zich traag neer zullen leggen, fluisterend, met het einde van de week tussen hun vingers.

04 december 2010

De kabeljauwen

Altijd interessant wat je als vragen krijgt wanneer je in een debat zit. Je hebt verschillende categorieën. Er zijn er die eigenlijk weinig te maken hebben met wat je al dan niet gezegd hebt. Zo heb je de categorie ‘ik heb eigenlijk helemaal geen vraag, maar nu ik toch lekker aan het praten ben, wil ik toch nog wel iets zeggen’. (Meestal mannen.) Er is de categorie ‘ik weet eigenlijk niet goed of je het daarover gehad hebt, en eigenlijk maakt dat ook niet zoveel uit, maar ik wil het toch sowieso hierover hebben’. En je hebt ook de categorie ‘het was allemaal wel interessant wat u zei, maar u heeft het niet gehad over x, of is er niet eerst nood aan een fundamentele verandering van x, of moeten we niet eerst de juiste analyse maken van x, …’. Er is natuurlijk niets mis met die vragen. Ze leiden vaak tot interessante discussies, ze geven mensen de kans om dingen te zeggen waar ze mee zitten, en ze geven jou de kans om rond heel wat onderwerpen na te moeten denken. En natuurlijk ligt het ook regelmatig aan jezelf, omdat je verhaal tijdens het debat niet duidelijk was of omdat je gewoon niet genoeg voorbereid was en alle argumenten vooraf goed had afgewogen.

Je hebt ook altijd reacties die je verbazen. Ze gaan vaak over heel fundamentele kwesties, die complex zijn of confronterend. Je had ze zelf uitgelokt, door een of andere stelling in het debat. Ze dagen je uit, of laten je een redenering horen die je schokt of in de war brengt. Zo was er de vraag: “Gaat u als ecologist eigenlijk niet uit van een veel te positief mensbeeld?” Interessant debat. Als je regels of afspraken moet ontwerpen om gewenste maatschappelijke doelen te bereiken, zoals bv. een beter klimaatbeleid, van welk soort mensbeeld ga je dan uit. Ga je ervan uit dat mensen alleen aan hun eigenbelang denken, en na-ijverig zijn? Ga je ervan uit dat mensen niet zelf kunnen beslissen, en dus een ‘sterke hand’ nodig hebben? Heel relevant allemaal. Het is ook enorm boeiend te zien hoe verschillende ideologische tradities in deze discussie ook verschillende posities innemen. Je kunt ook eindeloos lang discussiëren over allerlei inzichten uit onder meer psychologisch onderzoek naar hoe mensen reageren en op basis waarvan ze hun gedrag al dan niet veranderen.

Maar er is ook een dimensie aan die vraag die fascinerend is, omdat ze soms uitgaat van een cynische houding. Zo van ‘het heeft toch allemaal geen zin meer, de mens is slecht, de natuur is om zeep, de politiek is een hoop shit, de democratie werkt toch niet, en om de planeet nog te redden is het eigenlijk toch al te laat, en dan ga jij zeggen dat je gelooft in het goede dat in de mens zit?’ Het is fascinerend omdat je er als ecologist in hetzelfde debat van kunt beschuldigd worden dat je een doemdenker bent, en tegelijk dat je een te positieve kijk op de mens hebt.

En dan leg je uit dat je best wel weet dat mensen voor een deel worden gedreven door hun eigenbelang en door hun individuele geldingsdrang en dat soort dingen. Maar dat kan niet het hele verhaal zijn, zeg je dan. Mensen zijn niet alleen maar calculerende wezens, die ‘rationeel’ afwegen hoe ze hun positie op de ‘markt’ kunnen versterken. Mensen zijn in veel gevallen falende, haperende wezens, die er gewoon het beste van proberen te maken. Maar mensen zijn ook verbonden wezens, of willen dat ook zijn. Ze zijn geen afgesloten atomen, maar kunnen pas echt zichzelf zijn als ze ook met anderen verbonden kunnen zijn. Mensen willen heus ook wel zorgen voor anderen, kunnen zich het leed van anderen aantrekken, denken niet zomaar in termen van ‘investeringen’ of ‘dienst-wederdienst’ wanneer ze zich overgeven aan een vriendschap of liefde. Mensen zijn meer dan enkel maar consumenten. En dat blijkt ook als je aan mensen vraagt welke dingen er echt belangrijk zijn in hun leven. Alleen worden we, onder meer in het gangbare economische denken, bijna uitsluitend op die ene kant van ons menszijn aangesproken. Het blijft merkwaardig dat eigenschappen die in zowat alle religieuze en spirituele tradities als ‘ondeugd’ worden gecatalogeerd in onze economie als een hoogstaande waarde worden omschreven: meer en beter willen hebben dan een ander, in de eerste plaats aan jezelf denken, ernaar streven meer te willen hebben dan je echt nodig hebt om goed te leven, vooral niet denken aan de gevolgen op langere termijn of voor anderen, het normaal vinden dat je dingen koopt die zo weinig mogelijk duurzaam zijn en niet hersteld kunnen worden, … Al die dingen die zo belangrijk zijn voor ‘de’ economie maken mensen niet altijd erg gelukkig. Velen van ons voelen zich de hele tijd opgejaagd en rusteloos, velen stellen zich vragen over de diepere zin van alles of voelen zich depressief. Het moet toch mogelijk zijn, denk je dan, om onze maatschappij zo in te richten dat mensen ook worden aangesproken op hun warmere, verbonden en zorgende kant. We zullen misschien minder bezig zijn met zoveel mogelijk verdienen en zoveel mogelijk consumeren, maar we zullen misschien wel gelukkiger worden. We zullen misschien een beetje meer ‘heel’ worden, en minder gefragmenteerd. Het blijft verwonderen dat dat wordt beschouwd als een ‘te positief’ mensbeeld. Vooral omdat die vraag er impliciet van uit lijkt te gaan dat je je zou moeten neerleggen bij een veel beperkter mensbeeld.

Of andere vragen, opnieuw over het marktmechanisme. In de vragen gaat men ervan uit dat de ecologische crisis in wezen alleen maar een ‘nog onvolmaakte markt’ is. De prijzen van producten drukken niet de echte (ecologische) kost uit, en als ze dat wel zouden doen, zou alles zich vanzelf wel regelen, want mensen laten zich – geleid door hun verlicht eigenbelang – toch sturen door de prijs, waarna ze ‘rationele’ keuzes maken. Zo simpel is het niet, zeg je. Een markt is een goed instrument om goederen en diensten te verdelen, maar daarom is het nog geen goed instrument om publieke goederen te beschermen. Je had er bijna nog bij gezegd dat je het merkwaardig vindt dat die partijen die in theoretische debatten het sterkst verdedigen dat milieukosten moeten geïnternaliseerd worden in de politieke praktijk er vaak de grootste tegenstanders van zijn, maar dat doe je maar niet.

Je kunt niet alles doen via de prijs. Producten met giftige stoffen erin moet je niet duurder maken, die moet je gewoon verbieden. En om sommige belangrijke onderdelen van het natuurlijk kapitaal te vrijwaren is enkel vertrouwen op de prijs niet genoeg, te riskant, of komt het gewoon te laat. Neem de visbestanden. Het economisch probleem is niet dat je boten niet sterk genoeg zijn, of je netten niet groot genoeg. Het probleem is hoeveel vissen er in de zee zitten, en vooral of de hoeveelheid vis die je uit de zee haalt de regeneratiecapaciteit van de zee niet overschrijdt.

In het debat geef je een voorbeeld. Stel dat er nog twee kabeljauwen in de zee zitten, dan zal het heus niet moeilijk zijn om twee mensen te vinden die daar een hoge prijs voor willen betalen. Maar daarna zullen ze wel op zijn, en dus definitief verdwenen. En op die stelling krijg je dan merkwaardige antwoorden. Zoals: “Dat is toch niet erg, je kunt perfect vissen ook op andere manieren kweken dan in de zee.” Nog los van de vaststelling dat je heel wat vissen niet kunt kweken buiten de zee, en los van vaak immense ecologische kost van allerlei vormen van fish farming, is het redelijk stuitend met welk gemak men de zee opzij schuift. In wezen is de zee toch de gemakkelijkste en goedkoopste plek om vis te laten groeien, om het eens even in ‘economische’ termen te zeggen. Het zou alleen maar van gezond verstand getuigen om dat natuurlijk kapitaal goed te onderhouden.

Een andere reactie is: “En is dat dan zo erg, als de kabeljauw zou verdwijnen?” Eigenlijk andermaal een schokkende stelling, die in wezen uitgaat van een erg arrogant mensbeeld. Het is zeer raar dat wij als mens denken dat we de rest van de natuur niet nodig hebben om te overleven, en dat we die gewoon kunnen ‘gebruiken’ zoals we willen. Als te veel vissen verdwijnen, kan het hele ecosysteem in elkaar stuiken, waardoor de zee veel kwetsbaarder wordt, waardoor men helemaal geen vis meer kan eten, en waardoor miljoenen mensen die van de visvangst leven hun baan verliezen. Maar ook dat is een ‘economische’ redenering. Dat het blijkbaar vanzelfsprekend is dat je geen enkel ethisch probleem hebt met het verdwijnen van andere soorten, is eigenlijk schokkend.

Of nog een laatste reactie: “Maar zo ver zal het nooit komen, want tegen dan heeft het marktmechanisme er al voor gezorgd dat er niet maar twee kabeljauwen overblijven.” Al even merkwaardig. Je zou willen vragen om dan eens enkele positieve voorbeelden daarvan te geven. En je geeft zelf een voorbeeld. Op dit moment zitten we in de cruciale fase voor het voortbestaan van de blauwvintonijn. Omdat zoveel mensen zo graag sushi eten, en daar ook best veel voor willen betalen, is de vis al een hele tijd serieus overbevist. Nu veel vis uit de zee halen, daar veel aan verdienen, en nu graag sushi eten, en daar veel voor betalen, het kunnen allemaal ‘rationele’ keuzes zijn van calculerende economische actoren. Ze zullen echter het uitsterven van de vis niet verhinderen, integendeel. Alleen heel strikte quota, of visverboden tot de populatie zich weer hersteld heeft zouden de vis nog kunnen redden. Wachten tot het marktmechanisme dit oplost, loopt gegarandeerd faliekant af.

Misschien moeten we leren om wat we eten meer in overeenstemming te brengen met wat de planeet kan leveren zonder het natuurlijk kapitaal aan te tasten. Dan kunnen we langer blijven eten, dan kan iedereen op de planeet goed eten, en dan blijft er nog genoeg over voor wie na ons komt. Zo’n houding zal wel een onderdeel zijn van een te positief mensbeeld…

02 december 2010

Uit evenwicht



Er lijken kleine glinsterende diamantjes te liggen op de sneeuw. Je ziet ze in de avond. Als een ongevraagd cadeau. Ze zijn er zomaar. Ze lijken te glimlachen.

De jonge vrouw zit in de stationstunnel op de grond. Ze kijkt angstig om zich heen, terwijl ze haar kind de borst geeft. Zal ze haar kind en zichzelf warm kunnen houden voor de rest van de dag? Waar gaat ze naartoe? Waar zal ze zijn binnen tien jaar? Je probeert het je voor te stellen. Hoe haar ogen zullen zijn, binnen tien jaar.

Sommige sneeuwvlokken vallen recht op je lippen. Andere niet. Waar gaan ze naartoe?

Je komt terug van een debat. Het zal, zoals steeds, nog een hele tijd duren eer je lichaam rustig wordt. Alle gedachten malen nog door je hoofd. Alles wat je had kunnen zeggen als antwoord op die of die vraag. Alle uitspraken van de anderen waar je nog op antwoordt, in je hoofd dan. Je hoort het knisperen onder je schoenen. Er zijn nog veel mensen op de straat. De jongen voor je is om een of andere reden erg kwaad. Ineens gooit hij zijn gsm zo ver mogelijk van zich af. Misschien heeft iemand hem iets gezegd dat hij niet wilde horen. Maar nu ligt dat apparaat daar ergens, in de koude sneeuw.

Zou je banger worden om je evenwicht te verliezen op gladde bodems met het ouder worden? Het is alsof je je niet herinnert dat je daar vroeger zo om leek te geven. Het is alsof je je meer topzwaar voelt dan vroeger. Hoewel je hoofd nog altijd even groot is, net als je voeten. Je voelt hoe je spieren zich in verdediging zetten. Voorbereid op wat zou kunnen komen.

Hoe stil het is. Je loopt langs de bouwwerf. Normaal is hier altijd veel lawaai. Zou de sneeuw iedereen aanzetten tot stilte? Zou de sneeuw zelfs elk gefluister in zich opzuigen? Waar gaan al die verhalen dan naartoe zodra het weer gaat dooien?

De vrouw voor je was blijkbaar vastbesloten. Ook bij goed weer lijken die hoge hakken al iets te overmoedig. Maar ze moet waarschijnlijk gedacht hebben vanmorgen: ik zal die sneeuw wel eens iets laten zien. En ze wil er ook nog eens snel mee stappen. Niet zo’n goed idee.

Als ’s avonds alle lichten uit zijn, en je nog even door de kamer loopt, is het alsof de witte bodem daarbuiten licht heeft opgeslagen. Als je even wacht tot je ogen eraan zijn gewend, kun je alles zien. De nacht doet wel alsof hij donker is, maar daar leg ik me niet bij neer, lijkt de nachtsneeuw te zeggen. Je loopt nog even door het huis, om alles rondom je nog eens rustig in je op te nemen. Je maakt nog een laatste buiging, en maakt je klaar voor de nacht.

Het is nog heel vroeg als je ’s morgens een pad vrij maakt in de sneeuw. Het heeft iets rustgevends. Het idee dat er een pad is. Je kunt er later op de dag aan denken: zou het pad er nog zijn als ik straks weer thuis kom? Het pad heeft een richting in zich, heeft een zin veroverd op het verdwijnen.

Waar komt dat ene liedje opeens vandaan? Waarom denk je daaraan, en waarom gaat het niet meer weg? Er is een breedte in. Het lijkt een ruimte rondom jou te suggereren. Misschien wil je je daar nu wel in hullen, wie weet.

Sneeuwvlokken aan de andere kant van het raam. De dingen gaan door.

Hoe je je oude grootmoeder de straat over hielp, als het gesneeuwd had. Je klemde haar stevig tegen je aan. Op zo’n moment was het nuttig groter te zijn. Je zorgde ervoor dat ze nooit haar evenwicht kon verliezen.

Het heeft iets met aanvaarden te maken. De volgende ochtend, met veel of iets minder sneeuw, nemen zoals hij komt.