Een onderhuidse droefenis, die niet weg lijkt te zullen ebben. Zo vertrek je voor weer een dag. De stoere werkmannen staan hun materiaal uit te laden. De ene is aan het zingen. Hallelujah. Het zou kunnen passen bij vandaag.
Te veel beelden, te veel beelden, en ook wel te veel woorden soms. Dat denk je al enkele dagen. Niets laten zien hoeft niet te betekenen dat er niets is, integendeel. Het hartverscheurende verdriet wil je alleen met je ogen dicht zien. En zelfs dan nog.
De eerste avond na zit je in een concert. Het is een klein concert, in een kleine zaal. Er wordt gespeeld op een klavechord. Een instrument met een kleine klank. Sonates van Haydn. Een componist die beweegt tussen de ernst van Bach en de frivoliteit van Mozart. Je moet erg goed luisteren om de noten te horen. Je moet door hun breekbaarheid heen luisteren. De noten worden er niet groter door, wel mooier. Alsof je wat niet meer aards is alleen maar kunt zien in het aardse. Op een of andere manier klopt dit allemaal, denk je. Het is goed dat je hier niet alleen bent, dat je bent met wie je wilt zijn vanavond.
Soms zie je enkel de verhalen die ogen doen sluiten, je hoofd doen buigen. Een verhaal over hoe stil het werd in een vernielde bus. Een man die onder het oog van zoveel camera’s moet zeggen dat hij denkt dat veiligheidsriemen geen enkel verschil maakten. Een brandweerman die in het verhakkelde voertuig zit, bij een klein meisje. Hij blijft bij haar, spreekt tegen haar, tot iemand haar kan komen halen.
Je bent niet opgewassen tegen zoveel weerloosheid. Misschien is dat de enige manier van zijn.
Je zult nooit weten hoe het is. Hoe je het leven overleeft. Je kunt alleen de adem koesteren.
Dat je toch naar jezelf kijkt, het zal wel niet anders zijn. Je denkt aan de dochter die je niet hebt, maar die altijd ergens in je hoofd beweegt. Hoe je haar zou zoeken. Hoe je haar tegen je aan zou drukken. Hoe je zou kijken of ze nog is wie ze was. Hoe blij je zou zijn, en hoe schuldig je je tegelijk zou voelen.
Heel stilletjes, alleen in een groot gebouw, zit je te rouwen. Al lijkt dat woord nog veel te groot. Het verdriet is echt, al is het misschien meer verbondenheid. Er is te veel schroom tegenover het echte verdriet, dat je niet eens kunt bevatten, ook al zou je proberen. Het is een ontroerende minuut. Met al die anderen wil je even zijn, en tegelijk wil je heel stilletjes op de achtergrond zijn, niet te zien. Niet in een beeld op te nemen.
Geen verklaringen, je hoeft geen verklaringen. Het is wat het is, en dat is al erg genoeg. Misschien is er iets te leren uit wat fout ging. Misschien ook niet. Misschien zijn er dingen te doen die kunnen voorkomen. Misschien ook niet. Doe het in stilte, denk je. Laat de machteloosheid, laat de woordeloze radeloosheid, denk je, zodat alleen het loze blijft.
En die ochtend zie je de knoppen aan de takken voor het eerst. Zoals elk jaar ben je weer helemaal verrast. Dat ze zomaar terugkomen, daar zo dicht bij jou. Nooit helemaal klaar voor leven dat zomaar komt. Komen is gewoon doorgaan, denk je nog. En toch.
Je denkt de hele tijd aan een liedje over een ruimtevaarder die niet meer naar school zal komen. Hij heeft de meester meegenomen naar de ruimte, hoop je.
Je ziet de mooie jonge mensen kwetterend naar school fietsen. Sommigen hebben een lichte waas voor hun ogen. Maar ze fietsen door. Er zijn zoveel kleuren in wat ze aan hebben. Het is goed zo.
Je denkt aan het falen, aan al die keren dat je er niet was, toen je voor iemand een verschil had kunnen maken.
Fluisteren heeft ook wel iets. Zoals die snaren in die klankkast van dat klavechord. Er is zo goed als niets tussen de mooi bewerkte toetsen en die snaren. Niets dat de aanslag van de vingers kan versterken. Enkel een naakt betasten, bijna aarzelend. Fluisteren heeft ook wel iets.
16 maart 2012
11 maart 2012
Weet je nog
'Het is toch mooi, dat we hier nog altijd zo lopen, jij en ik. En dat na al die jaren.’
‘Mag ik zo inhaken in je arm? Dat wil ik al zo lang een keer doen.’
‘Zou je nu kunnen zeggen dat we eigenlijk oud geworden zijn?’
‘Ik denk het wel. Ik denk dat we het niet meer kunnen ontkennen.’
‘De jaren van wijsheid zouden dus stilaan mogen gaan komen.’
‘Misschien komen ze wel helemaal niet meer, en misschien is dat maar beter ook.’
‘Wil je zeggen dat we dus nog steeds onbezonnen dingen mogen doen?’
‘Ja, meer dan ooit. We hebben er al te lang mee gewacht.’
‘Ik zal het onthouden.’
‘Nee, niet onthouden, doen. Je hoeft niet meer zo voorzichtig en afwachtend te zijn. Het is nu.’
‘Jij wou dat altijd. En ik durfde zo vaak niet. Ik dacht dat het beter was. Maar nu weet ik het soms niet meer.’
‘Je bent niet zo erg veranderd eigenlijk. De dingen die ik vroeger mooi vond aan jou zijn er nog altijd.’
‘Ja? Dat is lief. Bij jou is het ook zo trouwens. Soms weet je het nog heel precies, waarop je bij iemand verliefd was, en waarom. Soms kun je het bijna aanwijzen: hier, dit was het.’
‘Is dat zo? Je hebt nog altijd veel woorden, ik merk het.’
‘Nee, eigenlijk niet. Soms is het alsof ze beginnen te verdwijnen. Misschien heb ik er te veel op vertrouwd, dat ze wel altijd zouden blijven.’
‘Ze zullen altijd blijven bij jou, dat weet ik zeker. Ook al hoor je ze niet, ze wonen in jou.’
‘Heb jij soms schrik van de eenzaamheid? We spraken daar vroeger soms over. Dat de eenzaamheid bij het leven hoort, en dat we dat wel aankonden. Maar of dat zo zou blijven, dat wisten we niet. Ik was soms bang, voor het moment waarop die eenzaamheid ineens zwaar zou gaan wegen, zo zonder kinderen en zo. Ben jij soms bang dat dat moment daar ineens zal zijn?’
‘Ik weet het niet. Ik wil daar eigenlijk niet te veel over nadenken. Het antwoord zal dus waarschijnlijk ja zijn.’
‘Waarschijnlijk ja, zo zal het bij mij ook wel zijn.’
‘Weet je nog wat ik toen zei?’
‘Je fluisterde iets in mijn oor, dat weet ik nog. En wat je zei, mocht ik niet herhalen.’
‘Je weet het nog.’
‘Weet je nog, dan moet ik altijd aan dat liedje denken. Het maakte me altijd een beetje verdrietig.’
‘Laat je het me straks nog eens horen? Heb je die plaat nog?’
‘Ja, ik heb alle platen bijgehouden.’
‘Ik ben eigenlijk lange tijd kwaad geweest op jou, weet je dat?’
‘Ja, dat weet ik.’
‘Het was een soort kwaad dat eigenlijk niet met volle overtuiging was, ik moest het een beetje voeden.’
‘Oei, en dat is allemaal mijn schuld?’
‘Nee, eigenlijk niet. Maar dat wou ik toen nog niet weten.’
‘Vaak had je wel een reden om kwaad te zijn. Soms ook niet.’
‘Laat het maar, het maakt al lang niet meer uit.’
‘Ik wou niet kwaad zijn, al zou het wel gemakkelijk geweest zijn om het wel te zijn.’
‘Ik vind wel dat je me na vandaag nog eens een brief moet schrijven. Zo’n echte. Met de hand geschreven, zoals alleen wij oude mensen dat nog kunnen.’
‘En moet ik dan ook mijn mooi pak aandoen om te schrijven?’
‘Dat mag altijd. Schrijf je dan mooier?’
‘Minstens.’
‘Doe dan maar.’
‘En die foto’s die je me beloofd had, krijg ik die dan nog?’
‘Daar moet ik nog eens over nadenken. Misschien wel. Het zal van de brief afhangen.’
‘Ik begrijp het al, je bent niet echt veranderd.’
‘Nee, dat kun je wel zeggen. En toch. Ik kijk anders nu naar de dingen. Ik kan het niet zo goed uitleggen, dus vraag me ook maar niets.’
‘Vroeg ik te veel dan vroeger?’
‘Soms wel, dacht ik toen, maar het waren wel altijd de juiste vragen.’
‘Daar was jij ook goed in, steeds de zere plek zoekend. Meestal terecht, je hield me scherp.’
‘Dat moest wel, met iemand als jij.’
‘Weet je nog, de vogels ’s morgens? En wat je dan zei?’
‘Ja, natuurlijk weet ik dat nog.’
‘Dan is het goed. Ik denk er nog vaak aan.’
‘Ik ook.’
‘Ik zal je in de brief nog een geheim verklappen.’
‘Een geheim? En mag ik het nog niet weten?’
‘Nee, het kan alleen per brief verteld worden, anders gaat het verloren.’
‘Je maakt me nieuwsgierig.’
‘Dat is de bedoeling.’
10 maart 2012
Hoe snel het wordt overgenomen
Je fietst door de stad voor de boodschappenronde. Een plek waar je vroeger vaak kwam, die je bijna elke dag zag, nu nog nauwelijks. De plek leeft niet meer, zou iemand kunnen zeggen. Toen kwam je daar om te kijken. Verdwijnen in het donker, en enkel kijken naar dat grote scherm. Een keer is het je gelukt, om helemaal alleen in die grote zaal te zitten. Het was nochtans een heel mooie film. Met iets als ‘de gebroken omhelzingen’ in de titel. Je had het verhaal helemaal voor jou alleen.
De plek is overgenomen. De natuur doet het rustig, maar doortastend. Waar beton was, nemen planten het terug over. Hoe snel het gaat. Als je dit zou laten, dan zou alles kunnen verdwijnen.
Daar waar we leven en wonen. Het is misschien niet meer dan een tijdelijke adempauze voor de natuur. Voor heel even nemen we een plekje in. Met een krijtje trekken we een cirkel eromheen. En we zeggen: dit is waar ik ben, dit is het punt vanwaar mijn lijnen vertrekken. We maken onszelf wijs dat we die plek kunnen bezitten. En we krijgen papieren die die illusie ondersteunen. Hoe kun je bezitten? Hoe kan iets van jou zijn? De stof waarvan je gemaakt bent, is niet zo anders dan die plek. Er zijn minder scheidingslijnen tussen jou en de rest van al wat is dan sommigen zouden willen geloven. Je kunt meer verhalen vertellen, dat is waar. Maar je bent dezelfde adem.
Het is ook wel mooi, het verlangen dat rust in stenen en beton. Het verlangen om te ontsnappen. Iets op de tijd veroveren. Geloven dat het zal blijven. Geloven dat je vastigheid kunt maken, tussen alles wat beweegt. Geloven dat je normaliteit kunt onttrekken aan de chaos.
Misschien maakt het sommigen onrustig. Het zien van die plek. Volgens hen is de plek niet meer wat ze was, en is ze nog niet wat ze kan zijn. Plekken moeten een bestemming hebben. Ze mogen er niet zomaar voor zichzelf zijn. Ze mogen niet gewoon de tijd aan het werk zijn. De natuur neemt terug wat even ontleend was, dat is niet genoeg. Het zal wel niet lang meer duren. Dan wordt deze plek weer ingevuld, zoals dat heet. Het zal die sommigen weer wat rustiger maken.
Soms kijk je in de spiegel naar je witte huid. De plooien, de deuken, de littekens, de tijd. Zou die plek genoeg ingevuld zijn? Mag ze niet gewoon plek zijn?
Je bent ondertussen al twee winkels verder. Daar ergens gaat de tijd gewoon rustig verder. De planten zijn misschien weer een heel erg klein stukje gegroeid. Misschien hebben ze je opgemerkt toen je er voorbij kwam. Misschien dachten ze dat niet zij, maar jij achter het hek bent.
Je hebt zakjes met zaden. Binnenkort zul je die uit handen geven, aan de aarde. En die zal ze van je overnemen. Je moet daarna alleen nog maar kijken.
Stel dat je jezelf zou neerleggen. Gewoon wachten tot je laatste adem. En dan blijven liggen. Hoe snel de natuur je weer zou terughalen. Van nooit weggeweest. Van de ene vorm naar de andere. Als een uitstulping die je in een stuk stof kunt blazen. De vorm suggereert zijn eigen bestaan. Zijn tijdelijke ontsnapping aan het stof zijn.
De man in de winkel geeft je een papieren zakje. Hij weet dat je nooit een plastic zak wilt. Het is beter, zegt hij. Het duurt heel lang eer een plastic zak verdwijnt, zegt hij. Het is dus beter om niet te willen ontsnappen aan het verdwijnen, denk je. Je moet dus blijven in het verdwijnen, denk je.
Je komt thuis, en ziet dat de tegels op het plein groen beginnen te worden. Iets is aan het werk. Iets is het hier aan het overnemen. Je glimlacht en begint de boodschappen uit te laden.
De plek is overgenomen. De natuur doet het rustig, maar doortastend. Waar beton was, nemen planten het terug over. Hoe snel het gaat. Als je dit zou laten, dan zou alles kunnen verdwijnen.
Daar waar we leven en wonen. Het is misschien niet meer dan een tijdelijke adempauze voor de natuur. Voor heel even nemen we een plekje in. Met een krijtje trekken we een cirkel eromheen. En we zeggen: dit is waar ik ben, dit is het punt vanwaar mijn lijnen vertrekken. We maken onszelf wijs dat we die plek kunnen bezitten. En we krijgen papieren die die illusie ondersteunen. Hoe kun je bezitten? Hoe kan iets van jou zijn? De stof waarvan je gemaakt bent, is niet zo anders dan die plek. Er zijn minder scheidingslijnen tussen jou en de rest van al wat is dan sommigen zouden willen geloven. Je kunt meer verhalen vertellen, dat is waar. Maar je bent dezelfde adem.
Het is ook wel mooi, het verlangen dat rust in stenen en beton. Het verlangen om te ontsnappen. Iets op de tijd veroveren. Geloven dat het zal blijven. Geloven dat je vastigheid kunt maken, tussen alles wat beweegt. Geloven dat je normaliteit kunt onttrekken aan de chaos.
Misschien maakt het sommigen onrustig. Het zien van die plek. Volgens hen is de plek niet meer wat ze was, en is ze nog niet wat ze kan zijn. Plekken moeten een bestemming hebben. Ze mogen er niet zomaar voor zichzelf zijn. Ze mogen niet gewoon de tijd aan het werk zijn. De natuur neemt terug wat even ontleend was, dat is niet genoeg. Het zal wel niet lang meer duren. Dan wordt deze plek weer ingevuld, zoals dat heet. Het zal die sommigen weer wat rustiger maken.
Soms kijk je in de spiegel naar je witte huid. De plooien, de deuken, de littekens, de tijd. Zou die plek genoeg ingevuld zijn? Mag ze niet gewoon plek zijn?
Je bent ondertussen al twee winkels verder. Daar ergens gaat de tijd gewoon rustig verder. De planten zijn misschien weer een heel erg klein stukje gegroeid. Misschien hebben ze je opgemerkt toen je er voorbij kwam. Misschien dachten ze dat niet zij, maar jij achter het hek bent.
Je hebt zakjes met zaden. Binnenkort zul je die uit handen geven, aan de aarde. En die zal ze van je overnemen. Je moet daarna alleen nog maar kijken.
Stel dat je jezelf zou neerleggen. Gewoon wachten tot je laatste adem. En dan blijven liggen. Hoe snel de natuur je weer zou terughalen. Van nooit weggeweest. Van de ene vorm naar de andere. Als een uitstulping die je in een stuk stof kunt blazen. De vorm suggereert zijn eigen bestaan. Zijn tijdelijke ontsnapping aan het stof zijn.
De man in de winkel geeft je een papieren zakje. Hij weet dat je nooit een plastic zak wilt. Het is beter, zegt hij. Het duurt heel lang eer een plastic zak verdwijnt, zegt hij. Het is dus beter om niet te willen ontsnappen aan het verdwijnen, denk je. Je moet dus blijven in het verdwijnen, denk je.
Je komt thuis, en ziet dat de tegels op het plein groen beginnen te worden. Iets is aan het werk. Iets is het hier aan het overnemen. Je glimlacht en begint de boodschappen uit te laden.
09 maart 2012
In de leegte lopen
Na een zware dag weer naar huis lopen door de stad. Je zou alleen in de leegte willen lopen. Een hoofd waar de wind zo door kan. Niets dat iets zou tegenhouden. Alleen kijken naar de mensen die onderweg zijn. Naar de dingen die wachten op bekeken worden.
Het jonge koppel komt luidruchtig voorbij. Eigenlijk zwijgen ze. Het zijn hun koffers. Het is toch telkens schrikken, hoeveel lawaai die dingen maken. Hoe je het geluid weg zou willen kunnen duwen.
De vrouw op de fiets heeft droevige ogen. Misschien is er net iets gebeurd, iets gezegd. Misschien is het opgespaard verdriet. Zou ze ergens naartoe fietsen waar het weer over kan gaan?
De kleurige kleedjes in de etalage. Je ziet iemand in die kleuren. Hoe ze zou zijn. Ze verdwijnt ook weer. De kleedjes willen vanavond alleen maar zichzelf zijn. Ze hebben genoeg aan zichzelf.
Het kleine jongetje dat je vanochtend zag fietsen komt nog even je hoofd binnengereden. Waar zou hij nu zijn? Hij reed op het voetpad, snel naar beneden. En je zag geen papa of mama. Hij was nog zo klein. Zou hij veilig de straat over zijn geraakt? Even wou je er nog achteraan gaan. Met je eigen handen alle auto’s en alle bussen tegenhouden, tot hij veilig de straat over was. Waar zou hij nu zijn? Hij is alleen in je hoofd.
De zwarte man gaat op de bank zitten en kijkt rond. Hij lijkt verloren. Of wil misschien alleen maar in de leegte zitten.
De vrouw staat te wachten op het voetpad. Een beetje zenuwachtig. Iemand komt haar ophalen, denk je. Wie zou het zijn? Zou het een verlossing zijn? Weg van hier, op weg naar daar. Of wil ze niet weg van hier? Dat voetpad, op die plek, lijkt zo weinig hier in zich te hebben. Het is een restgebied, een aanhangsel. Om hier te zijn, moet je ergens anders gaan staan. Zou ze dat weten?
De man op het plein staat voor de parkeerautomaat. Hij zoekt iets. Zou de automaat een naam hebben? Een verjaardag? Zou de automaat soms verlangen naar een streling, niet enkel voor het oog? En zou er dan een klein geluidje hoorbaar zijn? Een voorzichtig mmmm. Het zou kunnen.
Soms valt het je weer op, hoe lelijk auto’s zijn. Zoals ze daar staan, op dat plein. Zo plomp de ruimte innemend. Zo usurperend. Zo elke vorm van gedicht onmogelijk makend. Dit plein zou op dit moment zoveel zachtheid kunnen gebruiken. Die zou op jou kunnen afstralen, je omhullen met dat wat je nu nodig hebt.
Gedachten dringen zich toch op. Zo leeg is de leegte niet. Met mildheid toelaten, en dan weer weg laten stromen, zo zou het moeten. Je doet je best. En terwijl denk je: je best doen, dat mag niet.
Het water staat laag onder de brug. Je ziet de fietsen in het water. Verweesd en weerloos.
En de vogels, ze zijn er. Ze lijken je op te wachten. Alsof ze blij zijn dat je er weer bent. Welke verhalen zouden ze gezien hebben vandaag? Waar zou je naar gaan kijken, zo’n hele dag, als je een vogel was? Wie zou je opwachten?
Het kleine bruggetje is bijna. Bijna ben je er. Het is het geluid van het lopen over dat bruggetje dat je ervan overtuigt dat je er bijna bent. Je kunt al zien waar je moet zijn. Je kunt al bijna beginnen te hopen dat de sleutel ook vandaag weer zal passen. Dat je zomaar binnen zult kunnen. Dat binnen dat begint aan de andere kant van de deur. Daar waar je zou kunnen zeggen: ik ben er. Bijna kun je beginnen te hopen dat er ook vandaag niemand op de deur zal kloppen om je weg te komen halen, zeggend dat het een vergissing was dat je hier zomaar was en dacht dat je binnen was. Bijna.
Het jonge koppel komt luidruchtig voorbij. Eigenlijk zwijgen ze. Het zijn hun koffers. Het is toch telkens schrikken, hoeveel lawaai die dingen maken. Hoe je het geluid weg zou willen kunnen duwen.
De vrouw op de fiets heeft droevige ogen. Misschien is er net iets gebeurd, iets gezegd. Misschien is het opgespaard verdriet. Zou ze ergens naartoe fietsen waar het weer over kan gaan?
De kleurige kleedjes in de etalage. Je ziet iemand in die kleuren. Hoe ze zou zijn. Ze verdwijnt ook weer. De kleedjes willen vanavond alleen maar zichzelf zijn. Ze hebben genoeg aan zichzelf.
Het kleine jongetje dat je vanochtend zag fietsen komt nog even je hoofd binnengereden. Waar zou hij nu zijn? Hij reed op het voetpad, snel naar beneden. En je zag geen papa of mama. Hij was nog zo klein. Zou hij veilig de straat over zijn geraakt? Even wou je er nog achteraan gaan. Met je eigen handen alle auto’s en alle bussen tegenhouden, tot hij veilig de straat over was. Waar zou hij nu zijn? Hij is alleen in je hoofd.
De zwarte man gaat op de bank zitten en kijkt rond. Hij lijkt verloren. Of wil misschien alleen maar in de leegte zitten.
De vrouw staat te wachten op het voetpad. Een beetje zenuwachtig. Iemand komt haar ophalen, denk je. Wie zou het zijn? Zou het een verlossing zijn? Weg van hier, op weg naar daar. Of wil ze niet weg van hier? Dat voetpad, op die plek, lijkt zo weinig hier in zich te hebben. Het is een restgebied, een aanhangsel. Om hier te zijn, moet je ergens anders gaan staan. Zou ze dat weten?
De man op het plein staat voor de parkeerautomaat. Hij zoekt iets. Zou de automaat een naam hebben? Een verjaardag? Zou de automaat soms verlangen naar een streling, niet enkel voor het oog? En zou er dan een klein geluidje hoorbaar zijn? Een voorzichtig mmmm. Het zou kunnen.
Soms valt het je weer op, hoe lelijk auto’s zijn. Zoals ze daar staan, op dat plein. Zo plomp de ruimte innemend. Zo usurperend. Zo elke vorm van gedicht onmogelijk makend. Dit plein zou op dit moment zoveel zachtheid kunnen gebruiken. Die zou op jou kunnen afstralen, je omhullen met dat wat je nu nodig hebt.
Gedachten dringen zich toch op. Zo leeg is de leegte niet. Met mildheid toelaten, en dan weer weg laten stromen, zo zou het moeten. Je doet je best. En terwijl denk je: je best doen, dat mag niet.
Het water staat laag onder de brug. Je ziet de fietsen in het water. Verweesd en weerloos.
En de vogels, ze zijn er. Ze lijken je op te wachten. Alsof ze blij zijn dat je er weer bent. Welke verhalen zouden ze gezien hebben vandaag? Waar zou je naar gaan kijken, zo’n hele dag, als je een vogel was? Wie zou je opwachten?
Het kleine bruggetje is bijna. Bijna ben je er. Het is het geluid van het lopen over dat bruggetje dat je ervan overtuigt dat je er bijna bent. Je kunt al zien waar je moet zijn. Je kunt al bijna beginnen te hopen dat de sleutel ook vandaag weer zal passen. Dat je zomaar binnen zult kunnen. Dat binnen dat begint aan de andere kant van de deur. Daar waar je zou kunnen zeggen: ik ben er. Bijna kun je beginnen te hopen dat er ook vandaag niemand op de deur zal kloppen om je weg te komen halen, zeggend dat het een vergissing was dat je hier zomaar was en dacht dat je binnen was. Bijna.
05 maart 2012
Schaaknovelle
Een schaakbord als speelveld van een wereld die wankelt over de rand van de afgrond. Een personage dat, getekend door de oorlog, de rand van de afgrond in zichzelf ziet. Welke afgrond zal beslissen? Dat zou een weergave kunnen zijn van Schaaknovelle van Stefan Zweig (terug uitgegeven in de mooie Perpetua Reeks).
Stefan Zweig, een Oostenrijkse schrijver van joodse afkomst, werkte deze novelle af enkele weken voor hij samen met zijn vrouw uit het leven stapte in 1942. Hij was gevlucht uit Oostenrijk nadat de nazi’s aan de macht waren gekomen in Duitsland. Vanuit Londen kwam hij uiteindelijk in BraziliĆ« terecht, waar hij dus ook stierf. Hij kon de teloorgang van het Europa waar hij van droomde, een Europa als culturele kracht, niet aan. Hij wilde ook niet iemand worden van Die Welt von Gestern, als Hitler de oorlog zou winnen.
Bij het begin van de novelle staat de ik-verteller op het punt in te schepen op een stoomschip dat van New York naar Buenos Aires zal vertrekken als hij erop attent gemaakt wordt dat er een beroemde gast mee aan boord zal zijn. Het gaat om Mirko Czentovic, de wereldkampioen schaken. Het is een man met een merkwaardige voorgeschiedenis. Hij is een man die als jongen volstrekt nergens goed in was, en geen enkele vorm van cultuur had. Nauwelijks in staat tot lezen en schrijven blijkt hij totaal onverwacht een groot talent voor schaken te hebben. Daarmee steekt hij fel af tegen de meeste andere schakers. Hij maakt snel opgang, en wordt wereldkampioen. Hij wordt een soort kille ‘schaakautomaat’, die zijn eenzijdig talent financieel volledig uitbuit, en zo de wereld rondtrekt.
De verteller is gefascineerd door Czentovic, maar die laat zich niet zomaar benaderen. Hij maakt kennis met de Schotse oliemagnaat McConnor, een brutale man van het geld, een ijdele “succesmens”. Die daagt Czentovic uit voor een spelletje schaak, en wil daar ook voor betalen. Het spel wordt gespeeld, en McConnor en de anderen die rond hem staan verliezen grandioos. Bij een tweede spel worden ze vervoegd door een voor hen onbekende man, Dr. B., die hen influistert welke zetten ze moeten doen. De wedstrijd eindigt in remise.
De ik-verteller gaat nadien Dr. B. opzoeken om hem te vragen een dag later zelf te schaken tegen Czentovic. Op het dek vertelt Dr. B. zijn levensverhaal. In Oostenrijk werkte hij bij een advocatenkantoor dat in de feiten vooral dienstdeed als vermogensbeheerder voor de Oostenrijkse clerus en het koningshuis. Nadat de nazi’s Oostenrijk zijn binnengevallen wordt Dr. B. gearresteerd en opgesloten in een hotel. De nazi’s willen van hem informatie over het vermogen van de kloosters. In zijn hotelkamer wordt hij van alles afgesloten. Hij hoort of ziet niemand, mag niet lezen of schrijven. Door hem te omringen door het grote niets probeert men hem te kraken. Dr. B. is het toonbeeld van een gecultiveerde intellectueel. Hij krijgt het moeilijk bij de dagelijkse ondervragingen. Op een bepaald moment kan hij een boek bemachtigen, en dat blijkt een boek met een verzameling partijen door schaakmeesters. Om zijn geest aan de gang te houden, begint hij die partijen vanbuiten te leren. Later begint hij, bijna als een waanzinnige, in zijn hoofd partijen tegen zichzelf te spelen. Hij splitst zich als het ware op in een wit en een zwart personage.
Uiteindelijk kan hij toch verdwijnen uit de gevangenneming en komt hij op de boot terecht. Hij zal het schaakspel spelen tegen de wereldkampioen. Voor het eerst speelt hij met echte schaakstukken, op een echt bord, tegen een echte tegenstander. Zijn verleden haalt hem echter in.
Het schaakspel tussen Czentovic en Dr. B. zou men kunnen interpreteren als het grote conflict tussen de kille schaak- of machtsmachine enerzijds en de gevoelige vertegenwoordiger van een rijke intellectuele cultuur anderzijds. Dr. B. probeerde zijn gevangenschap en de confrontatie met het niets te overleven met de kracht van zijn hoofd, maar ging daarbij tot aan de rand van de waanzin. In de werkelijke wereld die het schip is, staat hij in het echt tegenover een tegenstander. Het schaakbord is een ander speelveld dan het bezette Oostenrijk, maar het spiegeleffect is duidelijk. De tegenstander heeft iets van een ongrijpbaar zwart gat en is ongenaakbaar in zijn brute kracht. De afloop van de confrontatie tussen de twee lijkt een aankondiging en verantwoording van de keuze die de auteur in het echte leven zou maken. De tegenstelling tussen de ik-verteller en McConnor lijkt dan weer een spiegeling van het conflict tussen de personages van Czentovic en Dr. B.
In iets meer dan 80 kleine pagina’s wordt het hele verhaal van Schaaknovelle verteld. Het is heftig en intens. Je hebt het snel uit, maar het blijft in je hoofd spelen. Na een tijd zie je het als op een schaakbord in je hoofd. Dan dringt het door hoe tragisch de afloop van het verhaal eigenlijk is. En met de kennis van wat er met de auteur gebeurde, krijgt het geheel nog een extra lading.
Schaaknovelle is een heel bijzonder boek. Het zegt veel over wat er gebeurde in Europa in de aanloop van de Tweede Wereldoorlog, maar ook over wat oorlog met mensen doet. Het zegt iets over de kracht van de intellectuele cultuur, van het verlangen ernaar, maar ook van de kwetsbaarheid ervan. Het zegt iets over eenzaamheid, en wat die kan veroorzaken bij een mens. Het zegt iets over de kracht om te willen leven, en de grensgebieden waar die kracht lijkt te moeten wijken. Het schaakbord is niet het onderwerp, maar slechts het toneel waarop al die lijnen samenkomen.
Stefan Zweig, een Oostenrijkse schrijver van joodse afkomst, werkte deze novelle af enkele weken voor hij samen met zijn vrouw uit het leven stapte in 1942. Hij was gevlucht uit Oostenrijk nadat de nazi’s aan de macht waren gekomen in Duitsland. Vanuit Londen kwam hij uiteindelijk in BraziliĆ« terecht, waar hij dus ook stierf. Hij kon de teloorgang van het Europa waar hij van droomde, een Europa als culturele kracht, niet aan. Hij wilde ook niet iemand worden van Die Welt von Gestern, als Hitler de oorlog zou winnen.
Bij het begin van de novelle staat de ik-verteller op het punt in te schepen op een stoomschip dat van New York naar Buenos Aires zal vertrekken als hij erop attent gemaakt wordt dat er een beroemde gast mee aan boord zal zijn. Het gaat om Mirko Czentovic, de wereldkampioen schaken. Het is een man met een merkwaardige voorgeschiedenis. Hij is een man die als jongen volstrekt nergens goed in was, en geen enkele vorm van cultuur had. Nauwelijks in staat tot lezen en schrijven blijkt hij totaal onverwacht een groot talent voor schaken te hebben. Daarmee steekt hij fel af tegen de meeste andere schakers. Hij maakt snel opgang, en wordt wereldkampioen. Hij wordt een soort kille ‘schaakautomaat’, die zijn eenzijdig talent financieel volledig uitbuit, en zo de wereld rondtrekt.
De verteller is gefascineerd door Czentovic, maar die laat zich niet zomaar benaderen. Hij maakt kennis met de Schotse oliemagnaat McConnor, een brutale man van het geld, een ijdele “succesmens”. Die daagt Czentovic uit voor een spelletje schaak, en wil daar ook voor betalen. Het spel wordt gespeeld, en McConnor en de anderen die rond hem staan verliezen grandioos. Bij een tweede spel worden ze vervoegd door een voor hen onbekende man, Dr. B., die hen influistert welke zetten ze moeten doen. De wedstrijd eindigt in remise.
De ik-verteller gaat nadien Dr. B. opzoeken om hem te vragen een dag later zelf te schaken tegen Czentovic. Op het dek vertelt Dr. B. zijn levensverhaal. In Oostenrijk werkte hij bij een advocatenkantoor dat in de feiten vooral dienstdeed als vermogensbeheerder voor de Oostenrijkse clerus en het koningshuis. Nadat de nazi’s Oostenrijk zijn binnengevallen wordt Dr. B. gearresteerd en opgesloten in een hotel. De nazi’s willen van hem informatie over het vermogen van de kloosters. In zijn hotelkamer wordt hij van alles afgesloten. Hij hoort of ziet niemand, mag niet lezen of schrijven. Door hem te omringen door het grote niets probeert men hem te kraken. Dr. B. is het toonbeeld van een gecultiveerde intellectueel. Hij krijgt het moeilijk bij de dagelijkse ondervragingen. Op een bepaald moment kan hij een boek bemachtigen, en dat blijkt een boek met een verzameling partijen door schaakmeesters. Om zijn geest aan de gang te houden, begint hij die partijen vanbuiten te leren. Later begint hij, bijna als een waanzinnige, in zijn hoofd partijen tegen zichzelf te spelen. Hij splitst zich als het ware op in een wit en een zwart personage.
Uiteindelijk kan hij toch verdwijnen uit de gevangenneming en komt hij op de boot terecht. Hij zal het schaakspel spelen tegen de wereldkampioen. Voor het eerst speelt hij met echte schaakstukken, op een echt bord, tegen een echte tegenstander. Zijn verleden haalt hem echter in.
Het schaakspel tussen Czentovic en Dr. B. zou men kunnen interpreteren als het grote conflict tussen de kille schaak- of machtsmachine enerzijds en de gevoelige vertegenwoordiger van een rijke intellectuele cultuur anderzijds. Dr. B. probeerde zijn gevangenschap en de confrontatie met het niets te overleven met de kracht van zijn hoofd, maar ging daarbij tot aan de rand van de waanzin. In de werkelijke wereld die het schip is, staat hij in het echt tegenover een tegenstander. Het schaakbord is een ander speelveld dan het bezette Oostenrijk, maar het spiegeleffect is duidelijk. De tegenstander heeft iets van een ongrijpbaar zwart gat en is ongenaakbaar in zijn brute kracht. De afloop van de confrontatie tussen de twee lijkt een aankondiging en verantwoording van de keuze die de auteur in het echte leven zou maken. De tegenstelling tussen de ik-verteller en McConnor lijkt dan weer een spiegeling van het conflict tussen de personages van Czentovic en Dr. B.
In iets meer dan 80 kleine pagina’s wordt het hele verhaal van Schaaknovelle verteld. Het is heftig en intens. Je hebt het snel uit, maar het blijft in je hoofd spelen. Na een tijd zie je het als op een schaakbord in je hoofd. Dan dringt het door hoe tragisch de afloop van het verhaal eigenlijk is. En met de kennis van wat er met de auteur gebeurde, krijgt het geheel nog een extra lading.
Schaaknovelle is een heel bijzonder boek. Het zegt veel over wat er gebeurde in Europa in de aanloop van de Tweede Wereldoorlog, maar ook over wat oorlog met mensen doet. Het zegt iets over de kracht van de intellectuele cultuur, van het verlangen ernaar, maar ook van de kwetsbaarheid ervan. Het zegt iets over eenzaamheid, en wat die kan veroorzaken bij een mens. Het zegt iets over de kracht om te willen leven, en de grensgebieden waar die kracht lijkt te moeten wijken. Het schaakbord is niet het onderwerp, maar slechts het toneel waarop al die lijnen samenkomen.
04 maart 2012
Wat doe je met het weten
Een verhaal in de krant. Een vader over zijn zoon. De zoon stapte uit het leven. Het besef van de wereld was hem te zwaar geworden. De aard en de loop der dingen proberen te vatten, zien hoe het gaat, wat je plaats is, wat je invloed is, het teveel en het te weinig zien, en beslissen. Zo moet het ongeveer gegaan zijn. De vader, hij heeft in het verdriet ook een inzicht gevonden. Hij spreekt over een maatschappij die een Icarus is, die snel de zon nadert.
Wat doe je met het weten? Het is een onontkoombare vraag, ze zal je wel altijd blijven vergezellen, het is niet anders.
Misschien, in alle deemoed, is er iets van herkenning. Je ziet een jongen, of was hij al een jonge man. Hoe de wereld in zijn hoofd beukt, keer op keer. Hoe dat hoofd probeert te vatten, probeert te zien welke weg er nog zou zijn, welke weg zin zou kunnen geven. Het is absoluut, dat kan niet anders, op die leeftijd, denk je nu. Enkel als, dit en dit, enkel dan zal het zinvol geweest zijn. Radeloos kwaad zijn op de wereld, en dat met te korte armen.
Het leven is gebleven. Gelukkig maar. Soms, als je kwaad bent op de wereld, moet je vrede sluiten met jezelf. Je hebt er wel minstens een half leven voor nodig om dat te beseffen. Het is een trage vrede. Ze komt niet als boem paukenslag. Ze komt als water dat onder de deurrand naar binnen komt, bedeesd.
Nooit het willen weten willen loslaten, dat is misschien een van de moeilijke dingen. Proberen te leven in waarheid. Weten hoe elk gebaar dat je stelt, elk woord dat je kiest, hoe alles futiel kan zijn. Niet meer dan een blad dat in de herfst wordt opgetild door de wind. Vrede hebben, soms dan toch, met het blad. Enkel door er te zijn, laat het blad de wind zien. De wind die anders ongezien alle kanten uit zou kunnen waaien. Enkel door er te zijn, is het blad een weerstand. Aanvaarden dat je niet meer kunt zijn dan dat blad, en tegelijk kiezen dat je nooit minder wilt zijn dan dat blad.
Je verdriet toegeven, ook dat is moeilijk. Het is als een brug die je over moet. Aan deze kant is er het willen weten, het willen vatten, het willen overmeesteren, het willen sturen, het willen veranderen, alles en definitief, het alles altijd bij je willen hebben om zo de juiste weg, de juiste strategie te kunnen kiezen. Je voelt hoe het je langzaam verstikt, hoe het je lichaam harder en harder maakt, hoe het je uitput. Pas na een tijd zie je dat er een brug is. Het is niet gemakkelijk om naar de andere kant te gaan. Tot je daar bent, en beseft wat je gemist hebt. Het besef, en de aanvaarding, dat je gewoon verdrietig mag zijn om de dingen. Dat je kunt leren om het verdriet door je heen te laten stromen, zonder dijken, zonder sluizen, alleen het water. Zo zal het je nooit overspoelen. Het komt en gaat. Het laat je niet bitter of machteloos achter. En zo kun je terug naar de andere kant van de brug gaan. Meestal toch.
De trage vrede is nooit een paradijs. Ze vraagt dagelijkse aanraking. Nooit weet je zeker of je de goede dingen doet. Nooit weet je zeker of je moedig genoeg was. En sommige dagen ben je niet opgewassen tegen de kinderen. Je ziet de wereld waarin zij opgroeien, waarin zij hun kinderen zullen krijgen. En je zou tussen de opwellende tranen iets willen kunnen schreeuwen, alleen weet je niet tegen wie. Misschien is het soms wel genoeg dat zij het weten.
Het weten brengt geen troost, het willen weten soms wel. Waar je naar verlangt, wat je waarschijnlijk niet zult bereiken, dat geeft geen verlichting. Dat je het doet, dat je strompelend en stotterend naar het midden van het plein stapt, dat soms wel. Dat is genoeg, meestal toch.
Het weten zoeken is soms vooral vragen aantreffen. De wijsheid om ze onbeantwoord te laten laat zich maar traag verwerven. De vragen in je armen houden, en daardoor misschien wel de vragen zelf troosten, het zou kunnen dat dat genoeg is.
Wat doe je met het weten? Het is een onontkoombare vraag, ze zal je wel altijd blijven vergezellen, het is niet anders.
Misschien, in alle deemoed, is er iets van herkenning. Je ziet een jongen, of was hij al een jonge man. Hoe de wereld in zijn hoofd beukt, keer op keer. Hoe dat hoofd probeert te vatten, probeert te zien welke weg er nog zou zijn, welke weg zin zou kunnen geven. Het is absoluut, dat kan niet anders, op die leeftijd, denk je nu. Enkel als, dit en dit, enkel dan zal het zinvol geweest zijn. Radeloos kwaad zijn op de wereld, en dat met te korte armen.
Het leven is gebleven. Gelukkig maar. Soms, als je kwaad bent op de wereld, moet je vrede sluiten met jezelf. Je hebt er wel minstens een half leven voor nodig om dat te beseffen. Het is een trage vrede. Ze komt niet als boem paukenslag. Ze komt als water dat onder de deurrand naar binnen komt, bedeesd.
Nooit het willen weten willen loslaten, dat is misschien een van de moeilijke dingen. Proberen te leven in waarheid. Weten hoe elk gebaar dat je stelt, elk woord dat je kiest, hoe alles futiel kan zijn. Niet meer dan een blad dat in de herfst wordt opgetild door de wind. Vrede hebben, soms dan toch, met het blad. Enkel door er te zijn, laat het blad de wind zien. De wind die anders ongezien alle kanten uit zou kunnen waaien. Enkel door er te zijn, is het blad een weerstand. Aanvaarden dat je niet meer kunt zijn dan dat blad, en tegelijk kiezen dat je nooit minder wilt zijn dan dat blad.
Je verdriet toegeven, ook dat is moeilijk. Het is als een brug die je over moet. Aan deze kant is er het willen weten, het willen vatten, het willen overmeesteren, het willen sturen, het willen veranderen, alles en definitief, het alles altijd bij je willen hebben om zo de juiste weg, de juiste strategie te kunnen kiezen. Je voelt hoe het je langzaam verstikt, hoe het je lichaam harder en harder maakt, hoe het je uitput. Pas na een tijd zie je dat er een brug is. Het is niet gemakkelijk om naar de andere kant te gaan. Tot je daar bent, en beseft wat je gemist hebt. Het besef, en de aanvaarding, dat je gewoon verdrietig mag zijn om de dingen. Dat je kunt leren om het verdriet door je heen te laten stromen, zonder dijken, zonder sluizen, alleen het water. Zo zal het je nooit overspoelen. Het komt en gaat. Het laat je niet bitter of machteloos achter. En zo kun je terug naar de andere kant van de brug gaan. Meestal toch.
De trage vrede is nooit een paradijs. Ze vraagt dagelijkse aanraking. Nooit weet je zeker of je de goede dingen doet. Nooit weet je zeker of je moedig genoeg was. En sommige dagen ben je niet opgewassen tegen de kinderen. Je ziet de wereld waarin zij opgroeien, waarin zij hun kinderen zullen krijgen. En je zou tussen de opwellende tranen iets willen kunnen schreeuwen, alleen weet je niet tegen wie. Misschien is het soms wel genoeg dat zij het weten.
Het weten brengt geen troost, het willen weten soms wel. Waar je naar verlangt, wat je waarschijnlijk niet zult bereiken, dat geeft geen verlichting. Dat je het doet, dat je strompelend en stotterend naar het midden van het plein stapt, dat soms wel. Dat is genoeg, meestal toch.
Het weten zoeken is soms vooral vragen aantreffen. De wijsheid om ze onbeantwoord te laten laat zich maar traag verwerven. De vragen in je armen houden, en daardoor misschien wel de vragen zelf troosten, het zou kunnen dat dat genoeg is.
03 maart 2012
Pffffff
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
Leiderschap. Als een soort abstracte categorie. Niet over een stijl van leidinggeven of zo. Niet over een welbepaalde leider. Nee, leiderschap. Een beetje zoals sommige mensen (vaak diezelfde mannen) spreken over ‘excellence’ of ‘creativity’. Opnieuw als een abstracte categorie. Niet creatief zijn in een bepaalde context of creatief met een bepaald doel voor ogen. Nee, creativity op zich. Als een soort ding dat aan zichzelf genoeg heeft.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
Je ziet ze bezig, die mannen. In foute hemden met foute streepjes met daarop een das met eveneens streepjes, in een andere richting dan wel. Is er dan nooit iemand die tegen die mannen zegt dat dat echt niet gaat, die streepjes en die streepjes? Blijkbaar niet. En ook zonder dichterbij te komen weet je het. Ze hebben net iets te veel aftershave op, met een net iets te mannelijke geur.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
Ze kijken dan ernstig voor zich uit. Vooral hopend zichzelf zo te zien, blinkend van belangwekkendheid, van onmisbaarheid, van noodzakelijkheid. Van die mannen die minister van defensie worden, om maar even iets in de groep te werpen. Ze spreken, of beter: ze oreren. Ze richten zich tot een virtueel publiek. Een publiek dat ongetwijfeld wel ziet hoe belangwekkend, onmisbaar en noodzakelijk de man is die zich tot hen richt. Dat publiek moet daar ergens zijn. En iedereen die hier en nu iets zegt of vraagt, wordt meteen opzij gepraat, want onwetend, te kwader trouw of gewoon tijdverspilling.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
Beneveld door hun eigen glorie – iets wat ze zelf als visie omschrijven – denken ze te zien waar de dingen naartoe moeten. Zij zien het, anderen niet, vanzelfsprekend. En de rest van de wereld, het gewone gepeupel, krioelt maar wat in de rondte. Al die mensen rommelen maar wat aan, in alle richtingen tegelijk. Ze zijn beperkt, niet in staat de grotere verbanden of de noodzakelijke richting te zien. Ze kunnen er ook niets aan doen. Ze zijn goed, maar ze hebben iets nodig, iets dat hen op het goede spoor kan zetten, iets dat hen bij de hand kan nemen om hen door de woestijn te leiden.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
Ze zullen nooit zeggen: het volk heeft nood aan een sterke leider. Want dat zou onaangename associaties oproepen. En die zouden negatief kunnen afstralen op de man die die woorden uitsprak. Nee, ze zijn mee met hun tijd, ze zijn slimmer. Ze zullen iets zeggen als: deze tijden, deze complexe toestand, ze vragen om leiderschap.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
En terwijl ze het zeggen, zie je het aan hun ogen. Ze spreken over leiderschap, en terwijl hopen ze dat het stilzwijgende virtuele publiek meteen bereid is zich bij dit overdonderende inzicht neer te leggen. Het publiek zal het abstracte begrip leiderschap ineens in alle volheid zien, als een compacte massa, als een dichte wolk die boven de man hangt die het woord uitsprak. En ze zullen zien hoe duidelijk het allemaal is, hoezeer leiderschap, dat niet te grijpen fluĆÆdum, alleen maar gerepresenteerd kan worden door die man, die man die onder die wolk staat. Ze zien het en ze zullen hem vragen of hij, alleen hij, het op zich zal nemen, het zal laten neerdalen tot het hem omhult als een roze hemd met foute streepjes. Die man spreekt alsof hij weet dat het publiek dat allemaal zal beseffen, in een flits van verlichting. Normaal zou hij dat alles sereen en met volledige zelfcontrole moeten kunnen uitspreken, bewust van de eigen lotsbestemming, maar je merkt in die stem een net iets te grote gretigheid, net iets te veel ijdelheid.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
Als ze echt overmoedig worden, herhalen ze het woord leiderschap nog een tweede keer. Je merkt hoe alleen al het uitspreken van het woord ergens in hun onderrug leidt tot licht orgasmatische rillingen. Ergens in hun ogen weerspiegelt zich de weg die zal komen. Ze hebben vanzelfsprekend niets van de brandende ambitie, de lichte paranoia en de grootheidswaan van de zogenaamde grote leiders. Nee, zij zijn in wezen bescheiden dienaars. Ze doen niet meer dan het aanvaarden van het dragen van leiderschap, als een pak dat hun is toevertrouwd. Ze doen enkel wat moet gebeuren, en dat voor de mensen die – beneveld als ze zijn – gewoon nog niet helemaal beseffen wat ze werkelijk nodig hebben: leiderschap.
Ze fabuleren zelf de roeping bij elkaar waarvoor zij alleen uitverkoren zijn, vanzelfsprekend.
Leiderschap. Als een soort abstracte categorie. Niet over een stijl van leidinggeven of zo. Niet over een welbepaalde leider. Nee, leiderschap. Een beetje zoals sommige mensen (vaak diezelfde mannen) spreken over ‘excellence’ of ‘creativity’. Opnieuw als een abstracte categorie. Niet creatief zijn in een bepaalde context of creatief met een bepaald doel voor ogen. Nee, creativity op zich. Als een soort ding dat aan zichzelf genoeg heeft.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
Je ziet ze bezig, die mannen. In foute hemden met foute streepjes met daarop een das met eveneens streepjes, in een andere richting dan wel. Is er dan nooit iemand die tegen die mannen zegt dat dat echt niet gaat, die streepjes en die streepjes? Blijkbaar niet. En ook zonder dichterbij te komen weet je het. Ze hebben net iets te veel aftershave op, met een net iets te mannelijke geur.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
Ze kijken dan ernstig voor zich uit. Vooral hopend zichzelf zo te zien, blinkend van belangwekkendheid, van onmisbaarheid, van noodzakelijkheid. Van die mannen die minister van defensie worden, om maar even iets in de groep te werpen. Ze spreken, of beter: ze oreren. Ze richten zich tot een virtueel publiek. Een publiek dat ongetwijfeld wel ziet hoe belangwekkend, onmisbaar en noodzakelijk de man is die zich tot hen richt. Dat publiek moet daar ergens zijn. En iedereen die hier en nu iets zegt of vraagt, wordt meteen opzij gepraat, want onwetend, te kwader trouw of gewoon tijdverspilling.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
Beneveld door hun eigen glorie – iets wat ze zelf als visie omschrijven – denken ze te zien waar de dingen naartoe moeten. Zij zien het, anderen niet, vanzelfsprekend. En de rest van de wereld, het gewone gepeupel, krioelt maar wat in de rondte. Al die mensen rommelen maar wat aan, in alle richtingen tegelijk. Ze zijn beperkt, niet in staat de grotere verbanden of de noodzakelijke richting te zien. Ze kunnen er ook niets aan doen. Ze zijn goed, maar ze hebben iets nodig, iets dat hen op het goede spoor kan zetten, iets dat hen bij de hand kan nemen om hen door de woestijn te leiden.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
Ze zullen nooit zeggen: het volk heeft nood aan een sterke leider. Want dat zou onaangename associaties oproepen. En die zouden negatief kunnen afstralen op de man die die woorden uitsprak. Nee, ze zijn mee met hun tijd, ze zijn slimmer. Ze zullen iets zeggen als: deze tijden, deze complexe toestand, ze vragen om leiderschap.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
En terwijl ze het zeggen, zie je het aan hun ogen. Ze spreken over leiderschap, en terwijl hopen ze dat het stilzwijgende virtuele publiek meteen bereid is zich bij dit overdonderende inzicht neer te leggen. Het publiek zal het abstracte begrip leiderschap ineens in alle volheid zien, als een compacte massa, als een dichte wolk die boven de man hangt die het woord uitsprak. En ze zullen zien hoe duidelijk het allemaal is, hoezeer leiderschap, dat niet te grijpen fluĆÆdum, alleen maar gerepresenteerd kan worden door die man, die man die onder die wolk staat. Ze zien het en ze zullen hem vragen of hij, alleen hij, het op zich zal nemen, het zal laten neerdalen tot het hem omhult als een roze hemd met foute streepjes. Die man spreekt alsof hij weet dat het publiek dat allemaal zal beseffen, in een flits van verlichting. Normaal zou hij dat alles sereen en met volledige zelfcontrole moeten kunnen uitspreken, bewust van de eigen lotsbestemming, maar je merkt in die stem een net iets te grote gretigheid, net iets te veel ijdelheid.
Vertrouw geen mannen die spreken over leiderschap.
Als ze echt overmoedig worden, herhalen ze het woord leiderschap nog een tweede keer. Je merkt hoe alleen al het uitspreken van het woord ergens in hun onderrug leidt tot licht orgasmatische rillingen. Ergens in hun ogen weerspiegelt zich de weg die zal komen. Ze hebben vanzelfsprekend niets van de brandende ambitie, de lichte paranoia en de grootheidswaan van de zogenaamde grote leiders. Nee, zij zijn in wezen bescheiden dienaars. Ze doen niet meer dan het aanvaarden van het dragen van leiderschap, als een pak dat hun is toevertrouwd. Ze doen enkel wat moet gebeuren, en dat voor de mensen die – beneveld als ze zijn – gewoon nog niet helemaal beseffen wat ze werkelijk nodig hebben: leiderschap.
Ze fabuleren zelf de roeping bij elkaar waarvoor zij alleen uitverkoren zijn, vanzelfsprekend.
Abonneren op:
Posts (Atom)
