13 januari 2013

Mannenzaken

De mannen onder elkaar. Een belangwekkende discussie over kleding. Hoe gaat dat? Koop je alles zelf? Gaat er iemand mee? Wil je graag mooie kleren kopen? Heb je een pak? Heb je een das? Wat is een ‘geklede’ broek? Wanneer wordt een broek ‘werkkleding’? Welk effect heeft een mooie vrouw in mooie kleren naast jou? Hoeveel broeken heb je? Hoe vaak mag je een kledingstuk repareren en wanneer moet het echt wel weg? Wie gooit er dan iets weg? Hoe lang kun je doen met een bril? Is het fijn om een vriendin mee te nemen als je een hippe bril wilt? Mag je zelf iets kopen dat je vrouw niet goed zou keuren? Heb je een vrouw nodig om je erop te wijzen dat je dat hemd echt toch wel niet meer mag dragen? Kun je een man en een vrouw ook in je eigen hoofd hebben zodat die twee daar de discussie kunnen voeren? Hoeveel procent van de vrouwen zou zich geflatteerd voelen als je haar zegt dat ze iets moois aanheeft of opmerkt dat ze net haar haar heeft laten knippen? Droom je stiekem van een mooi pak, op maat gemaakt? Wat is de beste soldenstrategie? Ben je eigenlijk ook een beetje jaloers op de vrouwen, die zoveel meer mooie kleren in mooie kleuren kunnen dragen en kiezen en niet zoals mannen veroordeeld zijn tot telkens weer die brave kleuren? Voel je jezelf beter als iemand zegt dat je mooier bent met dat ene jasje aan? Kunnen mannen ook schoenen of kleren kopen uit compensatie voor een dipje of zo? En nog 37 andere vragen. Een hels debat. Dat je op de een of andere manier troost.

Soms droom je wat je zou willen dromen, zonder dat je dat aan jezelf had durven toegeven, misschien. Soms duurt zo’n droom ook lang, tot je eigen verbazing, en kun je telkens opnieuw stukken toevoegen aan die droom.

Of ze die stomme auto’s nu betalen, leasen, huren, met crimineel geld betalen, in een koffertje vol cash, en of dat al dan niet voldoende is gevat in de wet tegen de witwaspraktijken, dat is ongetwijfeld een belangrijke kwestie. Maar dat ze die onnozele dikke blinkende voertuigen nodig hebben om iets te zeggen over hoe man ze zijn, het blijft – op zijn vriendelijkst gezegd – een beetje zielig. Eigenlijk.

Een hortende nacht. Alsof vooral je benen geen rust vonden. Het hoofd ziet er ingedeukt uit, die ochtend in de spiegel. Zou je daar iets aan moeten doen, of gaat dat vanzelf weer over? En zou er iemand zijn die het verschil ziet?

Dat sommige mensen weinig gevoel voor humor hebben, denk je soms.

Of dat niet een klein beetje onnozel is, je handen voor je ogen houden, met een spleetje vrij, om niet te moeten zien wat er zal gebeuren in de aflevering van die reeks? Gelukkig ziet niemand jou hier zo liggen.

Hoe dik mag je de sneetjes brood snijden om nog genoeg brood te hebben voor morgenvroeg en voor de boterhammetjes die je mee moet nemen naar het werk? Tot daar mag je dus snijden.

Waarom doe je dat eigenlijk? De wekkerradio ook op zondag zetten. Terwijl je uit zou kunnen slapen, als dat al zou lukken. Om dus op zondag wakker te worden met die radiostem die je helemaal niet wilt horen, waarna je de radio dus weer onmiddellijk uitzet.

Je zou iemand iets willen zeggen. Je oefent al een beetje de woorden. Zodat ze er op het juiste moment zogenaamd spontaan juist uit zullen komen. Alsof je dat allemaal zou kunnen. Of gewoon om preventief al je drempelvrees te overwinnen.

Je moet die bespreking van dat Duitse boek nog afwerken. Je bepaalt voor jezelf het aantal minuten dat je uitvluchten mag zoeken om er niet aan te moeten beginnen. Om vast te stellen dat dat toch eigenlijk wel een beetje belachelijk is.

Wat een verbijsterende vertoning. Duizenden mensen die door de straten lopen, omdat ze vinden dat sommige mensen niet mogen trouwen. Dat ze blij zouden moeten zijn dat er nog mensen zijn die wel willen trouwen, denk je. Dat ze zich heel erg diep zouden moeten schamen, denk je. Eigenlijk.

De mannen onder elkaar. Dat van die 50 tinten grijs. Enkele mannen hebben blijkbaar op een andere planeet geleefd. Nooit van gehoord, is dat een hype? En waarover gaat dat juist? En hoe dik is dat boek? Hoe dik? En hoe is dat in het Engels? En het Duits? Waarop de mannen die er al wel van gehoord hebben moeten uitleggen wat er allemaal juist in dat boek staat, hoewel zij alleen op de hoogte zijn van de secundaire literatuur, vanzelfsprekend. En ook uitleggen waarom zoveel vrouwen dat boek willen lezen. Niet simpel. Je kunt wel uitleggen dat het bij een willekeurige treinrit soms zo lijkt alsof een op drie vrouwen in de wagon in dat boek zit te lezen, al dan niet ingepakt in kaftpapier. De interesse is vanzelfsprekend enkel sociologisch.

12 januari 2013

Amelia


Ik zag haar bij de solden. Ik stond te kijken naar de hemden. Ze kwam naar me toe en zei, bijna fluisterend: ‘Dat hemd zal u zeker goed staan, neem dat maar.’ Ze keek me een beetje verlegen aan, met een flauwe glimlach.

Ze zei dat ze al even stond te kijken, en dat het was alsof ze me kende. Wat niet het geval was, dacht ik toch.

Ze zei dat ze Amelia heette. Ik vroeg of het van dat liedje van Joni Mitchell kwam, en haar glimlach werd heel breed. ‘Dat heeft nog nooit iemand me gevraagd, ik wist dat er iets was met u. Het is inderdaad van dat liedje. Mijn moeder had iets met dat liedje. Ik heb haar vaak zien zitten in de kamer, in het donker, met enkel een kaars of zo, en met die plaat op. Ik denk dat ze niet wou dat ik dan te dicht bij haar zou komen, en dus deed ik dat maar niet.’

Soms zijn er mensen die je verblinden met hun schoonheid. Soms zijn er mensen die zelf niet lijken te weten hoe mooi ze zijn, of zouden kunnen zijn. Er is iets in hun ogen, je kunt het niet altijd zien, maar soms wel. Amelia had zo’n ogen, en iets sloeg bij me in.

Ik heb dat hemd gekocht, en we vertrokken samen. We zochten een rustige plek voor een koffietje.

‘Vind jij ook niet dat mensen soms zo hard zijn voor elkaar? Waarom moet dat eigenlijk? Je mag al blij zijn als je af en toe even bij iemand mag schuilen, voor je weer vertrekt.’

Ik zei: ‘Share the same space for a minute or two.’

‘Ken je dat liedje ook?’, vroeg ze. Ze bleef glimlachen, even nog.

Het leek alsof er veel gebeurde in dat hoofd van haar. Maar ze hield die dingen op een afstand, dat zag je zo. Nu toch. Misschien kon ze thuis wel dagenlang dolen door een of ander verdriet, de weg kwijt.

Ik vertelde haar, waarom weet ik eigenlijk niet, dat ik een brief had gelezen, ergens in een tijdschrift of zo, van een vrouw die niet blij kon zijn voor haar beste vriendin. Die vriendin was zwanger, en heel gelukkig. Zijzelf wou al langer een kind, maar het kwam er niet van. Niet de goede man op het goede moment, het lichaam dat niet mee wilde werken. En nu werd haar beste vriendin wel zwanger, zo ineens, en ze kon het niet verdragen. Ze was kwaad, kon zich er niet over zetten, en had niet meer met haar vriendin gesproken.

‘Jammer. Toch? Je moet het wel leren, jezelf wat opzij schuiven, en alleen maar kijken naar die ander. Oprecht blij zijn voor een ander. Ik weet niet of ik het altijd kan, maar ik probeer het wel.’

Hoe groot is de liefde dan, voor je beste vriendin, als je niet blij kunt zijn voor haar, zei ik nog. Ik zag iets als een flits in haar ogen, bij het woord liefde. Alsof haar dat ergens raakte, ergens waar iets al geraakt was, misschien. In een gedachte die ik nauwelijks tot mezelf durfde toelaten was het alsof ik haar even aan kon raken, als om te zeggen: het is goed. Hopelijk kon ik het goed verbergen. Al keek ze me nog even heel diep aan.

Ze sloeg haar ogen even neer, heel even, en zei toen: ‘Soms is het fijn om bij iemand te zijn die je het gevoel geeft dat hij tijd heeft voor jou. Dat hij kan wachten op jou. Als je een trage huid hebt. Als je altijd nog even tussen de angst moet slalommen. Alleszins dat je het gevoel krijgt dat het zo zou kunnen zijn, van die tijd.’

Ik zei dat hij misschien ook wel veel tijd nodig zou kunnen hebben. In dat verhaal dat zij vertelde, natuurlijk. Ze keek weer even weg. Ik zag dat ze haar koekje nog altijd niet had opgegeten.

En toen begon ze over het weer. Dat het nu toch koud zou gaan worden. Dat ze haar handen nu zeker niet meer opgewarmd zou krijgen. Ik dacht nog even iets, maar liet het weer verdwijnen, denk ik.

Ik weet nooit goed hoe je dat moet doen, over het weer praten. De hele wereld lijkt dat te kunnen, maar mij maakt het altijd zenuwachtig. Het kan tot kleine stiltes leiden. Soms.

Ze stond op om weg te gaan. Ik stond op, bewoog naar haar toe om haar een kus te geven. Op dat moment realiseerde ik me dat ik haar eigenlijk nog niet kende, en dat dat misschien wel niet zou mogen. In diezelfde flits herinnerde ik me dat zij had gezegd dat ze me al wel kende, waardoor het misschien niet zo erg was. En het was alsof ze haar wang aanbood, en op het allerlaatste moment toch nog veranderde, waardoor ik een klein stukje van haar lippen raakte. Ze draaide zich om, en iets in haar ogen leek heel even te twijfelen. Ze vertrok, en ik bleef nog even kijken.

Ik stapte op mijn fiets. Er moest nog een cadeautje gekocht worden, voor een verjaardag van volgende vrijdag.

11 januari 2013

Wat hoor je

In de krant een stuk van een schrijfster en filmmaakster. Over haar oordopjes. “Ik schrijf altijd met oordopjes in. De stilte helpt me om een andere ruimte te betreden, de wereld van de personages. Eigenlijk is het muisstil in het kleine huis waar ik werk, maar ik wil het geluid van mijn vingers op het toetsenbord niet horen. Het is zoals wanneer je je bewust bent van je eigen ademhaling: dan ga je plots raar ademhalen.”

Die zinnen blijven door je hoofd gaan. Omdat jij dat vooral niet zou willen. En waarom eigenlijk?

Niet omdat je geen stilte zou willen. Vaak wil je dat wel. Stil in het huis. Stil als je in je boek zit te lezen. Soms ook niet stil als je zit te lezen.

Maar niet zo stil. Zou het dat zijn?

Die toetsen wil je wel horen. Soms oefen je jezelf in het nauwelijks betasten van de toetsen. Zo zacht en stil mogelijk. Maar net dat zo mogelijk wil je wel kunnen horen, denk je.

En de adem? Dat wil je zeker niet, dat je die niet zou horen. Misschien, als je er niet op let, dat je dan niets hoort. En dat is niet zo erg. Maar als je er wel op let, en je zou niets horen. Dan zou de paniek toeslaan, denk je. Net door het horen kan er iets terugkeren. Een ‘ik ben er nog’. Zou je jezelf anders ineens zomaar kunnen verliezen? Ongemerkt?

Soms doe je het. Heel zachtjes met je vinger over je huid gaan, net onder je oor. Een nauwelijks waarneembaar geluid. Tenzij er kleine stoppels staan, zo tegen het einde van de dag. En net dat geluid maakt je rustig. Je bent er nog. Je zit niet in een of andere stolp.

En als je er zelf nog bent, misschien is dan de wereld daarbuiten er ook nog wel. Je zou anders ineens de weg kunnen kwijt raken. Je zou ineens vaststellen dat je in een of andere spleet was gevallen. En dan merken dat je ergens achter glas in een ander parallel universum was terechtgekomen. Of zoiets.

Zou dat aan het geluid liggen? Soms ben je even weg, na een dutje of zo, en is het alsof je eigen geluiden diep zitten. Je stem komt van ver. En je moet traag terug naar een ritme komen waarin je lichaam en je stem weer samenvallen met de bewegingen van de wereld daarbuiten. En als op zo’n moment iemand ineens voor je staat, en iets zegt, dan kan het zijn alsof je onbereikbaar bent, ook voor jezelf.

Misschien is het een soort oerangst. Niet dat je veel lawaai zou willen, integendeel. Maar van die paar geluiden die je ’s nachts hoort, ergens, af en toe, gaat een grote rust uit. Het is zoals een kind dat alleen zit te spelen met zijn rug naar de kamer, waar ergens nog andere mensen zijn. Alleen, in het besef dat er ergens anderen zijn.

Maar wat zou de oerangst zijn? Vrees voor de overgave? Het uit handen geven? Misschien zijn sommige mensen daar goed in. Misschien kunnen ze zichzelf zo loslaten dat ze als het ware een eind weg drijven, zonder te weten of ze wel terug zullen komen. Zou daar, op die plek, die totale stilte zijn?

Misschien is er voor die volledige stilte een moed nodig die jij niet hebt, nooit zult hebben. Misschien heb je de zekerheid nodig dat je minstens het geluid van je adem op kunt roepen, wanneer je maar wilt.

Zou die volledige stilte een soort wit gat zijn? Waarin je even goed kunt verdwijnen?

Misschien heeft die schrijfster als schrijfster een moed die jij nooit zult hebben. Kan zij op een plek komen die jij waarschijnlijk niet durft betreden. Je weet het niet.

Je ademt diep in en uit. Zoals je altijd doet als de laatste woorden zich aandienen.

06 januari 2013

De lege plekken

‘Ik dacht dat je het nooit zou vragen. Zei hij, een beetje stoer.’
‘Alsof je dat al had geoefend. Voor het geval dat.’
‘Oei? Viel dat op?’
‘Nee hoor, helemaal niet. Haha. Maar ben je echt blij?’
‘Ja, ik ben heel blij.’
‘Wat is er dan?’
‘Ook een beetje in de war, denk ik. En verlegen, waarschijnlijk ook.’
‘Denk je dan dat ik niet verlegen ben?’
‘Dat weet ik niet, ik durf niet goed kijken.’
‘Ja, hier zitten we nu.’
‘Ja, zeg dat wel. In de film weten ze altijd beter hoe dat moet.’
‘Daar zijn het ook altijd wel mooie mensen.’
‘Weet je, jij bent eigenlijk echt heel mooi. Dat heb ik je toch al eens gezegd.’
‘Ja?’
‘Ja, min of meer toch. Misschien niet zo duidelijk als nu. Maar ik had me dat voorgenomen, om het toch eens duidelijk te zeggen.’
‘Dan heb je toch nog lang gewacht.’
‘Een beetje.’
‘Het verbaast me niet helemaal. Ik denk niet dat jij ooit de eerste stap zult zetten.’
‘Blijkbaar ben ik bang.’
‘Waarvoor?’
‘Als je niets zegt, kan de ander ook niet hard weglopen natuurlijk.’
‘Als je niets zegt, kan de ander ook gewoon voorbij gaan.’
‘Ben jij dan niet bang?’
‘Ja, toch wel.’
‘Ik ben natuurlijk oud en grijs.’
‘Ja, en?’
‘Vind je dat niet erg?’
‘Nee, waarom zou ik?’
‘Jij bent wel mooier.’
‘Hou daar maar mee op. Straks geloof ik het nog.’
‘Sorry als ik te veel praat. Het is alsof ik zoveel moet uitleggen vooraf.’
‘Ja, dat doe je wel. Alsof je je al verontschuldigt voor jezelf, nog voor er iets is gebeurd.’
‘Misschien wel. Ik wil gewoon zeggen: je zult een beetje geduld moeten hebben met mij.’
‘En jij met mij, heel veel zelfs.’
‘Dat komt dan goed uit.’
‘En ik heb koude voeten.’
‘Nu ook?’
‘Ja, nu ook. Ik dacht dat je het nooit zou vragen. Haha.’
‘Geef ze maar even. Als ik onrustig of gespannen ben, in mijn rug, dan krijg ik koude voeten of handen.’
‘Het zal daaraan liggen dan. Nu zijn je handen toch warm alleszins.’
‘Ik denk dat ik soms nog te veel de tijd voorbij laat gaan. Als een toeschouwer.’
‘Dat herken ik wel.’
‘En ineens besef je dan dat de tijd voorbij is gegaan.’
‘Behalve in jezelf.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Daar is alles nog. De lege plekken in je huid. Daar waar je bang bent om aangeraakt te worden.’
‘En daar waar je stiekem verlangt om aangeraakt te worden misschien wel?’
‘Ja, zoiets.’
‘Er kan enorm veel misgaan.’
‘Stel je voor dat het niet misgaat. Hoe zou dat zijn?’
‘Mmm.’
‘Ik begin het al warm te krijgen, trouwens. Doe maar rustig verder, dit zie ik wel zitten.’
‘Heb je de wind gehoord gisteren?’
‘Ja. Heftig.’
‘Ben jij nooit bang van de wind?’
‘Nee, meestal niet.’
‘Met deze muren ben ik niet meer bang. Vroeger was het anders.’
‘Ik schrik er nog altijd een beetje van hoe groot jij eigenlijk wel bent. Nu ook. Hoe je daar zit.’
‘Ja? Is dat erg?’
‘Nee, helemaal niet, integendeel. Het is wel mooi.’
‘O jee.’
‘Ik denk trouwens dat het aan die chocoladetaart lag. Die heeft me over de streep getrokken.’
‘Ja? Is dat zo?’
‘Ja, die heeft me toch een onrustige nacht bezorgd.’
‘Ik denk dat ik die nacht ook slecht geslapen heb.’
‘En toch had je daar niets van gezegd?’
‘Nee.’
‘Jongen toch.’
‘Ik weet het.’
‘Ik ook.’

05 januari 2013

Voornemens


Het hangt al een paar dagen boven je hoofd. De goede voornemens die je zou moeten maken. En blijkbaar moet je dan ook nog een lijstje maken van ‘dingen die ik wil doen voor ik 50 zal worden’. Paniek.

Je werpt al meteen in de groep dat er in je hoofd wel allerlei spannende dingen gebeuren. De groep werpt terug dat dat wel een beetje gemakkelijk is. Te. Zo gemakkelijk zul je er dit keer niet mee wegkomen.

Dat zou natuurlijk al een goed voornemen kunnen zijn. Er niet zo gemakkelijk mee weg proberen te komen in de interne dialoog.

Of de groep dan verwacht dat je je zult overgeven aan skydiving, wilde orgieën met dames in (of zonder) rood ondergoed met kanten randjes, verre reizen in wankele busjes dichtbij ravijnen, een intensieve cursus tantrische salsa (of zoiets), of een weekendje in een of andere resort met zeven zwembaden waar je dan in een strandstoel gaat liggen om een stapel boeken te lezen en na drie dagen vast te stellen dat je niet eens meer weet waar je nu eigenlijk was waarna je je moet haasten om je vliegtuig nog te halen en daarbij te merken dat de lagekostenmaatschappij liefst zou voorstellen dat je voor je benen een apart ticket zou bestellen waarna je gekneld komt te zitten tussen een geblondeerde vamp met een donkerleren huid na te intensief zonnebanken aan de ene kant en een iets te pafferige man aan de andere kant met zo’n lelijk gouden kettinkje om zijn pols en een doordringende mannelijke geur door te veel Tabac-aftershave en urenlang de verhalen van die twee moet ondergaan terwijl je jezelf blijft inprenten dat het toch een fantaaaaastische vakantie was? Of zoiets?

De groep werpt in zichzelf dat de overdrijving natuurlijk ook een vorm van vlucht is.

Wat dan weer een goed voornemen zou kunnen zijn. Niet meer vluchten. Moeilijk. Komt al dichter bij de harde kern van de zelfontkenning.

Of dat dan wil zeggen dat je het moet hebben over de stiekeme verlangens, vraag je aan de groep. Die kijkt je veelbetekenend aan, met een blik van: zoek het zelf maar uit. (Dat je het soms niet allemaal zelf zou willen uitzoeken, dat zou op zich al een stiekem verlangen kunnen zijn, denk je nog, maar de groep geeft geen krimp.) De stiekeme verlangens zijn:   ,   ,   ,   ,   ,   ,   . Het ontstiekemen van de stiekeme verlangens zou natuurlijk wel een vorm van controleverlies impliceren. Wat een redelijk beangstigende gedachte zou kunnen zijn.

To boldly go where no man has gone before. Dus. Het terrein van de beangstigende gedachten betreden. Zou ook al een goed voornemen kunnen zijn.

De groep lijkt nog niet helemaal tevreden. Eloquente retorische spielereitjes zijn niet veel meer dan een uitstel van executie. (En spitse grappen over het gebruik van het woord executie worden in dit verband niet getolereerd.)

Een interessant voornemen zou kunnen zijn: af en toe doen alsof je geen enkel voornemen zou mogen maken, en zien wat er dan gebeurt.

De groep vindt dat erg zen. Maar wel bijna naakt genoeg.

Of het niet erg is dat de wilde dingen die je zou willen doen aan de kleine kant zijn qua waarneembaarheid, vraag je nog aan de groep. En of het niet erg is dat de voor jou grootse dingen die je zou willen zeggen bij voorkeur heel zachtjes zullen worden uitgesproken of gefluisterd. En of het niet erg is als het beangstigende genot heel voorzichtig dichterbij komt, zonder het falen te ontwijken. En of het ook niet erg is dat er gestotterd en gestruikeld wordt.

De groep lijkt even te glimlachen, zonder uitzicht op hoop evenwel.

Om je echt iets voor te nemen zou je eigenlijk eerst naar een nulpunt moeten gaan, denk je vervolgens. Dat zou ook een voornemen kunnen zijn. Al zou het kunnen dat je, aangekomen in dat nulpunt, beseft dat je met het woord voornemen niet zo veel kunt doen.

Gelukkig duurt het alleszins toch nog even eer je vijftig bent. Even.

04 januari 2013

Wij zijn elkaar

De mevrouw in de winkel van de schoenmaker vraagt of hij dat zwarte laarsje van haar dochter kan herstellen. Die durfde er zelf niet mee komen, en dus komt de mama maar. De hond heeft er namelijk een heel stuk uit gebeten. Uit dat zwarte laarsje dus, achteraan boven de hiel. De schoenmaker fronst subtiel een wenkbrauw, maar heeft duidelijk al meer meegemaakt. Diezelfde hond had eerder ook al een stuk uit haar laarsje gebeten. Ook een zwart. En dat had hij, de schoenmaker dus, toen heel netjes weer hersteld. Of hij het nu nog eens zou kunnen doen. En of dat ook nog klaar zou kunnen zijn tegen oudejaarsavond, moest ze van haar dochter vragen. Het is maar een vraag natuurlijk. Terwijl je staat te wachten, krijg je van haar het hele verhaal over de hond te horen. Over wie wel en wie niet schoengewijs uit de buurt van dat dier moet blijven. Je knikt alsof je dat soort toestanden vanzelfsprekend herkent. Daarna krijg je nog een heel verhaal over haar stapschoenen die ze verloor in Vietnam. Dat je dus blij mag zijn dat je je stapschoenen nog hebt. (Tegen dat ze dat verteld heeft, krijg je je herstelde stapschoenen terug van de vrouw van de schoenmaker.) Je blijft met een begrijpende blik knikken. Als je dan toch gaat vertrekken, kijkt de mevrouw je een klein beetje verdrietig aan. Alsof er nog honderd verhalen moesten verteld worden.

De twee mannen van de spoorwegen staan in de hal te staan. De ene wacht op iets. De andere komt erbij staan. De ene is in het grijs. Met pet. Daaronder een wat onverzorgd staartje. En allerlei papieren in zijn hand. Een of andere onderstationschef of zo. Hij houdt het bord met de vertrekkende treinen goed in het oog. De andere is in het geel. Hij voert vooral het woord. De man met de pet knikt vooral. Het gesprek komt op de kwaliteit van de regenjassen die ze van de NMBS krijgen. En dat die vroeger toch zoveel beter was, die kwaliteit. De man met de pet knikt nog steeds. De gele man gaat verder. Hij heeft er thuis nog een liggen. Van die van vroeger. Wat je daar allemaal mee kon doen. Als het regende, kon je gaan zitten, en de onderkant van die jas omslaan. Zodat er een soort reservoir ontstond. En die regen bleef daar dan allemaal in staan. Je kon daar een vis in laten zwemmen. En dan nog werd die binnenvoering helemaal niet nat. Dat waren andere tijden. En vooral andere jassen. De man met de pet is nog steeds aan het knikken. Hij lijkt lichtjes opgelucht door een of andere verandering op het bord, waardoor hij dringend naar een van de perrons moet. De man in het geel blijft nog even een beetje verloren staan. Hij knikt nog naar het meisje van de broodjeszaak verderop. En loopt dan verder. Buiten regent het ondertussen niet meer zo hard. Met die nieuwe jassen zal het ook nog wel lukken voor vandaag.

De twee kleine meisjes komen eraan hollen. Ze zaten te kijken naar een of andere film van K3 of zo. Aan de grote tafel gaan de grote mensen een spelletje spelen. Iets met dobbelstenen. En allerlei combinaties die je moet halen. Alles moet je noteren op zo’n blaadje papier met vakjes. Je wist al niet meer hoe dat moest. Gelukkig wordt alles nog eens opnieuw uitgelegd. Ook hoe je strategisch moet spelen. Het maakt je altijd wat zenuwachtig. De aankondiging dat je een spel strategisch moet spelen. Dan moet je wat intelligent voor je uitkijken waarschijnlijk. En doen alsof je allerlei strategische afwegingen maakt. Terwijl dat gewoon een rommeltje is met die dobbelstenen. Maar de meisjes komen dus ook meedoen. Dat ene meisje speelde vorig jaar met oudjaar ook een spelletje mee. Eigenlijk speelde jij met haar een spelletje mee. Ze was toen al bijzonder goed in het strategisch spelen. Ongetwijfeld had zij dat spel thuis al dagenlang gespeeld, wat haar een voordeel gaf. (Is dat dan een tactisch of een strategisch voordeel? Wat moet je altijd hard nadenken over die twee woorden…) Tegen dat jij een klein beetje begreep hoe het spel werkte, was het al diep in het nieuwe jaar. En nu komt ze weer meespelen, samen met het andere meisje, ondertussen ook al een vriendinnetje. Dat andere meisje roept: wij zijn elkaar. Wat een ongelooflijk mooie zin. Je kijkt haar verbluft aan. En zij kijkt verbaasd terug. Heeft ze dan iets bijzonders gezegd misschien? Je zou haar willen bedanken. Voor die zin. Op dat moment zijn de dobbelstenen weer bij jou aangekomen. Je laat ze extra hard rammelen in dat zwarte bekertje. Alsof er dan meer kans zou zijn dat er een goede combinatie uitkomt. Daarna kijk je met een subtiel geheven wenkbrauw naar de zoveelste slechte worp, waar weer niets van te maken valt. De twee meisjes blijven onverstoord glunderen. Ze hopen dat er straks vuurwerk zal komen. Je gaat hun maar niet vertellen dat je eigenlijk schrik hebt van vuurwerk. Dat zal wel niet zo strategisch zijn. Waarschijnlijk.

01 januari 2013

Nieuwjaarswens 2013





Misschien is het tijd
Daar waar de barsten komen
Om de wind in te gaan
Zonder stenen in je mond

Misschien kun je nu wel blijven
Waar een daar is
En wat je zult zeggen
Over de rivier

Misschien zijn de rimpels genoeg
Om mee te nemen
Ook nog iets over warme handen
En de nerven van je landschap

jan