Met enkele dierbare vriendinnen praten we over wat te gebeuren staat tussen nu en een dan dat zal komen. Een goede vriend is bezig aan de laatste etappes van zijn leven. Sinds de ziekte zich aankondigde was het onafwendbaar. Met een sluipende volharding. Niet-onderhandelbaar. Op een bepaalde manier doet het goed om er even over te kunnen praten. We kunnen even delen wat we niet kunnen delen.
Je zou iets willen kunnen zeggen over de onmacht die je voelt. Over de drang om iets met je handen en je hart te kunnen doen dat iets anders zou kunnen verlichten. Je zou een web van warmte willen zijn. Je zou willen kunnen zeggen: leg een stukje van wat je te dragen hebt in mijn armen, zodat je tocht lichter wordt. En als je heel eerlijk bent, zou je het leven desnoods uit een rots willen kunnen trekken om het te kunnen geven. Je weet dat het niet kan. En dus wens je dat de dood zacht en genadevol mag komen. Je zou willen dat het op een bepaalde manier niet zo is als in het gedicht van Dylan Thomas: “Rage, rage against the dying of the light”. Het klinkt aanlokkelijk om luidruchtig ten onder te gaan, maar nu zou je willen dat er alleen vrede is. Een nauwelijks waar te nemen rimpel op het water als de tijd komt.
Ik zie hoe die mensen die mij zo lief zijn praten over hetzelfde. Het is raar hoe je kunt houden van iemand die dezelfde twijfelende pijn voelt. Alsof het je iets zegt over het leven dat zolang het zal duren nog wel in jouw handen zal blijven.
Hoe je zou willen gaan. Wat kun je erover zeggen? Toch maar liever zachtjes, zo lijkt het nu. Met de tijd om te zeggen wat er te zeggen valt. Met iemand die af en toe je hand even komt vasthouden en zegt dat alles goed is. Meer moet dat niet zijn. Je zou willen dat je geliefden de moed kunnen vinden om je te laten gaan, om je uit liefde los te laten. Ze hebben je verteld dat ze jouw afdruk in de lucht zullen meenemen naar de zee, om die daar met zachtheid terug te geven aan het water. Ze hebben je verteld dat ze jouw afdruk in hun hart zullen blijven omarmen, tot die verdwijnt in de lagen van hun huid. Daar kunnen blijven voelt als een weerbericht dat je nodig had om uit te kunnen varen.
In de tussentijd kijk je naar anderen. Zij staan nu voor het onvermijdelijke. En het voelt alsof de diepste bewondering niet genoeg is voor wat je voelt bij het zien van hun kracht en moed bij het dragen van iemand uit dit leven, uit deze wereld. Alleen de stilte blijft als woord over.
Op straat zie ik vandaag jonge kinderen die plantjes verkopen voor de actie tegen kanker. Ze zijn op een bepaalde manier tastbaarder dan de ziekte is. Kanker is een ziekte zonder gezicht. Je zou die ziekte willen kunnen aanspreken. Je zou willen dat er een gelaat zou zijn, met ogen en een mond. Je zou willen dat die ogen zouden kunnen zien wat ze aanrichten. Je zou willen weten dat dat gezicht ontroerbaar en dus menselijk is. En dan zou je willen vragen: waarom ik wel, en hij niet. Je zou het zo hard willen roepen dat er een antwoord moet komen. Maar het komt nooit. Je hebt zelf zo eindeloos hard gevochten om het geschenk van het leven terug te krijgen, en ineens lijkt het alsof het onrechtmatig in jouw bezit is. Je weet dat de enig mogelijke vorm van trouw aan wie gaat sterven erin bestaat dat je belooft te zullen leven. Maar de woorden ontsnappen je even.
In de krant lees ik een mooi stuk van de Israëlische schrijver Grossman. Zoals steeds schrijft hij kwetsbaar en ontroerend. Ik lees over het kleine beentje dat iedereen volgens de Joodse traditie in zich zou hebben. Het heet ‘luz’. Iedereen heeft zo’n klein botje, dat de essentie van zijn of haar ziel bevat. Dat beentje kan niet verdwijnen. Zelfs als het hele lichaam wordt vernietigd. En dat beentje zal de bron zijn van de wederopstanding. Het is een mooie vraag om jezelf en anderen te stellen: “Wat is de finale vonk die overblijft in mij wanneer al het andere is uitgedoofd? Wat bundelt zoveel kracht in zich dat ik er opnieuw zal uit ontstaan, als in een ultieme, intieme ‘bigbang’?” De auteur praat erover tegen de achtergrond van de historische vernietiging die zijn zijn in het heden mee bepaalt. Er is iets dat niet verloren kan gaan. En die gedachte is ook voor mij vandaag als een mooie wind die de twijfelende onmacht in mijn ogen kan strelen.
Je leeft verder, zolang het duurt. En dan geeft het leven zichzelf terug aan het leven. Door met je sterfelijke handen mee te dragen wat naar de dood gaat, draag je zo het leven. Je zou willen dat je op dat moment daar kunt zijn. En je zou willen dat anderen op dat moment er ook voor jou zullen zijn.
15 september 2007
11 september 2007
Simpel
Vloeken voor het scherm. Het overkwam me vandaag weer. Tijdens een zogenaamd mediaprogramma zag ik beelden over een voorstelling van een boekje met gedichtjes van een bekende Vlaamse acteur. Hij had verschillende collega’s uitgenodigd bij de plechtige gebeurtenis. En die kwamen allemaal zeggen dat de mens in kwestie op dit moment “hot” is. Hot? Blijkbaar bekijken ze elkaar als mode-items. Zoiets als: dat moet je dragen (daarmee moet je gezien worden), je moet er geweest zijn (je moet er gezien worden). Onder elkaar bekijken de producten hun positionering. Ik vraag me ondertussen af wat het tegenovergestelde van ‘hot’ is. ‘Cool’ is het alleszins niet, want wie cool is, is eigenlijk ook ‘hot’. Het tegenovergestelde moet iets zijn als: onbestaand, uit beeld, niet meer mee lopend in de race, geen referentiepunt voor de andere positionele goederen. Of ook, gewoon ‘out’, klaar om uitgegomd te worden.
Volgens mij kun je dan beter een warme mens zijn, dat kun je ook gewoon blijven, ongeacht of je nu hot bent of niet. En misschien is de acteur in kwestie ook wel een warme mens. Zou best kunnen. In elk geval, hij heeft nu een boekje. Voor een poëziebundel bleek de opmaak van dat boekje wat atypisch. Op het kaft vooraan stond vooral een grote foto van de acteur in kwestie, geportretteerd als zijn glimlachende en joviale zelf. Meestal blinkt een poëziebundel uit in bescheidenheid. Zo kun je, niet afgeleid door te veel beeld, schroomvol aan de woorden, en niets dan de woorden beginnen. Bij een roman wil ik altijd graag ergens zien hoe de auteur eruit ziet, al is het maar een heel klein fotootje. Maar bij een dichtbundel wil ik dat om een of andere reden vaak liever niet. Mocht ik een slecht karakter hebben, dan zou ik eventueel nog kunnen denken dat de uitgeverij zich niet alleen door de inherente literaire kwaliteit van het schrijfsel maar ook door commerciële overwegingen indirect gerelateerd aan de bekendheid (heetheid?) van de acteur zou hebben kunnen laten leiden. Maar gelukkig heb ik geen slecht karakter.
In elk geval, een beetje mediamagazine moet tijdens al die receptietjes steeds op zoek naar soundbytes. Kleine meninkjes die strategisch geplaatst worden. Over hoe geweldig de collega wel is, over hoe fantastisch het is om hier of daar te zijn, en – bijgevolg – over hoe geweldig ze zelf zijn. Dat soort kleine gesprekjes blijkt een enorm troostend karakter te hebben. Het is zelfs een geweldige vorm van preventie van depressies. Vaak word ik midden op de dag ineens acuut verlamd door een existentiële angst. Het is een vorm van media-angst. Ineens word ik me dan bewust van het feit dat ik op dat eigenste moment – mocht ik ernaar gevraagd worden – geen wereldschokkende, de loop van de geschiedenis veranderende, de harten van alle vrouwen van dit melkwegstelsel sneller doen kloppende, tot licht ironisch fronsende bewegingen aanzettende dingen te vertellen zou hebben. Je moet er immers steeds op voorbereid zijn dat je op elk moment van de dag, en op elke plek van het universum mediaklaar bent. Je zou kunnen aangesproken worden om een mening te geven. En dat is dan een opportuniteit om er helemaal te staan, je positie ingenomen. Want je weet nooit wanneer je 15 seconds of fame komen. Soms kun je stiekem een beetje oefenen, tijdens een middagpauze of zo. Zo van: stel dat ik nu gebeld zou worden door de radio om mijn mening te vragen over de recente wijziging in de strategie van Al Qaida in het grensgebied tussen Afghanistan en Pakistan, wat zou ik dan zeggen. Of over de vraag wat de gewenste hoogte van de taille van denimbroeken voor vrouwen in dit seizoen is. Of over de vraag of het pedagogisch verantwoord is dat Paris Hilton een kind gaat krijgen dat dan ook nog eens London zal heten. Dan moet je klaar zijn natuurlijk, want zo’n kans krijg je niet vaak. Maar, zoals gezegd, heel af en toe is er ineens een moment van temporeel ontbreken van grote diep- en scherpzinnigheid. Het kan je overkomen. Maar als ik dan in zo’n mediaprogramma een of andere min of meer gezandstraalde BV een meninkje hoor plaatsen, dan voelt dat als een opluchting. Je weet immers dat die mensen ervoor opgeleid of gecoacht zijn om elke leegte vol te kwebbelen, en dus verwacht je ook wat. En af en toe blijkt dat ze nog minder te vertellen hebben dan ik, op zo’n eerder geschetst onbewaakt moment. Het verzoent me in een klap met mijn structurele onaangepastheid.
Maar goed, het ging dus over de gedichtjes. Tijdens de receptie werden andere acteurs gevraagd naar hun mening over het boekje. Zegt een van die mensen daar iets als: “Wat ik zo goed vind aan de gedichten van xxx, is dat ze eenvoudig zijn. Ik kan ze begrijpen. Als ik, zeg maar, een gedicht van Herman de Coninck lees, dan moet ik 24 keer nadenken, maar hier begrijp ik alles in een keer.” Een vloek klonk door de kamer. Gevolgd door een diepe zucht.
Welk niveau van hot-zijn de acteur die dit zei ondertussen bereikt heeft, weet ik niet, en wil ik ook niet weten. Maar ik had hem graag willen toespreken. Beste meneer, gedichtjes, of zelfs de dingen in het algemeen, moeten niet eenvoudig zijn. Ze moeten zich laten ontdekken, maar mogen zich nooit laten vinden. Ze moeten je ergens brengen waar je uit jezelf nooit had kunnen komen. Ze moeten met hun eigen, noodzakelijke werkelijkheid, iets zeggen of laten zien over die andere werkelijkheid waar we in leven. Ze moeten een vorm hebben die aanzet tot even willen verwijlen, tot willen aanraken. Er is niets gruwelijkers dan een volledige transparantie, waarin er niets meer ‘nog te begrijpen’ is. Er is niets dat meer tot eenzaamheid aanzet dan een tekst die zich, nog voor je hebt moeten zoeken, als volledig ontsloten aandient. Dat is als een mens die je leert kennen waarbij het fout gaat. Na vijf minuten besef je al dat alles wat zou kunnen gezegd worden gezegd is, dat er niets is wat je tot lust of gekwetst worden zou kunnen aanzetten, dat er geen stuk is van dat andere lichaam dat je graag in een ander licht op een andere plaats zou willen zien, dat er niets is dat je uit evenwicht zou kunnen brengen of bang maken. En tegelijk besef je dat je nog een hele avond met die andere persoon opgescheept zit. Dat soort eenvoud is zuivere horror.
En wat zo erg is bij dit alles, Herman de Coninck had het niet zo voor echt hermetische poëzie, en hij gebruikte zelf wel eens schijnbaar ‘eenvoudige’ zinnen, maar hij maakte wel gedichten die je kunt lezen en herlezen. Het zijn plekken waar je naartoe kunt gaan, zoals in dit gedicht. En waar dus nog altijd iets te ontdekken valt. Waarom wil je een mooie mens steeds opnieuw zien? Misschien wel om de verwarring en de verrassing in de herkenning, en het verlangen naar nieuwe dingen in wat vertrouwd is.
Volgens mij kun je dan beter een warme mens zijn, dat kun je ook gewoon blijven, ongeacht of je nu hot bent of niet. En misschien is de acteur in kwestie ook wel een warme mens. Zou best kunnen. In elk geval, hij heeft nu een boekje. Voor een poëziebundel bleek de opmaak van dat boekje wat atypisch. Op het kaft vooraan stond vooral een grote foto van de acteur in kwestie, geportretteerd als zijn glimlachende en joviale zelf. Meestal blinkt een poëziebundel uit in bescheidenheid. Zo kun je, niet afgeleid door te veel beeld, schroomvol aan de woorden, en niets dan de woorden beginnen. Bij een roman wil ik altijd graag ergens zien hoe de auteur eruit ziet, al is het maar een heel klein fotootje. Maar bij een dichtbundel wil ik dat om een of andere reden vaak liever niet. Mocht ik een slecht karakter hebben, dan zou ik eventueel nog kunnen denken dat de uitgeverij zich niet alleen door de inherente literaire kwaliteit van het schrijfsel maar ook door commerciële overwegingen indirect gerelateerd aan de bekendheid (heetheid?) van de acteur zou hebben kunnen laten leiden. Maar gelukkig heb ik geen slecht karakter.
In elk geval, een beetje mediamagazine moet tijdens al die receptietjes steeds op zoek naar soundbytes. Kleine meninkjes die strategisch geplaatst worden. Over hoe geweldig de collega wel is, over hoe fantastisch het is om hier of daar te zijn, en – bijgevolg – over hoe geweldig ze zelf zijn. Dat soort kleine gesprekjes blijkt een enorm troostend karakter te hebben. Het is zelfs een geweldige vorm van preventie van depressies. Vaak word ik midden op de dag ineens acuut verlamd door een existentiële angst. Het is een vorm van media-angst. Ineens word ik me dan bewust van het feit dat ik op dat eigenste moment – mocht ik ernaar gevraagd worden – geen wereldschokkende, de loop van de geschiedenis veranderende, de harten van alle vrouwen van dit melkwegstelsel sneller doen kloppende, tot licht ironisch fronsende bewegingen aanzettende dingen te vertellen zou hebben. Je moet er immers steeds op voorbereid zijn dat je op elk moment van de dag, en op elke plek van het universum mediaklaar bent. Je zou kunnen aangesproken worden om een mening te geven. En dat is dan een opportuniteit om er helemaal te staan, je positie ingenomen. Want je weet nooit wanneer je 15 seconds of fame komen. Soms kun je stiekem een beetje oefenen, tijdens een middagpauze of zo. Zo van: stel dat ik nu gebeld zou worden door de radio om mijn mening te vragen over de recente wijziging in de strategie van Al Qaida in het grensgebied tussen Afghanistan en Pakistan, wat zou ik dan zeggen. Of over de vraag wat de gewenste hoogte van de taille van denimbroeken voor vrouwen in dit seizoen is. Of over de vraag of het pedagogisch verantwoord is dat Paris Hilton een kind gaat krijgen dat dan ook nog eens London zal heten. Dan moet je klaar zijn natuurlijk, want zo’n kans krijg je niet vaak. Maar, zoals gezegd, heel af en toe is er ineens een moment van temporeel ontbreken van grote diep- en scherpzinnigheid. Het kan je overkomen. Maar als ik dan in zo’n mediaprogramma een of andere min of meer gezandstraalde BV een meninkje hoor plaatsen, dan voelt dat als een opluchting. Je weet immers dat die mensen ervoor opgeleid of gecoacht zijn om elke leegte vol te kwebbelen, en dus verwacht je ook wat. En af en toe blijkt dat ze nog minder te vertellen hebben dan ik, op zo’n eerder geschetst onbewaakt moment. Het verzoent me in een klap met mijn structurele onaangepastheid.
Maar goed, het ging dus over de gedichtjes. Tijdens de receptie werden andere acteurs gevraagd naar hun mening over het boekje. Zegt een van die mensen daar iets als: “Wat ik zo goed vind aan de gedichten van xxx, is dat ze eenvoudig zijn. Ik kan ze begrijpen. Als ik, zeg maar, een gedicht van Herman de Coninck lees, dan moet ik 24 keer nadenken, maar hier begrijp ik alles in een keer.” Een vloek klonk door de kamer. Gevolgd door een diepe zucht.
Welk niveau van hot-zijn de acteur die dit zei ondertussen bereikt heeft, weet ik niet, en wil ik ook niet weten. Maar ik had hem graag willen toespreken. Beste meneer, gedichtjes, of zelfs de dingen in het algemeen, moeten niet eenvoudig zijn. Ze moeten zich laten ontdekken, maar mogen zich nooit laten vinden. Ze moeten je ergens brengen waar je uit jezelf nooit had kunnen komen. Ze moeten met hun eigen, noodzakelijke werkelijkheid, iets zeggen of laten zien over die andere werkelijkheid waar we in leven. Ze moeten een vorm hebben die aanzet tot even willen verwijlen, tot willen aanraken. Er is niets gruwelijkers dan een volledige transparantie, waarin er niets meer ‘nog te begrijpen’ is. Er is niets dat meer tot eenzaamheid aanzet dan een tekst die zich, nog voor je hebt moeten zoeken, als volledig ontsloten aandient. Dat is als een mens die je leert kennen waarbij het fout gaat. Na vijf minuten besef je al dat alles wat zou kunnen gezegd worden gezegd is, dat er niets is wat je tot lust of gekwetst worden zou kunnen aanzetten, dat er geen stuk is van dat andere lichaam dat je graag in een ander licht op een andere plaats zou willen zien, dat er niets is dat je uit evenwicht zou kunnen brengen of bang maken. En tegelijk besef je dat je nog een hele avond met die andere persoon opgescheept zit. Dat soort eenvoud is zuivere horror.
En wat zo erg is bij dit alles, Herman de Coninck had het niet zo voor echt hermetische poëzie, en hij gebruikte zelf wel eens schijnbaar ‘eenvoudige’ zinnen, maar hij maakte wel gedichten die je kunt lezen en herlezen. Het zijn plekken waar je naartoe kunt gaan, zoals in dit gedicht. En waar dus nog altijd iets te ontdekken valt. Waarom wil je een mooie mens steeds opnieuw zien? Misschien wel om de verwarring en de verrassing in de herkenning, en het verlangen naar nieuwe dingen in wat vertrouwd is.
09 september 2007
Civilians

De nieuwe plaat Civilians van Joe Henry is er eentje om te koesteren. Bij het grote publiek is Joe Henry misschien niet zo bekend, maar bij collega-muzikanten is hij een begrip. Hij maakte zelf een reeks eigenzinnige platen, en zat ook vaak aan de knoppen als producer voor mooie platen van onder meer Solomon Burke of Elvis Costello en Allen Toussaint.
Met het openingsnummer Civilians komen we meteen in het rijke en tegelijk ingehouden klanklandschap van deze plaat. Bij elke nieuwe beluistering hoor je nieuwe instrumenten, kleine melodielijntjes op de achtergrond. Het woord ‘civilian’ fascineert. Het staat voor burger, of ‘niet-militair’. En heel subtiel, doorheen de nummers van de plaat is er een sfeer van een oorlog die aan de gang is. Nooit opzichtig, nooit boodschapperig, maar ergens op de achtergrond. In dit nummer wordt het stilaan avond. De personages zoeken een plaats. “The general, he’s in civilian clothes/ Standing at the bar.” En meteen in dit nummer al duikt God op. “Life is short but, by the grace or cruel Heart of God,/ The night is long” In de nacht is er een ander tijdsverloop, dan is er een eeuwigheid.
In Parker’s Mood horen we een man die na een zware nacht thuis zit. Alleen de televisie kijkt terug. Hij ziet de heiligen rondom zich, klaar om de pijn van een verleden los te krabben. Maar de liefde zal blijven. “The things we put together/ The world will tear a part,/ But I’ve beat them to the start/ Along the way…/ Oh, my love is here to stay”
In Civil War is er een burgeroorlog aan de gang, niet in de letterlijke zin, maar toch. Er lijkt een andere tijd te zijn, die deze burgeroorlog zou kunnen overstijgen. Misschien is de civil war de gewone aardse tijd. Mensen praten en zingen erover. Ze zijn erdoor omringd, maar er zou een andere plek kunnen zijn. En dat alles in een bezwerend nummer, met echo’s van een wals en een hymne.
Time Is A Lion gaat verder met de tijd. Het nummer lijkt te suggereren dat wie angst heeft voor een god die daarboven staat en oordeelt ook zo’n god zal krijgen. “Death and disgrace can seduce anyone/ Who needs to believe there’s judgment at hand/ God may be kind and see you like a son/But time is a lion when you are a lamb” Maar je kunt in een ander soort tijd leven, en in die tijd kun je proberen elkaar warm te houden.
You Can’t Fail Me Now lijkt twee geliefden te laten zien. Hij spreekt haar toe. Hij is onvolmaakt, getekend door de liefde en door zijn eigen tekort. Maar hij weet of hoopt dat zij hem niet in de steek zal laten. Er is genade, al is het een schot voor de boeg. “We’re taught to love the worst of us/ And mercy more than life, but trust me:/ Mercy’s just a warning shot across the bow -/ I live for yours/ And you can’t fail me now."
Scare Me To Death gaat verder over die onvolmaakte en tekortschietende liefde. De ander is breekbaar maar gewiekst. En als ze te dicht bij hem komt, jaagt ze hem de schrik op het lijf. Hier is er de kleine oorlog van het minnen. Er is een verlangen om hart en hoofd te verzoenen, maar soms lukt dat niet.
Our Song is het centrale nummer van de plaat. De verteller ontmoet Willie Mays, een bekende baseballspeler. Het verhaal van zijn leven, waarop hij terugkijkt, is tegelijk ook het verhaal van een land. Het begon goed, het was glorieus in het midden, en nu lijkt er zo weinig van over. De tijd heeft haar tol geëist. Het lichaam is oud, de omgeving armzalig. En toch wil hij iets om in te blijven geloven in dit land dat hij niet meer herkent. “This was my country,/ This was my song,/ Somewhere in the middle there/ Though it started badly and it’s ending wrong./ This was God’s country,/ This frightful and this angry land,/ But if it’s His will the worst of it might still/ Somehow make me a better man”
In Wave is er een soldaat aan het woord die zijn geliefde ooit uitzwaaide van op de boot. Hij hield haar naam bij zich. Die schreef hij op, want als hij hem zou zingen, zou ze verloren gaan. Misschien ziet hij haar ooit terug.
In Love Is Enough loopt de verteller ’s avonds over straat. Hij wil alleen zijn. Hij lijkt te twijfelen aan zijn liefde. Hij wil even zijn angsten niet zien. En in dat moment van de nacht is er ineens een moment van hoop. Alsof iedereen de straat op zou komen, om te zeggen dat alles goed is, en de liefde genoeg. “And here comes everybody -/The closet renegades,/ The weary, hungry soldiers/ From the children’s lost crusade./ Here comes the restitution/ We’d all but given up,/ This evening we’re content believing/ That love will be enough”
In I Will Write My Book is er een plaats waar je kunt zijn, in het licht, weg van de duistere en genadeloze wereld, en daar kun je je boek schrijven. Je eed tegenover de duistere krachten is er een van verraad.
Shut Me Up lijkt te suggereren dat een lied als een gebed is. Het is er even in het hier en nu, en kan zo lang het duurt iets vasthouden. Je weet niets, kunt niets weten, maar je kunt wel even hier zijn.
In het slotnummer God Only Knows wordt het avond, de dag legt zichzelf neer. Het was een dag, een leven, van proberen. Onvolmaakt in het leven staan, en denken dat je elkaar kunt bevrijden. “God only knows that we can do/ No more or less than He’ll allow,/ God only knows that we mean well/ God knows that we just don’t know how./ But I’ll try to be your light in love/ And pray that is enough for now”
Met Civilians heft Joe Henry een schitterende, zichzelf langzaam openende plaat gemaakt. Muzikaal is ze ontwapenend mooi. Zoals hij zelf in de begeleidende tekst schrijft wilde hij niet dat de begeleiding de nummers groter zou maken dan ze zijn, en dat is heel mooi gelukt. Deze muziek beweegt ergens tussen Bob Dylan, Tom Waits en Ryan Adams, en dat is een heel mooie plek om te blijven. Zeker op het moment waarop de avond in de nacht overgaat.
Met het openingsnummer Civilians komen we meteen in het rijke en tegelijk ingehouden klanklandschap van deze plaat. Bij elke nieuwe beluistering hoor je nieuwe instrumenten, kleine melodielijntjes op de achtergrond. Het woord ‘civilian’ fascineert. Het staat voor burger, of ‘niet-militair’. En heel subtiel, doorheen de nummers van de plaat is er een sfeer van een oorlog die aan de gang is. Nooit opzichtig, nooit boodschapperig, maar ergens op de achtergrond. In dit nummer wordt het stilaan avond. De personages zoeken een plaats. “The general, he’s in civilian clothes/ Standing at the bar.” En meteen in dit nummer al duikt God op. “Life is short but, by the grace or cruel Heart of God,/ The night is long” In de nacht is er een ander tijdsverloop, dan is er een eeuwigheid.
In Parker’s Mood horen we een man die na een zware nacht thuis zit. Alleen de televisie kijkt terug. Hij ziet de heiligen rondom zich, klaar om de pijn van een verleden los te krabben. Maar de liefde zal blijven. “The things we put together/ The world will tear a part,/ But I’ve beat them to the start/ Along the way…/ Oh, my love is here to stay”
In Civil War is er een burgeroorlog aan de gang, niet in de letterlijke zin, maar toch. Er lijkt een andere tijd te zijn, die deze burgeroorlog zou kunnen overstijgen. Misschien is de civil war de gewone aardse tijd. Mensen praten en zingen erover. Ze zijn erdoor omringd, maar er zou een andere plek kunnen zijn. En dat alles in een bezwerend nummer, met echo’s van een wals en een hymne.
Time Is A Lion gaat verder met de tijd. Het nummer lijkt te suggereren dat wie angst heeft voor een god die daarboven staat en oordeelt ook zo’n god zal krijgen. “Death and disgrace can seduce anyone/ Who needs to believe there’s judgment at hand/ God may be kind and see you like a son/But time is a lion when you are a lamb” Maar je kunt in een ander soort tijd leven, en in die tijd kun je proberen elkaar warm te houden.
You Can’t Fail Me Now lijkt twee geliefden te laten zien. Hij spreekt haar toe. Hij is onvolmaakt, getekend door de liefde en door zijn eigen tekort. Maar hij weet of hoopt dat zij hem niet in de steek zal laten. Er is genade, al is het een schot voor de boeg. “We’re taught to love the worst of us/ And mercy more than life, but trust me:/ Mercy’s just a warning shot across the bow -/ I live for yours/ And you can’t fail me now."
Scare Me To Death gaat verder over die onvolmaakte en tekortschietende liefde. De ander is breekbaar maar gewiekst. En als ze te dicht bij hem komt, jaagt ze hem de schrik op het lijf. Hier is er de kleine oorlog van het minnen. Er is een verlangen om hart en hoofd te verzoenen, maar soms lukt dat niet.
Our Song is het centrale nummer van de plaat. De verteller ontmoet Willie Mays, een bekende baseballspeler. Het verhaal van zijn leven, waarop hij terugkijkt, is tegelijk ook het verhaal van een land. Het begon goed, het was glorieus in het midden, en nu lijkt er zo weinig van over. De tijd heeft haar tol geëist. Het lichaam is oud, de omgeving armzalig. En toch wil hij iets om in te blijven geloven in dit land dat hij niet meer herkent. “This was my country,/ This was my song,/ Somewhere in the middle there/ Though it started badly and it’s ending wrong./ This was God’s country,/ This frightful and this angry land,/ But if it’s His will the worst of it might still/ Somehow make me a better man”
In Wave is er een soldaat aan het woord die zijn geliefde ooit uitzwaaide van op de boot. Hij hield haar naam bij zich. Die schreef hij op, want als hij hem zou zingen, zou ze verloren gaan. Misschien ziet hij haar ooit terug.
In Love Is Enough loopt de verteller ’s avonds over straat. Hij wil alleen zijn. Hij lijkt te twijfelen aan zijn liefde. Hij wil even zijn angsten niet zien. En in dat moment van de nacht is er ineens een moment van hoop. Alsof iedereen de straat op zou komen, om te zeggen dat alles goed is, en de liefde genoeg. “And here comes everybody -/The closet renegades,/ The weary, hungry soldiers/ From the children’s lost crusade./ Here comes the restitution/ We’d all but given up,/ This evening we’re content believing/ That love will be enough”
In I Will Write My Book is er een plaats waar je kunt zijn, in het licht, weg van de duistere en genadeloze wereld, en daar kun je je boek schrijven. Je eed tegenover de duistere krachten is er een van verraad.
Shut Me Up lijkt te suggereren dat een lied als een gebed is. Het is er even in het hier en nu, en kan zo lang het duurt iets vasthouden. Je weet niets, kunt niets weten, maar je kunt wel even hier zijn.
In het slotnummer God Only Knows wordt het avond, de dag legt zichzelf neer. Het was een dag, een leven, van proberen. Onvolmaakt in het leven staan, en denken dat je elkaar kunt bevrijden. “God only knows that we can do/ No more or less than He’ll allow,/ God only knows that we mean well/ God knows that we just don’t know how./ But I’ll try to be your light in love/ And pray that is enough for now”
Met Civilians heft Joe Henry een schitterende, zichzelf langzaam openende plaat gemaakt. Muzikaal is ze ontwapenend mooi. Zoals hij zelf in de begeleidende tekst schrijft wilde hij niet dat de begeleiding de nummers groter zou maken dan ze zijn, en dat is heel mooi gelukt. Deze muziek beweegt ergens tussen Bob Dylan, Tom Waits en Ryan Adams, en dat is een heel mooie plek om te blijven. Zeker op het moment waarop de avond in de nacht overgaat.
08 september 2007
Het verlangen naar een boek
In je leven zou je een boom moeten planten en een boek schrijven. Dat hoorde ik een tijdje terug. In de categorie ‘onderwerpen die me onrustig maken’ scoort dat tweede behoorlijk hoog. Die boom, daar kan ik rustig aan denken. De gedachte alleen al is genoeg om te weten dat het in orde is. Maar dat boek, dat is wat anders… Soms staat een boek voor alles in het leven, en soms is een boek ook echt een boek.
Vanmiddag was ik op weg naar Antwerpen om een boek op te halen waar mijn naam op staat. In de loop van de voorbije jaren maakte ik enkele kleine boekjes voor de kinderen van mijn zus. En met de hulp van een vriendin zijn ze nu als een boek gedrukt. Ik was benieuwd om te zien hoe het zou zijn. Het ontroerde me erg. Op de weg terug met een stapeltje boeken in mijn tas begon ik toch maar te lezen in het boek met mijn naam op.
Waarom is het zo ingewikkeld? Het zal denk ik niet anders zijn voor mensen die voor het eerst een plaat vasthouden met hun liedjes erop of die door een ruimte lopen waar hun foto’s hangen, voor iedereen te zien als ze al zouden komen. Er is ooit ergens een verlangen geweest naar iets dat er nog niet is, en dat ergens in jou zou kunnen schuilen.
Je kunt nooit weten welk boek het boek is dat je zou moeten schrijven. Maar je kunt wel altijd de afstand voelen tot waar het zich bevindt. Het verlangen kan zo groot zijn dat het pijn doet. Je ziet ergens de woorden die je voorzichtig uit het rek moet halen om ze voor je uit te spreiden. Je voelt in je buik het ritme van de zinnen die daaruit zullen volgen, als kon het alleen zo zijn. Je kunt bijna ruiken hoe ze het verhaal in zichzelf zullen zoeken en zo een plek creëren die er daarvoor nog niet was, en die alleen daar, in de ruimte tussen de woorden kon ontstaan. Je kunt al die dingen zien, en soms weet je dat je nooit daar zult komen waar ze zijn. Omdat je armen te kort zijn. Door te weinig talent, te weinig moed om die plekken van jezelf te betreden waar het pijn doet als je de woorden toelaat terwijl je weet dat alleen voorbij die plekken iets van een redding bestaat, te veel schrik voor woorden met haken, te weinig leven dat tot vertellen kan aanzetten. Of het werkelijkheden zijn, of smoezen om te vluchten, weet je niet.
En je leest de woorden die ooit uit jouw handen kwamen. Je ziet waar de zinnen aarzelen. Je ziet hoe de beelden zich na even weer steeds naar elkaar toe trekken. Tot ze het vertrouwde domein bereiken van waar ze zichzelf kunnen schrijven. Soms vraag je je verwonderd af waar die woorden vandaan komen. Soms lijkt het alsof er een ritme is dat de dingen bij elkaar houdt. En soms voel je hoe de klanken verkeerd zijn. Hoe het falen met moeite verborgen is. En in een moment van mildheid wil je jezelf doen geloven dat dit een vingeroefening zou kunnen zijn van het boek. Het boek.
Soms is het verlangen naar het boek gemakkelijker te beschrijven dan het boek zelf. Misschien is dat bij echte schrijvers ook wel zo. Misschien maken ze hun boeken uit onrust, om het verlangen te bedwingen. Falen ze keer op keer, uit overmoed. Omdat ze blijven hopen dat ze ooit hun boek zullen schrijven.
Ik denk aan die mooie zinnen uit het verhaal van Nescio: “Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat van, want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z’n heele leven één gedicht, wat ook vervelend wordt.” Of ik denk aan de hoofdfiguur uit La Peste van Camus die telkens opnieuw zijn eerste zin herschrijft, hopend ooit een meesterwerk te kunnen maken. Het is allemaal tevergeefs. Of aan dat gesprek tussen George Harrison en Bob Dylan. Harrison vraagt aan Dylan: “Where do you get all these words?” En Dylan antwoordt: “Where do you get all these chords?”
Misschien rust er troost in het besef dat je nooit zult bereiken waarnaar je verlangt. Misschien is het gemakkelijker te aanvaarden wat je niet kunt. Misschien kunnen korte armen evenveel verlangen, ook al zal het object van dat verlangen nooit gematerialiseerd worden. En misschien kun je ondertussen gewoon wat aanrommelen, het geeft niet.
Zouden er mensen zijn die weten wanneer ze het boek geschreven hebben dat ze moesten schrijven? En zouden ze daarna dan de rust gevonden hebben die ze zochten? Je zou het willen weten.
Vanmiddag was ik op weg naar Antwerpen om een boek op te halen waar mijn naam op staat. In de loop van de voorbije jaren maakte ik enkele kleine boekjes voor de kinderen van mijn zus. En met de hulp van een vriendin zijn ze nu als een boek gedrukt. Ik was benieuwd om te zien hoe het zou zijn. Het ontroerde me erg. Op de weg terug met een stapeltje boeken in mijn tas begon ik toch maar te lezen in het boek met mijn naam op.
Waarom is het zo ingewikkeld? Het zal denk ik niet anders zijn voor mensen die voor het eerst een plaat vasthouden met hun liedjes erop of die door een ruimte lopen waar hun foto’s hangen, voor iedereen te zien als ze al zouden komen. Er is ooit ergens een verlangen geweest naar iets dat er nog niet is, en dat ergens in jou zou kunnen schuilen.
Je kunt nooit weten welk boek het boek is dat je zou moeten schrijven. Maar je kunt wel altijd de afstand voelen tot waar het zich bevindt. Het verlangen kan zo groot zijn dat het pijn doet. Je ziet ergens de woorden die je voorzichtig uit het rek moet halen om ze voor je uit te spreiden. Je voelt in je buik het ritme van de zinnen die daaruit zullen volgen, als kon het alleen zo zijn. Je kunt bijna ruiken hoe ze het verhaal in zichzelf zullen zoeken en zo een plek creëren die er daarvoor nog niet was, en die alleen daar, in de ruimte tussen de woorden kon ontstaan. Je kunt al die dingen zien, en soms weet je dat je nooit daar zult komen waar ze zijn. Omdat je armen te kort zijn. Door te weinig talent, te weinig moed om die plekken van jezelf te betreden waar het pijn doet als je de woorden toelaat terwijl je weet dat alleen voorbij die plekken iets van een redding bestaat, te veel schrik voor woorden met haken, te weinig leven dat tot vertellen kan aanzetten. Of het werkelijkheden zijn, of smoezen om te vluchten, weet je niet.
En je leest de woorden die ooit uit jouw handen kwamen. Je ziet waar de zinnen aarzelen. Je ziet hoe de beelden zich na even weer steeds naar elkaar toe trekken. Tot ze het vertrouwde domein bereiken van waar ze zichzelf kunnen schrijven. Soms vraag je je verwonderd af waar die woorden vandaan komen. Soms lijkt het alsof er een ritme is dat de dingen bij elkaar houdt. En soms voel je hoe de klanken verkeerd zijn. Hoe het falen met moeite verborgen is. En in een moment van mildheid wil je jezelf doen geloven dat dit een vingeroefening zou kunnen zijn van het boek. Het boek.
Soms is het verlangen naar het boek gemakkelijker te beschrijven dan het boek zelf. Misschien is dat bij echte schrijvers ook wel zo. Misschien maken ze hun boeken uit onrust, om het verlangen te bedwingen. Falen ze keer op keer, uit overmoed. Omdat ze blijven hopen dat ze ooit hun boek zullen schrijven.
Ik denk aan die mooie zinnen uit het verhaal van Nescio: “Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat van, want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z’n heele leven één gedicht, wat ook vervelend wordt.” Of ik denk aan de hoofdfiguur uit La Peste van Camus die telkens opnieuw zijn eerste zin herschrijft, hopend ooit een meesterwerk te kunnen maken. Het is allemaal tevergeefs. Of aan dat gesprek tussen George Harrison en Bob Dylan. Harrison vraagt aan Dylan: “Where do you get all these words?” En Dylan antwoordt: “Where do you get all these chords?”
Misschien rust er troost in het besef dat je nooit zult bereiken waarnaar je verlangt. Misschien is het gemakkelijker te aanvaarden wat je niet kunt. Misschien kunnen korte armen evenveel verlangen, ook al zal het object van dat verlangen nooit gematerialiseerd worden. En misschien kun je ondertussen gewoon wat aanrommelen, het geeft niet.
Zouden er mensen zijn die weten wanneer ze het boek geschreven hebben dat ze moesten schrijven? En zouden ze daarna dan de rust gevonden hebben die ze zochten? Je zou het willen weten.
05 september 2007
Het benenwerk
Je komt jezelf tegen in je eigen lichaam. En wie er het eerst was of is, is niet te weten. In oude verhalen over de tegenstelling tussen lichaam en geest geloof ik niet zo erg. Alleszins niet in de zin dat je zou kunnen zien waar het ene begint en het andere ophoudt. De geest is lichamelijk, en het lichaam is geestelijk. Zo lijkt het wel.
Over dit belangwekkende vraagstuk zijn al eeuwen boekenkasten vol geschreven. En in het slagveld dat je lichamelijk zijn is, kom je alle kanten van dit onoplosbare zoeken tegen. Neem nu de benen. Benen zijn merkwaardige dingen. Soms sta ik mezelf in de spiegel te bekijken, en dan zie ik ze. Dan verschuif ik langzaam mijn gewicht van het ene naar het andere been, en voel hoe de dingen veranderen. Het heeft me altijd gefascineerd hoe al die onderdelen van zo’n been aan elkaar blijven hangen, en in een min of meer coherente manier met elkaar opschieten.
De werkelijkheid gebiedt me toe te geven dat ik soms een wat verstoorde relatie met mijn benen heb. Vergeleken met veel andere mensen ben ik van het iets langere type. En dat geldt ook voor mijn benen. Het zijn de omstandigheden die je op jezelf wijzen. Soms liggen mijn benen geweldig in de weg. Als ik me in een stoel in de schouwburg probeer te installeren ergens op het tweede balkon, dan wou ik dat mijn benen kon afhaken, en even in de zijgang leggen. Of als ik in de trein aan het raam zit, met mensen op de stoelen rondom mij, dan moet ik allerlei ingenieuze bewegingen uithalen om op enigszins sierlijke wijze uit die positie weg te raken. Die benen waren al half naar achter geplooid, om niet tussen de knieën van de persoon tegenover mij terecht te komen. En bij het rechtstaan voel je dan ook altijd dat ze eigenlijk ook gekneld zitten onder het tafeltje bij het raam. Zo half verwrongen moet je dan je jas uit het rek halen, om dan met een goed gerichte stap zijwaarts in de middengang terecht te komen.
Maar die benen verzinnebeelden ook mijn dubbel lichaamgeestverlangen. Dat bestaat erin dat de ene het toch zonder de andere zou willen doen. Soms zou een mens een en al door zijn of haar geest gestuurde gratie willen zijn. Alsof je lichaam niet lichamelijk in de wereld is. Onberoerd door de zwaartekracht. Ongehinderd door de andere dingen. Hoewel ik niet geheel onhandig ben, schrik ik soms nog van de omvang van mijn lichaam. Het is niet echt dik, maar het komt soms verder dan ik dacht dat het was. Soms is mijn voet eerder aan de onderkant van het aanrecht dan ik had verwacht. En elke keer als ik mezelf gracieus door de kelderdeur wil slalommen om zo die mooi gevormde ui te nemen waarop mijn gerecht ligt te wachten blijf ik met mijn hemd of trui achter de deurklink haken. Op die minuscule oppervlakte lijk ik dan immens.
Soms is er een verlangen om alleen gewilde beweging te zijn. Met een lijf dat ontsteeg uit een dimensie waar de fenomenen pijn, proportie en opgespaarde tijdelijkheid zich voordoen. Er zou alleen sierlijkheid zijn. Een huid die zich ongemerkt en soepel vormt naar alle te vermijden obstakels. Benen die meer gedragen worden door een idee dan dat ze zelf dragen.
En soms is er het omgekeerde verlangen. Een lichaam waaruit de geest zich teruggetrokken heeft. Dat alleen het eigen ritme volgt. Niet gehinderd, afgeleid, beoordeeld of door herinnering of angst bezwaard. Een lichaam dat een enkel buiten de tijd bestaande waarheid terugvindt die alleen kon worden geproefd na het verlaten van de geest. In mijn fantasie zitten de benen van sommige voetballers in deze categorie. Mijn kennis van het voetbal is volstrekt onbestaand, maar soms kijk ik wel eens heel even graag naar hoe ze bewegen. Er zijn voetballers van het brute geweld wat het aansturen van de benen betreft. Het is alsof je ziet hoe ze ploegend als een tank over het gras bewegen, hoe er uit een hoofd opdrachten worden gegeven aan benen en voeten, en hoe die opdrachten worden uitgevoerd. Maar er zijn er ook die enkel beweging zijn. Zodra ze zouden nadenken, zouden ze over zichzelf struikelen. Hun lichamen zijn opgenomen in een vorm van mystieke beweging, onthecht en aards tegelijk.
Het doet me denken aan die momenten zoveel jaar geleden tijdens de salsales. Ik zag de wonderlijke bewegingen van onze Cubaanse lerares. En ik voelde dat die bewegingen ergens aan de einder van mijn lichaam op mij lagen te wachten. Alleen moesten ze eerst door mijn hoofd gaan. Op een of andere manier moest ik de beweging begrijpen, om ze dan zo uit te leggen aan mijn benen. Wetend dat ooit, na lang oefenen, die benen hun aangeleerde kennis zouden kunnen vergeten, en schijnbaar achteloos zouden bewegen. Maar tot aan dat moment was er nog veel. En ik droomde van benen die ongeleerd, onwetend, zich zelfs niet bewust van het feit dat je zou kunnen denken over een beweging, alleen maar zouden verdwijnen in de muziek.
Je verlangt naar het andere, maar het andere zit in jezelf. Al wat daar zou kunnen zijn, is enkel te denken in dingen die van hier zijn, en omgekeerd. Dat je dus eigenlijk alleen kunt strompelen, is een grote troost. En dat opent meteen nieuwe perspectieven. Wetend dat je alleen maar kunt falen is het erg motiverend om nieuwe bewegingen te leren.
En laat ik nu net wat dat laatste betreft twee interessante didactische filmpjes ontdekt hebben. Bewegen voor gevorderden als het ware. In de eerste plaats is er de grote Bob Dylan. Hij is eigenlijk nogal klein, maar hij is dus groot. De echte fans weten het al, maar den Bob heeft als uitvinder een belangrijke bijdrage geleverd aan de menselijke geschiedenis. Hij heeft drie belangrijke dingen uitgevonden. Ten eerste zichzelf. Die uitvinding is zo complex dat hij ze zelf nog altijd niet begrijpt. Ten tweede is er de Olympische discipline van het neuszingen. En ten derde blijkt dat niet een Vlaamsche eurosongkandidate, maar wel the one and only Baaawwb de uitvinder is van de kniezwengel. Let maar eens op dat linkerbeen in dit amateurfilmpje.
En dat je alles, ook discodansen, kunt leren blijkt ten slotte uit dit pedagogische filmpje dat als clip gebruikt wordt door Ryan Adams. Het komt toch nog goed met de mensheid, ik weet het wel zeker.
Over dit belangwekkende vraagstuk zijn al eeuwen boekenkasten vol geschreven. En in het slagveld dat je lichamelijk zijn is, kom je alle kanten van dit onoplosbare zoeken tegen. Neem nu de benen. Benen zijn merkwaardige dingen. Soms sta ik mezelf in de spiegel te bekijken, en dan zie ik ze. Dan verschuif ik langzaam mijn gewicht van het ene naar het andere been, en voel hoe de dingen veranderen. Het heeft me altijd gefascineerd hoe al die onderdelen van zo’n been aan elkaar blijven hangen, en in een min of meer coherente manier met elkaar opschieten.
De werkelijkheid gebiedt me toe te geven dat ik soms een wat verstoorde relatie met mijn benen heb. Vergeleken met veel andere mensen ben ik van het iets langere type. En dat geldt ook voor mijn benen. Het zijn de omstandigheden die je op jezelf wijzen. Soms liggen mijn benen geweldig in de weg. Als ik me in een stoel in de schouwburg probeer te installeren ergens op het tweede balkon, dan wou ik dat mijn benen kon afhaken, en even in de zijgang leggen. Of als ik in de trein aan het raam zit, met mensen op de stoelen rondom mij, dan moet ik allerlei ingenieuze bewegingen uithalen om op enigszins sierlijke wijze uit die positie weg te raken. Die benen waren al half naar achter geplooid, om niet tussen de knieën van de persoon tegenover mij terecht te komen. En bij het rechtstaan voel je dan ook altijd dat ze eigenlijk ook gekneld zitten onder het tafeltje bij het raam. Zo half verwrongen moet je dan je jas uit het rek halen, om dan met een goed gerichte stap zijwaarts in de middengang terecht te komen.
Maar die benen verzinnebeelden ook mijn dubbel lichaamgeestverlangen. Dat bestaat erin dat de ene het toch zonder de andere zou willen doen. Soms zou een mens een en al door zijn of haar geest gestuurde gratie willen zijn. Alsof je lichaam niet lichamelijk in de wereld is. Onberoerd door de zwaartekracht. Ongehinderd door de andere dingen. Hoewel ik niet geheel onhandig ben, schrik ik soms nog van de omvang van mijn lichaam. Het is niet echt dik, maar het komt soms verder dan ik dacht dat het was. Soms is mijn voet eerder aan de onderkant van het aanrecht dan ik had verwacht. En elke keer als ik mezelf gracieus door de kelderdeur wil slalommen om zo die mooi gevormde ui te nemen waarop mijn gerecht ligt te wachten blijf ik met mijn hemd of trui achter de deurklink haken. Op die minuscule oppervlakte lijk ik dan immens.
Soms is er een verlangen om alleen gewilde beweging te zijn. Met een lijf dat ontsteeg uit een dimensie waar de fenomenen pijn, proportie en opgespaarde tijdelijkheid zich voordoen. Er zou alleen sierlijkheid zijn. Een huid die zich ongemerkt en soepel vormt naar alle te vermijden obstakels. Benen die meer gedragen worden door een idee dan dat ze zelf dragen.
En soms is er het omgekeerde verlangen. Een lichaam waaruit de geest zich teruggetrokken heeft. Dat alleen het eigen ritme volgt. Niet gehinderd, afgeleid, beoordeeld of door herinnering of angst bezwaard. Een lichaam dat een enkel buiten de tijd bestaande waarheid terugvindt die alleen kon worden geproefd na het verlaten van de geest. In mijn fantasie zitten de benen van sommige voetballers in deze categorie. Mijn kennis van het voetbal is volstrekt onbestaand, maar soms kijk ik wel eens heel even graag naar hoe ze bewegen. Er zijn voetballers van het brute geweld wat het aansturen van de benen betreft. Het is alsof je ziet hoe ze ploegend als een tank over het gras bewegen, hoe er uit een hoofd opdrachten worden gegeven aan benen en voeten, en hoe die opdrachten worden uitgevoerd. Maar er zijn er ook die enkel beweging zijn. Zodra ze zouden nadenken, zouden ze over zichzelf struikelen. Hun lichamen zijn opgenomen in een vorm van mystieke beweging, onthecht en aards tegelijk.
Het doet me denken aan die momenten zoveel jaar geleden tijdens de salsales. Ik zag de wonderlijke bewegingen van onze Cubaanse lerares. En ik voelde dat die bewegingen ergens aan de einder van mijn lichaam op mij lagen te wachten. Alleen moesten ze eerst door mijn hoofd gaan. Op een of andere manier moest ik de beweging begrijpen, om ze dan zo uit te leggen aan mijn benen. Wetend dat ooit, na lang oefenen, die benen hun aangeleerde kennis zouden kunnen vergeten, en schijnbaar achteloos zouden bewegen. Maar tot aan dat moment was er nog veel. En ik droomde van benen die ongeleerd, onwetend, zich zelfs niet bewust van het feit dat je zou kunnen denken over een beweging, alleen maar zouden verdwijnen in de muziek.
Je verlangt naar het andere, maar het andere zit in jezelf. Al wat daar zou kunnen zijn, is enkel te denken in dingen die van hier zijn, en omgekeerd. Dat je dus eigenlijk alleen kunt strompelen, is een grote troost. En dat opent meteen nieuwe perspectieven. Wetend dat je alleen maar kunt falen is het erg motiverend om nieuwe bewegingen te leren.
En laat ik nu net wat dat laatste betreft twee interessante didactische filmpjes ontdekt hebben. Bewegen voor gevorderden als het ware. In de eerste plaats is er de grote Bob Dylan. Hij is eigenlijk nogal klein, maar hij is dus groot. De echte fans weten het al, maar den Bob heeft als uitvinder een belangrijke bijdrage geleverd aan de menselijke geschiedenis. Hij heeft drie belangrijke dingen uitgevonden. Ten eerste zichzelf. Die uitvinding is zo complex dat hij ze zelf nog altijd niet begrijpt. Ten tweede is er de Olympische discipline van het neuszingen. En ten derde blijkt dat niet een Vlaamsche eurosongkandidate, maar wel the one and only Baaawwb de uitvinder is van de kniezwengel. Let maar eens op dat linkerbeen in dit amateurfilmpje.
En dat je alles, ook discodansen, kunt leren blijkt ten slotte uit dit pedagogische filmpje dat als clip gebruikt wordt door Ryan Adams. Het komt toch nog goed met de mensheid, ik weet het wel zeker.
02 september 2007
Een gele bulldozer
Over kinderen praten, het is altijd iets van het betere koorddansen. Ik was blij toen ik dit weekend in een column in De Standaard las dat ook anderen zich hadden gestoord aan een recente kinder-uitspraak van een BV in een interview. De vrouw in kwestie, een trotse en gelukkige moeder, had gezegd: “De wereld bestaat uit twee soorten mensen: mensen met kinderen en mensen zonder. En mensen die geen kinderen hebben, kunnen niet over kinderen meespreken.” Voilà, ga er maar aan staan…
Van dit soort dingen word ik altijd een beetje woest. Een beetje, want je moet er mee oppassen. Voor je het weet krijg je meteen al de volgende gemeenplaats naar je kop geslingerd: mensen zonder kinderen zijn egoïstisch. Je zit als kinderloze mens meteen in het defensief, en dat is onrechtvaardig.
Laten we zeggen dat de wereld een beetje genuanceerder is dan de genoemde tweedeling. Ik kan me best voorstellen dat ik me met de beste wil van de wereld en de grootste empathie nog niet helemaal kan voorstellen hoe het voelt om je eigen kind te zien rondlopen. Hoe verpletterend die liefde kan zijn. Ook al heb ik dat onbeschrijflijke al zo vaak gezien bij anderen, al heeft het me al even vaak tot tranen toe ontroerd, er is een stukje dat ik wel nooit zal kunnen begrijpen. Daarmee heb ik geen moeite. Maar dat wil nog niet zeggen dat de bal zo simpel moet teruggespeeld worden naar de groep van de ‘anderen’, waar ik dus blijkbaar bij hoor.
Toen ik dat interview las, wilde ik haar zelf even aanspreken. “Lieve mevrouw, ik ben heel erg gelukkig voor jou en je kind. Je bent zonder twijfel een geweldige moeder, en je kind mag alle goden dankbaar zijn dat het zo’n warme en liefdevolle moeder heeft getroffen. Maar misschien zijn er daarbuiten heel veel mensen die geen kinderen hebben, maar er wel alles voor hadden willen doen om ze wel te hebben. Misschien zijn er mensen die er na een moeilijke afweging en pijnlijke ervaringen in klinieken toe gekomen zijn voor zichzelf te beslissen of te aanvaarden dat ze geen kinderen zullen hebben. Misschien zijn er mensen voor wie het leven gewoon verkeerd gelopen is.”
Het lijkt me goed als er over kinderen, wel of niet, iets minder taboes zouden zijn. Dat alle varianten op een rustige manier kunnen praten. Dat er mensen zijn die in deze tijden, waarin ze via alle mediakanalen worden platgebombardeerd met pedagogische adviezen voor het opvoeden van het ideale kind, zich af en toe vertwijfeld afvragen waar ze aan begonnen zijn, dat lijkt me maar normaal. Dat er mag toegegeven worden dat sommige mensen die kinderen krijgen, dat om bij wijze van spreken heel ‘egoïstische’ redenen doen, dat zou ook goed zijn. Sommige mensen twijfelen waarschijnlijk te lang, anderen hadden misschien beter iets langer nagedacht. Mensen met en mensen zonder kinderen kunnen soms even zoekend in het leven blijven. Gewoon dus allemaal. Het zou zeker ten goede komen aan al die geweldige en falende mensen die de moed en de kracht hebben om in deze duistere tijden hun kinderen met liefde en warmte de wereld in te laten groeien. Ze hebben mijn eeuwige bewondering en vertedering.
Na lang piekeren heb ik echter dan toch één reden gevonden waarom het goed is geen kinderen te hebben. De kermis. In de stad waar ik woon, is het momenteel kermis. Toen ik gisteren de boekenwinkel uit kwam, werd ik meteen overweldigd door het kermisgeweld. Langs alle kanten boenkeboenkeboenke. Fel gekleurde en flikkerende lichten. En dan vooral die gruwelijke marteltuigen waarin groepjes mensen in allerlei varianten heen en weer worden gekatapulteerd, gecentrifugeerd of gevierendeeld. Het ijzige gegil van mensen die zometeen na deze zelfgekozen kwelling kotsmisselijk verder zouden moeten bewegen tussen de kermisgeuren. Het idee dat ik ooit had moeten toekijken hoe mijn dochter in zo’n apparaat zou zitten, gaf me al een siddering langs mijn ruggengraat. Dat ik er met die dochter nog zelf in had moeten kruipen leidde tot een opstoot van afgrijzen die ik tot in mijn tenen voelde. Verdwaasd fietste ik weg van al dit geweld. Even later had ik me al tenminste voor deze dag verzoend met mijn dochterloze lot. (Daarna ging ik toch maar even luisteren naar het mooie liedje Luna Luna mijn. In de bijhorende videoclip zie je de dochter van de zanger op een schommel. Dat leek me qua bewegingstoestel al ver genoeg.)
Als ik denk aan de kermis in mijn kinderjaren, dan heb ik toch mooie herinneringen. De mooiste herinnering blijft de gele bulldozer. Mijn grootvader nam me mee om even “over de kermis te lopen”. Fons en Jan een beetje zwijgend en ingetogen naast elkaar. We gingen vroeg door. Zondagvoormiddag. Nog voor de processie zou langskomen, want dan was er nog niet zoveel volk. En we stopten aan een kraampje met autootjes. Als kind was ik een verdienstelijke verzamelaar van autootjes. Vooral Matchbox. In hun kleine doosjes kochten we ze onder meer in een winkel tegenover de kerk. Ik herinner me nog de geur van die winkel. Je had ook de Dinky Toys. Die waren groter en ook wat duurder. Met mijn grootvader keek ik naar de autootjes in een kraam, ergens tussen het huis van de tandarts en de apotheek. Ik weet nog exact waar het was en hoe het eruit zag. Daar stond de gele bulldozer van Dinky Toys. Mijn grootvader haalde een briefje van 50 uit zijn zwarte portemonnee waarin ook zijn huissleutel zat, en ik kreeg de mooiste kermis die ik kon krijgen.
Misschien zou dat nog een mooi compromis zijn. Ineens grootvader worden. Dan kun je op de kermis tegen je kleinkind nog altijd zeggen dat je veel te oud bent om zelf in die rare dingen plaats te nemen. Je kunt dan altijd met zijn tweeën op een bankje gaan zitten, en een verhaal vertellen over een gele bulldozer.
Van dit soort dingen word ik altijd een beetje woest. Een beetje, want je moet er mee oppassen. Voor je het weet krijg je meteen al de volgende gemeenplaats naar je kop geslingerd: mensen zonder kinderen zijn egoïstisch. Je zit als kinderloze mens meteen in het defensief, en dat is onrechtvaardig.
Laten we zeggen dat de wereld een beetje genuanceerder is dan de genoemde tweedeling. Ik kan me best voorstellen dat ik me met de beste wil van de wereld en de grootste empathie nog niet helemaal kan voorstellen hoe het voelt om je eigen kind te zien rondlopen. Hoe verpletterend die liefde kan zijn. Ook al heb ik dat onbeschrijflijke al zo vaak gezien bij anderen, al heeft het me al even vaak tot tranen toe ontroerd, er is een stukje dat ik wel nooit zal kunnen begrijpen. Daarmee heb ik geen moeite. Maar dat wil nog niet zeggen dat de bal zo simpel moet teruggespeeld worden naar de groep van de ‘anderen’, waar ik dus blijkbaar bij hoor.
Toen ik dat interview las, wilde ik haar zelf even aanspreken. “Lieve mevrouw, ik ben heel erg gelukkig voor jou en je kind. Je bent zonder twijfel een geweldige moeder, en je kind mag alle goden dankbaar zijn dat het zo’n warme en liefdevolle moeder heeft getroffen. Maar misschien zijn er daarbuiten heel veel mensen die geen kinderen hebben, maar er wel alles voor hadden willen doen om ze wel te hebben. Misschien zijn er mensen die er na een moeilijke afweging en pijnlijke ervaringen in klinieken toe gekomen zijn voor zichzelf te beslissen of te aanvaarden dat ze geen kinderen zullen hebben. Misschien zijn er mensen voor wie het leven gewoon verkeerd gelopen is.”
Het lijkt me goed als er over kinderen, wel of niet, iets minder taboes zouden zijn. Dat alle varianten op een rustige manier kunnen praten. Dat er mensen zijn die in deze tijden, waarin ze via alle mediakanalen worden platgebombardeerd met pedagogische adviezen voor het opvoeden van het ideale kind, zich af en toe vertwijfeld afvragen waar ze aan begonnen zijn, dat lijkt me maar normaal. Dat er mag toegegeven worden dat sommige mensen die kinderen krijgen, dat om bij wijze van spreken heel ‘egoïstische’ redenen doen, dat zou ook goed zijn. Sommige mensen twijfelen waarschijnlijk te lang, anderen hadden misschien beter iets langer nagedacht. Mensen met en mensen zonder kinderen kunnen soms even zoekend in het leven blijven. Gewoon dus allemaal. Het zou zeker ten goede komen aan al die geweldige en falende mensen die de moed en de kracht hebben om in deze duistere tijden hun kinderen met liefde en warmte de wereld in te laten groeien. Ze hebben mijn eeuwige bewondering en vertedering.
Na lang piekeren heb ik echter dan toch één reden gevonden waarom het goed is geen kinderen te hebben. De kermis. In de stad waar ik woon, is het momenteel kermis. Toen ik gisteren de boekenwinkel uit kwam, werd ik meteen overweldigd door het kermisgeweld. Langs alle kanten boenkeboenkeboenke. Fel gekleurde en flikkerende lichten. En dan vooral die gruwelijke marteltuigen waarin groepjes mensen in allerlei varianten heen en weer worden gekatapulteerd, gecentrifugeerd of gevierendeeld. Het ijzige gegil van mensen die zometeen na deze zelfgekozen kwelling kotsmisselijk verder zouden moeten bewegen tussen de kermisgeuren. Het idee dat ik ooit had moeten toekijken hoe mijn dochter in zo’n apparaat zou zitten, gaf me al een siddering langs mijn ruggengraat. Dat ik er met die dochter nog zelf in had moeten kruipen leidde tot een opstoot van afgrijzen die ik tot in mijn tenen voelde. Verdwaasd fietste ik weg van al dit geweld. Even later had ik me al tenminste voor deze dag verzoend met mijn dochterloze lot. (Daarna ging ik toch maar even luisteren naar het mooie liedje Luna Luna mijn. In de bijhorende videoclip zie je de dochter van de zanger op een schommel. Dat leek me qua bewegingstoestel al ver genoeg.)
Als ik denk aan de kermis in mijn kinderjaren, dan heb ik toch mooie herinneringen. De mooiste herinnering blijft de gele bulldozer. Mijn grootvader nam me mee om even “over de kermis te lopen”. Fons en Jan een beetje zwijgend en ingetogen naast elkaar. We gingen vroeg door. Zondagvoormiddag. Nog voor de processie zou langskomen, want dan was er nog niet zoveel volk. En we stopten aan een kraampje met autootjes. Als kind was ik een verdienstelijke verzamelaar van autootjes. Vooral Matchbox. In hun kleine doosjes kochten we ze onder meer in een winkel tegenover de kerk. Ik herinner me nog de geur van die winkel. Je had ook de Dinky Toys. Die waren groter en ook wat duurder. Met mijn grootvader keek ik naar de autootjes in een kraam, ergens tussen het huis van de tandarts en de apotheek. Ik weet nog exact waar het was en hoe het eruit zag. Daar stond de gele bulldozer van Dinky Toys. Mijn grootvader haalde een briefje van 50 uit zijn zwarte portemonnee waarin ook zijn huissleutel zat, en ik kreeg de mooiste kermis die ik kon krijgen.
Misschien zou dat nog een mooi compromis zijn. Ineens grootvader worden. Dan kun je op de kermis tegen je kleinkind nog altijd zeggen dat je veel te oud bent om zelf in die rare dingen plaats te nemen. Je kunt dan altijd met zijn tweeën op een bankje gaan zitten, en een verhaal vertellen over een gele bulldozer.
01 september 2007
Het merk
Proberen iets te begrijpen van de grenzen van de werkelijkheid, dat is soms ingewikkeld. Onder meer omdat de grenzen tussen wat echt en virtueel is, steeds vager worden. Het woord ‘echt’ is natuurlijk al lang een erg complex concept. Maar toch. Soms lijkt het alsof het terrein wel erg drassig begint te worden. Misschien is het gewoon een vorm van ouder worden, en heb ik in mijn hoofd gewoon andere of oudere categorieën. Het gaat me er ook niet om een oordeel uit te drukken. Ik probeer te observeren, en schrik vaak van wat ik zie of hoor.
Misschien vond ik het als kind al ingewikkeld om te weten of de muziek die ik op de televisie zag ‘echt’ was. We groeiden op met Toppop en andere muziekprogramma’s. Ik wilde altijd weten of iets echt of playback was. Meestal had je dan simpele hulpmiddelen, zoals elektrische gitaren zonder snoeren of drumstellen zonder micro’s, om snel te zien dat het playback was. Licht achterlijke of gewoon recalcitrante zangers deden ook hun best om iets anders te lippen dan wat ze verondersteld werden te zingen. Maar de aankondigingen moesten je toch een beetje op weg helpen. Een groep werd dan aangekondigd als “live” of “live in de studio”, en dan kon je verwachten dat er levende muziek werd gespeeld. Maar later hoorde ik in aankondigingen steeds meer iets als “live on stage”, wat dan enkel betekende dat de leden van de groep in kwestie levend op het podium stonden om te playbacken. Waarom dat zo moest aangekondigd worden ontglipte me steeds. Misschien was ondertussen de clip de norm geworden en waren ‘levende’ muzikanten een uitzondering. Geef mij dus maar Later van Jools Holland, waar je gewoon telkens een uur lang musicerende muzikanten kunt zien, met al hun fouten en opwinding.
Natuurlijk was de wereld van Toppop nog een soort oertijd vergeleken met wat we nu beleven. En dat heeft onder meer met het internet en de consumptiemaatschappij in het algemeen te maken. Zo zag ik enkele weken geleden een pakkende reportage over jongeren van de internetgeneratie. Ze bleef nog dagen in mijn hoofd hangen. Zo waren er enkele jonge meiden die naar een soort betoging of zo gingen. Het hoofddoel van hun aanwezigheid was foto’s te maken van het feit dat ze daar geweest waren, en dan zo snel mogelijk naar huis lopen om die foto’s op hun blog te zetten. Onderliggend idee: je bent pas ergens ‘echt’ geweest, als je daarvan de sporen op virtuele wijze achterlaat. Dit soort mechanisme valt eigenlijk helemaal niet meer op, maar is toch een beetje raar.
Nog bevreemdender was een ander meisje uit de reportage. Zij hield ervan om zich in allerlei min of meer opwindende poses in haar keuken naakt te laten fotograferen om dat dan te kunnen posten op een speciale website. Die Suicide Girls, want zo heet de site, zet weer een hele reeks van betekenissen in gang. Het is een soort community-site, die jonge meiden met elkaar verbindt. Het zijn meisjes met tattoo’s en piercings die zich willen laten zien. Het heeft connotaties van ‘controle’ en ‘echtheid’. Hier geen groezelige pornowereld of ‘onderdrukking’, maar jonge meiden die zogenaamd zelf hun eigen beeld in handen nemen. Het is een vorm van verzet tegen de plastic bimbo’s, omdat een ander soort echtheid geclaimd wordt. Die echtheid is in wezen even geconstrueerd en even ‘verbeeld’ als de andere, maar er is een andere connotatie. Het is een gemeenschap van zelfbewuste jonge vrouwen, die de codes die door de vroegere feministes zo zwaar werden bestreden, hebben omgedraaid. Met een erg simpele geest zou je kunnen zeggen dat deze vrouwen even onaangekleed zijn dan de andere waarvan ze zich willen afzetten, maar daarover gaat het helemaal niet. Echtheid schuilt hier blijkbaar in een bepaalde toe-eigening van de virtualiteit. En het werd helemaal merkwaardig toen het meisje in kwestie dit alles ook nog theoretisch begon te onderbouwen. Ze vertelde dat zij er zelf voor kozen om ‘geconstrueerd’ te zijn, en dat het ‘echte’ leven daar was. En ‘daar’ dat was op het internet.
Dit soort mechanismen kun je elke dag zien of lezen. Ze blijven me verbazen. Een Vlaamse zangeres die in een interview verklaart dat ze het niet erg vindt om een ‘product’ te zijn. Een Amerikaanse acteur die ervoor kiest om een ‘rolmodel’ te zijn.
Op den duur kan een ‘mediatisering’ zo ver zijn, dat je niet meer weet waar het begonnen is. Dat zie je natuurlijk met de mediasterren. Het beeld dat over hen bestaat, wordt echter dan zij zelf. Ze worden soms het slachtoffer van hun eigen beeldvorming. Mogen alleen iemand zijn die ze niet zijn. Ze praten soms over hun ‘mediazelf’ als was het iemand anders, als een rol waar ze in stappen. Dat het zo is, begrijp ik allemaal best. Maar dat het zo ‘werkelijk’ wordt dat het grenst aan een soort schizofrenie, dat blijft akelig.
We weten natuurlijk allemaal dat de publieke mensen naar wie we opkijken achter hun façade ook nog ‘echte’ mensen zijn. Mensen die gewoon vervelend kunnen zijn, hun tanden moeten poetsen en misschien ook niets te vertellen hebben bij het ontbijt op zondag. In je hoofd kun je nog altijd het onderscheid maken tussen het beeld, en de persoon erachter die je niet kent. Er zijn natuurlijk sterren, genre Paris Hilton, die zodanig zijn vervluchtigd in hun eigen virtualiteit, dat er misschien geen andere mens meer is. Er zijn mensen die als hun grootste droom hebben: beroemd worden. En dat wil dan niet zeggen: beroemd worden omdat je iets belangrijks hebt verwezenlijkt, zoals de uitvinding van het kryptoniet of zo. Nee, beroemd worden wil zeggen: het recht hebben op een eigen reality soap. Om zo te verdwijnen in het eigen beeld.
Soms hoop ik dat mensen het tragische van deze situatie zouden blijven inzien. Dat het besef dat mensen van vlees en bloed worden verscheurd door hun eigen beeld, dat ze in de echte werkelijkheid ten onder gaan omdat hun virtuele werkelijkheid het overgenomen heeft, zou aanzetten tot een soort nederigheid of oprecht medevoelen. Maar blijkbaar is dat te veel gevraagd. De voorbije week zag ik een reportage in het nieuws over de herdenking van de dood van prinses Diana. Men interviewde een vrouw over waarom ze aan het hek met de foto’s en de bloemen stond. Ik hoopte dat ze iets zou zeggen als: “Het is zo erg voor haar wat er gebeurd is. Ik treur voor de mens, en niet voor de mythe die sommigen ervan maakten.” Maar nee, niets van dat. Met bijna een lichte opwinding in haar ogen zei ze: “She was such an icon.”
Misschien vond ik het als kind al ingewikkeld om te weten of de muziek die ik op de televisie zag ‘echt’ was. We groeiden op met Toppop en andere muziekprogramma’s. Ik wilde altijd weten of iets echt of playback was. Meestal had je dan simpele hulpmiddelen, zoals elektrische gitaren zonder snoeren of drumstellen zonder micro’s, om snel te zien dat het playback was. Licht achterlijke of gewoon recalcitrante zangers deden ook hun best om iets anders te lippen dan wat ze verondersteld werden te zingen. Maar de aankondigingen moesten je toch een beetje op weg helpen. Een groep werd dan aangekondigd als “live” of “live in de studio”, en dan kon je verwachten dat er levende muziek werd gespeeld. Maar later hoorde ik in aankondigingen steeds meer iets als “live on stage”, wat dan enkel betekende dat de leden van de groep in kwestie levend op het podium stonden om te playbacken. Waarom dat zo moest aangekondigd worden ontglipte me steeds. Misschien was ondertussen de clip de norm geworden en waren ‘levende’ muzikanten een uitzondering. Geef mij dus maar Later van Jools Holland, waar je gewoon telkens een uur lang musicerende muzikanten kunt zien, met al hun fouten en opwinding.
Natuurlijk was de wereld van Toppop nog een soort oertijd vergeleken met wat we nu beleven. En dat heeft onder meer met het internet en de consumptiemaatschappij in het algemeen te maken. Zo zag ik enkele weken geleden een pakkende reportage over jongeren van de internetgeneratie. Ze bleef nog dagen in mijn hoofd hangen. Zo waren er enkele jonge meiden die naar een soort betoging of zo gingen. Het hoofddoel van hun aanwezigheid was foto’s te maken van het feit dat ze daar geweest waren, en dan zo snel mogelijk naar huis lopen om die foto’s op hun blog te zetten. Onderliggend idee: je bent pas ergens ‘echt’ geweest, als je daarvan de sporen op virtuele wijze achterlaat. Dit soort mechanisme valt eigenlijk helemaal niet meer op, maar is toch een beetje raar.
Nog bevreemdender was een ander meisje uit de reportage. Zij hield ervan om zich in allerlei min of meer opwindende poses in haar keuken naakt te laten fotograferen om dat dan te kunnen posten op een speciale website. Die Suicide Girls, want zo heet de site, zet weer een hele reeks van betekenissen in gang. Het is een soort community-site, die jonge meiden met elkaar verbindt. Het zijn meisjes met tattoo’s en piercings die zich willen laten zien. Het heeft connotaties van ‘controle’ en ‘echtheid’. Hier geen groezelige pornowereld of ‘onderdrukking’, maar jonge meiden die zogenaamd zelf hun eigen beeld in handen nemen. Het is een vorm van verzet tegen de plastic bimbo’s, omdat een ander soort echtheid geclaimd wordt. Die echtheid is in wezen even geconstrueerd en even ‘verbeeld’ als de andere, maar er is een andere connotatie. Het is een gemeenschap van zelfbewuste jonge vrouwen, die de codes die door de vroegere feministes zo zwaar werden bestreden, hebben omgedraaid. Met een erg simpele geest zou je kunnen zeggen dat deze vrouwen even onaangekleed zijn dan de andere waarvan ze zich willen afzetten, maar daarover gaat het helemaal niet. Echtheid schuilt hier blijkbaar in een bepaalde toe-eigening van de virtualiteit. En het werd helemaal merkwaardig toen het meisje in kwestie dit alles ook nog theoretisch begon te onderbouwen. Ze vertelde dat zij er zelf voor kozen om ‘geconstrueerd’ te zijn, en dat het ‘echte’ leven daar was. En ‘daar’ dat was op het internet.
Dit soort mechanismen kun je elke dag zien of lezen. Ze blijven me verbazen. Een Vlaamse zangeres die in een interview verklaart dat ze het niet erg vindt om een ‘product’ te zijn. Een Amerikaanse acteur die ervoor kiest om een ‘rolmodel’ te zijn.
Op den duur kan een ‘mediatisering’ zo ver zijn, dat je niet meer weet waar het begonnen is. Dat zie je natuurlijk met de mediasterren. Het beeld dat over hen bestaat, wordt echter dan zij zelf. Ze worden soms het slachtoffer van hun eigen beeldvorming. Mogen alleen iemand zijn die ze niet zijn. Ze praten soms over hun ‘mediazelf’ als was het iemand anders, als een rol waar ze in stappen. Dat het zo is, begrijp ik allemaal best. Maar dat het zo ‘werkelijk’ wordt dat het grenst aan een soort schizofrenie, dat blijft akelig.
We weten natuurlijk allemaal dat de publieke mensen naar wie we opkijken achter hun façade ook nog ‘echte’ mensen zijn. Mensen die gewoon vervelend kunnen zijn, hun tanden moeten poetsen en misschien ook niets te vertellen hebben bij het ontbijt op zondag. In je hoofd kun je nog altijd het onderscheid maken tussen het beeld, en de persoon erachter die je niet kent. Er zijn natuurlijk sterren, genre Paris Hilton, die zodanig zijn vervluchtigd in hun eigen virtualiteit, dat er misschien geen andere mens meer is. Er zijn mensen die als hun grootste droom hebben: beroemd worden. En dat wil dan niet zeggen: beroemd worden omdat je iets belangrijks hebt verwezenlijkt, zoals de uitvinding van het kryptoniet of zo. Nee, beroemd worden wil zeggen: het recht hebben op een eigen reality soap. Om zo te verdwijnen in het eigen beeld.
Soms hoop ik dat mensen het tragische van deze situatie zouden blijven inzien. Dat het besef dat mensen van vlees en bloed worden verscheurd door hun eigen beeld, dat ze in de echte werkelijkheid ten onder gaan omdat hun virtuele werkelijkheid het overgenomen heeft, zou aanzetten tot een soort nederigheid of oprecht medevoelen. Maar blijkbaar is dat te veel gevraagd. De voorbije week zag ik een reportage in het nieuws over de herdenking van de dood van prinses Diana. Men interviewde een vrouw over waarom ze aan het hek met de foto’s en de bloemen stond. Ik hoopte dat ze iets zou zeggen als: “Het is zo erg voor haar wat er gebeurd is. Ik treur voor de mens, en niet voor de mythe die sommigen ervan maakten.” Maar nee, niets van dat. Met bijna een lichte opwinding in haar ogen zei ze: “She was such an icon.”
Abonneren op:
Posts (Atom)