30 september 2009

Waar zul je blijven

Je zou het willen nu. Dat er iets is. Een zin, of een beweging, of een beeld. Dat het telkens zou terugkomen, even bewegend als je adem. Bijna als een mantra. Waaraan je je zou kunnen overgeven. Waarin je zou kunnen verdwijnen. Tot alles weer heel geworden is. En alleen die ene zin dient zich aan.

Waar zul je blijven?

Soms kan het je troosten. Dat je altijd onderweg zult zijn. Dat je niet hoeft te weten waar je aan zult komen. En zo ook niet of je er al bent, daar waar je wilde zijn. En soms niet. Soms zou je willen wat niet te willen is. Weten waar die ene plek is. En daar voorbij het weten zijn.

Waar zul je blijven?

En als de monsters komen. Je hebt ze nooit gezien, en ze zullen er wel niet zijn. Toch kunnen ze je doen opschrikken uit je slaap, of toch je bijna-slaap. Raar, hoe ze niet veranderd zijn sinds toen. In het oude huis. Het leek te wiebelen bij elke trilling.

Waar zul je blijven?

Hoe naakt zou je mogen zijn. Stel dat je het zou weten. Alles wat je ziet en wat je niet ziet. Hoe doorwaadbaar je kunt zijn. En hoe je daarin kunt rusten.

Waar zul je blijven?

Je hoort een cantate van Bach, daar ergens in je buurt. En je zou willen wegvloeien, met alles wat in jou pijn zou kunnen doen en daarna weer verwarmd worden. Alles is daar. Alles. Het neemt je over. Het kan alleen bestaan in de tijd, in tonen die er alleen maar kunnen zijn in de tijd, anders waren ze niet te horen. En in zoveel ontstellende vergankelijkheid rust het onvergankelijke. Het is zelfs geen mysterie meer, het is gewoon.

Waar zul je blijven?

Hoe nu je ook bent. Hoe zelf gemaakt je ook bent. Hoe op de chaos veroverd je ook bent. Soms sluipt het tussen je poriën. Het is oer. Misschien wel van voor jezelf.

Waar zul je blijven?

Soms zou je willen dat enkel een trage dans over zou blijven. In een grote warme ruimte. Je zou telkens opnieuw willen proberen, willen zoeken. Hoe je die arm, die heup, die voet nog trager, nog juister, nog minder onderbroken zou kunnen bewegen. Je zou helemaal samenvallen met enkel nog die dans. Je zou je eigen ruis niet meer tegenkomen. En je weet dat je toch, op dat moment, weer weg zou willen lopen. Verlangen of vlucht, het maakt niet zo uit. Misschien wil je wel gehavend zijn, om te kunnen schuren langs een ander.

Waar zul je blijven?

Op dat ene punt blijven staan, om vandaar voorbij de einder te kijken. Niet bewegen, om alleen jezelf tegen te komen. En wat het je leert. Soms denk je dat je het weet. Soms niet.

Waar zul je blijven?

In nooit weten. Hoop je soms. In eindeloze honger naar verwondering. En de angst dat je er te moe voor zult zijn.

Waar zul je blijven?

En de woorden. Onzichtbaar hebben ze je huid ingenomen. Ze hoeven niet gezegd te worden, ze zijn er gewoon. Ze zouden kunnen aangeraakt worden. Je kunt er wonen. Ze schragen je efemere lichaam. Waardoor je langer kunt blijven.

27 september 2009

De olifant


Ik zag hem voor het eerst enkele weken geleden, Roger de olifant. Het blijkt dat olifanten enkel een voornaam hebben, volgens Roger alleszins. Er is wel iets mis met die naam Roger. Die doet me denken aan een les lezen in de lagere school. We hadden een leesboek, met allemaal teksten in, die dan hardop werden voorgelezen in de klas. Het moet denk ik in het tweede of derde leerjaar geweest zijn. En iedereen moest op toer een stukje lezen. Telkens enkele paragrafen of tien lijnen of zo. Je kon dus al min of meer uitrekenen op basis van wie er op de rijen voor jou zat wanneer jij moest lezen. En zo gebeurde. Ik had netjes berekend welk stukje ik zou moeten voorlezen, en daarin kwam het woord ‘Roger’. Geen idee had ik wat dat was. Als men me had gezegd dat dit moest uitgesproken worden als ‘rozjee’, dan was er natuurlijk geen probleem geweest. Nu zag ik gewoon ‘roger’, en hoopte dat dat ook juist zou zijn. Preventieve faalangst. En ja, het ging mis, het was niet roger.

Roger dus. Gewoon een olifant, en in dit geval geen klusser van de televisie. Terwijl ik foto’s stond te maken van enkele mooie klaprozen kwam Roger eraan gewandeld. Hoewel, gesloft lijkt een betere omschrijving. Een beetje ritmisch, alsof hij een MP3-speler met laidback reggae op zijn hoofd had. Hij stond daar een tijdje te kijken, vooraleer hij iets zei. Hij vertelde me dat hij elke dag deze weg deed, tijdens zijn middagwandeling. Een beetje de benen strekken, soepel blijven. Als er niemand aan kwam, kon er wel eens een stiekem dansje af. Maar eigenlijk durfde hij dat niet zo goed. Als er dan toch net iemand aan kwam, op de fiets of zo, begon hij altijd zo hevig te blozen. Hij kon dan nog wel zijn oren voor zijn gezicht klappen, maar dan zag hij niets meer, wat ook niet echt praktisch is natuurlijk.

Hij had zijn hele leven in de bakkerij gestaan, maar nu was hij met prepensioen. Eclairs, dat was zijn specialiteit geweest altijd. Mensen onderschatten de edele kunst van het eclairs maken. Een goede eclair, dat heeft met het ultieme verlangen te maken, en met de hemel ook. De juiste combinatie van zacht, een klein beetje weerbarstig maar nooit papperig, met een krokant topje van de beste chocolade en een vulling die je ogen kan doen tollen en terwijl alle kanten op gaat. Een eclair moet ook altijd met de handen gegeten worden, geen gedoe dus met bordjes en van die preutse kleine vorkjes. Nee, enkel de volledige overgave kan naar de hemel leiden. Of het hem gelukt was ooit de ultieme eclair te maken, wilde ik weten. Bijna, dat was het antwoord, bijna. Roger wist dat hij moest stoppen net voor hij dat point of no return zou bereiken. Je moet er zo dicht mogelijk bij proberen te komen, maar wel altijd aan deze kant van de lijn blijven.

Wat hij nu zoal deed, wilde ik weten. Bang voor het zwarte gat na de eclair had hij zich op het cursusgebeuren gestort. Kantklossen, sensuele massage, goden en godinnen in jezelf, neogotische melkhuisjes in het Hageland, cup cakes voor gevorderden (hij mocht ineens in de zevende jaargang), gemengd buikdansen en ook gemengd zweethutten, hij had het allemaal gedaan. Maar er ontbrak iets. Hij moest toegeven dat er in al die cursussen ongelooflijk mooie vrouwen aanwezig waren, vooral vrouwen eigenlijk. De aard van de cursus bevorderde nog het diepere inzicht in die schoonheid, overigens. En ja, hij was niet ongeliefd bij die leden van the opposite sex. Maar als puntje bij paaltje kwam, waren die vrouwen toch vooral geïnteresseerd in zijn gezandstraalde lijf, voorzien van wasbordje. Het betere gesprek zat er niet echt in. Als hij dan wilde beginnen over de inzichten van Wittgenstein I of II, over de opbouw van een federaal Europa op basis van een model van gedeelde soevereiniteit in een breder kader van multi-level governance, over de religieuze motieven in het vroege werk van Bob Dylan, of over zijn theorie over de puntkomma als leesteken van de weifelaars, dan haakten ze meteen af. Wat is er mooier dan een mooi gesprek, had hij altijd gedacht, maar daar dachten die vrouwen dus anders over. Waarschijnlijk had hij de verkeerde cursussen (zou dat meervoud niet cursi kunnen zijn?) gekozen qua loslopende vrouwen. Het maakte niet uit, hij was overgegaan tot het meditatief wandelen, en dat deed hij nog steeds.

Of hij me de geheimen van het meditatief wandelen kon uitleggen. Dat bleek geen probleem te zijn. De kunst bestaat in de juiste ritmische beweging. Je moet een beetje wiebelen tijdens het stappen, zo lijkt het wel. En dat zonder die trendy MBT-schoenen, gewoon uit jezelf, in een vloeiende beweging. Eens je dat kunt, moet je de voorkeurlengte van jouw wandeling uitzoeken. Dat is een opdracht die met wetenschappelijke precisie dient te worden uitgevoerd. Niks Start to Walk of andere rotzooi, je moet zelf zoeken waar jouw omslagpunt is. Op dat punt gebeurt er iets in je hersenen. Het heeft met een hoger genot te maken, volgens sommigen zelfs van licht orgasmatische aard, maar daar wilde hij zich niet over uitspreken. Iets in je hoofd alleszins. En voor hem was het omslagpunt hier, ter hoogte van deze klaprozen. Dat verklaarde waarschijnlijk ook zijn aanvankelijk zwijgen, dacht ik nog.

Ik heb het ondertussen ook uitgetest, en het werkt, ik kan niet anders dan het te bevestigen. Ik heb de techniek van Roger nauwkeurig ingeoefend, en ja, het is geweldig. Ik heb hem meteen een sms’je gestuurd om hem te bedanken voor dit nieuwe eiland van geluk in mijn verder relatief saaie bestaan. (Alhoewel, saai, dat valt nog wel mee, sinds ik vorig jaar begonnen ben met een intensieve opleiding macramé voor nerds, lacht het leven mij toe.) Ik probeer nu ook elke week enkele malen meditatief te gaan wandelen. Soms lopen we een eindje samen, Roger en ik. Veel hoeven we niet te zeggen, mannen onder elkaar. We begrijpen elkaar. Het leven kan zo mooi zijn.

26 september 2009

Blijven kijken

Het kijken, wat valt erover te zeggen? Wat valt er niet over te zeggen? Dat zou beter zijn misschien.

Je kunt blijven kijken naar mensen. Het houdt niet op. Om te zien hoe ze veranderen. Terwijl je erbij zit. En om te merken hoe weinig je zag de vorige keer. Je denkt dat je je zoveel kunt herinneren. Je denkt dat alles goed bewaard is in je hoofd, of andere delen van je lichaam waar de beelden kunnen rusten. Tot je weer alles opnieuw kunt bekijken, van dichtbij. En heel even twijfel je aan de herkenning. Is die ander veranderd? Heb je wel de juiste voor je? Zijn de verkeerde gegevens opgeslagen, waardoor je herinnering misschien niet helemaal juist was? Of is het enkel het licht, of het uur van de dag? Blijven kijken. En na even, en soms na langer, komt alles weer terug. Of voor het eerst zoals het moet zijn, denk je dan. Of je vermoedt dat je hoofd beter in staat zou moeten zijn beelden te zien als een rivier, en niet als een foto. Wat het ook is, blijven kijken is je enige hoop.

Soms kijk je gulzig, bijna in preventieve wanhoop. Je voelt dat er een moment aankomt dat onder geen enkel beding verloren mag gaan. Of je kijkt naar iemand die alleen in dat moment zo bij je kan zijn. Of je denkt of vreest of vermoedt dat dat moment een laatste moment zou kunnen zijn. Of je leeft in elk moment alsof het het laatste moment zou kunnen zijn, ook al is er geen enkele aanwijzing dat het zo zal zijn. En je kijkt naar elke lijn. Om beelden te verzamelen, zoveel mogelijk. Om voorbereid te zijn op een moment waarop die beelden alleen nog herinneringen zullen zijn. Herinneringen verzamelen, als schelpen aan het strand, terwijl je erbij bent. En je zou elke lijn wel tien maal willen bekijken, zodat je van alles reserve hebt. Als er dan een beeld zou geroofd worden uit je herinnering, dan kun je nog altijd naar de reserve. Het is een bijna hopeloos verlangen. Zoveel tijd later denk je dat de beelden in je hoofd intact zijn, maar zodra je erover zou praten met een ander, die die beelden ook zou kunnen hebben, of zodra je de beelden in je hoofd in detail zou moeten beschrijven, zou je merken dat verlies je deel is.

Soms zou je iemand willen vragen, op de trein of zo, of je lang en grondig mag kijken. Om rustig, vanuit alle hoeken, het beeld te kunnen samenstellen. Tot je genoeg hebt.

Er komt geen einde aan de schoonheid. Je neemt een goede plaats in, en kijkt. Naar mooie mensen die je kent, mooie mensen die je niet kent. Waarom blijf je kijken? Het is lang niet enkel de vorm van die lichamen. Het is meer dan de kleren die zoveel kunnen vertellen. Het is de beweging. Je zou het nauwelijks kunnen benoemen waarom je blijft kijken. Het heeft iets te maken met evenwichten in een lichaam. Het ene moment kan het in een mystieke balans zitten, het andere moment al niet meer. En wat er tussen die twee gebeurt.

Soms kijk je voorbij de kleren, het gebeurt. Het kan je overvallen. Het kan langzaam naar je toe komen. Het kan afwezig blijven. Het kan je geruststellen. Het kan je vervreemden.

Soms is het alsof je alleen maar een fototoestel in je handen en voor je ogen hebt. Je ziet in de ander de foto’s die zij in zich draagt. De foto’s die door haar worden uitgenodigd. Waar ze zijn, weet je niet, maar je kunt ze zien. Misschien moeten ze vooral niet gemaakt worden. Misschien is het een nooit beseft verlies voor de wereld dat ze er niet zullen komen. Ze zijn even aanraakbaar als de woorden, ze bewegen ook ergens onder je huid.

Soms kijk je, en wil je niet zien wat je ziet. Misschien is er te veel dat je herkent. Misschien is er gewoon te veel. En wil je weinig, van wat dan ook. Zodat je alles van dat ene zou kunnen zien. Of zodat je jezelf zou kunnen doen geloven dat je alles van dat ene zou kunnen zien. En soms kijk je om gerustgesteld te worden. Kijken om te zien dat alles er nog is. Dat alles is zoals je vermoedt dat het zou moeten zijn.

Soms kijk je in je dromen. En je ziet grootse taferelen, met personages die je niet kent, of die je niet op die plaats en dat moment wilt zien. Na een tijd begin je te vermoeden dat je droomt. Je kunt in je droom tegen jezelf zeggen dat wat er gebeurt voor je ogen wel niet echt zal zijn, want in een droom. Je twijfelt nog even, helemaal gerust ben je nog niet. Je schuift nog verder weg uit de droom en wordt wakker genoeg om je echte lichaam te voelen en er dus zeker genoeg van te zijn dat het een droom was. Je bent nog niet wakker genoeg om de droom al helemaal achter je te laten. Je kunt nu zelf kiezen wat er in de droom gebeurt. Je kunt de ene mens door een andere vervangen, de ene handeling door een andere. Je kunt voorkomen dat allerlei ongewenste nevenpersonages hun plaats opeisen, om alleen maar te zien wat je zou willen zien. En zo kun je dan kijken.

23 september 2009

Wenkbrauw


‘Hier lopen we nu. Wat denk je?’
‘Het was mooi. Ik voelde me heel erg thuis.’
‘Ja?’
‘Verbaast je dat?’
‘Nee, niet echt… Ja, eigenlijk wel, als ik eerlijk ben.’
‘Waarom dan?’
‘Dat ik iets zou doen waardoor jij je thuis zou voelen. Dat brengt me in de war, denk ik.’
‘Weet je waarom ik dat zei? Het is omdat ik zag dat je even niet op je hoede was. Het was alsof je alles vergat, alsof je niet klaar stond om weg te lopen.’
‘En ik dacht altijd dat het niet opviel.’
‘Dat zal wel…’
‘Als je eerst wegloopt, zie je niet wat er daarna gebeurt. Stom eigenlijk.’
‘Ja, eigenlijk wel. Kijk eens goed naar mij. Zie ik eruit alsof ik dringend ergens heen moet? Nee toch. Misschien wil ik wel gewoon hier zijn, gewoon.’
‘Maar stel dan dat je doorkrijgt dat ik eigenlijk niet zo grappig ben, wat dan? En dat ik sommige woorden niet kan onthouden.’
‘Jij? Welke woorden zijn dat dan?’
‘Een woord als wenkbrauw. Daar moet ik altijd hard over nadenken. Was het nu wenkbrauw of wimper, en wat staat waar? Het lukt me niet. Ik zeg altijd maar: die haren daar. En als ik dan verwijs naar die mooie actrice met die zware wenkbrauwen, dan denk ik altijd dat ik iets verkeerds zeg.’
‘En als de wenkbrauwpolitie dat zou ontdekken zou je daar ongetwijfeld hard voor gestraft worden, of niet?’
‘Ongetwijfeld.’
‘Weet je, misschien moet je gewoon ophouden met lopen. Je bent hier nu toch, blijf dan gewoon.’
‘Ja, maar ja.’
‘Wat?’
‘Stel dat ik geen grappen meer over heb, na een minuut of drie of zo, wat dan?’
‘Je denkt ongetwijfeld dat ik dan ga zien hoe saai je eigenlijk wel bent.’
‘Inderdaad. Zie je wel trouwens, je hebt het al door.’
‘Dat je saai bent?’
‘Ja, natuurlijk. Het is toch zo? Stel je voor dat je drie dagen weg zou moeten gaan met mij. Dan zou al na een dag onherroepelijk duidelijk worden wat voor een ellende het is.’
‘Je bent grappig.’
‘Grappig? Lach maar.’
‘Heb je mij al eens goed bekeken dan?’
‘Ja, eigenlijk wel.’
‘Ja ja, dat zal wel. Bij mij is er ook een hoek af hoor, gelukkig maar. Vroeger wou ik altijd alles vooraf weten. Hoe het zou gaan, wat er zou gebeuren. En ik dacht altijd dat ik me op alles moest voorbereiden. Ik doe het niet meer.’
‘Laat me maar gewoon een beetje aanrommelen, het komt wel goed, denk ik. Zie je die boom daar?’
‘Wil je nu van onderwerp veranderen? Ben je bang?’
‘Nee, ik denk het niet. Misschien wel, maar het maakt niet uit. Ik moet de dingen soms in doses binnenlaten denk ik.’
‘Het is goed hoor. En trouwens, die boom is heel mooi.’
‘Ik heb altijd het idee gehad dat een beuk een vrouwelijke boom is, en een eik een mannelijke, ik weet niet waarom.’
‘Is het omdat de schors anders is? Gladder en ruwer. Is het dat?’
‘Misschien wel. En, voel maar. Als je de schors hier zo betast, dan kun je de beweging binnen in de boom voelen.’
‘Zo? Ja, je hebt gelijk.’
‘Soms denk je dat zo’n boom zomaar stilstaat, maar dat is niet zo. Ze ademt, en laat alles door haar heen stromen.’
‘Heb je ooit al gedacht dat een boom saai is?’
‘Nee, hoe kom je daar nu bij?’
‘Voilà, zie je wel?’
‘Jij hebt echt een slecht karakter, ik denk dat ik je dringend uitgebreid moet komen kietelen.’
‘Tot ik om vergiffenis smeek?’
‘Tot je toegeeft dat ik saai ben, dat lijkt me beter.’
‘Dat zou nog wel eens kunnen tegenvallen, maak je maar geen illusies.’
‘Het is natuurlijk wel de bedoeling dat ik je aan het lachen breng.’
‘Natuurlijk, maar het hoeft niet altijd. Soms is al goed genoeg.’
‘Als het dikwijls genoeg soms is.’
‘Grrrrrr.’
‘Het is goed, ik heb het begrepen. Weet je, als je ’s morgens vroeg hier komt, dan kun je nog de nevel zien, daar tussen die varens.’
‘Dat wil ik wel eens zien.’
‘Ja? Dan is het goed.’

20 september 2009

Ben je het?

De ouderen onder ons vragen vaak wat meer respect voor hun leeftijd, en ze hebben meestal wel gelijk. Op de bus of de tram, om maar iets te zeggen. Het is maar normaal om de zitplaats eerst aan een ander, in dit geval ouder iemand te geven. Maar terwijl ik sta te wachten tussen een tros oudere medemensen op de bus die zal komen, begin ik te twijfelen. Ze hebben in dichte drommen de autoloze dag bezocht in het dorp. In dit geval was de autoloze dag vooral een terrasvolle dag. Op elke vierkante meter moest er blijkbaar gedronken worden. De oudere man naast me vertelt dat ze best wel wat langer hadden willen blijven, maar er was nergens nog een stoel vrij. Twijfel dus, die al snel wordt bevestigd als de bus inderdaad opduikt. De bijna bloeddorstige manier waarop deze groep ouderen elkaar opzij duwt en de bus zowat bestormt om – sneller dan elke andere – de laatste zitplaatsen in te nemen, is bepaald indrukwekkend. Ik ga staan, achteraan, dicht bij de deur, en zal daar ook zowat de hele rit blijven staan. Blijkbaar is het Utopia nog niet uitgebroken op de bus, want enkele nog zeer jonge reizigers blijven hardnekkig zitten, en maken vooral geen plaats voor die paar onfortuinlijke ouderen die de race om de zitjes niet hebben gehaald. Het gewone leven dus. Ik concentreer me op alle fraais dat langs me passeert om de bus te kunnen verlaten, en zo gaat de tijd ook voorbij. Aan woorden denken, of moois dat niet op de bus zit, helpt natuurlijk ook altijd.

Is dit nu een tuin of een park? Ik vraag het me af. Wonderlijk is het hier alleszins wel. De donkerte heeft dit alles overgenomen, en betoverd. De staande lampions gaan nergens heen, ze maken gewoon de ruimte. Mensen bewegen heen en weer, de bodem betastend, op zoek naar oneffenheden. Zou je anderen herkennen hier in het duister? Of is het beter te weten dat ze er zijn, daar ergens, zonder dat ze jou zien? Alles is er. Alsof iets zo moest zijn. Het zonnemeisje leert me, met grote deskundigheid, hoe ik foto’s moet maken met mijn gsm. Ze straalt zich een weg door het donker. En de hele tijd is het alsof er meer te ruiken is.

Je ziet de foto’s van toen, lang geleden. En het is er weer, het is er nog steeds. Je was niet goed toen. Of beter: niet wie je had moeten zijn, kunnen zijn, niet helemaal in evenwicht, niet in rusttoestand, of wat dan ook. Het maakte dat je anders tegenover de anderen kwam te staan, anders dan goed was geweest. Of zoiets. En zij reageerden op die ander. Je zag het toen al gebeuren, maar het leek onvermijdelijk. En nu, na al die tijd, zou je het nog eens willen uitleggen, dat het toen niet helemaal was zoals… En terwijl je het denkt, vraag je je af of je, toen, die andere niet gewoon zelf was. Misschien waren de dingen toen gewoon zo, kon je op dat moment van de tijd alleen maar zo zijn, was er geen andere weg. Raar, hoe het soms veel gemakkelijker is te aanvaarden dat anderen gewoon bewegen tussen hun varianten. Misschien is alleen het falen normaal. Je zou het wel willen soms, dat je jezelf zou kunnen boetseren. Hoe dan ook, je moet het met je eigen klei doen. En ook al besef je dat allemaal, het blijft verwarren, die foto’s. En je probeert te leren, klaar te zijn voor het nu. Tot het je weer overvalt. Je ziet jezelf wankelen. Misschien ben jij zelfs de enige die het ziet. Ergens tussen blijven oefenen en al het streven loslaten, daar moet het zitten.

Met mijn rug naar waar we naartoe rijden. De trein beweegt door het landschap, net voor het avond wordt. En het licht spreidt zich daar voor me uit, daar tot waar ik kan zien. Ook wonderlijk. De zon lijkt zichzelf te koesteren in de laatste uren van de zomer. Ze verzamelt nog zoveel mogelijk herinneringen, nu het nog kan. In dat licht, daar waar het de zoete aarde raakt, daar zou je elkaar kunnen vinden, alsof het de eerste keer was. Straks zal het herfst worden. Het ligt in de loop der dingen. Maar nu, zo lang het nog duurt, zijn we nog aan deze kant van wat zal komen. De late zon laat zich nog even omhullen, door enkele kleine wolken. Het is meer een suggestie van losse kleding, want ze is zo goed als geheel zichtbaar, in al haar late glorie. Het eindpunt van deze reis nadert. Het station heeft op ons gewacht en ontvangt ons in zachtheid. Zorgvuldig je spieren bewegen, dat is wat je moet doen op dit uur van de dag als je het station verlaat. Geen enkele beweging argeloos voorbij laten gaan. Dat is wat de zon je heeft gevraagd.

17 september 2009

Summertime


Is het persoonlijk leven van een schrijver belangrijk? Waarom willen we steeds weten wie de schrijver achter het boek is? En ook als de schrijver steeds opnieuw herhaalt dat enkel het boek telt, dan nog is er een werkelijkheid achter dat boek waarin de echte persoon van de auteur leeft, en die misschien ook een invloed heeft op het boek. Het nieuwe boek van J.M. Coetzee, Summertime (vertaald als Zomertijd), speelt met deze vragen. Coetzee is een uitgesproken teruggetrokken auteur, die zo goed als nooit interviews geeft en zich hult in grote zwijgzaamheid over zijn persoonlijk leven. En net Coetzee heeft met Summertime via een omweg een zogenaamd ‘autobiografische’ roman geschreven. Summertime wordt omschreven als het derde deel van een trilogie van “gefictionaliseerde memoires”, met eerder al Boyhood en Youth. Het is een erg indringend boek geworden. En dat niet alleen door het vaak ontluisterende maar soms ook bijna grappige beeld van de verondersteld echte auteur John Coetzee. Ook de vorm van het boek, een eindeloos spiegelpaleis van fictionaliseringen is fascinerend. Wie vertelt uiteindelijk welke waarheid, en welke schakel van welk verhaal is echt of niet, je weet het niet. Is er eigenlijk wel iets te vertellen over het echte leven van een ander of jezelf anders dan door een vorm van fictie? Coetzee ontsnapt andermaal en bewijst zo eens te meer de kracht en bestaansgrond van zijn literatuur.

Het kader van de roman is het onderzoek dat een Britse biograaf doet naar een bepaalde periode uit het leven van de ondertussen overleden schrijver Coetzee. Volgens hem zouden de jaren 1972-1977 cruciale sleuteljaren zijn in de ‘wording’ van de auteur Coetzee. Hij verzamelt materiaal, en heeft onder meer enkele notitieboekjes gevonden. Daarin staan beschouwingen over Zuid-Afrika en zijn persoonlijke leefsituatie, telkens in de hij-vorm. Bewerkte werkelijkheid dus al. En telkens geeft de auteur zichzelf – blijkbaar heel wat jaren later – ook regieaanwijzingen over hoe bepaalde thema’s verder kunnen uitgediept worden, waar valkuilen zitten. Meteen al twee stemmen, en twee gradaties van afstand.

Blijkbaar vindt Vincent, de biograaf, die notities niet veelzeggend genoeg. En hij begint met een reeks interviews met mensen die in die periode een min of meer belangrijke rol speelden in het leven van de auteur Coetzee. Er is Julia, een buurvrouw, die een affaire begint met John, deels uit reactie op het vreemdgaan van haar echtgenoot. Er is Margot, zijn favoriete nicht, op wie hij als kind een beetje verliefd was. Er blijft een speciale band tussen de twee, en in de marge van een familiebijeenkomst komen ze in een ongemakkelijke situatie terecht. Er is ook Adriana, een Braziliaanse danseres, die ooit een tijd in Zuid-Afrika woonde. Coetzee gaf bijles aan haar dochter. Hij zoekt op een erg onhandige manier toenadering tot Adriana. Dan is er ook nog Martin, een voormalige collega-docent. En ten slotte Sophie, eveneens een collega, met wie hij ook nog een korte affaire had.

Uit al deze interviews komt een vaak hard en pijnlijk beeld van een sociaal onaangepaste, onhandige, gesloten man. Hij is niet empathisch, wordt als een ‘seksuele autist’ omschreven, als iemand die structureel celibatair is, niet in staat zich werkelijk te verbinden met anderen. Tegenover de maatschappelijke en politieke werkelijkheid waarin hij zich bevindt, staat hij al evenzeer op een afstand. Hij is wel betrokken, maar dan als een soort afstandelijke idealist, die niet tot echte actie zal overgaan, en zichzelf betrapt op vormen van cultureel conservatisme. In al die gesprekken komen zijdelings ook heel wat uitspraken aan bod over de latere literaire carrière van de schrijver, en hoe die wordt gezien door de buitenwereld. Tussen en op de regels gaat het ook over Zuid-Afrika, voor en na de apartheid. De manier waarop Coetzee verloren loopt in die complexe werkelijkheid, niet in staat echt greep te krijgen op wat er gebeurt en wat een juiste morele houding zou kunnen zijn, zegt ook iets over de situatie van de blanke minderheid in het land.

De relatie tussen Coetzee en zijn vader, met wie hij in een gammel huisje woont in Kaapstad, is een centraal motief doorheen het hele boek. Met name ook in de tweede reeks notities die na de interviews zijn opgenomen wordt die relatie verder uitgediept. Het relaas is schrijnend, maar ook heel ontroerend. De manier waarop die twee onbeholpen mannen bijna als in een stuk van Godot door een onkenbare en absurde wereld strompelen, raakt je als lezer heel erg.

De kluns Coetzee die we te zien krijgen, is (ongewild) echter ook vaak erg grappig. Hij past nergens in, maar is toch op zijn manier heel authentiek. Je merkt het ook in de verhalen van de vrouwen die over hem vertellen. Ze doen soms erg hun best om afstand te houden, en hem vooral niet te positief voor te stellen, maar tegelijk voel je ook iets van hun eigen onrust. Hoewel ze doen alsof ze niet al te graag over hem vertellen, lijken ze er soms maar geen genoeg van te krijgen. Ze strompelen zelf ook een beetje door het leven. Margot wordt niet echt netjes behandeld door haar neef, maar blijft toch speciale warme gevoelens koesteren. Adriana verschuilt zich iets te opzichtig achter haar verwijten dat John te weinig een echte man was.

De manier waarop het boek is opgebouwd, is fascinerend in de vragen die het oproept. Wat is de werkelijke rol van Vincent? Maakt hij niet gewoon zijn verhaal, door de selectie van bronnen, en vooral door de manier waarop hij het materiaal verwerkt? Dat blijkt onder meer uit het interview met Margot, dat een al bewerkte en ‘opgeschoonde’ transcriptie is van het interview dat hij eerder met haar had. Hier en daar heeft hij ‘details’ toegevoegd, om alles zogenaamd levendiger en vloeiender te maken. Waardoor het interview nog meer ‘verhaal’ geworden is dan het al was. Maar ook als je de interviews leest, merk je dat de personen die geïnterviewd worden vaak meer over zichzelf zeggen dan over de auteur Coetzee, die erdoor zou moeten onthuld worden. Als je erop begint te letten, merk je zo een eindeloze reeks spiegeleffecten waardoor de ‘echte’ auteur Coetzee – als die al zou bestaan of te vinden zijn – steeds verder weg kan schuiven. En los daarvan krijg je een reeks meeslepende verhalen over een onaangepaste man, en via hem kun je ook naar jezelf kijken. Daarbij is er de stijl die zo typisch is voor Coetzee, een merkwaardige combinatie van directheid en distantie, die je nooit de kans geeft om vertederd te worden, maar je toch de hele tijd vasthoudt.

Summertime is een bijzonder boek, van een schrijver die zich andermaal niet laat vatten. Hoewel het de indruk geeft een biografisch verhaal te zijn, zegt het misschien wel meer over het schrijven dan over de auteur. Uiteindelijk blijft het boek op de voorgrond, en kan de auteur zich verschuilen. Misschien is de complexe spiegelvorm van het boek de dichtste toenaderingspoging die Coetzee bij zichzelf kan toestaan. De omweg van de onvermijdelijke fictie is misschien wel de rechtste en enige weg naar een werkelijk leven dat zich ergens achter een boek bevindt. En zo blijft aan het einde van de rit enkel het boek overeind.

16 september 2009

Het moet vooruit gaan

Lichtjes geschokt was ik gisteren. Ik hoorde de minister, met bijna trillende stem, verklaren dat vanaf nu de wegenwerken aan de snelwegen zullen doorgaan, en wel 24 uur op 24, 7 dagen op 7. Ik hoorde haar bijna denken: “En als we per dag 25 uur zouden kunnen werken, dan zouden we dat zeker doen. Meer zelfs, als we per week 8 dagen zouden kunnen werken, dan zouden we dat ook doen.” Koude rillingen kreeg ik ervan…

Mijn gedachten gaan in de eerste plaats naar die mensen die die werken moeten uitvoeren. In zeer moeilijke, zeer gevaarlijke en zeer ongezonde omstandigheden moeten ze nu al bijna het onmogelijke doen. En nooit is het goed. Steeds gezeur en geëmmer van automobilisten die voorbij komen rijden en soms zelfs hun middelvinger opsteken. De minister toonde zich erg trots dat hiermee was tegemoetgekomen aan de vragen van de automobilistenverenigingen. Vandaag reageren gelukkig al de vakbonden die vragen of er misschien ook enige aandacht zou mogen zijn voor de werkomstandigheden van de arbeiders. Maar dat zal velen waarschijnlijk worst wezen…

Natuurlijk is het heel vervelend en frustrerend als je met je auto in de file zit, zeker op een moment dat je dat helemaal niet verwacht. En natuurlijk is het vervelend voor de organisatie van onze economie. Ook al heb ik zelf geen auto, ik wil daar best veel begrip voor opbrengen. Veel mensen kiezen er niet voor om op dat moment met hun auto of vrachtwagen op die weg te zitten, ze kunnen niet anders. En ja, al die stilstaande voertuigen zorgen voor veel luchtvervuiling. Maar het zou leuk zijn als de mensen die dat altijd als argument aanhalen even bezorgd zouden zijn voor de luchtvervuiling van normaal rijdende voertuigen. En natuurlijk is het normaal dat je als overheid goede afspraken probeert te maken om de maatschappelijke hinder bij dit soort werken zoveel mogelijk te beperken. Allemaal geen probleem, maar er zijn grenzen aan wat men ‘normaal’ vindt.

Als er in een bepaalde periode veel wegenwerken zijn, dan wordt dat tegenwoordig al het eerste punt in het journaal. Mensen worden dagenlang gewaarschuwd voor de dreigende bijna-apocalyps die zich aandient. En dan is het nog niet goed. Veel mensen willen blijkbaar dat op geheel miraculeuze wijze die weg volledig hersteld én verbreed én dan nog ook nog eens volledig ontdaan van alle andere weggebruikers wordt, en dat tijdens het 25ste uur van de dag. “Waarom moeten ze net nu aan de weg werken, kunnen ze dat dan niet op een ander moment doen?”

Wat me vooral stoort, zijn de hysterie en het totaal gebrek aan empathie bij al die reacties. Als er na een vakantieperiode werken worden uitgevoerd, staat onmiddellijk het land op zijn kop. Allerlei verenigingen komen boos klagen dat het volstrekt ongehoord is dat men aan de weg werkt, net nu iedereen terug is van vakantie en terug naar het werk moet. Een mevrouw van de overheid komt dan een beetje schroomvol uitleggen dat men niet permanent aan de arbeiders kan vragen om flexibel dag en nacht door te werken ongeacht de periode van het jaar, dat men nu al alles doet wat mogelijk is om die werken in de rustige periodes te doen, maar dat er grenzen zijn aan de mogelijkheden. Zo’n uitleg wordt dan meteen op hoongelach onthaald. Hier wordt blijkbaar een onvervreemdbaar recht met de voeten getreden.

Als je het wat nader bekijkt, is er meer aan de hand. Echt ‘rustige’ periodes zijn er al lang niet meer. Op welk moment van de dag of de nacht je ook op een snelweg rijdt, je bent nooit alleen. Mensen gaan dan ook nog eens het hele jaar door met vakantie, en vinden het ook normaal dat de rest van de maatschappij zich daar genoeg naar schikt. En het ‘probleem’ van de file ontstaat misschien wel omdat we met zijn allen gewoon te veel rijden en onze economie zo organiseren dat er te veel producten heen en weer door Europa worden vervoerd en als het ware op de weg worden gestockeerd. En nog is het niet goed, niet snel, niet flexibel en niet performant genoeg. En misschien is het overdreven drukke verkeer er ook wel de oorzaak van dat wegen telkens opnieuw verslijten, het zou kunnen…

Veel mensen vinden het voor zichzelf volstrekt normaal dat ze op vakantie kunnen gaan wanneer ze willen, dat ze af en toe vrij kunnen nemen om bij te komen van het harde werk, dat ze hun gezinsleven op een min of meer normale manier kunnen combineren met hun werk. Misschien dwingt onze moderne manier van leven ons allen in een individualistisch keurslijf, het zou kunnen. Maar ook anderen hebben recht op vakantie en een normaal gezinsleven. En die anderen zijn onder meer de mensen die de weg moeten herstellen, en dat op gevaar van eigen leven, nu al bijzonder flexibel doen.

Als ik de vertegenwoordiger van de automobilistenvereniging op de televisie bijna schuimbekkend zie fulmineren omdat het toch zo volstrekt onaanvaardbaar is dat op die dag de werken ’s nachts niet geheel waren afgerond waardoor er overdag een extra file ontstond, dan voel ik een lichte misselijkheid opkomen. Als enkele dagen later blijkt dat dezelfde aannemer de werken vier dagen eerder dan voorzien kan afronden, is er niemand van dezelfde vereniging die op de televisie de arbeiders van harte komt bedanken en zich daarbij een klein beetje verontschuldigt voor de toch wat overtrokken reactie enkele dagen eerder. Nee, daar doen we vooral niet aan…

Een mens hoopt dan nog altijd stiekem, en tegen beter weten in, dat een beleidsverantwoordelijke met meer overzicht en zelfs een beetje zelfreflectie, naar de dingen zal kijken. Politici zijn toch diegenen die net de verschillende belangen moeten afwegen en met elkaar verzoenen, of ze zouden dat toch moeten doen. Een zeer lichte mate van deemoed tegenover het hysterische doorholdenken zou af en toe nuttig zijn. En volgens sommigen zal het kwezelig of moraliserend klinken, maar gewoon af en toe vragen dat mensen wat respect hebben voor een ander, en ook een ander gunnen wat ze voor zichzelf normaal vinden, het zou niet zo’n slecht idee zijn. Maar ik zal wel oud aan het worden zijn…