29 december 2006

De ijsbeer


Schitterende lucht vanmorgen. Dat lijkt een eeuwigheid geleden. De pastelkleuren hebben iets dartels. Je zou willen dat het licht je streelt, en je huid zacht en warm maakt. Je zou zo willen blijven staan, op het midden van de straat, en iedereen wijzen op het licht.

In de krant lees ik vandaag dat de schepen van mijn stad echter vooral bezig is met de kerstverlichting. We moeten ons niet spiegelen aan Londen, maar toch wel een beetje blijkbaar. Er moet een ‘kerstsfeer’ zijn in de stad. “Dat de aanpak werkt, zie je aan de bezettingsgraad van de parkings.” Maar het leidt tot de nodige rusteloosheid, want “de mensen zijn niet snel meer onder de indruk”. En dus “moeten we elk jaar met iets nieuws komen”. De energie die nodig is om alle kerstlampjes te laten branden in de stad is genoeg om 10 gezinnen een jaar lang van stroom te voorzien.

Zou er een verband zijn tussen de bezettingsgraad van de parkings en het menselijk geluk? Ik ben er niet zo van overtuigd. Ik werd een beetje misselijk toen ik de dichte drommen mensen zag vorige week die de laatste dagen voor Kerstmis stonden aan te schuiven om dingen te kopen. Wat kochten ze? Een GPS. We zijn allemaal de weg kwijt blijkbaar… Ik las een interview vorige week met de CEO (of hoe heet zo’n mens tegenwoordig) van het Nederlands bedrijf dat aan de top staat in het GPS-gebeuren. Het was bijna een religieuze preek die uit zijn mond kwam. Over hoe de ultieme verlossing dichterbij kwam als iedereen maar zo’n apparaatje zou hebben. Ik begon me meteen weer zorgen te maken. Zou ik dan al die jaren dat ik op deze aardkloot rondloop permanent de weg kwijt geweest zijn zonder het zelf te beseffen? Wat blijft er over van gewoon naar de weg kijken, staan sukkelen met een kaart in je hand die altijd in de verkeerde richting plooit door de wind, de medelijdende blikken ondergaan van andere mensen die je zien knoeien? In mijn dromen zou ik zo’n ding misschien wel kunnen gebruiken, maar daarover later meer.

De mensen die geen GPS kochten, bleken vooral te vallen voor het fenomeen ‘cadeaubon’. Geld geven dus aan je geliefden. Brrrrrrr… gruwelijk vind ik het. Ik weet in het algemeen al nooit goed hoe ik moet reageren op een cadeau. Ik ben altijd heel verlegen en in de war, waardoor het wel eens lijkt alsof ik niet blij ben met een cadeau (ik ben eigenlijk meer het cadeaugeeftype). Maar hoe je moet reageren op een bon die voor een geldwaarde staat, dat is helemaal een raadsel. Een klein cadeau waarvan je voelt dat de ander erover nagedacht heeft, dat geeft je die zoete duizeling die zo mooi is. Of iemand die zelf iets met haar of zijn handen voor je maakte, dat ontroert. Bij mij zul je die ontroering waarschijnlijk pas de dag nadien zien, maar ze is er wel. De dag na Kerstmis zag ik op televisie weinig van dat soort ontroering. Wel bleek er een piek te zijn op E-bay. Opnieuw grote drommen mensen die stonden aan te schuiven om hun verse kerstcadeaus van de hand te doen, wegens ‘fout’. En ik die dacht dat je voor iets dat je krijgt nooit geld aan een ander mag vragen… De verantwoordelijke van E-bay, toch een vrijplaats voor het gedemocratiseerde kapitalisme, vatte het bondig samen: “De mensen zijn tegenwoordig zo snel ontevreden.” Maar waarschijnlijk is de bezettingsgraad van de parkings bij E-bay wel optimaal.

Ik stond dus nog steeds in het midden van de straat naar het licht in de lucht te kijken. Voor en achter mij stond er al een file bussen en auto’s te toeteren. En ik moest denken aan de ijsbeer. Het poolijs verdwijnt terwijl je erbij staat. En de ijsbeer moet vluchten. Al weet niemand waar naartoe. Naar nergens. Want de pool was het einde van de wereld. En via een omweg aan de andere pool geraken, dat lukt dus niet. Je bent gedoemd om door de warme wereld naar de andere koude kant te gaan. En daar zijn de pinguïns al.

In mijn dromen ben ik altijd de weg kwijt. Er zal wel een dieptepsychologische verklaring voor zijn. Altijd opnieuw wandel ik ergens rond, ga ik door een deur ergens binnen, kom in allerlei gangen. En als ik dan wil terugkeren, ziet alles er anders uit. Er blijken andere deuren, en achter die deuren zijn er weer nieuwe plekken die ik nog minder ken dan de vorige.

Vannacht liep ik in die droom over wegen door een bos. De weg liep omhoog. Ik was in een groep, die blijkbaar uit elkaar gevallen was of zo. We moesten wachten aan de rand van een iets drukkere weg. Veel mensen waren op stap. En ik werd aangesproken door een man die bij een tafel stond. Hij was van een of andere religieuze basisgroep. Ze gingen een groepsgesprek doen over verschillende religies. Op de tafel lagen kaartjes om op te spelden, meer een soort buttons eigenlijk. Hij vroeg of ik ook mee wilde doen en begon allerlei namen te noemen van religieuze of spirituele stromingen. Geen enkele kwam me bekend voor. “Wat wil jij?” Zo vroeg hij. “Doe mij maar het boeddhisme.” Dat zei ik. Gelukkig bleek het boeddhisme nog vrij. Ik kreeg het button opgespeld. Hij vroeg me om mee te komen. Terug naar beneden. Het bos zag er al anders uit dan daarstraks. De wegen waren al anders. Ik wist nu al dat ik de rest van de groep, en onze bestemming, nooit nog terug zou vinden. Nu zat ik in deze groep. Op een stoel in een cirkel. Een beetje zenuwachtig, want zometeen zou ik tegenover de groep moeten samenvatten wat het boeddhisme nu eigenlijk was. Had ik dat maar een dag eerder geweten. Dan had ik me kunnen voorbereiden, en enkele sterke kernwoorden op een kaartje schrijven of zo…

Ik bedacht dat het eigenlijk wel heel erg on-zen is om je zenuwachtig te maken omdat je niet goed genoeg zou kunnen samenvatten wat zen dan wel zou kunnen zijn. Ik dacht aan de grote energiestroom waarnaar je kunt verlangen, die je kunt zien als je mediteert en die je kunt bereiken door je eigen energie niet te laten afleiden naar het ego en de gevechten die daarmee samenhangen. En zo kwam ik in de schemerzone van de slaap. Waar je tegen de ochtend half slapend half wakker je droom kunt laten duren. Een mooi terrein voor de liefde overigens. Maar nu dacht ik na over het boeddhisme. Tot mijn wekkerradio aan sprong. Ik moest namelijk opstaan om op tijd de vuilniszak buiten te zetten. Het mooie ochtendlicht was al aan het werk…

26 december 2006

Spoor buiten

Onderweg vandaag. Op en neer, enkele uren in de trein. En dat voor niets, of niet eigenlijk. Het ding dat ik moest ophalen, was nog niet klaar. Trouwens, zodra ik weer thuis was, kreeg ik telefoon dat het wel klaar was. Raar…

En toch voelde het als een beetje luxe aan. Gewoon zomaar in de trein door het landschap gaan. Met kranten en boeken. Ik begreep ineens een klein beetje waarom sommige mensen soms zomaar de bus of de tram nemen en door de stad rijden.

De dorpen naast het spoor. Het dorp dat mijn bestemming was. Alles leek zo leeg. Geen mensen op straat. Alsof het alleen plekken zijn waar mensen door rijden, of waar ze van weg gaan. Ik heb het er altijd moeilijk mee gehad. Het gevoel van hier is het, en hier niet meer, in een omgeving die er enkel lijkt te zijn om er te passeren. Dan is de stad toch een beetje anders. Daar heb ik altijd het gevoel dat ik ergens aankom. Ergens waar een mens even zou kunnen blijven.

De trein en de sporen, ze leken zoveel voller van beweging en betekenis dan wat er naast het spoor in die dorpen was. Veel mensen op de perrons. Met allerlei soorten pakken en koffers. Sommigen uitkijkend naar een trein die komt. Anderen gewoon zittend. In volledige rust.

Ik moest denken aan wat ik vorige week zag. Ik stond te wachten op een trein die ik nog niet eerder nam. Altijd een beetje spannend toch. Op het aankondigingbord op het andere perron stond in het groot SPOOR BUITEN. Spoor buiten? Ik begon me af te vragen of er ook sporen binnen waren. Misschien was dit spoor eerst wel binnen geweest, en was het nu buiten. Maar blijkbaar was het bord zodanig buiten gebruik dat het woord gebruik er niet meer op kon, hoewel er nog plaats genoeg was. Ik keek nog eens naar het spoor. Nu ben ik geen echte expert in het inschatten van de gradatie van ingebruikheid. Maar het spoor leek mij er redelijk spoor uit te zien. Dus eigenlijk had er moeten staan: AANKONDIGINGBORD BUITEN GEBRUIK. Maar dat kon waarschijnlijk niet op het bord. En dan zouden nog meer mensen in de war zijn.

Het koppel achter mij was tweetalig. De vrouw sprak Nederlands, de man Frans. Zij legde hem in detail uit hoe elke plaatsnaam een equivalent heeft in de andere taal. “Tubeke is Tubize.” En zo werd gemeente per gemeente van het hele traject tot in Leuven overlopen. Ik was blij dat ik getuige was van een daad van burgerlijke ongehoorzaamheid. Stel je toch maar eens voor dat de Vlaamsche correctheidspolitie in de persoon van Geert Bourgeois zou binnenvallen om de vrouw te berispen omdat ze de man in kwestie er niet spontaan van overtuigd had dat er niet iets bestaat als tweetalige plaatsnamen. (Tenzij het natuurlijk over de commerce gaat, want daar zijn de Vlamingen wel goed in…) IJzeren Geert zou dan net de vrouw betrapt hebben terwijl ze bezig was aan de Afrikaanse man uit te leggen dat Kortenberg eindigt op een zachte g, niet op een k.

Mijn gedachten waren bij de treinmevrouw. Tegenwoordig heet dat denk ik ‘treinbegeleidster’. Maar bij dat woord denk ik altijd dat zo iemand dan de hele tijd voor of naast de trein loopt, en dat is toch een beetje vermoeiend. In elk geval, de mevrouw dus. Graag had ik haar willen toefluisteren: “Mevrouw u heeft een mooie stem. Kunt u nog eens alle volgende haltes omroepen met uw mooie stem? Bij voorkeur in twee talen, dan duurt het langer.” Maar ja, hoe doe je dat. Ik had haar ook wel willen vragen om bij mij te komen zitten voor een indringend gesprek over alle belangrijke kwesties van het leven. Dan had ik haar ook – nadat er een eerste mate van vertrouwdheid zou zijn gegroeid tussen ons – voorzichtig kunnen zeggen dat ze nog mooier zou zijn als ze een andere bril zou nemen. Om een of andere reden paste haar bril niet bij haar stem.

Ik vind het toch wel een goed idee dat de sporen buiten zijn.

25 december 2006

Verlichting


Even tussen twee treinen. Het perron is leeg. Alleen de mist is er. Wachten tot de lichten van achter die bocht komen. De koude kruipt omhoog.

Door het raam zie ik later allerlei lichtconstructies in tuinen. Wat willen ze zeggen? Waarom zijn ze daar?

Mensen in warme huizen. Bezig. Stel je voor dat alle lichten zouden uitvallen. Wat zou je dan horen?

Je zou het licht in je hoofd willen laten komen. Waar het kan blijven. En voorzichtig stralen naar elke plek van je lichaam. Tot het stil wordt en je alleen maar bent.

Hoe zou de zee zijn nu? Zou er iets van het twinkelend licht van de zomer zijn overgebleven? Daar op het water.

Welke woorden komen uit welk stuk van je lichaam? En waar voel je ze het meest? En wie was er eerst? Licht op de woorden in het boek. Zij komen tot jou.

Wat is verlichting? Ik had het willen vragen. Dat bedacht ik vannacht. Is het inzicht in wat te weten is? Of is het thuiskomen in wat op je wachtte?

Je zou het willen wegnemen, met de beweging van een hand. Tot het lichter is. En het aan de rivier geven. En dan kiezen.

De straten zijn leeg. De mensen willen nergens naartoe. Alleen hier zijn. Ik open de deur, en doe het licht aan. Nu is dit hier.

Wat te doen? En wat is het goede? Kom je dichterbij of ga je verder weg als je antwoordt? De kinderen stralen, ze horen je niet.

Stel dat je traag zou dansen. Zonder alles. En elke zin netjes naast de andere zou leggen. Met alleen het licht van de maan. Wie zou er komen?

Soms is wachten genoeg. Tot alleen je adem overblijft. De volle leegte. Ze gaat vooraf aan het mededogen. En hoort bij het ochtendlicht.

Het licht kan ook verkeerd zijn. En alles wat je niet wilt zijn. Of zien. Je wordt een menigte. Terwijl je zocht naar de ingang.

Verlossing. Het is een woord dat bij dit moment past. Hoe zou het zijn dat te geloven? En wat laat je achter?

Een nieuwe dag. Met nieuw licht. Dat denk je toch. Er zijn mensen op de straat. Af en toe toch. Ze zijn op weg.

22 december 2006

Een stokje

Mijn collega en vriendin Els zei me gisteren dat ze mij een stokje zou toewerpen. Een stokje? Dat schijnt een systeem te zijn waarmee je een bepaalde vraag als was het een soort kettingbrief laat circuleren in de blog-gemeenschap. Woew. Dus gewoon door dit te doen doe ik dus aan community-vorming. En moet ik daar iets speciaals voor doen? Dat wilde ik wel weten. Ik was al erg in de war door de nakende omzetting van mijn blog naar een nieuwe versie, en nu dit ook nog…

En waarover zou dat stokje dan gaan? Over soep, zo bleek. Soep? Ja soep. Uit een recent onderzoek zou moeten blijken dat de Belg een soepeter is. Hij of zij verkiest tomatensoep met balletjes. 75% van de ondervraagden heeft liever met dan zonder balletjes. Mijn neefjes en nichtje zullen het daar zeker mee eens zijn, ook al zijn zij dan Nederlanders.

Het zogenaamde stokje is er nu op gericht bekend te maken wat de soepvoorkeur is. En dat moet dan rondgestokt worden. Daar moest ik even over nadenken.

Vanmorgen lag ik bij de tandarts. Een mens ligt namelijk bij een tandarts. Ik herinner me dat ik ooit in een of ander zelfhulpboek technieken las om een bezoek aan de tandarts beter te laten verlopen. Nu heb ik nooit angst om naar de tandarts te gaan, dus heb ik die dingen niet nodig. Maar de raad was dat je tijdens je ligbeurt alles kunt fantaseren wat je maar wilt, met of zonder de tandarts in kwestie. Dat kan tot allerlei opwindende gedachten leiden, waardoor het bezoek aan de tandarts voorbij vliegt. Daar moet ik nu elke keer aan denken als ik daar lig.

Om een of andere reden kwamen die fantasieën niet spontaan op gang deze morgen. Maar ik kon dus wel aan soep denken. En het moet gezegd: het tikt qua tijd ook lekker weg. Mijn lievelingssoep is kervelsoep. Terwijl mijn tandarts allerlei halsbrekende toeren uithaalde in mijn mond, dacht ik aan kervelsoep. Ik hou van alles dat met kervelsoep te maken heeft. Een bosje verse kervel kopen ’s morgens vroeg op de markt. De geur van de kervel terwijl je die snijdt. Pittig en soms met een toets van anijs. Die diepgroene kleur. En als de soep dan klaar is, hoe de keuken ruikt en zo. De kleine kuchjes als er stukjes kervel in je keel blijven zitten. Het hoort er allemaal bij.

Terwijl ging de hitradio op de achtergrond rustig door. Ik kwam even terug uit de kervelsoepomzwerving en hoorde Kylie Minogue. Can’t Get You Out Of My Head. En toen bedacht ik dat het denken aan voor wie je graag soep zou willen koken natuurlijk wel opwindend kan zijn. Zou ik aan Kylie Minogue ook kervelsoep serveren? Toch wel, denk ik.

Maar ik moest blijkbaar drie soepen nomineren. Op de tweede plaats denk ik aan een heldere soep van rode biet, met bovenop enkele sojascheuten. Die at ik ooit in een schitterend vegetarisch restaurant in excellent gezelschap. En op derde plaats komt ook nog de groentesoep van mijn grootmoeder. Die was voor feestelijke gebeurtenissen. Een heldere bouillon, en dan allerlei stukjes groente in minuscule blokjes gesneden. Je kon daarmee ook eerst alle blokjes opeten, en dan enkel de bouillon voor het laatst houden.

En nu moet ik dus dit soepstokje doorgeven. En dat doe ik aan Toon, Tinne en Stefan. Ik geef de soep uit handen, in het kader van het zensoepgevoel. En nu maar hopen dat dit bijdraagt aan de universele wereldvrede. Ik kijk nu al uit naar mijn volgend bezoek aan de tandarts…

21 december 2006

Wat keert


Een speciale dag vandaag. Het seizoen keert. Het is voor mij steeds een ontroerend moment: 21 december of 21 juni. Ik voel dan altijd iets in de lucht. Een soort spannende stilte. Zoals wanneer je op een schommel zit en telkens heel even in de lucht blijft hangen. Roerloos. Een heel even niet bewegen dat er alleen maar kon zijn tussen twee bewegingen. En dus eigenlijk een beweging is. Zoals de golf op het water niet te scheiden is van het water, en omgekeerd.

Het doet me soms een beetje pijn dat zo weinig mensen heel even stil lijken te staan bij deze toch wel magische momenten. Misschien denken veel mensen vandaag alleen na over de vraag of er wel genoeg sneeuw zal zijn om te skiën. Alsof er een soort universeel sneeuwrecht bestaat. “Ik heb betaald voor mijn vakantie, dus er moet sneeuw zijn.”

Verlangen en vertrouwen. Ze horen allebei bij die eeuwige beweging van de seizoenen. Je kunt verlangen naar die verandering. Wachten op het nieuwe groen dat zal komen. En vertrouwen. Dat de dingen blijven bewegen. Voor de winter is veel moed nodig. Je moet als het ware de natuur, en zo ook een stukje van jezelf, uit handen geven. Loslaten. En je weet nooit of het terug zal komen. Je kunt alleen vertrouwen.

Je zou je moeten kunnen koesteren in de seizoenen. Rustig gaan slapen, als het te warm is of te koud, in het volle besef dat wat er nu is weer zal veranderen. Een reden te meer waarom de klimaatverandering me zo onvoorstelbaar kwaad kan maken. Soms zou ik het willen uitschreeuwen, alleen weet ik niet tegen wie.

Het is iets wat vaak terugkomt in de filosofie, de tegenstelling tussen worden en zijn. De beweging, de verandering, de vergankelijkheid. Ze zouden staan tegenover een soort essentie, een zuiver en onbeweeglijk zijn. God zou dan de onbeweeglijke beweger zijn. Als ik in het bos wandel en ik ruik de bladeren in de herfst, of ik voel de boomschors in de lente, dan denk ik dat dat eindeloos worden eigenlijk het enige zijn is. In dat besef heffen die twee elkaar op. Maar dat kan natuurlijk alleen maar als je erop kunt vertrouwen dat de beweging voor altijd door zal gaan. Het zou vertrouwen moeten kunnen zijn, niet overgaan in geloven, want dat is al een stap te ver.
Vanmorgen wilde ik zo graag uitgebreid de ochtendlucht kunnen inademen. Tot diep in mijn lijf. En dan weer laten weggaan. Maar de lucht is zo vuil deze dagen. Als een spelbreker. De trein werkte wel mee. Het ligt waarschijnlijk aan die stroompost van de NMBS die eerder deze week uitbrandde, maar dat maakt niet uit. Toen de trein aan de rand van Brussel kwam, ging het licht in de wagon op half. En zodra we Schaarbeek voorbij waren, ging het licht helemaal uit. Hoe wonderlijk. Je zag de treinen in het bijna verdwijnende duister en in de mist voorbij schuiven. Alsof alles fluisterde. Het was veel mooier dan alle zich opdringende kerstverlichting die je overal ziet. Achter sommige ramen naast het spoor werden reeds de eerste ochtendlijke werkgesprekken gehouden. Achter andere zag ik mensen aan het ontbijt of zich omkledend.

Misschien zal ik vanavond de gordijnen sluiten voor een heel kleine stille dans. Met mijn handen op mijn buik. Ze zeggen dat je in een schelp de zee kunt horen. Dat is waar. Maar je kunt hem ook voelen in je buik. Het is een kwestie van oefenen.

Soms denk ik dat de seizoenen ons iets willen zeggen. En misschien is vandaag wel de beste dag om het te horen.

19 december 2006

De vingers

Zodra het over ecologie of groene politiek gaat, duiken meteen allerlei clichés op. Over dingen die niet meer zouden mogen, over ‘regelneverij’ en natuurlijk ook over het beruchte ‘vingertje’. Ik heb het er steeds moeilijker mee hoe de clichés onmiddellijk worden bovengehaald om een bepaald debat maar niet te moeten voeren. Zodra het gaat over de levensstijl of het consumptiepatroon van mensen mag er ineens niets meer gezegd worden. En vanuit moreel standpunt krijg ik het daar steeds moeilijker mee.

Veel clichés bevatten soms een grond van waarheid. Er zijn zeker groenen geweest die dachten dat je op een of andere manier moest opleggen hoe mensen zouden moeten leven. Zij gingen uit van een soms gevaarlijk ‘blauwdruk-denken’. Alsof je zou kunnen bepalen wat de ‘juiste’ levensstijl is, waarna je dat dan kunt opleggen. Iedereen zou dan op dezelfde manier leven. Brrr… Gevaarlijke onzin natuurlijk.

Er is geen enkele reden waarom we de verworvenheden van de moderniteit zouden moeten opgeven. Vrijheid en individualiteit zijn dus niet fout, integendeel. Het is enorm belangrijk dat mensen zelf in grote mate de regisseur kunnen zijn van hun eigen leven. Er zijn 101 manieren om duurzaam te leven binnen de ecologische grenzen, en geen enkele is de juiste. Maar dat wil tegelijk ook zeggen dat je vanuit een rechtvaardigheidsstandpunt ook het debat moet kunnen voeren over manier 102 die misschien in een aantal opzichten niet duurzaam is.

Vrij je leven kunnen invullen betekent niet dat er geen enkele beperking zou mogen bestaan op hoe je dat leven invult. Er bestaat niet iets als een onvervreemdbaar en universeel recht om je niets aan te hoeven trekken van de impact van wat je doet op de anderen en op de planeet. Vanuit een moreel standpunt is het onverantwoord er impliciet vanuit te gaan dat enkel twee of drie generaties zouden kunnen genieten van een model van welvaart dat niet uitbreidbaar is naar iedereen. Een recht kan er pas zijn als het universaliseerbaar is naar alle mensen die nu leven en die nog zullen leven. En eigenlijk weet iedereen dat wel. Als alle bewoners van de planeet drie auto’s zouden hebben, dan zou de planeet ontploffen. Dat is dus moreel niet aanvaardbaar. Nu kiezen voor een energievorm zoals kernenergie die het leven nog gedurende duizenden jaren belast, is moreel niet verdedigbaar. Een moreel verantwoordelijke houding bestaat erin dat we de aarde ongeschonden en heel doorgeven aan onze kinderen.

Als het gaat over dingen als de klimaatverandering, die een enorme uitdaging betekent voor een rechtvaardige ontwikkeling, dan moet je consequent zijn. Je kunt niet ontkennen dat onze concrete manier van leven mee verantwoordelijk is voor een ecologisch onrechtvaardige situatie. Er is enorme ecologische winst te maken in een verandering van ons productie- en consumptiepatroon. En als we intellectueel eerlijk zijn, dan weten we dat dat niet zal lukken door enkel maar filters te plaatsen en schone technologie te installeren. Zeggen dat enkel ‘de’ bedrijven of ‘de’ overheid dit maar moet oplossen is al evenmin juist. Omdat sommige zaken extreem gevoelig liggen, en een hoge symbolische waarde hebben, zijn ze nog niet minder relevant. Ik begrijp volkomen dat het heel erg gevoelig ligt om over b.v. het autoverkeer te praten, maar als we tot een duurzaam niveau van CO2-uitstoot willen komen, dan zullen we erover moeten praten. En dan kunnen we het niet oplossen met enkel maar schone technologie, ook niet als die door een sterke overheid wordt opgelegd, en als de bedrijven daar maximaal in participeren. Op een of andere manier zal het totaal aantal autoverplaatsingen dat we met zijn allen samen maken moeten dalen, er is geen andere weg denkbaar. Hoe je dat doet, en hoe je dat organiseert, daarover kunnen nog eindeloos veel mogelijkheden bestaan.

Het stoort me evenwel dat elke discussie die betrekking heeft op levensstijl onmiddellijk wordt geblokkeerd door de stelling dat je niet mag ‘moraliseren’. Op den duur zijn we zo bang voor elke vorm van moralisering dat we geen morele vragen meer durven stellen, en dat kan ertoe leiden dat we immoreel worden.

Het moet toch mogelijk zijn dat we rustig nadenken over een vorm van welvaart die niet meer gelijkstaat met ‘steeds meer’. Als welvaart alleen betekent steeds meer consumeren, steeds meer energie verbruiken, steeds meer grondstoffen verbruiken, dan is dat immoreel. Het is immers een vorm van welvaart die nooit aan iedereen kan gegarandeerd worden. Mijn individuele vrijheid leidt dan rechtstreeks tot minder vrijheid voor een ander. Mijn ‘recht’ op vrijheid leidt dan tot onrecht voor een ander, en is dus niet te verantwoorden.

Een morele vraag stellen naar de inhoud van het begrip welvaart mag niet afgedaan worden met een gemakkelijke dooddoener als: “Daar is het vingertje weer…” Dat veel mensen vinden dat op geen enkele manier mag gepraat of geraakt worden aan hun levensstijl, hoe belastend die ook is voor de planeet, is eigenlijk niet veel meer dan egoïsme. Je kunt het ingewikkelder omschrijven, maar daar komt het op neer.

Een leven binnen de ecologische grenzen kan zo ongelooflijk rijk, uitdagend, opwindend en warm zijn. Dat je dingen koopt en gebruikt die geen onrecht veroorzaken geeft toch een goed gevoel, of niet soms. Dat je weet dat jouw kinderen nog zuivere lucht en gezonde bomen zullen hebben, maakt je toch gelukkig. Misschien wel veel gelukkiger dan de permanente staat van gejaagdheid waartoe de consumptiemaatschappij ons aanzet. Dat permanent najagen van steeds meer leidt tot stress en depressies, tot afgunst en tot grotere tweedeling tussen rijk en arm. Het moet toch mogelijk zijn op moreel verantwoorde wijze in het leven te staan. Het geluk dat je daarin kunt vinden zal zeker groter zijn dan de onvrede die zovelen vandaag voelen.

17 december 2006

Het falen


Het leven is een reeks onderbrekingen van de echt belangrijke dingen. Dat is een manier om naar de dingen te kijken. Soms voelt het ook als een soort permanent falen. De voorbije week was zo’n week. Een zeer beperkte bloemlezing.

Te weinig tijd of kansen hebben om met je naasten te zijn. De verhalen die moeten verteld worden, worden nooit helemaal verteld. Je zou ze willen horen, rustig, en allemaal tot het einde. Maar het lukt niet. Je zou bij die vriendin willen zijn wiens schoonzus plots gestorven is. Maar het lukt niet, en als je dan kunt bellen is ze steeds niet thuis. Je zou elke avond rustig willen kunnen bellen naar iedereen. Al was het maar omdat er nog enkele dagen zijn om je goede voornemens voor 2006 alsnog te halen. Maar ofwel moet je steeds weg, ofwel wil je even alleen maar niets.

Op het werk zou je graag zoveel. Je zou eindelijk eens een dag willen kunnen doorwerken. Om het te kunnen heb je ook de tijd en een leeg hoofd annex bureau nodig. Maar de hele tijd ben je alleen maar bezig met kun-je-dit-nog-even-doen-klusjes. Het enige gevoel dat je daaraan overhoudt is er een van heb-ik-nu-eigenlijk-wel-iets-gedaan-vandaag. Je ziet de week voorbij gaan. En al die dingen die je wilde afwerken voor de kerstvakantie dreigen steeds meer in die kerstvakantie terecht te gaan komen.

Je moet naar een internetbedrijf bellen om iets te regelen. Diegene die het je gevraagd heeft, zegt dat het poepsimpel is: gewoon je contactgegevens per telefoon doorgeven, dat is alles. Voor alle zekerheid ga je toch maar even eerst op de website van dat bedrijf kijken om je voor te bereiden op alle scenario’s. Je voelt je al preventief dom. Van wat er op die site staat, begrijp je werkelijk niets. En dan bellen. Eerst kom je in zo’n automatische centrale terecht waarin je toets 1 of 2 moet duwen om zo bij de juiste persoon terecht te komen. De mevrouw legt het meteen uit. Nee hoor, via de telefoon gaat dat niet. Je moet een formulier invullen en dat faxen. Ze heeft het nu even niet bij de hand. Maar je kunt het altijd downloaden van die site. Nadat je op die site de afdeling ‘formulieren’ hebt gevonden, is het nog steeds onduidelijk. Maar goed. Ingevuld en doorgefaxt. En dan maar hopen dat er niet binnen de vijf minuten zal worden teruggebeld door diezelfde mevrouw die zal zeggen dat alles verkeerd ingevuld is…

Je gaat naar een voorstelling. Door allerlei toestanden zit je daar alleen, terwijl je twee kaarten hebt. Waarom dan toch die twee kaarten meenemen? Zit dat dan beter? Had je toch niet wat meer moeite kunnen doen om nog iemand te zoeken om mee te gaan? Zou iemand dat zien, zo’n lege plaats?

Je zit in de trein. Lekker de krant te lezen. Rustig nadenken over alle belangrijke wereldproblemen. En dan hoor je achter je twee mensen die heel uitvoerig ingaan op alle films van de Japanse regisseur Kurosawa. Met alle details over de acteurs en de thema’s en ook algemene beoordelingen op het niveau van “schitterend”, bij elke film. Wanneer hebben die mensen al die dingen gezien? Hoe doen ze dat?

’s Avonds in bed lig je te rekenen wanneer je de volgende dag moet opstaan. De studiedag begint om tien uur. En voordien zou er nog heel wat moeten gebeuren. Opstaan en douchen. De was naar het wassalon brengen. Daarna weekendboodschappen doen. Nog even op zoek naar een kurkentrekker want bij die vergadering die avond willen de mensen wijn drinken. Nog snel even proberen die CD te vinden die je zou willen geven aan die nieuwe ouders, nadat de CD die je eerder kocht al in hun bezit bleek. Ook nog even melk kopen, want op die vergadering willen mensen misschien ook koffie drinken. Terwijl je in de buurtwinkel staat, bedenk je dat die man aan de andere kant zich wel zal afvragen waarom je daar niet meer in de winkel komt. En je koopt toch maar iets meer. En je moet ook nog boterhammetjes maken, want die broodjes, dat is maar niks. En de batterijen van je digitale camera zijn ook nog niet helemaal opgeladen.

Je ziet op de televisie dat je in je gsm een ICE-nummer zou moeten programmeren. ICE is “in case of emergency”. Maar hoe moet dat dan? Als je naast alle andere nummers ook een ICE 1 programmeert, zal de gsm het nummer van die persoon niet meer onmiddellijk benoemen met de bijpassende naam, want het nummer zit er ondertussen tweemaal in. En je wilt toch niet dat die persoon vanaf nu alleen ICE 1 zou heten. Gelukkig blijkt dat je collega met hetzelfde probleem zit…

Die avond krijg je bezoek. Dus nog snel in een noodtempo gaan opruimen en poetsen in het huis. Terwijl je bezig bent, denk je aan die plekken waar je onlangs op bezoek was en waar het nog rommeliger was. Oef! Maar evenzeer besef je met elk plekje dat je doet, dat er nog 99 andere zullen overblijven die je niet kunt doen. Horror. Stel je voor dat er hier straks ineens twee mevrouwen van zo’n gruwelijk opruimprogramma op TV voor je deur staan? Hoe doen al die anderen (waarschijnlijk normale) mensen dat?

En dan zwijg ik nog over dingen als: weekendkranten die te weinig gelezen zijn, boeken die schreeuwen om gelezen te worden, te weinig origineel zijn in het koken als je te laat thuiskomt van het werk, lakens die dringend moeten verschoond worden, een cd die je kocht en die je nog steeds niet helemaal goed hebt kunnen beluisteren, moeten beslissen over je tanden waar er ofwel een implantaat ofwel een brug ofwel helemaal niets komt, een laptop die ineens niet meer werkt en alle schrikbeelden die daarmee samenhangen, vast zitten in een stroom mensen op weg naar de kerstmarkt, mensen op straat zien met zo’n stomme kerstmuts op en je afvragen of jij oud bent of zij onnozel, een bos snoeihout vol dorens die je met veel moeite voor je voordeur kreeg en die niet opgehaald blijkt te zijn door de stadsdiensten, je zorgen maken dat het al te lang geleden is dat je nog eens een ernstig stuk over de grote wereldproblemen schreef voor je blog en nog veel meer.

Gelukkig is het licht buiten zo mooi en lachen de kinderen die net voorbij fietsen naar mij. Tijd voor een nieuwe schitterende week.