Er moet iets gebroken zijn, daar in de aarde. Een beving die meer dan 200 jaar op zich liet wachten. De fatale krachten verzamelden zich tot op het moment waarop het fout ging.
Het zit al de hele dag in mijn hoofd. De weinige beelden en geluiden die er tot nu toe zijn. Een vrouw ziet de grote stofwolk van de naschokken en roept dat de wereld vergaat. Zo moet het geweest zijn, een wereld die vergaat.
Je zou iets met grote woorden willen zeggen. Over hoe onrechtvaardig het lot is. Dat wie al zo getroffen is door een geschiedenis van ellende en armoede nu ook nog eens dit moet meemaken. Was er maar iets of iemand waarop je kwaad zou kunnen zijn voor zoveel onrecht, iets of iemand die je zou kunnen aanroepen. Maar de woorden kloppen niet, en wat je ermee zou willen zeggen ook al niet. Je zegt het dan maar niet, maar iets denkt het wel.
Iets is gebroken, en er blijft alleen pijn over. Ze is tot hier te voelen.
Er is zo weinig te doen, denk je. Misschien lijkt het voor wie daar is dat de rest van de wereld gewoon doordraait. Misschien is er alleen verlatenheid. En je zou willen dat iemand daar zou merken dat je iets van het verdriet probeert op je schouders te nemen. Hoe onbetekenend dat ook is. Je geeft ook iets waarmee anderen kunnen helpen en herstellen. Maar nu zou je willen dat alleen al maar iets van de pijn zou kunnen weggenomen worden, nu. Waar komt de schaamte vandaan die je voelt?
Er zijn mensen onderweg, zeg je tegen jezelf. Ze kunnen nog iets doen, hoop je.
Er is geen daar en geen hier. Het leed is even dichtbij.
Zou je je kunnen oefenen in voelen? In niet terugtrekken? Tot je alleen nog verbonden bent met de rest van de oceaan. En zou je dan rustiger slapen?
En al het andere, al die andere dagen? Heb je genoeg geprobeerd?
Ooit zei iemand dat je verdriet door je heen kunt laten stromen. Je voelt het wel, maar je probeert het niet vast te houden. Je hoeft het niet weg te duwen, integendeel. Je huid genoeg open houden voor alles wat stroomt. Misschien moet je af en toe in die spiegel kijken. En zou het dan een beetje goed kunnen zijn.
Je weet het nooit zeker, en misschien is dat goed genoeg.
Er is iets gebroken. Niemand weet of het nog terug hersteld kan worden. Waarom denk je dat? De wereld draait door, zegt iemand. Het zal komen en gaan. Misschien is dat het enige wat blijft. Misschien is wat uitzonderlijk lijkt het gewone. Misschien is wat hier en normaal lijkt het andere.
Oefenen in raakbaarheid is misschien een goede vorm van zacht falen.
13 januari 2010
10 januari 2010
Sporen

‘Het is goed dat je me meegenomen hebt, ik wilde daar eigenlijk niet meer blijven.’
‘Ik zag het aan je.’
‘Wilde je me nog iets zeggen?’
‘Misschien nog veel, het geeft niet. We zijn nu toch onderweg, en we hebben nog alle tijd. Ben je ondertussen trouwens al opgewarmd?’
‘Ja hoor, ik kan er weer even tegen, en anders zoeken we wel een oplossing.’
‘Het landschap is nu wel heel bijzonder, vind je niet? Ik kan eindeloos blijven kijken naar die sporen, en hoe ze net boven de sneeuw uitkomen. Als je zo kijkt, zie je een volledig witte vlakte, met enkel die zwarte lijnen in. Het heeft iets geruststellends. De sporen weten nog waar ze naartoe gaan. Die sneeuw is er zo van opzij tegenaan gewaaid. Het heeft iets sensueels zelfs. Maar op sommige plekken kruipt de sneeuw aarzelend over het spoor, naar de sneeuw aan de andere kant. Daar is het spoor zichzelf even kwijt.’
‘Soms denk ik dat de sneeuw het landschap onschuldig maakt. Zo lang het duurt. Heel even kun je het geloven. Dat het bijna maagdelijk is zelfs. Dat er geen pijn of vergeten in de grond getrokken is. Je weet dat het een verhulling is, en toch zou je het willen geloven, voor dat even.’
‘Er is iets met je ogen.’
‘Wat dan?’
‘Soms, als je praat, lijk je soms hard, bijna cynisch. Maar je ogen volgen je niet op zo’n moment. En nu zie ik het nog beter.’
‘Zou er nog hoop zijn dan, denk je?’
‘Ja, er is altijd hoop, zeker voor jou.’
‘Ja ja, dat zal wel.’
‘Vertel nog eens iets. Misschien wilde ik dat wel zeggen.’
‘Als ik ver weg ben, ga ik soms ’s nachts naar buiten, om naar de maan te kijken. En dan beeld ik me in dat er ergens op dat moment ook iemand is opgestaan, iemand die ik ken, om naar de maan te kijken.’
‘Wil je dan ook weten wie dat is?’
‘Nee, eigenlijk niet. Ik hoop dat hij of zij het me vertelt later, hoewel het ook niet zo erg is als dat niet gebeurt. Zo kan ik altijd zeker zijn dat er iemand is die ook keek, iemand die het me nog niet gezegd heeft.’
‘Maakt het je dan minder eenzaam op dat moment?’
‘Ja.’
‘Ik zal het onthouden.’
‘Ga je het me dan ook zeggen als je gekeken hebt?’
‘Dat weet ik nog niet. Wacht maar af.’
‘Doe het maar, dat zou ik goed vinden.’
‘Voel je je nooit als een nomade? Altijd onderweg, nooit ergens thuis?’
‘Moeilijke vraag. Soms wil ik het wel, dat gevoel. Het is gemakkelijker, op een of andere manier.’
‘Word je onrustig als je te lang op dezelfde plek blijft?’
‘Ja, uiteindelijk wel. Jij niet dan?’
‘Ik denk dat ik probeer om heel lang op eenzelfde plek te blijven om te wachten op een gevoel van thuis.’
‘Heb je dat nodig dan?’
‘Ik denk dat ik er wel naar verlang.’
‘Dat klinkt alsof je weet dat je het nooit zult bereiken.’
‘Ik denk dat het zo is. Maar ondertussen blijf ik wel wachten.’
‘Misschien is jouw thuis wel in je woorden, in wat je schrijft.’
‘Soms denk ik dat schrijven een oefening in aandacht is. Misschien ga ik zo de dingen wel zien zoals ze zijn, waardoor het ook gemakkelijker is om er te blijven.’
‘Je bent zo anders dan ik ben, maar ik heb de hele tijd het gevoel dat we hetzelfde zoeken.’
‘Misschien is dat wel zo. Ik heb ook wel dat gevoel.’
‘Vind je echt dat ik cynisch ben? Je zei het vanmiddag ook al.’
‘Je klonk wel zo, eerlijk gezegd. En het past niet bij je.’
‘Misschien moet ik wel in de sneeuw gaan liggen voor een tijd, naast de sporen. Tot ik bijna helemaal ondergesneeuwd bent, en je enkel nog die delen van mij ziet die net boven de sneeuw uitkomen.’
‘Ik zal je op tijd komen uitgraven.’
‘Dat is goed, net op tijd, zeker niet te vroeg, dat zou niet goed zijn.’
‘En dan zul je weer koude handen hebben.’
‘Ja, dat zou kunnen, en dan moet jij me maar een beetje helpen.’
‘Kijk, we zijn er bijna.’
‘Ja, ik zie het.’
‘Wat is er?’
‘Zou je me niet wat willen komen helpen bij het koken?’
‘Waarom? Zie je het niet zitten?’
‘Ik denk dat ik nu gewoon niet alleen wil eten.’
‘Het is goed, ik ga wel mee.’
‘Ik zag het aan je.’
‘Wilde je me nog iets zeggen?’
‘Misschien nog veel, het geeft niet. We zijn nu toch onderweg, en we hebben nog alle tijd. Ben je ondertussen trouwens al opgewarmd?’
‘Ja hoor, ik kan er weer even tegen, en anders zoeken we wel een oplossing.’
‘Het landschap is nu wel heel bijzonder, vind je niet? Ik kan eindeloos blijven kijken naar die sporen, en hoe ze net boven de sneeuw uitkomen. Als je zo kijkt, zie je een volledig witte vlakte, met enkel die zwarte lijnen in. Het heeft iets geruststellends. De sporen weten nog waar ze naartoe gaan. Die sneeuw is er zo van opzij tegenaan gewaaid. Het heeft iets sensueels zelfs. Maar op sommige plekken kruipt de sneeuw aarzelend over het spoor, naar de sneeuw aan de andere kant. Daar is het spoor zichzelf even kwijt.’
‘Soms denk ik dat de sneeuw het landschap onschuldig maakt. Zo lang het duurt. Heel even kun je het geloven. Dat het bijna maagdelijk is zelfs. Dat er geen pijn of vergeten in de grond getrokken is. Je weet dat het een verhulling is, en toch zou je het willen geloven, voor dat even.’
‘Er is iets met je ogen.’
‘Wat dan?’
‘Soms, als je praat, lijk je soms hard, bijna cynisch. Maar je ogen volgen je niet op zo’n moment. En nu zie ik het nog beter.’
‘Zou er nog hoop zijn dan, denk je?’
‘Ja, er is altijd hoop, zeker voor jou.’
‘Ja ja, dat zal wel.’
‘Vertel nog eens iets. Misschien wilde ik dat wel zeggen.’
‘Als ik ver weg ben, ga ik soms ’s nachts naar buiten, om naar de maan te kijken. En dan beeld ik me in dat er ergens op dat moment ook iemand is opgestaan, iemand die ik ken, om naar de maan te kijken.’
‘Wil je dan ook weten wie dat is?’
‘Nee, eigenlijk niet. Ik hoop dat hij of zij het me vertelt later, hoewel het ook niet zo erg is als dat niet gebeurt. Zo kan ik altijd zeker zijn dat er iemand is die ook keek, iemand die het me nog niet gezegd heeft.’
‘Maakt het je dan minder eenzaam op dat moment?’
‘Ja.’
‘Ik zal het onthouden.’
‘Ga je het me dan ook zeggen als je gekeken hebt?’
‘Dat weet ik nog niet. Wacht maar af.’
‘Doe het maar, dat zou ik goed vinden.’
‘Voel je je nooit als een nomade? Altijd onderweg, nooit ergens thuis?’
‘Moeilijke vraag. Soms wil ik het wel, dat gevoel. Het is gemakkelijker, op een of andere manier.’
‘Word je onrustig als je te lang op dezelfde plek blijft?’
‘Ja, uiteindelijk wel. Jij niet dan?’
‘Ik denk dat ik probeer om heel lang op eenzelfde plek te blijven om te wachten op een gevoel van thuis.’
‘Heb je dat nodig dan?’
‘Ik denk dat ik er wel naar verlang.’
‘Dat klinkt alsof je weet dat je het nooit zult bereiken.’
‘Ik denk dat het zo is. Maar ondertussen blijf ik wel wachten.’
‘Misschien is jouw thuis wel in je woorden, in wat je schrijft.’
‘Soms denk ik dat schrijven een oefening in aandacht is. Misschien ga ik zo de dingen wel zien zoals ze zijn, waardoor het ook gemakkelijker is om er te blijven.’
‘Je bent zo anders dan ik ben, maar ik heb de hele tijd het gevoel dat we hetzelfde zoeken.’
‘Misschien is dat wel zo. Ik heb ook wel dat gevoel.’
‘Vind je echt dat ik cynisch ben? Je zei het vanmiddag ook al.’
‘Je klonk wel zo, eerlijk gezegd. En het past niet bij je.’
‘Misschien moet ik wel in de sneeuw gaan liggen voor een tijd, naast de sporen. Tot ik bijna helemaal ondergesneeuwd bent, en je enkel nog die delen van mij ziet die net boven de sneeuw uitkomen.’
‘Ik zal je op tijd komen uitgraven.’
‘Dat is goed, net op tijd, zeker niet te vroeg, dat zou niet goed zijn.’
‘En dan zul je weer koude handen hebben.’
‘Ja, dat zou kunnen, en dan moet jij me maar een beetje helpen.’
‘Kijk, we zijn er bijna.’
‘Ja, ik zie het.’
‘Wat is er?’
‘Zou je me niet wat willen komen helpen bij het koken?’
‘Waarom? Zie je het niet zitten?’
‘Ik denk dat ik nu gewoon niet alleen wil eten.’
‘Het is goed, ik ga wel mee.’
09 januari 2010
Yvonne
Ze sprak me aan in de Inno. Wat is dat toch met de Inno, dacht ik nog. Komen de verhalen hier dan zomaar uit de lucht vallen? Yvonne, dat was haar naam. Ze kwam op me af. Zoals gewoonlijk keek ik even achterom, denkend dat men altijd wel op zoek zal zijn naar iemand anders. Nee nee, ik moet u hebben, zei ze. Hoezo hebben, wilde ik al vragen, maar ik deed het maar niet.
Yvonne zag er een beetje verlegen uit. Ze zei me dat ze mijn verhaal over Sonja had gelezen. Dat had ook iets met de Inno te maken, en dus vermoedde ze dat ik daar af en toe wel langs zou komen. Ik moest haar meteen teleurstellen, qua frequentie van mijn bezoeken. Hoeveel sok mag er overblijven in verhouding tot de hoeveelheid lege ruimte (ook wel als gat omschreven) in die sok om nog van een sok te kunnen spreken? Dat is de vraag die invloed heeft op mijn zeer uitzonderlijke aanwezigheid in deze magazijnen. Daar kon ze zich iets bij voorstellen, zei ze.
Zo stonden we daar, tussen de sokken. Ze bloosde nog een beetje, maar begon te vertellen. Ze had zich voorgenomen dat 2010 het jaar van de grote veranderingen zou worden, en daar wilde ze met iemand over praten. Ze werkte zelf ook in een winkel, waar ze wel de hele tijd veel mensen zag, maar die hadden nooit tijd voor een babbel. En ’s avonds zat ze altijd alleen thuis, met een stapeltje dvd’s, een boek of VijfTV. Telkens met een voorkeur voor de lichte romantiek. Niet de grote drama’s, maar wel het licht verstorende gezwijmel dat tot lokale warmteveroorzaking kan leiden.
En nu had ze zich voorgenomen dat er iets groots zou moeten gebeuren. Ze zou het maar meteen zeggen zoals het was. Ze dacht eraan ofwel in te treden in een slotklooster, ofwel voluit te gaan voor een carrière als topmodel, ofwel zich geheel te storten op de studie van de moleculaire celbiologie. En nu wilde ze weten welke optie ze volgens mij best kon nemen. Mannen die al oud zijn, en er verder nog ouder uitzien en tevens van het kaalhoofdige type zijn, daarvan dacht ze dat die in het bezit zijn van grote wijsheid. Voorwaar een erg gewaagde stelling.
Ik probeerde nog wat tijd te winnen, door te vragen wat haar dan wel aantrok in die drie opties. Ergens volledig voor gaan, dat was het, de totale overgave. Het had dus ook chocoladeconsulent of cactusoloog kunnen geworden zijn, vroeg ik nog. Waarop ze me aankeek met een blik van ‘daaahhh’. Inderdaad dus, het had ook gekund. Maar het was niet zo.
Dat ik toch nog een beetje twijfelde, zei ik nog. Een slotklooster, het laat me altijd wat in dubio. De grote meditatieve verstilling is natuurlijk erg mooi en ontroerend. Misschien gebeurt daar wel wat wij, simpele aardse zielen, niet aandurven. En toch, het lijkt soms zo’n zonde – hoewel dat woord niet helemaal toepasselijk was – van het talent. Fantastische mensen moeten toch gewoon los, in de reële wereld rondlopen, zodat ze kunnen worden gezien door zoekers zoals wij. Een topmodel, het kon natuurlijk ook. Yvonne zag er niet onaantrekkelijk uit, om het neutraal te zeggen. Ze had mooie wenkbrauwen, van het licht strenge type. En er waren ongetwijfeld nog allerlei andere fijne plekken op haar lichaam die zich zo in de camera zouden zuigen. Maar toch, ik zag meteen de eindeloze leegte voor me, weliswaar van een heel andere orde dan in het slotklooster, waarin Yvonne terecht zou kunnen komen. En dat zou ook zonde zijn natuurlijk. Waardoor nog de moleculaire celbiologie overbleef. Eerder op de week had ik nog een druk telefoongesprek kunnen horen op de trein. Een man die naast me zat, begon allerlei ingewikkelde dingen uit te leggen. Het lag niet alleen aan zijn accent dat het moeilijk leek, stelde ik vast. Tot ik op zijn schoot een dik boek over moleculaire celbiologie zag liggen en alles meteen duidelijk werd. Ik was toch ook niet geheel overtuigd dat dit de juiste weg was voor Yvonne.
Of ze niet alles een beetje kon doen, vroeg ik. Vanwaar die nood aan zo’n grote verandering? Kon ze de dingen niet gewoon rustig laten rijpen, en seizoensgewijs in elkaar laten overgaan? Mooie vrouwen worden mooier met de jaren, zei ik. Spirituele diepgang, kennis over de bouwstenen van het leven, het doet iets met je ogen, en ook met je lichaamshouding. En door dat alles een beetje kleiner dan groot te doen, zou ze ook bereikbaar en aanspreekbaar blijven voor gewone mensen, al dan niet met een kale kop. En zo zou ze ook kunnen verdwijnen en weer opduiken in de dromen van al die mensen. Welke dromen, vroeg ze? Die van een vroege ochtend, zei ik, wanneer je traag uit je dromen de dag in stapt, en zelf het verloop van al die dromen kunt sturen. Zodat er toch een sluier van romantiek over je dag blijft hangen. Of dat mij al eens was overkomen, zo’n sluier, wilde ze weten. Waarop ik alleen maar bevestigend kon antwoorden. En of die ook bleef als je in de Inno aan de sokken stond. Andermaal moest ik bevestigen.
Ze keek me lang aan, gaf me ineens een kus, en draaide zich om. Weg was ze. Ik bleef alleen achter. Aan de kassa stond ik daarna nog een tijdje wezenloos te wachten. Er was geen Innomevrouw te bespeuren. Tot er ineens een aan kwam. “Staat u hier te wachten? Zijn ze u al aan het helpen? Nee? Kom maar bij mij hier, aan mijn kassa, dan zal ik u snel helpen.” We lachten naar elkaar. En daarna stapte ik, met mijn nieuwe sokken, de sneeuw in.
Yvonne zag er een beetje verlegen uit. Ze zei me dat ze mijn verhaal over Sonja had gelezen. Dat had ook iets met de Inno te maken, en dus vermoedde ze dat ik daar af en toe wel langs zou komen. Ik moest haar meteen teleurstellen, qua frequentie van mijn bezoeken. Hoeveel sok mag er overblijven in verhouding tot de hoeveelheid lege ruimte (ook wel als gat omschreven) in die sok om nog van een sok te kunnen spreken? Dat is de vraag die invloed heeft op mijn zeer uitzonderlijke aanwezigheid in deze magazijnen. Daar kon ze zich iets bij voorstellen, zei ze.
Zo stonden we daar, tussen de sokken. Ze bloosde nog een beetje, maar begon te vertellen. Ze had zich voorgenomen dat 2010 het jaar van de grote veranderingen zou worden, en daar wilde ze met iemand over praten. Ze werkte zelf ook in een winkel, waar ze wel de hele tijd veel mensen zag, maar die hadden nooit tijd voor een babbel. En ’s avonds zat ze altijd alleen thuis, met een stapeltje dvd’s, een boek of VijfTV. Telkens met een voorkeur voor de lichte romantiek. Niet de grote drama’s, maar wel het licht verstorende gezwijmel dat tot lokale warmteveroorzaking kan leiden.
En nu had ze zich voorgenomen dat er iets groots zou moeten gebeuren. Ze zou het maar meteen zeggen zoals het was. Ze dacht eraan ofwel in te treden in een slotklooster, ofwel voluit te gaan voor een carrière als topmodel, ofwel zich geheel te storten op de studie van de moleculaire celbiologie. En nu wilde ze weten welke optie ze volgens mij best kon nemen. Mannen die al oud zijn, en er verder nog ouder uitzien en tevens van het kaalhoofdige type zijn, daarvan dacht ze dat die in het bezit zijn van grote wijsheid. Voorwaar een erg gewaagde stelling.
Ik probeerde nog wat tijd te winnen, door te vragen wat haar dan wel aantrok in die drie opties. Ergens volledig voor gaan, dat was het, de totale overgave. Het had dus ook chocoladeconsulent of cactusoloog kunnen geworden zijn, vroeg ik nog. Waarop ze me aankeek met een blik van ‘daaahhh’. Inderdaad dus, het had ook gekund. Maar het was niet zo.
Dat ik toch nog een beetje twijfelde, zei ik nog. Een slotklooster, het laat me altijd wat in dubio. De grote meditatieve verstilling is natuurlijk erg mooi en ontroerend. Misschien gebeurt daar wel wat wij, simpele aardse zielen, niet aandurven. En toch, het lijkt soms zo’n zonde – hoewel dat woord niet helemaal toepasselijk was – van het talent. Fantastische mensen moeten toch gewoon los, in de reële wereld rondlopen, zodat ze kunnen worden gezien door zoekers zoals wij. Een topmodel, het kon natuurlijk ook. Yvonne zag er niet onaantrekkelijk uit, om het neutraal te zeggen. Ze had mooie wenkbrauwen, van het licht strenge type. En er waren ongetwijfeld nog allerlei andere fijne plekken op haar lichaam die zich zo in de camera zouden zuigen. Maar toch, ik zag meteen de eindeloze leegte voor me, weliswaar van een heel andere orde dan in het slotklooster, waarin Yvonne terecht zou kunnen komen. En dat zou ook zonde zijn natuurlijk. Waardoor nog de moleculaire celbiologie overbleef. Eerder op de week had ik nog een druk telefoongesprek kunnen horen op de trein. Een man die naast me zat, begon allerlei ingewikkelde dingen uit te leggen. Het lag niet alleen aan zijn accent dat het moeilijk leek, stelde ik vast. Tot ik op zijn schoot een dik boek over moleculaire celbiologie zag liggen en alles meteen duidelijk werd. Ik was toch ook niet geheel overtuigd dat dit de juiste weg was voor Yvonne.
Of ze niet alles een beetje kon doen, vroeg ik. Vanwaar die nood aan zo’n grote verandering? Kon ze de dingen niet gewoon rustig laten rijpen, en seizoensgewijs in elkaar laten overgaan? Mooie vrouwen worden mooier met de jaren, zei ik. Spirituele diepgang, kennis over de bouwstenen van het leven, het doet iets met je ogen, en ook met je lichaamshouding. En door dat alles een beetje kleiner dan groot te doen, zou ze ook bereikbaar en aanspreekbaar blijven voor gewone mensen, al dan niet met een kale kop. En zo zou ze ook kunnen verdwijnen en weer opduiken in de dromen van al die mensen. Welke dromen, vroeg ze? Die van een vroege ochtend, zei ik, wanneer je traag uit je dromen de dag in stapt, en zelf het verloop van al die dromen kunt sturen. Zodat er toch een sluier van romantiek over je dag blijft hangen. Of dat mij al eens was overkomen, zo’n sluier, wilde ze weten. Waarop ik alleen maar bevestigend kon antwoorden. En of die ook bleef als je in de Inno aan de sokken stond. Andermaal moest ik bevestigen.
Ze keek me lang aan, gaf me ineens een kus, en draaide zich om. Weg was ze. Ik bleef alleen achter. Aan de kassa stond ik daarna nog een tijdje wezenloos te wachten. Er was geen Innomevrouw te bespeuren. Tot er ineens een aan kwam. “Staat u hier te wachten? Zijn ze u al aan het helpen? Nee? Kom maar bij mij hier, aan mijn kassa, dan zal ik u snel helpen.” We lachten naar elkaar. En daarna stapte ik, met mijn nieuwe sokken, de sneeuw in.
07 januari 2010
Wayfaring Stranger
Je houdt in de winkel de deur open voor de vrouw die net achter je loopt. Ze lacht een beetje verlegen en kijkt onmiddellijk weer weg. Je schuift een bank op in de trein, zodat die drie vrouwen bij elkaar kunnen zitten om bij te kletsen. Ze zijn blij en tateren de hele rit luid lachend door. Je houdt de borstel even opzij op het voetpad, zodat de zwarte man voorbij kan. Hij knikt en bedankt je. Je kijkt naar de poetsmevrouw die altijd hier koffie komt halen. Ze lacht en gaat bij het tafeltje in de gang zitten. Je maakt een grapje met de mevrouw aan de kassa. Haar gelaat klaart helemaal op.
Er is iets in dat ene moment. Alsof je het zomaar krijgt. Uit het niets. Alsof het op je wachtte.
En eigenlijk zou je het telkens willen vragen, soms toch. Waar ga je naartoe? Aan wie denk je? Wat heeft je pijn gedaan waardoor je ogen zo triest lijken? Wat zijn je dromen voor dit leven? Wat heb je gedroomd voorbije nacht en was het mooi?
Soms kies je ervoor. Om die dag heel voorzichtig de verhalen aan te raken. Om te zien wat er zal gebeuren. Ze zijn zo dichtbij.
Soms helpt het tegen het falen. Alles waar je tekortschoot. Waar je een ander raakte en het anders had gewild. En hoe je het probeert te helen door de verhalen.
Soms verlang je alleen maar naar zacht. Naar de juiste woorden.
Soms denk je heel even dat je je verontwaardiging kwijt bent, en dat je ergens onderweg moe geworden bent. Tot je dankbaar beseft dat het om de woorden gaat die dag. Dat je niet wilt dat sommige woorden te gemakkelijk gebruikt worden. Dat je zou willen dat er erg behoedzaam, met veel schroom omheen de woorden wordt gegaan, zodat wat daarbinnen stroomt naakt genoeg kan overblijven.
Je hoort een ander vragen of er iets is. Nee, er is niets. Misschien is er zelfs nog niet niets genoeg, denk je heel even. Het glijdt rustig weer weg.
Oefenen in aandacht. In kleine bewegingen. Daar waar je die normaal niet verwacht. En zien wat er dan gebeurt.
Soms is het je lichaam. Je weet wat er nodig zou kunnen zijn. En je kijkt toe.
Soms verwacht je dat er iets zal gebeuren. Je weet dat een stem in jouw richting zal komen. En dan gebeurt het ook.
Je kijkt traag naar de mooie woorden op de kaartjes. Je raakt ze aan. Ze sijpelen rustig binnen in je glimlach. Ze vullen het huis.
Je luistert telkens opnieuw naar dat ene nummer. In verschillende uitvoeringen. Er is een plek daar, waar je graag zou willen zijn.
Je buigt voorzichtig bij het einde van de dag. Je zou het ook niet kunnen doen. Je zou het kunnen laten voorbijgaan. Of je zou dankbaar kunnen zijn, voor weer een dag extra. Misschien gaat het doen vooraf aan het voelen. Als was het een ritueel.
En later, in de nacht al, in een koude kamer. Je doet de oefeningen, zoals elke dag. Het helpt soms, om aan sommige dingen trouw te blijven.
03 januari 2010
Breien
Er is een nieuwe verbinding om het hoge noorden te bezoeken. Een trein die verder rijdt. En een nieuwe bus. Waardoor er voor dezelfde rit meer tijd in de trein kan worden doorgebracht. Meer boekentijd dus. Er moet iets in de lucht zitten. De jonge vrouw voor me in de bus op de terugweg neemt rustig haar breiwerkje en begint te breien. Tot we bijna aan de plek zijn waar de trein nu begint. De bus laveert door het besneeuwde landschap. Het is lekker warm in de trein. Overstappen in het grote station. De andere trein heeft een koude wagon. Dit keer toch maar niet blijven zitten. Een warmere opzoeken. Die dan nadien het nadeel van een niet sluitende buitendeur blijkt te hebben, waardoor het geluidssignaal de hele rit door zal klinken. Een jonge vrouw komt uit de koude wagon over en gaat op de bank naast me zitten. En ze neemt haar breiwerkje uit haar tas, en begint rustig te breien. Dit moet een teken zijn, van iets. Het is alsof iemand me zegt dat vandaag alles goed zal komen. Vandaag komt de wereld nog niet ten einde.
Enkele dagen eerder. Door de nacht naar huis fietsen. Al in het nieuwe jaar. De wind is altijd goed op deze terugweg. Dat is een troost. Het is de nacht van de blauwe maan. Alsof er een wijsheid te vinden is die alleen op dit moment op me wacht. Die zich enkel nu zal openen. Ze fluistert me toe, terwijl het landschap voorbij schuift.
Soms moet je wachten. Tot de onrust in je lichaam vanzelf weg gaat. Net als verdriet. Soms is het zo, soms kan het alleen zo. Het trekt zich terug.
Ook op die plek. Waar alles gebleven is, behalve ik. De sneeuw en het ijs weghalen. Veilige stroken maken. Met terugwerkende kracht. Ze is er weer. De oude Julia. Ze leunt op mijn arm. Als ik erbij ben kijkt ze niet uit bij het oversteken. Anders ook niet eigenlijk. Maar als er sneeuw is, is het nog riskanter. Het is handig dat ik groter ben dan zij. Zo wordt de arm een betere greep. Stap voor stap door wat glad zou kunnen zijn. Het hangt van mij af. Ze wordt veilig thuis gebracht. Het is weer gelukt. En nu is ze er weer. Ze kijkt naar de stukken waar wat glad was weg is.
Op zoek naar een slijpsteen. De messen moeten scherper worden. Er is een drempel. Alsof voor het eerst een terrein betreden wordt dat tot voor kort niet het jouwe was. Het was het zijne. Alsof alleen het falen zou kunnen wachten. Het zou ook een nieuwe ontdekking kunnen zijn. Iets wordt gevonden. Niet helemaal wat gezocht was. Niet helemaal goed genoeg. Er zal later nog verder gezocht worden. Opnieuw. Misschien is dat zoeken wel wat het andere terrein was. Misschien is het wel meer in handbereik dan gedacht.
De koude winterlucht verandert je handen. Ze laten iets zien wat er tot dan nog niet was. Of wat kon genegeerd worden. Alsof ze de handen zijn die ze zullen worden. En je vraagt je af of er niet nog eerst veel zou moeten gebeuren door die handen van nu voor ze die handen van dan zullen worden. Je zou het willen weten. Alsof je niet zomaar zou mogen wachten op de tijd.
Het overvalt je. Je leest in het boek het verhaal over de vrouw die voor haar man zorgt die zijn geheugen verliest. En je vraagt je af of iemand het zal merken als het jou overkomt, en wie dat dan zal zijn.
Soms denk je dat je geuren kunt vergeten. Tot ze er weer zijn, en je zeggen dat ze niet weg zijn. Ze zijn opgeslagen ergens onder je huid. En het is goed zo.
Dat je iets met water hebt, zegt ze. Het komt steeds terug, zo lijkt het wel. Het is zo.
’s Nachts duikt de zee op, in een woelig moment. Ze vraagt waar je al die tijd was. En je laat het zien. Hier en hier. Ik wist het wel, zegt de zee, maar toch wilde ik het vragen.
Enkele dagen eerder. Door de nacht naar huis fietsen. Al in het nieuwe jaar. De wind is altijd goed op deze terugweg. Dat is een troost. Het is de nacht van de blauwe maan. Alsof er een wijsheid te vinden is die alleen op dit moment op me wacht. Die zich enkel nu zal openen. Ze fluistert me toe, terwijl het landschap voorbij schuift.
Soms moet je wachten. Tot de onrust in je lichaam vanzelf weg gaat. Net als verdriet. Soms is het zo, soms kan het alleen zo. Het trekt zich terug.
Ook op die plek. Waar alles gebleven is, behalve ik. De sneeuw en het ijs weghalen. Veilige stroken maken. Met terugwerkende kracht. Ze is er weer. De oude Julia. Ze leunt op mijn arm. Als ik erbij ben kijkt ze niet uit bij het oversteken. Anders ook niet eigenlijk. Maar als er sneeuw is, is het nog riskanter. Het is handig dat ik groter ben dan zij. Zo wordt de arm een betere greep. Stap voor stap door wat glad zou kunnen zijn. Het hangt van mij af. Ze wordt veilig thuis gebracht. Het is weer gelukt. En nu is ze er weer. Ze kijkt naar de stukken waar wat glad was weg is.
Op zoek naar een slijpsteen. De messen moeten scherper worden. Er is een drempel. Alsof voor het eerst een terrein betreden wordt dat tot voor kort niet het jouwe was. Het was het zijne. Alsof alleen het falen zou kunnen wachten. Het zou ook een nieuwe ontdekking kunnen zijn. Iets wordt gevonden. Niet helemaal wat gezocht was. Niet helemaal goed genoeg. Er zal later nog verder gezocht worden. Opnieuw. Misschien is dat zoeken wel wat het andere terrein was. Misschien is het wel meer in handbereik dan gedacht.
De koude winterlucht verandert je handen. Ze laten iets zien wat er tot dan nog niet was. Of wat kon genegeerd worden. Alsof ze de handen zijn die ze zullen worden. En je vraagt je af of er niet nog eerst veel zou moeten gebeuren door die handen van nu voor ze die handen van dan zullen worden. Je zou het willen weten. Alsof je niet zomaar zou mogen wachten op de tijd.
Het overvalt je. Je leest in het boek het verhaal over de vrouw die voor haar man zorgt die zijn geheugen verliest. En je vraagt je af of iemand het zal merken als het jou overkomt, en wie dat dan zal zijn.
Soms denk je dat je geuren kunt vergeten. Tot ze er weer zijn, en je zeggen dat ze niet weg zijn. Ze zijn opgeslagen ergens onder je huid. En het is goed zo.
Dat je iets met water hebt, zegt ze. Het komt steeds terug, zo lijkt het wel. Het is zo.
’s Nachts duikt de zee op, in een woelig moment. Ze vraagt waar je al die tijd was. En je laat het zien. Hier en hier. Ik wist het wel, zegt de zee, maar toch wilde ik het vragen.
02 januari 2010
Koud
‘Kom er maar even bij zitten, het geeft niet. We kennen elkaar.’
‘Nee? Dan is het goed.’
‘Het is wel rustig hier. Ik zit hier graag. Het is alsof alles dan een beetje vervloeit, ook de tijd.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Als je daar bent, zie en voel je de tijd. Je voelt hoe je ouder wordt, hoe de dingen verder gaan, ook zonder jou. En soms krijg je dan kou, heb jij dat niet?’
‘Ja, ik ook. Ik vraag me wel eens af of het te maken heeft met het ouder worden. Vroeger had ik het niet zo, denk ik. Maar nu heb ik soms last van de koude. Alsof die een stuk van mijn lichaam inneemt. Alsof de koude me op iets wil wijzen.’
‘Wat dan?’
‘Ik kan het niet zo goed uitleggen. Soms heb je het, als je nog onrustig bent als je gaat slapen, dat je lichaam maar niet wil opwarmen, wat je ook doet. Het is iets in die aard.’
‘Ja, dat herken ik wel.’
‘Je zou alles wat je bezighoudt moeten kunnen loslaten, het allemaal achter je kunnen laten, om zo je lichaam klaar te maken om warmer te worden. Dat denk ik soms.’
‘En soms kun je de warmte langer vasthouden dan op andere momenten, misschien is daar ook wel een reden voor.’
‘Ik dacht nog daarnet, toen ik op weg was naar hier, aan hoe je herinneringen veranderen. Of misschien niet, het kan allebei zijn. Je hebt beelden van hoe de dingen waren, en daar horen mensen bij. Je verliest er stukjes van, je stelt ze opnieuw samen in je hoofd, misschien onbewust. En dan later zie je die mensen weer, en dan lijkt het ineens alsof niet je herinnering veranderd is, maar jijzelf.’
‘En jij wilt eigenlijk graag alles vasthouden, of niet soms?’
‘Soms wel, dat moet ik toegeven. Er zijn mensen die waarschijnlijk geen nood hebben aan herkenningstekens wanneer ze een plein op wandelen of zo. Het maakt niet zo uit waar ze zijn, ze zullen wel zien waar ze uit komen. Bij mij is het anders denk ik.’
‘Maak je maar geen zorgen. Ik weet wat je denkt.’
‘Heb jij dat nooit, dat je je herinneringen zou willen bijtanken? Er zijn van die momenten waarvan je op het moment zelf of later beseft dat ze belangrijk waren, om allerlei redenen. En later besef je dan dat je beter had moeten kijken of dat je meer vragen had moeten stellen of zo. Of gewoon dat er dingen beginnen te vervagen, stemmen of zo. En dat je dan terug zou willen kunnen gaan om de ontbrekende stukjes weer toe te voegen.’
‘Ik denk dat ik dat te moeilijk zou vinden soms. En misschien vind ik het soms ook wel niet zo erg dat de dingen van me weg drijven, of toch sommige stukken ervan. Waarom kijk je zo? Is er iets?’
‘Nee, ik kijk gewoon.’
‘Zie je de rimpels?’
‘Eigenlijk niet. Ik bedoel: ik zie ze wel, maar ze verdwijnen uit beeld op een of andere manier. Ik kan het niet zo goed uitleggen. Het is goed zo.’
‘Ja, dat zal wel. Weet je, dit is zo’n plek waar de dingen stoppen. Zo voelt het toch. Ik kan hier gewoon zitten zo, en ik hoef verder niets. Vanaf daar wordt het weer anders. Er is altijd wel iets. Er moet iets gebeuren, er wacht iets op mij, wat dan ook. Maar hier niet.’
‘Maar het moet dan wel warm genoeg zijn, of niet?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Ik dacht ineens dat dit een goede plek zou zijn om verhalen voor te lezen. Het klinkt raar misschien, maar ik zag het ineens voor me. Hoe ik hier zit met een boek en hoe ik voorlees voor jou. We hebben dat eigenlijk nooit gedaan, en toch dacht ik er ineens aan.’
‘Ja, misschien wel. Ik zie het wel voor me hoe het zou zijn. Iets voor een volgende keer. Maar dan moet jij wel een boek uitkiezen.’
‘Dat zal ik doen.’
‘Ik kijk er al naar uit.’
01 januari 2010
Nieuwjaarswens 2010
Als je lang genoeg naar het water kijkt
Zie je waar het kind op je wacht
Waar de rivier de oever betast
En waar het keren begint
En alles wat je zei en zag
Met te korte armen, aarzelend
Door de tijd, en wat je huid
Aan verdwijnen vermag
Misschien komen ze daar naar je toe
De woorden van het blijven, en
Wat het met je doet, en hoe je buigt
Bij het einde van de dag
Je weet het niet, en het is goed zo
Het water is genoeg, hoor je
Jezelf zeggen, voor je het
In je handen neemt
jan
Zie je waar het kind op je wacht
Waar de rivier de oever betast
En waar het keren begint
En alles wat je zei en zag
Met te korte armen, aarzelend
Door de tijd, en wat je huid
Aan verdwijnen vermag
Misschien komen ze daar naar je toe
De woorden van het blijven, en
Wat het met je doet, en hoe je buigt
Bij het einde van de dag
Je weet het niet, en het is goed zo
Het water is genoeg, hoor je
Jezelf zeggen, voor je het
In je handen neemt
jan
Abonneren op:
Posts (Atom)