14 december 2012
Billen
Het is ongetwijfeld anders bedoeld, maar dat je toch zo droevig kunt worden van al die kerstverlichting. Overal. Twee ijsberen in ongetwijfeld LED-lampjes die daar op dat rond punt, desolaat, tussen eindeloos veel stinkende en elkaar verdringende auto’s, staan te verlangen naar het ijsbeerbestaan. Een rustige boom, op een plein ook al tussen auto’s, die al ’s ochtends vroeg geheel kerstlichtjes staat te wezen. Of die boom niet gewoon, al is het maar een stukje van de dag, boom mag zijn. Alleen maar boom. Of die ijsberen niet gewoon een gezellig plekje kunnen krijgen, beschut, omgeven door warme mensen die af en toe komen vragen of alles goed gaat met hen. En dan samen lekker een babbeltje doen. Met af en toe een enkel kaarsje in je handen. Zodat je echt beseft hoe mooi dat kan zijn.
Hoe doe je dat? Opgewassen zijn tegen dingen die stuk gaan. Eigenlijk, dingen die gewoon verslijten. Je hebt het nooit gekund. Dat je, ventgewijs, eigenlijk maar een enkel paar schoenen hebt dat je altijd aan hebt. Dat die dingen dus vrij intensief gebruikt worden. Dat je ze al drie keer hebt laten herstellen. Dat ze altijd op dezelfde plek weer stuk gaan. Dat er dus misschien wel een soort constructiefout in zit. En dat het toch niet zo mogen. Dingen mogen niet stuk gaan. Dingen mogen nooit stuk gaan. Zal ook wel iets met die hechtingstijlen te maken hebben. Waarschijnlijk.
De mensen zitten op het podium. Ze praten over boeken. Jij zit in de zaal. Je kijkt naar hoe de mensen praten over boeken. Hoe ze daarbij bewegen. Wat het met hun ogen doet. Ze hebben het over de eerste zin uit Anna Karenina. En ook over de rest van het boek natuurlijk. En je kunt bijna dromen dat je zou kunnen zien wat zij nu zien, nu ze het hebben over dat boek. Wat hun oog dat naar binnen is gericht nu ziet.
’s Morgens vroeg op de markt. De mevrouw van het brood verontschuldigt zich dat ze er vorige week niet was. Door de sneeuw. En jij verontschuldigt je dat je er ook niet was, dat je op tijd naar het werk moest, om er zeker te zijn. Ook een beetje door de sneeuw. Gelukkig ben je er nu wel. Je wilt terug naar huis vertrekken en je ziet ineens het grote bord. Billen! Vooral dat uitroepteken is een beetje mysterieus. Ernaast staat nog een bord. Billen! Dan zie je dat er daar kip verkocht wordt. Het blijft een beetje raar, al weet je niet helemaal waarom. Het brengt je wel ineens terug naar een lichtjes pijnlijk moment, een hele tijd geleden. Een dierbare vriendin had je gevraagd om van de slager een kip mee te brengen. Voor het oudejaarsfeest. Je vroeg de kip aan de mevrouw. ‘Er is geen kip meer, alleen nog borsten en billen.’ Even snel deze nieuwe situatie door je heen laten gaan. ‘Doe dan maar twee borsten en twee billen.’ Wat bij aankomst op het feest tot de nodige hilariteit leidde, toen men je uitlegde dat een kip wel twee billen heeft, maar geen twee borsten. Dat je blijkbaar meer een borsten- dan een billenman bent, hoeft sindsdien niet meer wetenschappelijk bewezen te worden, volgens de anderen op dat feest. Of zoiets.
Een vulling in je tand heeft je verlaten. Zomaar. Ze was er al lang genoeg, of zo. Vond het tijd om te vertrekken. Je belt naar de tandarts. En je verontschuldigt je. Zegt al lachend dat je het niet bewust hebt gedaan of zo. Iets in jou zegt dat je denkt dat zij wel zal denken dat dat toch niet zomaar toevallig is gebeurd. Je krijgt een afspraak binnen een maand. Tot dan zul je kunnen leven met dat kleine stukje leegte dat je zomaar cadeau krijgt.
Schrik van dingen in apparaten. In je PC banking is er een ernstige waarschuwing, aan jou gericht, in het rood. Omdat er te veel ongeopende of te lang bewaarde berichten in je berichtenvak staan. Het gaat om een enkel bericht. En ja, je weet dat je dat in orde moet brengen. Dat waar dat bericht over gaat. Maar je wilt dat rustig kunnen doen. Niet op een moment waarop je gehaast bent of zo. Maar daarom laat je het daar nog even staan, zodat je het niet vergeet. Dat leg je allemaal uit, via intensieve hersengolven, aan dat apparaat dus. Maar het vertoont geen mercy. Als je dat bericht nou zou wissen, dan zou het apparaat misschien tevreden zijn, maar dan vergeet je misschien alsnog te doen wat je zou moeten doen, volgens dat bericht. En dat zou toch nog veel erger zijn? Zou je dan niet onmiddellijk ter plekke geëxecuteerd worden of zo? Of minstens een tik op je billen krijgen? Je weet dat er in dat bericht een datum staat, en voor die datum moet dat ding dus in orde zijn. Maar als je het bericht nu opent, om te kijken wat die datum is, zou je dan misschien een dubbele waarschuwing krijgen? Niet opnieuw lezen, gewoon uitvoeren, nu! Of zo. Met uitroepteken.
Het koppel loopt je voorbij in de winkelstraat. Zij roept: ‘En ik krijg nooit gelijk van jou!’ En hij roept: ‘Dat is niet waar.’ Zou je nu moeten gaan zeggen dat ze er op die manier wel nooit uit zullen raken? In het kader van de kerstsfeer of zo?
11 december 2012
De niet-ergernissen
Er zijn van die verheven theorieën. Die stellen dat je, kort samengevat, in veel gevallen zelf de bron van je eigen lijden bent. Of anders gezegd: de stress die je ervaart, die komt er in veel gevallen door hoe je je zelf opstelt. Als men die ‘in veel gevallen’ erbij zegt, dan is dat nog wel een interessante theorie. Uitdagend ook. Met iets meer mindfulness kom je al een heel stuk. Als men die ‘in veel gevallen’ weglaat, en vervangt door iets als ‘altijd’, dan is het een stelling die vooral voor veel stress zorgt, denk je.
Maar goed, in het kader van de permanente zelfopvoeding, het nastreven van een minuscule stap vooruit op de weg van de verlichting (in jouw geval een road to nowhere) blijf je oefenen in pogingen tot zen. En zo zou je lijstjes kunnen maken van dingen waar je je vooral niet aan ergert, vooral niet. De ergernis die je voelt, is daar dan enkel om didactische redenen. Om te voelen, met andere woorden, hoe ze weg kan glijden, van je af kan glijden, als water. Of iets in die aard.
Zoals daar zijn. Sommige politici. Zichzelf serieus nemende politici zelfs. Niet alle politici natuurlijk, maar politici die luidkeels verkondigen dat vanaf nu alle Antwerpenaars Nederlands moeten spreken, en die boodschap aan de wereldgemeenschap brengen in een gruwelijk Antwerps accent. In het kader van de rechten en de plichten zou het natuurlijk niet geheel onwenselijk zijn als er een zeker respect is voor dat Nederlands. Terwijl het in het journaal komt, zit je luidop te roepen tegen het scherm, maar dat is natuurlijk om het af te leren.
Zoals daar zijn. Sommige politici. Zichzelf heel erg serieus nemende politici. Niet alle politici, maar wel politici die ’s morgens vroeg op de radio komen vertellen over de voorzittersverkiezingen van de dag daarvoor die ze niet gewonnen hebben. Dan denk je nog, vol mededogen: het is natuurlijk niet fijn om te verliezen met toch nog een behoorlijke score. Je denkt dan nog: als de wel verkozen voorzitter een beetje slim is, gaat ze over tot de grote omarming. Maar dat die verliezende kandidaat-voorzitter dan net iets te affirmatief begint te toeteren dat hij de morele overwinnaar is, dat hij het toch wel verbazend vindt dat er sinds de uitslag bekend werd – en dat is toch al wel enkele uren – nog geen enkel signaal is gekomen – wat is dat toch met al die signalen altijd? – in zijn richting, dat hij toch wel verwacht snel uitgenodigd te worden, dat zijn team van gedreven mensen nog steeds verder werkt, vanzelfsprekend, en dies meer. Dan denk je: moet dat nu eigenlijk wel, hebben we echt nood aan het ondergaan van het etaleren van zoveel teer ego, op een maandagochtend net na zeven uur? Tot je beseft dat je eigenlijk bezig was om mindful je muesli te eten. Wat niet helemaal lukte.
Zoals daar zijn. Net iets te enthousiaste conferentievoorzitters. Ze zijn ongetwijfeld iets als project manager of zo. Ze werken ongetwijfeld heel erg hard, acht dagen op zeven. Ze zitten niet voor niets strak in het perfecte mantelpakje, helemaal gezandstraald. Ze zijn niet zomaar angstaanjagend efficiënt. Ze kunnen die subsidiedossiers voor de Commissie feilloos invullen, waarna de miljoenen euro’s in hun richting stromen. Ze doen het allemaal. En daar valt nog wel mee te leven, zo lang je niet met hen moet leven, permanent blootgesteld aan hun scherpe blik die jouw structureel en genetisch verankerd permanent falen in een flits van een milliseconde zou opmerken en neersabelen. Dat gaat dus allemaal nog wel. Maar dat ze het dan in hun inleidende presentatie, waarin ze het project voorstellen, de hele tijd hebben over de ‘journey’, dat is er toch een beetje over. Denk je. Je concentreert je hevig op je universele saaiheid, en de adem trekt zich langzaam terug in de eigen bedding. Dat beeld je je toch in.
Zoals daar zijn. Mensen die iets te enthousiast op feesboek de werkelijkheid in ongefilterde vorm willen dupliceren. Je denkt nog even dat er een soort peilloos diepe diepere laag in die woorden zit die jij natuurlijk nog niet kunt bevatten, met je uitermate beperkte intellectuele vermogens. Iets als een haiku, een fenomeen van de beschaving dat er maar niet in slaagt je te overtuigen. (De hele tijd denk je: wat ben ik toch een oen – dat wisten we al trouwens – dat ik die betekenis, die tweede laag maar niet vat. Tot iemand je zegt dat er geen tweede laag is. Of zo.) Ga je dus op een vrijdagochtend dapper op weg naar het werk. De hele week wordt al het totale armageddon qua winterprik aangekondigd. Blijkt dat nogal mee te vallen. Zodra je dan op het werk je computer aanzet, blijkt er iemand op zijn feesboek te zetten: ‘de eerste sneeuw’. Ja, en? Komt er nog iets? Voegt jouw status iets toe aan wat ik zelf al gezien heb daarnet, roep je tegen het scherm, in stilte dan, het moet wel een beetje deftig blijven? Kun je me iets laten zien? Een grotere macht die aan het werk is, het ontdekken van troost die me zou kunnen verzoenen met mijn leven op de dool? Nee. De eerste sneeuw. Meer niet. Tot je beseft: Jean, dit is een oefening in zenzen, zen in de tweede macht of zo. O, op die manier…
Zoals daar zijn. Mensen die niet kunnen wachten tot alle mensen uitgestapt zijn uit de trein en zich naar binnen wringen om toch maar die plaats te bemachtigen waar ze zich kunnen barricaderen met hun tas naast zich en hun hele muziekinstallatie – wat een joekels van koptelefoons toch tegenwoordig – op hun kop. Mensen in je appartementsblok die te lui zijn om hun oud papier mee naar boven te nemen en dus gewoon de kranten en folders naast de brievenbus op de grond leggen, rekenend op ‘de’ kabouters die dat wel zullen doen, en niet willen weten dat jij ‘de’ kabouters bent. Mensen die veel te traag door de winkelstraat slenteren, helemaal mindful natuurlijk, maar daar heb jij geen boodschap aan, en doen alsof ze alle tijd hebben, wat misschien ook wel zo is, en zo volop bezig zijn met het voorkomen van een hartinfarct, wie weet, maar ondertussen toch maar slenteren, vreselijk. Mensen die je op straat vragen waar die gratis parking is, en jij die hen een bepaalde richting uitstuurt, nadien denkend dat je hun vraag verkeerd verstond, waardoor je hen misschien wel verkeerd stuurde, waardoor je je eerst – zoals zo vaak – schuldig voelt, wat je dan daarna probeert om te turnen tot een heldendaad, daarbij geïnspireerd door het legendarische verhaal Wo ist der Bahnhof van Koot en Bie, met de al even legendarische gebroeders Temmes, wat toch niet geheel lukt.
Maar gelukkig zul je ooit helemaal mindful zijn. In een volgend leven. Ongetwijfeld.
Maar goed, in het kader van de permanente zelfopvoeding, het nastreven van een minuscule stap vooruit op de weg van de verlichting (in jouw geval een road to nowhere) blijf je oefenen in pogingen tot zen. En zo zou je lijstjes kunnen maken van dingen waar je je vooral niet aan ergert, vooral niet. De ergernis die je voelt, is daar dan enkel om didactische redenen. Om te voelen, met andere woorden, hoe ze weg kan glijden, van je af kan glijden, als water. Of iets in die aard.
Zoals daar zijn. Sommige politici. Zichzelf serieus nemende politici zelfs. Niet alle politici natuurlijk, maar politici die luidkeels verkondigen dat vanaf nu alle Antwerpenaars Nederlands moeten spreken, en die boodschap aan de wereldgemeenschap brengen in een gruwelijk Antwerps accent. In het kader van de rechten en de plichten zou het natuurlijk niet geheel onwenselijk zijn als er een zeker respect is voor dat Nederlands. Terwijl het in het journaal komt, zit je luidop te roepen tegen het scherm, maar dat is natuurlijk om het af te leren.
Zoals daar zijn. Sommige politici. Zichzelf heel erg serieus nemende politici. Niet alle politici, maar wel politici die ’s morgens vroeg op de radio komen vertellen over de voorzittersverkiezingen van de dag daarvoor die ze niet gewonnen hebben. Dan denk je nog, vol mededogen: het is natuurlijk niet fijn om te verliezen met toch nog een behoorlijke score. Je denkt dan nog: als de wel verkozen voorzitter een beetje slim is, gaat ze over tot de grote omarming. Maar dat die verliezende kandidaat-voorzitter dan net iets te affirmatief begint te toeteren dat hij de morele overwinnaar is, dat hij het toch wel verbazend vindt dat er sinds de uitslag bekend werd – en dat is toch al wel enkele uren – nog geen enkel signaal is gekomen – wat is dat toch met al die signalen altijd? – in zijn richting, dat hij toch wel verwacht snel uitgenodigd te worden, dat zijn team van gedreven mensen nog steeds verder werkt, vanzelfsprekend, en dies meer. Dan denk je: moet dat nu eigenlijk wel, hebben we echt nood aan het ondergaan van het etaleren van zoveel teer ego, op een maandagochtend net na zeven uur? Tot je beseft dat je eigenlijk bezig was om mindful je muesli te eten. Wat niet helemaal lukte.
Zoals daar zijn. Net iets te enthousiaste conferentievoorzitters. Ze zijn ongetwijfeld iets als project manager of zo. Ze werken ongetwijfeld heel erg hard, acht dagen op zeven. Ze zitten niet voor niets strak in het perfecte mantelpakje, helemaal gezandstraald. Ze zijn niet zomaar angstaanjagend efficiënt. Ze kunnen die subsidiedossiers voor de Commissie feilloos invullen, waarna de miljoenen euro’s in hun richting stromen. Ze doen het allemaal. En daar valt nog wel mee te leven, zo lang je niet met hen moet leven, permanent blootgesteld aan hun scherpe blik die jouw structureel en genetisch verankerd permanent falen in een flits van een milliseconde zou opmerken en neersabelen. Dat gaat dus allemaal nog wel. Maar dat ze het dan in hun inleidende presentatie, waarin ze het project voorstellen, de hele tijd hebben over de ‘journey’, dat is er toch een beetje over. Denk je. Je concentreert je hevig op je universele saaiheid, en de adem trekt zich langzaam terug in de eigen bedding. Dat beeld je je toch in.
Zoals daar zijn. Mensen die iets te enthousiast op feesboek de werkelijkheid in ongefilterde vorm willen dupliceren. Je denkt nog even dat er een soort peilloos diepe diepere laag in die woorden zit die jij natuurlijk nog niet kunt bevatten, met je uitermate beperkte intellectuele vermogens. Iets als een haiku, een fenomeen van de beschaving dat er maar niet in slaagt je te overtuigen. (De hele tijd denk je: wat ben ik toch een oen – dat wisten we al trouwens – dat ik die betekenis, die tweede laag maar niet vat. Tot iemand je zegt dat er geen tweede laag is. Of zo.) Ga je dus op een vrijdagochtend dapper op weg naar het werk. De hele week wordt al het totale armageddon qua winterprik aangekondigd. Blijkt dat nogal mee te vallen. Zodra je dan op het werk je computer aanzet, blijkt er iemand op zijn feesboek te zetten: ‘de eerste sneeuw’. Ja, en? Komt er nog iets? Voegt jouw status iets toe aan wat ik zelf al gezien heb daarnet, roep je tegen het scherm, in stilte dan, het moet wel een beetje deftig blijven? Kun je me iets laten zien? Een grotere macht die aan het werk is, het ontdekken van troost die me zou kunnen verzoenen met mijn leven op de dool? Nee. De eerste sneeuw. Meer niet. Tot je beseft: Jean, dit is een oefening in zenzen, zen in de tweede macht of zo. O, op die manier…
Zoals daar zijn. Mensen die niet kunnen wachten tot alle mensen uitgestapt zijn uit de trein en zich naar binnen wringen om toch maar die plaats te bemachtigen waar ze zich kunnen barricaderen met hun tas naast zich en hun hele muziekinstallatie – wat een joekels van koptelefoons toch tegenwoordig – op hun kop. Mensen in je appartementsblok die te lui zijn om hun oud papier mee naar boven te nemen en dus gewoon de kranten en folders naast de brievenbus op de grond leggen, rekenend op ‘de’ kabouters die dat wel zullen doen, en niet willen weten dat jij ‘de’ kabouters bent. Mensen die veel te traag door de winkelstraat slenteren, helemaal mindful natuurlijk, maar daar heb jij geen boodschap aan, en doen alsof ze alle tijd hebben, wat misschien ook wel zo is, en zo volop bezig zijn met het voorkomen van een hartinfarct, wie weet, maar ondertussen toch maar slenteren, vreselijk. Mensen die je op straat vragen waar die gratis parking is, en jij die hen een bepaalde richting uitstuurt, nadien denkend dat je hun vraag verkeerd verstond, waardoor je hen misschien wel verkeerd stuurde, waardoor je je eerst – zoals zo vaak – schuldig voelt, wat je dan daarna probeert om te turnen tot een heldendaad, daarbij geïnspireerd door het legendarische verhaal Wo ist der Bahnhof van Koot en Bie, met de al even legendarische gebroeders Temmes, wat toch niet geheel lukt.
Maar gelukkig zul je ooit helemaal mindful zijn. In een volgend leven. Ongetwijfeld.
09 december 2012
Drijfverdriet
Je ziet aan de stenen op het binnenplein dat het regent, dat het hard regent, blijkbaar. Een auto draait het plein op. De lichten maken twee lijnen in de lucht. En ineens is er meer regen, zo lijkt het. Er is niet alleen de plek waar de regen de grond raakt. Er is ook regen in het licht. Erg veel regen in het licht.
Er is iets met de ogen van de basklarinet. De ogen die erbij horen, die ogen. Maar je zou niet weten wat. En je durft het ook niet te vragen. Stel je voor.
In de koude nacht weer naar huis. Zou het mogelijk zijn dat een steenweg meer droefheid uitstraalt dan deze? Onder het neonlicht zitten mevrouwen in etalages. Ze kijken verveeld voor zich uit. Misschien vrezen ze de ijzel die is aangekondigd. Misschien zouden ze ook gewoon graag thuis zijn. Met een dekentje. En iemand die heel voorzichtig hun haren streelt. Zonder iets te zeggen.
Soms ben je niet opgewassen tegen de vriendschap. En het graag zien dat erbij hoort. Het zijn anderen die het zo voor je benoemen. En dat is wel goed. Je zou niet weten wat je moet doen met het verlies dat erin verweven ligt. Je weet het nog altijd niet. Misschien is dat niet zo erg.
Het kleine meisje staat helemaal te glimmen, met de mand in haar handen. Alsof ze zou willen verdrinken in iemands ogen. En meer.
En iemand die je zegt: waarom wil je dat dan ook allemaal zelf doen, waarom geef je het niet uit handen. En je probeert uit te leggen waarom. Dat het je bij de grond houdt. Dat het je terug naar de dingen roept. Dat het je terechtwijst, wanneer dat nodig is. En die iemand is niet helemaal overtuigd, zo lijkt het wel.
Je had het met jezelf afgesproken. Dat je dat zou doen. Die ochtend. Dus doe je het ook. Je moet even doorbijten, verbijten. Je hebt een beetje schrik van het neerleggen, het jezelf neerleggen, daarna. Je stelt het nog even uit.
En de woorden. Als je kunt wachten op je adem sijpelen ze langs je heen. Traag als een dikke zoete olie. Iemand zou die erin kunnen wrijven. Maar dat hoeft niet eens. Misschien. Ook dat weet je niet. Maar dat geeft niet. Als je de tijd hebt, zijn de woorden er al. Je kunt zien hoe ze zich verplaatsen, hoe ze zich nestelen in die beweging. En er zijn mensen die de woorden horen. Altijd. Ze horen de stem erbij. Die woorden dus.
Verhalen in de krant. Ze leggen zich trager neer, op een zondag. Ze ontroeren je anders.
Soms denk je: blijf, blijf daar nog even. Het is alsof je er bent. Doe iets van daar. Van dat punt. Waar je te zien bent. Niet meer dan enkele woorden. Het is niet in jouw handen.
Stel je voor. Dat de nacht alles met zich mee zou nemen. Alles van het bezinksel. En wat er dan over zou blijven in de ochtend.
En soms is er het kleine verdriet. Soms haakt dat in in het grote verdriet. Dat er ook is. Ergens. Soms is het verdriet je lot. Misschien is dat niet zo erg. Is het als al het andere dat drijft.
Een stukje Fordlândia. Een stukje. Er is altijd meer te verlangen.
07 december 2012
De deuken
De blinde mevrouw staat te draaien in de buurt van het busstation. Ze probeert zich te oriënteren, tast de stenen af, luistert naar de geluiden. Misschien zijn we wel allemaal een beetje verloren. De weg kwijt. Of nog niet gevonden. Iemand is je net voor om haar te helpen.
De omroepberichten in het station. Merkwaardig wat een gamma aan verklaringen voor weer eens een vertraging. Soms moet je hard nadenken. Door het drukke treinverkeer heeft de trein vertraging. Je weet niet waarom, maar het lijkt alsof er iets niet klopt aan die verklaring. Zijn er dan ineens stiekem allerlei treinen op de sporen geslopen die nog niet voorzien waren in de uurregeling? Als ze nu zouden zeggen door het drukke verkeer van laag hangende zeppelins heeft de trein vertraging, dan zou dat kunnen kloppen. Of zoiets.
Tijdens de koffiepauze van de conferentie. Je ziet de mevrouw die je vorige week nog een mail stuurde. Zou je haar durven aanspreken om te vragen of ze die presentaties al heeft die je nodig hebt? Hoe doe je dat vlot en soepel, en in het Engels? Alsof je een volleerde en ervaren koffiepauzebenutter tijdens conferenties bent?
Een lijf met deuken. Misschien zou je dat een authentiek lijf kunnen noemen. Heel erg helpt die gedachte nog niet. Het blijft je soms verbazen hoe vindingrijk pijn kan zijn.
In je droom dans je met haar. Zo merk je bij het wakker worden. Je zou het haar eigenlijk meteen moeten vertellen. Je doet het maar niet.
Soms, als je moe bent, is het alsof die woorden in het Frans moeilijker komen. Zouden die dan in een kamertje apart zitten ergens? Met een deur die ook dicht kan gaan?
Na de vergadering terug de trein op naar huis, nog een lange rit. Je lijkt zo gevoelig voor de trillingen. Het is alsof ze je zouden kunnen bevrijden van iets. Het stuk naar huis stappen lijkt zwaarder dan anders. Alsof je de onderdelen van je lichaam voelt, hoe ze losjes aan elkaar hangen. Je zou zo graag thuis willen zijn, maar je hebt nog een heel stuk te gaan. Thuis kun je alleen maar liggen. Die beweging, zou men dat kronkelen van de pijn noemen? Gelukkig ziet niemand je. Later in bed is het alsof je binnen, ergens in je buik, helemaal koud bent geworden. Alsof het eeuwen zou kunnen duren eer je weer warm bent. De tranen schokken zich eruit. Je levert jezelf uit aan de slaap.
Al die mooie jonge mensen die je ziet voorbijlopen, in hun dunne kleren. Dat zal wel heel cool zijn. Maar zou het ook niet heel erg koel zijn? Of beschikken zij over allerlei onzichtbare warmtereserves die jij niet hebt?
Iemand die je iets zou willen vertellen. Of toch maar niet.
In het journaal: minutenlange berichtgeving over de grote verkeerschaos die er niet gekomen is door de eerste sneeuw. Het is altijd fijn om te zien hoe de journaliste haar dochter aan de bus afzet, zij het aan een andere bushalte dan anders. De heroïsche queeste die er niet is gekomen, dat is dus ook al nieuws. Misschien moet men vanaf nu ook elke dag de vulkanen in ons land vermelden die ook die dag niet zijn uitgebarsten. Is ook zeer informatief.
Iets met een vleugje gospel, dat mag wel nu. Iets over overgave. Alleen al maar het idee. Heel even. Zo lang het liedje duurt. Zou het ook mogelijk zijn te geloven dat die deuken dan ook weer weggaan? Dat je uitgedeukt kunt worden. Dat is wel een mooie gedachte.
05 december 2012
De idioten
Ze belde bij me aan, en vroeg of ze even binnen mocht komen.
‘Ik zag dat u de afwas stond te doen, en dat stelt me altijd gerust. Mensen zonder een afwasmachine, daar kan ik goed mee praten, denk ik.’
Ze was al behoorlijk zwanger. Ik feliciteerde haar en vroeg of ze niet te veel last had van de zwangerschap. Dat viel best mee. Voor zover ik kon zien, was zij geen prinses. Het zou haar dus bespaard blijven dat de dag na de aankondiging van de uitzettende buik er al computersimulaties in de krant zouden staan van hoe het kind in de buik eruit zou kunnen gaan zien. Over haar buik ook geen berichten in het nieuws met de woorden voor extreme ochtendmisselijkheid die zou kunnen wijzen op een tweeling in aantocht. Dat je dat hebt, is toch al erg genoeg, denk ik dan. Moet dat dan ook nog allemaal in de krant? Ik kon weer iets toevoegen aan mijn lijstje ‘dingen die ik gelukkig nooit geworden ben’: gelukkig ben ik geen prins, en gelukkig ben ik niet met een prinses getrouwd, gelukkig ben ik nog niet zwanger.
Ik bood haar meteen mijn zachte leeszetel aan. Die heet Theo. Maar dat is verder geen probleem, hij zit gewoon geweldig goed. Is wel een XL-maat, en zij was wat aan de kleine kant. Buik wat vooruit, bengelende benen.
‘Ik heb het gevoel dat mijn zwangerschap vooral een effect heeft op de hormonen van mijn vriend. Hij staat zo scherp de hele tijd. Letterlijk en figuurlijk. Sinds hij zoveel is afgevallen, is dat alleen maar erger geworden. Vroeger was hij nog grappig. Nu veel minder. En sinds hij die streepjespakken aan heeft, is de humor helemaal ver te zoeken.’
Ze keek naar een punt ergens in de verte (ongeveer in mijn keuken waarschijnlijk). Haar ogen leken vermoeid, terwijl ze veel aanleg hadden voor guitigheid. Dat zag je aan de pretrimpeltjes.
‘Ik heb veel last van de oprukkende verbale agressie. Ik kan er steeds minder tegen eigenlijk. Mensen roepen de hele tijd, kankeren over alles, zeuren en zagen, en geven de schuld aan anderen, aan alle anderen. Mijn vriend heeft daar ook last van. En hij heeft het dan altijd over ‘ze’. Weet u wie ze zijn? Ik ook niet. Dan roept hij ineens, tussen het hoofdgerecht en het dessert. Ik had die tagliatelli met savooikool gemaakt van Jeroen Meus, lekker trouwens. Hij roept dan: en als ze vinden dat ik de afwas met de hand moet doen, dat ze het dan vooral zeggen! Dat is zo’n stijlfiguur, die als ze het…dat ze het dan… En ik vraag dan nog wie die ze wel zouden zijn. En dan kijkt hij me aan met zo’n blik van, uweetwel.’
Ik wist het eigenlijk niet, maar haar ogen leken nog droeviger te worden. Het punt in de verte was nu al dichterbij (ongeveer ter hoogte van de piano waarschijnlijk).
‘En ’s morgens in de badkamer is er ook altijd wel iets. Een kwartier voor de wekker afgaat, duwt hij mij uit bed, want dan moet ik voor hem de verwarming aan gaan zetten in de badkamer. Ik kruip dan nog even terug in bed, en dan staat hij op. Als ik dan na een tijdje ook in de badkamer wil, dan mag ik niet binnen. Hij roept dan: de badkamer is niet van iedereen, de badkamer is deze ochtend vooral van mij. En dan sta ik daar in mijn blootje in de gang. Vroeger zou ik dan koffie zijn gaan zetten, maar met de zwangerschap kan ik die geur van koffie niet zo goed verdragen. Niet extreem hoor, gewoon een beetje.’
Ik had haar ondertussen ook al mijn dekentje aangeboden. Ze had zich er helemaal in teruggetrokken.
‘Maar daarnet was het echt wel genoeg geweest. Ik had net de afwas gedaan. En hij zat daar bij de televisie met zijn bretellen te spelen, en terwijl commentaar te geven bij elk punt van het nieuws. Ik zei dat ik het eigenlijk helemaal eens was met die vrouwen die kwaad waren op de baas van VOKA omdat er geen vrouwen als spreekster waren gevraagd voor hun congres. Hij draaide zich om, zijn ogen bliksemden, en hij riep dat dat de meest idiote opmerking was die hij ooit had gehoord. Ik reageerde nog dat ik het niet heel erg fijn vond om door mijn eigen vriend voor idioot te worden uitgescholden. Waarop hij zei dat ik duidelijk ruzie zocht, dat het een valstrik was van mij. En toen heb ik maar gezegd dat ik even een wandelingetje ging maken en terwijl nadenken over De lenige liefde. Die laatste hint begreep hij niet helemaal, denk ik.’
We hebben nog even doorgepraat over mooie gedichten, de schoonheid van zwangere vrouwen, de kunst van de zachte omgang met elkaar, het voordeel van afwasbakken die hoog genoeg staan zodat je geen extra rugpijn krijgt, het nadeel van te diepe afwasbakken eens je hoogzwanger bent, die heel erg mooie dansfilm op de muziek van Sigur Rós (en de traantjes natuurlijk) en hoe je hoopt dat je toch nog altijd iets meer in de afvalzak krijgt omdat je nog geen zin hebt om hem al uit de vuilnisbak te halen. En toen vertrok ze weer.
‘Eigenlijk is hij wel lief hoor. Soms toch. Hij wordt alleen zo zenuwachtig van die zwangerschap, denkt dat hij alles fout zal gaan doen. Maar ik trek hem er wel doorheen, het komt wel in orde.’
‘Ik zag dat u de afwas stond te doen, en dat stelt me altijd gerust. Mensen zonder een afwasmachine, daar kan ik goed mee praten, denk ik.’
Ze was al behoorlijk zwanger. Ik feliciteerde haar en vroeg of ze niet te veel last had van de zwangerschap. Dat viel best mee. Voor zover ik kon zien, was zij geen prinses. Het zou haar dus bespaard blijven dat de dag na de aankondiging van de uitzettende buik er al computersimulaties in de krant zouden staan van hoe het kind in de buik eruit zou kunnen gaan zien. Over haar buik ook geen berichten in het nieuws met de woorden voor extreme ochtendmisselijkheid die zou kunnen wijzen op een tweeling in aantocht. Dat je dat hebt, is toch al erg genoeg, denk ik dan. Moet dat dan ook nog allemaal in de krant? Ik kon weer iets toevoegen aan mijn lijstje ‘dingen die ik gelukkig nooit geworden ben’: gelukkig ben ik geen prins, en gelukkig ben ik niet met een prinses getrouwd, gelukkig ben ik nog niet zwanger.
Ik bood haar meteen mijn zachte leeszetel aan. Die heet Theo. Maar dat is verder geen probleem, hij zit gewoon geweldig goed. Is wel een XL-maat, en zij was wat aan de kleine kant. Buik wat vooruit, bengelende benen.
‘Ik heb het gevoel dat mijn zwangerschap vooral een effect heeft op de hormonen van mijn vriend. Hij staat zo scherp de hele tijd. Letterlijk en figuurlijk. Sinds hij zoveel is afgevallen, is dat alleen maar erger geworden. Vroeger was hij nog grappig. Nu veel minder. En sinds hij die streepjespakken aan heeft, is de humor helemaal ver te zoeken.’
Ze keek naar een punt ergens in de verte (ongeveer in mijn keuken waarschijnlijk). Haar ogen leken vermoeid, terwijl ze veel aanleg hadden voor guitigheid. Dat zag je aan de pretrimpeltjes.
‘Ik heb veel last van de oprukkende verbale agressie. Ik kan er steeds minder tegen eigenlijk. Mensen roepen de hele tijd, kankeren over alles, zeuren en zagen, en geven de schuld aan anderen, aan alle anderen. Mijn vriend heeft daar ook last van. En hij heeft het dan altijd over ‘ze’. Weet u wie ze zijn? Ik ook niet. Dan roept hij ineens, tussen het hoofdgerecht en het dessert. Ik had die tagliatelli met savooikool gemaakt van Jeroen Meus, lekker trouwens. Hij roept dan: en als ze vinden dat ik de afwas met de hand moet doen, dat ze het dan vooral zeggen! Dat is zo’n stijlfiguur, die als ze het…dat ze het dan… En ik vraag dan nog wie die ze wel zouden zijn. En dan kijkt hij me aan met zo’n blik van, uweetwel.’
Ik wist het eigenlijk niet, maar haar ogen leken nog droeviger te worden. Het punt in de verte was nu al dichterbij (ongeveer ter hoogte van de piano waarschijnlijk).
‘En ’s morgens in de badkamer is er ook altijd wel iets. Een kwartier voor de wekker afgaat, duwt hij mij uit bed, want dan moet ik voor hem de verwarming aan gaan zetten in de badkamer. Ik kruip dan nog even terug in bed, en dan staat hij op. Als ik dan na een tijdje ook in de badkamer wil, dan mag ik niet binnen. Hij roept dan: de badkamer is niet van iedereen, de badkamer is deze ochtend vooral van mij. En dan sta ik daar in mijn blootje in de gang. Vroeger zou ik dan koffie zijn gaan zetten, maar met de zwangerschap kan ik die geur van koffie niet zo goed verdragen. Niet extreem hoor, gewoon een beetje.’
Ik had haar ondertussen ook al mijn dekentje aangeboden. Ze had zich er helemaal in teruggetrokken.
‘Maar daarnet was het echt wel genoeg geweest. Ik had net de afwas gedaan. En hij zat daar bij de televisie met zijn bretellen te spelen, en terwijl commentaar te geven bij elk punt van het nieuws. Ik zei dat ik het eigenlijk helemaal eens was met die vrouwen die kwaad waren op de baas van VOKA omdat er geen vrouwen als spreekster waren gevraagd voor hun congres. Hij draaide zich om, zijn ogen bliksemden, en hij riep dat dat de meest idiote opmerking was die hij ooit had gehoord. Ik reageerde nog dat ik het niet heel erg fijn vond om door mijn eigen vriend voor idioot te worden uitgescholden. Waarop hij zei dat ik duidelijk ruzie zocht, dat het een valstrik was van mij. En toen heb ik maar gezegd dat ik even een wandelingetje ging maken en terwijl nadenken over De lenige liefde. Die laatste hint begreep hij niet helemaal, denk ik.’
We hebben nog even doorgepraat over mooie gedichten, de schoonheid van zwangere vrouwen, de kunst van de zachte omgang met elkaar, het voordeel van afwasbakken die hoog genoeg staan zodat je geen extra rugpijn krijgt, het nadeel van te diepe afwasbakken eens je hoogzwanger bent, die heel erg mooie dansfilm op de muziek van Sigur Rós (en de traantjes natuurlijk) en hoe je hoopt dat je toch nog altijd iets meer in de afvalzak krijgt omdat je nog geen zin hebt om hem al uit de vuilnisbak te halen. En toen vertrok ze weer.
‘Eigenlijk is hij wel lief hoor. Soms toch. Hij wordt alleen zo zenuwachtig van die zwangerschap, denkt dat hij alles fout zal gaan doen. Maar ik trek hem er wel doorheen, het komt wel in orde.’
02 december 2012
Als een rivier
‘Laat me nog eens goed naar je kijken.’
‘Is er iets?’
‘Het is alsof ik nu terug je tweede huid zie. Net onder de eerste. Die krijg je niet zo vaak te zien.’
‘En jij ziet ze?’
‘Ja, ik zie ze. Nu.’
‘Dat mag.’
‘Soms is het alsof je ogen een beetje bang zijn, en afstand houden. Je laat niet zomaar iemand dichtbij komen, toch niet zo dichtbij.’
‘Dat is wel zo. Maar nu maakt dat allemaal niet meer uit. Heb je pijn?’
‘Ja. Maar ik wil er niet over praten. Het is niet zo erg. De pijn is er, en zal niet meer weggaan. Dus hoef ik er misschien gewoon niet te veel aandacht aan te geven.’
‘Ik wou dat ik ze weg kon nemen. Zo, met deze handen.’
‘Dat is lief. Misschien lukt het je wel.’
‘Heel vaak proberen, dat kan ik nog wel doen.’
‘Wat zul je doen, als ik er niet meer ben?’
‘Ik wil er niet aan denken, nu.’
‘Het is misschien niet lang meer, dat weet je.’
‘Soms denk ik dat het helpt om het niet te weten. In de zin dat mijn niet weten iets kan tegenhouden. Ik weet dat het niet zo is, maar het is een aantrekkelijke gedachte. Soms.’
‘Maar zul je me dan antwoorden als je er wel over gedacht hebt?’
‘Ja, ik zal je antwoorden.’
‘Ik hoop dat we voorbij de winter zullen zijn.’
‘Ja.’
‘Tot dan kan ik je nog wel opwarmen.’
‘Zeg!’
‘Ik mag er toch een beetje mee lachen.’
‘Ja, maar niet te veel. Al zul je je toch niets aantrekken van wat ik zeg.’
‘Nee, waarschijnlijk niet.’
‘Weet je wat ik zal missen? Je brieven. Vroeger schreef je altijd van die lange brieven. Je beschreef me in allerlei kleuren, en geuren ook. Bladzijden lang. En soms dacht ik dan: in die brieven zou ik wel kunnen wonen.’
‘Maar het is toch lang geleden.’
‘Ja, maar ik dacht altijd: ook al zijn we niet bij elkaar, zolang hij er nog is, ergens, zou hij nog altijd zo’n brief kunnen schrijven. De mogelijkheid van een brief, dat ben je.’
‘Ik zal je er zeker nog een schrijven, voor ik wegga.’
‘Beloof je dat?’
‘Ja, dat beloof ik. Met de hand. Traag geschreven.’
‘Tegenwoordig heb je zoveel manieren om snel te communiceren, en dat is ook wel goed. Maar het wachten op een brief, dat had ook wel iets. Dat alleen al was bijzonder.’
‘Voor mij was je ook een mogelijkheid. Ik kan het niet goed uitleggen. Ik had vaak het gevoel dat we elkaar echt dingen konden zeggen. Veel dingen zijn niet gezegd, nooit uitgesproken. Ze bleven in de lucht hangen. Maar het was alsof dat ooit zou kunnen. En dat idee was genoeg. Min of meer.’
‘Misschien was ik wel bang om alles uit te spreken. Daarmee zou het zo definitief worden. Alsof we daarmee ook alles zouden kunnen verliezen. Ik wou sommige dingen beschermen, door ze net niet uit te spreken, door net tot aan de rand te gaan van de woorden.’
‘Misschien is het tijd om weg te gaan van de rand, om er voorbij te gaan. Misschien hebben we geen argumenten meer over voor een uitstel.’
‘Misschien wel.’
‘Ik schrok van mezelf op die foto’s die je me liet zien.’
‘Je bent mooi op die foto’s, zie je dat dan niet?’
‘Nee, eigenlijk niet. Maar als jij ze zo ziet, dan kan ik er wel mee leven.’
‘Dat kun je ermee leven, dat is mooi.’
‘In mijn dromen sijpel ik langzaam weg, of zo.’
‘En waar ga je dan naartoe?’
‘Naar de rivier. En naar jou. De rivier is dichtbij. Je kunt op de oever zitten, en kijken. Alleen maar kijken naar de rivier. De rivier brengt je uiteindelijk naar de zee. Daar is er rust. En verder wil ik in jou verdwijnen. Eigenlijk niet anders dan in de zee.’
‘En wat als ik je na een tijd niet meer kan vinden?’
‘Dat is niet erg. Kijk dan gewoon even naar jezelf in de spiegel. Misschien zie je ergens, diep in je ogen, een kleine rimpel op het water.’
‘Ik weet niet of ik aan een rimpel genoeg zal hebben.’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘De dingen die we nog zouden moeten doen, zullen we er nog tijd genoeg voor hebben?’
‘Nee, dat denk ik niet. Er zal nooit tijd genoeg zijn. Die gedachte geeft een soort troost.’
‘Jij hebt altijd meer aanleg gehad voor troost dan ik. En in missen was je ook beter.’
‘Dat denk je maar.’
‘Maar ik kan beter kietelen.’
‘O nee!’
‘O ja!’
‘Is er iets?’
‘Het is alsof ik nu terug je tweede huid zie. Net onder de eerste. Die krijg je niet zo vaak te zien.’
‘En jij ziet ze?’
‘Ja, ik zie ze. Nu.’
‘Dat mag.’
‘Soms is het alsof je ogen een beetje bang zijn, en afstand houden. Je laat niet zomaar iemand dichtbij komen, toch niet zo dichtbij.’
‘Dat is wel zo. Maar nu maakt dat allemaal niet meer uit. Heb je pijn?’
‘Ja. Maar ik wil er niet over praten. Het is niet zo erg. De pijn is er, en zal niet meer weggaan. Dus hoef ik er misschien gewoon niet te veel aandacht aan te geven.’
‘Ik wou dat ik ze weg kon nemen. Zo, met deze handen.’
‘Dat is lief. Misschien lukt het je wel.’
‘Heel vaak proberen, dat kan ik nog wel doen.’
‘Wat zul je doen, als ik er niet meer ben?’
‘Ik wil er niet aan denken, nu.’
‘Het is misschien niet lang meer, dat weet je.’
‘Soms denk ik dat het helpt om het niet te weten. In de zin dat mijn niet weten iets kan tegenhouden. Ik weet dat het niet zo is, maar het is een aantrekkelijke gedachte. Soms.’
‘Maar zul je me dan antwoorden als je er wel over gedacht hebt?’
‘Ja, ik zal je antwoorden.’
‘Ik hoop dat we voorbij de winter zullen zijn.’
‘Ja.’
‘Tot dan kan ik je nog wel opwarmen.’
‘Zeg!’
‘Ik mag er toch een beetje mee lachen.’
‘Ja, maar niet te veel. Al zul je je toch niets aantrekken van wat ik zeg.’
‘Nee, waarschijnlijk niet.’
‘Weet je wat ik zal missen? Je brieven. Vroeger schreef je altijd van die lange brieven. Je beschreef me in allerlei kleuren, en geuren ook. Bladzijden lang. En soms dacht ik dan: in die brieven zou ik wel kunnen wonen.’
‘Maar het is toch lang geleden.’
‘Ja, maar ik dacht altijd: ook al zijn we niet bij elkaar, zolang hij er nog is, ergens, zou hij nog altijd zo’n brief kunnen schrijven. De mogelijkheid van een brief, dat ben je.’
‘Ik zal je er zeker nog een schrijven, voor ik wegga.’
‘Beloof je dat?’
‘Ja, dat beloof ik. Met de hand. Traag geschreven.’
‘Tegenwoordig heb je zoveel manieren om snel te communiceren, en dat is ook wel goed. Maar het wachten op een brief, dat had ook wel iets. Dat alleen al was bijzonder.’
‘Voor mij was je ook een mogelijkheid. Ik kan het niet goed uitleggen. Ik had vaak het gevoel dat we elkaar echt dingen konden zeggen. Veel dingen zijn niet gezegd, nooit uitgesproken. Ze bleven in de lucht hangen. Maar het was alsof dat ooit zou kunnen. En dat idee was genoeg. Min of meer.’
‘Misschien was ik wel bang om alles uit te spreken. Daarmee zou het zo definitief worden. Alsof we daarmee ook alles zouden kunnen verliezen. Ik wou sommige dingen beschermen, door ze net niet uit te spreken, door net tot aan de rand te gaan van de woorden.’
‘Misschien is het tijd om weg te gaan van de rand, om er voorbij te gaan. Misschien hebben we geen argumenten meer over voor een uitstel.’
‘Misschien wel.’
‘Ik schrok van mezelf op die foto’s die je me liet zien.’
‘Je bent mooi op die foto’s, zie je dat dan niet?’
‘Nee, eigenlijk niet. Maar als jij ze zo ziet, dan kan ik er wel mee leven.’
‘Dat kun je ermee leven, dat is mooi.’
‘In mijn dromen sijpel ik langzaam weg, of zo.’
‘En waar ga je dan naartoe?’
‘Naar de rivier. En naar jou. De rivier is dichtbij. Je kunt op de oever zitten, en kijken. Alleen maar kijken naar de rivier. De rivier brengt je uiteindelijk naar de zee. Daar is er rust. En verder wil ik in jou verdwijnen. Eigenlijk niet anders dan in de zee.’
‘En wat als ik je na een tijd niet meer kan vinden?’
‘Dat is niet erg. Kijk dan gewoon even naar jezelf in de spiegel. Misschien zie je ergens, diep in je ogen, een kleine rimpel op het water.’
‘Ik weet niet of ik aan een rimpel genoeg zal hebben.’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘De dingen die we nog zouden moeten doen, zullen we er nog tijd genoeg voor hebben?’
‘Nee, dat denk ik niet. Er zal nooit tijd genoeg zijn. Die gedachte geeft een soort troost.’
‘Jij hebt altijd meer aanleg gehad voor troost dan ik. En in missen was je ook beter.’
‘Dat denk je maar.’
‘Maar ik kan beter kietelen.’
‘O nee!’
‘O ja!’
01 december 2012
Kun je niemand zijn
Het boek dat je aan het lezen bent. De jongen wordt elke ochtend wakker in een ander lichaam. Hij neemt een leven over, voor een dag. En trekt dan weer verder, als het ware. Het gaat zoals het gaat. Tot hij verliefd wordt op een meisje. Hoe doe je dat? Met elke dag een ander lichaam toch blijven bij die ene?
Hoe zou het zijn? Het is niet zoals je vroeger soms fantaseerde. Onzichtbaar zijn, en dan eender welk leven binnenwandelen. Die fantasie had misschien meer te maken met dingen zien die je zomaar niet te zien krijgt als jongen.
Je komt in het lichaam van een ander. Je kunt de geschiedenis van dat lichaam wel snel even ‘opzoeken’ in het geheugen, maar dat is het dan ook.
Hoe zou het zijn? De verhoudingen van een ander lichaam voelen. De verlangens, de littekens, het genot, de pijn. Het kijken naar anderen vanuit een ander lichaam. Bekeken worden in dat andere lichaam. Aangesproken worden als deel van een geschiedenis die je nog niet kende.
De zwaarte van de tijd. Hoe zou je die voelen in een ander lichaam?
Je kunt wel en niet aan je eigen lichaam ontsnappen. Je kunt jezelf observeren. Kijken naar je bewegingen, alsof je buiten jezelf stond. Je kunt kijken naar hoe je reageert in die of die situatie. Je kunt vanuit de verhalen van anderen naar jezelf kijken. En soms is het alsof je hoofd een eigen leven leidt, zonder de zwaartekracht van dat lijf, bijna bevrijd.
En tegelijk kan het niet. Alles wat je ziet, is op een bepaalde manier ‘gelichaamd’. Niet alleen door hoe lang of kort je bent of door de kwaliteit van je ogen. Je kunt nooit helemaal geschiedenis- of littekenloos naar de anderen kijken. Alles wat je meemaakte, het is ergens in dat lichaam. Het kan gestolde pijn zijn, het kan verworven mildheid zijn. Je kijkt nooit onbevangen. Waarom – bv. in de veronderstelling dat je een heteroseksuele man bent – zul je uit tien willekeurige vrouwen net bij die drie even blijven hangen met je ogen, met je neus, met je buik? Dat heeft ook met de archeologie van je eigen lichaam te maken.
Soms voelt de tijd aan als een zware jas, door regen doorweekt. Het is alsof je die jas in je huid draagt. In je fantasie kun je die jas afleggen, denk je. Als je er verder over doordenkt, is het toch weer anders. Misschien hoort het bij een vorm van ouderdom. Maar op een bepaald moment zou het afleggen van die jas niet betekenen dat je gewoon naakt bent. Je bent als het ware voorbij dat naakt. Dichter bij het skelet dan bij de huidrand.
Het idee dat iemand anders die jas aan zou moeten doen, het lijkt een beschamende gedachte. Je bent bang dat die te zwaar zou kunnen zijn. En tegelijk zou het een verfrissend gevoel zijn om in dat dragende lichaam, binnen in die humus, ineens een ander vuur of een andere adem te voelen. Als een soort spirituele stofzuiger.
En hoe zou het zijn als jij die adem zou zijn in een ander lichaam? Zou het lijken alsof tijd een soort artritis is, en zou je dan die gewrichten met die nieuwe adem weer een beetje los kunnen maken?
Ben je trouwens in jezelf wel minder op de dool? Uur na uur voelt je lichaam anders aan. Het ene moment ben je nog gedreven door dat boeiende gesprek, waardoor je anders beweegt, en waardoor de mensen en de huizen er anders uitzien. Het andere moment heb je net een middagdutje gedaan, waardoor je lijf in een ander ritme terecht is gekomen. Diezelfde stad, diezelfde mensen, ze lijken ineens zo ver weg, een beetje beangstigend zelfs. Het is alsof je dieper in je eigen lichaam gezogen wordt. En wat er in je hoofd gebeurt, het is ook veel meer fluïde dan je zou willen. Je bent nooit als een stevige boom, je bent meestal een kruispunt van allerlei tegengestelde krachten. Enkel in het verhaal dat je over jezelf vertelt, ben je ‘iemand’.
Misschien kun je af en toe naar jezelf kijken als iemand die elke dag, elk uur in een ander lichaam zit, in een ander iemand. Misschien kun je naar jezelf kijken zoals je naar de rivier kijkt. Misschien kan het je verzoenen met hoe je aan jezelf ontsnapt, soms. Misschien kun je zo af en toe heel even je niemand zien, wat het gemakkelijker maakt om daarna weer iemand te zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)