11 november 2009

Ommuurd

Je moet spaarzaam zijn met de geschiedenis. Alleszins wat de woorden betreft. Er kan tegelijk niet genoeg geschiedenis zijn. Voorzichtig en aarzelend, maar ook naakt en zonder illusies. Laat de geschiedenis altijd onder je huid bewegen, adem nooit zonder, ook als je lijkt te zwijgen. En zelfs dan weet je nog niet of je ooit in waarheid zult kunnen leven.

Verhalen en beelden over de val van de Muur. De Muur met een hoofdletter. Ze emotioneren me meer dan gezegd zou kunnen worden. Het is geschiedenis geworden. Het wordt geleerd op school. Het is en blijft zo moeilijk te vatten dat er mensen zijn die de Muur, en het verdwijnen ervan niet in hun hoofd hebben, als een absoluut referentiepunt. Weinig dingen hebben wie ik ben zo bepaald als de Muur. En tegelijk is het een troost, dat er zoveel mensen zijn van wie het hoofd van na de Muur is. De tijd schuift op, en de geschiedenis ook. We zegden vroeger: ik ben van na de oorlog, en dat wil ik zo houden. Mijn buurvrouw vroeg me ooit wat ik gedaan had in de oorlog. Ze kon niet begrijpen dat niet iedereen de oorlog had meegemaakt.

Ik kijk naar die mooie jonge mensen waar ik zo van hou. Dit Europa is van hen. Ze reizen erdoor alsof het één groot plein in de stad is. Ze bewegen en praten met elkaar alsof het gewoon is. Het is gewoon geworden, en dat zou me alleen maar blij mogen maken. Ouderen zeiden ons vroeger dat we onze zegeningen moesten tellen. Het maakte me kwaad. En nu zou ik graag willen dat wie jong is niet zomaar als gewoon zou zien wat voor mij niet gewoon kan zijn. Dit Europa is een herenigde familie, geen uitgebreid kerngezin. Dit Europa is trillende onrust en kwetsbaar streven om het bloed tussen Passchendaele en Srebrenica te beantwoorden. Er gaat geen dag voorbij of die doden komen in mijn hoofd. Erover spreken is te moeilijk, omdat woorden verkeerd kunnen klinken in tijden van cynisme. Spaarzaamheid is een ongemakkelijk antwoord. Sommigen willen alleen over een markt praten, en velen handelen alsof het niet meer is dan dat. Misschien is dat het bewijs van het succes. Misschien is het het bewijs van het grote vergeten.

Hoe moet je herdenken? Hoeveel grote woorden zijn aanvaardbaar? Hoeveel kleine woorden zouden er moeten zijn? Hoeveel werkelijkheden kunnen worden gekaapt door de stroom van geijkte woorden? En waar moet je uiteindelijk gaan staan?

Het vergeten valt me zwaar. Het vergeten van een economische pletwals, die de wereld aan de andere kant stormenderhand innam. Maar ook het vergeten dat huist in een gecultiveerde nostalgie. Het vergeten dat onderscheid maakt tussen dictaturen, en zogenaamd links onrecht minder erg vindt dan rechts onrecht. Het vergeten van zovelen die zich aanpassen aan ‘het’ systeem, en misschien opportunistisch of misschien uit lafheid mee drijven en nadien even soepel een plekje vinden op de stroom die nu een andere richting uit gaat. Of je het juiste doet, is een keuze van elke dag opnieuw. Deemoed is mooier dan vergeten.

Ik zie de documentaire over enkele gewone mensen die door wat ze deden dissident werden, officieel staatsgevaarlijk. Ze kwamen in de gevangenis. Hun kinderen werden geplaatst. Families werden verscheurd. De geschiedenis laat hen niet meer los. Anderen willen vooruit gaan. Willen liever niet weten wat er onder hun ogen gebeurde. Of zijn te jong, al kinderen van, en willen naar de toekomst. Misschien zijn de littekens toch beter. Er schuilt geen rust in het niet-weten.

Zou je ooit weten wat je zelf zou doen? Zou je ooit weten of je de moed zou hebben om te doen wat je moet doen? Je zou het willen weten. Het spookt door je hoofd. Zou je ooit weten of je een leven in waarheid, al was het maar even, benaderd hebt?

Ze hadden gelijk, de ouderen, toen ze me vroegen om nooit te vergeten. Misschien was ik kwaad om hun misplaatste heroïek. Misschien hulden ze zich te gemakkelijk in de geijkte woorden van heldhaftigheid en opoffering, wanneer ze hadden moeten spreken over het falen, het verlies en de moed van kleine maar beslissende gebaren. Maar over de geschiedenis hadden ze gelijk.

Tussen 9 en 11 november komt het allemaal samen. Van de val van de Muur, over de Kristallnacht, tot de Wapenstilstand. De doden, de gekwetsten, de vernederden, zij die gebroken zijn, ze zijn er allemaal. Ze kijken me aan. Ze leven in het nu, misschien is het dat wat de geschiedenis me zou willen leren.

08 november 2009

Een brief


Ik kreeg een brief van de Sint. Op mooi handgeschept papier, met sierlijke letters geschreven.

Beste Jan,

Ik weet dat het normaal omgekeerd is, en dat iedereen brieven naar mij stuurt. Ik lees die natuurlijk allemaal, maar soms wil een mens ook zelf wel eens een brief sturen. En ik weet ook dat jij een grote vriend van de Sint bent, dus dacht ik dat het goed zou zijn om jou een brief te sturen. Ik heb pas zo’n boek gelezen over de nodige balans tussen geven en nemen en zo. Beetje new age, maar toch interessant. En ik weet wel dat het goed is voor mijn karma om veel te geven, maar wat dat betreft heb ik wel een beetje reserve denk ik. Helemaal in balans is het niet nu, denk ik. En op de site van Psychologie Magazine heb ik ook al de test gedaan om te zien of ik wel helemaal mindful ben. Slotsom van al dat soulsearching is dat ik nu dus een brief zit te schrijven.

Het wordt de volgende weken weer erg druk voor mij. Ik doe nu elke dag extra oefeningen om fit te blijven, en ik heb ook zo’n trilplaat gekocht. Ik moet zeggen dat dat wel niet goed is voor mijn hangwangen, al worden die gelukkig nog een beetje bedekt door mijn baard.

Maar goed, waar ik nu eigenlijk voor schrijf. Ik zit met een knagend probleem, al vele jaren. En ik wil dat uit mijn hoofd hebben. Weet je, het is niet altijd zo simpel om deze dagen de Sint te zijn. Dat speelgoed wordt allemaal zo ingewikkeld en technisch en zo. Vroeger kon je meteen zien wat wat was, je moest daar niet voor studeren. Een doos Lego, dat was nog gewoon een doos met blokjes Lego. Een pop was een pop. En een slee voor in de sneeuw, dat was gewoon een slee. Tegenwoordig moet ik zowat de helft van het jaar op een speciale Sintencursus om me bij te scholen. Zo moest ik leren wat een Wii is. Ons Eufrasie, die het magazijn beheert, zei me nog dat ik die nieuwe Wii-toepassingen eens moest bekijken. Wie?, vroeg ik. Nee, Wii, zei ze. O, op die manier, zei ik. En dus moest ik op cursus. Moet je daar zo oud voor geworden zijn? Nou ja…

Ik dwaal weer af, dat zal door de zenuwen komen. Weet je Jan, toen jij klein was, was je eigenlijk wel een gemakkelijke klant voor mij. Echt te veel vragen deed je nooit, en het waren nooit erg ingewikkelde dingen. Maar een keer is het toch fout gegaan. Je vroeg eigenlijk maar één ding, en dat was dat spel, Valkuil. Je had er een heel mooie tekening van gemaakt, met veel kleuren. En je weet ongetwijfeld nog dat je dat jaar een hele hoop leuke en mooie dingen van mij hebt gekregen, maar geen Valkuil. En daar wil ik me alsnog voor verontschuldigen. Dat was eigenlijk zo’n mooi spel, en zo zonder batterijen en zo. Niet zoals zo’n Electro-spel, waar je zo twee gaatjes met elkaar moest verbinden, en dan ging dat lichtje aan. Nee, Valkuil, dat was gewoon met menskracht. En natuurlijk veel gekleurde balletjes. Je zult het misschien niet geloven, maar we hadden dat spel wel degelijk bij die nacht. Maar we zijn stout geweest, mijn pieten en ik. We zaten daar op dat grote dak van jouw papa en mama. En we waren een beetje moe van het harde werken. En toen hebben we dat spel uit de zak gehaald, we wilden gewoon even spelen, en daarna verder werken. Maar, je kunt het al raden, het ging fout. Er was iets te veel wind. De doos viel om, en al die balletjes rolden over het dak, tussen al die kleine kiezelsteentjes die er al lagen. We hebben nog geprobeerd om ze allemaal terug te vinden, maar dat ging niet. Onze zaklampen waren ook niet sterk genoeg om echt goed te kunnen zoeken. We hebben dan maar ter plekke nog wat pakjes uit onze reservezak gehaald. Daarom kreeg je toen ook zoveel pakjes. Maar geen Valkuil dus. Jan, het spijt me echt. Dat was me nog nooit overkomen, tot dan, en daarna ook nooit meer.

Nu zou ik eigenlijk het volgende willen voorstellen. We hebben onlangs nog een grote opruim gedaan in ons magazijn. En daar bleken nog heel wat oude spullen te liggen. Nu noemt men dat ‘vintage’, maar ik weet dat jij zo’n woorden niet nodig hebt om goede marchandise naar waarde te schatten. En ja, we hebben nog een doos gevonden met de versie van Valkuil van toen jij klein was. Dus, als jij nu binnenkort, op de nacht der nachten gewoon even je schoen zet, met een wortel en een pilsje erbij, dan zorg ik ervoor dat jij dat spel thuis krijgt. Ik zou het alleen leuk vinden als jij nog eens brief schrijft voor mij. Het hoeft niet over de Sint te gaan, en ook niet over hoe braaf je was het voorbije jaar. In jouw geval hoef ik dat niet te weten, eerlijk gezegd. Nee, gewoon een brief over het leven of zo, over de dingen die er echt toe doen. En dan schrijf ik wel een keer terug. En, wie weet, ontstaat er zo nog wel een mooie correspondentie. Wat denk je daarvan?

Het ga je goed Jan. Denk aan je schoen binnenkort, en liefst ook aan die brief. En die doos met Valkuil, die staat hier al klaar voor jou.

Hoogachtend, de Sint

07 november 2009

Django

‘Ik hou van die muziek. Ze kan me opgewekt en droef tegelijk maken op een of andere manier, ik kan het niet zo goed uitleggen.’
‘Ze past wel bij jou. Als ik aan jou denk, dan denk ik er bijna altijd muziek bij. Je kunt niet zonder, denk ik. Je hebt het nodig om te ademen.’
‘Misschien wel. Iemand zei me ooit dat ik wat dat betreft net een man ben. Wat hij daarmee bedoelde weet ik niet helemaal zeker, maar ik denk dat ik het begrijp.’
‘Je bent altijd zo geweest, ook toen je nog heel klein was. Zodra er muziek was in het huis, veranderden je ogen. En later ging je zelf muziek verzamelen. Het was alsof je daardoor altijd een ruimte rondom jou maakte waar er betekenis was of zo. Het klinkt wat raar, maar zo voelde ik het altijd aan. Je was er soms een beetje fanatiek in.’
‘Wat je zegt, klopt denk ik wel. Soms wordt mijn lichaam alleen maar rustig als het omgeven is door muziek. En alles wat verder weg is, blijft dan ook op een veilige afstand. Ik herinner me nog hoe jij als kind soms een beetje wanhopig voor je uit zat te kijken. Het was alsof je wilde dat er iets zou gebeuren, dat er iemand zou komen om bij je te zijn. Wat zo vaak niet het geval was natuurlijk.’
‘Dat is zo. Ik denk dat jij een beetje beter je eigen wereld kon maken, waarin je je kon terugtrekken. Ik heb dat altijd moeilijk gevonden. Ik wilde dan hard beginnen roepen of zo, terwijl jij zweeg.’
‘Maar misschien wist jij daardoor beter wat je wilde bereiken, in de echte wereld.’
‘Eerlijk gezegd, ik denk van niet. Het leek waarschijnlijk zo. Soms was ik een beetje jaloers op jou. Je had iets onbeweeglijks, mij is dat nooit gelukt.’
‘Maar nu beweegt er iets in jouw buik. Mag ik nog eens voelen? Hier, zo onder mijn handen gebeurt het allemaal. Je hebt het dan toch maar gedaan, of niet soms? Daar ben ik dan misschien wel een beetje jaloers op.’
‘Maar je zult toch altijd in de buurt zijn. Dat wil ik toch. Misschien moeten we toch ooit weer in hetzelfde huis gaan wonen.’
‘Een groot huis. Met jouw deel, en mijn deel, en een stuk tussen die twee. Ik zie het wel voor me. Wie weet gebeurt het ooit nog wel.’
‘En dan worden we ooit twee oude kranige vrouwtjes.’
‘Zo lang we dan maar niet samen dezelfde schort aandoen.’
‘Nee, maar we gaan dan wel samen op een bankje zitten buiten, aan de voorkant van het huis, om te kijken naar alle mensen die voorbij komen.’
‘Het is raar, als kind heb je daar een hele andere voorstelling van, van groot worden. Als je dan groter bent, en zogenaamd op eigen benen staat, weet je het trouwens ook nog lang niet. Ik dacht altijd dat ik mezelf zowat vanuit het niets opnieuw kon opbouwen. Maar je beseft langzaam maar zeker dat je in je huis misschien wel een binnenmuur kunt verplaatsen, dat je andere ramen kunt zetten of kleuren kunt kiezen, maar het geraamte van het huis kun je niet veranderen.’
‘Vroeger maakte het me soms kwaad, maar nu heb ik het wel aanvaard denk ik. Ik voelde dat het hoog tijd werd voor het kind.’
‘Die buik maakt je mooi. Er is iets veranderd in je ogen. Er is een soort rust in gekomen die ik er vroeger nooit in zag.’
‘Dat ontroert me heel erg. Zelf voel ik me niet altijd zo rustig vanbinnen. Soms slaat de totale paniek toe, en dan denk ik dat alles fout zal gaan, dat dit mij niet mag overkomen.’
‘Je zult het heel goed doen, dat weet ik nu al.’
‘Blijf dat vooral zeggen, want ik zal je nodig hebben.’
‘Zal ik je straks nog eens in een lekker warm bad steken? Daar heb ik wel zin in, en het zou je goed doen denk ik.’
‘Ja, dat is goed.’
‘Hoor je dat? Saint James Infirmary Blues. Ik heb iets met dat nummer. Hier is het alleen instrumentaal. Met de woorden erbij heeft het iets bezwerends.’
‘Dat is van jou.’
‘Weet je, als het kind er is, zal ik misschien af en toe even weglopen. Maar ik kom altijd terug, dat beloof ik je. Geloof je dat?’
‘Ja, dat geloof ik. Ik ken je toch al mijn hele leven.’
‘Dan is het goed.’
‘Je zult een goede tante worden, de beste van de hele wereld.’
‘Daar ben ik zelf nog niet zo van overtuigd, maar ik zal mijn best doen.’
‘Kom eens hier. Vroeger zong je soms voor mij, als ik niet kon slapen. Kun je dat nog eens doen?’
‘Ja, dat zal ik doen.’

05 november 2009

Herfstbesef


Je ziet de foto’s. Wat wil zeggen dat je eigenlijk jezelf zou zien. Maar je ziet de foto’s. En alle tijd die in die huid is bewaard. De eerste keer is het even wegkijken. Net zoals je grootvader deed. De tweede keer is er minder storm. Alsof stukken worden samengevoegd, in elkaar gepast. De derde keer zie je iemand op de foto. Er is iets met die mond. Er is iets met die glimlach. Er zijn veel vaders en grootvaders aanwezig. En na een tijd blijft enkel het residu over. Als hij het is, misschien wil je hem dan wel zijn. Het zou kunnen dat jij op de foto staat.

Er is iets met soep. Na alles wat je kan verwarren, wat je kan doen verdwalen in je eigen huis, is er soep. Er is iets met soep. Je snijdt de groenten, neemt ze in je hand en laat ze in de olie schuiven. Iets brengt je weer bij de aarde. Zoals alleen het maken van soep dat kan doen. Verwachting pruttelt op het vuur. De soep is op weg naar zichzelf. Morgen zal er daarvan nog meer zijn, al zal er minder vloeistof zijn dan vandaag. Zoals je zelf ook een beetje moet indikken met de jaren. Je kunt op het spoor komen van oude wijsheden terwijl de soep zichzelf warm koestert. En je kijkt, je kijkt. De soep is vrijgevig.

Er zijn kleuren die je zou willen zien, in dit seizoen. Je had het nog gedacht, eerder op de dag. Tot ze later voor jou onthuld worden. En je zou het willen zeggen. Je zou de kleuren willen aanraken.

Je merkt hoe je opschuift, iets meer naar het midden van het bed.

Je bent niet echt een gravenmens. Alleen het zijne zoek je regelmatig op. Om even te horen hoe het nu met hem gaat. Zo zeg je tegen jezelf. Als je daar bent, kijk je vooral. Het is alsof hij voor je staat. Achter een glazen wand. Ogen bekijken elkaar, en zeggen dat dit niet het domein van de woorden is. Je weet het niet. Elke keer, je weet het niet.

En daarbuiten trekken de kleuren zich in zichzelf terug. Ze treden terug, achterwaarts, met een zachte buiging.

Je kijkt, en er is ineens, telkens weer, zoveel mens voor je. Er is altijd meer dan wat er in je hoofd kan zijn.

Je maakt je klaar om door de regen te fietsen. Dit keer doe je het zoals het moet. Een regenbroek dient om aan te doen als het regent. Niet om te blijven liggen. Je doet het felgekleurde ding waarvan je de naam steeds weer vergeet over je regenjas heen, je wilt gezien worden vandaag. De regen heeft je opgewacht, heeft zich nog even ingehouden, tot jij de straat op zou komen. Je voelt de grote druppels op je billen. En je denkt: ze worden nu niet nat. En je vermoedt dat het tot nog toe niet-natte gevoel erop zou kunnen wijzen dat ze niet nat worden. Ergens in je hoofd zegt iemand met een licht lachende en vermanende stem dat daar in essentie die regenbroek ook voor dient. En je kunt niet anders dan haar gelijk geven, gelukkig hoort ze je niet denken. Het water krijgt geen vat op jou. Je splijt de zee open. Alleen van achter aan je hoofd, over je nek, en naar je rug, lopen er enkele druppels.

Niets om aan te trekken. Je hebt niets om aan te trekken. Je gunt jezelf even die gedachte. Je verlangt naar die kleren, naar die kleuren, die alles weer goed zouden maken. Ze zouden gewoon, op zichzelf, bepalen wie je zou kunnen zijn vandaag. Je zou het niet zelf moeten zijn, zij zouden het voor je doen. Omdat zij mooi zijn, zou jij het ook kunnen zijn. Je zou je gewoon moeten schikken naar je bestemming, naar wat je altijd al had kunnen zijn. Heel even laat je het toe.

Misschien is het tijd om jezelf uit handen te geven. Aan wind en regen, en het trage verdwijnen. Aan de herfst in jezelf. Het kan je overvallen, op een onbewaakt moment. Dat de tranen wachten op een aanleiding. Je kunt ze zien. Ze omringen je en lopen rustig mee door het huis. Ze dringen zich niet op.

Er moet iets geregeld worden, denk je. Er moeten papieren ingevuld worden. En het zou kunnen dat je ergens een fout hebt gemaakt. En iemand zal het zien, iemand zal ineens voor je deur staan of naast je bed, om je terecht te wijzen. En je probeert nog uit te leggen dat je niets fout wilde doen, dat je het enkel niet wist. Maar het is al bijna te laat. Je krijgt nog een laatste kans. En je neemt jezelf voor dat alles vanaf nu nog beter zal gaan. En zo gaat het door. Je kijkt naar jezelf, naar de alledaagse kleine paniek, die zich kan aandienen. En ook weer even snel weg kan gaan. Hoe verzoening mogelijk kan zijn, tussen jou en jou.

Er is iets met die glimlach. Dat slagveld aan rimpels is er natuurlijk enkel door het glimlachen gekomen, zeg je. En toch, in rusttoestand lijkt hij soms op een vreemd wezen. Alsof je ogen rechtdoor gaan, en die lach een zijweg wil nemen. Als kind wilde je altijd weten waar en wanneer een rimpel begint. Het ene moment is hij er nog niet, het volgende al een beetje wel. En zo gaat het door. Als kind dacht je dat door te kijken naar mensen met rimpels. Nu ben jij die mensen.

01 november 2009

May You Never



Een fietspad naast een drukke steenweg. De vrouw fietst voor me uit, haar zoontje fietst achter haar, net voor me. Dapper trapt hij de pedalen van zijn kleine fietsje rond, een klein beetje wiebelig nog. De moeder lijkt rustig, vol vertrouwen. Terwijl gaat het verkeer door. Ik blijf achter hen rijden, maar schuif op naar links, zo dicht mogelijk tegen de weg. Hopend dat de auto’s en vrachtwagens daardoor ook een beetje zullen opschuiven naar het midden, en zo verder weg van het fietspad zullen blijven. En als het dan toch moet, dat ze dan maar eerst tegen mij rijden, of zo. Iets verderop steken ze de drukke weg over. Mijn handen blijven trillen.

Je denkt soms dat het gemakkelijker wordt met het ouder worden, maar het is niet zo. Je zou iedereen uit de wind willen zetten, zorgen dat er alleen een warme en veilige plek overblijft. Het is niet anders dan dat. Je kijkt naar al die anderen, vaders en moeders, en hoe ze het doen. Het zal altijd een raadsel blijven.

Soms zijn ze er ineens. Al wie je lief is. Ze zijn onderweg. Ergens. En je zou willen zeggen dat ze moeten oppassen. Voorzichtig zijn. Je zou een of andere godheid, mocht die er ergens zijn, willen vragen om even te waken. Er even voor zorgen dat iedereen weer veilig en wel thuis komt.

Misschien is het de herfst wel die je een beetje week maakt. Misschien helpt moe zijn ook niet echt. Je zit televisie te kijken en ineens ben je niet meer bestand. Wat het is, weet je niet. Het raakt je midscheeps.

Je kijkt naar de kinderen. Tot je beseft dat het misschien niet meer het juiste woord is. Ze zijn groot geworden. Ze hebben al een wereld veroverd. In je hoofd is het nog toen, en alles wat tussen toen en nu ligt. Zij willen misschien alleen maar nu zijn. En zo hoort het ook. Iemand heeft hen vinger per vinger losgelaten. Het is allemaal gebeurd, daar ergens, en jij kon alleen maar kijken. En het zal wel goed zijn zo. En toch. Toch zou je willen zeggen. Dat ze voorzichtig moeten zijn. Je zegt het niet. Ze zouden je aankijken zoals jij zou hebben gekeken. En het zal wel goed zijn zo. Er is te veel dat je zou willen zeggen. Je zegt het niet.

Zou het kunnen. Dat jij even voor genoeg schaduw uit de wind zou kunnen zorgen, zodat iemand er rustig in zou kunnen slapen? Stel dat je het zou geloven.

Het is aardedonker buiten. Het is warm genoeg binnen.

En soms moet je niet meer doen dan traag ademen. Tot alles op zijn juiste plaats valt. En alle dingen lijken te zijn wat ze moeten zijn. Je kunt de landkaart in je hoofd overlopen. Iedereen die je kent. En alle plaatsen waar ze zijn. Een voor een. En je kunt zien dat het allemaal goed is.

Hoe het zou zijn als je zou kunnen geloven dat jouw naam ergens in de palm van een hand geschreven is. Het zou mooi zijn. Het zou misschien een vorm van rust kunnen geven. Het zou je ervan kunnen overtuigen dat onrust niet de natuurlijke staat der dingen is. In het andere geval blijven alleen je handen over. En de verhalen, natuurlijk. Zo moeten ze ooit begonnen zijn.

En wat er na de verhalen overblijft. Daarmee moet je het doen.

31 oktober 2009

Sonja


Of ze me enkele vragen mocht stellen. Ze keek me al een beetje ijsbeerachtig aan, of beter: iets met zeehondjes. Ik dacht er nog even aan om me strategisch te verwijderen, verwijzend naar een of andere dringende afspraak die ik had. Maar ik had geen afspraak, en dringend was er niets, want ik had helemaal niets te doen. Ik verwachtte me aan indringend marktonderzoek over senseotoestellen die ik toch nooit zal hebben, maar er was meer sprake van menselijke nood. En die vragen, dat viel nog mee. Het was meer een verhaal eigenlijk.

Sonja, zo heette ze. Of ik haar een knuffel wilde geven. Ik zei haar nog dat het gisteren knuffeldag was. Dat wist ze wel, maar ze was te verlegen om op knuffeldag een knuffel te gaan vragen. Om het met zichzelf goed te maken had ze zich voorgenomen om vandaag in het kader van de zelfoverwinning een dappere daad te stellen. Ze zou wachten tot ze een man van middelbare leeftijd voorbij zou zien komen, een man die er vooral ongevaarlijk en een beetje braafjes uit zag. Liefst zonder baard, al waren kleine weekendstoppels wel toegelaten. Iemand zoals ik dus. Ze had een mooie stem, en keek me zo bijna licht wanhopig aan dat ik het knuffelverzoek niet kon weigeren. Nog een keer, dat vroeg ze. En dus deden we het nog een keer.

Of we een koffietje konden gaan drinken. Aangezien ik niets te doen had, en we nu toch al geknuffeld hadden, was er niets wat het drinken van koffie tegen zou kunnen houden. Ze vertelde me dat ze jarenlang op de parfumafdeling van de Inno had gewerkt. Die walmruimte waar je steeds doorheen moet spurten om nog enigszins ademend bij de roltrap te raken. Het ging niet meer. In het begin leek het haar nog mee te vallen. Er waren natuurlijk lekkere geurtjes. Er waren de gulzige ogen, vol wandelend verlangen. Maar toch. Na een tijdje wil een mens wel eens een diepzinnig gesprek voeren. Ze had aan Angèle, de collega van het merk naast haar, al uitgelegd dat die nieuwe kerstplaat van Bob Dylan helemaal niet zo slecht was als sommigen – die er natuurlijk niets van af weten – beweerden. Maar Angèle kon alleen praten over de Kevin, de man van het magazijn die ze niet kon krijgen. Ze was dan maar tegen Brigitte, van aan kassa 4, begonnen over de nieuwste ontwikkelingen in de snaartheorie. Maar die was zo uitgeput door haar panische angst om de Mexicaanse griep op te lopen, waardoor ze al nachten niet meer sliep, en nu bij het allerminste begon te snotteren, dat dit gesprek tot een totale meltdown leidde.

Geen diepzinnige gesprekken dus tussen de parfums. Eigenlijk had ze liever bij de mannenparfums gestaan, maar die afdeling werd op militaire wijze bewaakt door Véronique. Véronique was ondertussen al aan haar zevende makeover toe en stond op het punt om uit zichzelf te barsten, zo weinig huid was er nog over. Een aantal sukkels van mannen werd nog wel een beetje week in de benen van haar voor haar uitlopend siliconenwerk. Maar ook dat werd minder. Je zag wel elke dag verdwaalde mannen, die vooral een goed gesprek wilden, maar die durfden zich niet te wagen in de vrouwenparfumafdeling.

Ze was het dus afgestapt in de Inno. Gisteren. En dit was de eerste dag van haar nieuwe leven. En daar hoorde dus wel een knuffel bij. En een kopje koffie. Volgende week zou ze zich gaan inschrijven voor een opleiding tot kleurconsulente. En ze zou ook aan een boek beginnen. Met praktische tips om jezelf nog mooier te maken. Telkens doorweven met cultuurhistorische verhalen en filosofische beschouwingen. En ook wetenschappelijke weetjes. Zo zou ze uitleggen hoe het komt dat dat kleine beetje kant, strategisch aangebracht zodat het net zichtbaar is in de decolleté van een vrouw, zo aantrekkelijk is. Simpele mannen als ik kunnen dat natuurlijk vaststellen, waardoor hun verstandelijke vermogens even nog verder verminderd worden, maar er blijkt dus een hele kantwetenschap te bestaan.

Of ik nog tips had voor haar boek, wilde ze weten. Ik stelde voor om toch iets te doen aan die lange nagels van zoveel vrouwen. Dat is namelijk een echte afknapper. Dat steekt zo ver uit en schrikt geweldig af. Ze keek me met haar ontwapenende blik lang en diep aan. Eindelijk, zei ze, eindelijk is er nog iemand die zich even erg stoort als ik aan al die stomme lange nagels. Die zijn trouwens ook niet knuffelvast, en tevens niet aangewezen bij het fijnere massagewerk van allerlei gevoelige lichaamsdelen.

We hebben daar nog enkele uren gezeten. In het volle besef dat een diepmenselijk gesprek, onder meer over mooie boeken, toch vervullender is dan tussen enkele miljoenen mensen te moeten aanschuiven op de boekenbeurs. Ze gaf me ook nog enkele tips voor de sokken die ik eigenlijk nog moest gaan kopen in de Inno. Ze vertelde me nog enkele geheimen over André en Peter, haar twee minnaars. En toen vertrok ze. Na een laatste knuffel. En zo werd het toch weer een mooie dag.

29 oktober 2009

Onder

‘Hoe weet je nu waar we zijn?’
‘Ik weet waar we naartoe gaan. Hoor je dan niets?’
‘Nee, ik denk het niet.’
‘Luister dan eens goed. Hoor je het niet?’
‘Water, ik hoor water.’
‘Ja, er is een rivier daar, en daar gaan we naartoe.’
‘Heb je dan nooit een kaart bij of zo?’
‘Nee, nooit als ik naar het bos ga. Thuis kijk ik vooraf soms even om te zien hoe het er ongeveer uit ziet. Maar als ik er ben, voel ik al snel waar ik naartoe wil.’
‘En loop je dan nooit verloren?’
‘Nee, dat kan niet. Er is altijd wel iets te zien.’
‘Ik zou het niet kunnen, denk ik. Toch niet alleen. Maar als jij erbij bent, is alles goed. Het is alsof ik je helemaal vertrouw.’
‘Dat is wel lief. Maar ik moet toegeven dat het gemakkelijker is als jij erbij bent. Het is gemakkelijker om alleen te zijn hier als jij erbij bent. Ik weet dat het raar klinkt, maar zo is het.’
‘Ik begrijp het wel, denk ik. Volgens mij lijken we toch een beetje op elkaar. In alles wat we niet zeggen.’
‘Het is zo mooi dat je het nooit raar vindt wat ik je allemaal vertel. Als ik je vertel over mijn dromen, over de dingen die ik soms zie in mijn huis, over wat er soms door mijn hoofd gaat, dan luister je gewoon, alsof je dat elke dag hoort.’
‘Het is van jou, en dan is het goed. Ik ken je toch goed genoeg.’
‘Kijk, we zijn er. Wat vind je ervan? De kleuren zijn zo bijzonder. En hoe het licht beweegt, het is alsof het water iets wil zeggen.’
‘Wat doe je nu?’
‘Ik ga het water in. Kom je niet mee?’
‘Nee, nog even niet. Ik wil gewoon nog wat kijken, van hier, aan de rand van het water.’
‘Het water is zacht. En als je het water in je handen neemt, is het alsof je het licht meeneemt.’
‘Kijk daar, op die brede steen, als je daar gaat liggen, zul je net op een aantal plekken een beetje boven het water uitkomen. En de rest blijft onder.’
‘Je hebt gelijk. Het voelt goed om hier te liggen. Alles beweegt rondom jou. Je voelt het water, maar ook de zon, en dat klein beetje wind. Kom je er niet bij?’
‘Ik blijf nog even hier. Ik ben nog een beetje onder de indruk. Je beweegt en ligt daar alsof het allemaal zo normaal is, alsof je helemaal in je element bent. Je lijkt ervoor gemaakt, je hoort bij het water daar en bij de zon. Ik zou iets moeten oversteken. Alsof ik een rivier zou moeten oversteken om in die rivier te kunnen zijn, gewoon als mezelf.’
‘Misschien moet je gewoon komen, en niet nadenken.’
‘Het is goed, ik kom.’
‘Weet je, ik ben niet altijd zo. Vaak ben ik bang voor de dingen, al zullen de meeste mensen dat nooit aan me zien. Als jij er bent, is het alsof ik anders adem.’
‘Het is inderdaad heel speciaal om hier te liggen. Je voelt het water onder en naast je, en soms een beetje over je, maar meestal niet.’
‘Je zegt vaak dat je verlegen bent, maar dat is toch niet zo? Zo veel hebben we toch nog niet samen gedaan?’
‘Nee, dat klopt wel, maar het is een beetje zoals jij me zei toen we voor het eerst echt afspraken. Het is alsof we elkaar al lang daarvoor kenden. Toen je dat zei, had ik het beeld van een rivier, die door je heen stroomde. En bij mij was het ook zo. Het was alsof dat water er altijd al was geweest, maar nu ineens zichtbaar werd. En daarnet kwam dat beeld ineens weer terug, toen ik je hier zag liggen.’
‘Het is raar dat je dat zegt, maar dat beeld van die rivier duikt soms in mijn dromen op.’
‘Als je hier lang genoeg blijft liggen, kan misschien alle ballast uit je weg vloeien. Het water gaat door je huid, en neemt alles mee.’
‘Ja, dat zou mooi zijn. En vanaf straks moet je dan niets meer zeggen dat niet helemaal klopt of dat je niet echt zo voelt. Je kunt dan heel vaak zwijgen. En als er toch iets moet gezegd worden, komen alleen de goede woorden. Weinig woorden, maar wel goede woorden. En de ander, die gehoord heeft wat je zegt, antwoordt ook alleen maar met de juiste woorden. Spaarzaam, maar in een frequentie die je buik doet trillen.’
‘En je moet niet meer bang zijn dat er iets of iemand weggaat. Alles wat je ziet, en wat goed is, blijft. Je ziet het wel veranderen, maar het blijft.’
‘Ik zie het helemaal voor me. Als het moet, kun je even je rug draaien, zodat je alleen kunt zijn, lang genoeg. Heb je daar geen schrik van, dat ik toch vaak alleen moet zijn?’
‘Nee, helemaal niet. Het is voor mij hetzelfde. Ik moet de woorden kunnen laten zakken in mezelf, zoals zandkorrels in een glas water. En dat vraagt de tijd die nodig is.’
‘Zullen we weer vertrekken zo?’
‘Nog even. Laten we nog even blijven hier.’
‘Ja, nog even.’